Micha 5:1
En gij, Bethlehem
Efrata, al zijt gij klein onder de geslachten van Juda, uit u zal Mij voortkomen die een
heerser zal zijn over Israël en wiens oorsprong is van ouds, van de dagen der
eeuwigheid. 2 Daarom zal Hij hen prijsgeven tot de tijd, dat zij die baren zal, gebaard heeft.
(
Tijdskloof)
Dan zal het overblijfsel
zijner broederen terugkeren met de Israëlieten. 3 Dan zal Hij staan en hen weiden in de
kracht des HEREN, in de majesteit van de naam des HEREN, zijns Gods; en zij
zullen rustig wonen, want nu zal Hij groot zijn tot aan de einden der aarde, 4
en Hij zal vrede zijn. (NBG Vertaling 1951)

De naam
van de profeet Micha is een verkorte vorm van de naam Michajah wat betekent: Hij
die is als de HEERE". De profeet Micha trad op in dagen van de koningen
van Juda: Jotham, Achaz en Jehizkia. Op de tijdsbalk zitten we voor deze
koningen in de jaren van 754 tot 694 v. Chr. Dat maakt van de profeet Micha een
tijdgenoot van de profeet Jesaja. De bediening van Jesaja begon al eerder in de
dagen van koning Uzzia van Juda in het jaar 776 v. Chr. het jaar van de moeder
alles verwoestingen.
Jesaja
1:1 Het gezicht van Jesaja, de zoon van Amoz, dat
hij heeft gezien over Juda en Jeruzalem in de dagen van Uzzia, Jotham, Achaz en Jehizkia, koningen van Juda.
Zie het
artikel van 17.11.2017 op dit blog:
de moeder van alle verwoestingen, link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1510527600&stopdatum=1511132400
In het
eerste hoofdstuk van het Bijbelboek Micha lijkt het dat Micha (1:2-4) zijn
bediening ook begon ten tijde van een meganatuurcatastrofe. Het is mogelijk dat
hier dezelfde ramp beschreven wordt als ten tijde van de aardbeving van Uzzia.
Diezelfde dag werd Uzzia door melaatsheid getroffen, in quarantaine geplaatst
en nam zijn zoon Jotham van die dag aan de staatszaken waar.
Aangezien
Micha een tijdgenoot van Jesaja was vinden we dezelfde oordeelsaankondigingen
bij beide profeten, wat niet onlogisch is gezien de ernst van de
waarschuwingen. In Micha hoofdstuk 1:6 voorspelde de profeet de val van Samaria
dat in 717 v. Chr. een feit werd.
Met het
artikel van deze week wil ik een bijzonder chronologisch onderdeel van de
profeet Micha behandelen. De tijdskloof
namelijk, het tijds-dal, dat er bestaat tussen vers 2b en vers 3 van hoofdstuk
vijf.
De
profetie van Micha over de geboorteplaats van de Messias of Christus is
wereldwijd bekend vanwege het Kerst-gebeuren. Het gehucht Bethlehem is de
plaats waar de Heiland in het jaar vijf voor Christus in de vijfde maand Ab
(juli/augustus) geboren werd. Toen de Magi uit het Oosten aan het hof van
Herodes de Grote navraag deden naar de geboorte van de Koning der Joden werd op
bevel van Herodes de Joodse Schriftgeleerden er bij gehaald die daarop aan
Herodes de Boekrol van de profeet Micha citeerden zoals vermeld in Matteüs 2:1-6.
Hierna het Bijbelcitaat volgens de Statenvertaling:
Micha 5:1
En gij, Bethlehem Efratha! zijt gij klein om te
wezen onder de duizenden van Juda? Uit u zal Mij voortkomen, Die een
Heerser zal zijn in Israël, en Wiens uitgangen zijn van ouds, van de dagen der
eeuwigheid.
Het is de
Messias/ Gezalfde/ Christus, de Zoon van God, de HEERE God zelf, die mens werd
en het kleinste dorp van Juda uitkoos voor Zijn geboorte in de wereld.
De
voorzegging van de profeet Micha was nochtans een oordeel-aankondiging voor
zijn tijdgenoten. Het volk van Juda dat zijn eigen weg ging zou in ballingschap
naar Babylon weggevoerd worden. Zij zouden prijs gegeven worden:
Micha 4:10 Krimp ineen en schreeuw het uit, dochter Sions, als een
barende; want thans zult gij uittrekken uit de stad en verblijven op het veld, en
gij zult naar Babel komen. Daar zult gij bevrijd worden; daar zal de HERE u
verlossen uit de macht van uw vijanden.
Micha 5: 2 Daarom zal Hij hen prijsgeven tot de tijd,
dat zij die baren zal, gebaard heeft.
De
profeet Micha verwittigde het volk dat zij door God prijsgegeven zouden worden tot de tijd, dat zij die baren zal,
gebaard heeft. Dit is in de geschiedenis van Israël letterlijk uitgekomen. Na de
val van Babylon in 539 v. Chr. namen de Meden en de Perzen de heerschappij
over, gevolgd door de Grieken en daarna vanaf 63 v. Chr. door de Romeinen. In
het jaar 70 AD, veertig jaar na de verwerping van de Messias werd Jeruzalem en
de Tempel door de Romeinen werd de grond gelijk gemaakt.

©
onbekend public domain?
Micha 3:12
Daarom zal om uwentwil Sion als een akker worden
omgeploegd, en Jeruzalem zal worden tot steenhopen, ja de tempelberg tot
woudhoogten.
Er
waren in de lange periode van de Babylonische Ballingschap (605/535 v. Chr.) af
tot aan de Romeinse periode (63 v. Chr.) enkele lichtpuntjes zoals de terugkeer
van een overblijfsel uit de ballingschap, de herbouw van de tempel onder Ezra
en Nehemia tijdens de Perzische heerschappij. Maar het koningschap was
verdwenen. Wat bleef was de belofte van het herstel. Voor een gelovig
overblijfsel van Israël (Lucas 2:25) was het nu wachten op degene die baren zou, op de geboorte
van de Gezalfde, de Koning der koningen.
De
profeet Jesaja had degene die baren zou eveneens voorspeld:
Jesaja
7: 14
Daarom zal de Here zelf u een teken geven: Zie, de
jonkvrouw zal zwanger worden en een zoon baren; en zij zal hem de naam Immanuël
geven.
In het
Nieuwe Testament wordt deze profetie vervuld in Maria van het huis van David.
Zie Lucas 1:26-38 en Matteüs 1;18-25
De
profeet Jesaja geeft twee verschillende facetten van de verwachte Heerser door:
een Heerser namelijk maar tegelijkertijd ook een Knecht. De Knechtgestalte
wordt in het bijzonder in hoofdstuk 53 beschreven.
Jesaja
53:1 Wie gelooft, wat wij gehoord hebben, en aan
wie is de arm des HEREN geopenbaard? 2 Want als een loot schoot hij op voor zijn
aangezicht, en als een wortel uit dorre aarde; hij had gestalte noch luister, dat wij hem zouden hebben aangezien,
noch gedaante, dat wij hem zouden hebben begeerd. 3 Hij was veracht en van
mensen verlaten, een man van smarten en vertrouwd met ziekte, ja, als iemand,
voor wie men het gelaat verbergt; hij was veracht en wij hebben hem niet
geacht. 4 Nochtans, onze ziekten heeft hij op zich genomen, en onze smarten
gedragen; wij echter hielden hem voor een geplaagde, een door God geslagene en
verdrukte. 5 Maar om onze overtredingen
werd hij doorboord, om onze ongerechtigheden verbrijzeld; de straf die ons de
vrede aanbrengt, was op hem, en door zijn striemen is ons genezing geworden.
6 Wij allen dwaalden als schapen, wij wendden ons ieder naar zijn eigen weg,
maar de HERE heeft ons aller ongerechtigheid op hem doen neerkomen. 7 Hij werd
mishandeld, maar hij liet zich verdrukken en deed zijn mond niet open; als
een lam dat ter slachting geleid wordt, en als een schaap dat stom is voor
zijn scheerders, zo deed hij zijn mond niet open.
Maar nu
verder met de profetie van Micha. Ik herhaal gemakkelijks halve het
Bijbelcitaat:
Micha 5:1
En gij, Bethlehem Efrata, al zijt gij klein onder de geslachten van Juda, uit u
zal Mij voortkomen die een heerser zal zijn over Israël en wiens oorsprong is
van ouds, van de dagen der eeuwigheid. 2 Daarom
zal Hij hen prijsgeven tot de tijd, dat zij die baren zal, gebaard heeft.
(
Het
prijsgeven besloeg een tijdsperiode die begon in 586 v. Chr. en eindigde in het
jaar van de geboorte van de Messias in 5 v. Chr. Een totaal van 581 jaar)
Dan zal het overblijfsel zijner broederen terugkeren
met de Israëlieten. 3 Dan zal Hij staan
en hen weiden in de kracht des HEREN, in de majesteit van de naam des HEREN,
zijns Gods; en zij zullen rustig wonen,
want nu zal Hij groot zijn tot aan de einden der aarde, 4 en Hij zal vrede zijn.

Het
profetisch Bijbelgedeelte van vers 2b en verder bleef bij het afwijzen van
Jezus van Nazareth als de Messias onvervuld
en als een gevolg werd het herstel van alle dingen uitgesteld. Er zou ten tijde van de eerste komst van de Messias
geen overblijfsel van Israël zijn dat kon terugkeren naar het Beloofde Land,
gevolgd door een rustig wonen in het Vrederijk. Zie het artikel op dit blog van
12.01.2018: de chronologie van het
Johannes-evangelie, link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1515366000&stopdatum=1515970800
De
belofte van een derde herstel van het koningschap van Israël van de profeten
zoals van o.a. Micha werd echter alleen uitgesteld en niet afgelast zoals het gevestigde
christendom leert. De Joden die in 70 AD in een wereldwijde diaspora terecht
kwamen, zijn in de volken-zee bewaard gebleven (wat in wezen wonderlijk is),
zij het dikwijls onder zware verdrukking. Sinds 1948 kennen we een nationaal
herstel in het oude land der vaderen: Israël. Een nationaal herstel dat onder druk
gehandhaafd wordt. De belofte van de profeet Micha:
en zij zullen rustig
wonen, want nu zal Hij groot zijn tot aan de einden der aarde, 4 en Hij zal
vrede zijn., ligt nog ver weg. Hier gelden namelijk wetmatigheden waaraan
voldaan moet worden.
Onder degenen
in het christendom die op basis van de profetische Boeken van de Bijbel een
derde herstel van Israël verwachten is de vestiging van de seculiere staat
Israël in mei 1948 het grote teken dat de wederkomst van de Messias nabij
gekomen is. Ook als dit geprofeteerde geestelijke herstel van Israël inmiddels
al zeventig jaar op zich laat wachten.
Het
christendom: de Rooms-Katholieke kerk, de Orthodoxe kerken, de vele
Protestantse kerken en de sekten, zitten op de tijdsbalk chronologisch gezien
in een tijds-dal de tussentijd. De tijd tussen de verwerping van Israël en de
weder aanneming van hen. Dit christendom is gesticht door de oudste kerkvaders,
de bisschoppen en in zijn staatkundige dimensies door Constantijn de Grote. Een
vergelijking maken met de gemeente of kerk van het eerste uur is pijnlijk. Wanneer
we bijvoorbeeld het laatste hoofdstuk van de Romeinenbrief van Paulus
aandachtig lezen dan zien we hoe het er in de eerste gemeenten in de stad Rome circa
50/60 AD aan toe ging. Na de leerstellige vijftien hoofdstukken van de
Romeinenbrief volgt een hoofdstuk met persoonlijke mededelingen van Paulus
gericht aan verschillende individuen, zowel mannen als vrouwen wat een goed
beeld geeft van de Gemeente van het eerste uur. Vrouwen blijken bijvoorbeeld zonder
discriminatie een belangrijke rol in de Ekklesia of Gemeente gespeeld te
hebben. De eerste persoon die Paulus (16:1-2) aanbeveelt is de genaamde Febe,
een vrouw die de functie van Diakonon in de Gemeente uitoefende en zij diende
volgens Paulus door de Christen-Romeinen behandelt te worden gelijk het de
heiligen betaamde. Dit staat onmiddellijk haaks op de minderwaardige rol van de
vrouw daarna in het gevestigde christendom sinds Constantijn de Grote. Het
volgende dat opvalt is dat de Ekklesia van het eerste uur het zonder
kerkgebouwen, tempels of kathedralen deed. In de plaats daarvan bestonden er meerdere
zogenaamde huisgemeenten in Rome (16:3-4, 10, 11, 16). De mensen van het eerste
uur kwamen samen bij elkaar thuis en braken brood en dronken een beker wijn ter
nagedachtenis van hun Heiland Jezus Christus, wiens wederkomst zij spoedig
verwachtten. Zij spraken elkaar aan als broer en/of zus en dit in ongeveinsde liefde
tot elkaar, gedragen en verbonden door de Liefde van de opgestane Heer en
Heiland Jezus Christus die in afwachting van Zijn wederkomst hun de Trooster
gegeven had: de Heilige Geest van God de Vader.
De
beschrijving van de heiden-christenen van het eerste uur te Rome is in lijn met
de bekende boodschap van Paulus te Athene waar hij eerder de gelegenheid kreeg op
de Areopagus zijn evangelie aan de aldaar verzamelde Griekse wijsgeren door te geven:
Handelingen
17:24 De God, Die de wereld gemaakt heeft en alles wat daarin is; Deze, zijnde
een Heere des hemels en der aarde, woont
niet in tempelen met handen gemaakt; 25 En wordt ook van mensenhanden niet
gediend, als iets behoevende, alzo Hij Zelf allen het leven, en den adem,
en alle dingen geeft; 26 En heeft uit een bloede het ganse geslacht der mensen
gemaakt, om op den gehelen aardbodem te wonen, bescheiden hebbende de tijden te voren geordineerd, en de
bepalingen van hun woning; 27 Opdat zij den Heere zouden zoeken, of zij Hem
immers tasten en vinden mochten; hoewel Hij niet verre is van een iegelijk van
ons. 28 Want in Hem leven wij, en bewegen ons, en zijn wij; gelijk ook enigen
van uw poeten gezegd hebben: Want wij zijn ook Zijn geslacht. 29 Wij dan,
zijnde Gods geslacht, moeten niet menen, dat de Godheid goud, of zilver, of
steen gelijk zij, welke door mensenkunst en bedenking gesneden zijn. 30 God
dan, de tijden der onwetendheid
overzien hebbende, verkondigt nu allen mensen alom, dat zij zich bekeren. 31
Daarom dat Hij een dag gesteld heeft, op welken Hij den aardbodem
rechtvaardiglijk zal oordelen, door een
Man, Dien Hij daartoe geordineerd heeft, verzekering daarvan doende aan
allen, dewijl Hij Hem uit de doden
opgewekt heeft. (Statenvertaling)
De
boodschap van Paulus is duidelijk. De christenen van het eerste uur wisten dat
de Schepper niet in tempels woonde en niet door mensenhanden gediend kon
worden, wat een bijzonder (mannelijk) priesterschap met zogenaamde sacramenten
overbodig maakte en uitsloot. Alleen het geloof als een gave van God was van
belang.
De
tijden der onwetendheid waren voor de niet-Joden voorbij. Paulus was de
uitverkoren apostel tot het brengen van het evangelie naar de heidenwereld.
Zijn boodschap was tot dan toe een verborgenheid geweest, was aan geen enkele
profeet van het Oude Testament ooit geopenbaard geweest.
Romeinen
16:25 Hem nu, Die machtig is
u te bevestigen, naar mijn Evangelie en de prediking van Jezus Christus, naar de
openbaring der verborgenheid, die van de tijden der eeuwen verzwegen is geweest; 26 Maar nu geopenbaard is, en door de profetische Schriften, naar het
bevel des eeuwigen Gods, tot gehoorzaamheid des geloofs, onder al de heidenen bekend is gemaakt; 27
Den zelven alleen wijzen God zij door Jezus Christus de heerlijkheid in der
eeuwigheid. Amen. (Statenvertaling)
Het
scharnierpunt in de tijd van twee bedelingen (Galaten 4:24) was de afwijzing
van Paulus door de Joden in Rome. Het Bijbelboek Handelingen sluit deze
geschiedenis af met hoofdstuk 28:17-28, met de voormannen der Joden te Rome die
de boodschap van Paulus afwijzen en de oordeelsprofetie van de profeet Jesaja (6:9-10)
over zich halen. Het is na de afwijzing van Israël dat Paulus zijn Efeze-brief
schrijft en aan alle dan bestaande gemeenten bekendmaakt.
Tijdens
de historische periode van het Bijbelboek Handelingen vanaf de Opstanding van
Christus en Zijn Hemelvaart, gevolgd door Pinksteren en de uitstorting van de
beloofde Heilige Geest, de andere Trooster, te Jeruzalem over de daar
verzamelde discipelen zowel mannen als vrouwen honderdtwintig in totaal,
worden de Joden alsnog meerdere keren opgeroepen het Heil, de Verlossing in
Christus te aanvaarden. Zie Handelingen 2:14-40, 3:12-26, 7:1-60. De
chronologie van deze geschiedenis op de tijdsbalk heb ik al eens eerder op dit
blog behandelt. Zie het artikel van 25.01.2016:
De datering van Paulus ontmoeting met de opgestane Christus, link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1453676400&stopdatum=1454281200
De
roeping van Paulus als bijzondere apostel voor de niet-Joden of heidenen
dateren we in het najaar van 30 AD. Paulus begint vanaf hier voor geruime tijd (Galaten
2:1) aan zijn bediening zonder contact met de Joodse christenen, de eerste
Gemeente te Jeruzalem. Terwijl Paulus wiens naam door de Heer Jezus Christus van
Saulus naar Paulus gewijzigd was, zijn missie naar de heidenen uitvoert wordt
in Judea Petrus naar Caesarea, het machtscentrum van de Romeinse bezettende
macht in Judea, naar het huis van de niet-Jood Cornelius geleidt.
Handelingen
10:1 En er was te Caesarea iemand, genaamd
Cornelius, een hoofdman van de
zogenaamde Italiaanse afdeling, 2 een godvruchtig man, een vereerder van
God met zijn gehele huis, die vele aalmoezen aan het volk gaf en geregeld tot
God bad.
Wat is
hier aan de hand? In dezelfde tijdsperiode dat Paulus zijn bijzondere bediening
naar de heidenen uitvoert, wordt Petrus, de apostel voor de Joden (Galaten
2:7-8) eveneens naar het huis van een heiden geleidt: de Centurion Cornelius
van de Italiaanse afdeling. Dit toont volgens mijn mening aan hoe reëel het
aanbod aan de Joden was, om alsnog met Sjavoeot of Pinksteren op 28 mei 30 AD
de Heer Jezus Christus te aanvaarden en het beloofde Vrederijk met het herstel
van alle dingen te laten aanvangen. Indien Israël positief op dit aanbod was
ingegaan zouden alle profetieën aangaande de komst van de Messias versneld
uitgekomen zijn. In dit mogelijk scenario zou ook toen al een overblijfsel van
de volken het vrederijk binnengaan.
Dat Cornelius
van de Italiaanse afdeling te Caesarea geroepen werd is ook geen toeval maar de
vervulling van een zeer oude profetie die ooit Noach na de Grote Vloed over
zijn drie zonen uitsprak.
Genesis
9:26 Voorts zeide hij: Gezegend zij de HEERE, de God van Sem; en Kanaän zij
hem een knecht! 27 God breide Jafeth uit,
en hij wone in Sems tenten! en
Kanaän zij hem een knecht! (Statenvertaling)
Jafeth
en zijn nakomelingen zijn n a de
spraakverwarring vooral in Europa terechtgekomen. De autochtone volken van
Europa gaan terug tot hun stamvader Jafeth. Ook de Italianen die in Handelingen
10:1 genoemd worden gaan terug tot Jafeth. In de lijn van Sem zitten de
aartsvaders en is de Messias voortgekomen. Het beloofde wonen in de tenten van
Sem door Jafeth kan verklaard worden in de voorrang op de genade die in de
geslachtslijn van Sem zit.
Ook de
roeping van Paulus om te Troje vanuit Klein-Azië naar Europa over te steken kan
verklaard worden als een vervulling van de profetie van Noach aangaande Jafeth
(Handelingen 16:9)
Het
hierna volgende Bijbelcitaat van de profeet Hosea verklaart in een notendop hoe
het allemaal in de toekomst in zijn werk zal gaan.
Micha
5:15b.. Ik zal heengaan, Ik wil wederkeren naar mijn plaats, totdat zij zich schuldig gevoelen en mijn
aangezicht zoeken; wanneer het hun bang te moede is, zullen zij verlangend naar
Mij uitzien. 6:1 Komt, laat ons
wederkeren tot de HERE! Want Hij heeft verscheurd, en zal ons helen; Hij heeft
geslagen, en zal ons verbinden. 2 Hij zal ons na twee dagen doen herleven,
ten derden dage zal Hij ons oprichten, en wij zullen leven voor zijn
aangezicht. 3 Ja, wij willen de HERE kennen, ernaar jagen Hem te kennen. Zo
zeker als de dagenraad is zijn opgang. Dan komt Hij tot ons als de regen, als
de late regen, die het land besproeit. (NBG Vertaling 1951)
De verklaring
van dit Bijbelcitaat zou de volgende kunnen zijn: in vers 15b wordt de
Hemelvaart van de Messias in 30 AD beschreven: Ik zal heengaan, Ik wil
wederkeren naar mijn plaats. Het woord: totdat slaat op de tijdskloof van
inmiddels al 1988 jaar. Wanneer het hun bang te moede is, slaat op een
komende verdrukking waaruit zij op God zullen roepen. Hoofdstuk 6:1 leert de
collectieve bekering op één dag van een rest van Israël. En volgens vers 2 is
er onder de rest van Israël dan een kennen, een weten van wat er twee dagen of
tweeduizend jaar eerder in het jaar 30 AD gebeurd is en beseft men vanaf dat
ogenblik dat de derde dag van de wederoprichting aller dingen nabij is.
Dan pas
zal ook de profetie van Joël haar volledige vervulling kennen:
Joël 2:28
Daarna zal het geschieden, dat Ik mijn Geest zal
uitstorten op al wat leeft, en uw zonen en uw dochters zullen profeteren; uw
ouden zullen dromen dromen; uw jongelingen zullen gezichten zien. 29 Ook op de
dienstknechten en op de dienstmaagden zal Ik in die dagen mijn Geest uitstorten. 30 Ik zal wonderen geven in de
hemel en op de aarde, bloed en vuur en rookzuilen. 31 De zon zal veranderd worden in duisternis en de maan in bloed, voordat
de grote en geduchte dag des HEREN komt. 32 En het zal geschieden, dat
ieder die de naam des HEREN aanroept, behouden zal worden, want op de berg Sion
en te Jeruzalem zal ontkoming zijn, zoals de HERE gezegd heeft; en tot de
ontkomenen zullen zij behoren, die de HERE zal roepen. (NBG 1951 vertaling)
De
geciteerde profetie van Joël kent haar vervulling op het einde van de Bijbelse
eindtijdperiode. Al de profetische Bijbelcitaten van dit artikel hebben trouwens
betrekking op de eindtijdperiode met een duur van zeven jaar. Deze periode is bovendien
verdeeld in twee schijven van 3 ½ jaar. De Grote Verdrukking of Jacob s
benauwdheid vangt aan in de helft van de zevenjarige eindtijdperiode.
Joël 3:1
Want zie, in
die dagen en te dien tijde, wanneer
Ik een keer zal brengen in het lot van Juda en van Jeruzalem, 2 zal Ik alle volken verzamelen en afvoeren naar
het dal van Josafat, en Ik zal aldaar met hen in het gericht treden
(NBG
1951 vertaling)
Zie het
artikel op dit blog van 28.06.2017:
De chronologie van de Apocalyps, link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1498428000&stopdatum=1499032800

Het hierna
volgende citaat is geen Utopia, maar een in de Bijbel beloofd Vrederijk dat
werkelijkheid zal worden bij de komst van de Messias.
Micha 4:1 En het zal geschieden in het
laatste der dagen: dan zal de berg van het huis des HEREN vaststaan als de
hoogste der bergen, en hij zal verheven zijn boven de heuvelen. En volkeren
zullen derwaarts heenstromen, 2 en vele natiën zullen optrekken en zeggen:
Komt, laten wij opgaan naar de berg des HEREN, naar het huis van de God Jakobs,
opdat Hij ons lere aangaande zijn wegen en opdat wij zijn paden bewandelen. Want uit Sion zal de wet uitgaan en des
HEREN woord uit Jeruzalem. 3 En Hij zal richten tussen vele volkeren en
rechtspreken over machtige natiën tot in verre landen. Dan zullen zij hun
zwaarden tot ploegscharen omsmeden en hun speren tot snoeimessen; geen volk zal tegen een ander volk het
zwaard opheffen, en zij zullen de oorlog niet meer leren. 4 Maar zij zullen
zitten, een ieder onder zijn wijnstok en onder zijn vijgeboom, zonder dat
iemand hen opschrikt; want de mond van de HERE der heerscharen heeft het
gesproken.
Dan pas
zal de profetie van Micha hoofdstuk 5, waar we momenteel een tijdskloof van
2700 jaar in herkennen, volledig in vervulling gaan. De lange tijdskloof wordt
door de profeet Hosea duidelijk weergegeven:
Hosea
3:4 Want vele dagen zullen de Israëlieten blijven
zitten zonder koning en zonder vorst, zonder offer en zonder gewijde steen,
zonder efod of terafim. 5 Daarna zullen de Israëlieten zich bekeren, en de
HERE, hun God, zoeken, en David, hun koning, en bevende komen tot de HERE en
tot zijn heil in de dagen der toekomst.
Maar
eens, op Gods tijd, wordt de profetie van Micha werkelijkheid:
Micha 5:2b.. Dan zal het overblijfsel zijner
broederen terugkeren met de Israëlieten.
3 Dan zal Hij staan en hen weiden in
de kracht des HEREN, in de majesteit van de naam des HEREN, zijns Gods; en zij
zullen rustig wonen, want nu zal Hij groot zijn tot aan de einden der aarde, 4
en Hij zal vrede zijn. Wanneer Assur in
ons land komt, en wanneer hij onze paleizen betreedt, dan zullen wij tegen
hem zeven herders stellen en acht vorsten uit de mensen, 5 die het land Assur
zullen weiden met het zwaard en het land
van Nimrod in zijn poorten. En Hij zal bevrijden van Assur, wanneer die in
ons land komt en wanneer hij ons gebied betreedt.
Wanneer
we dit Bijbelcitaat vers per vers in ogenschouw nemen dan merken we vooreerst
de uiteindelijke terugkeer van een overblijfsel van alle stammen van Israël naar
het land. Een land dat dan vrede kent nadat de Assyriër van de eindtijd er door
geraasd heeft. Vers vier van het Bijbelcitaat hierboven, heeft zich in de
geschiedenis van het oude Israël nooit voorgedaan. Dit betekent dat wanneer we
de profetie naar onze tijd transponeren, er noordelijk van de moderne staat
Israël in de toekomst nog een nieuwe staat tot stand zal komen: het Assyrië van
de eindtijd met aan het hoofd de koning van het Noorden van de profeet Daniël
(11:40-45).
Sefanja
2:13 En Hij zal zijn hand tegen het Noorden uitstrekken, Hij zal Assur te gronde richten en Nineve tot
een wildernis maken, dor als een woestijn.
Het
slot van het Bijbelboek Micha is hoopgevend:
Micha
7:19 Hij zal Zich wederom over ons ontfermen, Hij
zal onze ongerechtigheden vertreden. Ja, Gij zult al onze zonden werpen in de
diepten der zee. 20 Gij zult trouw bewijzen aan Jakob, goedertierenheid aan
Abraham, gelijk Gij van oude dagen af aan onze vaderen hebt gezworen.
In het
geprofeteerde Vrederijk zal ook een overblijfsel van de volken hun plaats en
hun herstel vinden:
Jesaja
19:23 Te
dien dage zal er een heerbaan wezen van
Egypte naar Assur, en Assur zal in Egypte komen en Egypte in Assur, en Egypte
zal met Assur (de HERE) dienen. 24 Te dien dage zal Israël de derde zijn naast
Egypte en Assur, een zegen in het midden der aarde, 25 omdat de HERE der
heerscharen het gezegend heeft met de woorden: Gezegend zij mijn volk Egypte en
het werk mijner handen, Assur, en mijn erfdeel Israël.
Wordt
vervolgd
Met
vriendelijke groet,
Robert
De Telder
Recente publicaties:
Kronieken van
de koningen van Israël, 2017, zie
link: https://www.bol.com/nl/p/kronieken-van-de-koningen-van-israel/9200000086650052/?suggestionType=searchhistory
EXODUS, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/102331
De Zonaanbidder, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999
TIJD en TIJDEN, 2015, Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579
De Assyriologie
herzien, 2012, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/76234
De Tweede
Wereldoorlog door de ogen van een neutrale Belg, 2007, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/69343
Apocalyps, 2009, (dit boek is uitverkocht maar op een PDF-document
gratis op eenvoudig verzoek per email bij de auteur verkrijgbaar).