Ik ben William
Ik ben een man en woon in Gent (België) en mijn beroep is Magazijnier.
Ik ben geboren op 26/12/1969 en ben nu dus 56 jaar jong.
Mijn hobby's zijn: Egyptologie, geschiedenis, cultuur, architectuur, muziek, lezen, citytrips, .....
Als Ranoferhotep,It-Neter van Ra, dienaar van de Oude Egyptische Goden.
Klik hier onder op een categorie om alle artikels van die categorie te lezen!
Veel priesters uit het oude Egypte stierven jong
door hartkwalen, veroorzaakt door de vette gerechten die werden geofferd aan de
Goden. Die conclusie trekken wetenschappers van de Universiteit van Manchester
in het wetenschappelijke magazine The Lancet.
De ziekte atherose (aderverkalking) lijkt
tegenwoordig een mode-verschijnsel, omdat steeds meer mensen te vet eten. Het
bleek echter ook al voor te komen voordat de frituurpan werd uitgevonden.
Onderzoekers van de universiteit hebben op basis van vertaalde hiërogliefen en
onderzoek bij mummies geconcludeerd dat veel priesters een te hoge dosis vet en
calcium in hun aderen hadden, waardoor de kans op een hartstilstand of een beroerte
groter was.
Zaken als rundvlees, vet gevogelte, brood, cake en
wijn werden geofferd aan de goden. Het brood werd vaak vermengd met vet.
Melk,eieren en de cakes werden gebakken met dierlijke vetten en oliën. Ook werd
veel zout gebruikt. Allemaal voedsel waar tegenwoordig veelvuldig voor wordt
gewaarschuwd, maar die in de Oude Egyptische tijd over bleven na een offer.
Vaak werden ze verdeeld onder het personeel dat het meenam naar hun familie.
Veel priesters aten zelf echter teveel van de ongezonde offers. Hun leven 'als
god', verkortte hun leven daardoor zeer. Ook hun familieleden werden volgens de
onderzoekers dikwijls slachtoffer van het vette voedsel.
De onderzoekers uit Manchester hielden onlangs 22
mummies onder een scanner. Van de zestien mummies, waarvan de aders en het hart
goed te bekijken was, bleken negen last te hebben gehad van aderverkalking. Dat
is mogelijk het gevolg van het dieet volgens de hiërogliefen waarin bovendien
wordt gesuggereerd dat sommige priesters het te offerde voedsel soms helemaal
zelf op aten zonder het te offeren.
Onder de gewone burgerbevolking kwam aderverkalking
zelden tot nooit voor in het oude Egypte. Doorsnee Egyptenaren aten vaak
vegetarisch, vooral granen en groente.
De oudst
bekende prothese dateert van voor 600 voor Christus en werd gebruikt in het
oude Egypte. Dat stelt Jacqueline Finch, onderzoekster van de universiteit van
Manchester.
In de necropolis Thebe werd in 2000 de mummie van
Tabaketenmut gevonden. Deze dochter van een hogepriester leefde tussen 950 en
710 voor Christus. Bij haar overblijfselen werd een van leer en hout gemaakte
kunstteen gevonden. Het leek er toen al op dat deze kunstteen als prothese had
gediend, maar bewezen was dit nog niet.
Het was ook mogelijk dat de kunstteen enkel als
grafgift aan Tabaketenmut werd meegegeven.
Jacqueline Finch van de universiteit van Manchester
liet onlangs replica's van de kunstteen maken. Vervolgens liet ze vrijwilligers
zonder grote teen replica's van oude Egyptische sandalen aantrekken en de
replica's van de kunstteen uitproberen. De vrijwilligers moesten een vast
parcours lopen en werden onderwijl vanuit verschillende gefilmd.
Alle vrijwilligers vonden de prothese uiterst
nuttig en ook uit de videobeelden bleek dat de kunstteen wel degelijk veel
ondersteuning bood. De bij het onderzoek betrokken wetenschappers noemden de
onderzoeksresultaten 'spectaculair'. Finch acht het zeer waarschijnlijk dat de
kunstteen honderden jaren geleden ook als prothese is gebruikt.
De kunstteen van Tabaketenmut is daarmee de oudst
bekende prothese. Tot voor kort was een kunstbeen van hout en brons uit Capua
(Italië) de oudste prothese ter wereld. Dit hulpstuk dateert ongeveer uit 300
voor Christus.
De prothese van Tabaketenmut. Het been bevond zich vroeger in het
Koninklijk Geneeskundig College van Londen, maar werd verwoest bij de
bombardementen door de Duitsers in WOII
Met het kouder wordende weer in België, kunnen
velen onder ons al een paar handschoenen of wanten gebruiken.
Niemand zou echter direct denken aan het gebruik
van handschoenen in een warm land als het Oude Egypte. Handschoenen in het Oude
Egypte zijn bekend van een paar reliëfs, maar het echte bewijs dat deze wel
degelijk bestonden werd gevonden in het graf van Toetanchamon. In de vele
kisten en dozen die kledij bevatten trof Howard Carter immers verschillende
paren handschoenen aan, waaronder zelfs kinderhandschoenen.
Twee paar handschoenen uit het graf van Toetanchamon
Of de Egyptenaren zelf uitvinder van de handschoen
zijn of dat dit een door vreemde mogendheden geïntroduceerd product was is niet
geheel duidelijk.
Vermoedelijk kende men twee soorten handschoenen,
deze gebruikt ter bescherming bij bv. het mennen van een strijdwagen en handschoenen
gebruikt als statussymbool tijdens plechtigheden. Dit laatste weten we van een
fragment van een reliëf het welke Eje voorstelt terwijl hij het goud van
verdienste ontvangt en waarbij hij voor de gelegenheid rode handschoenen
draagt.
De vraag is, geloofde de gewone Egyptenaar "in de
straat dat hij dat was en waarom was het noodzakelijk dat hij die religieuze leerstellingen
geloofde.
Om de ontwikkeling van het koningschap en het
geloof in de Goddelijkheid van de Farao te begrijpen, dienen we te kijken naar
de ontwikkeling van de beschaving in de Nijlvallei en deze vergelijken met de
vooruitgang in de rest van de wereld.
Religie en religieuze ceremonies waren een noodzaak
om de primitieve culturen en beschavingen samen te houden die zich zon
zevenduizend jaar geleden, of ouder, begonnen te vormen. De grote angst van die
tijd was de dood en de duisternis die deze bracht. De belofte van een leven na de
dood voor degenen die geloofden en de ware leer aanhingen was een grote
stimulans om dit te doen.
Het land mag dan uiteindelijk wel verenigd zijn
onder één heerser met één juridisch wet- en
belastingsstelsel, het volk zelf kon echter enkel verenigd worden onder één
religie. De verschillende festivals, ceremoniën en gemeenschappelijke daden van
aanbidding waren de bindende elementen die het volk bij elkaar brachten als een
natie.
We mogen het denken in het Oude Egypte ook niet
vergelijken met de huidige concepten betreffende cultuur, wetten, moraal of
ethiek. Een rijke beschaving samen houden, met een groeiende bevolking en een
rijzende economie, en daarbij trachten buitenlandse machten tegen te houden die
maar wat graag die verworvenheden wilden veroveren was zeker geen gemakkelijke
taak. Wanneer we dit in het achterhoofd houden, is het klaar waarom
beschavingen in het algemeen, en de Egyptische in het bijzonder ontwikkelde op
de manier waarop zij deden.
Ontwikkeling van de staat
Er wordt verondersteld dat de ontwikkeling van de
Egyptische staat nauw aansluit bij de ontwikkeling van andere staten in
hetzelfde gebied op hetzelfde tijdstip.
Oorspronkelijk waren de nomadische stammen
jagers-verzamelaars, terwijl het klimaat geschikt was voor de groei van bebost
grasland. Toen het klimaat droger werd en het grasland begon uit te drogen migreerden
de stammen naar oases en stromende rivieren. Die stammen die zich konden
aanpassen aan deze nieuwe situatie evolueerden geleidelijk aan naar agrarische
cultuur die hen in het merendeel van hun voedsel voorzag. Langzaam groeiden
deze stammen in omvang en begonnen voedseloverschotten te verhandelen met
naburige stammen. Dit zou uiteindelijk ook geleid hebben tot huwelijken tussen
mensen van verschillende stammen en zelfs samensmelting tot grotere groepen.
Wanneer een bepaalde stam voedseltekorten of een
tekort aan vrouwen had, resulteerde dit tot rooftochten op naburige stammen. Wanneer
een bepaalde stam groeide en sterker werd begon deze een groter gebied
domineren en andere stammen assimileren. Naarmate de stam aan belang won in de
regio werd hun leider krijgsheer en in sommige gevallen nam deze later de
koningsmantel op zich.
Ontwikkeling van de leider
Hoe invloedrijker de stam, hoe invloedrijker de
macht van de leider werd. De leiders waren meestal van het mannelijk agressieve
geslacht, daar leiders gekozen werden via gevechten tussen verschillende
uitdagers. Eens gekozen omringde de leider zich met een sterke groep van
agressieve vertrouwelingen om zijn leiderschap te versterken. De leider kon aan
de macht blijven zolang hij zich kon verzekeren van de loyaliteit van zijn
volgelingen, dit bekwam hij o.a. door hen bepaalde privileges te geven zoals
het beste voedsel en de eerste keuze uit vrouwen.
De meer capabele leiders realiseerden zich al gauw
dat de sterke arm techniek om het volk onder controle te houden minder
vooruitgang bracht dan economische groei. Het was ook een zekere vorm van
verspilling daar het mannen van hun werk afhield om zijn leiderschap af te
dwingen. Hoe minder manschappen hij nodig had, hoe meer goederen er konden
geproduceerd en verhandeld worden.
De intelligentere leiders begonnen dan ook de meer
capabele en vooral denkers rond zich te verzamelen die konden optreden als zijn
adviseurs.
Hersenen vervingen zo geleidelijk spierkracht, de vechtersbazen
kregen de leiding over het leger en de grenswachten terwijl de leider zich
omringde met een groep adviseurs die de verschillende aspecten van de
staatszaken organiseerden onder zijn leiding. Naarmate deze taken groter en
complexer werden verzamelden deze adviseurs op hun beurt ook mensen rondom zich
om hen daarbij te assisteren.
Ontwikkeling van de religie
Parallel met de groei van de stammen en het gezag
van de krijgsheren/koningen ontwikkelde er zich ook een primitieve vorm van religie.
In eerste instantie het aanbidden in één of andere vorm van de zon, de maan,
bepaalde sterformaties en zelfs gevaarlijke dieren. Dit was een belangrijke
stap in de ontwikkeling van de staat.
Alle beschavingen ontwikkelden hun eigen
scheppingsmythe waarbij ze namen aan de Goden gaven die daarvoor instonden. Men
dacht nog steeds over de Goden in menselijke termen, zodat de Zonnegod
bijvoorbeeld nood had aan helpers. Deze stonden in voor het weer, vruchtbaarheid
van de gewassen, de rivier en alle soorten van verschillende menselijke en
natuurlijke activiteiten.
Van de leider of koning werd verwacht dat hij zijn
volk beschermde, dit betekende ook dat hij er diende voor te zorgen dat er
bijvoorbeeld voedselvoorraden aangelegd werden om tijden van hongersnood op te
vangen. Indien hij daar niet of onvoldoende in slaagde, diende hij zijn leger
op pad te sturen om naburige staten te annexeren en hun voedselvoorraden te
stelen. Wanneer hij daar niet in slaagde werd hij gedood en werd zijn macht
overgenomen door één van zijn generaals of de overwinnaar.
Ergens in dit alles werd het de gewoonte om de
Goden te bedanken voor hun steun tegen hun buren, maar ook voor een goede oogst
of de regen. Het was slechts een kleine stap om de Goden dan ook om hulp te
vragen voor een goede oogst of een overwinning op hun buren. Wanneer er continu
overwinningen en/of goede oogsten behaald werden, verklaarde de koning dit door
te zeggen dat de Goden hem en zijn koninkrijk gunstig gezind waren.
De meer machtige koningen maakten het algauw
duidelijk dat zij begunstigd waren door de Goden zodat niemand hen nog kon
afzetten zonder de toorn van de Goden over hen af te roepen. Hoe het concept
van het Goddelijk Koningschap zich uiteindelijk ontwikkelde is niet bekend. Er
zijn daar twee denkpistes rond. De eerste stelt dat een koning, bang voor zijn
positie, verklaarde een visioen gekregen te hebben waarin de Goden hem
vertelden dat hij hun afgezant of vertegenwoordiger op aarde was. De tweede
piste stelt dat een koning na een aantal maanden van huis geweest te zijn, bij
thuiskomst zijn koningin zwanger aantrof. Waarbij zij als excuus aanvoerde dat
zij bezocht werd door een God, de vader van de koning, die haar bezwangerde om
op die manier de lijn van de God-Koningen voort te zetten. Dit idee komt in
zoveel oude religies voor dat het ongetwijfeld gekopieerd werd in diverse mythologieën
van verschillende landen.
De Farao stond centraal in het Egyptische leven.
Hij omvatte zowel het wereldlijke als het sacrale dat voor de Egyptenaren één
en hetzelfde was. Hij oordeelde over wettelijke disputen, en leidde de religieuze
rituelen die Egypte onderhielden. De Farao was niet alleen een God-Koning, maar
hield ook de balans van Maät in evenwicht. Dat was de wet van orde over chaos
die gold voor de gehele wereld. Zolang de koning als het gewone volk de Goden
eerden den de door hen gestelde wetten respecteerden bleef de balans van Maät
in evenwicht en bleef alles goed. Mocht de Farao falen dan zou de ganse wereld
daar de gevolgen van dragen en afdalen in de ondenkbare staat van anarchie.
Zelfs de rituele gewaden van de Farao waren zo
ontworpen zodat ze zijn macht toonden. De symbolen van de Goden waren eveneens
de werktuigen van de koning zijn ambt. De kromstaf om de onschuldigen te leiden
en belonen, de vlegel om de schuldigen te straffen. De dubbele kroon die hem de
autoriteit gaf om over de Twee Landen te heersen en de Uraeus of Oog van Ra dat
alles zag wat de koning deed, goed of kwaad.
Men geloofde dat de Geest van Horus die bij hem
binnen trad op het moment van zijn kroning in zijn lichaam woonde om hem te begeleiden
op het pad van Maät. Wanneer hij stierf voegde zijn geest zich samen met deze
van Osiris zodat hij zijn opvolgers zou kunnen begeleiden.
Waarom Goddelijkheid essentieel
was.
Aangezien elke koninkrijk groeide, diende iedere
koning even groot te zijn als deze van zijn naburige staten, anders zouden zijn
volgelingen overlopen naar de grotere koning en de sterveling verstoten. Niemand
wou immers geregeerd worden door een inferieure of middelmatige koning. Zo werd
geleidelijk het idee van het Goddelijk Koningschap ontwikkeld. Dit idee werd ondersteund
door de priesters die het raadzamer vonden de koning te steunen, en in ruil
daarvoor zelf koninklijke steun kregen, dan het risico te nemen dat de blaam en
eventueel vergelding op hen zou komen mocht het verkeerd lopen en blijken dat
de Goddelijke voorspoed afnam. De Goddelijke Koning kon in principe niet worden
afgezet, tenzij hij de Goddelijke voorkeur verloor en bijgevolg zelf niet
langer Goddelijk was en aldus kon worden vervangen. Als hoofd van de staat en
omwille van zijn Goddelijke afkomst ook hoofd van de religie, leidde hij de
belangrijkste religieuze riten en ceremoniën. Dit diende louter om zijn positie
te versterken.
Het concept van het Goddelijk Koningschap en de
onbevlekte ontvangenis waren zo belangrijk in het Egyptische geloof dat veel
koningen mammisi, of geboortehuizen bouwden waarin de Goddelijke conceptie
van de koningin door Osiris of een andere God afgebeeld werd, samen met het
vormgeven van het pasgeboren kind op de pottenbakkersschijf door Chnoem in het
gezelschap van Hathor, die aanwezig was bij de koninklijke geboorte.
Conclusie. Het concept van het Goddelijk Koningschap
was van het grootste belang voor de continuïteit van het Egyptische
regeringsstelsel en burgerlijke orde in het Oude Egypte. De Farao werd gezien
als de afgezant van de Goden en zolang de religieuze riten onder zijn leiding
werden uitgevoerd en Maät gehandhaafd bleef, bleef het leven goed en het land
voorspoedig. De denkbeeldige macht van de koning kwam door de steun van de
Goden aan de koning en zolang die steun bleef kon het land niks overkomen. Ging
die Goddelijke steun echter verloren, dan kwam er onrust in het koninkrijk totdat
er een nieuwe sterke koning aan de macht kwam die opnieuw de steun van de Goden
genoot.
Het belang van het Goddelijk Koningschap werd
erkend door alle Faraos tot de Romeinse tijd en iedere nieuwe koning beriep
zich op de mythe van de Goddelijke conceptie om zijn (of haar) aanspraak op de
troon te legitimeren.
De koninklijke processie uit de Poolse film Faraon (1966 Jery Kawalerowicz)