Startdatum: om meteen de drempelvrees te verlagen stel ik voor dat iedereen een reactie ventileert over het wegblijven van een birdyreünie; het kan kort in de 'poll'-rubriek en wat uitgebreider in dit communicatievenstertje. Het was Oswald die mij ooit voorstelde ons wat dieper in het internet te nestelen, wat nu via deze blog is gebeurd, weliswaar zonder een referendum te houden. Bij deze nodig ik jullie uit je mening te ventileren, want de bedoeling is een handig alternatief aan te bieden. Tot heel binnenkort …
04/07/08
Happy Birdyday …
Temidden van een levendige en warmhartige woonwijk, ligt een door menselijke bebouwing omzoomde biotoop … een fraaie frisgroene weelderige oase, waar de birdyfans de gevederde tuinbezoekers graag welkom heten en gul onthalen.
Die verwennende gastvrijheid in een gezellig en veilig rustoord, bekoorlijk door landelijke eenvoud en liefelijkheid, prikkelt de vertrouwenwekkende aanhang, de nesteldrang met vrolijk vogelgezang en feestelijke voortgang. We hopen volgend jaar nog meer ‘straatketten’ naar de Kille Meutel te lokken …
04/07/09
Je zoekt, vindt en kiest
een levensweg, die je deelt
met trouwe vrienden …
Precies vandaag bestaat ons“Kille Meutel”Forumpje 2 jaar.
Sinds de wondermooie opnames van onze huisfotografen het “Blogscherm” sieren, loopt het aantal bezoekers gevoelig op.
Een verheugende en hartverwarmende vaststelling, daar eveneens destijds de voor natuurliefhebbers en vogelbeschermers bedoelde nieuwsbrieven, geïllustreerd met tekeningen, een educatieve waarde beoogden.
Sedert kort werd de rubriek“Birdywatch”gelanceerd, initieel opgevat als verzamelbox voor (tuin)observaties van vogelspotters.
Momenteel is een gebruiksvriendelijke observatiefiche, waarin de waarnemer zijn vaststellingen optekent, nog niet beschikbaar.
Met een klik op“Vogelwaarnemingen” nodigt de rubriekenindeling de bezoeker uit een pittige anekdote,een blikvanger,een weetje of een suggestie neer te pennen.
Af en toe duikt over een verschenen artikel een leuke en spontane “Reactie” op of laat men een indruk na in het “Gastenboek”.
In de speurtocht naar kennisdeling en verwondering wekken, blijft de drijfveer“Alles kan altijd beter”…
04/07/10
Vandaag hebben we weer wat te vieren want de blog bestaat 3 jaar.
Onze trouwe huisfotografen Jo en Wim blijven voor merkwaardig beeldmateriaal zorgen en dan is het ook niet verwonderlijk dat het bezoekersaantal gestaag aangroeit.
Met vereende krachten hebben we met ons klein, maar niet minder enthousiast clubje vogelvrienden een mussenteltraject uitgezet om in de streek (Zaventem, Nossegem, Sterrebeek, Kraainem) op 17 verschillende telpunten onze geliefde‘straatketjes’ te tellen.
Hierdoor maken we deel uit van de mussenwerkgroep Vlaanderen die naast het jaarlijks weerkerend mussentelweekend in samenwerking met de universiteit Gent een grootschalig huismussenonderzoek coördineert.
Wij blijven uiteraard ook gefocust op de vliegbewegingen binnen onze tuinenbiotoop. Tijdens de jongste reünie gaven enkele haiku’s mooi weer hoe fel we gehecht zijn aan onze gevederde levensgezel; meteen ook een gelegenheid om de loyale vogelliefhebbers een welverdiendehuismuspin op te spelden …
Dakpan of dakgoot,
voor de huismus is een nest
in Kille Meutel – Georges
Tjilpende huismus,
nest in de Kille Meutel
welkom bij ons hier – Arlette
Kijk Kille Meutel,
veel parende huismussen,
hemel op aarde – Oswald
Kille Meutel vriend,
huismus breng ons samen en
laat het blijven zijn – Chris
Groene oase,
paradijs voor de huismus,
dé Kille Meutel – Franz
04/07/11
Drukke en woelige tijden tasten al eens vaker de drang aan om over de fascinatie voor het vedervolkje te communiceren.Immers in de Brusselse betonnen biotoop beter bestuurlijk beleid geldt de regel: first things first and don't feel free as a bird! Toch is het bezoekersaantal op jaarbasis weer gevoelig toegenomen dit jaar, een eerbetoon dat vooral de huisfotografen toekomt, die voor kwalitatief hoogstaande visuele impressies zorgen.In de loop van volgend jaar zal de Kille Meutel een bijdrage leveren aan de geplande acties van de mussenwerkgroep Vogelbescherming Vlaanderen.
04/07/12
Inmiddels hebben ruim 51 000 bezoekers op de blog 275 artikels en 125 vogelportretten geraadpleegd, alsook 1 100 foto's, waarvan de helft door onze huisfotografen werd aangeleverd. Uit statistieken ter beschikking gesteld door de providers kunnen we afleiden dat 54% Nederlanders en 41% Vlamingen geregeld de blog raadplegen en dan het vaakst gedurende de weekdagen (70%), voornamelijk tussen 13.00 en 18.00 u en 30% tijdens het weekend. Tijdens de maanden juli, augustus en september heeft de blog 'begrijpelijk' minder succes.De Kille Meuel blijft zich samen met Vogelbescherming Vlaanderen inzetten voor het behoud van de huismus.
De zwarte stern, de grijze koning van het moeras in gevaar
Geraadpleegde bronnen: Vogelskijken editie 15 [Corstiaan Beeke] – diverse vogelgidsen – Sovon vogelonderzoek – Animalia – Ecopedia
In de 19de eeuw was de zwarte stern in onze streken, in de waterrijke gebieden nog een algemene broedvogel, maar in België is hij nu vrijwel verdwenen. ’s Zomers komen er na broedtijd uit oostelijke gebieden nog vele exemplaren naar Nederland, waardoor er somszwermen van tienduizenden zwarte sterns te zien zijn. Door drooglegging van natte weilanden, moerassen en vennen is hun broedareaal sterk ingekrompen.
Moerassterns, waartoe ook de zwarte stern behoort, zijn het vaakst te vinden langs ondiep, met riet omzoomde rustige wateren, dichtgegroeide binnenmeren, slotenrijke polders, rivieroevers en soortgelijke wetlands met weelderige vegetatie. Ook in de Lage Landen heeft de zwarte stern het niet makkelijk. Ooit broedden er tienduizenden paren, tegenwoordig zijn het er nog slechts enkele duizenden. Desalniettemin is het spotten van deze elegante soort voor veel vogelaars een hoogtepunt van het voorjaar en de nazomer.
Net als zijn naaste familieleden – de witwangstern en de witvleugelstern – onderscheidt dit type stern zich van andere sterns door een trage, meer schommelende vlucht, kortere en bredere vleugels en een minder diep, gevorkte staart. Moerassterns zijn ten opzichte van andere (‘zee’)sterns minder aan de kust gebonden en broeden in losse kolonies in ondiepe binnenwateren en zoetwatermoerassen.
Toch kan je tijdens de doortrekperiode zwarte sterns ook zien op kleine en grote wateren en op zee. Moerassterns vliegen tegen de wind in – stijgend en dalend (niet biddend) – pikken hun voedsel op van het wateroppervlak (in plaats van in het water te duiken, zoals visdief en grote stern) of jagen behendig (net als zwaluwen) op vliegende insecten (muggenlarven, libellen of waterjuffers). Tot het menu behoren ook nog kleine vissen (jonge voorntjes of driedoornige stekelbaarsjes), amfibieën (kleine kikkervisjes) en regenwormen.
Een zwarte stern in zomerkleed is overwegend leigrijs met een zwarte kop. Buik en borst zijn eveneens donkergrijs; boven-staart, stuit, rug en puntige boven-vleugels zijn iets lichter grijs, de handpennen weer iets donkerder. De anaalstreek en onder-staartveren zijn helder wit. De korte, slanke, vlijmscherpe snavel is zwart en de korte pootjes erg donker. De lichaamslengte varieert tussen 22 en 26 cm; de vleugelspanwijdte reikt tussen de 56 en 62 cm en het lichaamsgewicht schommelt tussen de 50 en 75 g. De roep in vlucht is een rauw: ‘k‘sjlett’ en een kort nasaal ‘klit’ en ‘KLIE-a’; de alarmroep is een energiek ‘ki-ki-ki-…’
In volwassen zomerkleed zijn witwangstern en witvleugelstern vrij eenvoudig van zwarte stern te onderscheiden. Een witwangstern heeft, zoals de naam al aangeeft, duidelijk zichtbare witte wangen, maar ook een dikkere, donkerrode snavel en vooral in vlucht opvallende, zilvergrijze vleugels. Een witvleugelstern in zomerkleed heeft naast een duidelijk zichtbare witte vleugelboeg (voorste hoek van de vleugel bij de schouders) ook zwarte onder-staartdekveren en een opvallende, witte stuit. Hierdoor ogen witvleugelsterns in vlucht eerder zwartwit dan grijs. In de loop van de zomer beginnen volwassen moerassterns al naar het winterkleed te ruien. De meeste donkere delen worden lichter, maar in dit kleed blijft bij de zwarte stern wel een donkere zijborstvlek zichtbaar, die bij de beide andere soorten ontbreekt.
Zwarte sterns broeden van West-Europa tot in Aziatisch Rusland. In Polen, de Baltische Staten, Wit-Rusland, Oekraïne en Rusland broeden bij elkaar opgeteld momenteel zo’n 69 000 paren, wat ongeveer 95 % van de huidige Europese populatie is. In de afgelopen 30 jaar is deze populatie met ongeveer 15 % geslonken. De soort ontbreekt als broedvogel op de Britse Eilanden, alsook in grote delen van Noord-Europa en is erg schaars in Zuid-Europa. In Midden-Europa is de soort recent behoorlijk achteruitgegaan, terwijl in Finland en Oost-Europa de aantallen juist zijn gestegen. In het begin van de 20ste eeuw broedden vermoedelijk tot wel 20 000 paren in Nederland. Dit aantal was rond 1990 afgenomen tot 1 300, bleef een poosje redelijk stabiel tot men in 2023 een nieuw dieptepunt bereikte met slechts 4 000 getelde individuen op de verschillende rui-, foerageer- en slaapplaatsen. In Nederland treft men de zwarte sterns hoofdzakelijk aan in de laagveengebieden van Zuidoost- en Midden-Friesland, Noordwest-Overijssel, het Groene Hart (uitgestrekt, waterrijk veenweidegebied omringd door grote steden zoals Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Zoetermeer en Leiden) en in delen van het oostelijk rivierengebied.
De zwarte stern broedt het liefst op drijvende watervegetatie, zoals gele plomp, waterlelie, waterviolier, fonteinkruiden, maar bij voorkeur op krabbenscheer (waterplant uit de waterkaardefamilie, waarvan de getande, zwaardvormige bladeren uit het water steken). De beschikbaarheid van deze vegetatie staat al tientallen jaren onder druk, onder meer door de uitbreiding van de invasieve Amerikaanse rivierkreeft. Die knipt en woelt de waterplanten los, waardoor ze sterven.
Andere genoemde oorzaken van de achteruitgang zijn de verslechterde waterkwaliteit (eutrofiëring), verminderde dynamiek van het oppervlaktewater (waterpeilfluctuaties), verstoring door recreatie en het gebrek aan geschikt voedsel voor de jongen. In een poging deze achteruitgang een halt toe te roepen, bieden verschillende organisaties al enkele tientallen jaren kunstmatige, houten vlotjes aan op geschikte locaties, waar een groot deel, in Nederland broedende sterns, gebruik van maken.
Heel af en toe laat de eerste zwarte stern van het jaar zich eind maart al zien, maar de echte voorjaarstrek vindt plaats tussen half april, half mei met een absolute piek in de laatste 10 dagen van april en de eerste van mei. In het voorjaar gaat de trek noordwaarts sneller en sommigen vliegen over de Sahara in plaats van er via het westen omheen te vliegen. Grote groepen die bij een meer aankomen, zijn na een paar uur al weer vertrokken.
Eenmaal een optimaal broedterrein is gevonden, maken de zwarte sterns baltsvluchten bestaande uit een groepje dat zich cirkelend hoog in de lucht bevindt en daarna plotseling uiteenvalt en sierlijk in glijvlucht daalt. Na de demonstratie vliegt het mannetje met een glanzend visje of een dikke libel in zijn snavel over de kolonie om een vrouwtje te imponeren. Zodra zij de buit aanvaardt, is het paar gevormd. Doorgaans wordt het nest gemaakt op een drijvend platform van waterplanten. Vanaf half mei worden daarop meestal 3 eieren gelegd. Ze zijn bruin- tot groenachtig, met een zwartbruine stippentekening. De eieren komen na 21 tot 22 dagen uit. Na twee weken verlaten de kuikens het nest. Zwarte sterns nestelen graag in de buurt van kokmeeuwen en visdieven. Deze grotere en agressievere vogelsoorten verdedigen hun kolonie hardnekkig tegen predatoren zoals bruine kiekendieven en reigers. Zo benutten de moerassterns een veilige bescherming.
Na het broedseizoen verzamelt een groot deel van de Europese en West-Aziatische broedpopulatie zich in het voedselrijke IJsselmeergebied. Daar kunnen de vogels op-vetten alvorens zuidwaarts naar de overwinteringsgebieden te vliegen. In de jaren ’80 en ’90 liepen de aantallen op het Balgzand (grote wadplaat en natuurgebied van 6 000 ha tussen Den Helder en Wieringen) op tot boven de 100 000 vogels, maar recenter verzamelen de sterns zich op het eiland De Kreupel (kunstmatig aangelegd eiland voor broedvogels) en het Trintelzand (natuurgebied gelegen aan de noordkant van het Markermeer) en gaat het in het totaal nog slechts om maximaal 10 000 vogels. Kenners wijten die afname aan de forse daling van de spieringpopulatie in het gebied, die zelf mogelijk een gevolg is van de opwarming van het IJsselmeer.
Het overgrote deel van de zwarte sterns trekt weg tussen half juli en half september met een duidelijke piek rond half augustus. Enorme aantallen verzamelen zich in Nederland alvorens ze over zee naar het zuiden trekken: adulte vogels vertrekken een maand eerder dan de juveniele. Vele stoppen een paar dagen bij reservoirs en meren in het binnenland. Zwarte sterns overwinteren in West-Afrika, vooral op zee voor de kust tussen Mauritanië en Namibië. De wegtrek vanuit het IJsselmeergebied vindt vooral ’s nachts plaats en mogelijk in één lange, ononderbroken vlucht.
Vlaanderen ligt nabij de noordwestgrens van het areaal. België is erg belangrijk voor de zwarte stern omdat bijna de gehele Oost-Europese populatie (o.m. Balkan- en Kaukasusgebieden) in het najaar grotendeels via de kustregio of op grote meren door ons land trekt. In het voorjaar is de doortrek algemeen verspreid over het gehele land. De broedpopulaties zijn vanaf het begin van de jaren ’70 sterk in aantal afgenomen op de Kempense vennen, zoals in de meeste landen van West-Europa. In 1984 broedde deze stern voor het laatst in Vlaanderen, meer bepaald in de Antwerpse Kempen.
Geraadpleegde bronnen: Vogelskijken editie 15 – Vogelbescherming Nederland – roofvogelgids – VRT-Nieuws (13/08/2026) – diverse vogelgidsen
Als je het hebt over een soort in de lift, dan is de grijze wouw daarvan een schoolvoorbeeld. Stond de teller aan het begin van dit millennium nog op 2 gevallen in Nederland, dan is die inmiddels de 120 al gepasseerd en komen er, zeker in de warme maanden, bijna wekelijks vogels bij. De allereerste vogel werd ontdekt in Flevoland, in de avond van 31 mei 1971 tijdens een kiekendievenonderzoek. De soort was toen in Europa ook nog erg zeldzaam en broedde alleen in Zuid-Portugal. Pas in 1998 volgde een tweede Nederlandse waarneming op Texel. Die keer bleef de vogel langer (de laatste drie dagen van maart) ter plekke en konden veel vogelaars van diens magische verschijning volop genieten. Diezelfde dag werd ook een grijze wouw in Skagen (het noordelijkste punt van Jutland in Denemarken) gesignaleerd, de eerste voor dat land. De aanname was dat de vogels uit Zuidwest-Europa afkomstig waren, waar de populatie zich gestaag aan het uitbreiden was.
Deze van origine (Zuid-Aziatische en) Afrikaanse soort (in Zuid-Afrika de ‘Devil Pigeon’ genoemd) heeft de oversteek gemaakt naar Zuidwest-Europa. Een stevige populatie vertoeft in de smalle, groene strook langs de Nijl in Egypte. Vanaf de jaren ’70 begon de grijze wouw langzaam terrein te winnen op het Europese vasteland. Het zwaartepunt lag en ligt nog steeds op het Iberisch Schiereiland. Vooral in Spanje en Portugal namen de aantallen gevoelig toe, mede dankzij extensieve landbouw, een rijk aanbod aan muizen en minder vervolging. Waar de soort in de jaren ’60 nog kwetsbaar was, werd hij vanaf de jaren ’80 steeds algemener in Zuid- en West-Spanje.
Het eerste broedgeval werd daar in 1973 vastgesteld. In 1995 ging het nog steeds maar om ongeveer 10 paren, maar in een kwart eeuw tijd schoot het aantal omhoog naar 1 500. De aantallen in Portugal volgden een vergelijkbare, zij het iets bescheidener, trend. Hier groeide het aantal broedparen van enkele tientallen in de jaren ’70 naar ongeveer 800 tot 1 000 paren in 2020. In Frankrijk bleef de grijze wouw aanvankelijk nog een zeldzaamheid, maar vanaf 1990 werd er voor het eerst gebroed en begon ook daar een bestendigeuitbreiding. Eerst als doortrekker, later met broedparen in het zuidwesten. Inmiddels broedt de soort zelfs in delen van Midden-Frankrijk. Ook Italië, met name op Sardinië en soms ook het vasteland, kreeg geregeld bezoek. In 2023 werd als dwaalgast de soort zelfs in Engeland opgemerkt.
De grijze wouw is niet moeilijk te herkennen. Het is een kleine, gedrongen, maar extreem levendige roofvogel met spitse, brede vleugels en korte, witte, vaak gespreide staart. De lichaamslengte reikt tussen de 31 en 36 cm; de vleugelspanwijdte varieert tussen de 76 en 88 cm en het lichaamsgewicht schommelt rond de 230 g. Los van het unieke silhouet, is de kleurverdeling van het verenkleed opvallend. In de vluchtigheid zou je hem nog kunnen verwarren met een mannetje blauwe kiekendief of zelfs met een stormmeeuw.
Maar zodra je de vogel goed in de kijker hebt, is er geen twijfel meer mogelijk. De onderzijde is heel wit en doet, vooral door de zwarte vleugelpunten, bijna meeuwachtig aan. De bovenzijde is grijs met grote zwarte schoudervlekken. In zit is de vrij grote kop van de vogel een ware ‘eyecatcher’. Grijze wouwen hebben prachtige, grote, bloedrode – uilachtige ogen – die aan de bovenkant zijn begrensd met een dikke, zwarte wenkbrauw, waardoor het lijkt of de roofvogel een ‘masker’ draagt. De snavel is zwart met een was-huid, die felgeel gekleurd is, net zoals de poten. Jonge vogels verschillen niet heel erg veel van de volwassenen, maar hebben vaak lichtere, oranje ogen en lichtere veerranden aan de mantel en slagpennen. Ook tonen ze nog weleens een gelige zweem met smalle strepen op de borst en kop. Overigens is de grijze wouw geen familie van de rode of zwarte wouwen, maar behoren tot een aparte groep binnen de roofvogels.
De grijze wouw is geen uitgesproken trekvogel, maar ook zeker geen standvogel. Als in hun broedgebied de levensomstandigheden goed zijn, blijven ze daar wel het hele jaar. Maar de soort heeft ook een sterk nomadisch bestaan. Zo kunnen ze tijdens muizenplagen enorme afstanden afleggen, waarbij ze soms België, Duitsland en Nederland bereiken. Jonge vogels zwerven vaak over grote afstand op zoek naar nieuw broedgebieden.
Uniek voor grijze wouwen is dat bij ideale levensomstandigheden ze meermaals per jaar tot broeden kunnen komen. In tegenstelling tot veel andere Europese roofvogels zijn ze niet strikt gebonden aan de lenteperiode. Bij een enorme muizenplaag kunnen ze het hele jaar door broeden. Tijdens de balts vliegt het mannetje op in hoge spiralen met snelle vleugelslag; dan duikt of glijdt hij naar beneden met zijn vleugels geheven in een V-vorm, vaak met bengelende poten. Zijn luchtige vliegwijze met schuin opgeheven vleugels creëert zowat het effect van een ‘papieren vliegertje’. Het paartje bouwt samen een relatief klein, slordig platform van dunne takjes en twijgen, gevoerd met fijne grassprieten en pluisjes. Het nest wordt hoog gebouwd in de vork van een solitaire boom (zoals een eik, den of in het zuiden kurkeik) met vrij zicht over de jachtvelden.
Het vrouwtje legt 3 tot 5 eieren, die romig wit zijn met dichte, diep paarsbruine marmeringvlekken. Ze worden gedurende 30 tot 35 dagen bijna uitsluitend door het vrouwtje bebroed. De jongen vliegen uit na 30 tot 40 dagen, maar zijn nog ongeveer anderhalve maand afhankelijk van de ouders. In een goed muizenjaar kunnen er dus 4 legsels zijn! Dat maakt het soms best lastig een exacte leeftijdsbepaling aan een jonge vogel te hangen. Deze hoeft dus niet perse in het voorjaar geboren te zijn. Zolang de condities gunstig blijven, valt de uitbreiding van de grijze wouw ongetwijfeld samen met hun grote aantal broedsels. De soort profiteert van zachtere winters, langere groeiseizoenen en veranderingen in landbouwgebruik. De favoriete habitat – open landschappen met akkers, graslanden en verspreide bomen – is in Europa ruimschoots voor handen en ook dat helpt, hoewel voedselbeschikbaarheid altijd de doorslaggevende factor blijft.
Grijze wouwen zoeken hun voedsel vanuit de lucht. Ze zweven dan soms op grote hoogte, speurend naar kleine knaagdieren (veld- en bosmuizen, jonge ratten), reptielen (hagedissen) en grote insecten (krekels en sprinkhanen). Als ze een prooi in het vizier hebben, dalen ze snel en gebruiken ze dezelfde jachttechniek als de torenvalk: het ‘bidden’. Behalve vanuit de lucht jagen ze ook geregeld vanaf uitkijkposten. Elektriciteitsdraden, palen, topjes in struiken en dode bomen krijgen de voorkeur. Ook vogels en zelfs vleermuizen behoren tot het dieet. De grijze wouw jaagt vooral in de ochtend- en avondschemering. Dat verklaart ook de relatief grote ogen. De alarmroep is een vrij hoge fluittoon ‘kwoe-ieie’. Daarna weerklinkt een lager, raspend ‘tjie-ark-tjie-ark-tjie-ark’
Voor het eerst heeft een grijze wouw succesvol gebroed in Vlaanderen. Begin augustus dit jaar (2026) vlogen 4 jongen van het broedpaar uit in de IJzervallei. Dat bevestigt het Agentschap voor Natuur en Bos. De grijze wouw werd de voorbije jaren geregeld waargenomen in de IJzervallei en elders in Vlaanderen, maar de roofvogel broedde nooit eerder in onze regio. De eerste waarneming in België dateert uit 1992. Tot 2005 duurde het voor de soort opnieuw in ons land werd gezien. Sinds 2012 waren er jaarlijks waarnemingen, met in 2025 een piek van meer dan 500.
Boswachter Koen Vandepitte is blij met de nieuwkomer. Dat de grijze wouw onze IJzervallei uitkiest als een eerste plek in Vlaanderen om te broeden stemt hoopvol. Het toont dat volgehouden ingrepen aan meer en betere natuur in Vlaanderen, natuur herstellen en ze vervolgens zorgvuldig beheren en beschermen, echt werkt. De geleverde inspanningen hebben voor deze bijzondere nieuwkomer voor een geschikt leef- en broedgebied gezorgd. De grijze wouw vindt in de IJzervallei ook bijzonder veel voedsel dit jaar. De permanent aanwezige grasvelden in de vallei herbergen grote muizenpopulaties. Trouwens dit jaar lijkt een extra goed ‘muizenjaar’ te zijn.
Geraadpleegde bronnen: diverse veldgidsen – Vogelbescherming Nederland – Ecopedia – Sovon
De Nederlandse naam stormmeeuw dateert uit de 18de eeuw of eerder. In oude bronnen vindt men de volkse bijnaam ‘onweersvogel’. Bij onstuimig weer heeft de meeuw de gewoonte langs de kust of landinwaarts te trekken. Volgens een oude overlevering werd het verschijnen van een groep stormmeeuwen als een voorteken gezien van stormachtig weer op zee.
De middelgrote, elegante meeuw met het basispatroon van een zilvermeeuw, maar kleiner, slanker met een vriendelijker uiterlijk heeft geen roze, maar geelgroene poten, geen rode vlek op de kleinere en dunnere, geelgroene snavel en donkerbruine tot zwarte in plaats van felgele ogen in de ronde kop. De stormmeeuw heeft behoorlijk lange, grijze vleugels, maar zweeft nooit zo meesterlijk als de grotere meeuwen. De adulte vogel heeft blauwgrijze bovendelen en witte onderdelen en zwarte vleugelpunten met twee grote witte vlekken bij het vleugeluiteinde, alsook een brede witte achter-rand op de grijze boven-vleugel. Kenmerkend ook is de witte halve maan tussen de rug en de zwarte vleugelpunten met witte stippen, die verder uitsteken dan de staartpennen. Tijdens de winter vertoont de stormmeeuw een bruine tekening op de kruin en achteraan in de nek met een grijze schaduw.
De lichaamslengte varieert tussen de 40 en 46 cm; de vleugelspanwijdte reikt tussen de 110 en 125 cm; het lichaamsgewicht schommelt tussen de 300 en 500 g. De meeste klanken hebben een herkenbare hoge, schelle, nasale toon, hoewel met een vorm die veel lijkt op dat van een zilvermeeuw: ‘keeja-keeja-keeja-keh-keh-keh’. Bij de aanwezigheid van een roofvogel weerklinkt een aanhoudende alarmroep ‘klie-UU-klie-UU-klie-UU’. Hun geluid klinkt doorgaans scheller en miauwender dan dat van grotere meeuwen.
Hun verspreidingsgebied is merkwaardig fragmentarisch; zo kunnen ze in het ene deel van het land met honderden op akkers worden gezien en niet ver daar vandaan helemaal niet voorkomen. De meeste stormmeeuwen zijn trekvogels, die in de herfst naar het zuiden en het westen trekken, maar niet ver het Europese continent binnendringen (zeker niet tot aan het Middellands Zeegebied). Dit is de soort van landen met een kust langs de Noordzee of de Atlantische Oceaan: Ierland, Groot-Brittannië, Nederland, België en Scandinavië. In het binnenland geeft de soort de voorkeur aan moerassen, oevers van meren en zelf op akkers in de onmiddellijke omgeving van water. Zoals andere meeuwen vliegen ze ’s avonds naar grote waterplassen, zoals spaarbekkens, om er te slapen.
De stormmeeuw foerageert vaak in groepen op akkers of stranden. Tot het favoriete voedsel behoren aardwormen, insectenlarven en andere ongewervelden, die uit de grond worden getrokken of gestolen van andere meeuwen of kieviten. Stormmeeuwen foerageren veelal op de grond, maar ze pikken ook wel afval of vis, schaal- en weekdieren, zeepieren en -sterren op in het water, bessen uit een struik en vangen insecten in de lucht.
De meeste stormmeeuwen trekken in het voorjaar weg naar het noorden om daar in paren, groepjes of kleine kolonies te broeden. In de zomer is de stormmeeuw te vinden op hoogvlaktes en langs beschutte kusten. Ze geven de voorkeur aan strandjes en baaien tussen rotsachtige kapen en eilanden bovenop door de wind geteisterde rotsen. ’s Winters zijn ze te vinden op brede zandstranden en in mondingen, alsook in agrarische gebieden met oude weilanden of op pas geploegde akkers. Pas de laatste decennia zijn stormmeeuwen doorgedrongen tot de steden en bezoeken ze ook tuinen.
De broedperiode vangt aan eind april tot begin juni met een piek begin mei. De balts lijkt ook erg op die van de zilvermeeuw; het vrouwtje bedelt en wordt gevoerd door het mannetje en beide vogels schudden met hun kop en roepen met hun snavel verticaal naar boven gericht. Er worden ook allerlei baltshoudingen aangenomen met hun kop naar voren gestrekt of naar beneden gebogen, waarbij de vleugels in het polsgewricht naar buiten worden gedrukt. Komvormige nesten worden gebouwd van zeewier, grassen en plantenstengels en geplaatst in een ondiepe kuil tussen de rotsen, op stronken of aarden wallen of op muurtjes, op pieren en soms ook op gebouwen. Er worden doorgaans 3 olijfgroene eieren met donkere, oranjebruine vlekken en spikkels gelegd. Ze komen na 22-28 dagen uit.
Bij ons in België is de stormmeeuw eerder een zeldzame broedvogel. Tot 1995 broedden er nooit meer dan 2 paar stormmeeuwen in Vlaanderen. Sindsdien zijn er in de haven van Zeebrugge en op verschillende plaatsen in Limburg kleine populaties ontstaan. In de periode 2013-2018 schommelde de Vlaamse populatie meestal tussen 20 en 30 paar. In de Voorhaven van Zeebrugge werden in deze periode 6-12 paar geteld en in Limburg 1-12 paar. In Kallo werden in 2017 eerst 8 en in 2018 een dozijn broedparen waargenomen op een ontoegankelijk bedrijventerrein. Vermoedelijk waren die daar al enkele jaren aanwezig, maar werden de nesten niet eerder opgemerkt. Uitzonderlijk werden ook elders een karig aantal nesten ontdekt in de Achterhaven van Zeebrugge, de Uitkerkse Polder, de Verrebroekse Plassen en in de Gentse Kanaalzone. In Wallonië doet de stormmeeuw het relatief goed met vooral in Henegouwen meerdere broedplaatsen. Tijdens de atlasperiode 2001-2007 werd de populatie er geraamd op 82-94 paar.
In Nederland, waar deze soort zich in 1908 (op het eiland Rottum in Groningen) vestigde, is hij nu vrijwel een algemene broedvogel van het binnenduin, schorren, strandvlakten, bouwland en opgespoten terrein, alhoewel het aantal broedparen sinds 1985 (11 000 paren) jaarlijks met 5 % afnam. Oorspronkelijk lag het zwaartepunt van de broedpopulatie in duin- en kweldergebieden, maar na de komst van de vos zijn veel kolonies verdwenen. Er rest nog één derde van de populatieomvang, die destijds werd geregistreerd, namelijk 3 500-3 650 broedparen in 2024.
In 2023 werden 911 paren geteld in het Waddengebied en 698 in de Zuidwestelijke Delta. Kleine aantallen – deels op al jaren bezette locaties – werden gemeld uit alle provincies, uitgezonderd Utrecht en Drenthe. Dat stormmeeuwen ook in stedelijk gebied tot broeden komen, blijkt uit de tellingen in het goed onderzochte Alkmaar waar 292 paren werden geteld. De meeste meeuwen broeden hier op daken, een verschijnsel dat elders in Europa vaker voorkomt, zoals bij kleine mantel- en zilvermeeuw al langer het geval is. Buiten de broedtijd is de verspreiding veel ruimer en telt tienduizenden exemplaren langs de Noorzeekust die massaal foerageren in weilanden in Noord- en West-Nederland. Strenge vorst drijft ze naar kust en steden. De Nederlandse populatie bestaat grotendeels uit standvogels en overwinteraars, aangevuld met trekvogels uit Scandinavië en Rusland in de herfst en lente.
De geelpootmeeuw, een zuiderse meeuw die ook hier vaker opdaagt
Geraadpleegde bronnen: Vogelbescherming Nederland – Sovon vogelonderzoek – Ecopedia – diverse vogelgidsen – Vogelskijken
Bij het herkennen van meeuwen is het bepalen van de leeftijd erg belangrijk: er zijn 4 leeftijdscategorieën, verdeeld in ‘kalenderjaren’ van januari tot december. Vermits er telkens een ander karakteristiek verenkleed bij hoort, maakt dat het determineren van de soort er niet eenvoudiger op. Zo zijn eerstejaars-geelpootmeeuwen dof bruin gevlekt en duurt het 4 jaar alvorens zij het zomerkleed, zoals hieronder beschreven, dragen.
De geelpootmeeuw is van oorsprong de Zuid-Europese tegenhanger van de zilvermeeuw, die lang ten onrechte als een ondersoort ervan werd beschouwd. Door voortschrijdend inzicht en door de groeiende toename van de soort worden er steeds vaker geelpootmeeuwen ook in onze streken waargenomen. Inmiddels heeft de meeuw de status van volwaardige en zelfstandige soort, die ook niet nauw verwant is met de Pontische meeuw, zoals oorspronkelijk gedacht. De geelpootmeeuw komt voor rond de Zwarte Zee, in het Middellands Zeegebied, langs de Atlantische kust van Noordwest-Afrika (Marokko) en Zuidwest-Europa (West-Frankrijk en Zuidwest-Iberisch Schiereiland) en in delen van Centraal Europa (o.a. Zwitserland).
Oppervlakkig lijken ze op zilvermeeuwen of Pontische meeuwen, zeker vanop grote afstand, maar de geelpootmeeuw is forser en atletischer gebouwd. De volwassen vogel in zomerkleed is een fraaie vogel met relatief donkere, leigrijze rug en heldergele poot- en snavelkleur (de zilvermeeuw heeft roze poten). De rug van de geelpootmeeuw is donkerder dan die van de zilvermeeuw maar lichter dan die van de kleine (of grote) mantelmeeuw. Een subtiel onderscheid in de robuuste snavel, die soms dienst doet als zware moker, is de flinke gonys (het naar de keel toelopende en smaller wordende deel van de onder-snavel) en de grotere rode vlek, die uitloopt tot op de boven-snavel. Pasgeboren dons-kuikens pikken instinctief op die ‘signaalvlek’ om de ouders te stimuleren halfverteerd visvoedsel op te braken. In de late zomer en herfst is de kop wit, variabel getekend met zachte strepen rond en achter het oog, maar opvallend spierwit in de winter. De doordringende, strenge blik wordt geaccentueerd door de felle rode oogrand.
Een anderkenmerk is het vele wit op de buitenste twee handpennen, waardoor een tamelijk groot wild veld in de zwarte vleugelpunt te zien is, die scherp contrasteert met de rest van de onder-vleugel. De vlucht is krachtig en elegant met machtige ondiepe vleugelslagen. De lichaamslengte varieert tussen 58 en 68 cm; de vleugelspanwijdte reikt tussen de 130 en 150 cm en het lichaamsgewicht schommelt rond de 750 – 1200 g
De territorium- en alarmroep klinkt als een luid, diep en lachend gekrijs. Heel kenmerkend is de ‘long call’; hierbij werpt de vogel zijn kop ver achterover in de nek om vervolgens met wijdgeopende snavel een felle reeks, diepe giechelende klanken uit te stoten, rauwer en dieper klinkend als bij de zilvermeeuw.
Net als de zilvermeeuwen eet deze soort vis, garnalen, krabben, zee-egels en tweekleppige schelpdieren, afval en menselijke etensresten. De harde schelpen van kokkels en mosselen worden gemakkelijk stuk geslagen met de ‘moker-snavel’. Hij foerageert ook langdurig op vuilnisbelten en in vissershavens. Op akkers in agrarische polders doet hij zich te goed aan insecten en regenwormen. Daarenboven berooft ook de dominante geelpootmeeuw visdieven en kokmeeuwen van hun prooien of graait hij eieren en kuikens mee. Evenzeer durft hij volwassen duiven en spreeuwen te doden en te verscheuren.
Het broedseizoen start vroeg, vaak al begin april (weken eerder dan de zilvermeeuw). Ze broeden in kolonies, gewoonlijk op rotsige eilanden, maar in West-Europa hebben ze zich aangepast en bouwen zij omvangrijke nesten van gras, zeewier en veren op platte grinddaken van industriële complexen, fabriekshallen en havens of simpelweg op kale zandplaten. De 2 à 3 olijfgroene tot bruine eieren met donkere camouflagevlekken worden 27 tot 31 dagen bebroed. De jongen vliegen na 35-40 dagen uit. Na het broedseizoen trekt een deel van de populatie kennelijk naar het noorden, zodat ze de kusten van de Noordzee bereiken en via de grote rivieren ook streken in Midden-Europa. Populaties in Marokko daarentegen zijn het hele jaar standvogel en ook elders in het Middellands Zeegebied blijven geelpootmeeuwen het hele jaar ter plekke.
In Nederland en België wordt de geelpootmeeuw geregeld waargenomen, maar er zijn heel weinig broedgevallen. In 2002 kwamen in de voorhaven van Zeebrugge, 2 zuivere paren geelpootmeeuw tot broeden. In de directe omgeving van beide koppels broedden tevens 2 geelpootmeeuwen die waren gepaard met respectievelijk, zilvermeeuw en kleine mantelmeeuw. Tot 2010 broedde er behalve in 2007 altijd wel 1 zuiver paar in de voorhaven en in 2009 opnieuw 2. Door infrastructuurwerken in het havengebied verdween de broedplaats waardoor de soort na 2010 niet meer tot broeden kwam.
In 2018 werd dan weer een zuiver paar opgemerkt in een gemengde broedkolonie van kleine mantelmeeuw en zilvermeeuw op het dak van een bedrijf langs de Pathoekeweg (Boudewijnkanaal) in Brugge. In 2019 werd op de brandweerdienst beroep gedaan om alle eieren uit de nesten te halen. Het jaar daarop werd hetzelfde koppel geelpootmeeuwen nog even bij het verfrommeld nest zonder eieren opgemerkt. Maar intussen was er op het dak een laserinstallatie geplaatst om er de meeuwen permanent te verjagen.
Ook in Nederland blijft het aantal zuivere broedparen van geelpootmeeuw beperkt tot hooguit een 16-tal. Mengparen met zilvermeeuw en kleine mantelmeeuw komen daarentegen iets talrijker voor. Het broedvoorkomen is matig bekend. Bovendien is de soort in grote meeuwenkolonies niet gemakkelijk te vinden. Daarbij zijn lang niet alle broedgevallen goed gedocumenteerd. Wel is duidelijk dat de soort nog steeds zeldzaam is. Het merendeel van de broedgevallen vindt plaats in het Deltagebied inclusief de Europoort-Maasvlakte. In het binnenland zijn broedgevallen zeldzaam, al zijn er bekend rond het IJsselmeer, de Grote Rivieren en langs de Maas. De aantallen nemen toe vanaf juni en bereiken een gemiddelde piek van 120 individuen in augustus. Dit vormt een deel van de noordwaartse zwerfbewegingen van Zuid- en Midden-Europese geelpootmeeuwen. Vervolgens trekt een deel weer terug en dalen de aantallen naar een stabiel niveau in winter en voorjaar.
Geraadpleegde bronnen: Vogelbescherming Nederland – diverse vogelgidsen – Vogels Kijken – Ecopedia – Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek
Een zwartkopmeeuw – een fractie groter dan de kokmeeuw – is in zomerkleed een verbazingwekkende mooie meeuw. Vergeleken met de kokmeeuw heeft ze een inktzwarte kopkap, die verder doorloopt tot in de nek, grote witte oogleden (met een fronsende uitdrukking), een felrode dikkere, maar kortere en stompere snavel met zwarte ring, langere rode tot zwarte poten, parelgrijze bredere en kortere boven-vleugels en geheel witte onder-vleugels met witte vleugelpunten (zonder zwart, zoals dat het geval is bij de meeste andere meeuwen). In de winter wijzigt die zwarte kopkap in een zwarte veeg rond oog- en oor-streek, het zogenaamde ‘boevenmasker’ met grijsbruine, gestreepte kruin. De vlucht is snel en sierlijk, maar met stijve vleugelslagen; de zwartkopmeeuw glijdt en zweeft weinig. De lichaamslengte varieert tussen 36 en 38 cm; de vleugelspanwijdte reikt tussen de 98 en 105 cm en het lichaamsgewicht schommelt tussen de 200 en 350 g. Pas na 3 jaar hebben ze het volledig volwassen kleed.
Van zwartkopmeeuwen werd aanvankelijk gedacht dat ze hard achteruitgingen en zelfs zouden uitsterven, maar in de laatste jaren zijn ze juist toegenomen en verspreiden ze zich naar het noorden. Alvorens hun aantallen hoog genoeg waren om een eigen kleine populatie op te bouwen, waren ze in delen van West-Europa zo schaars dat afzonderlijke vogels soms paarden met kokmeeuwen. Nu zijn er voldoende exemplaren in herfst en winter aan beide zijden van het Kanaal, hoewel het aantal broedgevallen nog laag en grillig is in een groot deel van het verspreidingsgebied.
De zwartkopmeeuw is sterk gebonden aan kustgebieden en grote ondiepe binnenwateren. Hij foerageert voornamelijk op stranden of eilandjes met zand- en schelpenbanken, bij rioolwaterzuiveringsinstallaties en op zee, waar hij altijd wel afval, ongewervelden, visjes en schelpdieren vindt. In het broedgebied leeft hij vooral van insecten, slakken en aardwormen.
De zwartkopmeeuw gebruikt zijn zwarte kap om te imponeren tijdens de balts en territoriale disputen. ’s Winters is hij zwijgzaam, maar in het voorjaar weerklinkt een nasale geknepen roep met een doordringend ‘whaa-whaa-whaa-whaa-oo-ah’ en een meer sternachtig ‘kie-er’.
Geïsoleerde paren nestelen tussen kokmeeuwen, maar grotere kolonies in Oost-Europa bestaan uitsluitend uit zwartkopmeeuwen. Vanaf april-mei worden 2 tot 3 gespikkelde eieren, goed gecamoufleerd in een met gras beklede nest (kuiltje in zand of schelpen) gelegd. Over het algemeen vermijden ze kale grond en dus tref je het nest ook aan op intensief bewerkte graslanden of op kwelders in kustgebieden. Beide ouders broeden en wisselen elkaar geregeld af. Na zo’n 3 weken komen de kuikens uit. Net als bij de kokmeeuw zijn het nestvlieders; ze lopen al snel rond, maar blijven nog een 5-tal weken afhankelijk van hun ouders die hen met kleine prooien voeren, vaak insecten of kleine visjes. Na 3 tot 4 weken zijn de jongen vliegvlug.
In de kolonie heerst in die periode een levendige drukte; overal roepende en bedelende jongen, ouders die voedsel aanbrengen en vogels die samen de kolonie fel verdedigen tegen ongewenste indringers. Na het grootbrengen van de jongen trekken vanaf half juli de adulten en juvenielen weg richting zee en wordt de kolonie verlaten. De broedvogels die er niet in slaagden jongen groot te brengen, vertrokken al eerder. De Atlantische noordwestkust van Frankrijk en de zuidkust van Engeland zijn belangrijke verblijf- en ruiplaatsen voor de meeste vogels vanaf midden juli tot oktober.
Ringterugmeldingen tonen aan dat de Belgische en Nederlandse broedvogels eveneens in deze gebieden ruien en overwinteren. Maar al 15 jaar lang stelt men vast dat een aanzienlijk deel van de zwartkopmeeuwen opvallend lang ter plaatse blijven op de Rechter Scheldeoever na het verlaten van de broedkolonies, terwijl deze vroeger systematisch wegtrokken naar de kustgebieden.
De zwartkopmeeuw broedt zeer lokaal en vaak onregelmatig in ondiepe inhammen, kustmoerassen en in open laagland, bij voorkeur met enige vegetatie in Griekenland, Midden-Europa, Oostzee- en Noordzeekusten, schaars in Engeland, Nederland, Frankrijk en Spanje. De zwartkopmeeuw komt nog steeds algemener voor in het zuidoosten.
De broedvogels van de Zwarte Zee trekken ’s winters naar de Middellandse Zee. Toenemende aantallen trekken westelijk naar de Noordzee en de Atlantische kusten van Frankrijk, Groot Brittannië en incidenteel ook Spanje en Noord-Afrika. Sommigen blijven daar om te broeden. In de winter vertoeft de soort op riviermondingen, stranden, meren, havens en soms op vuilnisbelten, maar zelden ver landinwaarts. De meeste adulte vogels keren in maart terug, terwijl de onvolwassen vogels het hele jaar in het westen blijven.
De zwartkopmeeuw zit duidelijk in de lift in Vlaanderen. Tot 1990 kwam de totale Vlaamse populatie niet of nauwelijks boven de 20 broedparen uit, maar vanaf halverwege de jaren 1990 nemen de aantallen gestaag toe. Met 2 500 paar in 2018 bereikte de Vlaamse populatie haar hoogste niveau ooit. Die toename komt grotendeels op het conto van het Antwerps havengebied. De soort maakt hier opportuun gebruik van verschillende bedrijventerreinen en speciaal ingerichte gebieden, die vaak tijdelijk bezet zijn door grotere aantallen zwartkopmeeuwen.
In eerste instantie vooral op Linkeroever (met als grootste trekpleisters de Verrebroekse Plassen, de Doelpolder Noord, het Deurganckdok, de Putten West, de Prosperpolder Noord), maar sinds 2009 broedt de soort almaar meer op Rechteroever tussen Zandvliet en Ekeren (Total-site en Potpolder). De kolonie op de Total-site in Antwerpen telde 1 700 paar in 2017 en was daarmee de grootste tijdens de onderzoeksperiode 2013-2018 en wellicht ook de omvangrijkste kolonie van Europa.
Ook de broedeilanden in het Zwin zijn de laatste jaren in trek (max 190 paar in 2016), terwijl de haven van Zeebrugge nog maar heel weinig wordt gebruikt (max 4 paar op het Sternenschiereiland in 2013). Rond de eeuwwisseling was de voorhaven van Zeebrugge een belangrijke broedplaats voor zwartkopmeeuwen, maar vandaag is dat sterk afgenomen. In diezelfde onderzoeksperiode werden amper 2 paar in het Molsbroek in Lokeren, 4 paar in het Limburgse Vijvergebied en ook slechts 2 paar op de terreinen van de voormalige suikerfabriek te Veurne aangetroffen.
Eveneens in Nederland gaan de aantallen al enkele jaren over de 2 000 broedparen, in 2017 zelfs ineens tot ca 5 000. Het leeuwendeel broedt daar in het Deltagebied met bv. een grote kolonie op de Hooge Platen in de Westerschelde. Van jaar tot jaar vinden er soms grote verschuivingen tussen de broedlocaties plaats, vaak ook grensoverschrijdend tussen het Deltagebied en het havengebied van Antwerpen.
Er waren eerder al ook belangrijke geografische verschuivingen. In 1985 zaten vrijwel alle kustbroedvogels in het Zwin. Geleidelijk aan nam het belang van Zeebrugge en de Baai van Heist toe, tot iets meer den 96% in 2004. In de periode 2002-2013 lag dat aandeel telkens boven de 80%, maar daarna daalde dat tot minder dan 50%. De sternen uit Zeebrugge zijn toen deels uitgeweken naar de Spuikom in Oostende en de nieuwe broedeilanden in het Zwin, terwijl de zilver- en kleine mantelmeeuw zich hebben verspreid over de gehele kust.
Sinds 2023 is Zeebrugge weer belangrijker geworden, vooral door een sterke toename van de grote stern, maar ook door de achteruitgang van het aantal broedparen in het Zwin en de Spuikom van Oostende. Het aandeel van Zeebrugge bedraagt vanaf 2023 meer dan 60% van de totale kustpopulatie. De Baai van Heist wordt tegenwoordig niet meer gebruikt als broedgebied.
De achteruitgang van het aantal kustbroedvogels tussen 2004 en 2014 is het gevolg van een toegenomen druk door landroofdieren in combinatie met habitatverlies. Verwilderde katten, ratten en vossen bedreigden de broedkolonies op het Sternenschiereiland en op de Baai van Heist, die tegenwoordig niet meer wordt gebruikt als broedgebied. Ook de nieuwe aangelegde eilanden in het Zwin kregen in 2020 en 2021 te maken met de vos. Door de predatiedruk zijn zilver- en kleine mantelmeeuw meer en meer op daken van gebouwen gaan broeden, verspreid over de kuststrook. Visdief, kokmeeuw en zwartkopmeeuw bleven wel gespaard op de eilanden in Oostende en in het merendeel van de jaren ook in het Zwin. In Zeebrugge hielp bescherming tegen vossen bij het herstel van visdief, de terugkeer van de grote stern en het gedeeltelijk behoud van grond-broedende zilver- en kleine mantelmeeuwen.
Toch blijven er zorgen, zoals de impact van de vogelgriep in 2022 en 2023, het nagenoeg verdwijnen van broedgelegenheid voor dwergstern, de slechte staat van broedeilanden in het Zwin en op de Spuikom van Oostende. De oppervlakte die de sternen ter beschikking hebben op het Sternenschiereiland in Zeebrugge is te beperkt.
Geraadpleegde bronnen: Knack: Beestenboel [Dirk Draulans] – diverse vogelgidsen – Vogels kijken – Vogelbescherming Nederland – Ecopedia
In de jaren 1970 was het natuurreservaat Snepkensvijver in de Antwerpse Kempen een soort attractie. Het is een veenmoeras, dat ontstaan is door zijn ligging naast de Kempense heuvelrug, de landduin tussen Herentals en Retie. In het lagere gedeelte naast de heuvelrug blijft het water lange tijd staan en vormt ze een ven met een grote moerassige strook. Daar verbleef toen een kokmeeuwenkolonie met liefst 25 000 nesten. Dat waren 50 000 constant krijsende vogels, die samen een enorm kabaal maakten.
In die tijd bedroeg de totale Vlaamse broedpopulatie zo’n 32 000 koppels. Kokmeeuwen kwamen van heinde en ver om in de Snepkensvijver te broeden; het zijn immers echte zwervers. In de winter vliegen ze soms tot in het zuiden van Spanje en Portugal. Ze broeden doorgaans wel steeds in dezelfde kolonie, niet zelden elk jaar ook op hetzelfde plekje in het broedgebied.
Conservator van de Snepkensvijver was destijds de legendarische natuurbehoudspionier, Jos Cuypers, altijd piekfijn uitgedost in een boswachterskostuum. Jos leidde bezoekers graag rond het moeras. Op een vaste plek trok hij een smetteloze, witte zakdoek uit een broekzak, waarmee hij wat in de lucht wapperde. Het gevolg was dat de witte meeuwenwolk eventjes nóg meer herrie maakte.
Meeuwen moeten wel lawaai maken willen ze gehoord worden, zoals mensen in luidruchtig gezelschap nog luider gaan praten. Ze krijsen dag en nacht, maandenlang. Eerst moeten ze indruk maken op potentiële partners, later een nestplek verdedigen, nog later contact leggen met hun kuikens. Zodra die op wandel gaan, moeten de ouders ze in de massa zien terug te vinden. Hun diverse kreten spelen daarbij een grote rol. De meeuwen zelf worden niet horendol van hun gekrijs. Ze hebben geen oorschelpen zoals wij, zodat er geen kanalisatie van lawaai naar hun gehoororganen is. De haartjes in hun oren worden continu vervangen, zodat eventuele schade snel wordt hersteld. Ze lijken goed aangepast aan het voor ons oorverdovend geschreeuw.
Vandaag is de Snepkensvijver een oase van rust. Mensen komen er voor dophei, kleine zonnedauw, veenmos, veenbes, veenpluis, de geurige gagel (inheemse struik met aromatische, lancetvormige, getande bladeren) en de middelgrote heivlinder, soorten die aangeven hoe veenmoerassen er vroeger uitzagen. Inmiddels zijn de meeuwen weg, die in 1980 verdwenen. De eerste broedende kokmeeuwen in de Snepkensvijver werden in 1940 geregistreerd.
De laatste beschikbare cijfers van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek geven aan dat er nu in Vlaanderen maximaal 13 000 koppels kokmeeuwen broeden. Echt grote kolonies zijn er niet meer. De vogels verplaatsen zich van natuurlijke naar kunstmatige broedgebieden, zoals opgespoten terreinen in havens. Slechts 19% broedt nog in natuurgebieden.
Over de oorzaken van de achteruitgang heerst geen duidelijkheid. Waarschijnlijk betreft het een amalgaam aan factoren, zoals broedbiotoopverlies, het afdekken van afvalstortplaatsen (meeuwen waren fervente stortplaatsbezoekers, ook in de buurt van de Snepkensvijver), overbemesting van graslanden, toenemende predatie van eieren en kuikens en ziektes, zoals de vogelgriep. Maar het is niet uitgesloten dat de kokmeeuw bij ons een tijdlang boven haar stand leefde. Ze is trouwens nog altijd alomtegenwoordig in onze leefomgeving én ze krijst nog steeds even luid.
De kokmeeuw, ook bekend als de ‘kapmeeuw’, broedt in Europa van IJsland en Ierland in het westen tot aan het oostelijke deel van Rusland. In mildere streken van West-Europa, zoals Groot-Brittannië blijven veel vogels het hele jaar door ter plekke. Hun aantallen worden tijdens de winter aangevuld met trekvogels uit koudere regionen. In Nederland en België is de kokmeeuw een algemene soort, die vrijwel overal voorkomt. Ook bij ons blijven de aantallen ongeveer stabiel omdat de populaties in noordelijke en oostelijke gebieden, zoals Scandinavië en de Baltische Staten, in de winter massaal naar het zuiden of het westen trekken.
De kokmeeuw is wereldwijd te vinden omdat ze zich moeiteloos aan uiteenlopende leefomgevingen aanpast, zolang er water in de buurt is. Ze verblijven in moerassen, bij meren en rivieren, op akkers en weilanden. Ook zie je ze vaak in steden, havens en op vuilnisbelten, waar ze gemakkelijk aan voedsel geraken. Ze broedt meestal in grote groepen op de grond, vaak in gebieden, die moeilijk te bereiken zijn, zoals eilandjes in meren of in moerassen, wat hen beschermt tegen roofdieren. De kokmeeuw is een relatief kleine meeuw met een lengte van 34 tot 38 cm en een vleugelspanwijdte van 100 tot 110 cm; het lichaamsgewicht van een volwassen vogel varieert van 225 tot 350 g.
In het broedseizoen heeft de kokmeeuw een kenmerkend uiterlijk met een chocoladebruine kopkap, die vanop afstand zwart lijkt. De rest van het lichaam is wit met een bleek blauwgrijze rug en bovenkant van de vleugels. Op de onder-vleugels zijn de donkere handpennen met een witte voorrand (scherp afgetekende, witte streep) kenmerkend. De poten en de snavel hebben een opvallende dieprode kleur. In het zomerkleed is ook een halvemaanvormige dunne, witte oog-ring te zien.
Tijdens de winterperiode verdwijnt de donkerbruine kop en wordt deze wit, op enkele kleine, donkere vlekjes achter het oog na (oorstreek), alsof dan de kokmeeuw een ‘koptelefoontje’ draagt. De poten en snavel zijn dan ook minder felrood. De kokmeeuw brengt naast een luide, lachende kreet ‘krriearr’ met veel variaties, nog een kort, scherp ‘kek’ of trillend ‘kie-kekkekkek’.
Deze meeuw heeft een zeer breed en gevarieerd dieet en past zijn eetgewoonten aan aan wat er in de omgeving beschikbaar is. De kokmeeuw jaagt op een breed scala aan ongewervelde dieren, waaronder regenwormen (in vers omgeploegde akkers) en diverse insecten, zoals kevers, vliegen en mieren. Daarnaast vangt die kleine vissen en schaaldieren. Als opportunistische eter is hij tevens vaak te vinden op vuilnisbelten in steden, waar hij afval en voedselresten zoekt.
De voortplanting valt in het voorjaar en vangt aan met een baltsritueel. Het mannetje voert dan een paringsdans uit en biedt het vrouwtje voedsel aan. Het nest bestaat doorgaans uit een ondiep kuiltje op de grond, gemaakt van plantenmateriaal, zoals twijgjes, rietstengels en grashalmen. Het vrouwtje legt meestal 3 eieren. De broedtijd duurt 22 tot 26 dagen. De jongen kunnen na ongeveer 35 dagen vliegen.
Tijdens het kwetsbare broedseizoen worden ze ook geconfronteerd met predatie. Eieren en jonge kuikens zijn vaak het doelwit van kraaiachtigen, reigers en andere meeuwensoorten, die de nesten plunderen. Ook landroofdieren, zoals vossen en marterachtigen vormen een bedreiging, vooral wanneer de kolonies zich op het vasteland bevinden. In stedelijke omgevingen is ook de slechtvalk een geduchte predator. Ondanks al deze bedreigingen, helpt het sociale gedrag (solidariteit) van de kokmeeuw om de predatiedruk te verminderen door in grote kolonies te broeden.
Hoewel de database niet helemaal volledig is, is na een reconstructie de trend van de kokmeeuw in Vlaanderen in grote lijnen wel duidelijk. In de periode 1994-2004 nam de populatie in gestaag tempo af, een korte heropleving in 2000-2001 niet ten na gesproken. In die tijd broedden er in de meeste jaren meer dan 15 000 paar in Vlaanderen, soms zelfs meer dan 20 000.
Rond 2004 stortten aan de Oostkust de grote kolonies in Zeebrugge en het Zwin in elkaar en ook in Limburg ging het snel bergafwaarts. In de provincie Antwerpen waren het de kolonies in Polderbos-Krabbelshof en de Ronde Put in Mol-Postel die sterk achteruitgingen en ook in de Gentse Kanaalzone kon de soort zich niet langer handhaven. Alleen de kolonies in Zoutleeuw (het Vinne), rond de Antwerpse haven (Linker- en Rechteroever) en in Lokeren (Molsbroek) wisten zich in stand te houden.
Vanaf 2004 lijkt de populatie redelijk stabiel en schommelt het aantal broedparen meestal rond de 10 000. In de periode 2013-2018 broedden er 10 500-13 000 paar in Vlaanderen. De populatie in de kustregio’s herstelde zich enigszins door de creatie van nieuwe broedeilanden in het Zwin en in de Spuikom van Oostende. Ook op verschillende plaatsen in de Oostkustpolders (Lissewege, Wenduine en Oudenburg) werd gebroed, maar de huidige aantallen zijn peanuts in vergelijking met die in het Zwin en de haven van Zeebrugge van eind vorige eeuw. Eveneens aan de Westkust (met als voornaamste broedplaats de suikerfabriek in Veurne) blijft het aantal koppels beperkt tot enkele honderden, net zoals in het Limburgse Vijvergebied.
Grotere aantallen bevinden zich in het Vinne te Zoutleeuw, hoewel deze kolonie op basis van de schaarse gegevens waarover we beschikken, achteruit lijkt te gaan (3 000-4 000 nesten aan het begin van deze eeuw naar 2 000-2 500 in de voorbije periode. In het Lokerse Molsbroek broeden al jaren 1 500 tot 1 600 koppels. Het geheel aan geschikte gebieden in en rond de haven van Antwerpen (zowel Linker- als Rechteroever) is verreweg de belangrijkste zone voor deze soort. Hier broedden in de periode 2013-2018 in totaal 7 000 paar.
De grote jager, de brutale bullebak van de Noordzee
Geraadpleegde bronnen: Vogelbescherming Nederland – diverse veldgidsen – Vogels Kijken – Sovon – Ecopedia
De grote jager is een robuuste zeevogel, bekend als een angstaanjagende en opportunistische roofmeeuw, die andere vogels belaagt en een gevarieerd dieet heeft. Onze contreien maken geen deel uit van hun broedgebied. De soort broedt voornamelijk rond Schotland, de Faeröer, IJsland, de Noorse kust, Spitsbergen en andere kleine gebieden in Noord-Rusland op afgelegen veengebieden en heuvels, soms ook op vochtige, hoger gelegen kustvlakten. Bij ons is het een echte kustvogel, die vooral in de herfst (september-oktober) bij hevige westen- en noordwestenwind naar de West-Europese rotskusten wordt gedreven en opgemerkt.
Alle jagers zijn rovers en geen enkele is hiervoor beter toegerust dan de grote jager. Deze geweldenaar is niet alleen stevig gebouwd (formaat van een zilvermeeuw) en agressief, maar tevens in staat van zelfs grote gezonde vogels van hun maal te beroven. Favoriete slachtoffers van de grote jager zijn Jan-van-Genten. Al zijn die een paar maten groter met een indrukwekkende dolksnavel, toch weerhoudt het de grote jager er niet van de achtervolging in te zetten. Deze worden in volle vlucht bij de vleugelpunt gegrepen, waardoor ze hun evenwicht verliezen en in zee vallen. Ze braken dan hun laatste maaltijd uit, die dankbaar door de belager wordt opgeslokt.
Indringers in hun broedterritoria worden door de jagers in duikvlucht woedend aangevallen, waarbij ze met de poten trappelen en met de snavel flinke slagen toebrengen. Ze landen zelfs op de kop van een langslopend schaap, slaan het met de vleugels en jagen het zo uit de broedkolonie. De karakteristieke agressieve houding herken je aan de lange, brede vleugels die de grote jager omhoog en naar achteren houdt met de wijd open gesperde snavel.
Op het menu staan zeevogels als alken, drieteenmeeuwen en papegaaiduikers. Daarnaast vangt hij ook zelf vis (onder meer spiering), pijlinktvis en aas. Buiten het broedseizoen zoekt hij vaak vissersschepen op, begerig op zoek naar visafval, waaronder schelvis, wijting, kever (kabeljauwachtige).
Volwassen vogels hebben een donkere kap, de grof geelbruine gestreepte nek en mantel en een gestreepte donkere bruine bovenkant. De onderkant is egaal donkerbruin en de dikke poten zijn zwart. De zeevogel heeft opvallende, flitsende witte vlekken op boven- en onder-vleugels (vooral de handpennen aan de onderzijde zijn vanop grote afstand te zien), waarmee die pronkt tijdens de baltsvluchten boven zijn broedgebied.
De roofzuchtige meeuw heeft een stevige, puntige haaksnavel. Al lijkt die in de langzame, directe vlucht vrij slank is hij goed herkenbaar aan het silhouet met een fors lichaam, de tamelijk ver uitstekende kop met krachtige hals en de korte, rechte of wigvormige staart, alsook aan de spitse vleugeltippen. In tegenstelling tot bij de andere jagers hebben ze geen verlengde staartveren. De grote jager kan wel plotseling versnellen als hij achter een meeuw of Jan-van-Gent aanzit. Hij is zeer krachtig en wendbaar in korte achtervolgingen. De lichaamslengte varieert tussen 52 en 58 cm; de vleugelspanwijdte haalt 1.25 tot 1.40 m; het lichaamsgewicht schommelt rond 1.2 tot 2 kg. Het vocale repertoire is beperkt tot korte, lage, grommende klanken en een lage, nasale ‘ghok’-roep en tijdens de balts weerklinkt een rollend ‘tsjierr’
Grote jagers broeden in losse kolonies op eilanden met weinig menselijke verstoring, vaak op vlakke grond met lage vegetatie en nabij andere zeevogelkolonies. Ze zijn monogaam en heel territoriaal. Ze leggen doorgaans 2 eieren in een schaars met dood gras of mos bekleed kuiltje in heidevelden of op een vrijwel kaal terrein. De broedduur is 28 tot 32 dagen en de jongen zijn nestvlieders die vliegvlug zijn na 40 tot 50 dagen.
De grote jager trekt van de broedgebieden vooral naar de Atlantische Oceaan ten noorden en ten westen van het Iberisch Schiereiland, maar kan op de hele noordelijke Atlantische Oceaan tot aan de Noordelijke IJszee worden aangetroffen. In de herfst trekken alle grote jagers zuidwaarts, vaak over de Noordzee en het Kanaal naar Zuidwest-Europese en Noordwest-Afrikaanse overwinteringsgebieden.
De grote jager kende in 2022-2023 een dramatisch seizoen. De soort had sterk te lijden onder de heersende vogelgriep. In het Verenigd Koninkrijk was veel sterfte vastgesteld; in Schotland betrof dit naar schatting zo’n 13% van de populatie, waarvan alleen al 1400 adulte vogels op het eiland Foula. Overigens kende de grote jager hiervoor ook al enkele slechte jaren. In de laatste 12 jaar is dan ook sprake van een significante afname (- 8% per jaar). Helaas zijn er geen recente trendgegevens uit de Britse kolonies. Opvallend is dat sinds het begin van de zeetrektellingen nog steeds sprake is van een matige toename. Normaliter worden de meeste grote jagers gezien in september en vooral in oktober, waarna waarnemingen doorlopen tot in de winter. Maar gedurende het hele najaar van 2022 werden slechts met mondjesmaat grote jagers gezien. In het totaal werden aan de Nederlandse kust slechts 46 exemplaren geteld.
Het grootse deel van het jaar verblijven grote jagers op open zee. Hun gevoeligheid voor olie is dan ook relatief hoog. Zoals voor alle zeevogels is vervuiling van de zee met giftige stoffen die zich in de voedselketen ophopen een bedreiging. Indirect kunnen grote jagers last krijgen van de vermindering van ongewenste bijvangsten in de visserij, waardoor ze worden gedwongen over te schakelen op een dieet van zeevogels en hun kuikens.
De grote burgemeester, een zelden waargenomen wintergast
Geraadpleegde bronnen: diverse vogelgidsen – Vogels Kijken – Vogelbescherming Nederland
Deze meeuw is een charismatische, schaarse wintergast in Noordwest-Europa, die broedt in Arctische kustgebieden. Het is een krachtige vogel die in grootte tussen de zilvermeeuw en de grote mantelmeeuw zit. De lichaamslengte varieert tussen de 63 en 68 cm; de vleugelspanwijdte reikt tussen 140 en 180 cm en het lichaamsgewicht schommelt tussen de 1 en 2 kg. De grote burgemeester kan ondanks zijn formaat en omvang sierlijk en elegant zijn. In de vlucht maakt hij gebruik van krachtige vleugelslagen om daarna glijdend en zwevend door de lucht te klieven.
De grote burgemeester heeft redelijk wat kenmerken gemeen met de zilvermeeuw, al zijn de bovendelen zilvergrijs. Door het ontbreken van de zwarte vleugelpunten en de brede witte toppen van de handpennen, vormt de buitenvleugel in vlucht een opvallend groot wit driehoekig vlak. In geen enkel verenkleed, dat tot het 4de levensjaar telkens van uitzicht wisselt, heeft deze meeuw zwart op de vleugelpunten. De lange hals en kop met vlak voorhoofd is ’s zomers wit, maar van de herfst tot de lente grijsbruin gevlekt tot op de borst. De handpentoppen steken voorbij de staartpennen (minder dan bij de kleine burgemeester). Ten opzichte van de kleine burgemeester zijn de lichtroze poten langer, de zware, lichtroze snavel langer, aanvankelijk met een kleine zwarte, scherp begrensde punt, maar als adult (geslachtsrijp als ze 4 jaar oud zijn) wordt die later geel met de typische rode vlek. De grote burgemeester heeft kleine ogen en een gele oog-ring; terwijl de kleine burgemeester een rode oog-ring heeft.
Onvolwassen vogels hebben onderaan een gelijkmatig, gespikkeld, okerbruin verenkleed (of ‘koffie-met-melk-kleurig’), met vagere en fijnere bandering op de bovendelen en vleugeldekveren, minder contrastrijk dan bij grote mantelmeeuw en zilvermeeuw het geval.
De balts is als van andere grote meeuwen, met langgerekte roepen met uitgestrekte hals. De roep gelijkt op de klagelijke, keffende tonen van de zilvermeeuw, maar grover.
De grote burgemeester broedt in losse paren of in verspreide kolonies in ondiepe nesten langs de kusten (rots-richels en kliffen) en op eilanden (oevers). Hierin leggen ze in de periode mei-juni 2 of 3 grijsgroene tot bruine eieren met donkerbruine vlekken, die in 27 tot 28 dagen worden uitgebroed. Gedurende de 2 volgende maanden helpt het ouderpaar de kuikens, die een paar dagen na het uitkomen al buiten het nest lopen, te voeden. De jongen vliegen na 7 weken uit.
De grote burgemeester hangt rond vissershavens, volgt vissersboten en sluit zich ook aan bij andere meeuwen die op afvalhopen foerageren en op waterreservoirs of meren rusten. Ook kan je hem op stranden aantreffen, waar hij leeft van aangespoelde dode vis, zeesterren en schelpdieren, vooral na een felle storm.
Grote burgemeesters zijn roofzuchtig en plunderen nestkolonies van andere vogels om eieren en kuikens weg te pikken. Ze staan erom bekend dat ze boven vossen of zelfs mensen vliegen in de hoop dat die de nestkolonie verstoren, zodat de meeuw tijdens de afleiding naar beneden kan duiken en tijdens het tumult een prooi kan pakken. Verder voedt deze meeuw zich met kleine zoogdieren en aas langs de vloedlijn, aangevuld met plantaardig materiaal, maar ook hij steelt voedsel van andere vogels.
Vogels uit Oost-Groenland trekken in de herfst naar IJsland. Variabele aantallen bereiken Ierland en Groot Brittannië. IJslandse vogels zijn standvogels. Noord-Europese vogels trekken met het winterijs zuidwaarts. Enkelen bereiken de Noordzee, soms tot aan de Noordwestelijke kust van Frankrijk.
Al is de grote burgemeester, een zeldzame bezoeker, die in het winterhalfjaar in zeer klein aantal wordt gezien, werd in januari 2017 in Nederland een duidelijke stijging van het aantal waarnemingen vastgesteld. Het leek erop dat een hevige storm in de Noorse Zee en de noordelijke Noordzee hier een rol in heeft gespeeld. Want vooral de dagen daarna werden op veel stranden grote burgemeesters opgemerkt door attente vogelaars, die er speciaal op uit getrokken waren om deze Arctische soort te spotten.
Vermoedelijk heeft de noordwestelijke stroming de burgemeesters een ferme lift gegeven uit het normale, noordelijker gelegen overwinteringsgebied. De stranden lagen immers vol met door de storm losgeslagen schelpdieren (mosselen, zwaardscheden, grote otterschelpen), maar ook zeesterren. Grote aantallen meeuwen, waaronder de grote burgemeester, stortten zich op dit feestmaal, alsook natuurfotografen en vogeltellers, die het schouwspel niet wilden missen.
Geraadpleegde bronnen: diverse vogelgidsen – Ecopedia – Vogelbescherming Nederland
Dwergmeeuwen broeden voornamelijk in Noordoost-Europa, voornamelijk in Scandinavië, de Baltische Staten en diep in Siberië. Hun voorkeur gaat uit naar moerassige gebieden, ondiepe binnenmeren en uitgestrekte veengebieden met veel vegetatie.
De dwergmeeuw is onze kleinste meeuw, die qua formaat en zwaluwachtige vliegstijl (snelle vleugelslagen en grillige vlucht) vaak meer weg heeft van een zwarte stern. Overigens broedt die zeer zelden in onze streken (7-16 broedgevallen in 2025 in Friesland en de IJsselmeerpolders). Ook zou je de dwergmeeuw als een verkleinde uitgave van de kokmeeuw kunnen bezien, maar dan met een zwarte kop in plaats van een donkerbruine.
Op doortrek (april-mei & augustus-oktober) worden ze in grotere aantallen waargenomen. Bij het neerstrijken, houdt de dwergmeeuw de vleugels net als een waadvogel omhoog. Volwassen vogels tonen in alle seizoenen een zwarte onder-vleugel met spierwitte achter-rand, die bij de vleugeltip breder is. Dat levert een unieke afwisseling van donker en lichtspel als hij laag over het water vliegt en is meteen ook een onmiskenbaar determinatiekenmerk. Noteer ook dat aan de afgeronde vleugeltippen de zwarte vleugelpunten ontbreken, die de meeste meeuwen wel hebben. Borst en buik vertonen een subtiele roze gloed.
De bovendelen zijn egaal lichtgrijs. De snavel is roodbruin met een zwart eindpunt. De korte poten zijn bloedrood. Tijdens de zomer is de gehele kop tot laag in de hals gitzwart; in de winter slinkt de zwarte koptekening tot een donkergrijze kruin (petje) en een zwarte ronde oor-vlek. De snavel kleurt dan helemaal zwart.
Dwergmeeuwen zijn vrij klein en maken daardoor niet veel indruk op een roofdier dat het nest nadert. Vandaar dat ze ook graag in de buurt van kokmeeuwen vertoeven, daar zij wél erg agressief reageren als een ongewenste bezoeker plots opdaagt. De lichaamslengte varieert van 25 tot 27 cm; de vleugelspanwijdte reikt van 70 tot 77 cm en het lichaamsgewicht schommelt tussen de 90 en 150 g.
De elegante en sierlijke vogel lijkt aan de genade van de wind en de golven te zijn overgeleverd. Toch is hij in staat om zelfs de zwaarste stormen op zee te overleven. De dwergmeeuw wordt ook vaak langs de kust gezien, duikend, draaiend en kerend boven de golven die tegen een pier slaan of vechtend om afval in het gewoel van verschillende meeuwensoorten bij een uitloop van een zuiveringsinstallatie.
Er zijn ook wel groepjes te zien boven grote waterbekkens in het binnenland, waar ze zich min of meer als zwarte sterns gedragen, tegen de wind in vliegend en voedsel van het water oppikkend. Tijdens het broedseizoen bestaat het grootste deel van het dieet uit insecten [libellen, (dans)muggen, kevers] en andere ongewervelden, vooral ’s zomers. Tijdens de acrobatische vlucht vangt hij met een verbluffende precisie insecten of larven van het wateroppervlak van ondiepe rivieren en meren.
Buiten het broedseizoen vangt hij ook visjes, kreeftachtigen, mariene wormen, vooral als hij ’s winters op zee verblijft. Hij zoekt door laag te vliegen, tegen de wind in, met zijn naar beneden gerichte snavel naar voedsel en weet netjes een prooi op te pikken dicht tegen het wateroppervlak. Soms strijkt hij even neer op het water en neemt hij een kijkje onder de waterspiegel. Wat later zie je hem dan weer snel watertrappelen om steil de lucht in te vliegen. Dit kenmerkend foerageergedrag helpt de dwergmeeuw te determineren, zelfs op grote afstand.
Vergeleken met de meeste meeuwen zijn dwergmeeuwen stille vogels, behalve bij een broedkolonie. De gebruikelijke roep is een kort, nasaal, herhaald ‘keik-keik-keik’; bij onraad verandert dit in een grover, sternachtig of piepend geluid. De balts is als die van de kokmeeuw met luide en ritmische ‘ke-KEI-ke-KEI-ke-KEI’. De vogels tonen hun zwarte kap door hun kop naar voren of naar boven te strekken. Een paar loopt zij aan zij en kijkt van elkaar weg zodat er minder zwart zichtbaar is. Dit lijkt de hoeveelheid agressie te verminderen die wordt opgeroepen door de zwarte kap. Immers om indringers af te dreigen, richten dwergmeeuwen hun kop op om hun kap te tonen.
Ze nestelen in kolonies in kuiltjes langs meren en nabij water in moerasgebieden op drijvende planten, maar ook wel op zandbanken. Paren broeden de 2 tot 3 geel- of groenachtige, bruine eieren met zwartbruine en grijze spikkels gedurende 23 tot 25 dagen uit. De jongen kunnen ongeveer 3 weken later vliegen.
De trekbewegingen zijn best wel gecompliceerd, maar de meeste Oost-Europese broedvogels trekken ’s winters westelijk naar de Noordzee en de Atlantische Oceaan of zuidelijk naar de Middellandse Zee.
De grote mantelmeeuw, een niets ontziende, roofzuchtige zeevogel Â
Geraadpleegde bronnen: Vogelbescherming Nederland – Fauna & Flora – diverse vogelgidsen
De grote mantelmeeuw, de grootste meeuw ter wereld, is een kolossale maar toch fraaie zeevogel, al heeft hij zijn reputatie van klepto-parasiet en predator niet gestolen.
In prachtkleed heeft de grote mantelmeeuw een pikzwarte mantel en boven-vleugels, die omzoomd zijn met een brede witte rand en een grote witte vlek hebben aan de vleugeltoppen. De onderkant is wit en de witte kop vertoont een lichte tekening (overlangse fijne streepjes). De grote mantelmeeuw onderscheidt zich van de kleine door het grotere formaat: een grotere kop, een forsere gele snavel met een haakvormige punt en een rode vlek aan de onderkant, een dikkere hals en bredere vleugels. Als de zeevogel vliegt, oogt hij majestueus met zijn krachtige, langzame vleugelslagen. Een duidelijk opvallend onderscheidingskenmerk zijn de vaal-roze poten, die geel zijn bij de kleine mantelmeeuw. De lichaamslengte varieert tussen 64 en 78 cm; de vleugelspanwijdte reikt tussen 1.50 en 1.70 m en het lichaamsgewicht schommelt tussen 1.2 en 2.3 kg. De roep herken je aan de kenmerkende lage, blaffende, schorre klank: ‘aouk’, of aan een hese: ‘uh-uh-uh’.
Binnen Europa zijn grote mantelmeeuwen vooral te zien langs de kusten van de Noordzee, de Oostzee en de Atlantische Oceaan. Ze broeden in landen zoals IJsland, Scandinavië, de Britse eilanden, Ierland en langs de Franse kust. Gedurende het jaar verspreiden ze zich over de Europese kustlijnen, waarbij ze in de koudere maanden soms verder naar het zuiden vliegen tot aan Spanje en Portugal. Ze blijven meestal in de buurt van het zoute water en zijn te vinden op bijna alle noordelijke eilanden en kustgebieden van ons werelddeel.
In Nederland en België zijn ze het hele jaar door te vinden, waarbij ze vooral de kust opzoeken. Ze broeden in kleide aantallen op de Waddeneilanden en in de provincie Zeeland op rustige plekken in de natuur. Er zijn ook gevallen bekend in het IJsselmeergebied, doorgaans in de buurt van grote open wateren, in zowel zoute als zoete milieus. Tijdens de wintermaanden komen er veel vogels uit het hoge noorden bij, waardoor hun aantallen in onze regio’s flink toenemen. Ze rusten dan vaak uit op de zeestranden, zandplaten, pieren strekdammen en in grote havens, waar ze makkelijk voedsel kunnen vinden. Soms vliegen ze ook een stukje het binnenland in naar grote meren of rivieren, maar hun belangrijkste verblijfplaats blijft de kuststreek.
De grote mantelmeeuw heeft een beperktere broedhabitat dan de wijder verspreide zilvermeeuw. Waar ze samen nestelen is de zilvermeeuw meestal talrijker aanwezig langs de bovenrand van zee-kliffen op weidse, met gras omzoomde plateaus of steile kloven. Grote mantelmeeuwen verspreiden zich, waarbij ieder paar op een min of meer prominente plek zit, zoals boven op een steile rots of aan het uiteinde van een rotsachtige uitloper. Al kunnen paren ook wel op richels of op de vlakke grond nestelen, toch blijft hun eerste keuze een min of meer in het oog springende plek – zoals het de grootste, dominante meeuw betaamt. Ze vertoeven het liefst in open gebieden aan zee, waar ze goed het overzicht bewaren. Ook plekken waar rivieren uitmonden in zee zijn populair, omdat daar vaak veel voedsel te vinden is. Hoewel ze meestal bij zout water blijven, bezoeken ze soms ook grote meren in het binnenland of plaatsen waar mensen afval storten. Zolang er water en genoeg voedsel in de buurt is, kunnen ze op veel verschillende plekken langs de waterkant leven.
Het nest is een heuveltje van zeewier, gras, mos en andere vegetatie. De broedperiode start vanaf half april tot eind mei en levert één legsel per jaar op met meestal 3 donkerbruine en grijs gespikkelde of geel- tot olijfbruine eieren die 26 tot 28 dagen worden bebroed. De grote mantelmeeuw legt zijn eieren op de grond in open gebied tussen hoge grassen. In onze streken broeden ze solitair in het bijzijn van andere meeuwensoorten. In sommige buurlanden bestaan er losse kolonies van grote mantelmeeuwen. De jongen kunnen na 7 tot 8 weken vliegen.
Niet alle grote mantelmeeuwen trekken ver weg naar warme landen. Veel blijven het hele jaar in hetzelfde gebied, zolang er genoeg voedsel en open water is. Alleen de groepen uit de meest noordelijke en koude regionen vliegen ’s winters naar het zuiden om het dikke ijs te ontwijken. Tijdens hun reis volgen ze meestal de kustlijn en vermijden ze grote stukken land. In de winter spreiden ze zich uit langs de kusten van West- en Zuid-Europa om daar te overwinteren. Zodra het weer zachter wordt, keren de trekkende vogels terug naar hun vaste broedplaatsen in het noorden.
Grote mantelmeeuwen staan bovenaan de voedselketen en hebben als volwassen vogels nauwelijks natuurlijke vijanden. Vanwege hun enorme grootte en agressieve gedrag durven weinig roofdieren ze aan te vallen. De eieren en de kleine kuikens lopen echter wel gevaar wanneer de ouders het nest even niet bewaken. Roofdieren zoals vossen en marters proberen soms de nesten leeg te roven als die op het vasteland of op goed bereikbare eilanden liggen. Ook grote roofvogels, zoals de zeearend kunnen een bedreiging vormen voor zowel de jongen als de volwassen vogels. Om deze predatie tegen te gaan, broeden ze vaak in kleine ‘kolonies’ of op zeer afgelegen rotsen waar ze gezamenlijk indringers verjagen. Over het algemeen zijn ze door hun machtsvertoon en waakzaamheid zeer succesvol in het beschermen van hun nageslacht tegen de meeste vijanden.
Wereldwijd gezien worden grote mantelmeeuwen momenteel niet als een bedreigde vogelsoort beschouwd. De populatie is groot en ze verspreiden zich over een enorm gebied rond de noordelijke Atlantische Oceaan. Toch zijn er lokale zorgen, omdat de aantallen in sommige gebieden afnemen door een gebrek aan voedsel of door vervuiling van de zee. Ook het verlies van rustige broedplaatsen door menselijke activiteiten kan op lange termijn een probleem vormen voor deze dieren. Ondanks deze uitdagingen staat de soort op de internationale lijst als niet-bedreigde dieren, omdat ze zich gemakkelijk aanpassen aan uiteenlopende omstandigheden.
Grote mantelmeeuwen doden veel meer vogels en andere dieren dan de meeste andere meeuwen. Ze beroven heel vaak andere zeevogels van hun prooi (zelfs van aalscholvers), maar evenzeer volgen zij bultruggen, haringhaaien en blauw-vin-tonijnen om te profiteren van de vissen, die deze kolossen opjagen naar het zeeoppervlak. Grote mantelmeeuwen zijn vooral berucht en beducht voor hun meedogenloze rooftochten in broedkolonies waar zij eieren en kuikens opvreten van papegaaiduikers, zeekoeten, zilvermeeuwen, kokmeeuwen, visdieven, Noordse pijlstormvogels en kuifduikers. Zij kunnen zelfs papegaaiduikers, sterns en zangvogels in volle vlucht vangen en durven kleine eenden aan te vallen en te verdrinken. Ze eten veel vis, krabben, weekdieren en grote groepen volgen trawlers (vissersschepen), waar ze op afkomen voor het overboord gegooide afval. Ze azen ook op allerlei dode dieren en op afval op stranden en op vuilnisbelten.
De zilvermeeuw zie je zowel in natuurlijke kustgebieden als in stedelijke omgevingen Â
Geraadpleegde bronnen: Vogelbescherming Nederland – Fauna & Flora
In Europa vind je de twee ondersoorten van de zilvermeeuw (Larus Argenteus & Larus Argentatus) langs vrijwel alle kusten van de Atlantische Oceaan, de Noordzee en de Oostzee. Ze broeden van de noordelijke kusten van IJsland en Scandinavië tot aan de kustlijnen van Frankrijk en Groot-Brittannië. In de winter trekken veel vogels naar de kusten van de Middellandse en Zwarte Zee om de strengste kou te ontlopen. Aan de rand van het verspreidingsgebied vermengt de zilvermeeuw zich overvloedig met verwante meeuwensoorten en krijgt hybride jongen.
De natuurlijke leefomgeving van deze vogels bestaat uit brede zandstranden, duinen en steile kliffen aan zee. Toch voelen ze zich ook prima thuis in door mensen gemaakte omgevingen, zoals havens, steden en industrieterreinen. Op zoek naar voedsel bezoeken ze vaak weilanden, akkers en riviermondingen nabij de kust. Ze hebben een sterke voorkeur voor open landschappen, waar ze goed om zich heen kunnen kijken om gevaar of voedsel op te merken.
De zilvermeeuw heeft een fors postuur en is een algemene vogel van de kust en het binnenland. De jonge zilvermeeuw is overwegend bruin en krijgt stap voor stap het verenkleed van de volwassene. De adulte zilvermeeuw heeft een witte kop, staart en onderzijde, grijze vleugels en rug. Zijn vleugelpunten zijn zwart met witte vlekken. De opvallende gele snavel vertoont een rode vlek op de onder-snavel, dicht bij het uiteinde. Die vlek heeft een signaalfunctie, die de jongere meeuwen stimuleert bij het ouderpaar om voedsel te bedelen door op die gevoelige zone te pikken. De iris is lichtgeel. De zilvermeeuw lijkt sterk op de geelpootmeeuw en de stormmeeuw en is vooral te onderscheiden door zijn lichtroze poten. Zit qua grootte tussen kleine en grote mantelmeeuw in. Ze bereikt een lichaamslengte van 55 tot 64 cm. Het lichaamsgewicht schommelt meestal tussen 750 en 1200 g. De vleugelspanwijdte varieert tussen de 130 en 160 cm. In de vrije natuur bereiken deze vogels vaak een leeftijd van 20 jaar of ouder, waarbij sommige exemplaren zelfs de 30 jaar passeren.
Het geluid van de zilvermeeuw is krachtig en doet vaak denken aan een lachende roep. De meest voorkomende roep is de lange, luide, heldere, keffende roep die ten gehore wordt gebracht met een diep gebogen kop (lage tonen), die daarna wordt opgericht met wijdgeopende snavel (hoge tonen): ‘auw - kjjAA - kjA - kjA - kjA - kjA - kjA - kjau’. Ze beschermen hun nestplaatsen fel tegen indringers met luide kreten 'ak-ak-ak-ak-ak' en dreigende houdingen. Jonge vogels produceren een zacht, hoog gefluit wanneer ze om voedsel vragen bij hun ouders.
Menu
De zilvermeeuw eet vrijwel alles. Van zeebanket – vis, schelpdieren (mosselen, krabben) – tot aan menselijke etensresten als friet, brood, ook aas, eieren en kuikens van andere kustvogels. In de weilanden voedt de meeuw zich ook met grote insecten en regenwormen. Doorgaans zoekt de zilvermeeuw eten in groepen, samen met andere meeuwensoorten.
De zilvermeeuw volgt vissersboten, bezoekt vuilnisbelten of haalt een maaltje op bij geploegde akkers. De vindingrijke kustvogel breekt schelpen open door ze van grote hoogte te laten vallen. Op het land eten ze graag regenwormen en insecten of vangen soms ook kleine zoogdieren, zoals muizen. Ze vullen hun dieet aan met planten en eten bv. granen van de akkers of bessen van de duindoorn en de vlier.
De jonge vogels zijn voor hun eten volledig afhankelijke van de ouders. De volwassen vogels slikken het voedsel eerst zelf in en spugen het daarna weer uit voor de kuikens. In de eerste dagen krijgen de jongen vooral zacht en makkelijk te verteren voedsel, zoals kleine vissen en wormen. Naarmate de jongen opgroeien, krijgen ze steeds vaker dezelfde brokken voedsel die de ouders ook zelf eten. Ze maken ook dankbaar gebruik van de aanwezigheid van mensen door voedselresten te zoeken in havens of bij afvalbakken.
Broedperiode
De zilvermeeuw broedt in kolonies in duingebieden, op kwelders, schorren en dijken. Omdat vossen nesten daar vaak leegroven, neemt de zilvermeeuw steeds vaker zijn toevlucht tot daken in steden. Daardoor treft men de soort ook landinwaarts aan op weilanden rond rivieren en meren. De voortplanting van de zilvermeeuw begint in het vroege voorjaar, wanneer de paartijd aanbreekt. Tijdens de balts maken de vogels indruk op elkaar door hun kop omhoog te gooien en luidruchtige kreten uit te slaan. Ze bieden elkaar ook vaak voedsel aan om de onderlinge band te versterken.
Wanneer een paar is gevormd, zoeken ze een geschikte plek voor het nest in de duinen, op rotsen of tegenwoordig veelal op platte daken. Het nest ziet eruit als een ondiepe kuil, die ze bekleden met gras, zeewier en andere plantenresten uit de omgeving. Tussen april en juni legt het vrouwtje meestal 3 eieren, die een groenachtige of bruine kleur met donkere vlekken hebben. Beide ouders wisselen elkaar af tijdens de broedtijd, die ongeveer 25 tot 33 dagen duurt. Nadat de jongen uit het ei komen, zorgen de ouders samen voor de bescherming en het voedsel. Het zijn nestvlieders, die al snel rond kruipen in de buurt van het nest, maar sterk afhankelijk blijven van hun ouders. De jonge vogels kunnen na ongeveer 6 weken vliegen, al blijven ze nog een tijdje in de kolonie rondhangen.
Trek
De vogeltrek van de zilvermeeuw hangt sterk af van de plek waar ze broeden. Veel populaties in West-Europa zijn standvogels en blijven het hele jaar in hetzelfde gebied wonen. De vogels die in het hoge noorden van Scandinavië of Rusland leven, trekken in de herfst wel weg, omdat het water daar bevriest. Ze vliegen dan naar het zuiden of westen om de winter door te brengen langs de kusten van de Noordzee of zelfs de Middellandse of Zwarte Zee. Tijdens deze tocht volgen ze vaak de kustlijnen en rusten ze uit op grote open wateren of in havens. Ze trekken meestal niet in hele grote strakke formaties, maar verplaatsen zich in lossere groepen.
Zodra het voorjaar begint en het ijs in het noorden smelt, keren ze terug naar hun vaste broedplaatsen. De jongere vogels dwalen in hun eerste levensjaren vaak verder rond dan de volwassen dieren, voordat ze zich ergens definitief vestigen.
Predatie
De zilvermeeuw heeft te maken met verschillende natuurlijke vijanden die een bedreiging vormen voor de eieren, de jongen en soms ook voor de volwassen vogels. Op de grond vormen vossen en marters een groot gevaar, omdat ze de nesten in de duinen of op de grond makkelijk kunnen bereiken. In de lucht moeten ze goed opletten voor grote roofvogels, zoals de zeearend en slechtvalk, die in staat zijn om een volwassen meeuw te overmeesteren. Ook grotere meeuwensoorten, zoals de grote mantelmeeuw, roven soms de eieren of de kleine kuikens uit het nest. Om zich tegen deze dreigingen te beschermen, broeden ze vaak in grote groepen, zodat ze gezamenlijk alarm kunnen slaan en de vijand kunnen wegjagen.
In de steden hebben ze minder last van natuurlijke roofdieren, al kunnen verwilderde katten en ratten daar soms een probleem vormen voor de jongen. Door hun waakzame gedrag en het felle verdedigen van het nest proberen ze de verliezen door predatie zo laag mogelijk te houden.
Stabiele populatie?
Wereldwijd gezien wordt de zilvermeeuw op dit moment niet direct met uitsterven bedreigd. Op de internationale rode lijst van kwetsbare soorten staat de vogel als veilig genoteerd, omdat hij in een enorm groot gebied voorkomt. Toch maken deskundigen zich wel zorgen over bepaalde regio’s waar de aantallen duidelijk achteruitgaan. In sommige landen in Noord- en West-Europa nemen de populaties af door een gebrek aan natuurlijk voedsel en het verdwijnen van rustige broedplaatsen. Ook ziektes en vervuiling van de oceanen vormen een risico voor de groepen die op open zee leven. Hoewel er miljoenen van deze vogels zijn, blijft een goede controle op hun leefgebieden noodzakelijk om de aantallen stabiel te houden.
In Nederland is de situatie van de zilvermeeuw zorgwekkend te noemen. Sinds het einde van de vorige eeuw zijn aan de aantallen broedparen in de duinen en op de Waddeneilanden flink afgenomen. De belangrijkste redenen hiervoor zijn de toename van roofdieren, zoals de vos en een tekort aan goed voedsel in de buurt van de kolonies. Veel vogels trekken daarom naar de stad om op de daken te broeden, maar dit weegt niet op tegen de verliezen in de natuurgebieden.
Opmerkelijk is de sterke achteruitgang in aantallen. Na een toename in de jaren 1970 bereikte de Nederlandse broedpopulatie een hoogtepunt in 1985 met ongeveer 90 000 broedparen. Daar bleven in 2018 nog amper 32 000 tot 35 000 paren over. In veel broedkolonies is het broedsucces te laag om de populatie in stand te houden (o.a. door vossenpredatie). Maar ook de winteroverleving lijkt aanzienlijk verminderd, wellicht als gevolg van een geringer voedselaanbod (sluiting vuilnisbelten en minder visserijafval).
Zilvermeeuwenpopulaties in Vlaanderen
Rond de eeuwwisseling is het aantal zilvermeeuwen in Vlaanderen gegroeid van 76 broedparen in 1990 naar een maximum van 2858 in 2010. Bijna de volledige populatie zat toen in de voor- en achterhaven van Zeebrugge, waar uitgebreide opgespoten terreinen tot hun beschikking stonden. Daarnaast ontstond er in Oostende een kleinere populatie die uitgroeide tot 358 paar in 2010.
Elders broedden er slechts heel beperkte aantallen. Rond 2013 had de vos zich definitief in Zeebrugge gevestigd en zorgde daar voor veel predatie en verstoring bij de grond-broedende meeuwen. De Zeebrugse meeuwen waren genoodzaakt te verhuizen. Enerzijds zochten ze hun toevlucht op de daken van bedrijfsloodsen in de voorhaven van Zeebrugge en anderzijds verplaatsten ze zich naar andere kuststeden (vooral Oostende) en naar het binnenland (vooral Brugge en Zedelgem).
Ook buiten België – in het noorden van Frankrijk, in het zuiden van Nederland en langs de oostkust van Engeland – werden vanaf 2013 in toenemende mate zilvermeeuwen met Belgische kleurringen waargenomen. Tegelijkertijd ontstond er in de Antwerpse haven een grote kolonie, maar die vogels waren niet afkomstig uit Zeebrugge, maar waarschijnlijk uit het nabijgelegen Land van Saeftinghe (Nederland) waar een grote kolonie door de vos was verjaagd.
In 2018 broedden er naar schatting 2255 paren in Vlaanderen. Mogelijk zijn de werkelijke aantallen nog wat hoger. Omdat de soort nu zeer verspreid voorkomt over vrijwel alle kustgemeenten en heel verspreid (vaak solitair) broedt op moeilijk toegankelijke plaatsen (vooral daken van gebouwen), blijven sommige nesten immers onopgemerkt.
Tot 2014 broedde altijd minder dan 30% van de Vlaamse populatie op daken van gebouwen, maar sinds 2015 is dat toegenomen tot 70-90%. In sommige kustgemeenten zorgt dat voor behoorlijk wat overlast en worden plaatselijke maatregelen genomen om het nestsucces te beperken. Buiten West-Vlaanderen broedden er (naast de genoemde kolonie in Antwerpen met 575 paren in 2018) ook zilvermeeuwen in en rond Gent (108 paren), in Beveren (20 paren) en Limburg (4 paren), telkens in 2018 opgetekend.
Aan persoonlijkheid heeft de grauwe gans geen gebrek
Geraadpleegde bronnen: Knack: Beestenboel: de grauwe gans [Dirk Draulans] / Dierenbescherming Nederland
Dieren persoonlijkheid toekennen werd tot niet zo lang geleden gezien als een verregaande vorm van antropomorfisme, van dieren vermenselijken. Dieren waren gewoon kopieën van elkaar, die van dezelfde band rolden. Persoonlijkheid was iets van ons.
Dat idee-fixe behoort nu gelukkig tot de archieven van de lange geschiedenis van menselijke ijdelheid. Wij hebben uitzonderlijke eigenschappen, maar ook andere dieren kunnen gesofisticeerder zijn dan we denken.
De grauwe gans is samen met de zilvermeeuw de enige vogel die een onderzoeker een Nobelprijs heeft opgeleverd. De Oostenrijkse bioloog Konrad Lorenz kreeg hem in 1973 met twee andere wetenschappers, als gezamenlijke grondleggers van de ethologie. De studie van het gedrag bij sociale dieren. Hij ontdekte de ‘danstaal’ bij bijen en beschreef de ‘inprenting’ bij jonge ganzen. Als het eerste wat ganzenkuikens zien, nadat ze uit het ei zijn gekropen, een bebaarde bioloog is, zullen ze die hardnekkig blijven volgen als ‘ouder’. Ze weten niet beter. Lorenz deed zijn ontdekking in de jaren 1930. Maar de ganzenpopulatie die hij bestudeerde, bestaat nog altijd, in een onderzoekscentrum van de universiteit van Wenen. Ze levert geregeld nieuwe inzichten op, de laatste tijd vooral over de persoonlijkheid van individuele dieren.
Zo was er een publicatie in het vakblad ‘Animal Behaviour’ die illustreert hoe hechter een ganzenpaar is, hoe groter de kans dat het succesvol jongen grootbrengt. Ganzenkoppels blijven niet zelden een leven lang samen, zeker als ze het goed met elkaar kunnen vinden. Hoe vergelijkbaarder vader en moeder in karakter zijn, hoe groter hun gezinssucces.
In ‘Journal of Ornithology’ toonden onderzoekers aan dat grauwe ganzen foto’s van hun vaste partner herkennen. Ze reageren er veel vriendelijker op dan op foto’s van wildvreemden. Ze reageren zelfs pissig op foto’s van zichzelf, wat impliceert dat ze geen zelfbewustzijn hebben. Ganzen zijn simpele grazers met een kleine kop, wat niet meteen wijst op een hogere intelligentie.
Uit een artikel in ‘iScience’ bleek dat veel ganzen een voorkeur hebben voor stoutmoedige exemplaren in hun troep, zeker in vergelijking met agressieve individuen. Stoutmoedige dieren zijn wat wij ‘brutaaltjes’ zouden noemen: extra assertief, maar niet noodzakelijk agressief tegenover anderen. Als een gans opvliegt om te gaan foerageren, is de kans groter dat andere dieren volgen als het een stoer type is. Agressievelingen zijn wel dominant in een groep, maar worden niet courant gevolgd. Het is een karakteronderscheid dat ook in de mensenwereld lijkt te spelen.
De grauwe gans is de voorouder van de geheel witte gedomesticeerde boerengans. Ooit werd ze vereerd voor haar genezende en liefdes-stimulerende kracht (Egyptenaren en Romeinen). Maar vandaag wordt ze vooral als een pest beschouwd, omdat ze akkers en natuurgebieden teistert.
Sinds ze een migrerend bestaan heeft ingeruild voor een economisch voordeliger leven als standvogel staat er geen maat op haar succes. Maar je mag als dier niet te succesvol worden of mensen keren zich tegen je.
Het verenkleed van de forse grauwe gans is bruingrijs; hals en kop zijn iets lichter dan het lichaam. De vleugels zijn breed en krachtig. De onder-vleugels zijn tweekleurig: donker met een lichtgrijze voorkant. De buik is lichtgrijs en de staartbasis (stuit) wit. De stevige snavel en poten zijn oranjeroze. In de lucht vliegen ze in strakke V-formaties, waarbij je ze luid hoort ‘gakken’, een rauw en nasaal ‘ga-ga-ga-ga-ga’.
Het vrouwtje bouwt een nest op de grond, een groot slordig geheel van grassprieten, rietstengels en bladeren, rijk bekleed met donsveertjes dat het vrouwtje uit haar eigen borst trekt. Grauwe ganzen leggen eieren van eind februari tot in mei, met een piek in maart. Ze hebben één legsel per jaar, bestaande uit meestal 4 tot 9 eieren. Ze broeden 27 tot 29 dagen doorgaans in de nabijheid van soortgenoten in een losse kolonie en de jonge nestvlieders zijn vliegvlug na 45 tot 60 dagen. Roofdieren worden dan sneller opgemerkt en weggejaagd. De lichaamslengte varieert tussen 75 en 90 cm; de spanwijdte wisselt tussen 150 en 170 cm en het lichaamsgewicht schommelt tussen 2.9 en 3.7 kg.
Het vegetarisch menu bestaat uit gras, plantenwortels, zaden, waterplanten en jonge scheuten (onder meer van riet). In de winter treft men ze ook aan op akkers aangevuld met oogstresten van maïs, aardappelen en granen (tarwe en gerst).
Grauwe ganzen leven in allerlei gebieden, maar altijd in de nabijheid van water en open ruimten. De vogels overwinteren vooral op boerenland, meren en grote natte natuurgebieden. Oorspronkelijk was de grauwe gans een trekkende vogelsoort, maar de laatste decennia is er veel veranderd in het trekgedrag. In de jaren 1980 overwinterde nog zo’n 80% van de Europese grauwe ganzen in Spanje, maar inmiddels is Nederland het belangrijkste overwinteringsgebied. Sommige overwinterende populaties keren vanaf februari terug naar de Scandinavische broedgebieden, maar die aantallen nemen gestaag af, allicht ten gevolge van de klimaatopwarming.
In Vlaanderen is de grauwe gans tegenwoordig algemeen verspreid. Naast natuurgebieden zie je de vogel steeds vaker in landbouwgebieden en zelfs in stadsparken of recreatieplassen. Het succes is deels te danken aan zijn flexibiliteit: hij kan zowel in natuurlijke moerasgebieden als in sterk door mensen beïnvloede landschappen overleven.
Ontegensprekelijk ervaart de landbouw overlast van de ganzen, voornamelijk in de zomer wanneer de gewassen in volle bloei staan. De grote groepen ganzen kunnen schade veroorzaken aan grasland en groententeelt door veelvraat en vertrapping. In natuurgebieden kunnen talrijke ganzen riet weg eten en met hun uitwerpselen de voedselarme gebieden ‘vermesten’, waardoor plantjes, die daar goed gedijen, verdwijnen.
Jaarlijks worden er in Nederland 245 000 ganzen gedood om de overlast die zij veroorzaken terug te dringen. Het gaat om zo’n 105 000 trekganzen (die tijdens de winter in Nederland verblijven) en 135 000 zomerganzen (tijdens de zomer). Daarnaast worden rond de 5 000 ganzen in een straal van 20 km rondom Schiphol gevangen tijdens de rui (zomer) en vergast. Sinds 2015 is het wegvangen in de ruitijd en vergassen van ganzen ook buiten de 20-kmzone rondom de luchthaven toegelaten.
Dieronvriendelijk én allesbehalve effectief!
Het doden van dieren zal eindeloos moeten plaatsvinden, wil men de schade gedeeltelijk kunnen beperken. De leeggevallen plekken zullen namelijk snel weer door jonge dieren worden opgevuld. Het continu doden zal niet kunnen voorkomen dat schade niet meer optreedt. Het bejagen en verjagen van ganzen zorgt ervoor dat ganzen in grote(re) groepen gaan foerageren en broeden, waardoor de schade niet wordt verspreid en op een aanvaardbaar niveau voorkomt, maar – net andersom – sterk wordt geconcentreerd op bepaalde percelen. Hierdoor zal de averij nog aanzienlijk oplopen. Daarnaast verbruiken opgejaagde dieren meer energie doordat ze steeds weg moeten vluchten, wat resulteert in meer consumptie en dus nog meer schade berokkent.
De Dierenbescherming vindt dat ganzen met rust moeten worden gelaten en in algemene zin de natuur haar werk moet kunnen doen. Ingrijpen is pas gerechtvaardigd als het echt niet anders kan en er sprake is van onaanvaardbare overlast, zoals substantiële schade aan gewassen of verkeersonveiligheid.
De Dierenbescherming wil er samen met de overheid, agrariërs en natuurbeschermers, voor zorgen dat de schade veroorzaakt door ganzen beperkt blijft door naar preventieve, diervriendelijke en duurzame oplossingen te zoeken. Het inzetten en verder ontwikkelen van effectieve weermiddelen en het aanpassen van de omgeving, zoals minder beschikbaar stellen van voedsel en broedgelegenheden, zijn voorbeelden van duurzame alternatieven. Met behulp van de juiste landinrichting in combinatie met verstoring kan het gedrag van ganzen worden gestuurd en daarmee overlast worden voorkomen.
Maak de gebieden, waar niet mag worden gebroed, gerust en gefoerageerd, onaantrekkelijker, door variatie in waterstand, natuurlijke predatie (vos), aanpassing maaibeleid of verstoring door diervriendelijke werende middelen. Wijs gedooggebieden aan waar de ganzen, zowel in de winter als in de zomer, ongestoord hun gang kunnen gaan en niet worden verjaagd. Dit kunnen bv. naast natuurgebieden, ook dijken of braakliggende akkers en velden zijn. Hier kan men minder aanlokkelijk voedsel inzaaien, zoals witte klaver.
De top 5 beste alternatieven:
· - opvanggebieden voor ganzen aanwijzen en inrichten waar ze wél welkom zijn en niet worden bejaagd;
· - het gebied ongeschikt maken om er te broeden;
· - kuiken-werende rasters / prikkelstruiken;
· - landbouwgrond minder geschikt maken bv. door kruidenrijke graslanden en het gras langer te laten groeien;
· - i.v.m. het risico op vogelaanvaringen, inzetten op vogelradars, voertuigen en drones uitgerust met afschrikkingsgeluiden, knallende gaskanonnen en vogel-afweerpistolen.
Recent werd ‘Birdalert’ ingeschakeld op Schiphol. Dit is een autonoom werkende, intelligente vogelverschrikker, die onder meer met een smartphone op afstand kan worden bediend. De apparatuur kan binnen een straal van 250 m (20 ha) specifieke vogelsoorten detecteren en herkennen (een 20-tal, waaronder ganzen, meeuwen, kraaien) en ze vervolgens verjagen met angstgeluiden of de roep van roofvogels of via visuele effecten (laserstralen).
Hoe groot het vogel-aanvaringsrisico op de luchthaven van Zaventem is, valt moeilijk in te schatten, daar Bird Control Unit karig is met het vrijgeven van objectieve kwantitatieve indicatoren. De monitoring en rapporteringen van de vogelbewegingen binnen het luchthavengebied dienen wel jaarlijks in een grondig verslag aan het Agentschap Natuur en Bos overgemaakt.
Geraadpleegde bron: Vogels Kijken: editie 14 – mei 2026: de Pontische meeuw in de lift [Marcel Klootwijk]
Vroeger was het leven van de vogelaar op meeuwengebied heerlijk eenvoudig. Je had zilvermeeuwen en mantelmeeuwen. Grijze of zwarte rug, moeilijker was het niet. Maar toen bleken er heel veel verschillende ondersoorten van de zilvermeeuw te bestaan. Rond de Middellandse Zee bleken ze gele poten te hebben, maar ook in Scandinavië vlogen er meeuwen met gele poten rond. Verder oostelijk rond de Kaspische en Zwarte Zee, waren er ook kustbewoners met gele poten: de geelpootmeeuwen. En dan vloog er in Siberië nog een meeuw rond die verdacht veel op onze kleine mantelmeeuw lijkt, de Heuglins meeuw. Heel verwarrend allemaal en voer voor specialisten.
Maar na veel studies is er een duidelijke soortverdeling gemaakt. Tegenwoordig kan je in onze streken naast de zilvermeeuw ook de geelpootmeeuw en de Pontische meeuw zien.
Na de vogel in Zutphen (aan rechter oever van de IJsselrivier in Gelderland) werden er al snel meerdere (volwassen) Pontische meeuwen gemeld in Nederland, vooral in het oosten en langs grote rivieren. Dankzij een aantal goede determinatiegidsen nam het aantal meldingen eind jaren ’90 explosief toe. Al snel werd de soort ook aan de kust waargenomen en herkend. Op beroemde meeuwenlocaties zoals Westkapelle (Zeeland) en de 3 km lange Zuidpier van IJmuiden (ter hoogte van Velsen) doken er volwassen vogels op. Dat deed al vermoeden dat de soort flink aan het opschuiven was en misschien wel algemener was dan aanvankelijk werd gedacht.
Het aantal meldingen bleef maar toenemen, mede dankzij het verschijnen van betere naslagwerken en meer mensen die naar meeuwen gingen kijken. Steeds meer vogelaars wisten inmiddels ook vogels in het 1ste, 2de en 3de levensjaar te herkennen.
De piek lag qua waarnemingen duidelijk in het najaar en winter, met soms enkele tientallen bij elkaar op gezamenlijke slaapplaatsen of voedselrijke plekken. De vogels bleven geleidelijk steeds langer in het jaar aanwezig. Tot in het diepe voorjaar en de zomermaanden verbleven er Pontische meeuwen in Nederland.
In meer oostelijk gelegen landen was de soort zich al in een flink tempo aan het vestigen. Via rivieren, meren en zoetwatermoerassen hadden de vogels in de jaren ’80 vanuit Oekraïne Polen bereikt. In 2005 waren daar al 500 paren aanwezig. Deze groei zette zich voort tot 2000 à 3000 paar in 2018. Intussen had de soort ook Duitsland gekoloniseerd. Het eerste gedocumenteerde broedgeval was daar in 1992; in 2019 stond de teller al op 750 paar. Het was een kwestie van tijd alvorens de soort in onze streken tot broeden zou komen.
In Nederland gebeurde dat uiteindelijk in 2012, toen een volwassen Pontisch mannetje gepaard bleek te zijn met een vrouwtje zilvermeeuw. Ze hadden samen een nest met 3 eieren op het stuw- en sluizencomplex van Amerongen (tussen de provincies Gelderland en Utrecht). Niet lang daarna in 2014 broedde het eerste zuiver paar op eiland De Kreupel in het IJsselmeer. Vanaf dat moment werd het IJsselmeergebied het middelpunt van de kolonisatie. ‘Ponten’ bleken de voorkeur te hebben voor de strekdammen (dam evenwijdig aan een oever of aan de stroomrichting van een rivier) bij Lelystad (Flevoland), waar al een kolonie zilver- en kleine mantelmeeuwen zat. Tussen deze soorten werden in 2020 27 nesten gevonden. Het betrof veelal zuivere koppels, maar ook nog een aantal mengparen. Er zaten geringde vogels tussen, die zoals te verwachten was, uit Polen en Duitsland kwamen. Elders broeden Pontische meeuwen nu ook in de noordelijke Delta en langs grote rivieren. De totale Nederlandse populatie werd in 2025 al geschat op 220-250.
Pontische meeuwen zijn net als de meeste andere meeuwensoorten, echte opportunisten. Hun voedsel zoeken ze op vuilnisbelten, in steden, op meren en ver op zee. Alleen op graslanden zie je ze eigenlijk nauwelijks. Ze zijn vaak net wat groter dan zilvermeeuwen en een stuk agressiever in een groep met andere meeuwensoorten. De lichaamslengte varieert tussen de 55 en 60 cm en de spanwijdte wisselt tussen de 138 en 148 cm.
Ook broeden ze vroeger in het seizoen, wat ze voordeel oplevert ten opzichte van de zilvermeeuw. Ze komen niet alleen voor in zoete wateren, wat eerder werd gedacht, maar worden ook geregeld op zoute wateren waargenomen. Zelfs midden op zee, tot wel 85 km van de kust weg, daar waar de zilvermeeuw zich vaak niet verder dan enkele km uit de kust waagt. Ze profiteren duidelijk van hun grootte en agressieve gedrag ten opzichte van de kleine mantelmeeuwen. Zelfs de strijd aangaan met de grote mantelmeeuw, vrezen ze niet. Door hun kenmerkende klagende, afgeknepen roep haal je ze er op geluid gemakkelijk uit tussen honderden meeuwen. Tijdens die roep houden zij geregeld de vleugels volledig open en de kop verticaal omhoog gericht (albatroshouding).
Daarnaast verschillen Pontische meeuwen ook van zilvermeeuwen en geelpootmeeuwen in structuur. Ze hebben een slank en langgerekt lichaam met een hoge borst en een langere hals. Ook een veel langer bovenbeen (tibia), waardoor ze hoger op de opvallend lange, dunne poten staan. De snavel is over het algemeen langer, slanker en rechter dan bij de andere twee soorten. Dat laatste komt doordat hij de karakteristieke diepe ‘gonyshoek’ (de knik in de onder-snavel) mist die andere meeuwen wel hebben. Het voorhoofd is wat afgeplat en de vleugels zijn ook langer dan bij de zilvermeeuw. De Pontische meeuw heeft een donkerder oog, een lichtere mantelkleur en minder felgele snavel en poten dan de geelpootmeeuw.
Pontische meeuwen worden, zoals alle grote meeuwen, in ongeveer 5 jaar volwassen en hebben elk jaar een ander kleed. Voor een gedetailleerd overzicht van de verschillende verschijningsvormen, kan je een kijkje nemen in de Nederlandse meeuwengids van Merijn Loeve en Ruurd-Jelle van der Leij.
In België worden van de geelpootmeeuw en de Pontische meeuw jaarlijks redelijke aantallen waargenomen. Voor de geelpootmeeuw loopt dit in de honderdtallen (vooral in de nazomer) en voor de Pontische meeuw in tientallen (vooral in het winterhalfjaar).
Geraadpleegde bronnen: Vogels Kijken: editie 14 – mei 2026 [Thomas van der Es]
De kleine, snelle en nerveuze dwergstern is in onze streken een behoorlijk schaarse broedvogel. Hij broedt vooral aan de kust, elders in Europa soms ook landinwaarts, op de kiezels van een rivieroever bv. Dwergsterns kiezen broedplekken uit waar veel andere vogelsoorten het – terecht – niet aandurven. Het is de strategie van deze soort om zo dicht mogelijk bij het voedsel te gaan broeden, in dit geval op het strand en angstig dicht bij de branding (vloedlijn) van de gevaarlijke zee. De dwergstern is een dappere pionier in een risicogebied.
Mei is een perfecte maand om deze vogels te spotten. Ze zijn dan pas terug uit hun overwinteringsgebieden in West-Afrika (Golf van Guinee). De gehele zomerperiode zijn ze te vinden langs de kust op een incidentele dwaler langs de grote rivieren na. Door hun klein formaat vallen ze amper op, maar als je op een zonnige dag langs de kust het hoge en rauwe ‘krie-ik’ hoort en vervolgens in de versnelling ‘kirri-kirri’, dan weet je dat er een dwergstern in aantocht is. In zijn broedkolonies is hij best lawaaierig en agressief tegen indringers.
De dwergstern is veruit de kleinste stern van Europa. Het formaat maakt de vogel eigenlijk al onmiskenbaar, maar als je hem in de kijker krijgt, vallen ook direct de typische koptekening en de snavel op. In zomerkleed hebben dwergsterns een lichtgrijze rug, een gitzwarte kop met een opvallende witte vlek op het voorhoofd. De geeloranje snavel met zwart puntje sluit andere voorkomende sternsoorten uit. De kleine, korte pootjes zijn een beetje oranjegeel. De vleugels zijn lang en puntig, wat kenmerkend is voor alle sterns. De toppen van de vleugel ogen donkerder door de zwarte buitenste handpennen. In de vlucht vallen de korte, gevorkte staart op en de helderwitte onderkant. De lichaamslengte varieert tussen 22 en 24 cm; de spanwijdte wisselt tussen de 48 en 55 cm en het lichaamsgewicht schommelt tussen 50 en 65 g.
Karakteristiek voor de soort is de manier van jagen. Dwergsterns hangen enige tijd biddend boven het wateroppervlak. Met hun relatief korte vleugels maken ze snelle slaande bewegingen. Vervolgens plonsen ze met een felle stootduik in het water. Ze hebben het vooral gemunt op kleine visjes en garnaaltjes die net onder het wateroppervlak leven. Lukt het op die ene plek niet, dan flappen ze in hoog tempo verder door.
De zone net achter de branding aan de Noordzeekust is vaak populair, maar ook plekken waar kleinere vissen (jonge sprot en zandspiering) zich dichter onder de waterspiegel wagen zijn gegeerd. Dat is vaak in overgangsgebieden tussen zoet en zout water. Dat kan bv. de uitstroom van een gemaal zijn, maar ook in haven- en sluismondingen maak je een kans om dit druk jagend sterntje op te merken. Af en toe zie je je ze even rustend op een dammetje, een paaltje of een haakwal (een lang de kust afgezette zandrug haaks op de stroomrichting).
Wat betreft de broedlocaties hebben dwergsterns een sterke voorkeur voor zout- en brakwatermilieus. In Nederland zijn alle Waddeneilanden en de Zuidwestelijke Delta ideale broedgebieden. Het liefst kiezen ze voor buitendijkse locaties, zoals op het strand tussen de schelpen. Daar is broeden vaak gedoemd te mislukken. Bijna alle stranden zijn net tijdens het broedseizoen het domein van sporters, wandelaars en andere recreanten.
Soms lukt het een stukje strand af te zetten met touwlijnen en leidt dat tot daadwerkelijk succes. De laatste jaren zijn er ook succesvolle inrichtingen geweest van broedgebieden binnendijks. Afgelegen stranden zoals op ‘de Hors’ (een uitgestrekte ruige zandvlakte) op Texel, ‘de Vliehors’ (gigantisch grote zandvlakte van 24 km²) op Vlieland of ‘de Koffiebonenplaat’ (dynamische zandplaat in het natuurreservaat ‘de Boschplaat’) op Terschelling. Deze broedlocaties zijn vaak het minst kwetsbaar voor verstoring, maar een fysieke afbakening is altijd een extra noodzakelijke maatregel om de rust te waarborgen.
Binnendijkse broedplekken vinden we op een paar locaties in Nederland. Misschien de bekendste – in het Zeeuwse Walcheren, ten noorden van Westkapelle – is het omvangrijk plas-dras-gebied, ‘Noordervroon’ ingericht met lage eilandjes en droge schelpen.
In de winter wordt het waterpeil hoog gehouden om potentiële predatoren zoals de bruine rat op afstand te houden. Vanaf deze eilandjes kijken de vogels richting de zeedijk, waar ze slechts overheen hoeven te vliegen om op jacht te gaan. Dat is een belangrijke vereiste voor de dwergsterns; ze willen broeden op maximaal 2.5 km afstand van hun voornaamste voedselgebied. Als dat broeden dus niet op het strand kan, mag het ook binnendijks, maar dan wel op aanvaardbare afstand van de zee. In het Noordervroon halen de dwergsterns wisselend succes. Zeeland kent namelijk al enige jaren behoorlijk veel predatie door roofdieren, zoals de vos.
Bizar is het verhaal uit 2025, toen niet een vos, reiger, zwarte kraai of grote meeuw impact had op het broedsucces, maar een aantal meerkoeten, die de eieren om een onverklaarbare reden, stuk pikten. Of dit een eenmalig incident is of een nieuwe trend, moet nog blijken.
De afgelopen jaren broeden dwergsterns met wisselend succes in het zoete domein, de ‘Marker Wadden’. Ook hier in dit soort aangelegde natuurgebieden, moet je de omstandigheden uit het prille begin zien te handhaven, wens je het aantal broedende dwergsterns te behouden.
Voor dwergsterns in Nederland zijn er tal van zaken die bepalend zijn voor het slagen van het broedseizoen. In Texel ligt zo’n broedlocatie bv. in de monding van de Slufter. Tijdens najaarsstormenbuldert het zeewater binnen en uiteindelijk weer naar buiten. Dit is een landschapsvormend proces dat niet alleen goed is voor het hele getijdengebied, maar ook voor de pionierende dwergsterns. Het water zorgt voor de nodige ‘reset’ en maakt dat delen van het stroomgebied vrijwel permanent kaal blijven. Het zeewater brengt ook schelpdieren mee en zet die af op hoge zandruggen. De losse kleppen van kokkels, zaagjes en tapijtschelpen zijn het perfecte ‘broedbed’ voor dwergsterns.
Van eind april tot begin mei begint het broedseizoen. Met waarschuwingsbordjes, voorlichting en met gerichte handhavingsacties tracht men de menselijke betreding tot een minimum te beperken, ook om een kettingreactie te voorkomen. Als een wandelaar of een hond voor verstoring zorgt, grijpen de opportunistische meeuwen hun kans omdat de pulletjes of eieren dan voor het oprapen liggen.
Het spannendste zijn de dagen met een lente- of zomerstorm. Als die gepaard gaat met springtij, kan dit tot een regelrechte ramp leiden. Zeker als bij een late vestiging in mei er geen tweede broedpoging plaatsvindt, is het broedseizoen dat jaar totaal mislukt.
Meer dan eens hangt het leven van de nakomelingen aan een zijden draadje, maar wie de waaghalzerij van zijn ouders overleeft, zal later hetzelfde lef opbrengen en op zijn beurt in risicogebieden broeden.
In Vlaanderen spot je de dwergstern voornamelijk aan de kust. Het Zwin in Knokke-Heist is de bekendste vaste broedplaats. Ze broeden er op speciaal aangelegde broedeilanden. In het Vinne (Zoutleeuw) worden ze soms tijdens de vogeltrek waargenomen. In havengebieden duiken ze sporadisch op in industriële havendokken met geschikte zand- of grindvlaktes.
De kleine jager, een behendige, snel vliegende piraat
Geraadpleegde bron: Knack: Beestenboel: de kleine jager [Dirk Draulans]
Er is niet alleen een kleine jager, maar ook een grote. Meer zelfs, er zijn ook middelste en kleinste jagers. De grootteverschillen tussen de 4 soorten zijn wel minder opvallend dan hun namen suggereren. De kleine jager is als het ware de sleutelsoort om de andere soorten jagers te onderscheiden.
Het voornaamste onderscheid zit in de vorm van de staart. Bij de grote jager is die min of meer normaal. Bij de kleine zijn twee van de middelste spitse staartpennen een beetje verlengd. Bij de middelste zijn die nog wat langer én gedraaid en bij de kleinste zijn ze het langst.
De kleine jager, verreweg de meest voorkomende, komt vooral in twee kleurvormen voor: een donkere en een lichte. Hij heeft een bruine rug, een grijsbruine of gelige borstband, een donkere kap en een blauwige snavel met een zwarte punt. De onderkant is doorgaans vuilwit. In alle kleden heeft die opvallende, witte handpenvlekken, vooral op de onder-vleugels. De acrobatische vlucht waarbij de lange spitse vleugels snelle vleugelslagen en plotselinge koerswijzigingen toelaten, doen denken aan het vliegpatroon van de slechtvalk. De lichaamslengte varieert tussen 37 en 44 cm: de spanwijdte wisselt tussen 105 en 115 cm en het lichaamsgewicht schommelt tussen de 380 en 600 g. De meest gehoorde roep is een nasaal, miauwend ‘ie-ah’, die tijdens de balts meerdere keren wordt herhaald. Bij alarm weerklinkt de korte kreet, ‘pjoew’.
Jagers zijn meeuwachtige zeevogels en worden wel eens roofmeeuwen genoemd, vanwege hun kleptomane foerageertechniek. Ze vallen – vaak met z’n tweeën – visetende vogels, zoals meeuwen, sternen en alken, in de vlucht lastig totdat die de prooi, die ze net vingen, weer loslaten of uitbraken – om van hun gedoe verlost te zijn. De buit wordt doorgaans door de behendige jagers nog tijdens zijn val in de lucht opgepikt. Dit is stelend parasitisme dat zelfs menselijke waarnemers zenuwachtig kan maken door zijn hardnekkigheid. Zodra een jager een aanval heeft ingezet, lijkt er geen ontkomen meer aan. Vooral sternen zijn begeerde slachtoffers, omdat ze het sneller opgeven dan meeuwen.
Er zijn aanwijzingen dat het voorkomen van kleine jagers in ons deel van de Noordzee afhangt van het aantal pleisterende sternen, dat op zijn beurt wordt bepaald door de hoeveelheid beschikbare vis. De kleine jager is veruit de talrijkste in onze contreien. Hij wordt vooral tijdens de najaarstrek langs kuststroken en op zee gezien. De vogels kunnen voor hun overwintering tot boven de Zuidelijke Oceaan vliegen. Ze volgen daarbij sternen, die hetzelfde traject afleggen, zodat ze onderweg kunnen ‘picknicken’.
Op het menu staan naast geroofde vis, zoogdieren zoals lemmingen, woelmuizen, maar ook zangvogels, jongen van steltlopers, eieren. Uitzonderlijk zoeken ze wormen, insecten en bessen.
De kleine jager broedt op IJsland, in Scandinavië, Noord-Schotland op kustvlaktes en eilanden of op hoogvenen in het binnenland. Eens in zijn broedgebied maakt deze acrobatische vogel snelle, duikende baltsvluchten hoog in de lucht. Indien mogelijk maken jagers hun nest (een ondiep kuiltje in mos of veen) in de toendra of op noordelijke hoogvlakten met heide, in de buurt van meeuwen- en sternenkolonies. Het enige legsel, tussen mei en juni, levert meestal twee eieren op. De broedduur telt 26 tot 27 dagen en na 26 tot 30 dagen zijn de jongen vlieg-vlug.
De populaties van kleine jagers gaan achteruit. Plaatselijk is hun bestand zelfs al met 80 % gekelderd. Ze volgen daarmee de trend van andere zeevogels, die het door de klimaatopwarming moeilijk krijgen om voldoende vis te vinden, binnen redelijke afstand van hun broedkolonies. Als vispopulaties onder druk van de klimaatopwarming naar het noorden opschuiven, kunnen broedvogels niet altijd volgen omdat er niet overal kliffen of bruikbare broedplekken beschikbaar zijn.
Toch wordt, volgens het vakblad ‘Bird Conservation International’, de kleine jager globaal niet als bedreigd beschouwd. In onder meer Rusland zijn er grote toendrapopulaties, waar de vogels voldoende zoogdieren als prooi te pakken kunnen krijgen. Zoals voor veel predatoren bieden knaagdieren ook hier een reddingslijn voor overleving.
Geraadpleegde bronnen: Vogels kijken editie 10 sept 2025 [Thomas van der Es] – Knack Focus 2019 [Manu De Hauwere (FIR)]
In 2016 gebeurde waarover vogelaars en natuurbeschermers al decennia speculeerden: de visarend vestigde zich als broedvogel in Nederland. Inmiddels is de visarend terecht uitgegroeid tot een icoon van visrijk water langs de grote rivieren. Ook internationaal is het geen onbekende verschijning. Het is namelijk een soort die in alle werelddelen, behalve Antarctica tot broeden komt. In cactusbomen in Mexico, hoogspanningsmasten in Duitsland en langs klifkusten in Australië: het is een echte wereldburger.
In meerdere opzichten is de visarend een unieke roofvogel. Het is een superspecialist die eigenlijk alleen maar vis eet. Hij is geen directe familie van andere roofvogels of arenden. Er zijn wereldwijd 4 ondersoorten in het geslacht Pandion. Sinds 2008 wordt de oostelijke visarend Pandion cristatus door sommige wetenschappers als aparte soort beschouwd.
Het gedrag en uiterlijk van de soort zijn opvallend. De bovendelen van de vogel zijn donkerbruin en de onderdelen contrastrijk licht tot wit. De vleugels zijn behoorlijk ‘meeuwachtig’ slank, hoekig en spits. Aan de hand – de top van de vleugel – zijn markante ‘vingers’ te zien. De kop is relatief klein.
Als visarenden aan het jagen zijn, is dat overduidelijk. Ze hangen dan stil boven het water te bidden. De kop is daarbij vaak omlaag gericht en de klauwen hangen. Bij een jachtpoging duikt de vogel met zijn poten gestrekt en klauwen vooruit in het water. De poten zijn uitgerust met vlijmscherpe nagels die als vishaken de prooi doorboren. Voor het uit het water halen van de buit hebben de vogels baat bij de rubberachtige pootstructuur met stekels. Visarenden kunnen volledig onder water verdwijnen om grote prooien binnen te halen.
Het favoriete voedsel zijn windvoorns, brasems, ruisvoorns en baarzen. Volwassen vogels kunnen zware vissen uit het water torsen, maar soms verkijkt een visarend zich op het gewicht en moet hij de prooi loslaten. Als dat tenminste lukt, want die efficiënte grijptechniek is zo vernuftig dat er op internet filmpjes staan van visarenden die niet meer boven water komen en verdrinken. Ze worden dus slachtoffer van hun eigen perfect gereedschap.
Halverwege de vorige eeuw ging het heel slecht met de visarenden in Europa, een trend die overigens bij veel roofvogels speelde. Er was veel roofvogelhaat, wat gepaard ging met eierroof en jacht. Ook had deze soortgroep extra veel last van pesticiden uit de landbouw. Rond de jaren ’80 leverden een betere bescherming en het verbod op DDT directe winst op voor de Europese populatie.
Bovendien zetten natuurbeschermers zich in om visarenden in potentiële broedgebieden aan te trekken. Ze plaatsten grote korfvormige nesten op palen en hoogspanningsmasten. De nesten werden voorzien van nestvoering en takken. Daarna werden ze ‘beklad’ met wit krijt, alsof er recent een visarend op had zitten poepen. Vooral in Duitsland leverde dit grote successen op. Daarenboven zorgde het er ook voor dat visarenden niet zelf in gevaarlijke hoogspanningsmasten gingen bouwen. Voorkomen is beter dan …
Nog steeds kan je met name in Oost-Duitsland, in de omgeving van National Park Müritz (in het Mecklenburger-gebied, 160 km boven Berlijn) veel visarenden zien op kunstnesten. Rondom dit merengebied broeden tientallen vogels in een soort kolonieverband. Ze kunnen elkaar wel zien maar zitten soms wel op kilometers afstand van elkaar.
Ook in Nederland probeerden boswachters en natuurbeschermers de truc met de kunstnesten uit. Eind jaren ’90 plaatsten ze kunstnesten in hoogspanningsmasten in de Brabantse Biesbosch. Dat leverde helaas geen succes op, maar slechts één broedende aalscholver en een paartje Nijlganzen.
In het Nationaal Park de Biesbosch gebeurden de afgelopen decennia wel fantastisch nuttige ingrepen. Grote stukken polderland veranderden in wetlands, in het kader van ‘Ruimte voor de Rivier’. Ondiepe geulen en slenken zijn een paradijs voor grote vissen. Die trekken in het vroege voorjaar vanaf de rivieren die waterrijke gebieden in om te paaien. Vroeg in het voorjaar verschijnen eerst de brasems, maar later ook karpers. Roofvissen zoals snoekbaars zitten vaak wat dieper, maar komen mee met intrekkende vis de gebieden in. Toen het natuurgebied aantrekkelijker werd voor vissen, nam ook het aantal pleisterende, voorbijtrekkende en later zelfs overzomerende visarenden toe.
In 2014 werd het voor het eerst echt spannend. Toen ontdekte men in een lage hoogspanningsmast een druk bouwend paartje visarenden. Met hoge fluittonen trokken ze non-stop de aandacht. Er was duidelijk sprake van baltsgedrag. Het was echter al hoogzomer, dus dat jaar zou dat niet tot broeden leiden.
Het volgende jaar trof men opnieuw overzomerende visarenden aan, wat opnieuw voor hoge verwachtingen zorgde. Het was echter wachten tot 2016, toen in het voorjaar een vogel terugkeerde met een zwarte kleurring die als nestjong was geringd in het Duitse Maagdenburg. Deze Duitse visarend sloeg een vrouwtje aan de haak (figuurlijk dan) en samen zorgden ze voor het eerste Nederlandse broedgeval. Er vloog in augustus van dat jaar een jong uit. In datzelfde jaar vestigde zich een extra paar in het domein en de jaren daarop volgden er tot 5 verschillende broedparen.
Het mannetje dat sinds 2014 in de Biesbosch rondhangt, heeft een behoorlijk aandeel geleverd wat betreft de aanwas voor de Nederlandse populatie. De vogel kwam steevast rondom 25 maart in Nederland en was vaak ook een van de eerste visarenden die hoe dan ook werden gezien bij onze noorderburen. Vanaf 2016 tot en met 2025 heeft deze vogel maar liefst 23 jongen grootgebracht. De meeste jaren gebeurde dat in een boomnest, maar boomnesten in de Biesbosch kennen risico’s. Met een flinke storm kan zo’n nest makkelijk uit de boom waaien, wat overigens meermaals gebeurde.
Bovendien zit er recentelijk een behoorlijk grote populatie boommarters in het gebied. En een gevaar dat vroeger ook niemand zag aankomen: de laatste twee jaar pikte een brutale grote Canadese gans het nest in. Dit was allemaal te volgen via de camera’s van ‘Beleef de Lente’ van Vogelbescherming Nederland. Bovendien waren er rondom dit beroemde paartje visarend geregeld conflicten met andere roofvogels, want in de Biesbosch broeden sinds 2012 ook een aantal paartjes zeearend.
Komt de visarend ook in Vlaanderen?
Het Midden-Limburgs vijvergebied, ook bekend als de Wijers, lijkt uitermate geschikt voor visarenden daar het rijk is aan visvijvers. Al in 2001 werd er een kunstnest voor visarenden geplaatst op hoge palen. Het was een initiatief van de provincie Limburg in samenwerking met het Fonds voor de Instandhouding van Roofvogels (FIR).
Het is geleden van in 1946 dat er visarenden in Vlaanderen poogden te broeden. Dat was toen in het Oost-Vlaamse Aalter, waar beide nest-bouwende vogels zouden zijn afgeschoten. Verdelging van roofvogels was in die tijd schering en inslag.
Gelukkig zijn de tijden veranderd en staat het FIR symbool voor de nieuwe houding van de samenleving ten opzichte van roofdieren. Zo zorgde het FIR voor de geslaagde terugkeer van de slechtvalk door het plaatsen van broedbakken in vooral kerken en op industriële sites. Van overal in Vlaanderen komen en er nu meldingen binnen van jonge slechtvalkjes die uit het ei zijn gekropen en via webcams door geïnteresseerde burgers kunnen worden opgevolgd.
Het nest in Midden-Limburg is voor zover bekend, het enige dat tot dusver interesse van de soort heeft kunnen wekken. In 2014 was er een eerste kortstondige poging tot nestbouw maar de vogels waren ook toen al snel weer weg. In 2016 waren er net als in 2019 nestactiviteiten en paringen, maar ook toen hebben de vogels het nest ineens verlaten.
We weten uit ervaringen in Frankrijk dat het cruciaal is dat de vogels, als ze een nieuwe broedplek koloniseren, echt met rust dienen gelaten, zo merkt Manu De Hauwere op. Eenmaal ze ergens met succes hebben gebroed, worden ze minder gemakkelijk verstoord. Daarom verdienen de roofvogels van deze eerste broedpoging extra bescherming en extra rust. De Hauwere denkt niet aan een bewuste verstoring door viskwekers in de regio, omdat er geen aanwijzingen zijn dat die problemen zouden hebben met een koppel visarenden.
Hij maakt zich wel zorgen over de mogelijkheid dat natuurbeheerders de vogels – al dan niet bewust – hebben verstoord. Het gaat dan specifiek om mensen die werken voor het Agentschap Natuur en Bos (ANB), dat het Vlaamse natuurbeleid te velde moet concretiseren. Iemand van ANB beweerde overigens dat de visarend voor hem geen doelsoort is. Zij zetten in het vijverlandschap alles op de roerdomp en het woudaapje, twee zeldzame kleine reigersoorten uit rietkragen. Daar heeft het FIR uiteraard geen probleem mee, maar het zou toch jammer zijn dat er als gevolg daarvan geen visarenden in de regio mogen broeden. Trouwen op geen enkele manier vormen visarenden een bedreiging voor de reigertjes.
Het FIR noemt het opvallend dat het ANB in 2014 net op het ogenblik dat de visarenden op het kunstnest waren toegekomen, vlak in de buurt beheerwerken begon uit te voeren. In 2019 stelde men vast dat iemand broedvogeltellingen uitvoerde op een voor bezoekers verboden pad dat bijna pal onder de broedlocatie van de visarenden liep. De dag na het vertrek van de visarenden, begon in opdracht van het ANB een mobiele kraan, niet ver van het nest, sloten vrij te maken van begroeiing.
Het zou niet de eerste keer zijn dat diverse groepen natuurbeheerders met elkaar in de clinch gaan over keuzes die moeten worden gemaakt. Maar het zou verontrustend zijn, mochten sommige mensen in de natuurbeweging niet bereid zijn inspanningen te leveren om de visarend opnieuw als broedvogel naar Vlaanderen te halen. Daarvoor is de soort véél te iconisch. Het is natuurlijk evenmin uitgesloten dat individuen – vissers bv. – actie tegen de dieren hebben ondernomen. Er zijn veel visarendenhaters in de wereld van de vissers, die alles wat (ook) vist als concurrenten beschouwen.
Er wordt overwogen om voortaan permanente camerabewaking van het nest en zijn omgeving te voorzien. Het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) publiceerde in 2025 zelf nog een advies over geschikte nestpalen langs de Schelde, Durme en Rupel, wat aangeeft dat men de komst van een broedpaar realistisch acht.
De bosrietzanger, determineer je gemakkelijker op zang dan op visuele kenmerken
Geraadpleegde bronnen: Vogelbescherming Nederland – Readers Digest Veldgids – ANWB Vogelgids – Vogels van Europa (Capitool Natuurgids) – Alle vogels van Europa
Als een van de laatste zomervogels arriveert in onze regio’s de bosrietzanger. Hij komt pas vanaf half mei binnen uit Oost-Afrikaanse overwinteringsgebieden. Denemarken vormt de uiterste noordwestengrens van zijn verspreidingsgebied. In het Verenigd Koninkrijk komt de soort enkel in het uiterste zuiden van Engeland voor.
Zoek de bosrietzanger vooral in vochtige ruigten met hoge wetlandvegetatie en in droge rietstroken met veel brandnetels en wilgenroosjes, dichte bedden met schermbloemigen, doorgaans wel in de buurt van water (sloten). De bosrietzanger is een uiterlijk sterk op de kleine karekiet gelijkende vogelsoort, die wel minder gebonden is aan rietkragen.
De soort heeft ongeveer het hoogste broedsucces van alle zangvogels (65%). Uit onderzoek is gebleken dat bosrietzangers veel Afrikaanse vogelsoorten imiteren, waarvan ze de zang hebben opgepikt tijdens hun eerste overwintering in Afrika.
Van dichtbij zijn subtiele kenmerken: de kortere, dikke, bleke snavel met donkere bovenrand, de duidelijke dunne, witte oogring; de bleke wenkbrauwstreep, de iets meer olijfbruine bovendelen (ten opzichte van de geelrode tint bij kleine karekiet), de lange, donkere vleugelveren met scherpe, bleke rand, de lichtgele tot vuilwitte getinte onderzijde en flanken, de iets rondere kopvorm met een hoekig achterhoofd, de afgeronde grijsbruine staart en de geel-roze poten (grijs bij de kleine karekiet). De lichaamslengte (van kop tot staart) reikt tot 13 cm; de spanwijdte varieert tussen 18 en 21 cm en het lichaamsgewicht schommelt tussen de 11 en 15 g
Mannetjes zingen meestal vanuit verborgen zangposten in de struiken of vanop hoge, dichte gewassen, vaak tijdens de avondschemering. Het basispatroon van de zang is vloeiend, soepel en energiek. Het lied is zeer gevarieerd en bestaat uit lange zangstrofen met kanarieachtige rollers en trillers, doorspekt met tal van imitaties en in een hoog tempo geproduceerde ratels en fluittonen. Tempowisselingen en versnellingen zijn typisch. Sommige bosrietzangers kunnen tot 100 andere vogelsoorten nabootsen.
Op een acrobatische wijze foerageert de bosrietzanger in de dichte vegetatie. Hij klimt naar boven om insecten, spinnen en wat slakjes en soortgelijke prooitjes op stengels weg te pikken om zich dan prompt verticaal uit het zicht te laten vallen. De vlucht is direct, licht en zelfverzekerd, soms met behendige manoeuvres, van links naar rechts zwaaiend.
De bosrietzanger broedt in natte struikachtige gebieden, speciaal bij of boven water, maar ook in vochtige en overwoekerde sloten en heggen bij groeiend gewas, zoals koninginnenkruid, kattenstaart, fluitenkruid, moerasspirea, riet en enkele (wilgen)bosjes.
Bosrietzangers bouwen een diep komvormig nest van gras en slanke twijgen, dat met een soort ‘hengsels’ aan riet-, wilgenroosje- of brandnetelstengels hangt. De ondersteunende stengels steken niet door het nest heen, maar zitten er wel stevig aan vastgebonden via plantenvezels.
Eind mei, begin juni tot en met juli wordt één legsel van 4-5 eieren geproduceerd. De jongen verschijnen na circa 12 dagen. Ze worden door beide ouders met insecten gevoerd en vliegen na 12-14 dagen uit.
Deze soort wordt soms door de koekoek geparasiteerd.Elk jaar begin juli worden door mama koekoek wel 10 tot 25 eieren rondgebracht. In elk nest legt ze er maar één, dat meestal een beetje op de eieren lijkt, die reeds in het nest liggen. Wellicht de reden waarom de pleegmoeder vaak onverstoorbaar het legsel blijft bebroeden. Omdat de koekoek gebruikt maakt van een ander nest ten koste van andere vogeltjes, krijgt die de stempel ‘broedparasiet’. De gastouder die het vreemde ei in haar nestje aantreft, het uitbroedt en daarna het kuiken voedt, is de waardvogel. Het lijkt erop dat moeder koekoek het vaakst de kleine karekiet en de heggenmus als waardvogel uitkiest. Andere zangvogels die nogal eens een koekoeksei cadeau krijgen, zijn bv. de bosrietzanger, de gekraagde roodstaart, de graspieper, de rietzanger, de tuinfluiter en de witte kwikstaart.
Omdat spotvogel en bosrietzanger beiden zo’n talentrijke imitators zijn van zoveel diverse vogelzangriedels, kunnen de volgende markantste verschilpunten je wegwijs helpen om ze toch proberen uit elkaar te houden.
De bosrietzanger heeft een warm bruin tot grijsbruin, vrij egaal verenpak, een KBV zeg maar. De spotvogel daarentegen heeft een duidelijk olijfgroene bovenzijde en een citroengele onderzijde. Vaak opvallend frisser van kleur, dus.
De bosrietzanger heeft een relatief kortere, dikkere en stevigere snavel. De spotvogel heeft een langere, spitsere snavel, die wat eleganter oogt.
De bosrietzanger heeft een compacte bouw, een ronde kop en lijkt wat gedrongener. De spotvogel is langer en slanker en neemt vaak een iets horizontalere houding aan.
De bosrietzanger heeft vaak licht geel-roze of vleeskleurige poten. De spotvogel heeft doorgaans grijze poten.
De bosrietzanger heeft kortere vleugels. De spotvogel heeft opvallende langere vleugelpunten (lange handpenprojectie).
Wat de zang betreft heeft de bosrietzanger een snelle, vloeiende bijna ‘sprankelende’ aaneenschakeling van imitaties; bij de spotvogel klinkt de zang luider, steviger met typische wat schurende of ketsende uithalen.
Nog een kleine veld-tip: wanneer je in mei-juni langs ruige struwelen in een vochtige biotoop loopt en je hoort een waterval van geluiden zonder veel pauzes, denk dan eerder aan een bosrietzanger. Zit er tussendoor een wat harder, scherper of schurender accent en oogt de vogel frisser geelgroen, dan komt spotvogel snel in beeld.
Geraadpleegde bronnen: Vogels van Europa – Readers Digest veldgids – ANWB Vogelgids – Vogelbescherming Nederland – Vogels Kijken – Ecopedia
Het leefgebied van de spotvogel strekt zich uit van de Noordzee oostwaarts tot in Centraal Siberië. Het broedgebied wordt begrensd door de 50°- 60° NB-meridianen. De spotvogel ontbreekt in Groot-Brittannië, Ierland en Zuidwest-Europa. De grootste populatie-aantallen treft men aan in Wit-Rusland, waar veel geschikt leefgebied te vinden is. De spotvogel is bij ons een talrijke broedvogel en zomergast. Hij komt pas laat – mei of begin juni – van zijn winterkwartieren in tropisch Afrika terug en eind juli vertrekken de eerste alweer.
De spotvogel heeft een vrij grote, platte kop (vaak met opgerichte kruinveren), een korte, recht afgesneden staart en een brede snavelbasis, die alleen onderaan goed te zien is. Van opzij ziet de oranjeroze snavel met donkere rand er sterk, lang en recht uit. De vage geelwitte wenkbrauwstreep is weinig opvallend. De bovenkant is grijsgroen met donkerdere vleugels en staart. Lichte veerzomen aan de handpennen, die ver voorbij de tertials (de binnenste armpennen) uitsteken, zorgen voor een licht vleugelveld op de lange vleugels. Aan de onderkant is de vogel bleek citroengeel van kin tot staart (wel witte onder-staart) en zijn de poten loodgrijs. De lichaamslengte reikt tot 13.5 cm; de spanwijdte varieert tussen 20 en 24 cm; het lichaamsgewicht schommelt tussen de 10 en 14 g.
De roep is een levendig drielettergrepige ‘da-da-LUUIET’ of een smakkend ‘tek’ en bij opwinding ‘te-te-te-te’ in korte reeksen. De karakteristieke uitbundige en krasserige zang, die lijkt op deze van de bosrietzanger is een luid, snel, langgerekt en gevarieerd kwelen, doorspekt met imitaties van andere vogelsoorten. Toch zijn het niet zomaar identieke nabootsingen. Hij bewerkt en varieert de motieven, nu eens versnellend, dan weer combinerend. Frappant is dat de typische roep ‘da-da-LUUIET’ geregeld in de zang wordt verweven. Kenmerkend ook zijn de steeds terugkerende nasale, schrille tonen, zoals bv. ‘ghèh-glèh-glèh’. De herhalingen (vaak 2-4) komen vaker voor dan bij de bosrietzanger en het tempo is beduidend lager.
De typische broedhabitat van de soort omvat halfopen biotopen met struiken, boomgroepjes en enkele verspreide bomen of oude aanplantingen met rijke ondergroei in vochtige veengronden (zompige gebieden). De spotvogel broedt vanaf begin – half mei tot juli. Het stevig gebouwd nest is een diepe kom, omhuld door korstmossen en sterk verweven stengels en twijgjes, binnenin bezet met wol en bloemetjes. Het bevindt zich meestal verborgen tussen de bladeren in een boom of dichte struik, hangend aan een gevorkte boomtak.
Er is slechts één legsel per jaar met 4 tot 5 glanzende, licht of dof purperachtige-roze eieren, schaars gespikkeld en gevlekt, die beide ouders bebroeden. De jongen verschijnen na 12-14 dagen en 2 weken later kunnen ze vliegen. De jongen worden nog 2 tot 3 weken gevoerd.
Spotvogels voeden zich vooral met kleine insecten, hun larven en spinnen, maar ze pikken ook graag aan zacht fruit en eten in de herfst tevens bessen. De jongen worden voornamelijk gevoed met rupsen, die de ouders van de bladeren plukken, maar ook in vlucht kunnen ze insecten vangen.
De beschikbaarheid van het ‘vroegere’ landbouwgebied, met hagen en houtwallen, bosranden met mantel- en zoomvegetatie neemt steeds verder af. Of dit ook de reden is voor de terugloop van het aantal broedende spotvogels, kan nog niet met zekerheid worden bepaald.
De spotvogel is een lange-afstand- en nachttrekker. Hij vertrekt al eind juli, begin augustus en aan het einde van de oogstmaand zijn bijna alle spotvogels uit onze streken vertrokken. Hij overwintert ten zuiden van de evenaar tot in het zuidelijke Afrika toe. Eind februari – begin maart vertrekt hij opnieuw naar het noorden om hier begin mei aan te komen.
De aantallen spotvogels in Vlaanderen zijn al sinds de jaren ’80 in vrije val en bij de herziening van de Rode Lijst werd de soort dan ook onder de categorie ‘Bijna in gevaar’ geplaatst. Hoewel de afname na 2004 aanvankelijk leek door te zetten, ontbreekt het in Vlaanderen momenteel aan goede cijfers om dit te staven. De soort is namelijk te schaars geworden om nog te worden opgepikt in het ABV-meetnet. Het ABV-project (Algemene Broedvogels Vlaanderen) is een meetnet van 1200 kilometerhokken verspreid over het Vlaams Gewest. Die vaste hokken worden 3 keer per jaar geïnventariseerd tijdens het broedseizoen. De coördinatie van het project en de rapportering naar regionale, nationale en internationale overheden gebeurt door het INBO (Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek) terwijl Natuurpunt instaat voor de coördinatie van het vrijwilligersnetwerk. Tot 2017 was hiervoor een aparte broedvogeldatabank en webapplicatie beschikbaar, maar vanaf 2018 werd het project geïntegreerd in www.meetnetten.be (als apart meetnet).
Erg recent wijzen de weinige regionale gegevens tenminste lokaal op een voorzichtig herstel. Op het Groot Schietveld te Brecht / Wuustwezel nam de soort toe van 17 broedparen tot 29 in de periode 2018-2019. Nochtans slaagt de spotvogel er voorlopig niet in om zich te vestigen in grootschalige natuurontwikkeling zoals in het kader van het Sigma-plan te Kruibeke-Bazel-Rupelmonde. Ook elders in Europa vergaat het de soort overwegend slecht. In het zuidelijke deel van z’n areaal is concurrentie met de naar het noorden opschuivende Orpheusspotvogel mogelijk deels een verklaring, maar in Vlaanderen speelt die concurrentie nog nauwelijks.
De bosruiter, de kleinste ruiter onder de steltlopers
Geraadpleegde bronnen: Vogelbescherming NL – Alle vogels van Europa – ANWB-gids – Vogels kijken – Ecopedia
Buiten de broedtijd vertoeft de bosruiter het liefst in ondiepe zoetwaterplassen en in lage moerasvegetaties met plasjes langs meren, natte heide en hoogvenen, vennen, ondergelopen grasvelden, drinkpoelen voor vee.
In de broedtijd verkiest hij natte heiden en vennen in bosrijke gebieden, open taiga, struiktoendra. Je treft hem nooit aan op een open wad, wel in zoute kreken. Dan verblijft hij in Noord- en Centraal Europa: Schotland, Scandinavië, Baltische staten, Wit-Rusland, Oekraïne en verder in het oostelijk Siberië en het noordoostelijke China.
De soort verschijnt in ons land uitsluitend op de doortrek. Hij is duidelijk minder gedrongen dan de grotere tureluur en groenpootruiter. Bosruiters zijn nooit in grote groepen te zien, zoals bv. wel grutto’s en kemphanen die soms met honderden bij elkaar rusten of samen foerageren.
Het is een vrij kleine maar fraaie steltloper met lange, okergele tot geelgroene poten. De lichaamslengte reikt tussen de 19 en 21 cm; de spanwijdte varieert tussen de 36 en 40 cm en het lichaamsgewicht schommelt tussen de 50 en 90 g. De nerveuze, rumoerige steltloper heeft een rond lichaam en een slanke nek. Bij opwinding wipt hij als de oeverloper de kop en staart op en neer, maar minder opvallend dan de witgat. Het kenmerkend gevlekt, donkerbruin patroon op de bovendelen vertoont witte stippen, die vooral bij fel zonlicht goed opvallen. Markant ook is het vaag patroon op de onderzijde met fijne grijze strepen op de keel en borst die overgaan in een witte buik, met nog enige tekening op de flanken. De bosruiter heeft een witte stuit met een fijn gebandeerd staarteinde. Karakteristiek ook is het krachtig koppatroon met een lange witte wenkbrauwstreep vanaf de middellange snavel (teugel), boven en tot achter het oog (oorstreek). Hij vliegt doorgaans in schijnbaar willekeurige richting op en bereikt snel een grote hoogte, waarbij hij scherp roept ‘tjief-ief-ief …’ In de vlucht zie je zijn voeten voorbij de staart steken en merk je de lichtgrijze ondervleugels. Bij de alarmroep hoor je een langdurig, scherp‘ghip-ghip-ghip’. Tijdens de balts cirkelen beide geslachten boven hun nestgebied met een ritmische, fluitende en jodelende zang, die klinkt als ‘tieLUUL-rieLUUL-tieLUUL-tieLUUL’
Hij foerageert langs de rand van ondiep zoet water of in moerassen en eet wormen en insecten(kevers, wanten, muggen). Buiten de broedtijd is het menu gevarieerder en worden ook spinnen, kreeftjes, slakjes, kleine visjes, kikkertjes, ook zaden gegeerd. Eigenlijk is hij een zoetwatervogel die niet op open zeekusten voorkomt.
De bosruiter is territoriaal en monogaam. De legtijd vindt plaats in mei tot midden juli. De nesten, kuiltjes in de grond en spaarzaam bekleed, liggen tussen verspreide bomen of op open hoogvenen, vaak op een lichte verhoging. Soms kiest de steltloper voor oude nesten van lijsters. Het gebruikelijke legsel van 4 eieren komt uit in 22 – 23 dagen. De jongen worden aanvankelijk door beide ouders verzorgd, maar het vrouwtje verlaat het gezin meestal vóór het uitvliegen van de juvenielen, die na 28 tot 30 dagen vliegvlug zijn.
De bosruiter is een lange-afstand- en breedfronttrekker met bestemming Afrika ten zuiden van de Sahara. Kleinere aantallen overwinteren rondom de Middellandse Zee. De najaarstrek naar de overwinteringsgebieden grijpt plaats van juli tot september; de voorjaarstrek tussen april en mei, vooral ’s nachts en vaak in groep.
Bosruiters profiteren van de ontwikkeling van natte natuurgebieden, van plasdras en hoogwatersloten en van de natuurlijke dynamiek van riviersystemen. Een gunstige beheermaatregel voor de soort is het in stand houden van ondiepe plassen, bv. door overstromingsgebieden te creëren in weiland. Ook het herstel van natuurlijke oevers (met veel slik) of het in stand houden ervan langs rivieren komt deze soort ten goede.
Hij is een van de weinig courante vogels in onze leefomgeving die niet voorkomen in de Belgische Vogelatlas van 1972 van graaf Léon Lippens en Henri Wille. Het zegt veel over het succesverhaal dat de Cetti’s zanger de voorbije halve eeuw heeft geschreven.
In de 18de eeuw was het gebruikelijk om nieuw beschreven soorten te vernoemen naar wetenschappers of ontdekkers. Het vogeltje ontleende haar naam aan de Italiaanse natuuronderzoeker en jezuïet, Francesco Cetti (1726 – 1778) die de na tuur in Sardinië bestudeerde. Zijn verovering van West-Europa vanuit het Middellandse Zeegebied ging echter niet zonder slag of stoot. Hij had meerdere pogingen nodig om hier poot aan de grond te krijgen.
De eerste waarnemingen in ons land dateren van eind jaren 1960. In de jaren 1970 kwam er een kleine broedpopulatie, met finaal een 150-tal koppels voor heel België. De Cetti’s zanger is een vogeltje van ruigtes met riet, wilgenstruiken en brandnetels, als kenmerkende begroeiing.
De beestjes zijn uitgesproken standvogels: ze blijven zomer en winter in hun territorium. Daardoor zijn ze kwetsbaar. De extreem harde winter van 1978-’79 was er teveel aan. De meeste Cetti’s zangers in onze contreien redden het toen niet. Enkele koude-opstoten in de jaren 1980 gaven de soort de genadeslag. Ze verdween opnieuw uit onze natuur.
In een vogelatlas van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) uit 2004 staat over de Cetti’s zanger te lezen: “Het is afwachten of de verwachte klimaatveranderingen in onze regio, met zachtere en nattere winters, in het voordeel van de soort zullen spelen.” Dat bleek uiteindelijk toch wel het geval.
In 2000 werden opnieuw enkele broedgevallen geregistreerd. Nadien ging het snel. Een online verslag van het INBO uit 2020 heeft het over 60 broedparen in Vlaanderen in 2013 en 500 in 2018. In oktober verschijnt een nieuwe Vlaamse vogelatlas van het INBO. Coördinator, Glenn Vermeersch laat weten dat er in 2024 al 3000 broedparen van de Cetti’s zanger waren.
Ook in Nederland is er sinds 2010 een exponentiële toename van de soort met in 2023 meer dan 6000 koppels. Jonge vogels zorgen voor een snelle verspreiding naar nieuwe territoria. De soort lijkt nu ook minder gevoelig te zijn voor de occasionele winterse koude-uitbraken.
De kans is wel klein dat je een Cetti’s zanger te zien krijgt. Het is een onbenullig bruin vogeltje met een ronde, vaak opgewipte staart, dat doorgaans goed verstopt zit in de vegetatie. De rug is roestbruin, de onderzijde grijsachtig. Het opvallend koppatroon heeft een donkere oogstreep, lichte wenkbrauwstreep en 2 witte halve maantjes juist boven en onder het oog.
Hij kan worden verward met de kleine karekiet of snor, maar heeft een compacter lichaam en een meer rossig warmbruine kleur. Maar de kans is héél groot dat je hem hoort, in een luide uitbarsting van uitbundige tonen, weliswaar zonder veel melodie. Zelfs zingende winterkoninkjes – toch ook niet van de stilste – etaleren ingetogenheid in vergelijking met Cetti’s zangers. Het is onwaarschijnlijk hoeveel decibels ze uit hun kleine lijf gepompt krijgen. Als je gehoorvermogen het met het ouder worden stilaan laat afweten, zal de Cetti’s zanger de laatste vogel zijn die je nog probleemloos kan horen.
Mannetjes maken kabaal om hun territorium te beveiligen en vrouwtjes te lokken. Ze moeten wel, want van hun monotone kleuren zal het niet komen. Het lijkt erop dat de grootste lawaaimakers de beste territoria inpalmen en het makkelijkst vrouwtjes lokken. Zorg voor eieren en jongen is er helaas niet bij, daarvoor hebben de vaders het te druk met lawaai maken. Luidruchtige venten en zorgzame vrouwen: waar hebben we dat nog gehoord?
Ik ben Franz Pieters
Ik ben een man en woon in Zaventem (België) en mijn beroep is 25 jaar lkr, 2 jaar kabinetsadviseur, 2 jaar adviseur DVO, 2 jaar TOS21-projectmedew..
Ik ben geboren op 08/05/1954 en ben nu dus 72 jaar jong.
Mijn hobby's zijn: onderwijs - wetenschap & techniek - geschiedenis - natuur - muziek - lectuur - gastronomie - sport.
2 jaar TOS21-coördinator, 3 jaar projectcoördinator ESF-projecten KOMMA, WERK PRO-OPER, LINK en nu op RUST
Privacyverklaring van de Kille Meutel Vogelvrienden
Algemene privacyverklaring van onze vereniging: de Kille Meutel Vogelvrienden
De Kille Meutel Vogelvrienden hechten veel waarde aan de bescherming van uw persoonsgegevens.
In deze privacyverklaring willen we heldere en transparante informatie geven over welke gegevens we verzamelen en hoe wij omgaan met persoonsgegevens. Wij doen er alles aan om uw privacy te waarborgen en gaan daarom zorgvuldig om met persoonsgegevens.
Onze vereniging houdt zich in alle gevallen aan de toepasselijke wet- en regelgeving, waaronder de Algemene Verordening Gegevensbescherming.
Dit brengt met zich mee dat wij in ieder geval:
• uw persoonsgegevens verwerken in overeenstemming met het doel waarvoor deze zijn verstrekt, deze doelen en type persoonsgegevens zijn beschreven in deze Privacy verklaring;
• verwerking van uw persoonsgegevens beperkt is tot enkel die gegevens welke minimaal nodig zijn voor de doeleinden waarvoor ze worden verwerkt;
• vragen om uw uitdrukkelijke toestemming als wij deze nodig hebben voor de verwerking van uw persoonsgegevens;
• passende technische en organisatorische maatregelen hebben genomen zodat de beveiliging van uw persoonsgegevens gewaarborgd is;
• geen persoonsgegevens doorgeven aan andere partijen, tenzij dit nodig is voor uitvoering van de doeleinden waarvoor zij zijn verstrekt;
• op de hoogte zijn van uw rechten omtrent uw persoonsgegevens, u hierop willen wijzen en deze respecteren.
Als Kille Meutel Vogelvrienden zijn wij verantwoordelijk voor de verwerking van uw persoonsgegevens. Indien u na het doornemen van onze privacy verklaring, of in algemenere zin, vragen heeft hierover of contact met ons wenst op te nemen kan dit via onderstaande contactgegevens:
Kille Meutel Vogelvrienden
Watertorenlaan 59
1930 Zaventem
franz.pieters@telenet.be
Mobiel: 0478 55 34 59
Waarom verwerken wij persoonsgegevens?
Uw persoonsgegevens worden door onze vereniging verwerkt ten behoeve van de volgende doeleinden en rechtsgronden:
• om te kunnen deelnemen aan de activiteiten van de Kille Meutel Vogelvrienden;
• om de uitnodigingen, verslagen, nieuwsmeldingen, … te versturen (met toestemming van de betrokken sympathisanten);
• om een brede en vlotte communicatie te verzorgen binnen het netwerk van de diverse partners;
• om de jaarlijkse subsidiëring door de overheid te bekomen (wettelijke verplichting);
Voor de bovenstaande doelstellingen houden we volgende gegevens bij:
naam, voornaam, adres, telefoon/gsm-nummer (indien beschikbaar), e-mail (indien aan ons doorgegeven)
We gebruiken de verzamelde gegevens alleen voor de doeleinden waarvoor we de gegevens hebben verkregen.
Verstrekking aan derden
Wij geven nooit persoonsgegevens door aan andere partijen waarmee we geen verwerkersovereenkomst hebben afgesloten, tenzij we hiertoe wettelijk worden verplicht (bv. politioneel onderzoek)
Bewaartermijn
De Kille Meutel Vogelvrienden bewaren persoonsgegevens niet langer dan 5 jaar op hun informaticasystemen.
Beveiliging van de gegevens
Wij hebben passende technische en organisatorische maatregelen genomen om persoonsgegevens van u te beschermen tegen onrechtmatige verwerking, zo hebben we bv. de volgende maatregelen genomen:
• we hanteren een gebruikersnaam en wachtwoordbeleid op al onze systemen en cloud-toegangen;
• de toegang tot de persoonsgegevens is beperkt tot de bestuursleden;
• wij maken back-ups van de persoonsgegevens om deze te kunnen herstellen bij fysieke of technische incidenten;
• onze bestuursleden zijn geïnformeerd over het belang van de bescherming van persoonsgegevens.
Uw rechten omtrent uw gegevens
U heeft recht op inzage en recht op correctie of verwijdering van de persoonsgegeven welke wij van u ontvangen hebben. Bovenaan dit privacy statement staat hoe je contact met ons kan opnemen.
Tevens kunt u verzet aantekenen tegen de verwerking van uw persoonsgegevens (of een deel hiervan) door ons of door één van onze verwerkers.
Klachten
Mocht u een klacht hebben over de verwerking van uw persoonsgegevens dan vragen wij u hierover direct met ons contact op te nemen. U heeft altijd het recht een klacht in te dienen bij de Privacy Commissie, dit is de toezichthoudende autoriteit op het gebied van privacy bescherming.
Wijziging privacy statement
Onze vereniging de ‘Kille Meutel Vogelvrienden’ kan zijn privacy statement wijzigen. Van deze wijziging zullen we een aankondiging doen op onze website. De laatste wijziging gebeurde op 22 mei 2018. Oudere versies van ons privacy statement zullen in ons archief worden opgeslagen. Stuur ons een e-mail als u deze wilt raadplegen.