Wat ik met 'lot' bedoel? In ieder geval de kans op een tragedie. De determinante buitenwereld, de stigmatisering, die ons leven absurd maakt en het op gewelddadige wijze in een door totalitarisme beheerste situatie brengt, doet die kans teniet. Als we alleen de werkelijkheid van de ons opgelegde determinanten beleven, en niet de verplichtingen die uit onze eigen - betrekkelijke - vrijheid voortvloeien, ontstaat de toestand waarin men niet door het lot wordt bepaald, de toestand van lotloosheid. Imre Kértesz
In België is de hemel heel erg vervuild door kunstlicht. Daardoor zien we maar een heel klein deel van de naar schatting 100 miljard sterren in ons melkwegstelsel. Zelfs op een heel donkere plaats ziet u met het blote oog maar zon 800 sterren. Ons eigen melkwegstelsel is in totaal zon 100 000 lichtjaar groot. Maar daarnaast zijn er ook nog sterren in andere melkwegstelsels van het heelal.
Hoeveel melkwegstelsels zijn er?
Op de foto hierboven ziet u er alvast een heleboel. Dit is de gevoeligste opname ooit en werd gemaakt met de Hubble Space Telescope. Het totale beeld is eigenlijk maar een heel klein stukje van de hemel, niet meer dan een graankorrel op een armlengte afstand. Toch staan er ongeveer 10 000 melkwegstelsels op.
De hele hemel is natuurlijk veel groter dan dit kleine stukje. Volgens een ruwe schatting zijn er in het heelal ongeveer 200 miljard melkwegstelsels met elk zon 100 miljard sterren! Het licht van de grootste stelsels op de foto deed er ongeveer een miljard jaar over om tot bij ons te komen; het licht van de kleinste lichtpuntjes zon 13 miljard jaar. Met deze foto kijken we dus tot 13 miljard jaar terug in de tijd: het prille begin van ons heelal!
Het heelal
Omstreeks 1820 kwam de astronoom Hubble tot een merkwaardige vaststelling: waar men ook kijkt, alle melkwegstelsels bewegen zich van ons weg. Bovendien merkte hij op dat de stelsels die verder van ons staan, zich ook sneller van ons verwijderen.
Als we deze beweging nu omkeren en als het ware terugkeren in de tijd, zien we in dat de melkwegstelsels in het heelal vroeger veel dichter bij elkaar stonden. Meer nog, uit de snelheidswet van Hubble kunnen we besluiten dat alle melkwegstelsels uit hetzelfde punt zijn ontstaan! Het begin van het uitdijen, zon 14 miljard jaar geleden, noemen we de geboorte van ons heelal.
Het is s nachts donker omdat het heelal niet oneindig groot, maar begrensd is. Het heelal is wel zodanig ijl dat, waar u ook kijkt, u bijna geen kans hebt om echt op een ster te botsen. Het astronomisch groot aantal sterren (een 2 met 22 nullen) blijft veel te klein in vergelijking met oneindig. De meest gevoelige foto die men ooit van het heelal maakte, is dus voornamelijk zwart Net zoals ook de nachtelijke hemel dat is voor ons blote oog.
Einstein en het evoluerende heelal
De Leuvense professor Lemaître bracht de waarnemingen over het uitdijende heelal samen met de algemene relativiteitstheorie van Einstein. Hij kwam tot de vaststelling dat er een begin moest zijn aan de evolutie van ons heelal. Tegenstanders van Lemaîtres heelalmodel bedachten er spottend de naam Big Bang voor . Na een ontmoeting met Lemaître, kwam Einstein echter al snel tot het inzicht dat de Big-Bangtheorie wel fundamenteel juist moest zijn.
Elie Wiesel Vuur in de duisternis 2 â Rabbi Nachman van Bratzlav en Rabbi Nathan van Nemirov blz 151
Eens ontbood de koning zijn raadsman en vertelde hem zijn bange gedachten: Ik heb in de stenen gelezen dat eenieder die van de eerstkomende oogst zal eten, gek zal worden: wat moet ik doen vriend?
Dat is eenvoudig, Sire, antwoordde de raadsman. Wij zullen er niet aankomen. De oogst van vorige jaar is nog niet op. Aan u om hem op te iesen, er is genoeg voor u. En voor mij.
En de anderen? zei de koning. Mijn onderdanen? Mijn trouwe dienaars? De mannen, de vrouwen, de dwazen en de bedelaars, die vergeet je! Je vergeet ook de kinderen?
Ik vergeet niemand, Sire. Maar als uw raadsman reëel wil zijn, moet hij rekening houden met de mogelijkheden. We hebben niet genoeg voorraden om iedereen te beschermen en tevreden te stellen. ER is maar net genoeg voor u en voor mij.
Toen werd koning somber en zei: Je oplossing bevalt me niet. Is er geen andere? Jammer. Maar ik hou er niet van om onderscheid te maken en nog minder om tegenstellingen te scheppen, ik weiger om helder van geest te blijven te midden van een volk dat het niet meer is. We zullen dus gek worden, jij en ik, zoals de anderen, met de anderen. In een gekke wereld dient het tot niets om van buitenaf te observeren: de gekken zullen denken dat wij gek zijn. Maar ik zou wel graag een zekere afstraling van onze tegenwoordige glorie en ook van onze tegenwoordige angst behouden; ik zou de herinnering aan deze beslissing levendig willen houden. Ik zou graag hebben dat wij dus op dat tijdstip, jij en ik, bewust zijn van wat er gebeurt.
Waar is dat goed voor, Sire?
Je zult zien, het zal ons helpen. Zo zullen we onze vrienden kunnen helpen. Wie weet, misschien zullen er dank zij ons later mensen resistent worden, zelfs als het te laat is.En de koning legde zijn arm om de schouders van zijn vriend en vervolgde: We zullen op ons voorhoofd het teken aanbrengen van de waanzin. En telkens als ik naar jou zal kijken, telkens als jij naar mij zult kijken, zullen allebei weten dat we gek zijn.
In een ver land verloor de prins zijn verstand en verbeeldde zich dat hij een kalkoen was. Hij leefde onder de tafel, naakt, en weigerde de koninklijke schotels die men voor de aanzittenden opdiende in het gouden servies van het palies; hij at alleen het graan dat bestemd was voor de kalkoenen.
De koning was ongelukkig en liet de beste artsen ontbieden, en de beroemdste specialisten; allen verklaarden dat ze er niets aan konden doen. Tovenaars ook en monniken, genezers, wonderdoeners; hun tussenkomst bleek vruchteloos.
Toen kwam er een Wijze aan het hof: Ik denk dat ik uw prins kan genezen, zie hij verlegen. Mag ik proberen? De koning stemde er in toe, en de Wijze deed tot ieders verbazing zijn kleren uit, kroop bij de prins onder tafel en begon te kakelen als een kalkoen.
Wantrouwig ondervroeg de prins hem: Wie ben jij? Wat doe jij daar? Zie je dat niet? Ik ben een kalkoen!
Hé, sprak de Wijze, wat gek om jou hier te ontmoeten!
Waarom gek? Zie je dat niet, echt niet? Zie je niet dat ik een kalkoen ben zoals jij?
De twee mannen werden vrienden en zwoeren om nooit meer uit elkaar te gaan.
En toen begon de Wijze de genezing van de prins weer aan te passen door middel van het voorbeeld. Eerst deed hij een hemd aan. De prins geloofde zijn eigen ogen niet: Ben je gek? Vergeet je wie je bent? Wil jij een mens zijn?
Weet je, sprak de Wijze rustig, geloof vooral niet dat een kalkoen die zich kleedt als een mens ophoudt een kalkoen te zijn.
De prins kan alleen maar toegeven. s Anderendaags kleedden ze zich allebei normaal. De Wijze liet zich een paar schotels brengen uit de koninklijke keuken. Wat doe je, ongelukkige! protesteerde de prins vol afschuw. GA je nu nog eten ook zoals zij?
Zijn vriend stelde hem gerust: Geloof vooral niet dat een kalkoen die eet als de mens, en met de mensen, aan hun tafel, ophoudt een kalkoen te zijn; geloof vooral niet dat het voor een kalkoen voldoende is om zich als een mens te gedragen om mens te worden; je mag alles doen samen met de mens, in hun wereld, je mag zelfs alles doen voor hen, toch blijf je de kalkoen die je bent.
En de prins was overtuigd, en hervatte zijn leven als prins.
De maker van deze verhalen is Rabbi Nachman van Bratzlav; zijn verhalen behoren tot de boeiendste in de Chassidische literatuur en vormen een wereld apart: de mens die droomt reikt verder dan zijn dromen, verder dan zijn verlangens, op zoek naar verbeelding en heil, gedragen door een verlangen naar het heilige en het wonderbaarlijke.
(Zijn werk doet denken aan dat van Franz Kafka, van wie hij volgens sommigen een soort voorloper is geweest of zelfs inspiratiebron.
Een verleidelijke en zelfs aannemelijke hypothese. Door meer dan een eeuw gescheiden Rabbi Nachman werd geboren in 1772 schijnen ze bepaalde themas en obsessies gemeen te hebben die maken dat hun geschriften tegelijk realistisch en buiten zinnen zijn. Hun hoofdpersonages beleen hun leven door het te fantaseren en hun dood door hem te vertellen.
Een merkwaardige overeenkomst: de Tsaddiek van de Oekraïne en de romanschrijver uit Praag ondergingen hetzelfde lot. Ze stierven allebei jong: de Rebbe toen hij achtendertig jaar was, de schrijver met eenenveertig jaar. Aan dezelfde ziekte: longkanker. Allebie hadden ze geëist dat hun geschriften verbrand werden. En elk had een trouwe vriend, een toegewijde tolk, een apostel aan wie we verschuldigd zijn d at hun werk bewaard bleef. Wat Max Brod was voor Kafka, dat was Rabbi Nathan geweest voor Rabbi Nachman.
Maar in tegenstelling tot de schrijver wilde Rabbi Nachman dat zijn onderwijs bewaard bleef en zelfs verspreid. Maak gebeden van mijn verhalen, zie hij tegen zijn vrienden. Gebeden, geen relikwieën.
Voordat hij stierf, beval hij zijn geschriften in het vuur te gooien, om ze naar daarboven te sturen.
Rabbi Nathan meende dat hij moest gehoorzamen en het bevel uitvoeren. Hij miste de durf van Max Brod. De twee vertellers leken meer op elkaar dan hun vurige kameraden en volgelingen.)
( )
Een vreemd mannetje, die Rabbi Nathan, genoemd van Nemirov. Hem behandelen als een gewone getuige of als schrijver aan het hof van Bratzlav, zou betekenen dat we zijn eigenlijke waarde onderschatten. Hij was niet minder origineel als discipel dan zijn Meester als Rebbe. Elk van beiden streefde op zijn manier naar zelfontplooiing. De tolk leefde alleen voor de Rebbe, en de Meester uitte zich slechts via zijn biograaf. Deze zei over het werk van de Rebbe: Je zult er het verstand van de Meester in vinden, alleen de mond is van mij.
Maar Rabbi Nathan was meer dan een instrument, dat bleek bij de dood van Rabbi Nachman. Zijn uitverkoren medewerker, primus inter pares, zal bijna als een onafhankelijke Rebbe worden beschouwd. Men kwam hem om raad vragen, om zijn zegen, men woonde zijn diensten bij. Er werd gezegd: zijn gebed is een commentaar op het Gebed. Hijzelf zou trouw en nederig blijven tot het laatste, en elke andere rol weigeren, alleen die van volgeling paste bij hem. Hij zou zeggen: De hele wereld is gek, ik incluis; maar ik heb het geluk gehad een helder denkend mens te ontmoeten. Hij zou ook zeggen: Gelukkig hij wiens ogen de ogen van Rabbi Nachman hebben gezien, gelukkig hij wiens ogen mijn ogen hebben gezien die zich hebben kunnen spiegelen in die van Rabbi Nachman.
Wat had hem er toe gedreven om naar de Rebbe van Bratzlav te gaan? Een droom, placht hij te zeggen. In mijn slaap ging ik naar de bakker om broodjes te kopen. Onderweg bleef ik staan, overvallen door een droef verdriet: zou dat het doel van mijn leven zijn? Brood halen bij deze om het aan gene te geven? Niets anders, niets meer? Op dat ogenblik verscheen mij iemand en die zei: Als je wilt dat ik je help, bind je dan aan mij. Het was Rabbi Nachman.
Rabbi Nachman bereidde hem een warm onthaal: We kennen elkaar al zo lang, maar we zien elkaar voor het eerst. Verblind, ontroerd, overrompeld, werd de bezoeker een ander mens.
Voor hem was het liefde op het eerste gezicht Hij verzaakte aan zijn reizen, verwaarloosde zijn zaak, en zelfs zijn gezin, hij hield er mee op zijn eigen leven te leiden om zich beter aan dat van de Meester aan te passen. Als de aarde overdekt was met dolken, zie hij, dan nog zou ik graag van de ene kant van de wereld naar de andere reizen om even het heilige gelaat van de Rebbe te zien.
Zijn taken: luisteren naar zijn onderwijs, zijn tafelgesprekken, flarden van zijn gedachten en toevallige uitspraken, zijn dromen, zijn humeur, zijn anekdotes; ze opvangen, ze op schrift stellen, er een lijn in brengen, ze uitgeven. Eens prees Rabbi Nachman hem, dankbaar. Elk van u heeft de hand in mijn verhalen, zei hij tot zijn vrienden, maar jouw deel, Nathan, is het grootste.
Een compliment? Neen. Een vaststelling. Dank zij het talent, de scherpzinnigheid en de waakzaamheid van Rabbi Nathan, hebben de gedachten en de legenden van de Meester ons bereikt. Hij was er g nauwgezet en daarom legde hij zijn aantekeningen aan de Meester voor, voor betering en commentaar. Zo kunnen we een verhaal soms op twee niveaus lezen, verteld, en beluisterd door de verteller zelf. Beter nog: Rabbi Nathan dacht aan zijn toekomstige lezers en stelde zich er niet mee tevreden een stukje dat hij had uitgekozen over te schrijven; hij voegde er zijn eigen uitleg aan toe en soms de omstandigheden die tot de totstandkoming eran hadden meegewerkt. Dank zij hem kan de lezer van Rabbi Nachman aanwezig zijn bij het ontstaan van sommige van zijn fabels.
`Opeens begon de bus te remmen en toen hij gestopt was, hoorde ik een gebiedende stem iets zeggen wat ik slechts gedeeltelijk kon verstaan maar via de conducteur en enkele medereizigers toch vernam. Het ging erom dat eventueel aanwezige joden de bus moesten verlaten. Aha, dacht ik bij mezelf, ze willen zeker controleren of iedereen die de stadsgrens overschrijdt wel een pasje heeft. En inderdaad, toen ik uit de bus was gestapt, stond ik tegenover een politieagent. Zonder een woord te spreken overhandigde ik hem dadelijk mijn pasje, maar hij keek het niet meteen in en gaf de chauffeur met een handbeweging te kennen dat hij moest doorrijden.'
`Hebben wij weet van de absurditeit van ons levenslot en van de schandelijke toevalligheid daarvan, van de schandelijke toevalligheid van elk ogenblik waaraan wij, feilbare mensen, ons zo schandelijk vastklampen omdat deze reeks absurde ogenblikken ons leven is?' Imre Kertész.
Imre Kertész (Boedapest, 1929) werd in 1944 als veertienjarige jongen afgevoerd naar Auschwitz. Hij keerde na de bevrijding terug naar Boedapest, waar hij sinds 1948 werkte voor de stadskrant Világosság, maar in 1951, toen de krant de partijlijn ging volgen, weer werd ontslagen. Na twee jaar militaire dienst legde hij zich toe op het vertalen van auteurs als Nietzsche, Schnitzler, Freud, Roth, Wittgenstein en Canetti, en op zijn eigen schrijverschap. Hij publiceerde romans, essays, lezingen, dagboekaantekeningen en schreef zelf het filmscript (Stap voor stap) naar zijn eerste roman, Onbepaald door het lot. In Hongarije werd zijn werk om politieke redenen lange tijd min of meer geboycot, maar in andere Europese landen werd het vertaald en gelauwerd met literaire onderscheidingen. Kertész is de eerste Hongaarse schrijver die de Nobelprijs heeft ontvangen. De auteur woont afwisselend in Boedapest en Berlijn. Liquidatie (2004) De verbannen taal (jubileumboekje 2004) Dossier K. (2007) Overige titels van Imre Kertész: Kaddisj voor een niet geboren kind (1994) Onbepaald door het lot (1995) Het fiasco (1999) Ik, de ander (2001) Dagboek van een galeislaaf (2003) Nobelprijs voor de literatuur 2002.
Opnieuw en opnieuw houdt Kertész zich (...) bezig met de voor hem zo typische notie van de lotloosheid, die hij niet opvat als ongedetermineerdheid en dus vrijheid, zoals wij misschien geneigd zouden zijn te doen, maar juist als dwang, als het ontbreken van de mogelijkheid zelf je levensbestemming, je lot te kiezen - iets wat hij kenmerkend vindt voor het leven onder de totalitaire Europese regimes van de twintigste eeuw.
De Standaard - donderdag 29 januari 2004 - auteur: Herman Jacobs
`Rebellie is in leven blijven' De nieuwe roman van Nobelprijswinnaar Imre Kertész, Liquidatie , sluit aan bij zijn magistrale `trilogie van de lotloosheid', waarin hij zijn ervaringen in Auschwitz en onder het Hongaarse communistische regime neerschreef. Een verbijsterend, uitdagend boek.
Imre Kertész' romans Onbepaald door het lot (of Lotloosheid, zoals het origineel heet, oorspronkelijk verschenen in 1975), Het fiasco (1988) en Kaddisj voor een niet geboren kind (1990) behoren zonder de geringste twijfel tot de indrukwekkendste en aangrijpendste boeken die de twintigste-eeuwse literatuur heeft voortgebracht. Deze ,,trilogie van de lotloosheid'' waarin Kertész zijn ervaringen in Auschwitz en de daar bijna naadloos op aansluitende decennia van knevelarij onder het socialisme heeft neergeschreven, leek een voltooid literair monument. Maar kennelijk vond de Hongaarse Nobelprijswinnaar dat ze toch nog aanvulling behoefde: nog eenmaal heeft hij zich, niet als essayist maar als romanschrijver, ingelaten met het thema dat hij tegen wil en dank tot het zijne heeft gemaakt. Het resultaat is de korte roman Liquidatie .
Het is een verbijsterend boek, je kunt niet anders zeggen. Alweer gaat het om een onvertelbaar verhaal, dat niettemin moet worden verteld - de oerkwestie die Kertész' werk vanaf het allereerste begin fundamenteel, existentieel heeft bepaald. Onvertelbaar omdat de ervaring van Auschwitz haast niet over te brengen valt op mensen die het geluk hebben zich bij het onbestaan in ,,de anus van de wereld'', zoals het uitroeiingskamp wel is genoemd, in feite niets te kunnen voorstellen.
Zeer beknopt samengevat gaat het in Liquidatie over de schrijver B., zijn vriend, de literair redacteur Keserü, en zijn ex-vrouw Judit. B. is een Auschwitz-overlevende die, zo vertelt Judit na zijn dood, ,,zijn hele talent in dienst van Auschwitz had gesteld: hij was de bevoegde en exclusieve kunstenaar van het Auschwitz-leven. Hij had het gevoel dat hij illegaal was geboren'' - namelijk in Auschwitz zelf - ,,zonder reden in leven was gebleven, en dat hij zich uitsluitend bestaansgrond kon verwerven door `de geheime code van Auschwitz te ontcijferen'.'' Maar daarbij was hij wel volstrekt soeverein gebleven: zijn vriend Keserü denkt later aan B. terug als iemand ,,die zich altijd onthield van handelen, die glimlachte om hoop, die nergens in geloofde, niets ontkende, niets wenste te veranderen en niets wenste goed te keuren''. B. was daarbij, misschien verrassend, tot de opvatting gekomen dat ,,rebellie is / IN LEVEN BLIJVEN / De grote ongehoorzaamheid is / ons leven vol te maken / en tegelijk de grote nederigheid / die we onszelf verschuldigd zijn / Het enig aanvaardbare middel / van zelfmoord is leven / zelfmoord plegen is / doorgaan met leven'', zoals hij het zelf formuleerde in een toneelstuk dat na zijn dood tussen zijn ongepubliceerde manuscripten wordt gevonden.
Opmerkelijk is dat B. zichzelf tóch van het leven heeft beroofd, en wel juist in 1990, toen het oude communistische regime als een mislukte soufflé in elkaar is gezakt. Nog opmerkelijker is dat B. in het zojuist vermelde toneelstuk dat in zijn nalatenschap wordt gevonden heel precies de reacties op zijn dood heeft beschreven van de mensen uit zijn naaste omgeving: Keserü en diens collega's bij de uitgeverij, onder wie Keserü's minnares Sára. Zozeer zelfs dat Keserü zich de bedenking maakt: ,,Uiteindelijk wist (hij) niet wat hij meer moest bewonderen: de kristalheldere vooruitziende blik van de auteur, zijn overleden vriend, of de welhaast berouwvolle vastberadenheid van zichzelf, waarmee hij zich met zijn voorgeschreven rol had vereenzelvigd en het verhaal had volbracht.''
Hier illustreert Imre Kertész in een soort Escheriaans doorkijkje de ,,geschrevenheid'' van zijn roman: die rol van Keserü is inderdaad voorgeschreven: hij is immers een romanfiguur. Wie weet zelfs wel een romanfiguur van B. - er wordt vrij vroeg in het boek namelijk een aanhaling geopend, waarna aantekeningen van B. geciteerd worden, die pas negen pagina's voor het slot weer wordt gesloten. Hetgeen suggereert dat alles daartussenin, inclusief de in de ik-vorm gestelde passages van de als verteller van het verhaal opgevoerde Keserü, eigenlijk uit de pen van B. afkomstig is.
Een typische Kertész-omkering bij dit alles is dat niet de schrijver B., maar juist de ,,schrijversknecht'' Keserü, zelf niet tot literaire creatie in staat, heilig in ,,het geschreven woord'' - en ,,in niets anders'' - gelooft: ,,De mens leeft als ongedierte, maar schrijft als een god. Eens kende men dit geheim, vandaag is men het vergeten: de wereld bestaat uit uiteenvallende scherven en is een onsamenhangende, donkere chaos, die alleen door de pen bijeengehouden wordt. Als je een beeld hebt van de wereld, als je niet alles vergeten bent wat er gebeurd is, dan is dat door het schrijven voor je gecreëerd, evenals het blote feit dat je een wereld hebt .'' Vandaar ook de zeer grote hardnekkigheid waarmee Keserü achter het verdwenen manuscript aangaat van de roman die B., zijn leermeester die hem ooit uit een suïcidale inzinking heeft gered, naar zijn stellige overtuiging voor diens dood nog moet hebben geschreven.
Op dat punt komt Judit in beeld, B.'s ex-vrouw (en Keserü's ex-minnares). Zij moet ten slotte toegeven dat B. die roman inderdaad nog geschreven heeft. Maar dan blijkt - het dramatisch hoogtepunt van het boek - dat zij B. over zijn absolute afwijzing van het gewone leven en de mogelijkheid tot geluk heen heeft geholpen (die ook in de trilogie, vanaf het slotstuk van Onbepaald door het lot, en zeer uitgesproken in Kaddisj, luid opklinkt). Nadat ze hem heeft verlaten, bezorgt hij haar het manuscript van zijn laatste werk met het verzoek het te verbranden, opdat op die manier Auschwitz ,,herroepen'' zij...
In Liquidatie wordt het onmogelijke op meer dan één manier mogelijk gemaakt. Van het opheffen van een permanent verliesgevende uitgeverij na de Wende , wat in het begin van het boek aan de orde is, manoeuvreert Kertész zijn vertelling via de liquidatie van de permanent verliesgevende maatschappijvorm die het Oostblokcommunisme was naar de liquidatie van het schrijven, opdat ,,Auschwitz'' (in de allerruimste zin van het woord) ongedaan gemaakt zou zijn. Het is tovenarij die je de adem beneemt, zonder tegelijk te willen verdoezelen dat een en ander onvermijdelijk (een subthemaatje in het boek) niet helemaal vrij van kitsch is. Kunst is eigenlijk niks gedaan. Tegelijk is kunst nu juist het enige waarmee in dit soort existentieel-ethische hogedrukgebieden überhaupt iets gedaan kan worden.
Kertész schrijft niet het luchtigst denkbare proza, maar af en toe stuit je op als diamant zo fonkelende, én harde, zinnen als deze (een uitspraak van Dr. Obláth, een van de collega's op de uitgeverij, in het toneelstuk van B.): ,,Hier verprutst iedereen zijn leven. Dat is een specialiteit hier, de genius loci. Wie hier zijn leven niet verprutst, heeft gewoon geen talent.''
Op heel wat meer van dergelijke aforismen, én op zeer indringende beschouwingen over de zin van het schrijven, Auschwitz en het verweer van de vrije geest in een totalitaire maatschappij vergast Kertész zijn lezers in zijn eind vorig jaar verschenen `essaydagboekroman' Dagboek van een galeislaaf. Die laat zich, blijkt nu, niet in de laatste plaats lezen als een verhelderende introductie tot de nieuwe roman.
Opnieuw en opnieuw houdt Kertész zich ook in dat boek bezig met de voor hem zo typische notie van de lotloosheid, die hij niet opvat als ongedetermineerdheid en dus vrijheid, zoals wij misschien geneigd zouden zijn te doen, maar juist als dwang, als het ontbreken van de mogelijkheid zelf je levensbestemming, je lot te kiezen - iets wat hij kenmerkend vindt voor het leven onder de totalitaire Europese regimes van de twintigste eeuw (de eerste aantekeningen in Dagboek van een galeislaaf dateren van 1961).
Kertész betoont zich in dit uitdagende boek geen systematisch denker - al is hier allerminst een warhoofd aan het woord - maar hij houdt zijn geest open voor allerlei indrukken en veronachtzaamt daarbij het schijnbaar onbeduidende niet, zoals het een goed volgeling van Montaigne past. En tegendraads is hij van nature. Wie anders dan een recalcitrante geest zou zich aan het volgende aforisme wagen: ,,Verveling is het zout des levens''?
Als ik veel natuurwetenschappelijke literatuur lees, krijg ik op een gegeven moment het gevoel dat de wereld een goedlopende machine is, een gesloten structuur met de noodzakelijke elektronische impulsen en aandriften, ingericht om te worden geboren, te vreten, te paren en te sterven; een plaats waar de aanwezigheid van de mens slechts het gevolg van de een of andere degeneratie is vermoedelijk dankzij de buitengewoon gunstige levensomstandigheden op aarde. Het gedegenereerde wezen dat wij mens noemen heeft met zijn bewustzijn hoe zal ik het uitdrukken heeft met zijn bewustzijn het mechanisme van het leven verstoord. De mens doorziet namelijk de absurditeit van dat mechanisme al moet hieraan worden toegevoegd dat hij het alleen doorziet voor zover deze absurditeit hemzelf aangaat. Voorts is het menselijke bewustzijn de enige bewustzijnsvorm die dit mechanisme als absurd beschouwt. Hoe moeten we ons in die toestand God voorstellen? Als de mens, overeenkomstig zijn verworven inzicht, geen schepsel (creatuur) is, geen van te voren uitgedacht fenomeen, bestaat hij immers, net als het overige, uit stof en is ook hij de gevangene van het gedoe dat we schepping kunnen noemen, of broddelwerk als dat laatste woord beter bevalt. Is God machteloos? Is hij lui? Wacht hij nieuwsgierig de ontwikkelingen af? Is hij een piekeraar, die voorlopig nog niet de oplossing heeft gevonden? Nu eens beantwoordt men dergelijke vragen zus, dan weer zo. Ik heb de indruk dat God een grappenmaker is, een ietwat wreedaardige grappenmaker zelfs, hoewel het hem niet ontbreekt aan de wijze, zij het beperkte goedheid van de ware grappenmaker. Natuurlijk is het onzin wat ik hier schrijf: de humor is door de mens uitgevonden, en wel omdat God tekortschoot. Als God (en met hem het leven) volmaakt was (doorgrondgelijk en zonder angst en dood), bestond er geen humor.
Ik heb nooit om toelating tot de behaaglijkheid van de Hongaarse intellectuele wereld gevraagd, bijgevolg ben ik er altijd buiten gebleven.
Als ongemakkelijke vreemdeling?
Als vreemdeling in elk geval. Want het gaat er niet om of ik wel of niet in de smaak val, het gaat erom hoe lang een mens van het type kunstenaar met behoud van zijn creativiteit in conflict kan leven met zijn omgeving Hoe lang dit misschien zelfs inspirerend kan werken en waar de frustratie begint die al om zo te zeggen schadelijk is voor de gezondheid.
Kan het zelfs je oordeelsvermogen aantasten en mogelijk je zorgvuldig uitgewerkte waardestelsel verstoren? Word je op momenten van zwakte nooit bevangen door twijfel en onzekerheid.
Wie wordt niet soms door twijfel bezocht? Ik bedoel daarmee dat ik altijd aan iedere zin twijfel, maar nooit twijfel of ik wel moet schrijven wat ik net schrijf.
Wil je wel geloven dat ik mijn eigen oeuvre niet goed ken? Toch is het waarschijnlijk zo. Nadat ik een boek geschreven heb en een periode van schuldgevoelens en een lichte kater heb doorstaan, weet ik niet meer wat ik geschreven heb.
Ik heb me nooit afgevraagd hoe belangrijk een werk van me is, daar weet ik niets van af. Ik ben te zeer doordrongen van de onverschilligheid van de wereld.
Ik denk niet dat in onze postmoderne, chaotische wereld vol terreuraanslagen ook maar iets van uitzonderlijk belang is. Ik denk dat niet alleen mensen, maar ook maatschappijen niet voor het geluk maar voor de strijd zijn geboren. Het nagestreefde doel is altijd geluk, maar dat is altijd alleen het beeld van de verlokking.
Het is nog steeds niet bekend hoe het individuele leven te verenigen is met de doelen van de maatschappij, waar we nauwelijks een notie van hebben.
We weten nog steeds niet wat ons beweegt en waarom we, voorbij het vegetatieve automatisme, eigenlijk leven.
In feite is nog steeds niet opgehelderd of wij zelf bestaan of dat we alleen de belichaamde figuren zijn van de cellenmassa die in ons aan het werk is een symbool dat doet alsof het een autonome werkelijkheid is, omdat het niet anders kan.
Ik ben niet belangrijk, maar voor mij is iets wat niet belangrijk is toch belangrijk: zo staat het ongeveer met de literatuur.
Wat vermag de kunst nog als het type mens dat zij door de eeuwen heen heeft afgebeeld (de tragische mens) niet meer bestaat? De held van de tragedie is de zichzelf scheppende en ten onder gaande mens, maar de hedendaagse mens past zich alleen nog maar aan.
Imre Kertész. Dossier K. 2006
Lotloosheid - 'Onbepaald door het lot'. Een goede titel of in ieder geval een goede ondertitel. Wat ik met 'lot' bedoel? In ieder geval de kans op een tragedie. De determinante (determinerend, bepalend element: factor die een ontwikkeling of toestand bepaalt) buitenwereld, de stigmatisering, die ons leven absurd maakt en het op gewelddadige wijze in een door totalitarisme beheerste situatie brengt, doet die kans teniet. Als we alleen de werkelijkheid van de ons opgelegde determinanten (factoren die onze ontwikkeling, onze toestand bepalen, vaststellen, bestemmen) beleven, en niet de verplichtingen die uit onze eigen - betrekkelijke - vrijheid voortvloeien, ontstaat de toestand waarin men niet door het lot wordt bepaald, de toestand van lotloosheid.
Hierbij is nog van belang dat die determinanten tegengesteld zijn aan onze natuurlijke meningen en neigingen. Aldus ontstaat de genoemde toestand in zijn meest pure vorm.
Men kan er zich op twee manieren tegen verdedigen.
We kunnen ons - quasi vrijwillig - geheel vereenzelvigen met onze determinanten (Kafka's duizendpoot worden) en zo proberen ze tot ons lot te maken.
De andere mogelijkheid is dat we tegen de determinanten in opstand komen, maar dan worden we er het slachtoffer van.
Geen van beide mogelijkheden is een goede oplossing, want in beide gevallen zijn we gedwongen onze determinanten als werkelijkheid op te vatten (moeten we pure willekeur bijna als natuurlijk aanvaarden, hoewel we weten dat die willekeur, hoe schijnbaar onveranderlijk ook, theoretisch door ons zou kunnen worden opgeheven), terwijl de determinante kracht, de absurde macht, ook nog eens over ons triomfeert. Zij bedenkt immers een naam voor ons die niet de onze is en maakt ons tot een ding, hoewel wij voor iets beters zijn geboren.
Het probleem van de 'muzelman' (in de concentratiekamptaal van destijds: een gevangene die door de ontberingen geestelijk en lichamelijk volledig is uitgeput) is hoe hij van zijn determinanten een lot kan maken. Dat kan hij natuurlijk niet, want die determinanten zijn geen eeuwig leven beschoren. Ze verliezen op een gegeven moment hun historische geldigheid en worden dan door iedereen verketterd.
Er blijft dus niets van over behalve de herinnering aan lichamelijke pijn. En natuurlijk het vooruitzicht in de toekomst opnieuw bepaald te worden.(01-05-1965)
De twee belangrijkste metaforen van de twintigste eeuw: concentratiekamp en pornografie twee fenomenen die met totale hulploosheid en slavernij verband houden. Het is of de natuur de mens en zijn voortbestaan haar verderfelijke zijde toekeert door de menselijke natuur radicaal te onthullen. (juni 1990)
Hoe ver ben ik van alles verwijderd: van mijn woorden, van mijn daden, van andermans woorden, van mijn eigen leven, van andermans leven, van het leven!...
De filosofie van Onbepaald door het lot van Imre Kértesz
Het verhaal van een 15 jarige jongen die terechtkomt in concentratiekampen, geen verhaal zoals die andere die we al gelezen of gezien hebben. Het is optimistisch maar hard, naïef maar niet dom. Imre tracht de logica van het onlogische te vatten, alle gebeurtenissen een plaats te geven in zijn eigen lot, zijn vrijheid te behouden maar vooral: Hij tracht de tijd door te komen. Hier een filosofische bespreking van het boek
Le differend
Volgens Lyotard brengt elke ordening differends (geschillen) met zich mee, deze zijn de negatieven van de heersende orde, ze geven er de grenzen van aan. Steeds werden deze geschillen zo goed mogelijk toegedekt. Sommige geschillen zijn echter onmiskenbaar, zo ook Auschwitz. Auschwitz is het grote geschil in het geschiedenisverhaal van Hegel. Hegel ziet de geschiedenis als een proces waarin alles bijdraagt tot de toename van de redelijkheid en vrijheid. De Holocaust past onmogelijk in deze geschiedenisvisie, de zinloosheid ervan vormt een onoplosbaar conflict met het grote geschiedenisverhaal.
In de concentratiekampen heerst een logica die compleet verschilt van die van de moderniteit, een logica die voor de logische mens onvatbaar lijkt. Wat echter wanneer je in zon concentratiekamp terecht komt? In dit boek wordt dat perfect verduidelijkt. We zien hoe het hoofdpersonage zich tracht aan te passen aan het nieuwe systeem waarin hij terecht komt en de logica van het onlogische tracht en uiteindelijk ook weet te begrijpen. Zo zien we dat zelfs het onlogische logisch kan zijn, dat de menselijke geest krachtiger is dan we denken.
Taal en werkelijkheid
Het is erg opvallend dat het hoofdpersonage op het einde van het boek, wanneer hij opnieuw een vrij mens is, meer moeilijkheden lijkt te hebben dan voordien. Hij vindt het moeilijk zijn visie op de situatie in de concentratiekampen duidelijk te maken aan buitenstaanders. Het lijkt alsof ze in een andere wereld leven en zich onmogelijk kunnen inbeelden hoe het leven in een kamp eruit zag. Hij lijkt de dingen helemaal anders te begrijpen dan deze mensen. Hij is een ex-gedeporteerde en alleen diegene die dat ook zijn kunnen de Holocaust zien zoals hij werkelijk was.
Volgens het logisch atomisme steunt onze gewone omgangstaal op de logica en weerspiegelt de structuur van de logica de structuur van de werkelijkheid. Wanneer we ons in een andere werkelijkheid, met een andere logica bevinden zal onze omgangstaal dus ook anders zijn. Het hoofdpersonage heeft een jaar lang in een andere realiteit geleefd, een realiteit met een eigen logica. De taal is afhankelijk van de werkelijkheid waarin men leeft, wat een ander mens gruwelen noemt kan de jongen niet zo aanduiden. Hij kan het woord onmogelijk nog begrijpen zoals een gewoon mens dat doet. De logica, de werkelijkheid waarin hij zich heeft bevonden maakt het hem moeilijk zichzelf begrijpbaar te maken aan de buitenstaanders. De woorden die hij spreekt zijn dezelfde dan die, die de anderen gebruiken, hun betekenis is dat echter niet. Hij heeft in een andere wereld geleefd en deze wereld is nu onvermijdelijk een deel van hem. De taal waarin hij zich uitdrukt, de woorden die hij spreekt zijn onvermijdelijk beïnvloed door wat hij heeft meegemaakt. Bepaalde woorden kan hij onmogelijk nog begrijpen zoals een ander mens dat doet, bepaalde woorden zullen bij hem altijd een andere betekenis blijven hebben. Alleen diegene die zijn lot gedeeld hebben zullen zijn taal werkelijk begrijpen.
De kloof die hij hier ervaart tussen zichzelf en de alledaagse mensen moet moeilijk geweest zijn. Het idee dat ze het nooit zullen begrijpen zoals hij dat doet nog moeilijker. In het kamp leefde hij samen met lotgenoten, ze spraken allen dezelfde taal, er was een gevoel van samenhorigheid. Na de bevrijding komt hij opnieuw terecht in het echte leven waar hij dat gevoel niet langer terug lijkt te vinden. De eerste persoon die hij wil opzoeken is dan ook een vriend uit het kamp. De jongen lijkt zich niet langer thuis te voelen bij de mensen die voordien zijn vrienden of kennissen waren. Zo zien we ook hoe bepaalde gebeurtenissen een band kunnen creëren tussen mensen en tegelijkertijd de band met anderen doen vervagen. Denk hierbij ook maar aan soldaten die samen aan hetzelfde front gezeten hebben, ze blijven vaak vrienden voor het leven terwijl ze diezelfde band nooit nog kunnen ervaren met anderen.
We zijn ook gegaan
De jongen ergert zich eraan dat iedereen steeds gebruik maakt van het woord komen. De Duitsers zijn gekomen, de sterren zijn gekomen, de executies zijn gekomen, de jongen wijst ons erop dat we zelf ook zijn gegaan. Alles wat we gedaan hebben, elke stap die we gezet hebben zou de geschiedenis kunnen veranderd hebben. Hij kan het niet aanvaarden dat hij volledig onschuldig zou zijn in alles wat hem overkomen is. Hij wil zich niet plaatsen in de rol van slachtoffer, hij wil zichzelf niet zien als een passief wezen.
We aanvaarden allen een bepaald lot en vanaf het moment dat we dat aanvaarden kunnen we er ook geen genoegen mee nemen dat alles wat we hebben meegemaakt slechts een vergissing was, we moeten het aanvaarden als een deel van ons lot. We bepalen zelf ons leven door bepaalde stappen te doen, het zijn niet de anderen die ons leven bepalen
In wat de jongen hier zegt kunnen we iets herkennen van Sartre, ook Sartre weigert de mens te zien als een passief wezen. Volgens zijn existentialisme maakt de mens zijn eigen keuzes en bepalen deze zijn toekomst. We moeten de schuld daarom niet in iets of iemand anders schoenen schuiven. We mogen niet het slachtoffer van ons eigen leven spelen maar moeten onszelf eerder zien als regisseur van dit leven. Ook de jongen lijkt deze boodschap begrepen te hebben, hij kan zich niet neerleggen bij het idee dat alles wat gebeurd is niets met zijn eigen keuzes te maken heeft.
De jongen wil bovendien ook helemaal niet vergeten wat er gebeurd is. Dat zou hij slechts kunnen moest hij sterven en opnieuw herboren worden. Hij beseft dat zijn tijd in de concentratiekampen een deel uitmaken van zijn leven, van zijn lot, van wie hij is. Hij begrijpt dat wanneer hij dit ontkent of tracht te vergeten hij een deel van zichzelf ontkent, vergeet.
Jood zijn
Voor zijn tijd in het kamp heeft het hoofdpersonage een discussie met één van zijn buurmeisjes over wat het is om Jood te zijn. Het meisje is ervan overtuigd dat het met innerlijke kenmerken te maken heeft. Ze was via gesprekken en lectuur tot de conclusie gekomen dat Joden anders waren dan gewone mensen en dat ze vanwege dat verschil gehaat werden. Volgens de jongen had het echter helemaal niets met hun innerlijk te maken. Hij was ervan overtuigd dat het gewoon de ster was en dus niet meer dan een uiterlijke oorzaak had. Na alles wat hij meegemaakt heeft beseft hij echter wat het echt betekent om Jood te zijn; het betekent helemaal niets. Hij beseft dat er helemaal geen verschillen zijn, geen ander bloed, het zijn allemaal leugens. Vanaf het moment dat men die leugens aanvaardt, aanvaardt men ook een bepaald lot. Ook al is dat lot oorspronkelijk een leugen, eens je het aanvaardt kan je het niet langer als een vergissing bestempelen, eens je het aanvaardt is het een deel van jezelf.
De tijd
De jongen haalt aan hoe de tijd in een concentratiekamp eigenlijk in twee richtingen werkt. In het gewone leven komt de werkelijkheid je langzaam en geleidelijk tegemoet zodat je het allemaal kan verwerken waardoor je alles weet te begrijpen. In de concentratiekampen word je overspoeld met beelden, gebeurtenissen waardoor je hersenen en je hart niet in staat zijn het te verdragen. Je krijgt enerzijds de tijd niet om de dingen tot je door te laten dringen, anderzijds moet je elke seconde in zon kamp trachten vol te houden wat dan weer tegen je werkt.
Vanaf de aankomst in een concentratiekamp word je werkelijk overladen met indrukken, beelden, woorden, gebeurtenissen, noem maar op. De hoeveelheid informatie die op je afkomt is te groot om tot begrip te brengen. Dit is echter goed, want moest je het op dat moment allemaal begrijpen dan zou je dat niet aankunnen. Eens je echter ingeburgerd bent in het kamp gaat de tijd een andere rol spelen, het gaat allemaal niet langer aan dat haastige tempo. De tijd duurt lang en elke seconde moet je zien door te komen, zien te overleven. Je maakt veel mee in zon kamp maar de tijd maakt dat makkelijker. Zo zegt de jongen ook dat wanneer je alles wat je hebt meegemaakt in het kamp opnieuw over je heen zou krijgen maar dit keer in slechts één minuut tijd dan zou dat onverdraagzaam zijn. Het gebeurt echter allemaal geleidelijk en dat maakt het makkelijker, de tijd verzacht de pijn.
Wanneer je het boek leest krijg je de indruk, dat het ergste gaat komen na de bevrijding. De bevrijding confronteert je met wat er gebeurd is, is het einde van het lijden maar het begin van het verwerken. De vraag die zich hier opdringt is echter wat is het zwaarste; afzien, honger hebben, geslagen worden, de dood voor je ogen zien,... of beseffen dat je afgezien hebt, honger gehad hebt, geslagen werd, de dood voor je ogen zag en dit nu allemaal moet verwerken en een plaats geven in je leven?
Het lijkt tot de jongen door te dringen dat hij opnieuw vrij is, maar wat moet hij daar nu mee? Op die vraag lijkt hij nog geen antwoord te hebben en al gauw heeft hij heimwee naar het kamp want daar hoefde hij zich niet met zulke vragen te belasten. De opdracht in het kamp was eenvoudig, hij moest gewoon weten te overleven, de opdracht die hij nu heeft lijkt in vergelijking daarmee veel moeilijker.
Pas nu hij weer vrij is kan hij volledig nagaan wat hem daar allemaal overkomen is, wanneer hij er echter over nadenkt zal alles veel vlugger opnieuw op hem afkomen als het toen gedaan heeft. Wat hij op één jaar meegemaakt heeft kan hij nu op één nacht weer voor ogen halen. Is het misschien niet zo dat dat veel pijnlijker is. Hij zegt zelf dat de tijd alles dragelijk maakt, wat als het dan plots allemaal terug voor de geest gehaald wordt in een veel kortere tijd dan dat het zich toen heeft afgespeeld? Overleven "na" een concentratiekamp lijkt in dit opzicht moeilijker dan overleven "in" een concentratiekamp.
Het geluk
Het leven in het kamp was zuiverder en eenvoudiger geweest, iedereen had het over ontberingen gruwelen, maar de kleine gelukservaringen waren het belangrijkste geweest.
De jongen laat ons zien hoe het geluk zelfs in de meest ondenkbare omstandigheden aanwezig is. Voor hem is het onmogelijk om de tijd in het kamp als een gruwelijke tijd te beschouwen. Hij had zeker ook geluk gekend in het kamp, waardoor hij zelfs een beetje heimwee had naar zijn tijd daar. In het boek zien we hoe vriendschap, samenhorigheid, menslievendheid, behulpzaamheid zelfs mogelijk zijn in de meest verschrikkelijke omstandigheden. Iedereen was hongerig, moe, uitgeput maar toch was er nog voldoende energie om er voor elkaar te zijn. We zien ook hoe het geluk eigenlijk in erg kleine dingen zit, in het uurtje vrij, in dat beetje extra tijdens de maaltijd, in die vriend die ervoor zorgt dat je toch elke ochtend opstaat. We zien zelfs hoe het geluk in het ongeluk kan schuilgaan, in een wonde aan de knie die ervoor zorgt dat je op een betere plaats terecht komt, in een bedgenoot die sterft zodat je enkele dagen dubbel rantsoen krijgt. Je zou bijna kunnen zeggen dat je pas het ware geluk ziet wanneer je het ongeluk ervaart.
In het dagelijkse leven zou je het geluk in zijn eenvoudige vorm niet herkennen, je zou het voorbijlopen, je zou ernaar opzoek gaan maar er steeds over kijken. Vaak hebben we het idee dat geluk iets complex is dat we nooit werkelijk kunnen bereiken, het hoofdpersonage toont ons dat, dat helemaal niet zo is. Het geluk zit werkelijk in de kleine dingen.
De vrijheid van de onvrije
Het boek geeft perfect weer hoe een mens uiteindelijk in alle omstandigheden de mogelijkheid heeft vrij te zijn. De mens is namelijk in het bezit van een instrument dat hem in staat stelt alle muren, alle ketens, alle grenzen te overschrijden: de menselijke geest. Onze geest geeft ons toegang tot de wereld van de verbeelding, zolang we de mogelijkheid hebben ons in deze wereld te begeven zijn we vrij. Dat beseft ook het hoofdpersonage en de vrijheid die hij op die manier ontdekt helpt hem de tijd door te komen. Wanneer de jongen deze ervaring beschrijft besef je dat de mens krachtiger is dan hij denkt te zijn. Men kan je werkelijk alles trachten te ontnemen, men kan proberen je daadwerkelijk te herleiden tot een object. Er is echter één ding dat ons steeds zal onderscheiden van een object en dat is onze verbeeldingskracht, om deze te verwoesten is er meer nodig dan een concentratiekamp.
De "holo-hype"
Vandaag de dag wordt men nog voortdurend geconfronteerd met de Holocaust, boeken, films, verhalen, je kunt er niet naast kijken. Het lijkt alsof heel de wereld iets te verwerken heeft. Zelfs de generaties die niets met het gebeuren te maken hebben lijken gedwongen een soort rouwproces te ondergaan. Iedereen "moet" zich vandaag de dag een beeld kunnen vormen van de "gruwelen", of het beeld al dan niet authentiek is doet er niet toe, als het maar gruwelijk is.
Oneindig veel pogingen werden en worden nog steeds ondernomen om weer te geven hoe het moet geweest zijn als gedeporteerde te leven. Vaak zijn de schrijvers, vertellers, filmmakers mensen die nooit in een dergelijk kamp verbleven hebben. De vraag is echter of deze er dan wel goed aan doen om ons te laten zien hoe het geweest moet zijn. Wanneer we het boek lezen krijgen we steevast de indruk dat alleen iemand die er geweest is de werkelijkheid ervan kan vatten. Bovendien lijken zelfs zij niet aan de buitenwereld te kunnen schetsen hoe het was. Moeten we misschien niet gewoon aanvaarden dat de werkelijkheid van deze kampen onmogelijk weer te geven valt? Is het bovendien niet zo dat het beter is om er helemaal geen beeld van te vormen dan onze geest te bevredigen met onechte beelden?