Half vier in de morgen, ik schrik wakker door een vreemd geluid.
Lilou kijkt me aan, geïrriteerd omdat ik haar heb gewekt met mijn bruuske bewegingen.
Ik staar in de kamer rond. De plek naast me is leeg.
Een gemis, een leegte een soort triestheid overmant me. Ik ga terug liggen, zie het licht van de vuurtoren door het raam, 3 keer over land.
Ik sluit mijn ogen. Mijn lichaam waakt. Ik voel een lichte warmte over me heen buigen. Eenzelfde warmte toen de plek naast me gevuld was met humor, liefde en geluk.
Ik voel hoe Lilou naar omhoog sluipt, zoals toen je naast me lag en ze met haar hoofdje kwam voelen of we haar niet waren vergeten.
Ze ligt te ronken, vreedzaam en gelukkig. Ze voelt diezelfde warmte.
We vallen allebei in een rustige diepe slaap, gelukkig en tevreden, alsof de tijd nooit is voorbijgegaan. Alsof de werkelijkheid nooit is gekomen.
Alsof het gemis nooit heeft bestaan.
|