Kies Keurig
Links
  • Uitleg bij sommige links
  • Winkel / Recensies
  • Mijn engelstalige website (uitgebreider)
  • Mijn kerk
  • Website van een christelijke geschiedkundige
    Zoeken in blog

    Inhoud blog
  • Galaten hoofstuk 1: Trachten wij Schijnbroeders te behagen?
  • Volg het Woord, wees een woord
  • Een preek over de liefde ter gelegenheid van het feest van St. Valentijn
  • Kleine maar grote verschillen: vergelijkingen tussen Judas Isakriot en Simon Petrus, Martha en Maria Magdalena en Maria Magdalena en Simon Petrus
  • Focus niet op angst
  • Focus steeds op de Heilige Geest
  • Geniet van het leven
  • De boze wijngaardeniers
  • Psalm 25:1-11
  • Hoe God de vrouw eer geeft
  • Wie bepaalt jouw agenda?
  • Een Vreugdevol Nieuwjaar
  • De Kracht van het spreken in Tongen voor Evangelisatie
  • Mensen Uitnodigen tot Jezus
  • Ruth
  • Over Hulp die we mogen verwachten van de Heilige Geest
  • Een Hoofd vol Vrede in plaats van een Hoofd vol Zorgen
  • De Macht van Jezus: Vergeving, Verzoening, en Herstel
  • De Macht van Jezus over onze Levens
  • De Macht van Jezus
  • De Geest en de Eucharistie
  • Herder of Wolf?
  • Nieuwjaarswensen
  • Een preek over de dwaalleer der Nicolaïeten en der Gnostici
  • Een Preek over Twee Bomen
  • Maria, de Apostelen en de Heilige Geest
  • Enkele Leerrijke Elementen uit Gordon Fee en Douglas Stuart, "How to Read the Bible for All Its Worth"
  • Gods Gezette Tijden en hun Vervullingen in Christus
  • De Stad Gods, Vaderland der Gelovigen [korte versie]
  • De Stad Gods, Vaderland der Gelovigen [lange versie]
  • Nieuwtestamentische Aansluiting
  • Genesis versus Egyptologie
  • IJsjeschristendom en Erfzondeleer
  • De Mens en zijn Zoektocht naar Voldoening en naar God
  • De Verkiezing in het Oude Testament
  • Persoonlijke Relatie met God in het Oude Testament
  • De Antichrist
  • Jeremia 11:11 uitgelegd
  • Onvoorwaardelijke Gehoorzaamheid
  • Zuiver van Hart
  • Waarin Geloven Pinksterchristenen?
  • Het Geloof in de Godheid van Christus is Noodzakelijk
  • Kladversie van "Het Geweten en de Gouvernementele Visie op het Zoenoffer in Relatie tot Evangelisatie"
  • Het Einde vanaf Het Begin
  • Dr. W.F. Dankbaar over Dwaalleraar Marcion
  • Dr. W.F. Dankbaar over De Gnostiek
  • Niet buigen
  • Jezus huilde
  • De 'Grote Toorn' over Israël (2 Koningen 3:27)
  • God bezoekt 2 Prostituees - De Parabel van De 2 Prostituees
  • Advent - De Verwachting van De Wederkomst van Christus
  • Romeinen in Perspectief
  • Waarom Ik hou van Mijn Lokale Kerk
  • De Drie-Eenheid in Jesaja 48:12-13,16
  • Genesis 3:22 leert niet dat De Mens aan God Gelijk is geworden
  • Een Facebook Gesprek over De Gouvernementele Theorie van Het Zoenoffer
  • Volgens De Bijbel zou Jij Dood moeten zijn
  • Winkel / Recensies
  • William Booth over De Gaven van De Geest volgens Gordon Lindsay
  • John Wesley over Het Calvinisme volgens Gordon Lindsay
  • Leiders zijn niet gebaat bij Huldeblijken
  • Wat We in De Kerk nodig hebben
  • De Grenzen van Het Land van Belofte
  • Bijbels Verschil tussen Vreemdeling en Onbekende
  • Het Zondvloedverslag uit Het Gilgameš-Epos en Oudere Teksten versus Het Bijbelse Zondvloedverslag
  • Het Babylonische Scheppingsverhaal versus Het Bijbelse Scheppingsverhaal
  • Genesis 10 is geen Interpolatie
  • Één Paar of Zeven Paar
  • Het Verschil tussen De Namen Jahwè en Elohim
  • Het Bewijs van Onze Liefde voor Jezus
  • Losprijs Model van Het Zoenoffer
  • Uitleg over Links
  • Tõledõt
  • 5 Redenen om De Sabbat te houden
    11-04-2021
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Galaten hoofstuk 1: Trachten wij Schijnbroeders te behagen?

    Vandaag gaan we beginnen aan een reeks over de brief van Paulus aan de Galaten.[1] Het is allereerst goed om in ons achterhoofd te houden dat: ´Wanneer we de brieven van Paulus lezen, dan lezen we geen dingen die bedoeld zijn als geleerde oefeningen en theologische verhandelingen, maar menselijke documenten geschreven door een vriend aan zijn vrienden¡.[2] Wanneer we spreken over zijn brief aan de Galaten, kunnen we zeggen dat het opvalt ´dat de gebruikelijke dankzegging of zegen ontbreekt. Paulus schijnt zo verontrust te zijn over de ontwikkelingen in Galatië, dat hij abrupt met zijn visie komt¡.[3]

    Galaten hoofdstuk 1:

    1-5: ´Paulus, apostel, niet vanwege mensen, ook niet door een mens, maar door Jezus Christus en God de Vader, die Hem uit de doden heeft opgewekt, en al de broeders die bij mij zijn, aan de gemeenten van Galatië: genade zij u en vrede van God de Vader en van onze Heer Jezus Christus, die Zichzelf heeft gegeven voor onze zonden, opdat Hij ons zou trekken uit de tegenwoordige boze eeuw, naar de wil van onze God en Vader, Wie de heerlijkheid zij tot in alle eeuwigheid! Amen.¡

    Jezus is opgestaan uit de dood. Over dit wonderbaar en historisch feit schreef en sprak ik onlangs. Zonder de opstanding van Jezus en Zijn verschijning aan Paulus, zou er geen christelijke bekering en christelijke bediening van Paulus geweest zijn en dan zou Paulus niet naar de heidenen zijn gegaan (Romeinen 11:13; 1 Timotheüs 2:7; 2 Timotheüs 1:11) en dan zouden we ons misschien allemaal hebben moeten laten besnijden. Over de vervolging van Paulus vanwege zijn boodschap tegen de noodzaak van de besnijdenis om als heiden bij Jezus te horen, zullen we het later nog hebben.

    Jezus gaf zichzelf en leed voor ons uit liefde voor ons. Paulus gaf zichzelf en leed voor ons. Deze liefde redde ons van onze zonden en ze redde ons van deze tegenwoordige boze wereld. Paulus was niet alleen, de broeders waren met hem, hierover vertel ik straks meer.

    6-10: ´Ik verwonder mij, dat u zo snel van Hem die u door de genade van Christus heeft geroepen, overgaat naar een ander evangelie, dat geen ander is; maar er zijn sommigen die u in verwarring brengen en het evangelie van Christus willen verdraaien. Maar zelfs als wij, of een engel uit de hemel, u een evangelie verkondigen naast dat wat wij u als evangelie verkondigd hebben, die zij vervloekt! [Met andere woorden, die zij buiten Gods vriendschap, zegen en ware gemeenschap!] Zoals wij vroeger hebben gezegd, zo zeg ik ook nu weer: als iemand u een evangelie verkondigt naast dat wat u ontvangen hebt, die zij vervloekt! [Met andere woorden, die zij buiten Gods vriendschap, zegen en ware Kerk!] Want probeer ik nu mensen tevreden te stellen of God? Of tracht ik mensen te behagen? Als ik nog mensen behaagde, zou ik geen slaaf van Christus zijn.¡

     Zoals ik al eerder vertelde valt het op ´dat de gebruikelijke dankzegging of zegen ontbreekt. Paulus schijnt zo verontrust te zijn over de ontwikkelingen in Galatië, dat hij abrupt met zijn visie komt. Daarbij benadrukt hij dat er maar één evangelie is. Elk ander evangelie is geen evangelie. Paulus wil geen betweter of hoogmoedig zijn. Jezus Christus zelf heeft hem het evangelie geopenbaard, dat hij aan de niet-joden moet verkondigen. Er blijkt dus ook een gezagscrisis te bestaan rond de persoon van Paulus. Als er over zijn gezag geen zekerheid kon bestaan, zou ook het conflict in Galatië niet opgelost kunnen worden¡.[4]

    Paulus had namelijk vele joodse vijanden die de besnijdenis predikten en hem zelfs naar het leven stonden (Handelingen 13:45-14:1-5,19, 17:1-9). In het volgende hoofdstuk noemt hij hen ´de binnengeslopen valse broeders, die zich hadden binnengedrongen om onze vrijheid te bespieden die wij in Christus Jezus hebben, met het doel ons tot slavernij te brengen¡ (2:4). Het was het veiligst voor hem om hen te behagen. Toch weigerde Paulus dit en was hij bereid zijn leven voor hen, zijn vijanden, alsook voor hun redding, te geven. Paulus benadrukt keer op keer dat wie een ander evangelie verkondigt, dat mensen behaagd, vervloekt is (1:8-10), en hij besluit dan ook: ´Voor hen zijn wij ook geen uur geweken door ons te onderwerpen, opdat de waarheid van het evangelie bij u blijft¡ (2:5). Johannes Chrysostomos zei in diezelfde trant: ´Allereerst zeg ik dat we geen rekening moeten houden met het beledigen van mensen, wanneer als we hen eren we hierdoor God beledigen. En tegen hen die hierdoor misnoegd zijn, zeg ik dat het niet veilig is zich door deze dingen beledigt te voelen, maar dat het hen veel kwaad berokend. Want ik denk dat diegenen die op God vertrouwen en slechts op Hem kijken, een godsdienstige neiging moeten hebben, niet zo iets als een belediging te beschouwen, zelfs als ze hierdoor duizend maal op hun tenen getrapt waren¡.[5] Dit doet me denken aan iets heel lelijks dat ik tegenkom onder mijn generatie christenen. Ze zouden me misschien wel als valse christen veroordelen maar, wat veel erger is, is dat velen van hen wegkruipen als slangen onder een vals-religieus dekentje. Velen geloven namelijk in zulke vals-religieuze ideeën als ´oordeel niet¡, terwijl Jezus zei ´Oordeelt niet naar het aanzien, maar velt een rechtvaardig oordeel.¡ (Johannes 7:24), ´U zult hen dus aan hun vruchten kennen¡ (Matteüs 7:20) en ´En dan zal Ik openlijk tot hen zeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, werkers van de wetteloosheid!¡ (Matteüs 7:23), ´niemand is perfect¡, terwijl Jezus zei: ´Weest u dan volmaakt zoals uw hemelse Vader volmaakt is¡ (Matteüs 5:48). Of zoals de traditionele Engelse bijbels het verwoorden: ´Wees perfect zoals je Vader in de hemel perfect is¡, ´we zondigen omdat we als zondaars geboren zijn¡ of  ´we kunnen niet anders dan zondigen, dat zit namelijk in onze natuur¡, terwijl Gods profeet Ezechiël zegt: ‘Het woord van Jahweh werd tot mij gericht: Hoe komt gij er toe, bij u op Israëls grond dit puntdicht aan te halen: ´De vaders eten zure druiven, maar de kinderen krijgen er stroeve tanden van?¡ Zowaar Ik leef: spreekt Jahweh, de Heer: laat niemand van u dit spotwoord nog ooit in Israël gebruiken! Zie, alle mensen zijn voor Mij gelijk; vader en zoon zijn voor Mij gelijk: alleen de mens die zondigt, zal sterven!ÿ (Ezekiel 18:1-4, Canisiusvertaling), ´God vergeeft toch alles¡ terwijl Jeremia schreef: ´Dat wij ons gedrag onderzoeken en toetsen, En ons tot Jahweh bekeren; (…) Wij bleven zondigen, en waren opstandig: Gij kondt geen vergiffenis schenken!¡ (Klaagliederen 3:40,42, Canisiusvertaling) en Ezechiël schreef: ‘De Israëlieten zeggen: ´De wegen van de Heer zijn onrechtvaardig!¡ Ben ik onrechtvaardig, Israëlieten? Zijn júllie het niet die onrechtvaardig zijn? Ik zal iedereen beoordelen naar de weg die hij gegaan is – spreekt God, de HEER. Kom tot inkeer, bega geen misdaden meer, anders brengt jullie schuld je ten val. Breek met het zondige leven dat jullie hebben geleid, en vernieuw je hart en je geest. Dan hoeven jullie niet te sterven, Israëlieten! Want de dood van een mens geeft me geen vreugde – spreekt God, de HEER. Kom tot inkeer en leef!ÿ (Ezechiël 18:29-32, NBV 2004), ´we zijn slechts mensen¡, hiertegen schreef een dame: ‘We horen Gods diepe, vaderlijke stem van liefde in het begin van Genesis en we zien daar dat we geschapen waren voor het goede in wie we zijn als mensen. Een wijze seminarie professor zei ooit ongeduldig tegen me, ´Ik haat het wanneer christenen zuchten en zeggen, <<Ach, we zijn slechts mens.>> Mens zijn betekent geschapen zijn naar het beeld van God. Zonde is het ding dat ons on-menselijk maakt; het maakt het beeld van God dat in ons DNA was geplaatst, ongedaan. Enkel Jezus kan ons weer brengen naar onze bedoelde menselijkheid.¡ Als mens geschapen zijn, betekent mooi geschapen zijn, naar het beeld van Godÿ.[6] Of zoals Irenaeus van Lyon dit zovele eeuwen geleden al zo prachtig verwoordde: ´De glorie van God is de levende mens, en de levende mens is het beeld van God¡.[7] ´Alleen, zie toch: ik heb ontdekt, dat God de mensen recht gemaakt heeft, maar zij zoeken vele bedenkselen¡ (Prediker 7:29, NBG 1951). Deze generatie van de jeugd maar ook de verstokte generatie van ouderlingen, heeft geen oor naar terechtwijzingen. Ze hebben vele eigen maaksels, eigen afgoden gemaakt en achternagelopen. ´Alleen dit heb ik gevonden: God heeft de mensen rechtschapen gemaakt, Maar zelf zoeken zij allerlei slechtheid¡ (Prediker 7:29, Canisiusvertaling). Ze denken dat een schijn van religieuze vroomheid en een zondaarsgebedje, lang geleden gebeden, hen zal redden, terwijl hun harten momenteel niet bekeerd zijn. ‘Zo ontkracht u het woord van God uit eerbied voor uw eigen traditie. Huichelaars, wat is Jesajaÿs profetie toch toepasselijk op u: ´Dit volk eert mij met de lippen, maar hun hart is ver van mij; tevergeefs vereren ze mij, want ze onderwijzen hun eigen leer, voorschriften van mensen¡ÿ (Matteüs 15:6b-9, NBV 2004).

    We moeten dus zeer sterk oppassen dat we onze eigen tradities niet onderwijzen ten koste van de oorspronkelijke Traditie van het ware Evangelie of, misschien eenvoudiger gezegd, we mogen niet het ware Evangelie vervangen door onze eigen ideeën of ideeën of tradities van onze denominaties. – Dit gebeurt al te vaak en ik heb hier al ideeën van aangehaald, zoals de idee dat we God ongehoorzaam moeten blijven door te zondigen omdat we niet anders kunnen. Dit zijn duivelse ideeën van gemakzucht en wetteloosheid, die al voorkwamen bij de tegenstanders van de vroegste Kerk, zoals bijvoorbeeld bij de Gnostici (in de idee van het zondige vlees) of bij de Manicheeërs (in de idee van een demon van lust die in ieder van ons zou huizen). – Voor zijn bekering tot Jezus, onderwees Paulus zijn eigen rabbijns-joodse traditie ten koste van de oorspronkelijke Traditie van het ware Evangelie. Daarom schreef Paulus de rest van dit hoofdstuk:

    11-24: ´Want ik maak u bekend, broeders, dat het evangelie dat door mij verkondigd is, niet is naar de mens. Want ik heb het ook niet van een mens ontvangen of geleerd, maar door openbaring van Jezus Christus. U hebt immers gehoord van mijn vroegere wandel in het jodendom: dat ik de gemeente van God uitermate vervolgde en haar verwoestte, en in het jodendom meer toenam dan vele leeftijdgenoten in mijn geslacht, daar ik een nog groter ijveraar was voor de overleveringen van mijn vaderen. Maar toen het God, die mij vanaf de schoot van mijn moeder afgezonderd en door zijn genade geroepen heeft, behaagde zijn Zoon in mij te openbaren, opdat ik Hem onder de volken verkondigde, ging ik terstond niet te rade met vlees en bloed en ging ook niet op naar Jeruzalem, tot hen die vóór mij apostelen waren; maar ik ging weg naar Arabië en keerde weer terug naar Damaskus. Daarna, na drie jaren, ging ik op naar Jeruzalem om met Kefas [Petrus] kennis te maken, en ik bleef vijftien dagen bij hem; ik zag echter niemand anders van de apostelen dan Jakobus, de broer van de Heer. Wat ik u schrijf, zie, voor God, ik lieg niet. Daarna kwam ik in de streken van Syrië en Cilicië. En ik was van gezicht onbekend aan de gemeenten van Judéa die in Christus zijn, en zij hoorden alleen: hij die ons vroeger vervolgde, verkondigt [of ´evangeliseert¡ –εὐαγγελίζεται[8]] nu het geloof dat hij vroeger verwoestte. En zij verheerlijkten God in mij.¡

    Paulus ging direct vanuit Christus' verschijning en overtuiging evangeliseren omdat hij zeer enthousiast was (Handelingen 9:20-21) maar hiervóór was hij wel al gedoopt en was hij enkele dagen bij de discipelen in Damaskus (Handelingen 9:17-19) en drie jaar later verbleef hij vijftien dagen bij Petrus (Galaten 1:18) en ontmoette hij ook Jakobus (Galaten 1:19). Paulus was dus zeker geen loner of schismatiek man. Aan de vruchten kent men de boom (Matteüs 7:20). Zijn vruchten waren vruchten van eenheid met de leiders der oorspronkelijke Kerk (wat we ook gaan zien in Galaten 2:7-9) en vruchten van liefde jegens Jezus in de harten van miljarden mensen, waaronder waarschijnlijk ook wij hier vandaag.

    We hoorden in het begin van deze preek al de vraag van Paulus: ´Want probeer ik nu mensen tevreden te stellen of God? Of tracht ik mensen te behagen? Als ik nog mensen behaagde, zou ik geen slaaf van Christus zijn.¡ Paulus wilde niet meer de religieuze joden behagen. Hoe zit het met ons? Proberen wij nog religieuze schijnchristenen te behagen? Lopen wij nog mee met zondige-mensen-behagende, leugenachtige leuzen als ´je mag niet oordelen¡, ´niemand is perfect¡, ´we zijn allemaal zondaars¡, ´we kunnen niet anders dan zondigen¡, ´wat je ook doet, God vergeeft je toch, het is allemaal genade dus doe wat je wilt¡. Als ik dat evangelie verkondigde en de mensen naar de oren praatte, dan zou ik vervloekt zijn en dus buiten Gods vriendschap, zegen en ware Kerk zijn. Met Paulus zeg ik: ´Ik roep je dringend op, ten overstaan van God en van Christus Jezus, die zal oordelen over de levenden en de doden, ik bezweer je bij zijn komst en heerschappij: Verkondig de boodschap, blijf aandringen of het nu uitkomt of niet, wijs terecht, straf en vermaan met alle geduld dat het onderricht vereist. Want er komt een tijd, dat de mensen de gezonde [of heilzame, reddende] leer niet meer zullen verdragen, maar omdat hun gehoor verwend is, naar hun eigen begeerte zich tal van leraars zullen bijeenhalen [die aan hun verlangens tegemoetkomen en hen naar de mond praten], dat zij hun oor van de waarheid zullen afkeren en zich naar de verdichtsels [= verzinsels] keren. Blijf gij echter nuchter onder dit alles, aanvaard het lijden, doe het werk van een evangelist, verricht uw dienst ten volle¡ (2 Timoteüs 4:1-5, mengeling van NBG 1951 en NBV 2004). Laten we vasthouden en ´strijden voor het geloof dat eenmaal aan de heiligen is overgeleverd¡ (Judas 1:3b). Amen!



    [1] Behalve indien anders aangegeven, gebruiken we voor deze reeks preken over de brief van Paulus aan de Galaten de TELOS-vertaling (Rhenen: Grace Publishing House, 2018).

    [2] William Barclay, The Letters to the Galatians and Ephesians, 3rd ed. (Louisville: Westminster John Knox Press, 2002), xxvi. "When we read Paul's letters, we are reading things which were meant to be not academic exercises and theological treatises, but human documents written by a friend to his friends."

    [3] Secretariaat voor Dagelijkse Bijbelstudie van het Kerkgenootschap der Zevende-dags Adventisten, Galaten (Brussel: Veritas, 1990), 19.

    [4] Ibid.

    [5] John Chrysostom, ´Treatise Concerning the Christian Priesthood,¡ in Saint Chrysostom: On the Priesthood, Ascetic Treatises, Select Homilies and Letters, Homilies on the Statues, ed. Philip Schaff, trans. W. R. W. Stephens, vol. 9, A Select Library of the Nicene and Post-Nicene Fathers of the Christian Church, First Series (New York: Christian Literature Company, 1889), 44. ´Now in the first place I say that no account should be taken of the insult shown to men, seeing that by paying honor to them I should be compelled to offend God. And I should say to those who are displeased that it is not safe to take offence at these things, but does them much harm. For I think that those who stay themselves on God and look to Him alone, ought to be so religiously disposed as not to account such a thing an insult, even if they happened to be a thousand times dishonored.¡

    [6] Sarah Shin, Beyond Colorblind: Redeeming Our Ethnic Journey (Westmont, IL: IVP Books, 2017). ‘We hear Godÿs deep, fatherly voice of love in the beginning of Genesis and see that we were created for good in who we are as humans. A wise seminary professor once said to me with impatience, ´I hate when Christians sigh and say, ‘Well, weÿre only human.ÿ To be human is to be made in the image of God. Sin is the thing that makes us un-human; it undoes the image of God that was placed in our DNA. Only Jesus can restore us back to our intended humanity.¡ To be made human is to be made beautiful, in the image of God.ÿ

    [7] John Saward, vert., The Scandal of the Incarnation: Irenaeus Against the Heresies (San Francisco: Ignatius Press, 1990), 44.

    [8] Strongÿs G2097: ´εὐαγγελίζω¡ (euaggelizo).


    Categorie:Preken
    28-02-2021
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Volg het Woord, wees een woord

    [1]

    Adam was het geschapen beeld van God (Genesis 2:7). Zowel Adam en Eva waren geschapen beelden van God (Genesis 1:27). Zij werden gemaakt om de glorie van God te verspreiden en te verkondigen over de hele aarde, onder andere door zich voort te planten en zo meer beelden van God op deze aarde te plaatsen (Genesis 1:28). Het Woord, Die het Beeld van God is (2 Korintiërs 4:4b), wandelde in de Tuin van Eden (Genesis 3:8a) met hen die naar Zijn Beeld waren geschapen.[2]

    Niet alleen wandelde het Woord met het eerste mensenkoppel. Het wandelde ook met andere mensen die behoorden de glorie van God te verspreiden en te verkondigen. Zo wandelde het woord met Henoch (Genesis 5:22, 24) die waarschuwend profeteerde: ´Zie de Heer komt met zijn tienduizenden heiligen, om gericht te houden over allen, en om alle goddelozen te straffen voor al hun goddeloze werken, die ze verrichten, en voor al de vermetele woorden, die de goddeloze zondaars tegen Hem spreken¡ (Judas 1:14b-15).[3] Het wandelde met Noach (Genesis 6:9) die ook ´de heraut van de gerechtigheid¡ (2 Petrus 2:5) wordt genoemd. Over hem staat ook geschreven: ´Door geloof heeft Noë, toen hij een godsspraak ontvangen had over hetgeen nog niet was te zien, met eerbiedige zorg een ark gebouwd tot redding van zijn gezin; hierdoor heeft hij de wereld veroordeeld en de gerechtigheid  verworven die berust op geloof¡ (Hebreeën 11:7).[4] Het Woord kwam dus tot Noach en hij waarschuwde de mensen door zowel zijn strenge woorden als zijn consequente daden. Het kwam bijvoorbeeld ook tot Abraham: ´Na deze gebeurtenissen klonk het woord van de HEER in een visioen tot Abram: ‘Vrees niet, Abram, Ik zal uw schild zijn. Uw loon zal zeer groot zijn!ÿ Toen zei Abram: ‘Heer GOD, wat heb ik aan uw gaven? Want ik blijf maar kinderloos en de Damascener Eliëzer zal de bezitter van mijn huis worden.ÿ Abram zei: ‘U hebt mij geen nakomelingen geschonken, en een ondergeschikte zal mijn erfgenaam zijn.ÿ Toen werd het woord van de HEER tot hem gericht: ‘Niet hij wordt uw erfgenaam; uw erfgenaam zal iemand zijn die u zult verwekken.ÿ Hij leidde hem naar buiten en zei: ‘Kijk naar de hemel en tel de sterren, als u kunt.ÿ En Hij verzekerde hem: ‘Zo talrijk zal uw nageslacht zijn.ÿ Abram heeft de HEER geloofd en dat geloof is hem aangerekend als gerechtigheid¡ (Genesis 15:1-6). Als gevolg dat Abraham de woorden die het Woord tot hem sprak, geloofde, voegde hij de daad bij het Woord: ´Door het geloof ging Abraham, toen hij geroepen werd, gehoorzaam uit naar de plaats, die hij tot erfdeel zou ontvangen; hij vertrok, zonder te weten, waarheen hij ging. Door geloof vestigde hij zich in het land der beloften als in den vreemde, en woonde daar in tenten tezamen met Isaäk en Jakob, de mede-erfgenamen derzelfde belofte; want hij wachtte op de stad met grondslagen, wier kunstenaar en bouwheer God is¡ (Hebreeën 11:8-10).[5] Het Woord kwam dus tot Abraham en door zijn daden getuigde hij dat hij vertrouwde in het Woord alsook in de belofte van het Woord. Voordat het Woord vlees werd, kwam het ook in glorie tot de profeten. Zo lezen we bijvoorbeeld over Jeremia: ´Tot hem kwam het woord van de HEER¡ (Jeremia 1:2a). Zelf zegt hij: ´Het woord van de HEER kwam tot mij¡ (Jeremia 1:4, 11a,…). Het gevolg hiervan was dat hij profeet werd: ´Voordat Ik u in de moederschoot vormde, koos Ik u uit; voordat u geboren werd, bestemde Ik u voor Mij; als profeet voor de volken heb Ik u aangewezen¡ (Jeremia 1:5). Hij werd dus een profeet; een boodschapper van God voor de volkeren. Het Woord, de Tweede Persoon van de Drie-Eenheid stak zijn hand uit, raakte zijn mond aan en sprak tot hem, zeggende: ´Ik leg hiermee mijn woorden in uw mond¡ (Jeremia 1:9b). We zien steeds weer hetzelfde patroon terugkomen: het Woord komt tot een persoon en geeft die persoon een opdracht, waarna die persoon niet meer dezelfde is maar ervoor kiest om het Woord te gehoorzamen.

    Datzelfde glorieuze woord is vlees geworden! Jezus zond namelijk zichzelf: ´Hij die bestond in goddelijke majesteit heeft zich niet willen vastklampen aan de gelijkheid met God. Hij heeft zichzelf ontledigd door het bestaan van een dienstknecht op zich te nemen en aan de mensen gelijk te worden. En als mens verschenen heeft Hij zich vernederd door gehoorzaam te worden tot de dood, tot de dood op het kruis¡ (Filippenzen 2:6-8).[6] ´Ja, het woord is vlees geworden! Hij is onder ons zijn tent komen opslaan en we hebben zijn heerlijkheid gezien, de heerlijkheid die Hij als eniggeboren Zoon aan de Vader ontleende, vervuld als Hij was van genade en waarheid¡ (Johannes 1:14).

    Jezus werd door God de Vader gezonden: ´Want zo lief heeft God [de Vader] de wereld gehad, dat Hij zijn eengeboren Zoon heeft gegeven; opdat allen, die in Hem geloven, niet verloren zouden gaan, maar het eeuwige leven zouden hebben¡ (Johannes 3:16).[7]

    Jezus werd ook gezonden door de Heilige Geest en door de Vader: ´De engel antwoorde haar [Maria]: ÿHeilige Geest zal op u komen en kracht van de Allerhoogste zal u overdekken. Daarom zal het kind heilig genoemd worden, Zoon van Godÿ¡ (Lucas 1:35).

    Jezus werd ook gezonden door de Heilige Geest vanuit de Vader bij zijn doop toen de Heilige Geest op Hem neerdaalde: ´Het gehele volk liet zich dopen, en zo ook Jezus. Tijdens zijn gebed opende zich de hemel en daalde de heilige Geest in lijfelijke gedaante als een duif op hem neer; er klonk een stem uit de hemel: ‘Jij bent mijn geliefde Zoon, in wie Ik vreugde vindÿ¡ (Lucas 3:21-22). Dit was de ontsteking van zijn publieke bediening zoals we kunnen lezen in het volgende vers: ´Aan het begin van zijn optreden [was Jezus ongeveer dertig jaar]¡ (Lucas 3:23a). We kunnen dus stellen dat het Woord waarmee de gelovigen die ons voorgegaan zijn in aanraking kwamen en waardoor ze veranderden en hun bediening of roeping opnamen, nu, bij Zijn waterdoop, als Mens Zijnde, Zèlf een aanraking kreeg met de Heilige Geest, de Derde Persoon van de Drie-eenheid, waardoor Hij werd ´gemissied¡ (gezonden op Gods missie) om God bovenal lief te hebben en te leven voor Hem – dit deed hij onder andere vlak hierna door de beproevingen van de duivel te weerstaan – en om Gods glorie te verspreiden en te verkondigen over de hele aarde, en om te leven voor Zijn naasten en zelfs Zijn leven te geven voor Zijn naasten (zie onder andere Johannes 3:16).

    De Heilige Geest zond ook de apostelen toen Hij als met vuur op hen neerdaalde: ´Toen de dag van Pinksteren aanbrak, waren zij allen op één plaats bijeen. Plotseling kwam er uit de hemel een geraas alsof er een hevige wind opstak, en het vulde heel het huis waar zij waren. Er verschenen hun vurige tongen, die zich verspreidden en zich op ieder van hen neerzetten. Zij raakten allen vol van heilige Geest en begonnen te spreken in vreemde talen, zoals de Geest hun ingaf¡ (Handelingen 2:1-4). Vuur is ook en typisch kenmerk in het Oude Testament bij de verschijning van het Woord van God bij de aanstelling van profeten. Zo lezen we bijvoorbeeld dat het Woord van God als volgt verscheen toen Moses door Hem aangesteld zou worden: ´Toen verscheen hem de engel van de HEER, in een vuur dat opvlamde uit een doornstruik. Mozes keek toe en zag dat de doornstruik in lichterlaaie stond en toch niet verbrandde¡ (Exodus 3:2). Moses onderzoekt dit verschijnsel en hoort de stem van de Heer. Hij antwoordt de Heer met ´Hier ben ik¡ (Exodus 3:3-4). Of zo lezen we bijvoorbeeld ook in de autobiografie van Jesaja: ´Maar één van de serafs vloog op mij af met een gloeiende kool, die hij met een tang van het altaar had genomen, hij raakte er mijn mond mee en sprak: ‘Zie, nu dit uw lippen heeft aangeraakt, is uw zonde verdwenen, en uw schuld bedekt.ÿ Daarop hoorde ik de stem van de Heer: ‘Wie zal Ik zenden, wie zal in onze naam gaan?ÿ Ik antwoordde: ‘Hier ben ik, zend mijÿ¡ (Jesaja 6:6-8).

     

    Ook aan Paulus verscheen het Woord in vlees. Zo werd Paulus ook een boodschapper van God: ´Saulus ging nog altijd fel te keer en bedreigde de leerlingen van de Heer met de dood. Hij wendde zich tot de hogepriester en vroeg hem brieven voor de synagogen in Damascus, zodat hij aanhangers van de weg die hij daar zou vinden, mannen zowel als vrouwen, gevangen kon nemen en naar Jeruzalem overbrengen. Hij was op weg en naderde Damascus al, toen hem plotseling een hemels licht omstraalde. Hij viel op de grond en hoorde een stem tegen hem zeggen: ‘Saul, Saul, waarom vervolg je Mij?ÿ Hij zei: ‘Wie bent U dan, Heer?ÿ Deze antwoordde: ‘Ik ben Jezus die jij vervolgt. Kom, sta op en ga de stad binnen. Daar zal je gezegd worden wat je doen moet.ÿ Zijn reisgenoten stonden sprakeloos; ze hoorden de stem wel, maar zagen niemand. Saulus stond op van de grond, maar hoewel hij zijn ogen open had kon hij niets zien. Ze namen hem dus bij de hand en brachten hem zo Damascus binnen. En het duurde drie dagen dat hij niet kon zien en niet at of dronk. Nu was er in Damascus een leerling die Ananias heette. De Heer zei in een visioen tegen hem: ‘Ananias!ÿ en hij antwoordde: ‘Hier ben ik, Heer.ÿ [Merk op dat Ananias ook een visioen krijgt van het Woord en antwoordt zoals Mozes of Jesaja. Mozes zei: ´Hier ben ik¡ en Jesaja zei: ´Hier ben ik, zend mij¡. De ´hier ben ik, Heer¡ van Ananias is de korte versie. ´Zend mij¡ wordt verondersteld. Hierop wordt ook Ananias aangesteld als boodschapper of verkondiger van God.] Daarop zei de Heer tegen hem: ‘Sta op en ga naar de Rechte Straat en vraag in het huis van Judas naar iemand uit Tarsus die Saulus heet. Hij is nu juist in gebed en heeft in een visioen gezien hoe iemand met de naam Ananias binnenkomt en hem de handen oplegt, zodat hij weer kan zien.ÿ Hierop zei Ananias: ‘Heer, ik heb al van veel kanten gehoord hoeveel kwaad deze man uw heiligen in Jeruzalem heeft aangedaan. Ook hier beschikt hij over een machtiging van de hogepriesters om ieder die uw naam aanroept gevangen te nemen.ÿ Maar de heer zei tegen hem: ‘Ga, want deze man is het instrument dat Ik gekozen heb om mijn naam hoog te houden onder de volken [Dus, net zoals Adam en de anderen die ik in deze preek al genoemd heb, wordt Paulus aangesteld om Gods glorie te verspreiden en te verkondigen over de hele aarde] en hun koningen en onder de Israëlieten. Ik zal hem namelijk laten zien hoeveel hij moet lijden omwille van mijn naam.ÿ Ananias vertrok, ging het huis binnen en legde hem de handen op. ‘Saul, broeder,ÿ zei hij, ‘de Heer heeft mij gestuurd – Jezus, die je onderweg hierheen is verschenen – opdat je weer kunt zien en vervuld wordt van heilige Geest.ÿ Meteen vielen hem als het ware de schellen van de ogen. Hij kon weer zien, stond op en liet zich dopen. Hij at iets om weer op krachten te komen. Hij was enkele dagen bij de leerlingen in Damascus en meteen al verkondigde hij in de synagogen dat Jezus de Zoon van God is¡ (Handelingen 9:1-20). Hij veranderde dus ook vanwege een ontmoeting met het Woord en als gevolg hiervan werd hij een apostel; een boodschapper van God voor de volkeren. Het Woord, Jezus, zei tegen hem: ´Ga want Ik stuur je ver weg, naar de heidenen¡ (Handelingen 22:21b). Jezus zond hem dus.

    Paulus zond ook zichzelf. Hij veranderde zich. Hij bekeerde zich. Hij vroeg namelijk aan Jezus: ´Wat moet ik doen, Heer?¡ (Handelingen 22:10a). Dit was zijn vrijewilsbesluit. En hij koos er hierna ook voor om verre reizen te maken ter wille van het Evangelie. Ieder christen is gezonden ter wille van het Evangelie. Wij zijn allen gezondenen. Wij worden allen gezonden door het Woord dat vlees is geworden: ´Jezus trad nader en sprak tot hen: ‘Mij is alle macht gegeven in de hemel en op aarde. Gaat dus en maakt alle volkeren tot mijn leerlingen en doopt hen in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest en leert hen te onderhouden alles wat Ik u bevolen heb. Ziet, Ik ben met u alle dagen tot aan de voleinding der wereldÿ¡ (Matteüs 28:18-20).[8]

    Net als in de vorige voorbeelden kunnen wij en behoren wij christenen er ook voor kiezen om onszelf te zenden. Kiezen wij er vanaf vandaag voor om te gaan en Jezus Christus, het Woord van God, en Zijn evangelie te verkondigen? Kiezen wij ervoor om te leven als een ´gezonden woord van God¡ voor de mensen? Kiezen we er voor om het beeld van God uit te dragen in onze daden alsook in onze woorden? De opdracht van Jezus aan jou is nog steeds: ´Ga en verkondig het evangelie!¡



    [1] Deze preek is gebaseerd op Michael S. Heiser, ´Standing in the Council,¡ in ibid., I Dare You Not to Bore Me with the Bible (Washington, St. Bellingham: Lexham Press, 2014), 91-94. De bijbelvertaling die voor deze preek gebruikt wordt, behalve indien anders weergegeven, is de Willibrordvertaling geheel herziene uitgave 1995 ('s-Hertogenbosch: Katholieke Bijbelstichting, 1999).

    [2] Irenaeus van Lyons vermeldt dezelfde overtuiging in zijn Tegen de Ketterijen. Irenaeus was een discipel van Polycarpus die een discipel van Johannes de Evangelist, de schrijver van het Johannesevangelie was.

    [3] De versie van deze passage is genomen uit de Petrus Canisiusvertaling (Utrecht / Brussel: Uitgeverij het Spectrum, 1948).

    [4] De versie van deze  passage is genomen uit Het Nieuwe Testament van onze Heer Jesus Christus editie 1961 (Boxtel: Katholieke Bijbelstichting Sint Willibrord, 1963).

    [5] De versie van deze passage is genomen uit de Petrus Canisiusvertaling (Utrecht / Brussel: Uitgeverij het Spectrum, 1948).

    [6] De versie van deze  passage is genomen uit Het Nieuwe Testament van onze Heer Jesus Christus editie 1961 (Boxtel: Katholieke Bijbelstichting Sint Willibrord, 1963).

    [7] De versie van deze passage is genomen uit de Petrus Canisiusvertaling (Utrecht / Brussel: Uitgeverij het Spectrum, 1948).

    [8] De versie van deze  passage is genomen uit Het Nieuwe Testament van onze Heer Jesus Christus editie 1961 (Boxtel: Katholieke Bijbelstichting Sint Willibrord, 1963).


    Categorie:Preken
    14-02-2021
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Een preek over de liefde ter gelegenheid van het feest van St. Valentijn
    Deze preek kan u hier beluisteren:


    De geschreven versie zal misschien later volledig worden uitgewerkt voor u, beste lezer.

    Categorie:Preken
    31-01-2021
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Kleine maar grote verschillen: vergelijkingen tussen Judas Isakriot en Simon Petrus, Martha en Maria Magdalena en Maria Magdalena en Simon Petrus

    [1]

    In deze preek gaan we enkele mensen uit de Bijbel met elkaar vergelijken. Om het overzichtelijk te houden, kunnen we deze vergelijkingen als volgt kort samenvatten:

    Eerst gaan we Judas en Petrus vergelijken vanuit Mattheus 26 en 27 en Johannes 20 en 21.

    Dan gaan we Martha en Maria Magdalena vergelijken vanuit Johannes 11.

    Ten slotte gaan we Maria Magdalena en Petrus vergelijken vanuit Johannes 18, 19 en 20.

    =========================================================================================

    Om Petrus en Judas te vergelijken, kunnen we allereerst best naar een passage in Mattheus gaan, namelijk Mattheus 26:31-35: ´Toen zeide Jezus tot hen: Gij zult allen aan Mij aanstoot nemen in deze nacht. Want er staat geschreven: Ik zal de herder slaan en de schapen der kudde zullen verstrooid worden. Doch nadat Ik zal zijn opgewekt, zal Ik u voorgaan naar Galilea. Petrus antwoordde en zeide tot Hem: Al zouden allen aanstoot aan U nemen, ik nooit! Jezus zeide tot hem: Voorwaar, Ik zeg u, in deze nacht, eer de haan kraait, zult gij Mij driemaal verloochenen. Petrus zeide tot Hem: Zelfs al moest ik met U sterven, ik zal U voorzeker niet verloochenen. Zo spraken ook al de discipelen.¡ Hier zien we dus dat Petrus zichzelf echt had voorgenomen Jezus niet te verraden. Niet zo met Judas. Hij had Jezus al verraden. We lezen namelijk hiervoor al in Mattheus 26:14-16: ´Toen ging één van de twaalven, genaamd Judas Iskariot, naar de overpriesters, en hij zeide: Wat wilt gij mij geven? Dan zal ik Hem u overleveren. En zij stelden hem dertig zilverlingen ter hand. En van toen af zocht hij een goede gelegenheid om Hem over te leveren.¡ Dus, ik herhaal nogmaals: Petrus wou Jezus echt niet verraden en had dit zichzelf sterk voorgenomen, terwijl Judas dit slechts veinsde. Toch lezen we over Petrus dat hij Jezus zou verraden: ´Jezus zeide tot hem: Voorwaar, Ik zeg u, in deze nacht, eer de haan kraait, zult gij Mij driemaal verloochenen.¡ Petrus ontkent dit ten stelligste: ´Petrus zeide tot Hem: Zelfs al moest ik met U sterven, ik zal U voorzeker niet verloochenen.¡ Toch lezen we over Petrus in Mattheus 26:69-75: ´Petrus zat buiten in de hof en er kwam een slavin naar hem toe, die zeide: Ook gij waart bij Jezus, de Galileeër. Maar hij loochende het ten aanhoren van allen en zeide: Ik weet niet, wat gij zegt. Toen hij naar het portaal ging, zag een andere hem en zij zeide tot hen, die daar waren: Die man was bij Jezus, de Nazoreeër. En wederom loochende hij het met een eed: Ik ken de mens niet. Even later kwamen zij, die daar stonden, naar Petrus toe en zeiden: Waarlijk, ook gij behoort tot hen, want ook uw uitspraak verraadt u. Toen begon hij zich te vervloeken en te zweren: Ik ken de mens niet. En terstond kraaide een haan. En Petrus herinnerde zich het woord, dat Jezus gesproken had: Eer de haan kraait, zult gij Mij driemaal verloochenen. En hij ging naar buiten en weende bitter¡. Petrus had zich echt voorgenomen Jezus niet te verloochenen, Judas niet. Dit verraad van Petrus was dus misschien psychologisch of mentaal nog zwaarder dan het verraad van Judas, getuige zijn bittere tranen. Toch wanhoopte Petrus uiteindelijk niet maar hij hoopte op een herstelde relatie met de Heer. Deze hoop op een herstelde relatie kwam uit liefde voor de Heer, zoals Petrus zei tot Zijn Heer toen Die hem had gevraagd of hij Hem liefheeft: ´Here, Gij weet alles, Gij weet, dat ik U liefheb¡ (Johannes 21:17b).

    Niet zo met Judas. Na Jezus verraden te hebben, ging hij niet naar Jezus maar hij ging naar hypocriete voorgangers die Jezus haatten en Judas niet zouden helpen. We lezen namelijk in Mattheus 27:3-5: ´Toen kreeg Judas, die Hem verraden had, berouw, daar hij zag, dat Hij veroordeeld was, en hij bracht de dertig zilverlingen aan de overpriesters en oudsten terug, en hij sprak: Ik heb gezondigd, onschuldig bloed verraden! Maar zij zeiden: Wat gaat ons dit aan? Gij moet zelf maar zien wat ervan komt! En de zilverlingen in de tempel werpende, verwijderde hij zich; daarop ging hij heen en verhing zich¡. Hier was dus geen pastorale counseling te bespeuren: ´Wat gaat ons dit aan?¡ of: ´Het is niet onze zaak¡ – we moeten trouwens voor elkaar zorgen in deze coronatijden –. Had Judas naar Jezus gegaan, dan had hij beseft dat Jezus met ons kan meevoelen en dat we, wanneer we dit nodig hebben, altijd naar Zijn troon van genade mogen gaan, zoals staat in de Hebreeёnbrief (Hebreeën 4:14-16). Of zoals Petrus zelf getuigde toen hij schreef in 1 Petrus 5:7: ´Werpt al uw bekommernis op Hem, want Hij zorgt voor u¡. De farizeeën hadden geen relatie met Jezus. Hoewel onze voorgangers en oudsten wel een relatie met Jezus hebben, kunnen zij je niet ten volle helpen als je niet in een relatie met Jezus stapt. Natuurlijk zijn we er voor jullie, maar het gaat allereerst om jouw persoonlijke relatie met de Here Jezus. Wanhoop dus niet, maar herneem je relatie met Jezus.

    Petrus was eerst een symbool van eigen trots, een nutteloos geloof in eigen werken zonder genade, het zelf willen regelen, louter logisch willen denken, ongeloof, wanhoop, geen juiste relatie met de Heer en vrees en wanhoop voor de toekomst. Maar dan wordt hij een symbool van onverdiende genade, en hoop voor de toekomst in Jezus door middel van een herstelde relatie met de Heer. Judas is een symbool van wanhoop vanwege het niet vinden van de oplossing voor de zonden van je verleden en jouw traumaÿs in Jezus Christus.

    Hebben we onze hoop in Jezus? Hebben we relatie en vertrouwen of zijn we wanhopig vanwege de coronasituatie of misschien vanwege onze zonden uit het verleden? Kiezen we er ieder persoonlijk voor om onze relatie met de Heer te herstellen?

    =========================================================================================

    Laten we voor de tweede vergelijking Johannes 11:1-44 lezen:[2]

    ´Er was iemand ziek, Lazarus van Betaniё, het dorp van Maria en haar zuster Marta. Maria was het, die de Here gezalfd had met mirre en zijn voeten met haar haren had afgedroogd. En haar broeder Lazarus was ziek. De zusters dan zonden Hem bericht: Here, zie, die Gij liefhebt, is ziek. Toen Jezus het hoorde, zei Hij: Deze ziekte is niet ten dode, maar ter ere Gods, opdat de Zoon van God erdoor verheerlijkt worde. Jezus nu had Marta en haar zuster en Lazarus lief. Toen Hij dan hoorde, dat hij ziek was, bleef Hij daarop nog twee dagen ter plaatse, waar Hij was; daarna echter zeide Hij tot zijn discipelen: Laten wij weder naar Judea gaan. (…) Toen Jezus dan aankwam, bevond Hij, dat hij reeds vier dagen in het graf lag. Betaniё nu was dicht bij Jeruzalem gelegen, op een afstand van ongeveer vijftien stadiën. Vele uit de Joden waren tot Marta en Maria gekomen om haar te troosten over haar broeder. Toen nu Marta hoorde, dat Jezus kwam, ging zij Hem tegemoet [zij roept zichzelf], doch Maria bleef in huis zitten [zij kent haar plaats en roept zichzelf niet]. Marta dan zeide tot Jezus: Here, indien gij hier geweest waart, zou mijn broeder niet gestorven zijn [ze is wat onbeschoft]. Ook nu weet ik, dat God U geven zal al wat Gij van God begeert. Jezus zeide tot haar: Uw broeder zal opstaan. Marta zeide tot Hem: Ik weet, dat hij zal opstaan bij de opstanding ten jongsten dage. Jezus zeide tot haar: Ik ben de opstanding en het leven; wie in Mij gelooft, zal in eeuwigheid niet sterven; gelooft gij dat? Zij zeide tot Hem: Ja, Here, ik heb geloofd, dat Gij zijt de Christus, de Zoon van God, die in de wereld komen zou [ze gelooft in de opstanding op de dag des oordeels maar ze gelooft nog niet dat jezus lazarus kan opwekken]. En na deze woorden ging zij heen en riep haar zuster Maria in stilte en zeide: Daar is de Meester en Hij roept u [de meester roept haar, zij roept niet zichzelf]. En toen zij dat hoorde, stond zij ijlings op en ging tot Hem [volledige verbondstrouw]; Jezus echter was nog niet in het dorp gekomen, maar bevond Zich nog op de plaats, waar Marta Hem ontmoet had. De Joden dan, die met haar in het huis waren en haar troostten, zagen Maria ijlings opstaan en naar buiten gaan [je zou kunnen zeggen dat ze dacht bij zichzelf: ´ik ga naar jezus en het kan me niet schelen wat de anderen van me denken¡] en zij volgden haar, vermoedende dat zij naar het graf ging om daar te wenen. Toen Maria dan kwam, waar Jezus was en Hem zag, viel zij Hem te voet en zeide tot Hem: Here, indien Gij hier geweest waart, zou mijn broeder niet gestorven zijn [nederigheid, volledige onderwerping, en volledig geloof].

    Toen Jezus haar dan zag wenen en ook de Joden, die met haar meegekomen waren, zag wenen, werd Hij verbolgen in de geest en diep ontroerd, en Hij zeide: Waar hebt gij hem gelegd? Zij zeiden tot Hem: Here, kom en zie. Jezus weende. De Joden dan zeiden: Zie, hoe lief Hij hem had! Maar sommigen van hen zeiden: Had Hij, die de ogen van de blinde heeft geopend, niet kunnen maken, dat ook deze niet stierf? Jezus dan, wederom bij Zichzelf verbolgen, ging naar het graf; dit nu was een spelonk en er lag een steen tegenaan. Jezus zeide: Neemt de steen weg! Marta, de zuster van de gestorvene, zeide tot Hem: Here er is reeds een lijklucht, want het is al de vierde dag. [ongeloof, ze gelooft nog niet dat jezus lazarus kan opwekken voor de dag des oordeels. jezus gaat hierop in:] Jezus zeide tot haar: Heb Ik u niet gezegd, dat gij, indien gij gelooft [indien gij verbondstrouw hebt jegens mij, zij had dus geen geloof / verbondstrouw], de heerlijkheid Gods zien zult? Zij namen dan de steen weg. En Jezus sloeg de ogen opwaarts en zeide: Vader, Ik dank U, dat Gij Mij verhoord hebt. Zelf wist Ik, dat Gij Mij altijd verhoort, maar ter wille van de schare, die rondom Mij staat, heb Ik gesproken, opdat zij geloven, dat Gij Mij gezonden hebt. En na dit gezegd te hebben, riep Hij met luider stem: Lazarus, kom naar buiten! De gestorvene kwam naar buiten, de voeten en de handen gebonden met grafdoeken, en er was een zweetdoek om zijn gelaat gebonden. Jezus zeide tot hen: Maakt hem los en laat hem heengaan.¡

    Marta roept zichzelf. Ze is onbeschoft. Maria wordt geroepen door Meester Jezus en haast zich dan naar haar Meester en valt onmiddellijk, nederig en in volle onderwerping aan Zijn voeten. Onthoud haar verbondstrouw jegens Jezus. Hier komen we later nog op terug. Maria Magdalena is dus hier een symbool van het besef van het nodig hebben van onverdiende genade, relatie met en vertrouwen in Jezus, terwijl Martha een symbool is van trots, een nutteloos geloof in eigen werken zonder genade, het zelf willen regelen, louter logisch willen denken, ongeloof, wanhoop, geen juiste relatie met de Heer en vrees en wanhoop voor de toekomst.

    Straks gaan we nog spreken over het zondige verleden van Maria Magdalena, maar ondanks haar zondige verleden stelde zij haar vertrouwen in Jezus, zoals we nog zullen zien. Net zoals ik u al vroeg bij Judas en Petrus, vraag ik u nu weer: Hebben we onze hoop in Jezus? Hebben we relatie en vertrouwen of zijn we wanhopig vanwege de coronasituatie of misschien vanwege onze zonden uit het verleden?

    =========================================================================================

    We kunnen namelijk nog een derde vergelijking maken; een vergelijking tussen Petrus en Maria Magdalena.

    Maria Magdalena dacht waarschijnlijk bij zichzelf: ´ik ga naar jezus en daarom kan het me nu niet schelen wat ik allemaal voor slechte dingen heb gedaan en wat anderen van me denken¡. Bij haar eerste ontmoeting met Jezus kon het haar niet schelen dat de mensen van haar wisten dat ze een zondares was, en dat ze nergens kon komen onder de mensen zonder veel publieke schande te dragen – ze stond namelijk in de stad als zondares bekend (Lukas 7:37a) – ze moest en zou bij Jezus zijn en haar trouw aan Hem betonen en maakte dit publiekelijk duidelijk; ´En zij bracht een albasten kruik met mirre, en zij ging wenende achter Hem staan [ze wou dicht bij Jezus zijn], bij zijn voeten, en begon met haar tranen zijn voeten nat te maken en droogde ze af met haar hoofdhaar, en kuste zijn voeten en zalfde ze met de mirre¡ (Lukas 7:37b-38). Jezus zei over haar: ´Voorwaar, Ik zeg u, overal waar dit evangelie verkondigd zal worden in de gehele wereld, zal ook tot haar gedachtenis gesproken worden van wat zij gedaan heeft¡ (Matteus 26:13). Jezus merkte ook haar verbondstrouw op en zei over haar: ´zij betoonde veel liefde¡ (Lukas 7:47b), en Hij zei tot haar: ´Uw verbondstrouw heeft u behouden¡ (Lukas 7:50b). Haar verbondstrouw jegens Christus werd ook duidelijk vóór de opwekking van Lazarus, want er staat: ´De Joden dan, die met haar in het huis waren en haar troostten, zagen Maria ijlings opstaan en naar buiten gaan en zij volgden haar, vermoedende dat zij naar het graf ging om daar te wenen. Toen Maria dan kwam, waar Jezus was en Hem zag, viel zij Hem te voet en zeide tot Hem: Here (…)¡ (Johannes 11:31-32). Het kon haar dus niet schelen want anderen van haar dachten, ze wou dicht bij Jezus zijn. Ook bij de kruisiging van Jezus, toen Petrus Hem verloochend had, hield zij haar trouw aan Jezus stevig vast en wou dicht bij Hem zijn: ´En bij het kruis van Jezus stonden zijn moeder en de zuster zijner moeder, Maria van Klopas en Maria van Magdala¡ (Johannes 19:25). Zo ook bij het graf en bij de opstanding. Zij wou dicht bij Jezus zijn, zelfs toen Hij lichamelijk maar een lijk was, en ze haastte zich als eerste naar het graf: ´En op de eerste dag der week ging Maria van Magdala vroeg, terwijl het nog donker was, naar het graf en zij zag de steen van het graf weggenomen. IJlings kwam zij dan bij Simon Petrus en bij de andere discipel, dien Jezus liefhad, en zeide tot hen: Zij hebben de Here [ze is nog steeds trouw aan haar Here] weggenomen uit het graf en wij weten niet, waar zij Hem hebben neergelegd. Petrus dan ging [toen pas] op weg en ook de andere discipel en zij begaven zich naar het graf¡ (Johannes 20:1-3). Maria haastte zich uit trouw aan haar Heer als eerste naar Zijn graf.

    Het verhaal gaat verder: ´En Maria stond buiten dicht bij het graf, wenende¡ (Johannes 20:11). Ze staat dicht bij het graf; ze wil dicht bij het graf zijn waar Jezus was, maar ze is verward want het lichaam van haar Heer was gestolen.

    Engelen verschijnen aan haar en tegen deze hemelse wezens noemt ze Jezus nog steeds ´mijn Here¡ (Johannes 20:13b). Dit spreekt van de hoge positie en zelfs van de goddelijkheid van Christus.

    Na Zijn opstanding verschijnt de Heer eerst aan haar, nog voor Hij verscheen aan Petrus, maar zij herkent Hem eerst niet. Ze denkt dat Hij de hovenier is (Johannes 20:14-15). Wanneer zij Jezus uiteindelijk herkent en spreekt met Hem, is zij nog steeds trouw aan haar verbond met Hem en noemt Hem ´Rabbouni!¡ Wat ´Leraar¡ of ´Meester¡ betekent (Johannes 20:15-16). Zij houdt zoveel van Hem en zij is zo trouw aan Hem dat zij Hem wilt blijven vasthouden maar zij moet loslaten want, vanwege het feit dat Jezus eerst aan haar verscheen, krijgt zij de eer Proto-apostel te zijn; de eerste verkondiger van het goede nieuws van de opstanding van onze Heer, nog voor de apostelen dit konden doen (Johannes 20:16-17).

    Na Zijn opstanding verschijnt de Heer eerst aan haar, nog voor Hij verscheen aan Petrus.

    Petrus had woorden maar geen volhardend geloof. Maria Magdalena had geen woorden maar een volhardend geloof. Ondanks haar verleden, door schaamte en bespotting heen (Lukas 7) en door fysiek gevaar van vervolging door de Romeinen heen (Johannes 19vv) behield zij trouw haar geloofsvertrouwen. Dus: je traumaÿs of zonden uit het verleden of het heden bepalen niet hoe sterk jouw geloof of jouw verbondsvertrouwen zal zijn in de toekomst. Maria Magdalena, die een zondige hoer was geweest, werd de eerste apostel (boodschapper) van de opstanding en later werd ze, volgens de overlevering, een groot profetes en apostel (in de zin van evangelist) in de richting van Syrië en ze bereikte vele mensen met het Evangelie. Haar broer Lazarus die het dodenrijk al gezien had vluchtte, volgens de traditie, voor de Joden die hem dood wilden omdat hij een levend bewijs was voor de heerschappij en opstandingskracht van Jezus. Hij ging naar Cyprus en werd daar de eerste kerkleider. Petrus, die Jezus had verloochend nadat hij al een volgeling van Jezus was geworden, werd ook een belangrijk leidinggevend figuur in de vroege Kerk, getuige hiervan de woorden van Jezus in de evangeliën, het evangelie van Markus – wat eigenlijk het evangelie van Petrus zou moeten heten aangezien hij het dicteerde aan Markus – zijn verdere evangelisatie en leidinggevende positie onder de Joodse christenen zoals opgetekend in Handelingen en zijn brieven.

    In het kort gezegd: je traumaÿs of zonden uit het verleden of het heden bepalen niet hoe sterk jouw geloof of jouw verbondsvertrouwen zal zijn in de toekomst.  waar je ook doorgaat, wat je ook hebt gedaan of aan het doen bent, vandaag kan je je bekeren en rechtstreeks tot Jezus gaan in volledige bekering. God kan veel met jou bereiken. Misschien wordt jij wel de volgende Lazarus, Petrus, of Maria Magdalena. Maak niet dezelfde fout als Judas Iskariot door zonde, trauma en wanhoop het laatste woord te geven maar maak dezelfde beslissing als Petrus en Maria Magdalena, door Jezus het laatste woord te geven. Laat je redden uit je zonden en wees trouw en gehoorzaam aan Jezus Christus onze Heer.



    [1] Alle bijbelteksten zijn genomen uit de vertaling van 1951 van het Nederlands Bijbelgenootschap (NBG1951).

    [2] Deze vergelijking, alsook een deel van de ideeën die ik hier bespreek, zijn geïnspireerd door een bijbelstudie over Maria [Magdalena] en Martha, gegeven voor de jeugdvereniging van de Assyrische Kerk van het Oosten op 19 januari 2021 door Mar Awraham Youkhanis, de bisschop van het bisdom van West Europa van de Assyrische Kerk van het Oosten, via Zoom. Hij baseerde zich op zijn beurt op de kerkvaders Johannes Chrysostomos en vooral Origenes.


    Categorie:Preken
    06-12-2020
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Focus niet op angst

    In[1] mijn vorige preek sprak ik over het feit dat we steeds moeten focussen op de Heilige Geest. Vandaag wil ik als vervolg zeggen: ´focus niet op angst¡.

    We lezen uit 1 Koningen 12. Het gaat hier eenvoudig gezegd over een periode toen Israël verdeeld was in twee koninkrijken. Het gebeurde namelijk als volgt: koning Rechabeam van het koningshuis van koning David was hardvochtig en wreed voor zijn volk. Dus splitsten de provincies van het noorden zich af en stelden zij hun eigen koning aan. Dit was koning Jerobeam. Dit alles kan u terugvinden in 1 Koningen 12:1-20.

    Laten we lezen uit 1 Koningen 12:20,25-30. We slaan dus even verzen 21 tot 24 over.

    ´De Israëlieten, die hadden gehoord dat Jerobeam was teruggekeerd, lieten hem vragen om voor de volksvergadering te verschijnen. Daar werd hij uitgeroepen tot koning van heel Israël. Er was niemand meer die het koningshuis van David steunde, behalve de stam Juda. (…) Jerobeam vestigde zich in Sichem, in het bergland van Efraïm, nadat hij de stad eerst had versterkt. Later trok hij daar weg en versterkte hij Penuel. Hij bedacht dat er alle kans was dat het koningschap weer zou terugvallen aan het huis van David en overlegde bij zichzelf: Wanneer het volk naar Jeruzalem blijft gaan om daar offers op te dragen in de tempel van JHWH, zullen ze mij vermoorden en zich weer bij Rechabeam aansluiten. Na rijp beraad besloot hij om twee gouden beelden te laten maken in de vorm van een stierkalf. Daarop zei hij tegen het volk: ‘U bent nu vaak genoeg ter bedevaart naar Jeruzalem gegaan! Israël, dit is uw god die u uit Egypte heeft geleid.ÿ Het ene beeld liet hij in Betel plaatsen, en het andere in Dan, waar het door de Israëlieten in optocht naartoe werd gebracht. Zo verviel het volk tot zonde¡ (1 Koningen 12:20,25-30).

    Wat zien we in deze passage? De koning van het noorderrijk Israël werd zelf aangesteld door de Israëlieten. Het volk had hem graag en had hem duidelijk verkozen boven hun oorspronkelijke koning Rechabeam van het zuidderrijk Judea, die zij al verworpen hadden. Hij had dus geen objectieve reden om bij zichzelf te zeggen: ´Wanneer het volk naar Jeruzalem blijft gaan om daar offers op te dragen in de tempel van JHWH, zullen ze mij vermoorden en zich weer bij Rechabeam aansluiten.¡ Dit was een niet-reëele (niet-werkelijke) angst die slechts in zijn eigen hoofd zat. Hier gold: ´Het hart is het meest listig van alle, Vol boosheid: wie kan het kennen?¡ (Jeremia 17:9, Canisiusvertaling) of, in een andere vertaling: ´Arglistig is het hart, meer dan enig ding, ja, dodelijk is het, wie zal het kennen?¡ (Jeremia 17:9, Statenvertaling). Inderdaad, angst of andere onzuiverheden in het hart kunnen overslaan in zonde die kunnen leiden tot de dood. Zo liet David Uria de man van Batsheba vermoorden (2 Samuël 12:9). Jakobus vat het samen als volgt: ´Wie in verleiding komt, moet niet beweren: ‘Die verleiding komt van God.ÿ Want God stelt niemand aan verleiding bloot, zoals hij zelf ook niet door iets slechts in verleiding kan worden gebracht. Iedereen komt in verleiding door zijn eigen begeerte, die hem lokt en meesleept. Is de begeerte bevrucht, dan baart ze zonde; en is de zonde volgroeid, dan brengt ze de dood voort¡ (Jakobus 1:13-15). Angst of onzekerheid laat u rare dingen doen en anderen meeslepen in afgoderij en / of zonde. In ons verhaal zien we het gevolg van de angst van koning Jerobeam. Deze angst zei tegen hem dat ze hem zouden vermoorden en verraden (1 Koningen 12:27). Dus: ´Na rijp beraad besloot hij om twee gouden beelden te laten maken in de vorm van een stierkalf. Daarop zei hij tegen het volk: ‘U bent nu vaak genoeg ter bedevaart naar Jeruzalem gegaan! Israël, dit is uw god die u uit Egypte heeft geleid.ÿ Het ene beeld liet hij in Betel plaatsen, en het andere in Dan, waar het door de Israëlieten in optocht naartoe werd gebracht. Zo verviel het volk tot zonde¡ (1 Koningen 12:28-30). Het gevolg van de angst van koning Jerobeam was dus dat hij het volk de eerste geboden van de tien geboden van God liet breken. Waar Jerobeam twee gouden stierkalven liet maken en over deze zei: ´dit is uw god die u uit Egypte heeft geleid¡ (1 Koningen 12:28), had God namelijk al gezegd: ´Ik ben JHWH, uw God, die u uit Egypte, uit de slavernij, heeft bevrijd. Vereer naast mij geen andere goden. Maak geen godenbeelden, geen enkele afbeelding van iets dat in de hemel hier boven is of van iets beneden op de aarde of in het water onder de aarde. Kniel voor zulke beelden niet neer, vereer ze niet, want ik, JHWH, uw God, duld geen andere goden naast mij¡ (Exodus 20:2-5a). Door zijn angst liet Jerobeam Israël dus 1. Godenbeelden maken 2. Andere goden vereren. 3. Jahweh, de ware God, verzaken. Door zijn angst had hij dus zijn eigen hart van Jahweh afgekeerd en leerde hij zijn volk hetzelfde te doen. We behoren dus goed op te passen dat we onze harten zuiver houden en ons niet laten meeslepen door onze angsten. Iemand zei dat moed niet de afwezigheid is van angst, maar het verstouten van het hart dat oog in oog is komen te staan met eigen angsten. ´Van alles waarover je waakt, waak vooral over je hart, het is de bron van je leven¡ (Spreuken 4:23).

    Maar angst was eigenlijk allang niet meer nodig. De God die later zou verraden worden door Jerobeam had namelijk zijn probleem al opgelost: <<Bij zijn terugkeer in Jeruzalem riep Rechabeam uit de stammen Juda en Benjamin honderdtachtigduizend geoefende krijgslieden op om de strijd aan te binden met de Israëlieten en het koningschap voor hem, de zoon van Salomo, terug te winnen. Maar God richtte zich tot de godsman Semanja met de woorden: ‘Zeg tegen Rechabeam, de zoon van Salomo en koning van Juda, en tegen Juda en Benjamin en de rest van het volk: ´Dit zegt JHWH: Trek niet ten strijde tegen de Israëlieten, jullie broeders, maar keer terug naar huis, want dit alles is van mij uitgegaan.¡ÿ Ze gehoorzaamden en gingen terug naar huis, zoals JHWH had gezegd>> (1 Koningen 12:21-24). Dit wordt nogmaals vermeld in 2 Kronieken: <<Bij zijn terugkeer in Jeruzalem riep Rechabeam uit de stammen Juda en Benjamin honderdtachtigduizend geoefende krijgslieden op om de strijd aan te binden met de Israëlieten en het koningschap voor hem terug te winnen. Maar de HEER richtte zich tot de godsman Semanja met de woorden: ‘Zeg tegen Rechabeam, de zoon van Salomo en koning van Juda, en tegen de Israëlieten die in Juda en Benjamin wonen: ´Dit zegt de HEER: Trek niet ten strijde tegen jullie broeders, maar keer terug naar huis, want dit alles is van mij uitgegaan.¡ÿ Ze namen de woorden van de HEER ter harte en zagen ervan af de strijd aan te binden met Jerobeam.>> (2 Kronieken 11:1-4). Er wordt dus tweemaal in de Bijbel vermeld dat God hier dus al een werkelijk-mogelijke invasie onmogelijk had gemaakt. Er was dus helemaal geen externe dreiging vanuit het zuiderrijk Juda meer. We zagen reeds dat Jerobeam, de koning van het noorderrijk Israël, zelf werd aangesteld door de Israëlieten. Het volk had hem graag en had hem duidelijk verkozen boven hun oorspronkelijke koning van het zuidderrijk Judea die zij al verworpen hadden. Er was dus ook geen interne dreiging vanuit het Noorderrijk Israël zelf. Had Jerobeam een persoonlijke en levende relatie gehad met Jahweh, dan had hij geweten dat er helemaal geen interne of externe dreigingen waren. In feite, het was Jahweh zelf die zei over de splitsing van het noorderrijk van het zuiderrijk: ´dit alles is van mij uitgegaan¡ (1 Koningen 12:24b). Welke angsten zouden we kunnen laten varen indien we meer vertrouwen op Jahweh? Zoals X in haar vorige preek aanhaalde: ´Gezegend wie op de HEER vertrouwt, wiens toeverlaat de HEER is. Hij is als een boom geplant aan water, zijn wortels reiken tot in de rivier. Hij merkt de komst van de hitte niet op, zijn bladeren blijven altijd groen. Tijden van droogte deren hem niet, steeds weer draagt hij vrucht¡ (Jeremia 17:7-8). ´Hij merkt de komst van de hitte niet op¡ en ´tijden van droogte deren hem niet¡. Hij kijkt dus niet naar angst. Hij is niet bezorgd als het wat moeilijker gaat of als hij misschien even geen vruchten draagt. Hij weet dat hij weldra weer vruchten zal dragen. Waarom? Omdat hij weet, zoals X het zo mooi verwoorde, dat zijn leven in de beek van God is. Dit water is een symbool van de Heilige Geest. De Heilige Geest is ´de bron met water dat leven geeft¡ (Openbaring 21:6b). Als we focussen op Hem, als onze ´wortels reiken tot in de rivier¡, dan geldt voor ons: ´steeds weer draagt hij vrucht¡.

    In zijn vorige preek sprak Y ook over het feit dat de toekomst soms zo uitzichtloos kan lijken dat het lijkt alsof je als ratten in de val zit. Het verleden kan je achtervolgen en je tot slaaf maken. Dit is precies wat er aan het gebeuren was met koning Jerobeam toen hij verder en verder begon te prakkeseren. Hij was zijn eigen raadgever in zijn arglistige hart (Jeremia 17:9). In plaats van te vertrouwen op de Heer, Hem zijn toeverlaat te maken, en hem zijn hart te laten doorgronden en zijn nieren te laten toetsen (Jeremia 17:7,10a), ging hij in overleg met zijn boze raadgevers (1 Koningen 12:28). Hij zat dus in de kring der bozen, stond in hun raad en wandelde er in (Psalm 1:1). Daarom bracht hij slechte vruchten voort. Het had beter geweest als hij een sterke en levende relatie met Jahweh gehad zou hebben. Dan zou hij goede vruchten voort hebben kunnen brengen. Welke angsten en welke angstvallige adviezen zouden we kunnen laten varen indien we meer vertrouwen op Jahweh?

    Zoals we leren uit het verhaal van Jerobeam: zijn er misschien situaties of personen waar wij nog bang voor zijn, terwijl de situatie al lang veranderd is? Rechabeam vormde al lang geen bedreiging meer maar toch had Jerobeam nog angst voor hem met alle gevolgen vandien. Heeft God al iets nieuw gedaan maar zitten we nog vast in het verleden? Hebben we een krachtige relatie met Jahweh of hangen we vast aan en worden we belemmerd door onze angsten? ´De liefde laat geen ruimte voor angst; volmaakte liefde sluit angst uit, want angst veronderstelt straf. In iemand die angst kent, is de liefde geen werkelijkheid geworden¡ (1 Johannes 4:18). ‘God heeft ons geen Geest gegeven van vreesachtigheid (Statenvertaling, Leidse vertaling, vert. prof. Brouwer, Petrus Canisiusvertaling), geest der vrees (Lutherse vertaling), lafhartigheid (NBG/NBV), bangheid (TELOS). ´maar [een Geest] van kracht, van liefde en zelfbeheersing¡ÿ (2 Timotheüs 1:7, Canisiusvertaling). De Heilige Geest is dus geen Geest van angst maar een Geest van kracht; kracht in plaats van belemmerd te worden door angst.

    Zoals we zagen in het verhaal over koning Jerobeam kan onze angst ons parten spelen en ons leiden tot het bedrijven van zonde. We kunnen, door invloed van onze angsten, zelfs anderen tot zonde brengen. Van welke angst moeten wij ons bekeren? Welke angst heeft ons geleid? Laten we niet focussen op angst, laten we ons niet laten leiden door angst, maar laten we focussen op de Heilige Geest en laten we ons laten leiden door Hem.



    De bijbeltekst in deze uitgave is ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, © Nederlands Bijbelgenootschap 2004/2007. Indien andere Bijbelvertalingen worden gebruikt, zal dit steeds worden aangeduid.


    Categorie:Preken
    >

    Blog tegen de wet? Klik hier.
    Gratis blog op https://www.bloggen.be - Bloggen.be, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!