Wat ik met 'lot' bedoel? In ieder geval de kans op een tragedie. De determinante buitenwereld, de stigmatisering, die ons leven absurd maakt en het op gewelddadige wijze in een door totalitarisme beheerste situatie brengt, doet die kans teniet. Als we alleen de werkelijkheid van de ons opgelegde determinanten beleven, en niet de verplichtingen die uit onze eigen - betrekkelijke - vrijheid voortvloeien, ontstaat de toestand waarin men niet door het lot wordt bepaald, de toestand van lotloosheid. Imre Kértesz
Als ik veel natuurwetenschappelijke literatuur lees, krijg ik op een gegeven moment het gevoel dat de wereld een goedlopende machine is, een gesloten structuur met de noodzakelijke elektronische impulsen en aandriften, ingericht om te worden geboren, te vreten, te paren en te sterven; een plaats waar de aanwezigheid van de mens slechts het gevolg van de een of andere degeneratie is vermoedelijk dankzij de buitengewoon gunstige levensomstandigheden op aarde. Het gedegenereerde wezen dat wij mens noemen heeft met zijn bewustzijn hoe zal ik het uitdrukken heeft met zijn bewustzijn het mechanisme van het leven verstoord. De mens doorziet namelijk de absurditeit van dat mechanisme al moet hieraan worden toegevoegd dat hij het alleen doorziet voor zover deze absurditeit hemzelf aangaat. Voorts is het menselijke bewustzijn de enige bewustzijnsvorm die dit mechanisme als absurd beschouwt. Hoe moeten we ons in die toestand God voorstellen? Als de mens, overeenkomstig zijn verworven inzicht, geen schepsel (creatuur) is, geen van te voren uitgedacht fenomeen, bestaat hij immers, net als het overige, uit stof en is ook hij de gevangene van het gedoe dat we schepping kunnen noemen, of broddelwerk als dat laatste woord beter bevalt. Is God machteloos? Is hij lui? Wacht hij nieuwsgierig de ontwikkelingen af? Is hij een piekeraar, die voorlopig nog niet de oplossing heeft gevonden? Nu eens beantwoordt men dergelijke vragen zus, dan weer zo. Ik heb de indruk dat God een grappenmaker is, een ietwat wreedaardige grappenmaker zelfs, hoewel het hem niet ontbreekt aan de wijze, zij het beperkte goedheid van de ware grappenmaker. Natuurlijk is het onzin wat ik hier schrijf: de humor is door de mens uitgevonden, en wel omdat God tekortschoot. Als God (en met hem het leven) volmaakt was (doorgrondgelijk en zonder angst en dood), bestond er geen humor.
Ik heb nooit om toelating tot de behaaglijkheid van de Hongaarse intellectuele wereld gevraagd, bijgevolg ben ik er altijd buiten gebleven.
Als ongemakkelijke vreemdeling?
Als vreemdeling in elk geval. Want het gaat er niet om of ik wel of niet in de smaak val, het gaat erom hoe lang een mens van het type kunstenaar met behoud van zijn creativiteit in conflict kan leven met zijn omgeving Hoe lang dit misschien zelfs inspirerend kan werken en waar de frustratie begint die al om zo te zeggen schadelijk is voor de gezondheid.
Kan het zelfs je oordeelsvermogen aantasten en mogelijk je zorgvuldig uitgewerkte waardestelsel verstoren? Word je op momenten van zwakte nooit bevangen door twijfel en onzekerheid.
Wie wordt niet soms door twijfel bezocht? Ik bedoel daarmee dat ik altijd aan iedere zin twijfel, maar nooit twijfel of ik wel moet schrijven wat ik net schrijf.
Wil je wel geloven dat ik mijn eigen oeuvre niet goed ken? Toch is het waarschijnlijk zo. Nadat ik een boek geschreven heb en een periode van schuldgevoelens en een lichte kater heb doorstaan, weet ik niet meer wat ik geschreven heb.
Ik heb me nooit afgevraagd hoe belangrijk een werk van me is, daar weet ik niets van af. Ik ben te zeer doordrongen van de onverschilligheid van de wereld.
Ik denk niet dat in onze postmoderne, chaotische wereld vol terreuraanslagen ook maar iets van uitzonderlijk belang is. Ik denk dat niet alleen mensen, maar ook maatschappijen niet voor het geluk maar voor de strijd zijn geboren. Het nagestreefde doel is altijd geluk, maar dat is altijd alleen het beeld van de verlokking.
Het is nog steeds niet bekend hoe het individuele leven te verenigen is met de doelen van de maatschappij, waar we nauwelijks een notie van hebben.
We weten nog steeds niet wat ons beweegt en waarom we, voorbij het vegetatieve automatisme, eigenlijk leven.
In feite is nog steeds niet opgehelderd of wij zelf bestaan of dat we alleen de belichaamde figuren zijn van de cellenmassa die in ons aan het werk is een symbool dat doet alsof het een autonome werkelijkheid is, omdat het niet anders kan.
Ik ben niet belangrijk, maar voor mij is iets wat niet belangrijk is toch belangrijk: zo staat het ongeveer met de literatuur.
Wat vermag de kunst nog als het type mens dat zij door de eeuwen heen heeft afgebeeld (de tragische mens) niet meer bestaat? De held van de tragedie is de zichzelf scheppende en ten onder gaande mens, maar de hedendaagse mens past zich alleen nog maar aan.
Imre Kertész. Dossier K. 2006
Lotloosheid - 'Onbepaald door het lot'. Een goede titel of in ieder geval een goede ondertitel. Wat ik met 'lot' bedoel? In ieder geval de kans op een tragedie. De determinante (determinerend, bepalend element: factor die een ontwikkeling of toestand bepaalt) buitenwereld, de stigmatisering, die ons leven absurd maakt en het op gewelddadige wijze in een door totalitarisme beheerste situatie brengt, doet die kans teniet. Als we alleen de werkelijkheid van de ons opgelegde determinanten (factoren die onze ontwikkeling, onze toestand bepalen, vaststellen, bestemmen) beleven, en niet de verplichtingen die uit onze eigen - betrekkelijke - vrijheid voortvloeien, ontstaat de toestand waarin men niet door het lot wordt bepaald, de toestand van lotloosheid.
Hierbij is nog van belang dat die determinanten tegengesteld zijn aan onze natuurlijke meningen en neigingen. Aldus ontstaat de genoemde toestand in zijn meest pure vorm.
Men kan er zich op twee manieren tegen verdedigen.
We kunnen ons - quasi vrijwillig - geheel vereenzelvigen met onze determinanten (Kafka's duizendpoot worden) en zo proberen ze tot ons lot te maken.
De andere mogelijkheid is dat we tegen de determinanten in opstand komen, maar dan worden we er het slachtoffer van.
Geen van beide mogelijkheden is een goede oplossing, want in beide gevallen zijn we gedwongen onze determinanten als werkelijkheid op te vatten (moeten we pure willekeur bijna als natuurlijk aanvaarden, hoewel we weten dat die willekeur, hoe schijnbaar onveranderlijk ook, theoretisch door ons zou kunnen worden opgeheven), terwijl de determinante kracht, de absurde macht, ook nog eens over ons triomfeert. Zij bedenkt immers een naam voor ons die niet de onze is en maakt ons tot een ding, hoewel wij voor iets beters zijn geboren.
Het probleem van de 'muzelman' (in de concentratiekamptaal van destijds: een gevangene die door de ontberingen geestelijk en lichamelijk volledig is uitgeput) is hoe hij van zijn determinanten een lot kan maken. Dat kan hij natuurlijk niet, want die determinanten zijn geen eeuwig leven beschoren. Ze verliezen op een gegeven moment hun historische geldigheid en worden dan door iedereen verketterd.
Er blijft dus niets van over behalve de herinnering aan lichamelijke pijn. En natuurlijk het vooruitzicht in de toekomst opnieuw bepaald te worden.(01-05-1965)
De twee belangrijkste metaforen van de twintigste eeuw: concentratiekamp en pornografie twee fenomenen die met totale hulploosheid en slavernij verband houden. Het is of de natuur de mens en zijn voortbestaan haar verderfelijke zijde toekeert door de menselijke natuur radicaal te onthullen. (juni 1990)
Hoe ver ben ik van alles verwijderd: van mijn woorden, van mijn daden, van andermans woorden, van mijn eigen leven, van andermans leven, van het leven!...
De filosofie van Onbepaald door het lot van Imre Kértesz
Het verhaal van een 15 jarige jongen die terechtkomt in concentratiekampen, geen verhaal zoals die andere die we al gelezen of gezien hebben. Het is optimistisch maar hard, naïef maar niet dom. Imre tracht de logica van het onlogische te vatten, alle gebeurtenissen een plaats te geven in zijn eigen lot, zijn vrijheid te behouden maar vooral: Hij tracht de tijd door te komen. Hier een filosofische bespreking van het boek
Le differend
Volgens Lyotard brengt elke ordening differends (geschillen) met zich mee, deze zijn de negatieven van de heersende orde, ze geven er de grenzen van aan. Steeds werden deze geschillen zo goed mogelijk toegedekt. Sommige geschillen zijn echter onmiskenbaar, zo ook Auschwitz. Auschwitz is het grote geschil in het geschiedenisverhaal van Hegel. Hegel ziet de geschiedenis als een proces waarin alles bijdraagt tot de toename van de redelijkheid en vrijheid. De Holocaust past onmogelijk in deze geschiedenisvisie, de zinloosheid ervan vormt een onoplosbaar conflict met het grote geschiedenisverhaal.
In de concentratiekampen heerst een logica die compleet verschilt van die van de moderniteit, een logica die voor de logische mens onvatbaar lijkt. Wat echter wanneer je in zon concentratiekamp terecht komt? In dit boek wordt dat perfect verduidelijkt. We zien hoe het hoofdpersonage zich tracht aan te passen aan het nieuwe systeem waarin hij terecht komt en de logica van het onlogische tracht en uiteindelijk ook weet te begrijpen. Zo zien we dat zelfs het onlogische logisch kan zijn, dat de menselijke geest krachtiger is dan we denken.
Taal en werkelijkheid
Het is erg opvallend dat het hoofdpersonage op het einde van het boek, wanneer hij opnieuw een vrij mens is, meer moeilijkheden lijkt te hebben dan voordien. Hij vindt het moeilijk zijn visie op de situatie in de concentratiekampen duidelijk te maken aan buitenstaanders. Het lijkt alsof ze in een andere wereld leven en zich onmogelijk kunnen inbeelden hoe het leven in een kamp eruit zag. Hij lijkt de dingen helemaal anders te begrijpen dan deze mensen. Hij is een ex-gedeporteerde en alleen diegene die dat ook zijn kunnen de Holocaust zien zoals hij werkelijk was.
Volgens het logisch atomisme steunt onze gewone omgangstaal op de logica en weerspiegelt de structuur van de logica de structuur van de werkelijkheid. Wanneer we ons in een andere werkelijkheid, met een andere logica bevinden zal onze omgangstaal dus ook anders zijn. Het hoofdpersonage heeft een jaar lang in een andere realiteit geleefd, een realiteit met een eigen logica. De taal is afhankelijk van de werkelijkheid waarin men leeft, wat een ander mens gruwelen noemt kan de jongen niet zo aanduiden. Hij kan het woord onmogelijk nog begrijpen zoals een gewoon mens dat doet. De logica, de werkelijkheid waarin hij zich heeft bevonden maakt het hem moeilijk zichzelf begrijpbaar te maken aan de buitenstaanders. De woorden die hij spreekt zijn dezelfde dan die, die de anderen gebruiken, hun betekenis is dat echter niet. Hij heeft in een andere wereld geleefd en deze wereld is nu onvermijdelijk een deel van hem. De taal waarin hij zich uitdrukt, de woorden die hij spreekt zijn onvermijdelijk beïnvloed door wat hij heeft meegemaakt. Bepaalde woorden kan hij onmogelijk nog begrijpen zoals een ander mens dat doet, bepaalde woorden zullen bij hem altijd een andere betekenis blijven hebben. Alleen diegene die zijn lot gedeeld hebben zullen zijn taal werkelijk begrijpen.
De kloof die hij hier ervaart tussen zichzelf en de alledaagse mensen moet moeilijk geweest zijn. Het idee dat ze het nooit zullen begrijpen zoals hij dat doet nog moeilijker. In het kamp leefde hij samen met lotgenoten, ze spraken allen dezelfde taal, er was een gevoel van samenhorigheid. Na de bevrijding komt hij opnieuw terecht in het echte leven waar hij dat gevoel niet langer terug lijkt te vinden. De eerste persoon die hij wil opzoeken is dan ook een vriend uit het kamp. De jongen lijkt zich niet langer thuis te voelen bij de mensen die voordien zijn vrienden of kennissen waren. Zo zien we ook hoe bepaalde gebeurtenissen een band kunnen creëren tussen mensen en tegelijkertijd de band met anderen doen vervagen. Denk hierbij ook maar aan soldaten die samen aan hetzelfde front gezeten hebben, ze blijven vaak vrienden voor het leven terwijl ze diezelfde band nooit nog kunnen ervaren met anderen.
We zijn ook gegaan
De jongen ergert zich eraan dat iedereen steeds gebruik maakt van het woord komen. De Duitsers zijn gekomen, de sterren zijn gekomen, de executies zijn gekomen, de jongen wijst ons erop dat we zelf ook zijn gegaan. Alles wat we gedaan hebben, elke stap die we gezet hebben zou de geschiedenis kunnen veranderd hebben. Hij kan het niet aanvaarden dat hij volledig onschuldig zou zijn in alles wat hem overkomen is. Hij wil zich niet plaatsen in de rol van slachtoffer, hij wil zichzelf niet zien als een passief wezen.
We aanvaarden allen een bepaald lot en vanaf het moment dat we dat aanvaarden kunnen we er ook geen genoegen mee nemen dat alles wat we hebben meegemaakt slechts een vergissing was, we moeten het aanvaarden als een deel van ons lot. We bepalen zelf ons leven door bepaalde stappen te doen, het zijn niet de anderen die ons leven bepalen
In wat de jongen hier zegt kunnen we iets herkennen van Sartre, ook Sartre weigert de mens te zien als een passief wezen. Volgens zijn existentialisme maakt de mens zijn eigen keuzes en bepalen deze zijn toekomst. We moeten de schuld daarom niet in iets of iemand anders schoenen schuiven. We mogen niet het slachtoffer van ons eigen leven spelen maar moeten onszelf eerder zien als regisseur van dit leven. Ook de jongen lijkt deze boodschap begrepen te hebben, hij kan zich niet neerleggen bij het idee dat alles wat gebeurd is niets met zijn eigen keuzes te maken heeft.
De jongen wil bovendien ook helemaal niet vergeten wat er gebeurd is. Dat zou hij slechts kunnen moest hij sterven en opnieuw herboren worden. Hij beseft dat zijn tijd in de concentratiekampen een deel uitmaken van zijn leven, van zijn lot, van wie hij is. Hij begrijpt dat wanneer hij dit ontkent of tracht te vergeten hij een deel van zichzelf ontkent, vergeet.
Jood zijn
Voor zijn tijd in het kamp heeft het hoofdpersonage een discussie met één van zijn buurmeisjes over wat het is om Jood te zijn. Het meisje is ervan overtuigd dat het met innerlijke kenmerken te maken heeft. Ze was via gesprekken en lectuur tot de conclusie gekomen dat Joden anders waren dan gewone mensen en dat ze vanwege dat verschil gehaat werden. Volgens de jongen had het echter helemaal niets met hun innerlijk te maken. Hij was ervan overtuigd dat het gewoon de ster was en dus niet meer dan een uiterlijke oorzaak had. Na alles wat hij meegemaakt heeft beseft hij echter wat het echt betekent om Jood te zijn; het betekent helemaal niets. Hij beseft dat er helemaal geen verschillen zijn, geen ander bloed, het zijn allemaal leugens. Vanaf het moment dat men die leugens aanvaardt, aanvaardt men ook een bepaald lot. Ook al is dat lot oorspronkelijk een leugen, eens je het aanvaardt kan je het niet langer als een vergissing bestempelen, eens je het aanvaardt is het een deel van jezelf.
De tijd
De jongen haalt aan hoe de tijd in een concentratiekamp eigenlijk in twee richtingen werkt. In het gewone leven komt de werkelijkheid je langzaam en geleidelijk tegemoet zodat je het allemaal kan verwerken waardoor je alles weet te begrijpen. In de concentratiekampen word je overspoeld met beelden, gebeurtenissen waardoor je hersenen en je hart niet in staat zijn het te verdragen. Je krijgt enerzijds de tijd niet om de dingen tot je door te laten dringen, anderzijds moet je elke seconde in zon kamp trachten vol te houden wat dan weer tegen je werkt.
Vanaf de aankomst in een concentratiekamp word je werkelijk overladen met indrukken, beelden, woorden, gebeurtenissen, noem maar op. De hoeveelheid informatie die op je afkomt is te groot om tot begrip te brengen. Dit is echter goed, want moest je het op dat moment allemaal begrijpen dan zou je dat niet aankunnen. Eens je echter ingeburgerd bent in het kamp gaat de tijd een andere rol spelen, het gaat allemaal niet langer aan dat haastige tempo. De tijd duurt lang en elke seconde moet je zien door te komen, zien te overleven. Je maakt veel mee in zon kamp maar de tijd maakt dat makkelijker. Zo zegt de jongen ook dat wanneer je alles wat je hebt meegemaakt in het kamp opnieuw over je heen zou krijgen maar dit keer in slechts één minuut tijd dan zou dat onverdraagzaam zijn. Het gebeurt echter allemaal geleidelijk en dat maakt het makkelijker, de tijd verzacht de pijn.
Wanneer je het boek leest krijg je de indruk, dat het ergste gaat komen na de bevrijding. De bevrijding confronteert je met wat er gebeurd is, is het einde van het lijden maar het begin van het verwerken. De vraag die zich hier opdringt is echter wat is het zwaarste; afzien, honger hebben, geslagen worden, de dood voor je ogen zien,... of beseffen dat je afgezien hebt, honger gehad hebt, geslagen werd, de dood voor je ogen zag en dit nu allemaal moet verwerken en een plaats geven in je leven?
Het lijkt tot de jongen door te dringen dat hij opnieuw vrij is, maar wat moet hij daar nu mee? Op die vraag lijkt hij nog geen antwoord te hebben en al gauw heeft hij heimwee naar het kamp want daar hoefde hij zich niet met zulke vragen te belasten. De opdracht in het kamp was eenvoudig, hij moest gewoon weten te overleven, de opdracht die hij nu heeft lijkt in vergelijking daarmee veel moeilijker.
Pas nu hij weer vrij is kan hij volledig nagaan wat hem daar allemaal overkomen is, wanneer hij er echter over nadenkt zal alles veel vlugger opnieuw op hem afkomen als het toen gedaan heeft. Wat hij op één jaar meegemaakt heeft kan hij nu op één nacht weer voor ogen halen. Is het misschien niet zo dat dat veel pijnlijker is. Hij zegt zelf dat de tijd alles dragelijk maakt, wat als het dan plots allemaal terug voor de geest gehaald wordt in een veel kortere tijd dan dat het zich toen heeft afgespeeld? Overleven "na" een concentratiekamp lijkt in dit opzicht moeilijker dan overleven "in" een concentratiekamp.
Het geluk
Het leven in het kamp was zuiverder en eenvoudiger geweest, iedereen had het over ontberingen gruwelen, maar de kleine gelukservaringen waren het belangrijkste geweest.
De jongen laat ons zien hoe het geluk zelfs in de meest ondenkbare omstandigheden aanwezig is. Voor hem is het onmogelijk om de tijd in het kamp als een gruwelijke tijd te beschouwen. Hij had zeker ook geluk gekend in het kamp, waardoor hij zelfs een beetje heimwee had naar zijn tijd daar. In het boek zien we hoe vriendschap, samenhorigheid, menslievendheid, behulpzaamheid zelfs mogelijk zijn in de meest verschrikkelijke omstandigheden. Iedereen was hongerig, moe, uitgeput maar toch was er nog voldoende energie om er voor elkaar te zijn. We zien ook hoe het geluk eigenlijk in erg kleine dingen zit, in het uurtje vrij, in dat beetje extra tijdens de maaltijd, in die vriend die ervoor zorgt dat je toch elke ochtend opstaat. We zien zelfs hoe het geluk in het ongeluk kan schuilgaan, in een wonde aan de knie die ervoor zorgt dat je op een betere plaats terecht komt, in een bedgenoot die sterft zodat je enkele dagen dubbel rantsoen krijgt. Je zou bijna kunnen zeggen dat je pas het ware geluk ziet wanneer je het ongeluk ervaart.
In het dagelijkse leven zou je het geluk in zijn eenvoudige vorm niet herkennen, je zou het voorbijlopen, je zou ernaar opzoek gaan maar er steeds over kijken. Vaak hebben we het idee dat geluk iets complex is dat we nooit werkelijk kunnen bereiken, het hoofdpersonage toont ons dat, dat helemaal niet zo is. Het geluk zit werkelijk in de kleine dingen.
De vrijheid van de onvrije
Het boek geeft perfect weer hoe een mens uiteindelijk in alle omstandigheden de mogelijkheid heeft vrij te zijn. De mens is namelijk in het bezit van een instrument dat hem in staat stelt alle muren, alle ketens, alle grenzen te overschrijden: de menselijke geest. Onze geest geeft ons toegang tot de wereld van de verbeelding, zolang we de mogelijkheid hebben ons in deze wereld te begeven zijn we vrij. Dat beseft ook het hoofdpersonage en de vrijheid die hij op die manier ontdekt helpt hem de tijd door te komen. Wanneer de jongen deze ervaring beschrijft besef je dat de mens krachtiger is dan hij denkt te zijn. Men kan je werkelijk alles trachten te ontnemen, men kan proberen je daadwerkelijk te herleiden tot een object. Er is echter één ding dat ons steeds zal onderscheiden van een object en dat is onze verbeeldingskracht, om deze te verwoesten is er meer nodig dan een concentratiekamp.
De "holo-hype"
Vandaag de dag wordt men nog voortdurend geconfronteerd met de Holocaust, boeken, films, verhalen, je kunt er niet naast kijken. Het lijkt alsof heel de wereld iets te verwerken heeft. Zelfs de generaties die niets met het gebeuren te maken hebben lijken gedwongen een soort rouwproces te ondergaan. Iedereen "moet" zich vandaag de dag een beeld kunnen vormen van de "gruwelen", of het beeld al dan niet authentiek is doet er niet toe, als het maar gruwelijk is.
Oneindig veel pogingen werden en worden nog steeds ondernomen om weer te geven hoe het moet geweest zijn als gedeporteerde te leven. Vaak zijn de schrijvers, vertellers, filmmakers mensen die nooit in een dergelijk kamp verbleven hebben. De vraag is echter of deze er dan wel goed aan doen om ons te laten zien hoe het geweest moet zijn. Wanneer we het boek lezen krijgen we steevast de indruk dat alleen iemand die er geweest is de werkelijkheid ervan kan vatten. Bovendien lijken zelfs zij niet aan de buitenwereld te kunnen schetsen hoe het was. Moeten we misschien niet gewoon aanvaarden dat de werkelijkheid van deze kampen onmogelijk weer te geven valt? Is het bovendien niet zo dat het beter is om er helemaal geen beeld van te vormen dan onze geest te bevredigen met onechte beelden?
De schrijver wordt al gauw door twijfel bevangen: het probleem is dat hij hoe dan ook al zijn aandacht aan het observeren van zichzelf zal besteden. En hoe kan hij ook weten wat de wens van zijn lezer in werkelijkheid is, wat hem bevalt? Hij kan het ten slotte niet aan iedereen apart vragen. En dat zou ook nutteloos zijn. Hij kan alleen uitgaan van zijn eigen voorstelling van dat publiek, welke behoeften hij die toeschrijft, wat op hemzelf de invloed zou hebben die hij wil bewerkstelligen. Voor wie schrijft dus de schrijver? Het antwoord ligt voor de hand: voor zichzelf.
Zijn grote liefde, de temperamentvolle Zuid-Amerikaanse Consuelo Suncin, is de roos in dit ontroerende verhaal. Hij kon niet met haar leven maar zonder haar was hij doodongelukkig. Zij was een wervelwind met een enorme sociale aantrekkingskracht waar Antoine aan ten onder dreigde te gaan. Dit kleine boekje vormt een van de hoogtepunten in de literatuur van de 20ste eeuw. Saint-Ex had spijt dat hij het boek - in feite een liefdesverklaringin boekvorm aan zijn vrouw - niet aan mijn roos had opgedragen. "Je weet dat jij de roos bent", schreef Saint-Exupéry in een brief. "Misschien heb ik niet altijd geweten hoe goed ik voor jou moest zorgen, maar ik heb je altijd mooi gevonden." In een andere brief vertelde Saint-Exupéry zijn vrouw dat zijn grootste spijt was dat hij Le Petit prince niet aan haar had opgedragen.
Gedenken is een gebeuren in het binnenste van de ziel dat zijn eigen sporen trekt. Gaandeweg en langzaam aan wordt de kern zichtbaar van waar het om gaat en van wat er eigenlijk met ons gebeurt. Bijvoorbeeld: ontdekken dat het leven afbrekend is, pijnigend, scheidend, striemend soms en tegelijk daarin de waarachtigheid naar boven brengt, mij terugwerpt op mijzelf en zo mij met mijzelf confronteert, de schijn wegblaast en het waarachtige naar boven haalt. Dan kan soms even een lied in ons gaan zingen.
Elie Wiesel Vuur in de duisternis 1 â Rabbi Israël Baäl Shem-Tov â De Messias Blz. 12
Op die dag trachtte de grote Rabbi Israël Baäl Shem-Tov, die beroemd was om zijn macht over hemel en aarde, weer eens de Schepper naar zijn hand te zetten.
Brandend van ongeduld had hij al dikwijls gepoogd een eind te maken aan de beproevingen van de ballingschap; deze keer stond hij op het punt dat hem dat zou lukken: door de poort die al op een kier stond, zou de Messias verschijnen en de kinderen en bejaarden troosten die hem verwachtten, en die op hem alleen wachtten. Te lang al waren ze uiteen gedreven, de mensen gingen zich weer in vreugde verenigen.
Verontwaardigd ging Satan bij God protesteren, en hij haalde daarbij de wetten aan die hij onveranderlijk noemde- van de geschiedenis, van de rede en vooral van de rechtvaardigheid: waar bemoeit de mens zich toch mee? verdient de wereld nu al de verlossing? de Messias kan alleen maar komen onder bepaalde omstandigheden: zijn die aanwezig?
En God die ook rechtvaardig wil zijn moest erkennen dat deze argumenten gegrond waren: lo ichshar dara, de mensheid was nog niet rijp haar verlosser te verwelkomen. En omdat hij de scheppingsorde had verstoord werd Israël Baäl Shem-Tov gestraft: hij werd op een afgelegen onbekend eiland gezet, gevangene van schurken of van demonen. Met hem was alleen zijn trouwe metgezel en zijn persoonlijke schrijver reb Tsvi-Hirsch Soifer. Deze had zijn Meester nog nooit zo in de put gezien:
Rebbe, doe iets, zeg iets!
Ik kan niet. Ik kan me niet meer laten gehoorzamen.
Maar uw geheime kennis dan, uw Jichoediem, uw goddelijke gaven? Wat is daarmee gebeurd, Rebbe
Vergeten, zei de Meester. Verdwenen, verstrooid. Al mijn kennis is mij ontnomen; ik herinner me niets. Hij zag zijn metgezel wanhopen, de pijn die hij erdoor voelde deed hem handelen. Moed, zie hij. Niet alles is verloren. Jij bent hier, dat is goed. Jij kunt ons redden. Je moet me alleen maar in herinnering brengen wat ik jou heb geleerd. Een parabel, een gebed. Een kruimeltje van mijn onderwijs is genoeg.
Jammer genoeg was ook reb Tsvi-Hirsch alles vergeten; net zoals zijn Meester had hij geen geheugen meer.
Herinner jij je niets? riep de Baäl-Shem uit. Echt niets?
Niets, Rebbe. Behalve
behalve wat?
Het alfabet.
Wel, waar wacht je op? Begin! Vlug!
Gehoorzaam zoals altijd begon de schrijver langzaam, pijnlijk, de eerste heilige letters op te zeggen die alle geheimen van het heelal omvatten: Aleph, beth, gimel, daleth
En de Meester, meer en meer opgetogen, zei hem na: Aleph, beth, gimel, daleth
Daarna begonnen ze opnieuw vanaf het begin. En de Baäl-Shem zie het alfabeth met zoveel vuur op dat hij op den duur in extase kwam. En als de Baäl-Shem in extase was kon niets hem weerstaan, dat is wel bekend. Zonder het zelf te beseffen lukte het hem om van plaats en van toestand te veranderen; hij verbrak de ketens, herriep de vervloeking: Meester en Schriftgeleerde waren weer thuis, gezond en wel, rijker en met groter verlangen dan ooit.
La finalité du christianisme, cest la déification de lhomme. « Dieu sest fait homme afin que lhomme puisse devenir dieu » : telle est la formule par laquelle les Pères, tout au long des siècles, ont maintes fois résumé le sens de lIncarnation du Verbe.
Unissant dans Sa Personne divine, sans confusion ni séparation la nature divine à la nature humaine, le Christ a ramené celle-ci à son état primitif, apparaissant ainsi comme le Nouvel Adam, et la en outre menée à la perfection à laquelle elle est destinée : la parfaite ressemblance à Dieu, la participation à la nature divine (2Pe 1,4). Il a ainsi donné à chaque personne humaine qui, dans lÉglise qui est son corps, serait unie à Lui par lEsprit, de devenir dieu par grâce.
Dans lÉconomie de la Sainte-Trinité qui a en vue la déification de lhomme et en lui lunion à Dieu de tous les êtres de la création, luvre proprement rédemptrice du Christ, qui consiste en particulier dans Sa passion, Sa mort et Sa résurrection, constitue un moment essentiel, celui de notre salut : par elle le Dieu-homme a libéré la nature humaine de la tyrannie du diable et des démons, a détruit le pouvoir du péché, et a vaincu la mort, abolissant ainsi toutes les barrières qui depuis le péché originel séparaient lhomme de Dieu et lempêchaient de sunir pleinement à Lui.
Comme la fait remarquer Vladimir Lossky, la pensée théologique occidentale a interprété cette uvre rédemptrice et salvatrice du Christ en termes essentiellement juridiques.
La compréhension de la Rédemption en termes de rachat trouve certes son fondement dans les Saintes Écritures et en particulier dans les Épîtres de saint Paul. Mais cela ne doit pas nous faire oublier que, comme le fait remarquer Vladimir Lossky, « en général, chez les Pères comme dans les Écritures, nous trouvons plusieurs images pour exprimer le mystère de notre salut accompli par le Christ. Ainsi, dans lÉvangile, le Bon Pasteur est une image « bucolique » de luvre du Christ ; lhomme fort, vaincu par quelquun de plus fort qui lui enlève ses armes et détruit sa domination, est une image guerrière qui revient souvent chez les Pères et dans liturgie : le Christ victorieux de Satan, brisant les portes de lenfer, faisant de la croix Sa bannière. Une image médicale, celle de la nature infirme guérie par lantidote du salut ; une image que lon pourrait appeler « diplomatique » -celle de la ruse divine qui déjoue lastuce du démon, etc. » Certes, « limage employée le plus souvent, puisée par saint Paul dans lAncien Testament, est empruntée au domaine des relations juridiques », mais « prise dans ce sens particulier, la rédemption est une image juridique de luvre du Christ, à coté de plusieurs autres possibles », et « en employant le mot rédemption ( ) dans le sens dun terme générique désignant luvre salutaire du Christ dans toute son ampleur, il ne faut pas oublier que cette expression juridique a un caractère figuré : le Christ est rédempteur au même titre quIl est un guerrier victorieux de la mort, un sacrificateur parfait, etc. » lutilisation exclusive de limage du rachat et sa compréhension dans un sens trop étroit manifeste vite ses insuffisances et aboutit même à des inconséquences theologiques, comme la notamment souligné saint Grégroire de Nazianze.
Lun de nos buts, dans cet ouvrage, est de montrer toute limportance que revêt dans la Tradition orthodoxe ce que Vladimir Lossky appelle « limage médicale ». Si les Pères en ont fait, comme nous le verrons, un usage si fréquent dans leurs enseignements, si on la retrouve dans la quasi-totalité des textes liturgiques en usage dans lÉglise orthodoxe ainsi que dans le texte du rituel de la plupart de ses sacrements, si plusieurs Conciles lont entérinée dans leurs canons, bref si elle est reçue par toute la Tradition, cest parce quelle constitue, nous le montrerons, une façon particulièrement adéquate de représenter le mode de notre salut, dune valeur au moins équivalente à celle du rachat.
Cette image possède dailleurs un fondement scripturaire particulièrement solide. Le Rédempteur est aussi le Sauveur ; si nous sommes rachetés, nous sommes aussi sauvés : or on oubli trop souvent que le verbe (sauver), fréquemment utilisé dans le Nouveau Testament, signifie, non seulement « délivrer » ou « tirer dun danger », mais aussi « guérir », et que le mot (salut) désigne non seulement la délivrance, mais aussi la guérison[2]. Le nom même de jésus signifie « Yahweh sauve » (cf. Mt 1,21, Ac 4,12), autrement dit, donc : « guérit ». Et le Christ se présente Lui-Même, très directement, comme un médecin (cf. Mt 8,16-17 ;9,12. Mc 2,17. Lc4,18.23). Cest dailleurs comme tel que souvent les Prophètes Lannoncent (cf. Is 53,5. Ps 102,3) et que les Évangélistes Le caractérisent (cf. Mt 8,16-17), et la parabole évangélique du Bon Samaritain elle-même peut être à bon droit considérée comme une représentation du Christ-Médecin. Cest comme vers un médecin enfin que bon nombre de ses contemporains lors de sa vie terrestre sont allés vers Lui.
Les Pères quasi unanimement et dès le premier siècle, Lui appliqueront de manière courante le nom de Médecin, y ajoutant souvent les qualificatifs de « grand », « céleste », « suprême », précisant en outre, selon le contexte : « des corps », « des âmes », plus fréquemment « des âmes et des corps », soulignant que cest lhomme tout entier quIl est venu guérir. Cette appellation figure au centre même de la Liturgie de saint Jean Chrysostome et dans la plupart des formules sacramentaires. On la trouve constamment dans presque tous les services liturgiques de lÉglise orthodoxe et dans bon nombre de formules de prière.
Si le Christ apparaît comme un médecin et le salut quIl apporte comme une guérison, cest que lhumanité est malade. Voyant dans létat adamique primordial létat de santé de lhumanité, les Pères et toute la Tradition voient dans létat de péché qui caractérise lhumanité déchue à la suite du péché originel un état de maladie multiforme qui affecte lhomme dans tout son être. Cette conception dune humanité malade du péché trouve un fondement scripturaire (Mi 7,2. Is 1,6. Jr 8,22 ; 28,9. Ps 1 »,7 ; 143,5) que nont pas manqué dexploiter les Pères qui, à la suite des prophètes, évoquent limpuissance des hommes de lAncienne Alliance à trouver un remède à leurs maux tant ils sont graves, leur appel à Dieu au longs des générations, la réponse favorable de Dieu qua constituée lIncarnation du Verbe qui seul, parce quIl était Dieu, était en mesure daccomplir la guérison quils attendaient..
Cest ainsi que dans ses différents moments, luvre salvatrice du Dieu-homme apparaît comme le processus de la guérison, en Sa Personne, de lhumanité tout entière quIl a assumée et de la restitution à celle-ci de létat de santé spirituelle quelle a primitivement connu, le Christ menant en outre à la perfection de la déification la nature humaine ainsi restaurée.
Ce salut/guérison de toute lhumanité et sa déification accomplis dans la Personne du Verbe de Dieu incarné sont donnés par lEsprit Saint à chaque baptisé qui dans lÉglise sunit au Christ. Mais ils ne sont alors pour lui que potentiels : le baptisé doit s assimiler ce don dans tout son être. Cest là le rôle de la vie spirituelle, de lascèse.
Lascèse dans lÉglise orthodoxe na pas le sens étroit qui lui a souvent été donné en Occident, mais désigne ce que tout chrétien doit accomplir pour bénéficier effectivement du salut apporté par le Christ. Aux yeux de la grande Tradition de lÉglise orthodoxe, luvre du salut apparaît comme une synergie de la grâce divine donnée par lEsprit Saint et de leffort que chaque baptisé doit personnellement fournir pour souvrir à cette grâce et se lapproprier, effort qui saccomplit dans toute la vie, à chaque moment et dans tous les actes de lexistence. Le mot grec (ascèse) signifie dailleurs : « exercice », « entraînement », « pratique », « genre de vie ». Plus encore que celui-ci, les mots qui lui correspondent en russe : podvig, podvijnitchestvo, dérivés du verbe slavon po-dvizatsia qui signifie : « se mouvoir vers lavant », « aller de lavant », traduisent une conception éminemment dynamique de la vie spirituelle et révèlent que celle-ci est conçue comme un processus de croissance, qui est celui de lactualisation progressive de la grâce reçue dans les sacrements et en particulier au baptême, ou encore celui de lassimilation progressive de la grâce de lEsprit qui incorpore effectivement le baptisé au Christ mort en ressuscité, lui permet de sapproprier personnellement la nature humaine restaurée et déifiée dans la personne du Dieu-homme.
Cest par lascèse théanthropique que le chrétien, par la grâce de lEsprit, meurt, ressuscite et est glorifié avec le Christ, cesse dêtre un homme déchu et devient un « homme nouveau », dépouille le « vieil homme » et « revêt le Christ », actualise léchange que le baptême a potentiellement réalisé en lui de la nature déchue contre la nature restaurée et déifiée en Christ
Le salut opéré par le Christ étant conçu par la Tradition comme une guérison de la nature humaine malade et la restauration de sa santé primordiale, il est logique que lascèse, par laquelle lhomme sapproprie cette grâce, soit considérée de même par elle comme un processus de guérison de lhomme et de son retour à la santé.
Nous avons été frappés, à la lecture des Pères, de constater que ceux-ci, sans exception et très fréquemment, recourent à des catégories médicales pour décrire les diverses modalités de lascèse, à tel point que celle-ci nous a paru pouvoir être systématiquement présentée comme une thérapeutique parfaitement élaborée, lascèse se définissant dailleurs elle-même, au même titre que la médicine, comme un art au sens ancien de « technique » (cest dailleurs là un autre sens du mot grec (technique)), et même, selon une expression devenue traditionnelle, comme « lart des arts et la science des sciences ». Les enseignements patristiques présentent également lascèse en utilisant les catégories de la lutte, du combat (()et(), sui ont cette signification outre celle d »effort » et d »entraînement », apparaissant souvent comme des équivalents d()) : mais nous pouvons remarquer, sans prétendre ramener ces dernières catégories aux précédentes, quelles en sont complémentaires, puisque la médecine a pour but de sattaquer aux causes de maladies, de lutter contre les maladies, et de les vaincre, moyennant la mise en uvre dune stratégie et lutilisation dun arsenal thérapeutiques, et.
Lexpression des modalités du salut de lhomme en terme de thérapeutique et de guérison est souvent considérée par certains commentateurs contemporains comme une simple image. Cela est vrai dans quelques cas, mais dans beaucoup dautres cest dun symbole quil faut parler, fondé sur lanalogie naturelle qui existe entre les maladies corporelles ou psychiques et les maladies spirituelles. Nous nous proposons de montrer que les catégories médicales utilisées sappliquent directement à leur objet et se révèlent parfaitement adéquates à sa nature même. : la nature déchue est véritablement malade spirituellement, et cest une véritable guérison de celle-ci qui se réalise dans le Christ par lEsprit par le biais de la vie sacramentaire et de lascèse.
Il y a certes quelques difficultés à ladmettre : lhomme déchu est spontanément inconscient de son état spirituel ; ses maladies parce quelles sont spirituelles ne sont pas aussi apparentes que les maladies corporelles ou même que les maladies mentales. Et cest à ce niveau que le symbole a un rôle indispensable à jouer.
Mais nous le projet, dans cette étude, de faire voir que lAscétique orthodoxe présent e une description très détaillée de létat maladif de lhomme déchu, description qui constitue, au plan spirituel où elle se situe, une véritable sémiologie et même, en raison de son caractère systématique et cohérent, une authentique nosologie médicales. Cela apparaît particulièrement dans la classification et la description des passions (de leur nature, de leurs causes et de leurs effets) que les Pères désignent constamment et explicitement comme des « maladies spirituelles », le mot (), proche du mot () qui signifie « maladie », portant déjà par lui-même cette connotation.
Une telle nosologie est nécessaire pour envisager de manière efficace la thérapeutique et obtenir la guérison, qui constituent le but de lascèse. Nous nous proposons de montrer que cest de manière tout aussi systématique et méthodique que lAscétique orthodoxe présente cette thérapeutique, ce qui la fait apparaître comme une véritable médecine spirituelle de lhome total. Nous verrons du reste que ceux qui se livrent à lascèse sont couramment désignés dans les textes patristiques comme des thérapeutes ; thérapeutes deux-mêmes dabord, puis, lorsquils sont avancés sur la voie de lascèse et suffisamment expérimentés, de ceux qui viennent leur demander de laide pour guérir de leurs propres maladies : cest ainsi que dans les textes patristiques, les Pères spirituels sont couramment appelés « médecins ».
Cependant, si la définition de la thérapeutique spirituelle présuppose une connaissance précise des maladies et de leurs causes, cette connaissance elle-même exige que lon ait une notion précise de ce quest la santé de lhomme, puisque la notion de maladie ne prend son sens que par rapport à celle-ci. La thérapeutique, en tant quelle vise au rétablissement ou à lacquisition de la santé, suppose également que celle-ci soit clairement définie. Cest pourquoi nous commencerons par présenter la conception patristique de la santé de lhome, conception qui nous guidera tout au long de notre étude.
La notion que lanthropologie orthodoxe a de la santé de lhomme, est indissociable de celle dune nature humaine idéale possédée par lAdam originel et devant être menée par lui, dans la synergie de sa libre volonté et de la grâce divine, à sa perfection, celle de la déification. Cest dire que la nature humaine a un sens, qui se retrouve dans ses différentes composantes : elle est naturellement orientée vers Dieu et a pour destin de trouver en lui son accomplissement. Nous montrerons comment, selon lanthropologie ascétique orthodoxe, lhomme est dans un état de santé lorsquil réalise son destin et que ses facultés sexcercent conformément à cette finalité naturelle, et comment le péché conçu comme séparation davec Dieu, en détournant lhomme de ce but qui lui est essentiel, instaure en lui un état multiforme de maladie, qui se caractérise notamment par lusage pervers, contre nature, de toutes ses facultés. On verra dès lors comment lascèse théanthropique par laquelle lhomme se convertit ontologiquement, constitue une véritable thérapeutique en ce quelle lui permet de se dé-tourner de cet état pathologique contre nature et de recouvrer la santé de sa nature originelle en se re-tournant vers Dieu.
Jean-Claude Larchet Thérapeutique des maladies spirituelles. Introduction Cerf2000 p 7-13
[1]Uit « Thérapeutique des maladies spirituelles. Une introduction à la tradition ascétique de lÉglise orthodoxe. » Jean-Claude Larchet. Paris. Cerf. 2000 (2007) 51,5 Euro.
[2] On peut remarquer que ce double sens se retrouve en copte, et de nos jours dans la langue italienne où la salute désigne à la fois le salut et la santé.
La notion que lanthropologie orthodoxe a de la santé de lhomme, est indissociable de celle dune nature humaine idéale possédée par lAdam originel et devant être menée par lui, dans la synergie de sa libre volonté et de la grâce divine, à sa perfection, celle de la déification.
Cest à dire que la nature humaine a un sens, qui se retrouve dan ses différentes composantes: elle est naturellement orientée vers Dieu et a pour destin de trouver en lui son accomplissement. Nous montrerons comment, selon lanthropologie ascétique orthodoxe, lhomme est dans un état de santé lorsquil réalise son destin et que ses facultés sexercent conformément à cette finalité naturelle, et comment le péché, conçu comme séparation davec Dieu, en détournant lhomme de ce but qui lui est essentiel, instaure en lui un état multiforme de maladie, qui se caractérise notamment par lusage pervers, contre nature, de toutes ses facultés. On verra dès lors comment lascèse théanthropique par laquelle lhomme se convertit ontologiquement, constitue une véritable thérapeutique en ce quelle lui permet de se dé‑tourner de cet état pathologique contre nature et de recouvrer la santé de sa nature originelle en se re-tournant vers Dieu.
Jean-Claude Larchet Thérapeutique des maladies spirituelles. Cerf2000 p 13 §1