Kies Keurig
Links
  • Uitleg bij sommige links
  • Winkel / Recensies
  • Mijn engelstalige website (uitgebreider)
  • Mijn kerk
  • Website van een christelijke geschiedkundige
    Zoeken in blog

    Inhoud blog
  • Galaten hoofstuk 1: Trachten wij Schijnbroeders te behagen?
  • Volg het Woord, wees een woord
  • Een preek over de liefde ter gelegenheid van het feest van St. Valentijn
  • Kleine maar grote verschillen: vergelijkingen tussen Judas Isakriot en Simon Petrus, Martha en Maria Magdalena en Maria Magdalena en Simon Petrus
  • Focus niet op angst
  • Focus steeds op de Heilige Geest
  • Geniet van het leven
  • De boze wijngaardeniers
  • Psalm 25:1-11
  • Hoe God de vrouw eer geeft
  • Wie bepaalt jouw agenda?
  • Een Vreugdevol Nieuwjaar
  • De Kracht van het spreken in Tongen voor Evangelisatie
  • Mensen Uitnodigen tot Jezus
  • Ruth
  • Over Hulp die we mogen verwachten van de Heilige Geest
  • Een Hoofd vol Vrede in plaats van een Hoofd vol Zorgen
  • De Macht van Jezus: Vergeving, Verzoening, en Herstel
  • De Macht van Jezus over onze Levens
  • De Macht van Jezus
  • De Geest en de Eucharistie
  • Herder of Wolf?
  • Nieuwjaarswensen
  • Een preek over de dwaalleer der Nicolaïeten en der Gnostici
  • Een Preek over Twee Bomen
  • Maria, de Apostelen en de Heilige Geest
  • Enkele Leerrijke Elementen uit Gordon Fee en Douglas Stuart, "How to Read the Bible for All Its Worth"
  • Gods Gezette Tijden en hun Vervullingen in Christus
  • De Stad Gods, Vaderland der Gelovigen [korte versie]
  • De Stad Gods, Vaderland der Gelovigen [lange versie]
  • Nieuwtestamentische Aansluiting
  • Genesis versus Egyptologie
  • IJsjeschristendom en Erfzondeleer
  • De Mens en zijn Zoektocht naar Voldoening en naar God
  • De Verkiezing in het Oude Testament
  • Persoonlijke Relatie met God in het Oude Testament
  • De Antichrist
  • Jeremia 11:11 uitgelegd
  • Onvoorwaardelijke Gehoorzaamheid
  • Zuiver van Hart
  • Waarin Geloven Pinksterchristenen?
  • Het Geloof in de Godheid van Christus is Noodzakelijk
  • Kladversie van "Het Geweten en de Gouvernementele Visie op het Zoenoffer in Relatie tot Evangelisatie"
  • Het Einde vanaf Het Begin
  • Dr. W.F. Dankbaar over Dwaalleraar Marcion
  • Dr. W.F. Dankbaar over De Gnostiek
  • Niet buigen
  • Jezus huilde
  • De 'Grote Toorn' over Israël (2 Koningen 3:27)
  • God bezoekt 2 Prostituees - De Parabel van De 2 Prostituees
  • Advent - De Verwachting van De Wederkomst van Christus
  • Romeinen in Perspectief
  • Waarom Ik hou van Mijn Lokale Kerk
  • De Drie-Eenheid in Jesaja 48:12-13,16
  • Genesis 3:22 leert niet dat De Mens aan God Gelijk is geworden
  • Een Facebook Gesprek over De Gouvernementele Theorie van Het Zoenoffer
  • Volgens De Bijbel zou Jij Dood moeten zijn
  • Winkel / Recensies
  • William Booth over De Gaven van De Geest volgens Gordon Lindsay
  • John Wesley over Het Calvinisme volgens Gordon Lindsay
  • Leiders zijn niet gebaat bij Huldeblijken
  • Wat We in De Kerk nodig hebben
  • De Grenzen van Het Land van Belofte
  • Bijbels Verschil tussen Vreemdeling en Onbekende
  • Het Zondvloedverslag uit Het Gilgameš-Epos en Oudere Teksten versus Het Bijbelse Zondvloedverslag
  • Het Babylonische Scheppingsverhaal versus Het Bijbelse Scheppingsverhaal
  • Genesis 10 is geen Interpolatie
  • Één Paar of Zeven Paar
  • Het Verschil tussen De Namen Jahwè en Elohim
  • Het Bewijs van Onze Liefde voor Jezus
  • Losprijs Model van Het Zoenoffer
  • Uitleg over Links
  • Tõledõt
  • 5 Redenen om De Sabbat te houden
    24-03-2019
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De Macht van Jezus

    [Hier kan u naar de preek luisteren: https://www.mixcloud.com/emmanuelhaacht/2019-03-24-de-macht-van-jezus-door-tom-torbeyns/]

    Vandaag gaan we samen stilstaan bij de macht of autoriteit van Jezus.

    Laat ons beginnen met te praten over de macht of de autoriteit van Jezus over het kwade:

    * Mattheüs 8:23-27: “Hij [Jezus] stapte in de boot en zijn leerlingen volgden hem. Plotseling begon het meer enorm te kolken, zodat de boot bijna door de golven werd verzwolgen. Maar Jezus sliep. Ze maakten hem wakker en riepen: ‘Heer, red ons toch, we vergaan!' Hij zei tegen hen: ‘Waarom hebben jullie zo weinig moed, kleingelovigen?’ Toen stond hij op en sprak de wind en het water bestraffend toe, en het meer kwam geheel tot rust. De mensen zeiden vol verbazing: ‘Wat is dit toch voor iemand, dat zelfs de wind en het water hem gehoorzamen?’.” Het weer, of het nu natuurlijk, schrikwekkend, of zelfs demonisch is, gehoorzaamt Hem.

    * Hierop volgend lezen we van verzen 28 tot 34: “Toen hij [Jezus] aan de overkant in het gebied van de Gadarenen kwam, liepen hem vanuit de grafspelonken twee bezetenen tegemoet. Ze waren zo gevaarlijk dat niemand daar langs durfde te gaan. Ze begonnen te schreeuwen en te roepen: ‘Wat hebben wij met jou te maken, Zoon van God? Ben je hier gekomen om ons pijn te doen nog voordat de tijd daarvoor is aangebroken?’ een eind verderop liep een grote kudde varkens te grazen. De demonen smeekten hem: ‘Als je ons uitdrijft, stuur ons dan naar die kudde varkens.’ Hij antwoordde hun: ‘Vooruit!’ Ze verlieten de twee mannen en trokken in de varkens. Toen stormde de hele kudde van de steile helling af het meer in, en de dieren kwamen om in de golven. De varkenshoeders sloegen op de vlucht, en toen ze in de stad kwamen vertelden ze het overal rond, ook wat er met de bezetenen was gebeurd. Nu trok de hele stad uit, Jezus tegemoet. Toen ze hem gevonden hadden, verzochten ze hem dringend hun gebied te verlaten.” Jezus kan demonen gemakkelijk met de duizenden uitdrijven uit bezetenen.

    * Lukas 10:17-22: “De tweeënzeventig keerden vol vreugde terug en zeiden: ‘Heer, zelfs de demonen onderwerpen zich aan ons bij het horen van uw naam. Hij [Jezus] zei tegen hen: ‘Ik heb Satan als een lichtflits uit de hemel zien vallen! Bedenk wel: ik heb jullie de macht gegeven om slangen en schorpioenen te vertrappen en om de kracht van de vijand te breken, zodat niets jullie kan schaden. Verheug je er echter niet over dat de geesten zich aan jullie onderwerpen, maar verheug je omdat jullie naam in de hemel opgetekend is.’ Op dat moment begon hij vervuld van de heilige Geest te juichen en zei: ‘Ik loof u, Vader, Heer van hemel en aarde, omdat u deze dingen voor wijzen en verstandigen hebt verborgen, maar ze aan eenvoudige mensen hebt onthuld. Ja, Vader, zo hebt u het gewild. Alles is mij toevertrouwd door mijn Vader, en niemand dan de Vader weet wie de Zoon is, en wie de Vader is weet alleen de Zoon en iedereen aan wie de Zoon het wil openbaren.’” Jezus heeft de absolute macht over de demonen. Ook gaf Jezus aan zijn discipelen “macht en gezag over alle demonen” (Lukas 9:1). Via zijn volgelingen worden ze uitgedreven in Zijn Naam of autoriteit. Maar wat nog sterker is, zoals we daarnet al lazen, is dat de namen van al Zijn ware volgelingen opgeschreven staan in de hemel en dat Hij heerst over het dodenrijk en over de dood! “Toen brak er oorlog uit in de hemel. Michaël en zijn engelen bonden de strijd aan met de draak. De draak en zijn engelen boden tegenstand maar werden verslagen; sindsdien is er voor hen in de hemel geen plaats meer. De grote draak werd op de aarde gegooid. Hij is de slang van weleer, die duivel of Satan wordt genoemd en die de hele wereld misleidt. Samen met zijn engelen werd hij op de aarde gegooid. Toen hoorde ik een luide stem in de hemel zeggen: ‘Nu zijn redding, de macht en het koningschap van onze God werkelijkheid geworden, en de heerschappij van zijn messias. Want de aanklager van onze broeders en zusters, die hen dag en nacht bij onze God aanklaagde, is ten val gebracht. Zij hebben hem dankzij het bloed van het lam en dankzij hun getuigenis overwonnen. Zij waren niet aan het leven gehecht en hebben hun dood aanvaard” (Openbaring 12:7-11). We kunnen weten dat Jezus heerst met absolute autoriteit over de dood en het dodenrijk, aangezien Hij de sleutels heeft van deze plaatsen. Zoals Hij het zelf zo mooi zei: “Wees niet bang. Ik ben de eerste en de laatste. Ik ben degene die leeft; ik was dood, maar ik leef, nu en tot in eeuwigheid. Ik heb de sleutels van de dood en van het dodenrijk” (Openbaring 1:17b-18). Inderdaad, Hij was dood maar Hij toonde Zijn macht door op te staan in drie dagen en te overwinnen over de dood, zoals Hij zelf voorspeld had. We lezen namelijk in Johannes 2:19-22: “Jezus antwoordde hun: ‘Breek deze tempel maar af, en ik zal hem in drie dagen weer opbouwen.’ ‘Zesenveertig jaar heeft de bouw van deze tempel geduurd,’ zeiden de Joden, ‘en u wilt hem in drie dagen weer opbouwen?’ Maar hij sprak over de tempel van zijn lichaam. Na zijn opstanding uit de dood herinnerden zijn leerlingen zich dat hij dit gezegd had, en zij geloofden de Schrift en alles wat Jezus gezegd had” (Johannes 2:19b). Jezus heeft dus de sleutels (dit is: de macht en de autoriteit) over de dood en het dodenrijk en Hij kan en zal de duivel straffen als de grootste loser van alle losers: “Wanneer de duizend jaar voorbij zijn, zal Satan uit zijn gevangenis worden losgelaten. Dan gaat hij eropuit om de volken aan de vier hoeken van de aarde, Gog en Magog, te misleiden. Hij brengt hen voor de strijd bijeen, een menigte zo talrijk als zandkorrels aan de zee. Ze trekken op, over de hele breedte van de aarde, en omsingelen het kamp van de heiligen en de geliefde stad. Maar vuur daalt neer uit de hemel en verteert hen. En de duivel, die hen misleidde, wordt in de poel van vuur en zwavel gegooid, bij het beest en de valse profeet. Daar zullen ze dag en nacht worden gepijnigd, tot in eeuwigheid” (Openbaring 20:7-10). Jezus zal oordelen over alle mensen. Hoe komt het dat Jezus mag oordelen? We weten dat het oordeel aan God de Vader toekomt want over Hem werd er al geschreven in het Oude Testament: “Heer, God van onze voorouders, u bent God in de hemel en u heerst over de koninkrijken van alle volken. In uw hand liggen macht en kracht besloten, niemand kan zich tegen u verzetten” (2 Kronieken 20:6b). Maar we lezen in Johannes 5:27-30 dat Jezus dit recht tot oordelen gekregen heeft van de Vader. Over dit oordeel staat er geschreven: “Toen zag ik een grote witte troon en hem die daarop zat. De aarde en de hemel vluchtten van hem weg en verdwenen in het niets. Ik zag de doden, jong en oud, voor de troon staan. Er werden boeken geopend. Toen werd er nog een geopend: het boek van het leven. De doden werden op grond van wat in de boeken stond geoordeeld naar hun daden. De zee stond de doden die ze in zich had af, en ook de dood en het dodenrijk stonden hun doden af. En iedereen werd geoordeeld naar zijn daden. Toen werden de dood en het dodenrijk in de vuurpoel gegooid. Dit is de tweede dood: de vuurpoel. Wie niet in het boek van het leven bleek te staan werd in de vuurpoel gegooid” (Openbaring 20:11-15). Jezus is de Albeheerser. “‘Ik ben de alfa en de omega,’ zegt God, de Heer, ‘ik ben het die is, die was en die komt, de Almachtige’” (Openbaring 1:8). In het Grieks staat hier het woord: pantokrator: Jezus is de panto: alles – krator: heerser. In eenvoudig Nederlands betekent dit dat Hij heerst over alles en iedereen. De duivel en zijn volgelingen (een deel van de engelen en een deel van de mensen) zijn rebellen. Zoals ik al eerder zei, is Jezus de Albeheerser die heerst over alles en iedereen of ze er nu voor kiezen om te rebelleren of niet. Laat ons nog eventjes stilstaan bij het feit dat elk schepsel onder de autoriteit van Jezus valt. Zo lezen we dat Jezus “het begin van Gods schepping” is (Openbaring 3:14b) en dat “in hem is alles geschapen, alles in de hemel en alles op aarde, het zichtbare en het onzichtbare, vorsten en heersers, machten en krachten, alles is door hem en voor hem geschapen. Hij bestaat vóór alles en alles bestaat in hem” (Kolossenzen 1:16-17).

    Zoals ik al eerder zei zal Jezus oordelen. Ja, laat ons echt beseffen dat we voor zijn rechterstoel zullen staan “Want wij moeten allen voor de rechterstoel van Christus verschijnen, zodat ieder van ons krijgt wat hij verdient voor wat hij in zijn leven heeft gedaan, of het nu goed is of slecht” (2 Korintiërs 5:10). Daarom: “Alles wat je hebt gehoord komt hierop neer: heb ontzag voor God en leef zijn geboden na. Dat geldt voor ieder mens, want God oordeelt over elke daad, ook over de verborgen daden, zowel over de goede als de slechte” (Prediker 12:13-14). Laat ons niet beschaamd zijn over Jezus want anders zal Hij zich schamen voor ons, zoals Hij zelf heeft gezegd: “Wie zich schaamt voor mij en mijn woorden, zal merken dat de Mensenzoon zich ook voor hem schaamt, wanneer hij komt in de stralende luister die hemzelf, de Vader en de heilige engelen omgeeft” (Lukas 9:26). Verder lezen we: “Jezus kwam op hen toe en zei: ‘Mij is alle macht gegeven in de hemel en op de aarde. Ga dus op weg en maak alle volken tot mijn leerlingen, door hen te dopen in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest, en hun te leren dat ze zich moeten houden aan alles wat ik jullie opgedragen heb. En houd dit voor ogen: ik ben met jullie, alle dagen, tot aan de voltooiing van deze wereld” (Matteüs 28:18-20). Waarom zouden we ons schamen voor de Koning die Heerst over alles en iedereen? Waarom zouden we zijn woorden uit de Bijbel ongehoorzaam zijn? Waarom zouden we Jezus, de bron van leven en liefde, toestoppen in onze eigen levens in plaats van haar uit te dragen naar anderen? Onze gehele levens en de levens van alle personen hier in de kerk en buiten de kerk zouden onder de heerschappij van de meest liefdevolle Koning Jezus moeten staan. Vlaanderen behoort aan koning Jezus, België behoort aan koning Jezus, Europa behoort aan koning Jezus, heel de wereld komt toe aan koning Jezus! Halleluja!

    Ik heb 3 overdenkingsvragen voor jullie:

    1. In welk gebied van jouw leven zou Jezus nog meer koning moeten worden?
    2. In welk gebied van onze kerk zou Jezus nog meer koning moeten worden?
    3. Hoe wordt Jezus meer koning in Haacht en omstreken?

    Categorie:Preken
    24-02-2019
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De Geest en de Eucharistie

    Het volgende is een overdenking van Amos Yong, uit zijn boek Who Is the Holy Spirit? A Walk with the Apostles (In het Nederlands: “Wie is de Heilige Geest? Een wandeltocht met de apostelen”). Ik heb het voor jullie vertaald en ik wil het graag met jullie delen ter overdenking voordat we deelnemen aan het avondmaal.

    ‘In de avond op de dag van hun schipbreuk, “nam Paulus een stuk brood, dankte God in de aanwezigheid van allen, brak het brood en begon te eten” (Handelingen 27:35). Dit is een redelijk traditionele vorm van gebed dat vóór maaltijden werd gebeden door vrome Joden. Ook roept dit ritueel herinneringen op aan wat Jezus deed rond de maaltijden in de evangeliën. Daar worden ons drie gebeurtenissen verhaald – namelijk het voeden van de 5000, het Laatste Avondmaal, en het verhaal van de Emmaüsgangers – waar ons wordt verteld dat Jezus ook brood nam, het zegende of er voor dankte, het brak, en het gaf aan anderen (Lukas 9:16; 22:19; 24:30). Het brood op het schip was een teken van hoop en redding, zoals het brood in de evangeliën een symbool is van hoop en leven dat beschikbaar is door Jezus. Om het belang van het brood als een leven-gevende realiteit op de weg naar Emmaüs te begrijpen, moeten we de ervaringen van de discipelen volgen op die reis. De twee discipelen op de weg naar Emmaüs waren duidelijk moedeloos vanwege de dood van Jezus (24:17-21). En terwijl Jezus hen onderwees vanuit de Schrift terwijl zij aan het wandelen waren, hadden zij niet door dat Hij bij hen aanwezig was totdat Hij neerzat om met hen te eten. Hoewel Hij een gast was in hun midden, deed Jezus zich voor als de gastheer want Hij ging hen voor in het gebed om de maaltijd te zegenen. Later vertelden zij aan de andere discipelen over hoe Jezus “zich aan hen kenbaar had gemaakt door het breken van het brood” (24:35). De levende aanwezigheid van Jezus had hen kracht gegeven en had hen aangemoedigd tot hoop. Aan de Pesachmaaltijd, had Jezus al gezegd dat Zijn Leven en Lichaam door wijn en brood zouden worden gerepresenteerd. Wijn en brood zijn namelijk de hoofdelementen van de maaltijd. Nadat Hij een stuk brood had genomen, dankte Hij, brak het en verdeelde het, en zei: “Dit is mijn lichaam dat voor jullie gegeven wordt. Doe dit, telkens opnieuw, om mij te gedenken” (22:19). Er zijn enkele aspecten in verband met hoe een christelijke viering van deze maaltijd een gedenken aan Jezus is. Ten eerste, het gebroken brood en de uitgegoten beker zijn symbolen van het verwonde Lichaam van Jezus en het vergoten Bloed en zij dienen als herinnering aan dat Hij Zijn Leven heeft gegeven als een zegel van het nieuwe verbond en een vooruitbetaling in verwachting van het koninkrijk van God (22:18, 20). Ten tweede, “her-inneren” (in het Engels: “re-member”) zou ook kunnen betekenen dat de viering van de maaltijd door de volgelingen van Jezus in feite de delen van Zijn gebroken Lichaam weer samenbrengt. Het resultaat zou dan zijn dat de Jezus die wordt herinnerd ook de Jezus zou zijn die aanwezig is te midden van diegenen die het uitgieten van Zijn Leven voor anderen vieren. Maar vanuit het voeden van de 5000 mannen, plus vrouwen en kinderen, wordt er verwacht dat het Zichzelf geven van Jezus aan anderen een voorbeeld is voor Zijn volgelingen. We mogen natuurlijk niet het miraculeuze van het voeden van de 5000 minder laten lijken dan wat het werkelijk is, maar de zegen van Jezus, het breken, en het geven van brood en vis is slechts een deel van een grotere volgorde van gebeurtenissen waarin de discipelen betrokken zijn bij het dienen van de menigte. In het begin hadden de discipelen gevraagd aan Jezus om de menigte weg te sturen, mogelijkerwijs terug naar de stad Betsaïda (9:10), om een slaapplaats en voedsel te vinden. Maar aangezien Jezus hen specifiek had gezegd om noch voedsel noch geld mee te nemen voor hun missie (9:3), bekrachtigde Hij nu de voorziening van God en betrok Hij de discipelen hierbij. Zij moesten de menigte indelen, waarna Jezus hen deze menigte liet dienen, en tenslotte moesten ze de overgebleven stukken brood ophalen (9:14-17). Het voeden van dit groot aantal mensen toont ons de allesomvattende tafel die Jezus voor de menigte plaatst. Hoewel de Joodse zuiverheidswetten zich druk maakten over eten met de niet-zuiveren (voor welke reden dan ook), lezen we niet in deze tekst dat Jezus of de discipelen zich druk maakten over eten met niet-zuiveren en met vrouwen (die dikwijls apart aten tijdens publieke maaltijden). Dit geeft ons een beeld van de eetgewoonten van Jezus zoals ze ons worden verteld in de rest van de evangeliën. Jezus at niet alleen met zijn discipelen en de farizeeën maar ook met tollenaars en zondaars. Wat meer is, de open tafel van Jezus is een verwachting van het uiteindelijke en grote feestmaal van het koninkrijk dat Hij verwachtte om zowel te vieren met zijn discipelen (22:15) alsook met de armen, de kreupelen, de blinden, en de lammen (14:13,21). Met andere woorden, toen Jezus het laatste Pascha at met slechts Zijn twaalf discipelen (waaronder ook Judas de verrader), gaf Hij ook een voorbeeld van verwelkomende eetgewoonten van waaruit diegenen die normaalgesproken niet zouden uitgenodigd worden voor een maaltijd ook omarmd worden. We zien vanuit Handelingen dat de vroegste volgelingen van Jezus dit gebruik van open gemeenschap voortzetten. Ze bleven het brood samen breken, en herinnerden zich Jezus terwijl ze dit deden (Handelingen 2:42, 46; 20:7). Dat de tafel van de Heer ook open moest zijn zelfs naar de heidenen toe was bevestigd in een visioen dat Petrus ontving, van waaruit hij geleid werd om bij Cornelius binnen te stappen en met hem te eten (10:48). En zo werd Paulus, een apostel naar de heidenen, op zijn gemak met het breken van het brood en het eten met heidenen op die noodlottige bootreis. Maar de verlossende kracht die gesymboliseerd wordt in het samen eten wordt nog versterkt als we er bij stil staan dat de beker en het brood een vieren is van het gebroken, leven-gevende Lichaam van Jezus dat uitgegoten is ter wille van de wereld. Zodoende is de open tafel niet alleen een gelegenheid om de dood van Jezus te herinneren maar ook om dat Leven geleefd voor anderen zelf weer na te leven. De maaltijd is mogelijk vanwege de dienst die het samen eten mogelijk maakt. Zoals de discipelen de menigte op het platteland dienden, zo ook dienden zij de Joden van de diaspora (of de verstrooiing van de Joden over de ganse wereld) die verzameld waren in Jeruzalem na de dag van Pinksteren. Dit hebben ook andere leiders gedaan zoals de Griekstalige Joodse diakenen (6:3-6) die het grote aantal weduwen en andere meest kwetsbaren dienden in de prille gemeenschap. Het samen breken van het brood was een hoogtepunt dat mogelijk werd gemaakt door daden van dienstbaarheid voor en na de maaltijd. Dit dienen werd uitgevoerd door diegenen die toegewijd waren aan het volgen in de voetsporen van Jezus, Die Zichzelf volledig gaf aan anderen in de kracht van de Heilige Geest. En Diezelfde Geest blijft aanwezig en actief in diegenen die in Jezus geloven. Deze Geest maakt dat Jezus nu aanwezig is en Deze Geest zorgt er voor dat we Hem kunnen herkennen in elke gelegenheid waarin we deze maaltijd vieren. Hij geeft kracht aan de leven-gevende bediening die de geloofsgemeenschap voedt en die de wereld vernieuwt en die de hoop van Jezus’ opstanding geeft aan allen die in wanhoop leven en redding nodig hebben. Dit gebeurde in en door Paulus, in een boot gevuld met heidenen, en het zal blijven gebeuren tot aan de einden der aarde als we ons openen voor de leiding van de Geest, die uitgestort is over alle vlees.’


    27-01-2019
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Herder of Wolf?

    (Voornamelijk Handelingen 20, Kolossenzen 2.
    Behalve indien anders aangegeven, bijbelteksten genomen uit de NBV.)

    [Hier kan u naar de preek luisteren: https://www.mixcloud.com/emmanuelhaacht/2019-02-03-herder-of-wolf-door-tom-torbeyns/]

    Vandaag gaan we het hebben over leiderschap en het volgen van leiders. Meer bepaald gaan we het hebben over de kenmerken van een goede leider en de kenmerken van een misleider; de kenmerken van gezond leiderschap en de kenmerken van misleiding en misbruik. We gaan dit alles bestuderen aan de hand van Handelingen hoofdstuk 20 en Kolossenzen hoofdstuk 2.

    Handelingen 20:18-21:1a. Laten we dit stuk eerst samen lezen en dan bespreken: <<Toen ze waren gearriveerd, sprak hij [dat is Paulus] hen [dat zijn de oudsten van Efeze] als volgt toe: ‘U weet hoe ik te midden van u geleefd heb, vanaf de eerste dag dat ik in Asia was: ik heb de Heer in alle nederigheid gediend en heb al het verdriet en de beproevingen als gevolg van de samenzweringen van de Joden doorstaan. U weet ook dat ik alles bekend heb gemaakt wat uw welzijn ten goede komt en dat ik u daarover in het openbaar en thuis heb onderricht. Zowel Joden als Grieken heb ik opgeroepen zich te bekeren tot God en te geloven in Jezus, onze Heer. Nu ben ik op weg naar Jeruzalem, gedreven door de Geest, zonder te weten wat me daar te wachten staat, behalve dan dat de heilige Geest me in iedere stad verzekert dat gevangenschap en vervolging mijn deel zullen zijn. Ik hecht echter niet de minste waarde aan het behoud van mij leven, als ik mijn levenstaak maar kan voltooien en de opdracht uitvoeren die ik van de Heer Jezus ontvangen heb: getuigen van het evangelie van Gods genade. Ik weet dat niemand van u, aan wie ik op mijn reizen het koninkrijk heb verkondigd, mij terug zal zien. Daarom verklaar ik hier op deze dag dat ik voor niemands ondergang verantwoordelijk ben; ik heb immers mijn uiterste best gedaan om u vertrouwd te maken met Gods wil. Zorg voor uzelf [in de zin van: geef acht op uzelf] en voor de hele kudde waarover de heilige Geest u als herder heeft aangesteld; u bent de opzieners van Gods gemeente, die hij verworven heeft door het bloed van zijn eigen Zoon. Ik weet dat er na mijn vertrek woeste wolven bij u zullen binnendringen die de kudde niet zullen ontzien. Uit uw eigen kring zullen mensen voortkomen die de waarheid verdraaien om de leerlingen voor zich te winnen. Wees daarom waakzaam en vergeet niet hoe ik ieder van u drie jaar lang dag en nacht onder tranen steeds weer raad heb gegeven. Nu vertrouw ik u toe aan God en aan het evangelie van zijn genade, dat onze gemeenschap kan opbouwen en dat het beloofde erfdeel zal schenken aan allen die hem toebehoren. Geld of kleding heb ik van niemand verlangd; u weet wel dat ik eigenhandig heb voorzien in mijn levensonderhoud en dat van mijn metgezellen. In alles heb ik u getoond dat u de zwakken zo, door hard te werken, moet steunen, indachtig de woorden van de Heer Jezus die immers gezegd heeft: “Geven maakt gelukkiger dan ontvangen.”’ Toen hij uitgesproken was, knielde hij samen met de aanwezigen neer om te bidden. Niemand kon zijn tranen bedwingen. Allen vielen ze Paulus om de hals en kusten hem. Ze waren vooral zo ontdaan omdat hij gezegd had dat ze hem niet terug zouden zien. Toen deden ze hem uitgeleide naar het schip. Nadat we ons met moeite van hen hadden losgemaakt (…)>> Tot zover onze lezing. We gaan beginnen met deze verzen te bespreken vanaf de eerste vers, namelijk vers 18.

    • 18: “U weet hoe ik te midden van u geleefd heb, vanaf de eerste dag dat ik in Asia was”: De oudsten van Efeze zijn allen getuige van hoe Paulus geleefd heeft van het eerste moment dat ze hem ontmoetten. Hij was niet de onfeilbare apostel die niemand iets kon maken. Zoals Jezus kon hij zeggen dat ze hem niet van zonden konden beschuldigen (Johannes 8:46). Hij leefde te midden van hen. Niet in een bevoorrechte positie.
    • 19: In vers 19 spreekt hij over nederigheid en dienen. Dit zijn kenmerken van een ware leider (onderdrukken zoals de Nicolaïeten is geen kenmerk van een ware leider maar de Heer dienen in alle nederigheid is dit wel). Verder kunnen tranen, beproevingen, en zelfs aanslagen door religieuze mensen je deel zijn.
    • 20: hij laat niets geniepig weg uit de verkondiging en hij verkondigde hetzelfde in de huizen (de toenmalige kerken of intieme kring) als in openbaarheid (op de straat, voor de gemeente). Hij had geen verborgen agenda die enkel toegankelijk was voor de ingewijden.
    • 21: Bekering en trouw aan Christus. Geen zacht evangelie en hetzelfde evangelie voor de Joden. Zij zullen niet worden gered als ze koppig blijven ten overstaande van Jezus hun Messias.
    • 22-24: Paulus geeft niet om zijn eigen leven maar is helemaal oké met vervolgd te worden en gevangen genomen te worden zolang hij de opdracht die Jezus hem gegeven heeft maar kan volbrengen.
    • 25-27: Als er later valse beschuldigingen zullen komen, ik heb jullie alles verkondigd en ik heb niets verdraaid, daarom zal ik niet verantwoordelijk worden gehouden als er onder jullie misleid worden. “om u vertrouwd te maken met Gods wil”: Het ging niet om Paulus’ wil. Het ging om Gods wil, en ècht om Gods wil, niet om de wil van een manipulator die “de naam van de HEER misbruikt” (Exodus 20:7) voor zijn eigen doeleinden.
    • 28-30: Een herder let op zijn kudde maar een wolf geeft niet om de kudde of om de schapen maar enkel om zichzelf. Een wolf leeft op het verslinden van schapen. Hoe doet een wolf dit? Door de schapen weg te lokken van de goede herders door valse leer te verkondigen. Een wolf wil niet alleen verscheuren maar ook scheuring brengen. Hij wil de schapen achter zichzelf lokken, niet om hen te helpen, maar om het gemakkelijker te kunnen verslinden.
      • Hij doet dit op een subtiele, misschien wel religieuze manier. Over zulk een religieuze manier van mensen weg te lokken en te gebruiken, daar zullen we straks nog dieper op ingaan wanneer we Kolossenzen 2 bespreken.
      • Het lijkt alsof zo iemand het goed met je voorheeft maar het gaat eigenlijk enkel en alleen om hemzelf. Aan zijn vruchten zul je hem uiteindelijk kennen (Matteüs 7:15-16).
    • 31: “Wees daarom waakzaam”: Waak! Wees niet naïef! Voed de manipulerende wolven niet, ook al geven ze je valse schuldgevoelens of proberen ze je te beliegen en te misleiden tot valse verplichtingen. Zo zei Jezus in Matteüs 7:6: “Geef wat heilig is niet aan de honden en gooi je parels niet voor de zwijnen; die zouden ze maar met hun poten vertrappen, zich omkeren en jullie verscheuren.” Varkens zijn alleseters. Ze vertrappen en verscheuren. Een wolf is familie van de hond. Ook zijn honden, inclusief wolven, en varkens onreine dieren die je willen besmetten met hun onreinheid. Waar je mee omgaat wordt je mee besmet. Volg niet in de voetsporen van de wolf, voor hij jou verscheurt. Parels voor de zwijnen werpen is ook je energie verspillen. Laat de manipulators achter en kijk niet om zodat je productief kan arbeiden en het koninkrijk waardig kan zijn. Jezus zei: “Wie de hand aan de ploeg slaat en achterom blijft kijken, is niet geschikt voor het koninkrijk van God.” (Lukas 9:62b)
      “onder tranen”: Paulus is een trouwe herder geweest, door de schapen zó lief te hebben dat hij zelfs over hen weende, niet met krokodillentranen maar met ongeveinsde tranen van ware bewogenheid èn door hen terecht te wijzen met de héle bijbelse waarheid, niet door enkel te vertellen wat ze graag wilden horen.
    • 32: “Nu vertrouw ik u toe aan God”: Gepaste nederigheid. Paulus weet dat het niet van hem afhangt maar van God. “Het evangelie van zijn genade, dat onze gemeenschap kan opbouwen”: Het is het evangelie – niet buiten-bijbelse regeltjes van leiders – dat deze gemeenschap zal opbouwen en gezond zal maken. Buiten-bijbelse regeltjes kunnen zeer ongezond en zelfs destructief voor de ziel zijn.
    • 33: “Geld of kleding heb ik van niemand verlangd”: Paulus kwam niet om te profiteren. Paulus was geen profiteur, bloedzuiger, noch parasiet.
    • 34: “u weet wel dat ik eigenhandig heb voorzien in mijn levensonderhoud en dat van mijn metgezellen”: Paulus gelooft dat het het beste is om niet afhankelijk te zijn van giften en geen last te zijn voor de gemeente maar om te voorzien in het eigen levensonderhoud door naast de bediening een job te kloppen. Hij zegt nogmaals dat hij de gemeente niets heeft gekost.
    • 35: ‘In alles heb ik u getoond dat u de zwakken zo, door hard te werken, moet steunen, indachtig de woorden van de Heer Jezus, die immers gezegd heeft: “Geven maakt gelukkiger dan ontvangen.”’: Paulus was zelfs een voorbeeld in het geven, het tegengestelde van een profiteur die komt om te pakken, pakken, pakken, op de rug van anderen.
    • 36: “Toen hij uitgesproken was, knielde hij samen met de aanwezigen neer om te bidden.”: “Knielde”: Hij zat niet op zijn troon of hij torende niet boven hen. Hij kwam op het gelijke niveau van nederige dienaars. Hij deed dit “Samen”: Hij voelde zich niet te goed om als apostel ook samen met de oudsten te knielen. We kunnen ook stellen dat Paulus niet te mottig zou geweest zijn om samen met de schapen te knielen. Een herder knielt of heft een schaap op om het te verzorgen.
    • 37-38: “Niemand kon zijn tranen bedwingen. Allen vielen ze Paulus om de hals en kusten hem.”: De oudsten hadden Paulus zó lief omdat híj́ hen zó sterk liefhad en het viel hen zwaar dat ze hem nooit meer zouden terugzien aan deze kant van het eeuwige leven. Het waren weeral ware tranen vanuit echte liefde, niet vanuit een gevoel van dit hoort zo, of een wenen wat ze niet meenden om te bedriegen en te misleiden.
    • 21:1: “Nadat we ons met moeite van hen hadden losgemaakt”: De liefde van de oudsten tot Paulus en van Paulus tot de oudsten was zó immens dat ze hem niet wilden loslaten en dat hij niet wilde gaan. Uiteindelijk vertrok hij toch uit gehoorzaamheid aan de Heilige Geest.

    Kort samengevat lazen we hier dus een Bijbeltekst die het verschil tussen schapen en wolven duidelijk weergeeft. De herders zorgen voor hun schapen, de wolven veinzen bezorgdheid. De herders hebben hun schapen lief, de wolven doen zich voor als heel liefdevol. De herders zijn eerlijk en oprecht, de wolven zijn vals en dwingen je om hun eigen ideeën te volgen. De herders geven om hun schapen, de wolven geven enkel en alleen om zichzelf. We zeiden al dat je deze wolven aan hun vruchten zult herkennen. Inderdaad, want Jezus zei: “Pas op voor valse profeten, die in schaapskleren op jullie afkomen maar eigenlijk roofzuchtige wolven zijn. Aan hun vruchten zul je hen herkennen. Men plukt toch geen druiven van doornstruiken of vijgen van distels? Zo draagt elke goede boom goede vruchten, maar een slechte boom draagt slechte vruchten. Een goede boom kan geen slechte vruchten dragen, evenmin als een slechte boom goede vruchten dragen kan. Elke boom die geen goede vruchten draagt, wordt omgehakt en in het vuur geworpen. Zo kunnen jullie hen dus aan hun vruchten erkennen” (Matteüs 7:15-20). Jezus’ uitleg gaat verder, zoals u zelf kunt lezen in de volgende drie verzen. Hij vertelt daar dat zij die de wil van Zijn Vader doen de ware schapen zijn en zij die de Wet – of, we kunnen zeggen, de Bijbel – verdraaien en misbruiken de wolven zijn.

    Een vorm van de Bijbel te verdraaien of te misbruiken voor eigen doeleinden is het opleggen van extra regels. In Kolossenzen 2:16-23 geeft Paulus ons tal van voorbeelden. Laat ons eerst de voorafgaande context bespreken: Als we deze context kort samenvatten vanaf het begin van het hoofdstuk, dan zien we dat Paulus beweert dat we ons niet mogen laten meeslepen of misleiden. Het oude geloof (volgens de oudste christelijke Traditie) en vertrouwen in en gehoorzaamheid aan Christus is alles wat we nodig hebben. Verbondenheid en totale onderworpenheid aan Christus het hoofd. Van dit hoofd komen de bevelen, bevelen vanuit liefde tot goedheid en opbouw, geen bevelen van angst en gebondenheid tot verrijking van de misleiders en dezij die scheuringen veroorzaken op de kap van jou. Paulus wil dit geprofiteer niet. Hier kunnen we Kolossenzen 2:16-23 bespreken waar hij nog enkele voorbeelden van misleiders geeft; ik begin vanaf vers 16: ‘Laat dus niemand u oordelen met betrekking tot spijs en drank, of feestdag, nieuwe maan en sabbat. Deze dingen zijn slechts een schaduwbeeld van de toekomstige dingen, maar de werkelijkheid is van Christus. Laat niemand u overbluffen met gewilde nederigheid en engelendienst. Zó iemand maakt zich druk over zijn visioenen [andere handschriften lezen: “in wat hij niet gezien heeft” (voetnoot NBV)], en wordt verwaand door zijn vleselijke gezindheid zonder enige grond; maar hij houdt zich niet vast aan het Hoofd, waaruit het ganse lichaam door gewrichten en vezels gestut en saamgehouden wordt, en opgroeit tot goddelijke rijpheid. Indien gij met Christus zijt afgestorven aan de leerbeginselen der wereld, waarom laat gij u dan, als iemand, die in de wereld leeft, allerlei bepalingen voorschrijven, als: “raak niet aan; proef niet; roer niet aan!” Al dergelijke bepalingen slaan op dingen, die vergaan door het gebruik; het zijn slechts geboden en leringen van mensen! Ze hebben de schijn wel van wijsheid door godzaligheid van eigen vinding, door nederigheid en zelfkastijding, maar ze hebben geen waarde dan voor de bevrediging van het vlees’ (Canisiusvertaling).

    In vers 18 zien we “gewilde nederigheid”. Dit is typisch voor mensen die enkel van zichzelf houden, ze gaan zich voordoen als nederig, als mensen die alles voor je doen maar ze zuigen je leeg door je valse schuldgevoelens te geven; "Ik doe alles voor je, nu moet je toch iets voor mij doen?!" Ze binden je langzaamaan aan hun vast door je schijnbaar te verwennen. Door je vet te mesten waarna ze je kunnen verslinden. Ze zullen je voor een tijd leiden vanuit geveinsde liefde, als wolven in herderskleding. Herinner je: ze geven niets om je en verslinden je met veel plezier. Je bent voor hen maar laag volk. Je bent voor hen totaal vervangbaar. Je bent slechts een middel voor hun doel te bereiken. Daarom moet je jezelf afvragen: "Geeft deze persoon wel om mij of geeft hij of zij enkel en alleen om mij omdat hij of zij mij kan gebruiken?" Als je de narcistische ideeën van zulke egoïstische personen niet volgt, zul je al snel als rebel, onstabiel, gevaarlijk, enzovoort worden omschreven… Kortom, ze zullen je met veel plezier opofferen, aan de kant schuiven,... zodat hun eer niet geschaad zal worden. Je bent inderdaad gevaarlijk voor hen op een goede manier.

    Verder zien we in dit vers “engelendienst”, “visioenen”,… Dit zijn typische manipulatietrucjes van valse profeten door middel van valse openbaringen, profetieën,... proberen ze je voor hun kar te spannen. Wees niet naïef! Je hebt geen verplichtingen naar hen toe als ze extra regeltjes toevoegen en een schijn van nederigheid en religiositeit aanhouden. Ze hebben niet het recht om je naar hun hand te zetten, te misbruiken, valse schuldgevoelens te geven,... Ze lijken geestelijk maar ze zijn vleselijk. Ze hebben volgens de apostelen geen grond om op te staan. Het zijn geen profeten maar profiteurs. Hoe kan je een profeet van een profiteur onderscheiden? Je kijkt naar de wortel: zegt die persoon dit omdat hij om je geeft of omdat hij om zichzelf geeft? Is het uit egoïsme of is het totaal zonder egoïsme; werkelijk om je te helpen? Zoals we eerder al zeiden mag je oordelen al naargelang de vruchten (Matteüs 7). Bij zulke geniepige wolven is immers niets wat het op het eerste zicht lijkt. Ze lijken liefdevol maar ze praten met lege, liefkozende woordjes. “Een open graf is hun keel, ze plegen bedrog met hun tong; achter hun lippen is adderengif, vol vloek en bitterheid is hun mond. Vlug zijn hun voeten, om bloed te vergieten, vernieling en onheil zijn op hun wegen; maar de weg van de vrede kennen ze niet.” (Romeinen 3:13-17, CV). Kijk naar hun vruchten. In Galaten 5 en Jakobus 1 staan er nog handige lijsten om deze vruchten te herkennen.

    In vers 19 leren we dat zulk soort egoïsten zich niet houden aan het Hoofd (dit is Christus). Ze worden door hun eigen ijdele hoofden en hun dikke nekken geïnspireerd. Je moet niet bang voor hen zijn want ze vrezen God toch niet! “Geen vreze Gods staat hun voor ogen!” (Romeinen 3:18, CV). In het eenvoudig Nederlands is dit: ze hebben geen respect en ontzag voor God. Ze gebruiken de naam van God voor henzelf, terwijl er geschreven staat: “Misbruik de naam van de HEER, uw God, niet, want wie zijn naam misbruikt laat hij niet vrijuit gaan” (Exodus 20:7). Ze wanen zichzelf hoger dan God (Jesaja 14:13-14) en hebben zichzelf als God op de troon geplaatst (2 Tessalonicenzen 2:2-4).

    Over de overige verzen kunnen we stellen dat in tegenstelling tot de vorige categorie jij moet dood zijn aan jezelf en Christus moet volgen als Zijn totaal-gehoorzame dienaar. Leg je kroon neer, neem je kruis op, en volg Hem (Matteüs 16:24). Maar, hier volgt niet uit dat je je moet laten extra regeltjes opleggen waar die manipulators plezier aan beleven en voldoening uit halen zoals we lazen in Kolossenzen 2:20-23. Ze zouden ook beter hun kroon van ijdelheid neerleggen en hun kruis van ware nederigheid opnemen! Voor hen zal ook gelden: ‘Niet iedereen die “Heer, Heer” tegen mij zegt, zal het koninkrijk van de hemel binnengaan, alleen wie handelt naar de wil van mijn hemelse Vader. Op die dag zullen velen tegen mij zeggen: “Heer, Heer, hebben wij niet in uw naam geprofeteerd, hebben wij niet in uw naam demonen uitgedreven, en hebben wij niet vele wonderen verricht in uw naam?” En dan zal ik hun rechtuit zeggen: “Ik heb jullie nooit gekend. Weg met jullie, wetsverkrachters!”’ (Matteüs 7:21-23). Zoals we dus al verschillende malen zagen, zal God diegenen die Zijn woord of zijn naam verkeerd gebruiken volstrekt niet voor onschuldig houden. In tegenstelling tot zulke manipulators zagen we al in Handelingen 20 dat Paulus bij het oude Evangelie en de oude Traditie bleef. Wie leidt, is òf een herder òf een wolf. Wie volgt, volgt òf een herder òf een wolf. Misschien hebben mensen wel extra-bijbelse regeltjes en valse schuldgevoelens op je gelegd en misschien ben je er door gekwetst en misschien voel je je onnodig schuldig of misschien heb je zelf buiten-bijbelse regeltjes opgelegd aan anderen en hen gekwetst. Misschien heb je genezing of bekering nodig. Laat ons bidden.

    Praktische oefening:

    Onderzoek jezelf de komende week en vraag jezelf af:

    1. Hoe kan ik beter met anderen omgaan?
    2. Wie moet ik vergeving vragen?
    3. Waar is er herstel nodig?

    Categorie:Preken
    30-12-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Nieuwjaarswensen

    [Hier kan u naar de preek luisteren: https://www.mixcloud.com/emmanuelhaacht/2018-12-30-nieuwjaarswensen-door-tom-torbeyns/]


    In de nieuwsbrief schreef ik dat we het gaan hebben over nalatenschap. De bedoeling van deze preek is om jullie aan te zetten om te dromen over wat jij als individu en wat wij als gemeente in de toekomst kunnen bereiken, en hoe we deze dromen ook kunnen omzetten in daden. Om een goed beeld te krijgen van Gods plan met de mensheid gaan we samen de bijbelse geschiedenis overlopen, vanaf het begin, namelijk vanaf de schepping. Dan gaan we kijken naar dit plan vanuit de woorden van Jezus en enkele verdere brieven in de Bijbel om te weten te komen of we iets kunnen bijdragen aan Gods plan.

    In het scheppingsverhaal lezen we dat God telkens een plan had in zijn grote scheppingsplan. Als voorbeeld nemen we de schepping van het licht. “God zei: ‘Er moet licht komen,’ en er was licht.” (Genesis 1:3) Zijn reactie was: “God zag dat het licht goed was.” (Genesis 1:4a) Dat iets goed is zegt Hij verschillende malen nadat Hij het geschapen had. Maar het hoogtepunt van Zijn scheppingsplan waren de mensen: “God zei: ‘Laten wij mensen maken die ons evenbeeld zijn, die op ons lijken;” (Genesis 1:26a) Hij had met hen ook een plan: “zij moeten heerschappij voeren over de vissen van de zee en de vogels van de hemel, over het vee, over de hele aarde en over alles wat daarop rondkruipt.” (Genesis 1:26b). Zij zouden, met andere woorden, heersen in het paradijs. Met de mens als de kers op de taart zag God dat zijn schepping niet gewoon goed was maar “zeer goed was” (Genesis 1:31). En zo werd Zijn plan voltooid (Genesis 2:1).

    Dit plan mislukte even later... Adam en Eva kozen ervoor om ongehoorzaam te worden aan God en daarom werden ze uit dit paradijs verbannen (Genesis 3:17,23-24). Ook hun zoon Kaïn was ongehoorzaam en werd uit Gods aanwezigheid verbannen (Genesis 4:8-16). Het ging van kwaad naar erger totdat “De HEER zag dat alle mensen op aarde slecht waren: alles wat ze uitdachten was steeds even slecht” (Genesis 6:5). De mensen maakten dus altijd maar weer slechte plannen en het gevolg was dat “Hij [God] kreeg er spijt van dat hij mensen had gemaakt en voelde zich diep gekwetst” (Genesis 6:6). Het kwetste God dat de mensen alsmaar duivelse plannen uitdachten en het tegenovergestelde van Zijn paradijselijke plan was bereikt. Het gevolg was dat God van plan was om Zijn gehele plan teniet te doen: “Ik zal de mensen die ik geschapen heb van de aarde wegvagen, dacht hij [God], en met de mensen ook het vee, de kruipende dieren en de vogels, want ik heb er spijt van dat ik ze heb gemaakt.” (Genesis 6:7) Om een lang verhaal kort te maken, God schakelde over op plan B en begon weer opnieuw met Noach (Genesis 6-9).

    Iets later ging het weeral verkeerd toen de mens weer en masse tegen God rebelleerde, waarop God de toren van Babel vernietigde en met Abraham verderging (Genesis 11-12). We zouden nog verder kunnen spreken over Jozef, de Israëlieten in ballingschap, Moses, de resten van rechtschapene Israëlieten onder de slechte Joden over verschillende perioden, de koningen van Israël,... Om een lang verhaal kort te maken, meestal krijgt God niet Zijn goesting omdat de mensen plannen maken die tegengesteld zijn aan Zijn plannen. Dit is een spijtige zaak.

    Maar, onze God is creatief en Hij is nog steeds bezig aan Zijn plan. Zo scheen Hij Licht in de allesomvattende duisternis. “Het volk dat in duisternis ronddoolt ziet een schitterend licht. Zij die in het donker wonen worden door een helder licht beschenen” (Jesaja 9:1 / Matteüs 4:16). Ja, “een kind is ons geboren, een zoon is ons gegeven; de heerschappij rust op zijn schouders. Deze namen zal hij dragen: Wonderbare raadsman, Goddelijke held, Eeuwige vader, Vredevorst. Groot is zijn heerschappij, aan de vrede zal geen einde komen. Davids troon en rijk zijn erop gebouwd, ze staan vast, in recht en gerechtigheid, van nu tot in eeuwigheid. Daarvoor zal hij zich beijveren, de HEER van de hemelse machten” (Jesaja 9:5-6). God de Vader heeft ons Zijn Zoon Jezus Christus namelijk gegeven omdat Hij zoveel hield van die paradijselijke sfeer, Gods orde, die voor ons passend en harmonieus is (Dit is een mogelijke zienswijze van Johannes 3:16 aan de hand van het Griekse woord κόσμος dat daar gebruikt wordt). God de Vader gaf niet op en wilde en wil ons nog steeds terugbrengen naar dit Paradijs. Hij wil dit Paradijs vestigen op deze aarde (Openbaring 22). Zijn Zoon Jezus had ook dit brandend verlangen. Hij verkondigde dat dit koninkrijk nabij is (Matteüs 4:17) en Hij leerde zijn leerlingen te verlangen naar dit koninkrijk want Hij leerde hen namelijk bidden: “Onze Vader in de hemel, laat uw naam geheiligd worden, laat uw koninkrijk komen en uw wil gedaan worden op aarde zoals in de hemel” (Matteüs 6:9b-10). Deze Jezus had dus duidelijk een koninkrijksplan. En, bijvoorbeeld na zijn opstanding, gaf Hij dit koninkrijksplan door aan Zijn leerlingen toen Hij zei: “Mij is alle macht gegeven in de hemel en op de aarde. Ga dus op weg en maak alle volken tot mijn leerlingen, door hen te dopen in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest, en hun te leren dat ze zich moeten houden aan alles wat ik jullie opgedragen heb. En houdt dit voor ogen: ik ben met jullie, alle dagen, tot aan de voltooiing van deze wereld.” (Matteüs 28:18-20). Jezus heeft alle macht in de hemel en op aarde en Hij heeft ons gemaakt tot ambassadeurs van dit koninkrijk: “U bent een uitverkoren geslacht, een koninkrijk van priesters, een heilige natie, een volk dat God zich verworven heeft om de grote daden te verkondigen van hem die u uit de duisternis heeft geroepen naar zijn wonderbaarlijke licht” (1 Petrus 2:9). Petrus gaat verder en noemt ons deel van Gods volk. Ook Paulus schrijft dat we Zijn volk zijn, “dat vol ijver is om het goede te doen” (Titus 2:14b). Wij mogen meedoen aan Jezus’ plan van verkondiging dat zich uitstrekt tot aan de uiteinden van de wereld. Het verlangen om goed te doen en een nalatenschap achter te laten is ons door God gegeven. God heeft namelijk “de eeuwigheid gelegd in het hart van den mens” (Prediker 3:11, Canisiusvertaling). Wij willen een verandering nalaten voor deze wereld en voor de eeuwige wereld.

    Bij nieuwjaar maken wij plannen voor het nieuwe jaar. We schrijven onze nieuwjaarswensen op. Maar hebben we er al eens over nagedacht dat God misschien ook een lijst met nieuwjaarswensen voor het nieuwe jaar heeft? Hoe kunnen we Gods nieuwjaarswensen uit doen komen? Hoe kunnen we onze plannen inpassen in Gods koninkrijksplan? Allereerst moeten we beseffen dat we vanuit onze relatie met Jezus Christus een deel van het geheel zijn. We zijn dus een schakel in Gods plan. “Voeg u bij hem, bij de levende steen die door de mensen werd afgekeurd [dit is Jezus] maar door God werd uitgekozen om zijn kostbaarheid, en laat u ook zelf als levende stenen gebruiken voor de bouw van een geestelijke tempel. Vorm een heilige priesterschap om geestelijke offers te brengen die God dankzij Jezus Christus welgevallig zijn.” (1 Petrus 2:4-5) Zoals u kan lezen in Johannes 15 zijn we afhankelijk van Jezus Christus om een levend geloof te leven. Over wat een levend geloof is kan u lezen in Jakobus 2. Het is een geloof waaruit goede werken voortvloeien. Verder zegt Paulus: “Broeders en zusters, met een beroep op Gods barmhartigheid vraag ik u om uzelf als een levend, heilig en God welgevallig offer in zijn dienst te stellen, want dat is de ware eredienst voor u. U moet uzelf niet aanpassen aan deze wereld, maar veranderen door uw gezindheid te vernieuwen, om zo te ontdekken wat God van u wil en wat goed, volmaakt en hem welgevallig is.” (Romeinen 12:1-2). We moeten onszelf dus volledig geven aan de Heer en proberen te vinden wat Hij van ons wil. Wij hebben hierin ook elkaar nodig want “Er zijn verschillende gaven, maar er is één Geest; er zijn verschillende dienende taken, maar er is één Heer. (…) Al deze gaven worden geschonken door een en dezelfde Geest, die ze aan iedereen afzonderlijk toebedeelt zoals hij wil. (…) Welnu, u bent het lichaam van Christus en ieder van u maakt daar deel van uit.” (1 Korintiërs 12:4-5,11, 27). Hoe vervullen we een stukje van dit plan in het hier en nu? Welke plannen legde God op jouw hart? Merk op dat voor elk lid van onze gemeente geldt: “Want hij [God] heeft ons gemaakt tot wat wij nu zijn: in Christus Jezus geschapen om de weg te gaan van de goede daden die God heeft voorbereid” (Efeziërs 2:10). Dit wil niet zeggen dat wij dan maar niet moeten plannen. “Een mens stippelt zijn weg uit, de HEER bepaalt de richting die hij gaat.” (Spreuken 16:9). Wij moeten plannen en overleggen met God en ons dan laten leiden door de Heer in onze harten. Het is een teamverband want God is relationeel.

    Ook het leiderschap van onze kerk heeft hierin een taak. Zij moeten God om visie vragen want “Waar het visioen ontbreekt, verwildert het volk” (Spreuken 29:18, Willibrordvertaling).

    Dit is misschien allemaal mooie theorie maar hoe ga je als individu en hoe gaan we als gemeente deze plannen uitvoeren in 2019? Hoe gaan we onze dromen nu omzetten in daden? Ik schreef al naar Harry en het oudstenteam dat ik graag de koppen bij elkaar zou steken met ieder lid van deze gemeente zodat we samen kunnen kijken voor welk toekomstig werk jij geschikt zou kunnen zijn. Let goed op! Na de dienst kan u bij Harry, de oudsten, of bij mij komen en jouw diensten, bijdrages,… aanbieden. We gaan dit dan met jou bespreken en noteren. Blijf vooral jouw diensten koppig aanbieden opdat we voor iedereen een plek kunnen vinden in “het werk in zijn dienst” (Efeziërs 4:12b). Als ik het even mag hebben over geld. Ik weet dat dit een moeilijk gespreksonderwerp is in de kerken van Vlaanderen, waarschijnlijk vanwege misbruik in vele kerken. De Didachè, een document uit de vroege Kerk beweert: “Als hij [een profeet] geld vraagt, is hij een valse profeet” (hoofdstuk 11). Dan weet u het oordeel van de vroege Kerk over zulk soort charlatans. Geld vragen voor anderen in nood is wèl Bijbels. We zien Paulus dit doen voor de kerk van Jerusalem zoals je kan lezen in 1 Korintiërs 16:2-4: “Laat ieder van u elke eerste dag van de week naar vermogen iets opzijleggen. Dan hoeft er bij mijn komst geen geld meer te worden ingezameld. Wanneer ik eenmaal bij u ben, zal ik degenen die u hebt uitgekozen om de gaven te overhandigen, met aanbevelingsbrieven naar Jeruzalem laten gaan. Als ik zelf ook de mogelijkheid heb naar Jeruzalem te gaan, zullen ze mij vergezellen”. Dit komt overeen met wat De Didachè verder beweert: “Maar wie in de Geest zegt, geef me geld, of iets anders, je zal niet naar hem luisteren; maar als hij zegt om te geven voor anderen die nood hebben, laat niemand hem oordelen” (hoofdstuk 11). Persoonlijk zie ik geld gewoon als bevroren tijd. Het is bijvoorbeeld een vergoeding die je krijgt voor de tijd die je investeert om te werken voor je baas. Misschien heb je niet veel tijd maar wel geld dat je kan investeren. Of misschien is het juist andersom. Misschien heb je veel tijd maar weinig geld. Misschien heb je geen van beiden maar gewoon weinig geld en weinig tijd. Hoe het ook zij, je kan je tijd en / of financiële bijdragen aanbieden aan deze kerk, het project van Rita in Benin, of totaal andere projecten. Misschien heeft de Heer wel een specifiek land op je hart geplaatst. Ik heb mijn connecties en andere kerkleden hebben ook hun connecties. Laten we samen overleggen en we vinden waarschijnlijk wel een weg.

    Laten we de volgende bemoediging van de voormalige paus Benedictus XVI tot ons nemen:

    "Als je verenigd blijft met Christus, dan zal elkeen van jullie grootse dingen kunnen doen. Daarom, beminde vrienden, moeten jullie niet bang zijn om met jullie ogen open te dromen over belangrijke projecten die met het goede te maken hebben en jullie moeten jullie niet laten ontmoedigen door moeilijkheden. Christus heeft vertrouwen in jullie en wil dat jullie jullie meest nobele en verhevene dromen van ware blijdschap realiseren. Niets is onmogelijk voor diegenen die vertrouwen in God en zich aan Hem toevertrouwen."

    — Paus Benedictus XVI, Gebedswake met Jonge Mensen (1 September 2007) [vertaald vanuit het Engels]

    Als je klaar bent om je diensten aan te bieden, kom dan met ons spreken na de dienst. Als je hierover nog tijd nodig hebt om te bidden, kom dan een andere keer naar Harry of mij of naar de andere oudsten hier aanwezig. Ik wens jullie allemaal een gezegend 2019.

     

    (De Bijbelvertalingen zijn genomen uit de Nieuwe Bijbelvertaling, behalve indien anders aangegeven.)


    Categorie:Preken
    25-11-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Een preek over de dwaalleer der Nicolaïeten en der Gnostici

    [Hier kan u naar de preek luisteren: https://www.mixcloud.com/emmanuelhaacht/2018-11-25-de-dwaalleer-der-nicolaïeten-en-der-gnostici-door-tom-torbeyns/]

    In de tijd van de apostelen waren er twee soorten dwaalleraren (de Nicolaïeten en de Gnostici) die vandaag de dag ook populair zijn hoewel ze zich verschuilen onder andere namen en in andere vormen bestaan. Vandaag de dag hoor je hen met uitspraken zoals: “Ik ben positioneel rechtvaardig hoewel ik nog volop zondig.” Of “Als de Vader naar me kijkt ziet Hij mijn zonden niet maar Hij ziet Christus in de plaats van mijn zonden.” Deze dwaalleer is ook populair in de Protestantse en Evangelische kerken in België en deze dwaalleraren misleiden niet alleen anderen maar hebben ook zichzelf misleid zodat ze zelf niet beseffen dat ze misleid zijn. Ze willen dit niet beseffen omdat ze de leugen meer liefhebben dan de waarheid, en de zonde meer liefhebben dan de gehoorzaamheid. Ze tolereren leugengeesten maar de waarheid tolereren ze niet. Ze geloven dat ze liefhebben maar hun tolerante liefde heeft niets met ware liefde en waarheid te maken. Het zou kunnen dat je zelf door dit soort mensen of geesten misleid bent.

    Hoewel ik jullie streng toespreek zijn mijn bedoelingen zuiver en goed. Ik spreek zo omdat ik deze en de andere kerken liefheb en ik graag zou willen dat de kerken zichzelf samen met God zullen bevrijden van deze dwaalleren, dwaalleraren, en dwaalgeesten en omdat ik wil dat niemand van deze kerkgemeente misleid zal worden door charismatische dwaalleraars die jullie oren masseren met mooiklinkende sprookjes die haaks staan op Gods waarheid. We zullen deze leugenaars, leugengeesten, en dwaalleer openlijk ontmaskeren met behulp van enkele geschriften van Johannes, namelijk de Openbaring van Jezus Christus aan Johannes en de Eerste Brief van Johannes. De waarheid kan je misschien kwetsen maar als je je er voor open stelt, zal ze je vrijmaken.

    We beginnen met het Boek der Openbaring. Ik verschaf jullie even wat achtergrondinformatie: Johannes ging volgens de overlevering naar Klein-Azië in Turkije. Hij was daar “overzichthouder” of opziener van de gemeenten in die streek waarvan hij er velen zelf had gesticht. Johannes werd naar het eiland Patmos verbannen waar hij een Openbaring van Jezus Christus ontving. Vanuit deze Openbaring moest hij enkele brieven schrijven naar lokale kerkgemeenten van die tijd. Deze brieven zijn opgenomen in de Bijbel opdat we er zelf van kunnen leren en er anderen vanuit kunnen onderwijzen. We gaan hier drie kerken kort bespreken, namelijk Efeze, Pérgamus, en Thyatira, in verband met de Nicolaïeten. We beginnen met Efeze, waar Jezus zegt:

    “Schrijf aan den engel der kerk te Efese. Dit zegt Hij, die de zeven sterren houdt in zijn rechterhand, die rondgaat te midden der zeven gouden luchters: Ik ken uw werken, uw zwoegen en uw geduld; en Ik weet, dat ge de bozen niet kunt verdragen. Ge hebt hen, die zich apostelen noemen – maar ze zijn het niet – op de proef gesteld, en ze leugenaars bevonden. (…) Dit echter hebt ge vóór, dat ge de werken der Nikolaieten haat, die Ik ook haat. Wie oren heeft, die hore wat de Geest zegt tot de kerken: Wie overwint zal ik doen eten van de boom des levens, die staat in het Paradijs van God.” (Openbaringen 2:1-2,6-7)

    Efeze is een kerk die bekend stond om haar orthodoxie; haar zuiverheid van leer, haar ontmaskering van leugenaars, en haar haat voor de werken der dwaalleraars. Bij hen kwam de leer der Nicolaïeten niet eens binnen.

    De volgende kerk is de kerk van Pérgamus:

    “Schrijf aan den engel der kerk te Pérgamus. Dit zegt Hij, die voert het scherpe tweesnijdende zwaard: (…) Maar ik heb enkele dingen tégen u. Want ge hebt er daar, die de leer van Bálaäm volgen, van hem, die Balák een struikelblok leerde leggen voor Israёls zonen, om afgodenoffers te eten en ontucht te plegen; zó hebt gij er ook, die de leer der Nikolaieten volgen, die hetzelfde beoogt. – Bekeer u dus! Zo niet, dan kom Ik schielijk op u af; en Ik zal strijd tegen hen voeren met het zwaard van mijn mond. Wie oren heeft, die hore wat de Geest zegt tot de kerken: wie overwint, zal Ik van het verborgen manna geven.” (Openbaringen 2:12,14-17a)

    In de kerk van Pérgamus zien we dus al wel dat sommigen misleid zijn door de leer der Nicolaïeten; sommigen onder hen namen wel hun tolerantie voor zonden over en probeerden anderen te misleiden door hun tolerantie van zonde aan te praten; ze zeiden misschien enkele van de volgende dingen: “God begrijpt het wel als je een beetje zondigt… Je kan toch niet zondeloos zijn?! We zijn toch maar zwakke mensen… Iedereen is een zondaar…” Gelukkig was het merendeel nog niet misleid in deze kerk maar ze tolereerden wel al deze dwaalleer.

    De volgende kerk is die van Thyatira:

    “Schrijf aan den engel der kerk te Tyatira. Dit zegt de Zoon van God, die ogen heeft als een vuurvlam, wiens voeten zijn als glanzend koper: (…) Maar ik heb tégen u, dat ge de vrouw Izébel laat begaan, die zich profetes noemt, en door haar leer mijn dienaars verleidt, om ontucht te plegen en afgodenoffers te eten. Ik heb haar tijd gegeven, om tot inkeer te komen; maar ze wíl zich niet bekeren van haar ontucht. Zie, haar werp Ik op het bed; die overspel met haar plegen. Breng Ik in grote verdrukking, wanneer ze zich niet van haar werken bekeren; haar kinderen zal Ik doen omkomen door de dood. Dan zullen alle kerken weten, dat Ik het ben, die nieren en harten doorgrond, en dat Ik ieder van u naar uw werken vergeld. Aan de anderen van Tyatira, aan hen, die deze leer niet aanvaarden en de diepte van Satan niet kennen, zoals men dat noemt; aan u zeg Ik: Ik leg u geen andere last op; houdt slechts vast, wat gij hebt, totdat Ik kom. Wie overwint, en ten einde toe mijn werken volbrengt, hem zal Ik macht over de heidenen geven.” (Openbaringen 2:18,20-26)

    Izebel was waarschijnlijk een leidster van de Nicolaïeten. In de kerk van Thyatira is het zo ver gekomen dat van binnenuit de leer der Nicolaïeten werd gepromoot vanuit een totaal tolerante positie. Wat de eerste kerk buiten hield, wat door sommigen van de tweede kerk werd geloofd, werd openlijk gedaan en gepromoot door de derde kerk. Van kwaad naar erger. Uit liefde mogen we zo een negatieve evolutie niet tolereren om de val van de christenen tegen te gaan. De Nicolaïeten zijn diegenen die de ware christenen kunnen overwinnen, onderwerpen en vernietigen door hen te verleiden tot liberalisme, valse tolerantie voor-, en slavernij van de zonde (Νικολαΐτης betekent namelijk “zegeviering over- of vernietiging van mensen”), maar Jezus draagt ons op om niet geestelijk vernietigd te worden door deze dwaalleer der Nicolaïeten, maar om haar te overwinnen (in de Griekse tekst is dit het woord νικῶν, dat we al verschillende malen tegenkwamen in deze teksten), en haar te haten en te verafschuwen (μισῶ). Daarom moeten we gaan voor steeds meer zuiverheid en niet voor steeds meer zondigheid. De “diepte van Satan” is waarschijnlijk Johannes’ manier om te spotten met de diepe, geheime kennis der Nicolaïeten waar ware christenen niets mee te maken mogen hebben. Hier zullen we spoedig nog iets dieper op ingaan.

    Een ander geschrift van Johannes dat we zeer spoedig gaan bespreken is 1 Johannes. Ook hier beweert Johannes dat de christenen moeten vasthouden aan het eerste, het ware christendom, in plaats van af te dwalen door beïnvloed te worden door dwaalleraren. Deze dwaalleraren beweerden dat ze geheime kennis bezitten. Ze stonden bekend als de gnostici [zij die weten]. Hun geheime kennis was de gnosis. Het is occulte, esoterische, verborgen kennis. Ze dachten diepere, geheime kennis te bezitten maar Johannes zegt dat deze schijnchristenen niet de diepe kennis van God bezitten maar wel “de diepte van satan”, die ware christenen niet hoeven te kennen, zoals we daarnet al lazen in Openbaringen 2:24. Het volgende vers geeft aan dat de ware christenen geen extra, geheime kennis hoeven te hebben maar slechts hoeven vast te houden wat ze hebben (Openbaringen 2:25), zoals Johannes schrijft over de ware kennis die ware christenen hebben in 1 Johannes 2: vers 20, vers 24, en vers 26 tot 27: ‘Maar gíj hebt de Zalving van den Heilige, en allen, en allen bezit gij kennis [sommige handschriften: “van God”; of, er kan ook gesteld worden: “en gij weet alles”]. (…) Wat u betreft: wat gij gehoord hebt van de aanvang af, het blijve in u. Waanneer in u blijft, wat gij van de aanvang af hebt gehoord, dan zult gij ook zelf blijven in den Zoon en in den Vader. (…) Dit alles schrijf ik u met het oog op hen, die u misleiden [πλανάω: van het rechte pad afleiden, van de waarheid naar de leugen, naar de zonde]. Wat toch uzelf betreft: in u blijft de Zalving, die gij van Hem ontvangen hebt; gij hebt dus niet nodig, dat iemand u leert. Maar juist zoals zijn Zalving het u leert, zó is dat alles ook waar en geen leugen [ψεῦδος: een leugen; misleiding; perverse, oneerbare, misleidende voorschriften].’ Ook staat er in hoofdstuk 4, vers 13: “Hieraan erkennen wij, dat wij in Hem blijven, en Hij in ons: dat Hij ons van zijn Geest heeft meegedeeld.” Hoe proberen deze dwaalleraars de ware christenen te misleiden? En hoe herkennen we deze misleiders dan? Hier volgen enkele verzen van deze Brief van Johannes die we aan het bespreken zijn: “Hieraan zijn de kinderen Gods en de kinderen des duivels te kennen: wie de gerechtigheid niet beoefent, is niet uit God. Evenmin hij, die zijn broeder niet liefheeft” (1 Johannes 3:10). “Zíj zijn uit de wereld; daarom spreken ze naar de wereld, en de wereld luistert naar hen. Wíj zijn uit God: wie God kent, luistert naar ons; wie niet uit God is, luistert niet naar ons. – Hieraan erkennen we de geest der waarheid en de geest der dwaling. Geliefden, laat ons elkander beminnen. Want de liefde is uit God, en wie liefheeft, is uit God geboren en kent God; wie niet liefheeft kent God niet. Want God is liefde!” (1 Johannes 4:5-8) Net zoals de Nicolaïeten tot ontucht en afgoderij misleidden stelt Johannes hier over de wetteloze misleiders: “Kinderen, laat niemand u misleiden. Wie de gerechtigheid doet, is rechtvaardig zoals Hij rechtvaardig is. Wie de zonde doet, is uit de duivel, want de duivel zondigt van het begin af.” (1 Johannes 3:7-8a, TELOS) “Wie zijn broeder haat, is een moordenaar; en gij weet, dat geen moordenaar het eeuwige leven behoudt.” (1 Johannes 3:15). Het zijn dus mensen die beweren dat hoewel we zondigen, we toch rechtvaardig zijn. Doet je dat niet denken aan uitspraken zoals: “Je bent positioneel rechtvaardig hoewel je nog volop zondigt.” Of: “Als de Vader naar je kijkt ziet Hij jouw zonden niet maar Hij ziet Christus in de plaats van jouw zonden.” We moeten zulke dwaalleer niet geloven. In tegenstelling tot deze dwaalleraren die de waarheid met de leugen vermengen stelt Johannes: “Ik schrijf u dan ook niet, omdat gij de waarheid niet kent, maar omdat ge haar wèl kent, en weet, dat geen leugen deel uitmaakt van de waarheid.” (1 Johannes 2:21) Deze giftige slangen sluipen, net zoals hun vader de slang, binnen in het Paradijs (ik gebruik het hier vrij als een symbool voor de kerk) en zij stellen: “Gij zult volstrekt niet sterven. Maar God weet, dat uw ogen zullen opengaan (…).” (Genesis 3:4-5a) Dat zijn twee leugens in een zin en half. “Gij zult volstrekt niet sterven.” is gelijk aan “eens gered altijd gered” en “God weet, dat uw ogen zullen opengaan” is gelijk aan de occulte kennis die niet van God komt. Dit is de diepte van satan, de ervaringskennis van goed en kwaad (Genesis 2:17; 3:22) waartoe ze de ware christenen proberen te misleidden. Ze leren namelijk dat je het slechte kan doen en toch de relatie met de Goede God kan behouden. Dit is niet waar. Zoals ik in mijn vorige preek zei: “Je kan niet van de kennis van het kwaad en van het eeuwige leven eten. Het is òf een relatie met God òf een relatie met de zonde.” God is licht zonder duisternis (Jakobus 1:17; 1 Johannes 1:5), laat ons licht zijn zonder duisternis zodat we niet verdwalen in de duisternis en van Hem vervreemd worden (1 Johannes 2:11). Jakobus leert ons dat we niet dubbelhartig mogen zijn en dat we ons van zulke dubbelhartigheid, indien die in ons aanwezig is, moeten bekeren (Jakobus 1:8; 4:8). Johannes leert zulke radicale stellingen ook aan de ware christenen en leert ons duidelijk wat we moeten doen: “En de wereld gaat voorbij en haar begeerte, maar wie de wil van God doet, blijft tot in eeuwigheid.” (1 Johannes 2:17, TELOS); “Als u weet dat Hij rechtvaardig is, erkent dan dat ieder die de gerechtigheid doet, uit Hem geboren is.” (1 Johannes 2:29, TELOS); “en verkrijgen van Hem al wat we vragen. – Want we onderhouden zijn geboden, en doen, wat Hem behaagt.” (1 Johannes 3:22) Hij leert ons duidelijk dat we ons niet mogen laten beïnvloeden door zulk soort dwaalleraren, en dwaalgeesten maar dat we moeten blijven: “Wat u betreft: wat gij gehoord hebt van de aanvang af, het blijve in u. Wanneer in u blijft, wat gij van de aanvang af hebt gehoord, dan zult gij ook zelf blijven in den Zoon en in den Vader.” (1 Johannes 2:24) “En wat u betreft, de zalving die u van Hem ontvangen hebt, blijft in u, en u hebt niet nodig dat iemand u leert; maar zoals zijn zalving u over alles leert, en waar is en geen leugen, en zoals zij u geleerd heeft, blijft in Hem.” (1 Johannes 2:27, TELOS) “Ieder die in Hem blijft, zondigt niet; ieder die zondigt, heeft Hem niet gezien en Hem niet gekend.” (1 Johannes 3:6, TELOS) “Ieder die uit God geboren is, doet de zonde niet, omdat Diens zaad in hem blijft; en hij kan niet zondigen, omdat hij uit God geboren is.” (1 Johannes 3:9, TELOS) “Wie zijn geboden onderhoudt, blijft in Hem en Hij in hem; en hieraan erkennen we, dat Hij in ons blijft: aan de geest die Hij ons schonk.” (1 Johannes 3:24) “Wij weten dat ieder die uit God geboren is, niet zondigt, maar wie uit God geboren is, bewaart zichzelf en de boze heeft geen vat op hem.” (1 Johannes 5:18, TELOS) We moeten blijven in gehoorzaamheid in Hem opdat er van ons en van de misleidde kerken in België zal kunnen gezegd worden: “Maar dit hebt u, dat u de werken van de Nicolaïeten haat, die ook Ik haat. Wie een oor heeft, laat hij horen wat de Geest tot de gemeenten zegt. Wie overwint, die zal Ik te eten geven van de boom van het leven die in het paradijs van God is.” (Openbaringen 2:6-7, TELOS)


    Categorie:Preken
    21-10-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Een Preek over Twee Bomen

    [Hier kan u naar de preek luisteren: https://www.mixcloud.com/annick-vanblaere/2018-10-21-een-preek-over-twee-bomen-door-tom-torbeyns/]

    Voor deze preek moet je twee bomen in je gedachten hebben; een goede, gezonde boom, en een slechte, zieke, verdorrende boom. Deze soorten bomen stellen twee soorten mensen voor. De ene boom is geplant in God de Vader en wordt gevoed door de Heilige Geest die wordt voorgesteld door het levende water, de andere is op zijn minst deels geplant in een andere bodem, en wordt deels gevoed met datgene wat niet van God komt. Het verschil tussen een boom en een mens is dat een boom geen vrije wil heeft. Een boom kan zich niet verplaatsen. Waar een boom is geplant, daar blijft hij. Wij hebben wel de keuze om onze wortels te verplaatsen. Het is de bedoeling dat je tijdens deze prediking biddend je eigen hart onderzoekt en jezelf afvraagt welk soort boom je bent. Indien je een slechte of gewoon een verziekte boom bent, kan je je wortels alsnog verplaatsen.

    Ter illustratie beginnen we met een trieste tekst uit Jeremia:

    “Is ooit een volk van goden veranderd? En dat zijn niet eens goden! Maar mijn volk heeft zijn machtige God vervangen door een god die niet helpt. Hemel, schrik hier heftig van, huiver en beef – godsspraak van de HEER – want mijn volk heeft dubbele misdaden begaan. Ze hebben Mij verlaten, de bron van levend water, en ze hebben regenbakken gemaakt, die gebarsten zijn en die geen water kunnen houden. Israël is toch geen knecht; hij is ook niet als slaaf geboren! Hoe is hij dan een prooi geworden waartegen de leeuwen brullen!”
    - Jeremia 2:11-15a (WB)

    Deze tekst gaat niet over bomen maar we kunnen ze verbinden met onze analogie over bomen. Wat een prachtige symbolisme komen we toch tegen in deze tekst. God is de bron van levend water, toch verwachten deze “bomen” het benodigde water van ergens anders. Ze kunnen het benodigde water zelfs niet meer opslaan in hun systeem, ja, ze kunnen het zelfs niet verkrijgen van die afgoden. Ze worden hun afstervende slaven, en worden toch nog steeds genadeloos door hen opgejaagd als prooien. Zulke verslavende afgoden kunnen verscheidene dingen zijn waaraan je verhangen bent: pornografie, roken, drinken,… een ander voorbeeld dat in me opkwam, vooral voor de dames onder ons, was Instagram, Facebook, en soortgelijke apps. Vele vrouwen zitten op deze apps. De gevolgen hiervan zijn dat ze hun uiterlijk gaan vergelijken met gefotoshopte vrouwen die er beter uitzien dan henzelf. Hierdoor gaan ze van zichzelf een negatief zelfbeeld krijgen en zullen ze hun wortel niet langer geplant hebben in het feit dat ze door God wonderbaarlijk gemaakt zijn. (Psalm 139:14) Wat nog erger is is dat sommige “christelijke” vrouwen zichzelf schaarser kleden, omdat dat zogezegd “the new normal” is. Zulk gedrag mogen jullie als christelijke vrouwen niet aanvaarden. Het strookt niet met de wet van de liefde (Markus 12:30-31), en het kan jullie broeders ten val brengen, waarvoor jullie zelf zwaar zullen aansprakelijke worden gesteld tijdens Gods dag van het oordeel (Mattheus 18:6-7).

    In schril contrast met de boom die zijn water probeert te halen uit de wereld, uit dat wat niet van God is, staat de goede boom:

    “Maar gezegend de man, die op Jahweh vertrouwt, En zijn hoop stelt op Jahweh. Hij is als een boom, aan het water geplant, Die zijn wortels schiet in de beek: Die dreigende hitte niet vreest, En wiens blad niet verwelkt; Die in droge jaren niet kwijnt, Maar altijd vruchten blijft dragen.”

      - Jeremia 17:7-8 (CV)

    Dit is een boom die geplant is in de HEER (Jahweh), en zich voedt met de Heilige Geest. Verder kan men lezen over deze boom:

    “Gelukkig is iemand die niet luistert naar slechte mensen, die nee zegt tegen hun verkeerde plannen. Als slechte mensen spotten met God, doet hij niet mee. Maar hij is blij met de wet van de Heer. Daar is hij dag en nacht mee bezig. Het gaat altijd goed met hem. Hij lijkt op een boom aan het water. De boom geeft vruchten, ieder jaar opnieuw, en zijn bladeren blijven altijd groen.”

    - Psalm 1:1-3 (BGT)

    Deze boom heeft zijn wortels niet geplaatst in het advies van slechte mensen, maar in het advies van God, ja, in God zelf. Daarom is hij gezond en weet hij waarom hij best nee kan zeggen tegen het advies van slechte mensen; hij weet dat zulk advies zijn gezonde leven en zijn gezonde groei belemmert.

    Het concept van deze twee soorten bomen gaat helemaal terug tot het begin der mensheid, toen Adam in de tuin van Eden aanwezig was; “Midden in de tuin stonden twee bijzondere bomen. Als je van de ene boom gegeten had, bleef je altijd leven. En als je van de andere boom gegeten had, wist je wat goed was en wat kwaad was.”
    - Genesis 2:9b (BGT)

    Dus, de ene boom brengt enkel leven voort, terwijl de andere boom je ook de andere kant; de dood laat zien. Over deze laatste boom stond geschreven: “En Jahweh God gaf den mens het volgend gebod: Van alle bomen uit de tuin moogt ge eten: maar van de boom der kennis van goed en kwaad moogt ge niet eten: want wanneer ge daarvan eet, zult ge sterven.”

    - Genesis 2:16-17 (CV)

    Het was nooit de bedoeling dat de mens zichzelf zou voeden vanuit een andere bron met datgene wat niet van God komt. Maar de duivel misleidde de mens en de mens luisterde naar zijn advies. Dit kan u zelf lezen in Genesis hoofdstuk 3. Het gevolg was dat: “De HEER God zei: ‘Nu de mens in de kennis van goed en kwaad als een van Ons is geworden, wil Ik voorkomen dat hij zijn hand uitstrekt en ook van de boom van het leven plukt. Door daarvan te eten, zou hij eeuwig blijven leven!’ Daarom verwees de HEER God hem uit de tuin van Eden, en moest hij de grond gaan bebouwen waaruit hij was genomen. Hij verjoeg dus de mens uit de tuin, en aan de oostkant van de tuin van Eden plaatste Hij de kerubs en de vlam van het wentelend zwaard, om de weg naar de boom van het leven te bewaken.”
    - Genesis 3:22-24 (WB)

    Merk op dat je dus niet zowel van de boom van het kwaad kan eten als van de boom van het leven. Kies welke boom jij zal zijn! Kies in welke grond jij je wortels zal planten! Kies welke vruchten jij zal eten! Als je voor het laatste, verslavingen, zonde,… kiest, begin je te verdorren, en wordt je automatisch uitgesloten van het eeuwige leven; “Weet gij dan niet, dat zij die onrecht doen, geen deel zullen hebben aan het koninkrijk Gods?” – 1 kor 6:9 (CV) en “Pas op, je kunt God niet bedriegen. Uiteindelijk geeft hij je wat je verdient. Als je je laat leiden door slechte verlangens, blijft er niets van je over. Maar als je je laat leiden door de heilige Geest, krijg je het eeuwige leven.”
    - Galaten 6:7-8 (BGT)

    Je vraagt je misschien af: “Staan mijn wortels in de dood of in het eeuwige leven? Hoe kom ik dan te weten welk soort boom ik ben?”
    Welnu, je kijkt naar de vruchten die je voortbrengt. Voor een slechte boom geldt: “De uitingen van een zondig leven zijn bekend, zoals ontucht, onreinheid, losbandigheid, afgodendienst, toverij, vijandschap, twist, afgunst, woede, intriges, ruzies, partijdigheid, jaloersheden, drinkgelagen, orgieën en dergelijke meer. [Dan zegt Paulus weer:] Ik waarschuw u zoals ik u al eerder gewaarschuwd heb: wie zich zo misdragen, zullen het koninkrijk van God niet erven.”

    - Galaten 5:19-21 (WB)

    Ook onze Heer Jezus Christus leert ons:

    “Zo brengt iedere goede boom goede vruchten voort, maar de zieke boom brengt slechte vruchten voort. Een goede boom kan geen slechte vruchten voortbrengen en een zieke boom geen goede. [Net zoals Paulus geeft Hij ons een sterke waarschuwing:] Iedere boom die geen goede vrucht voortbrengt, wordt omgehakt en in het vuur gegooid. Aan hun vruchten zul je ze dus kennen.”

    - Mattheus 7:17-20 (WB)

    Voor een goede boom geldt:

    “Maar de vrucht van de Geest is liefde, vreugde, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, vertrouwen, zachtmoedigheid, zelfbeheersing.”
    - Galaten 5:23 (WB)

    Of je een goede of een slechte boom bent, wordt praktisch door je geuit, bijvoorbeeld door de woorden die je spreekt:

    “Als een mens iets goeds zegt, heeft hij een gevoel van welbehagen, hij voedt zich met de vruchten van zijn mond. Woorden hebben macht over leven en dood, wie zijn tong koestert, plukt daarvan de vruchten.”

    - Spreuken 18:20-21 (NBV)

    Als je bemerkt dat je een slechte boom bent geweest, dat je je hebt laten leiden door al het wereldse afval dat je in je wortels opgeslorpt hebt, wat is daar dan het tegengif voor? Om het tegengif te nemen moet je tot het besef komen dat je vergiftigd bent:

    [Jezus waarschuwde namelijk:] “Ge zegt: Ik ben rijk, ik heb overvloed en heb behoefte aan niets; daarom beseft ge ook niet, dat ge ellendig zijt en erbarmelijk, arm, blind en naakt. Ik raad u aan, om goud van Mij te kopen, door vuur gelouterd, opdat ge rijk moogt worden; en witte klederen, om ze aan te trekken, opdat de schande uwer naaktheid niet aan de dag zal komen; en zalf, om uw ogen te zalven, opdat ge moogt zien. Ik bestraf en tuchtig al, die Ik liefheb. Doe dus uw best en bekeer u.”

    - Openbaringen 3:17-19 (CV)

    Deze tekst was oorspronkelijk geschreven aan de kerk van Laodicea, maar zou ze ook niet toepasbaar zijn op andere kerken in België, ja, zelfs op onze kerk? “ik heb overvloed en heb behoefte aan niets.” Is dit niet de ingesteldheid van vele christenen? We hebben het hier materieel zo goed dat we niet beseffen hoe geestelijk “ellendig en erbarmelijk, arm” we zijn. Zo arm zelfs dat we soms verblind zijn voor het geestelijke leven vanwege de dingen die we dagelijks zien en waaraan we o zo gewend zijn geraakt. Mijn vraag aan u is: zijn er zulk soort dingen die je beter niet bekijkt? Je kan ook doof geworden zijn. Zijn er dingen die je beter niet beluistert? Welk vuil moet je uit je ogen en oren doen? Moet je meer tijd spenderen met God om Hem beter te kunnen zien en horen? Heb je jezelf misschien te veel gevoed met wereldse dingen zodat de “buis” tussen jou en God misschien verstopt is geraakt?

    Er is goed nieuws. Al dit kan hersteld worden; Jezus heeft voor ons oogzalf om onze ogen te herstellen, en oorstokjes om onze oren uit te kuisen, indien we bereid zijn om ons af te keren van onze zonden. Zeg nooit: “Voor mij is het te laat, ik ben te ver afgedwaald, ik heb me te veel laten beïnvloeden door de wereld.” Er is goed nieuws voor u: “Zegt tot de harten in angst: Houdt moed, hebt geen vrees! Ziet, hier is uw God; Hij komt, om de wraak te voltrekken! God zal vergelden; Zelf zal Hij komen, om u te verlossen! Dan worden de ogen der blinden ontsloten, En de oren der doven gaan open; De lamme springt op als een hert, De tong van den stomme zal juichen! Zelfs in de steppe borrelen de wateren omhoog, En de beken in de woestijn; De gloeiende bodem wordt een plas, het dorre land een fontein.” - Jesaja 35:4-7a (CV) Jezus wil uw ogen, uw oren, en uw mond herstellen zodat je reine dingen ziet, hoort, en spreekt. Er zal “een bron ontspringen tegen zonde en onreinheid.” – Zacharia 13:1b (CV) En waarom zouden we nog langer verder drinken van de zonde en van de onreinheid? Zulk werelds water laat ons met als maar meer dorst achter maar het water dat Christus ons wil geven, zorgt er voor dat we geen dorst meer hebben (Johannes 4:13), zodat we geen behoefte meer hebben om onze wortels in ander water, water dat niet goed voor ons is, te plaatsen. Het goede, genezende water, dat voor ons allen beschikbaar is, stroomt van de Vader en van de Zoon tot ons: “ook toonde hij mij een stroom van het water des Levens, helder als kristal, opbruisend uit de Troon van God en het Lam.” – Openbaringen 22:1 (CV) en “Het water dat hen drenkt, stroomt uit het heiligdom.” – Ezechiël 47:12b (CV)

    Ik zeg nogmaals dat het verschil tussen een boom en een mens is dat een boom geen vrije wil heeft. Een boom kan zich niet verplaatsen. Waar een boom is geplant, daar blijft hij. Wij hebben wel de keuze om onze wortels te verplaatsen. De grootste zondaar, zieke, gebrokene,… is welkom om zijn of haar wortels te verplaatsen en te komen drinken van het goede water! Jezus nodigt je uit om gratis en voor niets te drinken van dit water van God en enkel van dit water: “Iedereen die dorst heeft, mag komen. Iedereen die wil, mag zomaar komen drinken van het water dat eeuwig leven geeft.” (Openbaringen 22:17b, BGT) En: “Als je dorst hebt, kom dan bij mij om te drinken!” (Johannes 7:37b, BGT)

    Wat is nu dit water dat stroomt vanuit het heiligdom, vanuit de troon van de Vader en van de Zoon? Zoals je verder kan lezen in het zevende hoofdstuk van het evangelie van Johannes, staat ook hier dit water symbool voor de Heilige Geest. (Johannes 7:39) Daarom, geef je zondige, onbevredigende levensstijlen op en kies om te leven vanuit de heilige Geest die je ware vervulling zal geven.


    Categorie:Preken
    23-09-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Maria, de Apostelen en de Heilige Geest

    [Hier kan u naar de preek luisteren: https://www.mixcloud.com/annick-vanblaere/2018-09-23-maria-de-apostelen-en-de-h-geest-door-tom-torbeyns/]

    De titel van deze preek is: “Maria, de Apostelen en de Heilige Geest”. Vandaag gaan we lezen uit het evangelie van Lukas en uit het boek Handelingen. Beide boeken zijn geschreven door dezelfde auteur, namelijk Lukas. Laten we even lezen uit Lukas hoofdstuk 1 en Handelingen hoofdstuk 1 en 2 om een feel te krijgen voor deze verhalen.

    Voor diegenen die het willen opschrijven, de Bijbelteksten die we vandaag zullen bespreken zijn: Lukas 1:26-38; Handelingen 1:8-14 en Handelingen 2:1-4,12-13,41,47.

    We beginnen met Lukas 1:26-38 (NBV):

    26 In de zesde maand zond God de engel Gabriël naar de stad Nazaret in Galilea,  27 naar een meisje dat was uitgehuwelijkt aan een man die Jozef heette, een afstammeling van David. Het meisje heette Maria.  28 Gabriël ging haar huis binnen en zei: 'Gegroet Maria, je bent begenadigd, de Heer is met je.'  29 Ze schrok hevig bij het horen van zijn woorden en vroeg zich af wat die begroeting te betekenen had.  30 Maar de engel zij tegen haar: 'Wees niet bang, Maria, God heeft je zijn gunst geschonken.  31 Luister, je zult zwanger worden en een zoon baren, en je moet hem Jezus noemen.  32 Hij zal een groot man worden en Zoon van de Allerhoogste worden genoemd, en God, de Heer, zal hem de troon van zijn vader David geven.  33 Tot in eeuwigheid zal hij koning zijn over het volk van Jacob, en aan zijn koningschap zal geen einde komen.'  34 Maria vroeg aan de engel: 'Hoe zal dat gebeuren? Ik heb immers nog nooit gemeenschap met een man gehad.'  35 De engel antwoordde: 'De Heilige Geest zal over je komen en de kracht van de Allerhoogste zal je als een schaduw bedekken. Daarom zal het kind dat geboren wordt, heilig worden genoemd en Zoon van God.  36 Luister, ook je familielid Elisabet is zwanger van een zoon, ondanks haar hoge leeftijd. Ze is nu, ook al hield men haar voor onvruchtbaar, in de zesde maand van haar zwangerschap,  37 want voor God is niets onmogelijk.'  38 Maria zei: 'De Heer wil ik dienen: laat er met mij gebeuren wat u hebt gezegd.' Daarna liet de engel haar weer alleen.

    Dan lezen we Handelingen 1:8-14 (NBV):

    8 'Maar wanneer de heilige Geest over jullie komt, zullen jullie kracht ontvangen en van mij getuigen in Jeruzalem, in heel Judea en Samaria, tot aan de uiteinden van de aarde.'  9 Toen hij dit gezegd had, werd hij voor hun ogen omhooggeheven en opgenomen in een wolk, zodat ze hem niet meer zagen.  10 Terwijl hij zo van hen wegging en zij nog steeds naar de hemel staarden, stonden er opeens twee mannen in witte gewaden bij hen.  11 Ze zeiden: 'Galileeërs, wat staan jullie naar de hemel te kijken? Jezus, die uit jullie midden in de hemel is opgenomen, zal op dezelfde wijze terugkomen als jullie hem naar de hemel hebben zien gaan.'  12 Daarop keerden de apostelen van de Olijfberg terug naar Jeruzalem. Deze berg ligt vlak bij de stad, op een sabbatsreis afstand.  13 Toen gingen ze naar het bovenvertrek waar ze verblijf hielden: Petrus en Johannes, Jacobus en Andreas, Filippus en Tomas, Bartolomeüs en Matteüs, Jacobus, de zoon van Alfeüs, en Simon de IJveraar en Judas, de zoon van Jacobus.  14 Vurig en eensgezind wijdden ze zich aan het gebed, samen met de vrouwen en met Maria, de moeder van Jezus, en met zijn broers.

    En, als laatste, lezen we Handelingen 2:1-4,12-13,41,47 (NBV):

    1 Toen de dag van het Pinksterfeest aanbrak waren ze allen bij elkaar.  2 Plotseling klonk er uit de hemel een geluid als van een hevige windvlaag, dat het huis waar ze zich bevonden geheel vulde.  3 Er verschenen aan hen een soort vlammen, die zich als vuurtongen verspreidden en zich op ieder van hen neerzetten,  4 en allen werden vervuld van de heilige Geest en begonnen op luide toon te spreken in vreemde talen, zoals hun door de Geest werd ingegeven. 12 Verbijsterd en geheel van hun stuk gebracht vroegen ze aan elkaar: 'Wat heeft dit toch te betekenen?'  13 Maar sommigen zeiden spottend: 'Ze zullen wel dronken zijn.' 41 Degenen die zijn woorden aanvaardden, lieten zich dopen; op die dag breidde het aantal leerlingen zich uit met ongeveer drieduizend. 47 Ze loofden God en stonden in de gunst bij het hele volk. De Heer breidde hun aantal dagelijks uit met mensen die gered wilden worden.

    De passage uit Lukas gaat over de aankondiging van Jezus’ geboorte. De passage uit Handelingen gaat over Jezus’ hemelvaart, de discipelen die samen met Maria in eenheid bij elkaar in gebed zijn, en de uitstorting van de Heilige Geest, alsook de groei van de gemeente te Jerusalem. In al deze passages zijn Maria en de Heilige Geest aanwezig.

    Als we deze teksten vergelijken, dan zien we dat er niet-toevallige overeenkomsten zijn tussen beide teksten. Deze parallellen zullen een outline (een structuur) vormen voor onze preek maar we zullen ook andere passages bespreken:

    • 2 maal wordt er een profetie uitgesproken dat de Heilige Geest over Maria en over de apostelen zal komen en dat ze kracht zullen ontvangen:
      • In Lukas 1:35 wordt dit omschreven als: “De Heilige Geest zal op u neerdalen, en de kracht van den Allerhoogste zal u overschaduwen.” (CV)
      • In Handelingen 1:8 staat: “Maar wanneer de heilige Geest over jullie komt, zullen jullie kracht ontvangen en van mij getuigen in Jeruzalem, in heel Judea en Samaria, tot aan de uiteinden van de aarde.” (NBV)
    • 2 maal zien we als reactie complete gehoorzaamheid, het zich volledig overgeven aan de Heer:
      • In Lukas 1:38 staat: “Maria zei: ‘De Heer wil ik dienen: laat er met mij gebeuren wat u hebt gezegd.’” (NBV)
      • In Handelingen 1:12-14 staat: “Daarop keerden de apostelen van de Olijfberg terug naar Jeruzalem. Deze berg ligt vlak bij de stad, op een sabbatsreis afstand. Toen ze in de stad waren aangekomen, gingen ze naar het bovenvertrek waar ze verblijf hielden: Petrus en Johannes, Jakobus en Andreas, Filippus en Tomas, Bartolomeüs en Matteüs, Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Simon de IJveraar en Judas, de zoon van Jakobus. Vurig en eensgezind wijdden ze zich aan het gebed, samen met de vrouwen en met Maria, de moeder van Jezus, en met zijn broers.” (NBV)
    • 2 maal komt de Heilige Geest als een reactie op deze toewijding, deze gehoorzaamheid:
      • We lazen al in Lukas 1:38 dat “Maria zei: ‘De Heer wil ik dienen: laat er met mij gebeuren wat u hebt gezegd.’” (NBV)
      • In Handelingen 2:1-4 staat: “Toen de dag van het Pinksterfeest aanbrak waren ze allen bij elkaar. Plotseling klonk er uit de hemel een geluid als van een hevige windvlaag, dat het huis waar ze zich bevonden geheel vulde. Er verschenen aan hen een soort vlammen, die zich als vuurtongen verspreidden en zich op ieder van hen neerzetten, en allen werden vervuld van de heilige Geest en begonnen op luide toon te spreken in vreemde talen, zoals hun door de Geest werd ingegeven.” (NBV)
    • 2 maal komt er een negatieve reactie van buitenaf: bespotting (of erger): Maria was zogezegd "onwettelijk" zwanger voor het huwelijk en de apostelen waren zogezegd "dronken vanwege wijn"
      • In Mattheus staat dit duidelijker vermeld dan in Lukas. We lezen in Mattheus 1:18-19a: “De afkomst van Jezus was als volgt. Toen zijn moeder Maria al was uitgehuwelijkt aan Jozef maar nog niet bij hem woonde, bleek ze zwanger te zijn van de heilige Geest. Haar man Jozef, die een rechtschapen man was, wilde haar niet in opspraak brengen.” (NBV)
      • In Handelingen 2:13b staat: “Sommigen zeiden spottend: ‘Ze zullen wel dronken zijn.’” (NBV)

    Vanwege haar zogezegde “onwettelijke” zwangerschap had Maria het risico om van overspel beticht te worden en als onreine, ontrouwe hoer uitgescholden te worden en gestenigd te worden. Jozef, haar verloofde, had volgens de Joodse Wet het recht om haar te laten stenigen vanwege haar zogezegde “onwettelijke” zwangerschap (Deuteronomium 22:20-21). Maar, staat er in Mattheus, “Haar man Jozef, die een rechtschapen mens was, wilde haar niet in opspraak brengen [m.a.w. hij wilde niet dat ze gestenigd zou worden] en dacht erover haar in het geheim te verstoten.” (Mattheus 1:29, NBV) Dit toont ons wat een goed man Jozef was, aangezien hij haar genade wou betonen. Maar, buiten steniging, was de kans dus ook heel reëel dat Maria haar verloofde zou verliezen.

    Zij wist dat al deze dingen mogelijk waren maar de genade van God, door de Heilige Geest gaf haar de kracht om met moed deze taak van zwangerschap, bespotting, doosbedreigingen, eenzaamheid en bevalling aan te vatten. Dit alles gebeurde niet door menselijke kracht, noch door menselijk geweld maar door Zijn Geest (Zacharia 4:6). De Heilige Geest gaf aan haar de kracht.

    Zijn wij, net als Maria, ook zo vervuld door de Heilige Geest dat we geloven dat het onmogelijke zich zal manifesteren in ons leven? Zullen we vasthouden, in moeilijke tijden, aan Gods woord; aan Gods beloftes? Zullen we vasthouden door bespotting heen? Zullen we vasthouden als mensen ons dronken, krankzinnig, raar,... vinden? Wij hoeven het niet voor onszelf op te nemen maar God zal dit wel doen. God nam het immers op voor Maria. Jozef dacht dat ze overspel gepleegd had maar een engel kwam naar hem toe en maakte het hem duidelijk. De engel zei: “Jozef, zoon van David, wees niet bang je vrouw Maria bij je te nemen, want het kind dat ze draagt is verwekt door de heilige Geest.” (Mattheus 1:20, NBV)

    • 2 maal komt er op bovennatuurlijke wijze nageslacht uit voort, namelijk Jezus en geestelijke kinderen:
      • Jezus: “De Heilige Geest zal op u neerdalen, en de kracht van den Allerhoogste zal u overschaduwen; daarom ook zal wat uit u wordt geboren, heilig zijn, en de Zoon van God worden genoemd.” (Lukas 1:35, CV) en verder staat er geschreven in Lukas 2:6-7a: “Terwijl ze daar waren, brak de dag van haar bevalling aan, en ze bracht een zoon ter wereld, haar eerstgeborene.” (NBV)
      • Geestelijke kinderen: “Degenen die zijn [Petrus’] woorden aanvaardden, lieten zich dopen; op die dag breidde het aantal leerlingen zich uit met ongeveer drieduizend.” (Handelingen 2:41, NBV) en “De Heer breidde hun aantal dagelijks uit met mensen die gered wilden worden.” (Handelingen 2:47, NBV)

    De verwekking van Jezus gebeurde niet door eigen kracht, zoals er geschreven staat in Jesaja 7:14: ‘Daarom geeft de Heer zelf u een teken: Zie, de maagd zal ontvangen, en een zoon baren; zij zal hem noemen: “God-met-ons”’ (CV). Ook werden de geestelijke zonen niet toegevoegd aan de gemeente van Jeruzalem door de kracht van de gemeenteleden, zoals geschreven staat: “De Heer breidde hun aantal dagelijks uit met mensen die gered wilden worden.” (Handelingen 2:47, NBV) en “Wie hem [Jezus] wel ontvingen en in zijn naam geloven, heeft hij het voorrecht gegeven om kinderen van God te worden. Zij zijn niet op natuurlijke wijze geboren, niet uit lichamelijk verlangen of uit de wil van een man, maar uit God.” (Joh 1:12-13, NBV)

    Mag de Heilige Geest ook zo op een vruchtbare wijze in ons wonen? De bekende Rooms-Katholieke aartsbisschop Fulton Sheen zei het als volgt (ik parafraseer): ‘De Engel Gabriël zei tot Maria: "Zal jij God een Man schenken?" Hetzelfde wordt ook van ons gevraagd bij de doop: "Zal jij God een man schenken?". De man die wij God mogen schenken kan beschouwd worden als onszelf.’ Ik zou nog willen toevoegen bij broeder Sheen dat dit ook kan geïnterpreteerd worden als verwijzend naar onze geestelijke kinderen. Zullen wij God vele kinderen schenken? Zijn wij, net zoals Maria, in verwachting van vele geestelijke zonen en dochters?

    Kan de Heilige Geest ons zo gebruiken? Zullen we leven vanuit Zijn kracht? Als wij, zoals Maria, zeggen: “Mij geschiedde naar uw woord.”, dan zal God het voor ons opnemen. Hij zal ons beschermen als wij ons volledig overgeven aan Zijn wil. Dat moeten wij dan niet doen, God zal het voor ons doen. Laten wij ons focussen op het doen van Gods wil.

    Nog een laatste overdenking: we kunnen het leven van Maria beschrijven door 3 M’en; 3 maal de letter M: Maria als Maagd: zuiver leven (dit staat voor geen seks voor het huwelijk en zuiverheid in alle andere gebieden): “Maria vroeg aan de engel: ‘Hoe zal dat gebeuren? Ik heb immers nog nooit gemeenschap met een man gehad.’” (Lukas 1:34, NBV), Maria als DienstMeid des Heeren: gehoorzaam leven (open voor alles wat God met ons wil doen): “ ‘De Heer wil ik dienen: laat er met mij gebeuren wat u hebt gezegd.’” (Lukas 1:38b, NBV), Maria als Moeder: volhardend en verdragend leven: “Zelf zult u [Maria] als door een zwaard doorstoken worden.” (Lukas 2:35a, NBV). Uit deze 3 M’en, Maagd, DienstMeid, en Moeder, kunnen we dus leren dat we rein, gehoorzaam, en volhardend en verdragend moeten zijn.

    Tot zover enkele van mijn overdenkingen omtrent het leven van Maria en de apostelen en hoe de Heiligen Geest in haar alsook in hen werkte. Nu is het aan jullie. [powerpoint:]

    Bespreek in groepjes van 4 (2 minuten per vraag + 1 minuut per antwoord)

    1. Wat hebt u geleerd van het leven van Maria?
    2. Waarin wilt u haar navolgen? Wat gaat u doen?
    3. Wat waren haar laatst gesproken woorden die opgeschreven zijn in de Bijbel? Wat kunnen we hier allen uit leren? [Antwoord: Joh. 2:5: "Wat Hij [Jezus] u ook zegt, doe dat."]

    Categorie:Preken
    09-09-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Enkele Leerrijke Elementen uit Gordon Fee en Douglas Stuart, "How to Read the Bible for All Its Worth"

    Deze week was ik, om te groeien in de kennis van de Bijbel en in de kennis van het preken, verschillende boeken aan het lezen. Één van deze boeken was Gordon Fee en Douglas Stuart’s How to Read the Bible for All Its Worth (Grand Rapids, Michigan: Zondervan, 1982). Het leek me nuttig om een klein stukje van wat me is opgevallen te delen ter stichting van de leden van de gemeenten en haar leden. Meer specifiek: dit kleine tekstje kan de lezer enkele handige tools geven om de Bijbel beter te leren lezen.

    In het onderdeel over exegese gaf Gordon Fee advies over de correcte volgorde van het lezen van de Bijbel. Eerst moet de lezer kijken naar de historische context (de auteur, het doelpubliek, de achtergrond,…), dan naar de literaire context (vergeet vooral niet in paragrafen te denken), en pas uiteindelijk naar de hermeneutiek.

    De studie van de hermeneutiek betekent dat we gaan kijken naar wat de tekst nu voor ons betekent. Hiervoor moeten we ons gezond verstand gebruiken. De tekst kan niet betekenen wat het niet betekende voor de oorspronkelijke ontvangers. Indien de tekst spreekt over levenssituaties die we momenteel doormaken, dan is dit Gods woord voor ons in deze specifieke situatie. We mogen enkel de toepassing van deze tekst doortrekken indien we daarvoor toestemming krijgen vanuit een andere plaats in de Bijbel.

    We krijgen niet altijd alle informatie maar we moeten tevreden zijn met al de informatie die we krijgen. We mogen niet verder gaan dan de Bijbel door middel van eigen toevoegingen, wilde speculaties, enzovoort.

    Volgens Douglas Stuart leren de verhalen (narratives) van het Oude Testament ons meestal niet direct doctrines maar ze kunnen wel doctrines die ons ergens anders vanuit de Bijbel worden geleerd verhelderen. Ze leren ons wat er gebeurd is maar ze zijn niet altijd goede voorbeelden voor ons. Dit is ook het geval voor vele oudtestamentische personen. Deze narratives en personages moeten we beoordelen aan de hand van wat God ons duidelijk heeft geleerd in de Bijbel. Deze verhalen bevatten niet alles wat er is gebeurd, maar ze bevatten wel alles wat we moeten weten, en we moeten er tevreden mee zijn. Ze kunnen ons iets bijleren op zowel expliciete als impliciete wijze. De oudtestamentische verhalen draaien altijd om God, die de Held van deze verhalen is.

    Op dezelfde manier, verwijdert Fee zichzelf van de typische Evangelische restorationist visie die leert dat Handelingen de norm of het ideaal is. Fee ziet Handelingen als een narrative. Dit heeft als gevolg dat volgens Fee het niet Lukas’ bedoeling was om een patroon uiteen te zetten voor al de lokale kerken. Ook was het niet Lukas’ bedoeling om alle zaken te standaardiseren, en zelfs niet om een boek over kerkgeschiedenis te schrijven. Het was Lukas’ bedoeling om de bovennatuurlijke rol van de Heilige Geest in de westwaartse uitbreiding van het evangelie naar Rome te beschrijven. Zoals in de oudtestamentische narratives, stelt de narrative van Handelingen God voor als de ware Held van het verhaal en net zoals met de narratives van het Oude Testament kan hier dezelfde regel worden toegepast: wat slechts wordt verhaald of weergegeven mag nooit als normatief worden begrepen.

    Tevens leert Fee net hetzelfde als hij het heeft over de oudtestamentische Wet; enkel die geboden die expliciet worden herhaald in het Nieuwe Testament zijn nog slechts van toepassing, niet de rituele en civiele wetten van het oude Israël.

    Zoals we over de Brieven moeten denken per paragraaf, zo moeten we over de Profetische geschriften denken per orakel. Waar een orakel begint en eindigt is niet altijd even gemakkelijk te bepalen. Wel weten we dat de profeten meestal niet de verre toekomst voorspelden maar soms loopt een stukje van een profetie wel over in de verre toekomst. De meeste profetieën zijn dus, voor ons, reeds uitgekomen in het verleden. We mogen geen diepere betekenissen in de profetieën zoeken, behalve degenen die ons gegeven zijn in het Nieuwe Testament. De profeten van het Oude Testament leren ons dat we zowel zuiver in leer als zuiver in daden moeten zijn.

    Psalmen zijn niet bedoeld om ons doctrines of moraliteit bij te brengen maar om ons te helpen onszelf (met onze emoties, zorgen, hoop,...) uit te drukken naar God en om Zijn wegen te overwegen.

    Spreuken zijn bedoeld om visuele voorstellingen van adviezen te geven. Deze adviezen zijn niet theologisch, niet historisch, en niet geldend in elke specifieke situatie. Tevens kunnen we uit het boek Spreuken leren om niet alles te vergeestelijken maar om te beseffen dat God zei over de materiele wereld: "Het is goed" toen Hij die schiep, aangezien de spreuken gaan over praktische, aardse zaken. Natuurlijk wordt dit weer gebalanceerd door andere bijbelpassages die ons waarschuwen voor materialisme.

    Prediker leert ons het leven te bekijken vanuit een atheïstisch / deïstisch perspectief: de logische, koude gevolgen als God er niet zou zijn. Er zou dan geen beloning zijn voor goede daden en er zou dan geen straf zijn voor slechte daden. Maar God is er wel, daarom moeten we Hem vrezen en Zijn geboden onderhouden. Hij zal alle goede en slechte daden oordelen.

    Net zoals Prediker begint Job vanuit negatief advies. Het boek leert ons dat, in tegenstelling tot het negatieve advies van Jobs vrienden, niet alles wat gebeurt in dit leven Gods wil is of eerlijk is. In tegenstelling tot Prediker waar God, volgens het verkeerde advies, voorgesteld wordt als niet betrokken zijnde bij dit leven, is God, in het boek Job, “te betrokken” aangezien Hij zogezegd elk klein detail zit uit te meten om perfecte gerechtigheid te verschaffen in dit leven. Daarom zou dan al het goede en slechte dat je overkomt zogezegd te herleiden zijn tot of je God al dan niet behaagt. Voor alle duidelijkheid: dit is het verkeerde advies van Jobs vrienden. Dit verkeerde advies werd weersproken door Job – die het bij het rechte eind had – en ook door Jezus (Johannes 9:1-3).

    Het boek Openbaringen vormt een geheel opgebouwd uit paragrafen, waarin de details van de visioenen niet altijd een specifieke betekenis hebben. Van het begin tot het einde, presenteert dit boek een drama. Dit begint met de introductie van het verhaal, alsook de introductie van de personages. De latere visioenen bouwen verder op de eerdere visioenen en hebben hen nodig. Weeral moeten we eerst kijken naar wat dit boek betekende voor haar oorspronkelijke ontvangers (= de zeven kerken in Klein-Azië), en hoe [een deel van] deze profetieën al snel vervuld waren in hun leven. Slechts hierna kunnen we logischerwijze een hermeneutische toepassing vinden in het boek Openbaringen, zoals Gods troost en bemoediging voor hedendaagse kerken en individuele christenen die in onderdrukking leven. Een verdere suggestie voor het lezen en het bestuderen van dit boek is dat haar beelden over de toekomst slechts beelden zijn. Ze drukken een realiteit uit maar ze zijn zelf niet deze realiteit. Ook moeten niet alle details van deze beelden noodzakelijk vervuld worden. We zouden er goed aan doen om niet te speculeren over zogezegde vervullingen uit onze tijd. Er zullen weliswaar delen zijn die nog vervuld moeten worden maar we hebben geen sleutels gekregen om dezen te ontrafelen. Openbaringen 13-14 leert niet noodzakelijk dat er een specifieke, wereldwijde antichrist-leider zal komen, hoewel dit niet onmogelijk is. Wat er ook van zij, als het gaat om vage teksten mogen we niet met dogmatische zekerheid te spreken. Sommige beelden uit openbaringen zijn totaal eschatologisch en deze moeten we ze zo interpreteren. Ze zullen pas vervuld worden op het einde. We zijn niet zeker over de specifieke details maar we mogen wel zeker zijn dat Christus dit alles tot vervulling zal brengen. Laat deze zekerheid een waarschuwing maar ook een bemoediging zijn. Laten we luisteren naar het Woord en het gehoorzamen. Op het einde zullen we alles weten en begrijpen.



    26-08-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Gods Gezette Tijden en hun Vervullingen in Christus

    [Hier kan u naar de preek luisteren: https://www.mixcloud.com/annick-vanblaere/2018-08-26-gods-gezette-tijden-hun-vervulling-in-christus-door-tom-torbeyns/]

    De volgende preek kan misschien ingewikkeld zijn en theoretisch overkomen maar op het einde zal ik alles kort samenvatten zodat je weet hoe het je persoonlijke leven en het leven als kerk positief kan beïnvloeden.

    Vandaag ga ik preken vanuit het boek Leviticus, meer bepaald vanuit hoofdstuk 23, dat gaat over Joodse feesten. De titel van mijn preek is “Gods Gezette Tijden en hun Vervullingen in Christus” en het is mijn bedoeling om een korte schets van enkele van de feesten van Leviticus 23 te geven, een onvolledige uitleg te geven over enkele van deze feesten en uit te leggen hoe hun betekenis vervuld wordt in Christus. Eerst gaan we dus kijken naar de letterlijke betekenis en dan gaan we naar christologische en nieuwtestamentische interpretaties kijken, met andere woorden: hoe deze feesten en hun symbolen zijn vervuld in Christus.

    Leviticus 23 bevat 8 feesten, waarvan 1 een wekelijks feest is en 7 jaarlijkse feesten zijn. We zullen vandaag dit wekelijkse feest en de eerste 4 jaarlijkse feesten bespreken tot en met Pinksteren. “De Heer sprak tot Mozes: Zeg tegen de Israëlieten: De feesten ter ere van de HEER, die u voor Mij tot heilige dagen moet uitroepen zijn de volgende” (Leviticus 23:1-2, WB). De Willibrordvertaling gebruikt hier de termen “feesten” en “heilige dagen”. Mijn preferentie hier gaat echter uit naar de Statenvertaling, aangezien zij de termen “hoogtijden” (מוֹעֵד mow`ed) en “heilige samenroepingen” (מִקְרָא miqra') gebruikt. “Daarna sprak de HEERE tot Mozes, zeggende: Spreek tot de kinderen Israels, en zeg tot hen: De gezette hoogtijden des HEEREN, die gij uitroepen zult, zullen heilige samenroepingen zijn; deze zijn Mijn gezette hoogtijden” (Leviticus 23:1-2). Ditzelfde woord wordt trouwens in Genesis 1:14 in de Statenvertaling correct vertaald als “gezette tijden” (מוֹעֵד mow`ed): “En God zeide: Dat er lichten zijn in het uitspansel des hemels, om scheiding te maken tussen de dag en tussen de nacht; en dat zij zijn tot tekenen en tot gezette tijden, en tot dagen en jaren!” (Genesis 1:14). God vond het dus belangrijk om vanaf het begin tekenen in de hemel te plaatsen voor gezette tijden. De tekenen bepalen niet de gezette tijden, ze geven ze slechts aan. God bepaalt zijn gezette tijden voor wanneer Zijn volk wordt samengeroepen voor zulke heilige vergaderingen.

    (1a) De eerste gezette tijd die wordt aangegeven in Leviticus 23 is de Sabbat: “Zes dagen zal men het werk doen, maar op de zevende dag is de sabbat der rust, een heilige samenroeping; geen werk zult gij doen; het is de sabbat des HEEREN, in al uw woningen” (Leviticus 23:3). Zoals velen van u weten, staat deze uiterst belangrijke rustdag weergegeven in de Tien Geboden als het langste gebod: “Gedenkt de sabbatdag, dat gij die heiligt. Zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; Maar de zevende dag is de sabbat van de HEERE uw God; dan zult gij geen werk den, gij, noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw vee, noch uw vreemdeling, die in uw poorten is; Want in zes dagen heeft de HEERE de hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte ten zevenden dage; daarom zegende de HEERE de sabbatdag, en heiligde die.” (Exodus 20:8-11). De reden die hier aangegeven wordt voor de sabbat gaat terug op Gods zes-dagen-schepping, die u kan terugvinden in Genesis hoofdstuk 1. We haalden het veertiende vers van dit hoofdstuk zonet al even aan. Een maand wordt aangegeven door de stand van de maan, een jaar wordt aangegeven door 12 manen, indien u het jaar berekent vanuit de stand van de maan of door 1 zon indien u het jaar berekent vanuit de stand van de zon. Maar is er een teken dat de week aangeeft? De enige reden waarom onze week 7 dagen duurt, is omdat God dit zelf heeft ingesteld, aangezien er geen teken aan de hemel is dat ons verteld: “de week is nu om”! Hij schiep de wereld op 6 dagen en rustte 1 dag, als voorbeeld voor ons. Dat is voor de mens het ideale ritme. Adam en Eva – en dus ook hun nakomelingen – werden uit Gods rust verbannen (Genesis 3:23). Hebreeën hoofdstuk 4 verwijst ook naar de oorspronkelijke sabbatsrust (vers 4) en het leert ons dat Jozua de Israëlieten niet in de uiteindelijke rust binnen bracht (vers 8). In vers 9-11 wordt verder uitgelegd over dat de gehoorzamen aan Christus die sabbatsrust zullen mogen binnengaan. Die uiteindelijke, paradijselijke rust staat beschreven in de laatste hoofdstukken van het laatste boek van de Bijbel, i.e. Openbaringen 21-22. De sabbat is het enige wekelijkse “feest”. De volgende 7 “feesten” zijn jaarlijkse “feesten”. Het patroon van deze jaarlijkse feesten toont ons hoe ze werkelijkheid worden in Christus en hoe Hij ons allen stap voor stap binnenleid in zijn Sabbatsrust, zowel geestelijk waarmee ik bedoel in het hiernamaals, als letterlijk in dit leven.

    (1b) Het eerste feest van deze 7 is het Pesachfeest: “In de eerste maand, op den veertienden der maand, tussen twee avonden is des HEEREN pascha”(Leviticus 23:5). (2) Ook het feest van de ongezuurde broden kan met het Pesachfeest in verband gebracht worden: “En op den vijftienden dag der derzelver maand is het feest van de ongezuurde broden des HEEREN; zeven dagen zult gij ongezuurde broden eten” (Leviticus 23:6). De uitleg van het Pesachfeest en het feest der ongezuurde broden staat beschreven in Numeri 28 en Exodus 12, waar beiden aan elkaar gekoppeld worden. Ook is dit het geval in Markus 14:12. De hedendaagse Joden vieren deze feesten ook als 1 feest. Deze feesten werd ingesteld toen de Israëlieten nog in Egypte waren. Op de avond van de 14de april moesten de Israëlieten een lam slachten zoals u kan lezen in Exodus 12:6. De uitleg wordt enkele verzen verder gegeven: “Want Ik zal in dezen nacht door Egypteland gaan, en alle eerstgeborenen in Egypteland slaan, van de mensen af tot de beesten toe; en Ik zal gerichten oefenen aan al de goden der Egyptenaren, Ik, de HEERE! En dat bloed zal ulieden tot een teken zijn aan de huizen, waarin gij zijt; wanneer Ik het bloed zie, zal Ik ulieden voorbijgaan; en er zal geen plaag onder ulieden ten verderve zijn, wanneer Ik Egypteland slaan zal. En deze dag zal ulieden wezen ter gedachtenis, en gij zult hem den HEERE tot een feest vieren; gij zult hem vieren onder uw geslachten tot een eeuwige inzetting” (Exodus 12:12-14). Door deze laatste daad, het doden van de eerstgeborenen en de eerstgeboren zoon van de farao, brak God farao’s verzet, en daarmee farao’s macht over de Israëlieten. Deze Israëlieten waren nu een vrij volk, vrij van hun oude slavenmeester. Hoe ging dit Pesachfeest te werk volgens deze passage? God is aan het woord: “Spreekt tot de ganse vergadering van Israël, zeggende: Aan den tienden dezer maand neme een iegelijk een lam, naar de huizen der vaderen, een lam voor een huis. Maar indien een huis te klein is voor een lam, zo neme hij het en zijn nabuur, de naaste aan zijn huis, naar het getal der zielen, een iegelijk naar dat hij eten kan; gij zult rekening maken naar het lam. Gij zult een volkomen lam hebben, een manneken, een jaar oud; van de schapen of van de geitenbokken zult gij het nemen. En gij zult het in bewaring hebben tot den veertienden dag dezer maand; en de ganse gemeente der vergadering van Israël zal het slachten tussen twee avonden. En zij zullen van het bloed nemen, en strijken het aan de beide zijposten, en aan den bovendorpel, aan de huizen, in welke zij het eten zullen.” (Exodus 12:3-7) Indien ze hun vertrouwen in het Bloed van het Lam stelden zouden ze gered worden van de dood, de straf voor hun zonden (Romeinen 6:23). Zoals Johannes de Doper later zou zeggen: “Zie, het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt!” (Johannes 1:29). Het bloed maakte de scheiding, zoals Johannes ook zei: “Die in de Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven; maar die de Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op Hem” (Johannes 3:36). Geloven en doen gaan dus hand in hand. De Israëlieten moesten niet gewoon geloven in het bloed maar ze moesten ook de daad bij het woord voegen door het bloed te strijken op hun deurposten. Verder moesten ze ook het vlees van het lam met ongezuurde broden eten (Exodus 12:8). Zoals ik daarnet al zei is Jezus het Lam en Hij noemde zichzelf het Brood des Levens (Johannes 6:35). Hij zei het als volgt: “Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Die in Mij gelooft, heeft het eeuwige leven. Ik ben het Brood des levens. Uw vaders hebben het Manna gegeten in de woestijn, en zij zijn gestorven. Dit is het Brood, dat uit den hemel nederdaalt, opdat de mens daarvan ete, en niet sterve. Ik ben dat levende Brood, dat uit den hemel nedergedaald is; zo iemand van dit Brood eet, die zal in der eeuwigheid leven. En het Brood, dat Ik geven zal, is Mijn vlees, hetwelk Ik geven zal voor het leven der wereld. De Joden dan streden onder elkander, zeggende: Hoe kan ons deze Zijn vlees te eten geven? Jezus dan zeide tot hen: Voorwaar, voorwaar zeg Ik ulieden: Tenzij dat gij het vlees des Zoons des mensen eet, en Zijn bloed drinkt, zo hebt gij geen leven in uzelven. Die Mijn vlees eet, en Mijn bloed drinkt, die heeft het eeuwige leven; en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage. Want Mijn vlees is waarlijk Spijs, en Mijn bloed is waarlijk Drank. Die Mijn vlees eet, en Mijn bloed drinkt, die blijft in Mij, en Ik in hem. Gelijkerwijs Mij de levende Vader gezonden heeft, en Ik leve door den Vader; alzo die Mij eet, dezelve zal leven door Mij. Dit is het Brood, dat uit den hemel nedergedaald is; niet gelijk uw vaders het Manna gegeten hebben, en zijn gestorven. Die dit Brood eet, zal in der eeuwigheid leven.” (Johannes 6:47-58) Zoals u verder kan lezen in die passage, hadden velen moeite met onze Heer Jezus Christus nog te geloven vanaf dat Hij zei dat ze zijn vlees moesten eten en zijn bloed moesten drinken en zij volgden Hem niet langer (Johannes 6:60,66). Jezus was geen populist. Hij veranderde niet van gedacht en zei vlak voor ze Hem arresteerden: “dit is mijn lichaam” en “dit is mijn bloed” bij de instelling van het avondmaal, toen Hij het brood en de wijn doorgaf aan zijn discipelen, zoals u kan lezen in Mattheus 26:26-29, Markus 14:22-25, en Lukas 22:13-20. Zoals we allen weten zou Hij niet slechts zijn lichaam en zijn bloed geven door brood en wijn in het avondmaal maar ook op het kruis. We kunnen hieruit leren dat we niet slechts in Hem moeten geloven, maar dat we Hem volledig tot ons moeten nemen. Hij heeft zichzelf al volledig voor ons gegeven (Romeinen 8:32).

    Lang voor mij maakte Paulus een christologische verbinding tussen het Pesachmaal en het feest van de ongezuurde broden toen hij schreef: “Zuivert dan den ouden zuurdesem uit, opdat gij een nieuw deeg zijn moogt, gelijk gij ongezuurd zijt. Want ook ons Pascha is voor ons geslacht, namelijk Christus” (1 Korinthiërs 5:7). Wat is de betekenis van de ongezuurde broden? Paulus legt ons uit dat het symbool staat voor zonde: “Zo dan laat ons feest houden, niet in den ouden zuurdesem, noch in den zuurdesem der kwaadheid en der boosheid, maar in de ongezuurde broden der oprechtheid en der waarheid.” (1 Korinthiërs 5:8) Hij dacht misschien aan een oud Joods ritueel waarin de Joodse moeder tien stukjes brood met zuurdesem er in, in het huis verborg, waarna haar man samen met de kinderen deze stukjes zou zoeken en ze buiten het huis zou verbranden. De zuurdesem stond dus voor zonde – slechtheid en boosheid – en het ongezuurde brood stond voor reinheid en waarheid. Na dat we in het Paaslam geloven, en Hem helemaal tot ons hebben genomen, behoren we dus de zonde uit ons leven te doen, en ja zelfs te verbranden. Wij willen ook zo zuiver, rein, en heilig zijn als Christus, het Ongezuurde Brood des Levens.

    (3) Het volgende feest dat we tegenkomen in Leviticus 23:9-14 is het Eerstelingen feest: “En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende: Spreek tot de kinderen Israëls, en zeg tot hen: Als gij in het land zult gekomen zijn, hetwelk Ik u geven zal, en gij zijn oogst zult inoogsten, dan zult gij een garf [schoof] der eerstelingen van uw oogst tot den priester brengen. En hij zal die garf [schoof] voor het aangezicht des HEEREN bewegen, opdat het voor u aangenaam zij; des anderen daags na den sabbat zal de priester die bewegen. Gij zult ook op den dag, als gij die garf [schoof] bewegen zult, bereiden een volkomen lam, dat eenjarig is, ten brandoffer den HEERE; En zijn spijsoffer twee tienden meelbloem, met olie gemengd, ten vuuroffer, den HEERE tot een liefelijken reuk; en zijn drankoffer van wijn, het vierde deel van een hin. En gij zult geen brood, noch geroost koren, noch groene aren eten, tot op dienzelven dag, dat gij de offerande uws Gods zult gebracht hebben; het is een eeuwige inzetting voor uw geslachten, in al uw woningen” (Leviticus 23:9-14) We zien in deze tekst weeral het symbool van het Lam, het Brood, en de Wijn. Wat is de betekenis van het eerstelingenfeest? Voordat de Joden hun oogst zouden binnenhalen, moesten ze een klein deel van de oogst aan God aanbieden, uit dankbaarheid en als uitdrukking van hun vertrouwen dat Hij de Heer van de oogst is en dat Hij voor de rest van de oogst zou zorgen. De priester heiligde de eersteling, waarna de rest van de oogst ook geheiligd is. Maar wat is nu de specifieke betekenis van de eersteling; het eerste offer? Paulus leert ons dat: “Maar nu, Christus is opgewekt uit de doden, en is de Eersteling geworden dergenen, die ontslapen zijn. Want dewijl de dood door een mens is, zo is ook de opstanding der doden door een Mens. Want gelijk zij allen in Adam sterven, alzo zullen zij ook in Christus allen levend gemaakt worden. Maar een iegelijk in zijn orde: de eersteling Christus, daarna die van Christus zijn, in Zijn toekomst [i.e. bij zijn komst]” (1 Korinthiërs 15:20-23). We zien dus dat Christus de Eersteling is, die door de Geest verheven is uit de dood voor het aangezicht van Zijn Vader en door Zijn opstanding de dood heeft overwonnen (Romeinen 8:11)! Omdat Adam verbannen werd uit het paradijs, zijn wij allen sterfelijke wezens geworden, aangezien wij geen toegang meer hadden tot het tegengif, de boom des levens (Genesis 3:23); wij hadden geen toegang meer tot de paradijselijke rust. Maar nu geldt: “En indien de Geest Desgenen, Die Jezus uit de doden opgewekt heeft, in u woont, zo zal Hij, Die Christus uit de doden opgewekt heeft, ook uw sterfelijke lichamen levend maken, door Zijn Geest, Die in u woont” (Romeinen 8:11), “Omdat die kinderen mensen zijn van vlees en bloed, is de Zoon een mens geworden als zij om door zijn dood definitief af te rekenen met de heerser over de dood, de duivel, en zo allen te bevrijden die slaaf waren van hun levenslange angst voor de dood” (Hebreeën 2:14-15, NBV), “Hiertoe is de Zoon van God geopenbaard, opdat Hij de werken des duivels verbreken zou” (1 Johannes 3:8b). Dus, om het even samen te vatten: Jezus is de Eersteling, de representant van al zijn volgelingen die hierna zullen worden binnengehaald. Dit gebeurde 50 dagen na het Eerstelingenfeest.

    (4) “Daarna zult gij u tellen van den anderen dag na den sabbat, van den dag, dat gij de garf [schoof] des beweegoffers zult gebracht hebben; het zullen zeven volkomen sabbatten zijn; Tot den anderen dag, na den zevenden sabbat, zult gij vijftig dagen tellen” (Leviticus 23:15-16a). Dus vijftig dagen na het Pesachfeest wordt dit feest gevierd. In de oorspronkelijke context was het het Joodse oogstfeest waarin men God bedankte voor zijn geschenk van voedsel, door verscheidene soorten voorgeschreven voedsel aan Hem terug te geven, zoals u zelf kan lezen in Leviticus 23:15-22. We zien hier weer de symbolen van brood, lam, en drankoffer terugkeren.

    In de Nieuwtestamentische context gebeurde het volgende: Vijftig dagen na Pasen toen Jezus opstond en 10 dagen na zijn hemelvaart, werd de Heilige Geest over de apostelen uitgestort. Dit staat bij ons beter bekend als Pinksteren. Petrus sprak toen de volgende woorden: “Gij Israëlietische mannen, hoort deze woorden: Jezus den Nazarener, een Man van God, onder ulieden betoond door krachten, en wonderen, en tekenen, die God door Hem gedaan heeft, in het midden van u, gelijk ook gijzelven weet; Dezen, door den bepaalden raad en voorkennis Gods overgegeven zijnde, hebt gij genomen, en door de handen der onrechtvaardigen aan het kruis gehecht en gedood; Welken God opgewekt heeft, de smarten des doods ontbonden hebbende, alzo het niet mogelijk was, dat Hij van denzelven dood zou gehouden worden (…) Dezen Jezus heeft God opgewekt; waarvan wij allen getuigen zijn” (Handelingen 2:22-24, 32). We zijn dus nu al voorbij het eerstelingenfeest, voorbij de opwekking van Christus en nu zal de rest van de oogst worden binnengehaald door Petrus’ uitnodiging “En Petrus zeide tot hen: Bekeert u, en een iegelijk van u worde gedoopt in den Naam van Jezus Christus, tot vergeving der zonden; en gij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen” (Handelingen 2:38). Toen werden ze toegevoegd aan de oogst: “Die dan zijn woord gaarne aannamen, werden gedoopt; en er werden op dien dag tot hen toegedaan omtrent drie duizend zielen” (Handelingen 2:41). “En de Heere deed dagelijks tot de Gemeente, die zalig werden” (Handelingen 2:47). We kunnen hier dus spreken van een geestelijke oogst op dit Joodse oogstfeest. Net zoals al de voorgaande feesten, wordt dit feest dus ook vervuld in Christus.

    Een korte samenvatting van de belangrijkste punten van deze preek:
    We moeten geloven in het Lam en in het bloed van het Lam. Deze positie van geloven in het bloed is uiterst belangrijk. We moeten niet enkel geloven maar we moeten ook in gehoorzaamheid handelen. We moeten Christus volledig tot ons nemen en de zonde uitbannen. Verder moeten we de geestelijke oogst binnenhalen door dezelfde uitnodiging als Petrus te geven, namelijk: “Keer u af van uw huidige leven en laat u dopen onder aanroeping van Jezus Christus om vergeving te krijgen voor uw zonden. Dan zal de heilige Geest u geschonken worden” (Handelingen 2:38b, NBV).

    Gegeven in de Emmanuel Christengemeente Haacht op 26/08/2018.

    Voetnoot:

    [1] Alle bijbelteksten zijn overgenomen uit de Statenvertaling, behalve indien anders aangeduid.


    Categorie:Preken
    17-06-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De Stad Gods, Vaderland der Gelovigen [korte versie]

    [Hier kan u naar de preek luisteren: https://www.mixcloud.com/annick-vanblaere/2018-06-14-christendom-iets-uit-de-middeleeuwen-door-gastspreker-tom-torbeyns/]

    “13. In geloof zijn zij allen gestorven, zonder te hebben ontvangen wat hun beloofd was. Zij hebben het alleen uit de verte gezien en begroet. Zij hebben zichzelf vreemdelingen en voorbijgangers op aarde genoemd. 14. Wie zo spreken, geven duidelijk te kennen dat zij op zoek zijn naar een vaderland. 15. Hadden zij heimwee gehad naar het land van hun herkomst, dan hadden zij gemakkelijk kunnen terugkeren, 16. maar hun verlangen ging uit naar een beter Vaderland, het hemelse. Daarom schaamt God zich niet om hun God genoemd te worden, want Hij heeft voor hen een stad gebouwd” (Hebreeën 11:13-16).

    Onze hoofdtekst, die we net gelezen hebben, komt uit het elfde hoofdstuk van de Hebreeënbrief. Het is een hoofdstuk over geloofshelden. Deze geloofshelden hadden hun vertrouwen vast gesteld op Jahweh, met een vaste hoop op de eeuwige stad Gods die onderbouwd is met eeuwige, blijvende fundamenten en totale rechtvaardigheid. Dit hele hoofdstuk van de Hebreeënbrief geeft ons voorbeelden van zulke vertrouwende en volhardende gelovigen, beginnende met Abel. We raken in deze preek slechts enkele voorbeelden aan. In feite, het woord Hebreeër zou afgeleid kunnen worden van het woord heber wat betekent “iemand van de overkant” of “iemand die oversteekt”. Dit betekent dus dat deze personen zijn overgestoken.[1] De Hebreeënbrief was ook geschreven aan Joodse christenen, die zijn overgestoken tot een nieuw leven in Christus en als buitenstaanders, immigranten, “van de overkant” worden bekeken door hun vroegere Joodse broeders.

    In onze tekst staat: “Zij hebben zichzelf vreemdelingen en voorbijgangers op aarde genoemd.” – Abraham noemde zich zo in Genesis 23:4. Daar zei hij: “Ik ben een vreemdeling en iemand die tijdelijk verblijft bij u” (vertaling van KJV). Ook zijn nakomeling Jakob zei tegen het einde van zijn leven dat hij zwierf (Genesis 47:9). Deze voorbeelden maken duidelijk dat ze hun vaderland nog niet hadden gevonden en dat ze verlangden, ja, zelfs gelovend uitkeken naar een toekomend vaderland.[2]

    Ons eerste voorbeeld dat we dus bespreken is de persoon Abraham. Hij is uiterst belangrijk omdat hij de vader van ons geloof is. Volgens een Joodse traditie was zijn vader Terach, de hogepriester in de afgodendienst van Nimrod, de God-hatende dictator die de toren van Babel liet bouwen als rebellie tegen Jahweh, de ware God. Abraham kwam dus uit een zeer occulte familie. In feite was iedereen in het occultisme terecht geraakt, met uitzondering van Abrahams voorouders Noach en Shem. Maar later stelde Abraham ook zijn vertrouwen op Jahweh, de ware God die hem riep, en verzette zich tegen de afgodendienst van Nimrod.[3] Nimrod zou 360 afgoden hebben gehad, dus eentje voor elke dag indien je met de maankalender telt. Maar de hoofdafgod van die regio was Inlel. Hij werd soms afgebeeld met bokkenpoten in een vakje, alsof hij van een andere dimensie komt en de duivel zelf is. Het kan de duivel niet schelen of je één afgod vereert, of meerdere goden, of zelfs miljoenen goden – zoals de Hindoes doen – en of je hem erkent of niet. Het wil niet liever dan dat je je eigen toren van Babel bouwt, je eigen afgod, wat je eigen rebellie tegen God is. Hij is tevreden zolang je de ware God maar niet vereert en op Hem bouwt en Hem vertrouwt. Of je deze buiten-Bijbelse traditie gelooft of niet, de Bijbel leert ons dat “De HEER zei tegen Abram: ‘Trek weg uit uw land, uw stam en ouderlijk huis, naar het land dat Ik u zal aanwijzen(…)’” (Genesis 12:1).[4] We weten dat dit voor Abraham puur een zaak was van geloof omdat in de tijd van Abraham, de familie van een persoon uiterst belangrijk was. Het gaf je veiligheid en geborgenheid. Abraham wist niet waar hij heen zou gaan. Dit was dus puur een zaak van vertrouwen op God. De Hebreeënbrief stelt het zo voor: “8. Door het geloof heeft Abraham gehoor gegeven aan de roepstem van God en ging hij op weg naar een land dat bestemd was voor hem en zijn erfgenamen; hij vertrok zonder te weten waarheen. 9. Door het geloof verbleef hij als vreemdeling in het land dat hem beloofd was; hij woonde er in tenten, evenals Isaak en Jakob, die dezelfde belofte erfden; 10. want hij zag uit naar de stad met fundamenten, waarvan God de ontwerper en bouwer is.” (Hebreeën 11:8-10) Het is ironisch dat Nimrod een reusachtige toren bouwde met een zeer sterk aards fundament en dat zijn toren door God zelf werd vernietigd, terwijl Abraham in een tent leefde zonder sterk aards fundament. Hoe kan dit toch? Abraham had een relatie met de ware God. Abrahams vertrouwen was gebouwd op Jahweh de Rots, nadat hij de afgoden achter zich liet. In die zin is Abraham de vader van ons geloof. Door zijn geloof – of vertrouwen, of gehoorzame relatie – heeft God hem gezegend met ontelbare nakomelingen en God beloofde hem dat in zijn nageslacht alle volkeren van de aarde gezegend zouden worden (zie ook Genesis 17:1-4). We mogen beseffen dat Abrahams roeping van godswege een significant keerpunt was. Het opende de weg voor alle natiën, die net getroffen waren door Gods oordeel, om de zegen van God te ontvangen.[5] Abraham zelf leefde als een vreemdeling en hij zag deze belofte nog niet in vervulling geraken. Hij kon enkel vertrouwen op Gods belofte.[6]

    Een tweede voorbeeld van een geloofsheld dat ik wil geven uit het boek Genesis is het voorbeeld van Mozes, een fysieke en geestelijke afstammeling van Abraham.[7] Net zoals Abraham werd Mozes geroepen door God (Exodus 3-4). Mozes is een belangrijk voorbeeld voor de Joden; aangezien hij de Israëlieten leidde uit Egypte, tot een tweede bestaan in vrijheid.[8] Het wordt naverteld door de schrijver van Hebreeën in verzen 24 tot 27 van hetzelfde hoofdstuk, dat is hoofdstuk 11. “24. Door het geloof heeft Mozes zelf, toen hij groot geworden was, geweigerd om door te gaan voor een zoon van de dochter van de farao. 25. Hij wilde liever mishandeld worden met het volk van God dan voor korte tijd profiteren van de zonde. 26. Voor hem was de smaad van de Messias kostbaarder dan al de schatten van Egypte, want hij hield het oog gericht op de komende beloning. 27. Door het geloof verliet hij Egypte zonder de woede van de koning te vrezen, want hij zette door, als ziende de Onzienlijke.” (Hebreeën 11:24-27).

    Egypte is voor de Joden het slavenhuis. Tevens stond Egypte bekent voor haar afgoderij. Ze waren er slaven; letterlijke slaven en slaven van hun zonden. Toen ze uit Egypte, het land der zonden, trokken, kwam hun oude slavenmeester hen achterna. Echter “Door het geloof trokken zij door de Rode Zee als over droog land; toen de Egyptenaren het probeerden, verdronken ze.” (Hebreeën 11:29). Vanaf ze door deze zee trokken, en hun oude slavenmeester verdronken was, kwamen ze als het ware terecht in een nieuw leven, onder een nieuwe Heer.[9] Natuurlijk moest dit ook een geestelijke realiteit worden in hun hart. Zoals Jozua zei: “Vrees dus de HEER en dien Hem oprecht en trouw. Doe de goden weg die uw voorouders aan de overkant van de Rivier en in Egypte hebben vereerd, en wees dienaren van de Heer. (…) Doe dan de vreemde goden bij u weg en buig uw harten naar de HEER, de God van Israël” (Jesaja 24:14,23). Op dezelfde manier gaan de dopelingen door het water, en kiezen ze ervoor om geestelijk te verrijzen in een nieuw leven, bevrijd van de ketenen van de zonde.[10] Ze moeten hun oude levens achterlaten, en door het water binnengaan in een nieuw leven, dat gericht is op het komende koninkrijk van God. – Maar nog steeds is dit niet het koninkrijk. – Dit is een werkelijk transformerende kracht. Diegenen die zich gaan laten dopen moeten bereid zijn al het oude, zondige achter te laten voor hun doop. Ze mogen echt verwachten dat hun leven vernieuwd en gezuiverd zal worden wanneer ze zich door de doop onderwerpen aan Christus (Mattheüs 28:18-20).[11] Een doop is een volledige onderdompeling, een sterven aan onze oude, zondige zelf. Zo geven we alles, ja ons hele leven en onze hele wil over aan Christus. Ook laten we ons onderdompelen in zijn liefde. Ik herhaal nogmaals dat, zoals we kunnen opmaken uit onze Romeinen tekst, volgens Paulus het oude leven sterft in de doop en dat diegenen die dus al gestorven zijn aan deze zondige natuur hunzelf moeten beschouwen als dood voor de zonden en opgestaan in een nieuw leven met de opgestane Heer, in een vereniging met Christus, door het geloof.[12] Want, in Hebreeën 11:16b staat geschreven:

    ‘16b. hun verlangen ging uit naar een beter Vaderland, het hemelse. Daarom schaamt God zich niet om hun God genoemd te worden, want Hij heeft voor hen een stad gebouwd”’

    Door het verbond met Christus is God nu al onze God. Maar, net zoals de geloofshelden uit Hebreeën 11, de vroege christenen, en de christenen erna, kijken wij uit naar de komst van Jezus Christus en de komst van de stad van onze God, zoals Johannes schreef:

    “2. Ik zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, vanuit God uit de hemel neerdalen, gereed als een bruid die zich voor haar man heeft getooid. 3. Toen hoorde ik een luide stem, die vanaf de troon riep: ‘Dit is de tent van God bij de mensen! Hij zal bij hen wonen. Zij zullen zijn volk zijn, en Hij, God-met-hen, zal hun God zijn. 4. Hij zal alle tranen uit hun ogen wissen, en de dood zal niet meer bestaan; geen rouw, geen geween, geen smart zal er zijn, want al het oude is voorbij.’” (Openbaringen 21:2-3)

    “want al het oude is voorbij.” In zekere zin gebeurt dit nu al. Alle gedoopte christenen moeten beseffen dat ze al binnengetreden zijn in een nieuw en heilig leven, verwachtende de stad Gods. Ze zijn al ingeschreven als burgers in die stad (Hebreeën 4:16; 12:22-23). We mogen allen beseffen dat we al als individuen en als kerk in zo een relatie staan met de Godmens Jezus, de Koning van de stad die zal neerdalen uit de hemel. Dit was de hoop van de geloofshelden van de Hebreeënbrief, wiens geloof gefocust was op deze eeuwige stad, hun vaderland (Hebreeën 11:10, 16).[13] Deze stad, in tegenstelling tot Nimrods stad, of de stad van één of de andere farao of dictator, zal eeuwig blijven bestaan.[14] Dan zal volledig vervuld worden wat in Jesaja 9:4-7 staat geschreven en wat al ten dele vervuld is:

    “Want alle dreunend stampende laarzen en met bloed doordrenkte mantels worden verbrand, en verteerd door het vuur. Want een kind wordt geboren, een zoon wordt ons gegeven. De heerschappij rust op zijn schouders; men noemt hem wonder van beleid, goddelijke held, vader voor eeuwig, vredevorst. Groot is de macht en eindeloos de vrede voor de troon van David, voor zijn koninkrijk; hij zal het stichten en onderhouden door recht en gerechtigheid vanaf nu en voor altijd. De geestdriftige liefde van de HEER van de machten zal dit teweegbrengen.”

    Deze belofte was ook al gegeven aan een afstammeling van Abraham, zoals u kan lezen in Genesis 49:10: “Van Juda zal de scepter niet wijken, de staf zal niet verdwijnen tussen zijn voeten, totdat hij [Christus] verschijnt die hem [Juda] leiden mag; hem [Christus] zijn de volken gehoorzaam.”[15]

    Deze belofte is volledig nedergedaald op de Leeuw van Juda.[16] Laat ons ons dus nu al volledig onderwerpen aan de liefde van Christus en aan Christus zelf door gehoorzaamheid aan Hem door het geloof, door de doop, en door blijvend vertrouwen. Dan zullen we zijn licht, vreugde, en bovenal zijn liefde ervaren. Er is ruimte voor nieuwe hoop als we onze hoop volledig vestigen op Christus. Er is ruimte voor nieuw, bruisend leven, indien ons leven gebouwd is op het fundament Gods, het eeuwige fundament. Ik geloof dat de geestelijke verduistering van Europa kan worden teruggekeerd, zodat de heilige Kerk in Europa weer het eeuwige licht van het evangelie kan schijnen, beginnende in Haacht, Vlaanderen, België, de Benelux, Europa, en ja, de hele wereld.[17] Het gaat niet om onze koninkrijken maar het gaat om het Eeuwige koninkrijk van God de Vader. Franciscus zei het als volgt: “De Heer van genade gaat beslag leggen op ons hart. Hij wil ons helemaal benutten: onze ogen, onze mond, onze handen en voeten, onze gedachten en gevoelens.”[18] “Heer, U bent het licht in onze duisternis. U hebt over ons mensen gezegd: ‘Uit het hart komen voort boze gedachten; moord, echtbreuk, ontucht, diefstal, valse getuigenis en godslastering’ (Mt.15,19). Maar u bent tot ons gekomen om onze duisternis te veranderen in uw helderheid. Kom dan, Jezus, met uw licht en laat ons de waarheid zien waaruit wij leven. Eén enkel ogenblik is voor u voldoende.”[19]

    Gepredikt in de Emmanuel Christengemeente Haacht op 17/06/2018.

    Voetnoten:

    [1] In tegenstelling tot apiru, zie Robin Routledge, Old Testament Introduction: Text, Interpretation, Structure, Themes (Nottingham: Inter-Varsity Press, 2016), 81-82.

    [2] Gebaseerd op Bruce, Commentary on the Epistle to the Hebrews, 304-305. Zie ook A. van de Beek, Geschiedenis van Israël in het Oude Testament (Kampen: Kok Voorhoeve, 1993), 17-18.

    [3] Boek van Jasher.

    [4] Lees Routledge, Old Testament Introduction, 238-239 voor de roeping van Abraham als een nieuw begin.

    [5] Ibid., Old Testament Theology: a Thematic Approach (Nottingham: Inter-Varsity Press, 2008), 158(, 165, voetnoot 22), 166-167, 172. Zie ook Theologie van het Oude Testament: De blijvende boodschap van de Hebreeuwse bijbel, ed. Hendrik Koorevaar en Mart-Jan Paul (Zoetermeer: Boekencentrum, 2013), 188, 230-231, 260-261.

    [6] Zie ook van de Beek, Geschiedenis van Israël in het Oude Testament, 16-18.

    [7] Voor een interessante uitbreiding over Abraham en Mozes, lees Paul Copan, Is God a Moral Monster? Making Sense of the Old Testament God (Grand Rapids, Michigan: Baker Books, 2011), 43-46.

    [8] van de Beek, Geschiedenis van Israël in het Oude Testament, 23. Zie ook Claus Westermann, Hoofdlijnen van een theologie van het Oude Testament (Kampen: J. H. Kok, 1981), 41-42, 77.

    [9] Deze zin is gebaseerd op Routledge, Old Testament Theology, 162. (Zie ook de verwijzingen naar John Bright, Covenant and Promise (London: SCM, 1977), 35, 43. Stephen L. Cook, The Social Roots of Biblical Yahwism, Studies in Biblical Literature 8 (Leiden: Brill, 2004). Walther Eichrodt, Theology of the Old Testament, Volume 1 (London: SCM, 1961), 37.)

    [10] Dit idee komt overeen met F.F. Bruce, The Epistle of Paul to the Romans: An Introduction and Commentary (London: Tyndale Press, 1963), 137.

    [11] Voor de doop om een bekeerling te zijn en de vernieuwende werking, al bij de Joden, zie Alfred Edersheim, The Life and Times of Jesus the Messiah , Volume 2 (Grand Rapids, Michigan: Eerdmans, 1947), 745-747. In ons voorbeeld worden ze bekeerlingen van Jezus de Messias.

    [12] Bruce, Romans, 136-137.

    [13] Merrill C. Tenney, Interpreting Revelation (Grand Rapids: Eerdmans, 1957), 92-94, 133. A. J. Visser, De Openbaring van Johannes (Nijkerk: G. F. Callenbach, 1972), 249-250. Grant R. Osborne, Revelation Verse by Verse (Bellingham, Washington: Lexham, 2016), 337-341.

    [14] Francis A. Schaeffer, Basic Bible Studies (Wheaton, Illinois: Tyndale House Publishers), 84.

    [15] Dit stuk is gebaseerd op John Henry Newman, Works of John Henry Newman (Kindle Locations 5031-5038). Kindle Edition.

    [16] Naar ibid., Kindle Locations 40036-40038.

    [17] Zie ook Routledge, Old Testament Theology, 173-174.

    [18] A. van Corstanje, Franciscus, Bijbel der Armen (Haarlem: J. H. Gottmer, 1976), 115.

    [19] Ibid., 155.


    Categorie:Preken
    16-06-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De Stad Gods, Vaderland der Gelovigen [lange versie]

     “13. In geloof zijn zij allen gestorven, zonder te hebben ontvangen wat hun beloofd was. Zij hebben het alleen uit de verte gezien en begroet. Zij hebben zichzelf vreemdelingen en voorbijgangers op aarde genoemd. 14. Wie zo spreken, geven duidelijk te kennen dat zij op zoek zijn naar een vaderland. 15. Hadden zij heimwee gehad naar het land van hun herkomst, dan hadden zij gemakkelijk kunnen terugkeren, 16. maar hun verlangen ging uit naar een beter Vaderland, het hemelse. Daarom schaamt God zich niet om hun God genoemd te worden, want Hij heeft voor hen een stad gebouwd” (Hebreeën 11:13-16).

    Onze hoofdtekst, die we net gelezen hebben, komt uit het elfde hoofdstuk van de Hebreeënbrief. Het is een hoofdstuk over geloofshelden. Deze geloofshelden hadden hun vertrouwen vast gesteld op Jahweh, met een vaste hoop op de eeuwige stad Gods die onderbouwd is met eeuwige, blijvende fundamenten en totale rechtvaardigheid. Dit hele hoofdstuk van de Hebreeënbrief geeft ons voorbeelden van zulke vertrouwende en volhardende gelovigen, beginnende met Abel. We raken in deze preek slechts enkele voorbeelden aan. In feite, het woord Hebreeër zou afgeleid kunnen worden van het woord heber wat betekent “iemand van de overkant” of “iemand die oversteekt”. Dit betekent dus dat deze personen zijn overgestoken.[1] De Hebreeënbrief was ook geschreven aan Joodse christenen, die zijn overgestoken tot een nieuw leven in Christus en als buitenstaanders, immigranten, “van de overkant” worden bekeken door hun vroegere Joodse broeders.

    In onze tekst staat: “Zij hebben zichzelf vreemdelingen en voorbijgangers op aarde genoemd.” – Abraham noemde zich zo in Genesis 23:4. Daar zei hij: “Ik ben een vreemdeling en iemand die tijdelijk verblijft bij u” (vertaling van KJV). Ook zijn nakomeling Jakob zei tegen het einde van zijn leven dat hij zwierf (Genesis 47:9). Deze voorbeelden maken duidelijk dat ze hun vaderland nog niet hadden gevonden en dat ze verlangden, ja, zelfs gelovend uitkeken naar een toekomend vaderland.[2]

    Ons eerste voorbeeld dat we dus bespreken is de persoon Abraham. Hij is uiterst belangrijk omdat hij de vader van ons geloof is. Volgens een Joodse traditie was zijn vader Terach, de hogepriester in de afgodendienst van Nimrod, de God-hatende dictator die de toren van Babel liet bouwen als rebellie tegen Jahweh, de ware God. Abraham kwam dus uit een zeer occulte familie. In feite was iedereen in het occultisme terecht geraakt, met uitzondering van Abrahams voorouders Noach en Shem. Maar later stelde Abraham ook zijn vertrouwen op Jahweh, de ware God die hem riep, en verzette zich tegen de afgodendienst van Nimrod.[3] Nimrod zou 360 afgoden hebben gehad, dus eentje voor elke dag indien je met de maankalender telt. Maar de hoofdafgod van die regio was Inlel. Hij werd soms afgebeeld met bokkenpoten in een vakje, alsof hij van een andere dimensie komt en de duivel zelf is. Het kan de duivel niet schelen of je één afgod vereert, of meerdere goden, of zelfs miljoenen goden – zoals de Hindoes doen – en of je hem erkent of niet. Het wil niet liever dan dat je je eigen toren van Babel bouwt, je eigen afgod, wat je eigen rebellie tegen God is. Hij is tevreden zolang je de ware God maar niet vereert en op Hem bouwt en Hem vertrouwt. Of je deze buiten-Bijbelse traditie gelooft of niet, de Bijbel leert ons dat “De HEER zei tegen Abram: ‘Trek weg uit uw land, uw stam en ouderlijk huis, naar het land dat Ik u zal aanwijzen(…)’” (Genesis 12:1).[4] We weten dat dit voor Abraham puur een zaak was van geloof omdat in de tijd van Abraham, de familie van een persoon uiterst belangrijk was. Het gaf je veiligheid en geborgenheid. Abraham wist niet waar hij heen zou gaan. Dit was dus puur een zaak van vertrouwen op God. De Hebreeënbrief stelt het zo voor: “8. Door het geloof heeft Abraham gehoor gegeven aan de roepstem van God en ging hij op weg naar een land dat bestemd was voor hem en zijn erfgenamen; hij vertrok zonder te weten waarheen. 9. Door het geloof verbleef hij als vreemdeling in het land dat hem beloofd was; hij woonde er in tenten, evenals Isaak en Jakob, die dezelfde belofte erfden; 10. want hij zag uit naar de stad met fundamenten, waarvan God de ontwerper en bouwer is.” (Hebreeën 11:8-10) Het is ironisch dat Nimrod een reusachtige toren bouwde met een zeer sterk aards fundament en dat zijn toren door God zelf werd vernietigd, terwijl Abraham in een tent leefde zonder sterk aards fundament. Hoe kan dit toch? Abraham had een relatie met de ware God. Abrahams vertrouwen was gebouwd op Jahweh de Rots, nadat hij de afgoden achter zich liet. In die zin is Abraham de vader van ons geloof. Door zijn geloof – of vertrouwen, of gehoorzame relatie – heeft God hem gezegend met ontelbare nakomelingen en God beloofde hem dat in zijn nageslacht alle volkeren van de aarde gezegend zouden worden (zie ook Genesis 17:1-4). We mogen beseffen dat Abrahams roeping van godswege een significant keerpunt was. Het opende de weg voor alle natiën, die net getroffen waren door Gods oordeel, om de zegen van God te ontvangen.[5] Abraham zelf leefde als een vreemdeling en hij zag deze belofte nog niet in vervulling geraken. Hij kon enkel vertrouwen op Gods belofte.[6] [Zoals we in vers 9 van de Hebreeëntekst zagen, werd deze belofte overgedragen op zijn zonen van generatie op generatie[7] en de belofte werd een duidelijke werkelijkheid toen Jezus Christus naar deze aarde kwam. Wij ontvangen deze werkelijkheid indien wij ons vertrouwen stellen in Jezus Christus de Messias, zoals de geloofshelden dit deden (Handelingen 3:25-26; Galaten 3:6-9).[8] Deze belofte was natuurlijk niet alleen voor ons maar ook voor Abraham zelf. Aangezien hij bleef vertrouwen in deze belofte, en God geen leugenaar is, vormt dit een duidelijk bewijs voor het leven na de dood en het uitkijken naar “de stad met fundamenten, waarvan God de ontwerper en bouwer is”.]

    Een tweede voorbeeld van een geloofsheld dat ik wil geven uit het boek Genesis is het voorbeeld van Mozes, een fysieke en geestelijke afstammeling van Abraham.[9] Net zoals Abraham werd Mozes geroepen door God (Exodus 3-4). Mozes is een belangrijk voorbeeld voor de Joden; aangezien hij de Israëlieten leidde uit Egypte, tot een tweede bestaan in vrijheid.[10] Het wordt naverteld door de schrijver van Hebreeën in verzen 24 tot 27 van hetzelfde hoofdstuk, dat is hoofdstuk 11. “24. Door het geloof heeft Mozes zelf, toen hij groot geworden was, geweigerd om door te gaan voor een zoon van de dochter van de farao. 25. Hij wilde liever mishandeld worden met het volk van God dan voor korte tijd profiteren van de zonde. 26. Voor hem was de smaad van de Messias kostbaarder dan al de schatten van Egypte, want hij hield het oog gericht op de komende beloning. 27. Door het geloof verliet hij Egypte zonder de woede van de koning te vrezen, want hij zette door, als ziende de Onzienlijke.” (Hebreeën 11:24-27).

    Egypte is voor de Joden het slavenhuis. Tevens stond Egypte bekent voor haar afgoderij. Ze waren er slaven; letterlijke slaven en slaven van hun zonden. Toen ze uit Egypte, het land der zonden, trokken, kwam hun oude slavenmeester hen achterna. Echter “Door het geloof trokken zij door de Rode Zee als over droog land; toen de Egyptenaren het probeerden, verdronken ze.” (Hebreeën 11:29). Vanaf ze door deze zee trokken, en hun oude slavenmeester verdronken was, kwamen ze als het ware terecht in een nieuw leven, onder een nieuwe Heer.[11] Natuurlijk moest dit ook een geestelijke realiteit worden in hun hart. Zoals Jozua zei: “Vrees dus de HEER en dien Hem oprecht en trouw. Doe de goden weg die uw voorouders aan de overkant van de Rivier en in Egypte hebben vereerd, en wees dienaren van de Heer. (…) Doe dan de vreemde goden bij u weg en buig uw harten naar de HEER, de God van Israël” (Jesaja 24:14,23). Op dezelfde manier gaan de dopelingen door het water, en kiezen ze ervoor om geestelijk te verrijzen in een nieuw leven, bevrijd van de ketenen van de zonde.[12]

    In dezelfde trant gebruikt Petrus het voorbeeld van buitenstaander Noach en zijn familie en aangetrouwde familie als de enige overlevenden van de zondvloed (1 Petrus 3:20). Dan schrijft hij: “Dit was een voorafbeelding van het doopwater, waardoor u nu gered wordt. De doop beoogt niet de verwijdering van lichamelijke onreinheid, maar is een verzoek aan God om een zuiver geweten, krachtens de opstanding van Jezus Christus.” (1 Petrus 3:21) We zien hier duidelijk dat Petrus de doop vergelijkt met een graf en met een opstanding tot een nieuw leven waarnaar uitgekeken werd. En er na beschrijft hij de absolute gehoorzaamheid die vereist is in het nieuwe leven van de gedoopten zoals u kan lezen in 1 Petrus 4:1-2.

    Paulus doet ongeveer hetzelfde. Hij omschrijft het als volgt: “3. Weet u niet dat wij door de doop, die ons één heeft gemaakt met Christus Jezus, delen in zijn dood? 4. Door de doop in zijn dood zijn wij met Hem begraven, opdat ook wij, zoals Christus door de macht van zijn Vader uit de doden is opgewekt, een nieuw leven zouden gaan leiden. 5. Want indien wij als het ware vergroeid zijn met zijn dood, moeten wij Hem ook volgen in zijn opstanding.” (Romeinen 6:3-5)

    Om dit concept van dood aan het oude leven en opstanding vanuit de doop in het nieuwe leven te verduidelijken schreef de in zijn tijd populaire leraar-monnik Morgan van Wales: “Hij [Paulus] toont dat we gedoopt waren op deze manier zo dat we door het mysterie begraven zijn met Christus, stervende aan onze overtredingen, afstand gedaan hebben van onze voormalige levens, zodat net zoals de vader is verheerlijkt in de opstanding van de Zoon, zo ook vanwege de nieuwheid van onze manier van leven is hij verheerlijkt door allen, onder voorbehoud dat zelfs de tekenen van onze oude zelf niet meer te herkennen zijn in ons. Want we zouden niet mogen iets te willen of verlangen dat diegenen die nog niet gedoopt zijn, en al diegenen die nog verstrikt zijn in de fouten van het oude leven, willen of verlangen.”[13] U kent Morgan van Wales misschien als de “ketter” Pelagius, uit de geschriften van Augustinus van Hippo. Pelagius was valselijk veroordeeld als ketter in 2 Noord-Afrikaanse synodes waarover bisschop Augustinus de baas was, zonder dat hij de mogelijkheid had zich te verdedigen. Dat hij een ketter was is nog steeds de algemeen aanvaarde orthodoxie maar zijn herontdekte commentaar op Romeinen, waaruit we zo net een stukje hebben voorgelezen, toont aan dat hij een bijbelgetrouwe leraar was, in lijn met de voorgaande traditie.

    Het oudere Ambrosiaster document, van de generatie van voor Augustinus en Pelagius, bevat een soortgelijk idee: “Gelukkig zegt Paulus ons dat we zullen verrijzen indien we verenigd zijn met Christus en de gelijkenis van zijn dood, in ander woorden, indien we al onze slechtheid aan de kant hebben gelegd in de doop en, overgebracht zijnde in een nieuw leven, niet meer zondigen. Op deze manier zullen we zoals Hem [Christus] zijn in zijn opstanding, omdat de gelijkenis van zijn dood een soortgelijke opstanding veronderstelt.”[14]

    Op dezelfde manier moeten wij ons oude leven achterlaten, en door het water binnengaan in een nieuw leven, dat gericht is op het komende koninkrijk van God. – Maar nog steeds is dit niet het koninkrijk. – Dit is een werkelijk transformerende kracht. Diegenen die zich gaan laten dopen moeten bereid zijn al het oude, zondige achter te laten voor hun doop. Ze mogen echt verwachten dat hun leven vernieuwd en gezuiverd zal worden wanneer ze zich door de doop onderwerpen aan Christus (Mattheüs 28:18-20).[15] Een doop is een volledige onderdompeling, een sterven aan onze oude, zondige zelf. Zo geven we alles, ja ons hele leven en onze hele wil over aan Christus. Ook laten we ons onderdompelen in zijn liefde. Ik herhaal nogmaals dat, zoals we kunnen opmaken uit onze Romeinen tekst, volgens Paulus het oude leven sterft in de doop en dat diegenen die dus al gestorven zijn aan deze zondige natuur hunzelf moeten beschouwen als dood voor de zonden en opgestaan in een nieuw leven met de opgestane Heer, in een vereniging met Christus, door het geloof.[16] Want, in Hebreeën 11:16b staat geschreven:

    ‘16b. hun verlangen ging uit naar een beter Vaderland, het hemelse. Daarom schaamt God zich niet om hun God genoemd te worden, want Hij heeft voor hen een stad gebouwd”’

    Door het verbond met Christus is God nu al onze God. Maar, net zoals de geloofshelden uit Hebreeën 11, de vroege christenen, en de christenen erna, kijken wij uit naar de komst van Jezus Christus en de komst van de stad van onze God, zoals Johannes schreef:

    “2. Ik zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, vanuit God uit de hemel neerdalen, gereed als een bruid die zich voor haar man heeft getooid. 3. Toen hoorde ik een luide stem, die vanaf de troon riep: ‘Dit is de tent van God bij de mensen! Hij zal bij hen wonen. Zij zullen zijn volk zijn, en Hij, God-met-hen, zal hun God zijn. 4. Hij zal alle tranen uit hun ogen wissen, en de dood zal niet meer bestaan; geen rouw, geen geween, geen smart zal er zijn, want al het oude is voorbij.’” (Openbaringen 21:2-3)

    “want al het oude is voorbij.” In zekere zin gebeurt dit nu al. Alle gedoopte christenen moeten beseffen dat ze al binnengetreden zijn in een nieuw en heilig leven, verwachtende de stad Gods. Ze zijn al ingeschreven als burgers in die stad (Hebreeën 4:16; 12:22-23). We mogen allen beseffen dat we al als individuen en als kerk in zo een relatie staan met de Godmens Jezus, de Koning van de stad die zal neerdalen uit de hemel. Dit was de hoop van de geloofshelden van de Hebreeënbrief, wiens geloof gefocust was op deze eeuwige stad, hun vaderland (Hebreeën 11:10, 16).[17] Deze stad, in tegenstelling tot Nimrods stad, of de stad van één of de andere farao of dictator, zal eeuwig blijven bestaan.[18] Dan zal volledig vervuld worden wat in Jesaja 9:1-7 staat geschreven en wat al ten dele vervuld is:

    “Het volk dat ronddwaalt in het donker, ziet een helder licht. Over hen die wonen in een land vol duisternis gaat een stralend licht op. Uitbundig laat U hen juichen en U overstelpt hen met vreugde; zij verheugen zich voor uw aanschijn zoals er vreugde is bij de oogst en gejuich bij het verdelen van de buit. Want het drukkende juk, de stang op hun schouders, de stok van de drijver, U breekt ze stuk als op de dag van Midjan. Want alle dreunend stampende laarzen en met bloed doordrenkte mantels worden verbrand, en verteerd door het vuur. Want een kind wordt geboren, een zoon wordt ons gegeven. De heerschappij rust op zijn schouders; men noemt hem wonder van beleid, goddelijke held, vader voor eeuwig, vredevorst. Groot is de macht en eindeloos de vrede voor de troon van David, voor zijn koninkrijk; hij zal het stichten en onderhouden door recht en gerechtigheid vanaf nu en voor altijd. De geestdriftige liefde van de HEER van de machten zal dit teweegbrengen.”

    Deze belofte was ook al gegeven aan een afstammeling van Abraham, zoals u kan lezen in Genesis 49:10: “Van Juda zal de scepter niet wijken, de staf zal niet verdwijnen tussen zijn voeten, totdat hij verschijnt die hem [Juda] leiden mag; hem [Christus] zijn de volken gehoorzaam.”[19]

    Deze belofte is volledig nedergedaald op de Leeuw van Juda.[20] Laat ons ons dus nu al volledig onderwerpen aan de liefde van Christus en aan Christus zelf door gehoorzaamheid aan Hem door het geloof, door de doop, en door blijvend vertrouwen. Dan zullen we zijn licht, vreugde, en bovenal zijn liefde ervaren. Er is ruimte voor nieuwe hoop als we onze hoop volledig vestigen op Christus. Er is ruimte voor nieuw, bruisend leven, indien ons leven gebouwd is op het fundament Gods, het eeuwige fundament. Ik geloof dat de geestelijke verduistering van Europa kan worden teruggekeerd, zodat de heilige Kerk in Europa weer het eeuwige licht van het evangelie kan schijnen, beginnende in Haacht, Vlaanderen, België, de Benelux, Europa, en ja, de hele wereld.[21] Het gaat niet om onze koninkrijken maar het gaat om het Eeuwige koninkrijk van God de Vader. Franciscus zei het als volgt: “De Heer van genade gaat beslag leggen op ons hart. Hij wil ons helemaal benutten: onze ogen, onze mond, onze handen en voeten, onze gedachten en gevoelens.”[22] “Heer, U bent het licht in onze duisternis. U hebt over ons mensen gezegd: ‘Uit het hart komen voort boze gedachten; moord, echtbreuk, ontucht, diefstal, valse getuigenis en godslastering’ (Mt.15,19). Maar u bent tot ons gekomen om onze duisternis te veranderen in uw helderheid. Kom dan, Jezus, met uw licht en laat ons de waarheid zien waaruit wij leven. Eén enkel ogenblik is voor u voldoende.”[23]

    Voetnoten:

    [1] In tegenstelling tot apiru, zie Robin Routledge, Old Testament Introduction: Text, Interpretation, Structure, Themes (Nottingham: Inter-Varsity Press, 2016), 81-82.

    [2] Gebaseerd op Bruce, Commentary on the Epistle to the Hebrews, 304-305. Zie ook A. van de Beek, Geschiedenis van Israël in het Oude Testament (Kampen: Kok Voorhoeve, 1993), 17-18.

    [3] Boek van Jasher.

    [4] Lees Routledge, Old Testament Introduction, 238-239 voor de roeping van Abraham als een nieuw begin.

    [5] Ibid., Old Testament Theology: a Thematic Approach (Nottingham: Inter-Varsity Press, 2008), 158(, 165, voetnoot 22), 166-167, 172. Zie ook Theologie van het Oude Testament: De blijvende boodschap van de Hebreeuwse bijbel, ed. Hendrik Koorevaar en Mart-Jan Paul (Zoetermeer: Boekencentrum, 2013), 188, 230-231, 260-261.

    [6] Zie ook van de Beek, Geschiedenis van Israël in het Oude Testament, 16-18.

    [7] Deels gebaseerd op John Henry Newman, Works of John Henry Newman (Kindle Locations 5025-5031). Kindle Edition.

    [8] Het voorgaande is gebaseerd op Herbert Wolf, An Introduction to the Old Testament Pentateuch (Chicago: Moody Publishers, 1991), 129-130. Deze connectie wordt ook gemaakt in Theologie van het Oude Testament, ed. Hendrik Koorevaar en Mart-Jan Paul, 406-408.

    [9] Voor een interessante uitbreiding over Abraham en Mozes, lees Paul Copan, Is God a Moral Monster? Making Sense of the Old Testament God (Grand Rapids, Michigan: Baker Books, 2011), 43-46.

    [10] van de Beek, Geschiedenis van Israël in het Oude Testament, 23. Zie ook Claus Westermann, Hoofdlijnen van een theologie van het Oude Testament (Kampen: J. H. Kok, 1981), 41-42, 77.

    [11] Deze zin is gebaseerd op Routledge, Old Testament Theology, 162. (Zie ook de verwijzingen naar John Bright, Covenant and Promise (London: SCM, 1977), 35, 43. Stephen L. Cook, The Social Roots of Biblical Yahwism, Studies in Biblical Literature 8 (Leiden: Brill, 2004). Walther Eichrodt, Theology of the Old Testament, Volume 1 (London: SCM, 1961), 37.)

    [12] Dit idee komt overeen met F.F. Bruce, The Epistle of Paul to the Romans: An Introduction and Commentary (London: Tyndale Press, 1963), 137.

    [13] Pelagius, Pelagius’ Commentaar op Romeinen, Romeinen 6:4, genomen uit Theodore de Bruyn, Pelagius's Commentary on St. Paul's Epistle to the Romans: Translated with Introduction and Notes (Oxford: Clarendon Press, 1993), 96-97.

    [14] Ambrosiaster, Commentaar op Romeinen, Romeinen 6:5, genomen uit Gerald L. Bray, Commentaries On Romans and 1-2 Corinthians - Ambrosiaster (Downers Grove, Illinois: InterVarsity Press, 2009), 48.

    [15] Voor de doop om een bekeerling te zijn en de vernieuwende werking, al bij de Joden, zie Alfred Edersheim, The Life and Times of Jesus the Messiah , Volume 2 (Grand Rapids, Michigan: Eerdmans, 1947), 745-747. In ons voorbeeld worden ze bekeerlingen van Jezus de Messias.

    [16] Bruce, Romans, 136-137.

    [17] Merrill C. Tenney, Interpreting Revelation (Grand Rapids: Eerdmans, 1957), 92-94, 133. A. J. Visser, De Openbaring van Johannes (Nijkerk: G. F. Callenbach, 1972), 249-250. Grant R. Osborne, Revelation Verse by Verse (Bellingham, Washington: Lexham, 2016), 337-341.

    [18] Francis A. Schaeffer, Basic Bible Studies (Wheaton, Illinois: Tyndale House Publishers), 84.

    [19] Dit stuk is gebaseerd op John Henry Newman, Works of John Henry Newman (Kindle Locations 5031-5038). Kindle Edition.

    [20] Naar ibid., Kindle Locations 40036-40038.

    [21] Zie ook Routledge, Old Testament Theology, 173-174.

    [22] A. van Corstanje, Franciscus, Bijbel der Armen (Haarlem: J. H. Gottmer, 1976), 115.

    [23] Ibid., 155.


    Categorie:Preken
    24-05-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Nieuwtestamentische Aansluiting

    [Om dit artikel te begrijpen moet de lezer weten dat - als men de traditie der Babylonische Talmud volgt - de Joodse Bijbel eindigt met het boek Kronieken.]

    "Als we nu vanuit een literair standpunt kijken naar het begin van het NT, het Evangelie van Mattheüs, dan begint het boek met de stamboom van Jezus Christus, de zoon van David, de zoon van Abraham (Mat. 1:1). Mattheüs neemt de stamboom aan het begin van Kronieken op (1 Kron. 1:1-27) en zet die voort tot de nieuwe doelpersoon, Jezus Christus. Daarmee wordt het literaire zegel op het OT door middel van het boek Kronieken door Mattheüs verbroken. Het boek eindigt met de zendingsopdracht van Jezus in Jeruzalem aan zijn leerlingen (Mat. 28:18-20). Die begint met de woorden: 'Mij is alle macht gegeven in de hemel en op de aarde. Ga dus op weg en maak alle volken tot mijn leerlingen' (Mat. 28:18b-20). Het einde van Mattheüs staat parallel met het einde van Kronieken, waar de Perzische koning Cyrus zegt: 'Alle koninkrijken van de aarde heeft JHWH, de God van de hemel, mij gegeven. Hij heeft mij opgedragen voor Hem een tempel te bouwen in Jeruzalem, in Juda. Laten al diegenen onder u die tot zijn volk behoren, zich verzekerd weten van de hulp van JHWH hun God en daarheen gaan' (2 Kron. 36:23). Door Jezus krijgt de afsluiting van Kronieken en het hele OT zijn hoogtepunt en voltooiing. Jezus heeft niet alleen alle macht op aarde, maar ook in de hemel. Het woord hemel komt bij Cyrus ook voor, maar is daar verbonden met JHWH. Cyrus wenst dat JHWH met zijn volk zal zijn, dat naar Jeruzalem gaat om de tempel te bouwen. In Mattheüs belooft Jezus dat Hijzelf bij zijn gezanten zal zijn die heengaan in de wereld om zijn opdracht uit te voeren. Daardoor gaan koning Cyrus en JHWH in het OT gezamenlijk over in één persoon, Jezus Christus in het NT."

    bron: Hendrik J. Koorevaar, "Een structureel canonieke benadering voor een theologie van het Oude Testament als geheel," in Theologie van het Oude Testament: De blijvende boodschap van de Hebreeuwse Bijbel, reds. Ibid., en Mart-Jan Paul (Zoetermeer: Boekencentrum, 2013), 114-115.


    08-04-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Genesis versus Egyptologie

    Het boek Genesis versus Egyptologie van Robert de Telder is hier gratis beschikbaar (met toestemming van de auteur):

    https://www.yumpu.com/nl/document/view/59972036/genesis-versus-egytologie-door-robert-de-telder


    12-11-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.IJsjeschristendom en Erfzondeleer

    Als bijbelgelovige christenen hebben we de taak om alles te onderzoeken en enkel het goede te behouden. Het slechte moeten we dus verwerpen (1 Thessalonicenzen 5:21). Dit geldt ook voor bepaalde leerstellingen. Iemands manier om de Bijbel te interpreteren zou niet zoals het kiezen van een ijsje mogen zijn. In het protestantisme denken mensen soms dat ze het recht hebben om de Bijbel te interpreteren naar hun eigen goesting. Dit heeft als gevolg dat vele mensen met nieuwe leringen komen die haaks staan op datgene wat de eerste christenen geloofden.

    In tegenstelling tot het vorige worden we vanuit de Bijbel aangemoedigd om te strijden voor het geloof dat eens en voorgoed de heiligen werd overgeleverd (Judas 1:3). Er is één waar geloof, één ware geloofstraditie, één waar christendom, zoals altijd al verkondigd door de ware christenen maar er zijn vele valse leraren die valse leringen verkondigen. Paulus zei het als volgt: “Beste Timoteüs, verdedig de juiste uitleg van het goede nieuws, die ik je geleerd heb. Pas op voor de valse leraren en voor alle praatjes waarmee ze God beledigen. Zij noemen het kennis, maar het is onzin” (1 Timoteüs 6:20, BGT). Er kan nog veel meer verteld worden over deze valse leraren (zie ook 2 Petrus 3:14-17) maar om het eenvoudig te houden kunnen we stellen dat het mensen zijn die denken dat ze over geheime kennis beschikken en daarom het recht hebben om de Bijbel uit te leggen zoals zij het willen. Omdat de christelijke Kerk al bijna twee millennia bestaat, moeten we ons afvragen of we onderweg niet beïnvloed geweest zijn door dwaalleren die ingaan tegen de vroegchristelijke traditie en de Bijbel. Daarom is het goed als we alles toetsen (1 Thessalonicenzen 5:21) en dagelijks de schriften onderzoeken om te toetsen of datgene wat wordt verkondigd al dan niet de waarheid is (Handelingen 17:11). Dit geldt ook voor leerstellingen zoals de erfzondeleer, die ik al jarenlang heb onderzocht, omdat ik geloof dat het belangrijk is om dit te onderzoeken. Het volgende is slechts een korte samenvatting. Meer zou kunnen gezegd worden, maar het is een kwestie van het kort te houden.

    Opwekkingsleider Charles Finney zei al in de 19de eeuw over de erfzondeleer: “Deze doctrine is een struikelblok zowel voor de kerk als voor de wereld, oneindig schandevol ten overstaan van God en walgelijk ten overstaan van God en het menselijk verstand. Ze zou verbannen moeten worden van elke preekstoel, van elke leerstelling en van deze wereld. Ze is een overblijfsel van heidense filosofie, en werd door Augustinus tussen de leerstellingen van het christendom geplaatst. Iedereen die de moeite doet om dit te onderzoeken kan dit te weten komen” (Lezingen over Systematische Theologie, p. 340). Charles Finney kon spreken vanuit ervaring, aangezien zijn evangelisatie ervoor zorgde dat honderdduizenden zich werkelijk bekeerden. In plaats van de erfzondeleer te promoten plaatste Charles Finney, zoals de bijbel dat doet, de verantwoordelijkheid voor de zonde bij elk zondigend individu.

    In de vorige eeuw is het duidelijk aangetoond door Ernesto Bonaiuti (Het Ontstaan van Augustinus’ Idee van de Erfzonde, p. 161-175) dat de erfzondeleer hoogst waarschijnlijk door Augustinus rond het einde van de vierde eeuw is overgenomen vanuit een specifieke bron (“het Ambrosiaster document”). Het auteurschap van deze specifieke bron blijft een mysterie. Wel weten we met absolute zekerheid dat Augustinus (geboren in het jaar 354, gestorven in het jaar 430), door de verkondiging van de erfzondeleer, inging tegen de traditie van de eerste christenen.

    Hier zijn enkele geschriften die de vroegere traditie representeren. Merk op dat deze geschriften niet compatibel zijn met de erfzondeleer en dat ze dikwijls tegen de leerstellingen van de dwaalleraren schreven:

    * Ignatius, die gestorven is in het jaar 108, zei:  “Ik bedoel niet dat er twee verschillende menselijke naturen zijn, maar er is één mensheid , soms behoort iemand aan God, soms aan de duivel. Als iemand een ware gelovige is, dan is hij een man van God maar als hij ongelovig is, dan is hij een man van de duivel, zo geworden, niet van nature, maar door zijn eigen keuze” (Aan de Magneziërs 5, lange versie; dit kan een latere toevoeging zijn maar dit bewijst des te meer dat Augustinus' dwaalleer nog niet overal was doorgedrongen).

    * Justinus de Martelaar, de eerste christelijke apologeet, gestorven in 165 na Christus, schreef: “Als een mens slecht [in de zin van zondig] gemaakt zou zijn, dan zou hij geen straf verdienen, omdat hij niet slecht uit zichzelf zou zijn (…)” (Eerste Apologie 43). En: “God heeft de mens niet geschapen zoals bomen en beesten zonder de macht om te kiezen; want hij die geen hand heeft in zichzelf goed of slecht maken, maar die zo al geboren is, kan geen eerlijk oordeel krijgen, want zowel het goede als het slechte zijn zo vanuit hunzelf maar enkel zoals ze gevormd zijn door de hand des oordeels [hij bedoelt over een tijdsperiode]” (uit hetzelfde document).

    * Johannes Chrysostomos, een tijdgenoot van Augustinus, schreef: “Dat een mens zou gestraft moeten worden voor wat een ander heeft gedaan lijkt niet in overeenstemming met de rede. (…) Voor het feit dat toen hij [Adam] zondigde en sterfelijk werd, en zij die uit hem voortkomen dit ook zouden moeten zijn, is niets bijzonders [lichamelijke dood]. Maar hoe zou daaruit volgen dat door zijn [Adams] ongehoorzaamheid iemand anders een zondaar wordt? (Preken op Romeinen 10)

    Zoals u kan zien: de vroege christenen geloven dat de zonde van Adam enkel lichamelijke dood als gevolg heeft [Genesis 3:19,22-24]. De geestelijke dood is ieders eigen verantwoordelijkheid en de officiële leerstelling van de erfzonde bestond niet voor Augustinus (Gustav Friedrich Wiggers, Een Historische Presentatie van Augustinisme en Pelagianisme uit de Originele Bronnen, 299-326).

    Merk ook op dat als de Bijbel in zijn geheel wordt bekeken, al snel blijkt dat deze niet compatibel is met de erfzondeleer:

    * Genesis 3 rept met geen woord over erfzonde als een gevolg van Adams zonde. Wel is er sprake van de lichamelijke dood (tot stof terugkeren en geen toegang tot de boom van het leven hebben).

    * Psalm 51:7 leest in een goede vertaling: “Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren, en in zonde heeft mijn moeder mij ontvangen” (NBG). Het onderwerp is de moeder, niet koning David. Om een voorbeeld te geven: “Zie, ik ben in een onrechtvaardige omgeving geboren, en met vuistslagen heeft mijn vader mij grootgebracht.” De zondaar is hier de vader en niet het kind. Psalm 51 gaat over Davids overspel met Bathseba. David erkent dat hij zondig is. Onverwachts de zonde op Adam verschuiven zou niet passen in de context. En indien het wel over David zou gaan, dan volgt nog niet dat deze psalmtekst op iedereen van toepassing is.

    * Ezechiël 18 gaat lijnrecht in tegen de erfzonde: “De ziel, die zondigt, die zal sterven; de zoon zal niet dragen de ongerechtigheid van de vader (…); de gerechtigheid van de rechtvaardige zal op hem zijn, en de goddeloosheid van de goddeloze zal op hem zijn” (vers 20).

    * De Bijbel leert dat de bozen God kenden, maar dwazen werden (Romeinen 1:21-22, dus niet zondig/dwaas waren geboren), dat ze de goddelijke waarheid verruilden voor de leugen (Romeinen 1:25, ze kenden de waarheid), dat ze allen zijn afgedwaald als schapen (Jesaja 53:6/Romeinen 3:12, (een schaap wordt niet afgedwaald geboren), dat hun hart is verhard (Handelingen 28:27/Hebreeën 3:8, dus onverhard geboren), enzovoort en zo verder, …

    Waar was de verloren zoon in de gelijknamige gelijkenis (Lukas 15:10-32) vooraleer hij koos om de wereld in te trekken? Bij de Vader. Was de zoon al verloren voor hij koos om de Vader te verlaten? Het antwoord is: “Neen!” “Wij zijn het die Gods paden verlieten, wij keerden ons ieder naar zijn eigen weg.” (HTB, Jesaja 59:12) “Maar uw ongerechtigheden zijn het, die scheiding brengen tussen u en uw God, en uw zonden doen zijn aangezicht voor u verborgen zijn, zodat Hij niet hoort.” (NBG,  Jesaja 59:2) Niet de ongerechtigheid of zonde van Adam.

    * De erfzondeleer wordt in Romeinen 5 (en 3) ingelezen. Dit is niet de oorspronkelijke betekenis van de tekst. Als we de Romeinenbrief per hoofdstuk zouden samenvatten, dan bekomen we een soort van opbouw: Romeinen 1: de heidenen zijn zondig. Romeinen 2: ook de Joden zijn zondig. Romeinen 3: dus zijn we allen zondig (Paulus is een oosterling: hij bedoelt niet noodzakelijk ieder individu – Westers denken - maar beide groepen). Romeinen 4: door vertrouwen in God zoals Abraham (impliceert verbond en gehoorzaamheid) worden we allen gerechtvaardigd. Romeinen 5: Adam bracht de geestelijke dood in de wereld. Deze geestelijke dood is op Adams nakomelingen (heidenen en Joden) gekomen omdat ze allen hebben gezondigd (niet: in Adam, dit is een verkeerde vertaling van vers 12, zie ook vers 14 over mensen die niet zo gezondigd hebben). Mensen die Romeinen 5:12 graag uit de context nemen, moeten rekening houden met verzen 18 en 19. We weten dat Christus voor alle mensen gestorven is en dat hieruit niet volgt dat alle mensen automatisch gered zullen zijn. Hetzelfde moet dus gelden voor de kant van Adam. Adam zondigde, hieruit kan niet volgen dat alle mensen automatisch zondaars worden (anders valt Paulus’ vergelijking uit elkaar). Zoals alle mensen Adam hebben gevolgd tot veroordeling en dood, zo kunnen alle mensen Christus volgen tot rechtvaardiging en leven, zoals Paulus al uitlegde in Romeinen 4. Dit is een keuze zoals duidelijk wordt in Romeinen hoofdstuk 3 tot 5.

    * “van nature” in Efeze 2:3 kan geïnterpreteerd worden als een aangeboren natuur of een aangekweekte natuur door gewoonte (zoals Thayers’ Grieks of Adam Clarke’s commentaarstuk op Efeze 2:3, een duidelijk voorbeeld van een aangekweekte natuur is Jeremia 13:23). De kleine context van Efeze 2:3 geeft een aangekweekte natuur van persoonlijke zonden weer (vers 1-3). Zoals ik daarstraks kort besprak, geloofden de vroegste christenen niet dat de mens met een zondige natuur geboren is. Dit geloofden juist de dwaalleraren. De context van de Efezebrief gaat over het vernieuwen van het denken; het loskomen uit zondige gewoontes.

    Enkele positieve stellingen over kinderen uit het Nieuwe Testament:

    * “In die tijd kwamen de leerlingen bij Jezus en zeiden: ‘Wie is eigenlijk de grootste in het koninkrijk der hemelen?’ Hij riep een kind, zette het in hun midden en zei: ‘Ik verzeker jullie, als je niet verandert en wordt als kinderen, kom je het koninkrijk der hemelen niet eens binnen. Wie zich dus klein maakt als dit kind, die is de grootste in het koninkrijk der hemelen. En wie één zo’n kind bij zich ontvangt in mijn naam, ontvangt Mij. Maar wie één van deze kleinen die op Mij vertrouwen ten val brengt, kan beter met een molensteen om zijn nek in volle zee gegooid worden” (Matteüs 18:1-5, WB).

    * “Toen bracht men kinderen bij Hem, met de bedoeling dat Hij hun de handen zou opleggen en voor hen zou bidden. Maar de leerlingen wezen hen terecht. Jezus zei: ‘Laat die kinderen en verhinder niet dat ze bij Me komen, want van zulke kinderen is het koninkrijk der hemelen’” (Matteüs 19:13-14, WB).

    * “(…) wees kinderen in het kwaad” (1 Korintiërs 14:20, NBV; indien kinderen zondig zijn, valt Paulus’ vergelijking uit elkaar).

    * “Wees als pasgeboren kinderen” (1 Petrus 2:2, WB).

    De vraag is: “Wiens standpunt volg je? Dat van de eerste christenen of dat van Augustinus, die op het einde van de vierde eeuw na Christus een nieuwe leer begon te verkondigen? Wat willen wij blijven verkondigen? Het ware christendom of een latere herinterpretatie?”

    In het begin van dit document werd aangetoond dat we niet zomaar kunnen kiezen wat we geloven en verkondigen (ijsjeschristendom).  Jezus zei hieromtrent zelfs: “Ik zeg u: over ieder zinloos woord dat de mensen spreken, zullen ze verantwoording moeten afleggen op de dag van het oordeel. Want op grond van uw woorden zult u rechtvaardig bevonden worden en op grond van uw woorden zult u veroordeeld worden” (Matteüs 12:36-37, WB). Ook Jakobus zei dat leraren strenger geoordeeld zullen worden (Jakobus 3:1). Het zou goed zijn als de protestantse kerk en individuele protestanten minder aan ijsjeschristendom zouden doen en meer tijd zouden investeren om de vroege kerkgeschiedenis te bestuderen en te toetsen of ze al dan niet in het ware geloof zijn (2 Korintiërs 13:5).


    26-05-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De Mens en zijn Zoektocht naar Voldoening en naar God
    “De Heer ziet neer vanuit de hemel, Hij speurt de mensen af of er ergens een wijze is, iemand die zoekt naar God” (Psalm 14:2, Willibrordvertaling).

    Een baby wordt geboren zonder kennis, is afhankelijk van zijn ouders, en heeft een natuurlijke drang tot zelfbevrediging. Dit is een natuurlijk instinct waar niets verkeerd mee is. Een kind heeft ook een godsbesef (Romeinen 1:21). Het is de bedoeling dat het kind later reageert op zijn onwetendheid/afhankelijkheid en zijn godsbesef en juist dáárom God zoekt (Handelingen 17, Psalm 14:2). Zo zal hij leren om God boven al en zijn naaste als hemzelf te beminnen (Mattheus 22:37-39).


    De duivel en maatschappijen onder leiding van de duivel (2 Korinthe 4:4) spelen in op de natuurlijke drang tot zelfbevrediging en willen dat de mens een “kortere” weg zoekt (Mattheus 4). Dit egoïsme leidt niet tot een uiteindelijke bevrediging maar het leidt tot de dood (Romeinen 6:23, Jakobus 1:14-15).


    De mens moet zich niet lam laten maken door zijn eigen zonden of het bedrog van anderen (1 Timotheüs 4:2) maar tot inkeer komen en tot God terugkeren (Handelingen 17:30) - terugkeren tot Christus, de Goede Herder die leven in overvloed, en zelfs Zijn eigen leven geeft (Johannes 10:10-11)! - Atheïsme wordt in de Bijbel als een pure dwaze mening omschreven (Psalm 14:1). Het is het negeren van het natuurlijke godsbesef (Romeinen 1:21). De gevolgen zijn overduidelijk. Om er maar een paar te noemen: vervuld zijn van ongerechtigheid, boosheid, hebzucht, slechtheid, nijd, bloeddorst, ruzie, bedrog, kwaadaardigheid, roddel, laster, haat tegenoverstaande van God, vermetelheid, verwaandheid, protserigheid, vindingrijkheid in het kwaad, ongehoorzaamheid aan ouders, onverstandigheid, onbestendigheid, zonder liefde en zonder mededogen zijn (zie Romeinen 1:29-31). Daarom geeft de Bijbel ons het volgende, nuttige advies: “Vrees God en onderhoud zijn geboden; daar komt voor een mens alles op aan” (Prediker 12:13b, Willibrordvertaling). Een mens die God vreest, zoekt naar Hem vanuit onwetendheid en vindt Hem als zijn meest waardevolle Leraar en Vriend voor dit leven en voor het hiernamaals.


    28-03-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De Verkiezing in het Oude Testament

    'Redding en verkiezing. Lange tijd speelde het begrip verkiezing een belangrijke rol in de theologie van het Oude testament. Het was een begrip, waarmee men Gods werk met betrekking tot Israël in zijn totaliteit typeren wilde. Er werd veelomvattend gesproken van de "verkiezingstradities" van Israël" (zo bijvoorbeeld K. Galling), waarmee men het oog had op de geschiedenis van de aarsvaders, het exodusbericht en nog andere teksten. (Zie THAT I, 1971, S. 275-300; aldaar wordt de overige literatuur).

    Er moet echter op gewezen worden, dat in de aldus getypeerde teksten het werkwoord bhr (verkiezen) niet voorkomt. Wanneer het Oude Testament vertelt, wat er gebeurt is, gebruikt het dat woord nooit. Wordt het woord gebruikt, dan heeft het de funktie van een interpretatie achteraf. Uit de verte van een veel later tijd kijkt het terug naar wat er gebeurd is om er een duiding aan te geven. Niet door Gods verkiezing is Israël tot zijn volk geworden, maar door een daad van redding in den beginne. Daarover naderhand reflekterend, verklaarde men Gods werk door te zeggen, dat Hij Israël uitverkozen had. Men kan dat duidelijk merken aan de manier, waarop het woord in het Oude Testament gebruikt wordt (ik verwijs naar het artikel van H. Wildberger in THAT I, S. 275-300: "In het oudtestamentische onderzoek bestaat er bijna consensus over, dat er niet vóór Deuteronomium expliciet over Israëls verkiezing gesproken is", S. 284). Men is het er ten volle over eens, dat het begrip verkiezing eerst in Deuteronomium deugdelijk gemunt werd. De locus classicus is Deuteronomium 7, 6-8:

    "U heeft Jahwe, uw God, uit alle volken
    op den aardbodem uitverkoren
    om zijn eigen volk te zijn.
    Niet omdat gij talrijker waart dan enig ander volk.
    Maar. omdat Jahwe u liefhad
    en den eed hield, dien Hij uw vaderen gezworen had,
    heeft Jahwe u met een sterke hand uitgeleid
    en u verlost uit het diesthuis..."

    Uit deze tekst blijkt duidelijk dat het begrip verkiezing een interpretatie is. De redding uit Egypte wordt achteraf zo uitgelegd, dat ze plaatsvond, omdat Jahwe Israël "uit alle volken op den aardbodem" verkozen had om aan dit volk deze daad van redding te voltrekken. Deze verklaring is in Deuteronomium 7 in verband gebracht met het gebod tot rigoreuze afzondering van de Kanaänieten en hun religie. Inderdaad is de passus Deuteronomium 7, 6-8 de motivering van het gebod tot afzondering dat in Deuteronomium 7, 1-5, en vervolgens in vers 9-11 opnieuw - nu parenetische kontekst: in Deuteronomium is het van levensbelang, dat het eerste gebod ingeprent wordt met het oog op het gevaar van syncretisme. Dat impliceert echter ook, dat verkiezing verkeerd begrepen is, als men er pretenties uit afleidt. En wat er in Deuteronomium 7, 6-8 nog slechts impliciet gezegd wordt, staat er in Amos 3, 2 in alle scherpte ("U alleen heb ik gekend uit alle geslachten van het aardrijk; daarom zal Ik al uw ongerechtigheden aan u bezoeken"). Alleen in verband met de paranese krijgt verkiezing zin: vanwege het gevaar van afval wordt Israël het eerste gebod voorgehouden. Op grond daarvan lijkt het niet raadzaam om het begrip verkiezing te generaliseren en dan abstract te spreken over het uitverkoren volk. Zulke abstracte generalisaties kunnen gemakkelijk aanleiding geven tot pretenties, die ten onrechte uit het begrip verkiezing afgeleid worden.

    Tegen een algemeen gebruik van het begrip verkiezing pleit ook het feit, dat het woord verkiezing niet voorkomt in de formering va  tradities aangaande Gods reddende daad in den beginne, maar ook niet in de lange ketting van overgeleverde woorden, die daaraan herinneren (zie boven). Het is dan ook geen toeval, dat de profeten vóór de ballingschap het begrip verkiezing Gods bijna geheel vermijden.* Daarom kan men niet zeggen, dat het begrip verkiezing de sleutel is, waarmee het hele Oude Testament ontsloten kan worden; gebruikt men het dan moet men in het oog houden, dat zijn betekenis begrensd is.'

    bron: Claus Westermann, Hoofdlijnen van een Theologie van het Oude Testament (1981), 45-46.

    voetnoot:

    * Amos 3, 2: "U alleen heb Ik gekend (jada'ti) uit alle geslachten van het aardrijk; daarom zal Ik al uw ongerechtigheden aan u bezoeken". Jada'ti moet niet vertaald worden met 'verkozen' (L. Köhler had zich al daartegen gekeerd); dit 'gekend' immers moet men verstaan in de zin van kennis-making in de ontmoeting.


    15-03-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Persoonlijke Relatie met God in het Oude Testament

    "In de geschiedenis van het heilswoord stuiten wij op het feit, dat de enkeling ongeveer even vaak aangesproken wordt als het volk. Hieruit blijkt, dat Gods werk zich per se niet beperkt tot het Godsvolk, tot Israël, maar integendeel met dezelfde intensiteit op de enkele mens gericht is. En dan niet slechts op de enkeling in zoverre hij deel uitmaakt van het volk Gods, maar ook op de enkeling eenvoudigweg als mens. Dat wordt duidelijk uit het verhaal van de schepping van de mens, in het boek Job, in de wijsheid; in het bijzonder geven de psalmen er uitdrukking aan, waarin niet alleen leed en vreugde van het Godsvolk, maar ook van de enkele mens onder woorden gebracht worden. De persoonlijke relatie met God heeft in het Oude Testament naast Israëls verhouding met God een belangrijke plaats. Beide zijn niet gladweg identiek met elkaar en het zou een ontoelaatbare verkorting zijn van wat het Oude Testament over God zegt, wanneer men daar geen acht op slaat. Een kort overzicht kan dat duidelijk maken: De oergeschiedenis (Genesis 1-11) gaat over de mens, voordat de mensheid uiteengevallen was in volken en godsdiensten; met zijn mogelijkheden en grenzen is de mens een schepsel, dat voor zijn Schepper staat. In de geschiedenis van de aartsvaders (Genesis 12-50) wordt aan de enkele mens in de kring van zijn familie fundamentele betekenis toegemeten, ook met het oog op de latere geschiedenis van het Godsvolk. In de volksgeschiedenis blijkt steeds weer, dat de persoonlijke Godsrelatie van de enkeling in de kring van zijn familie een noodzakelijk element van die historie is. Men hoeft slechts te denken aan Davids familiegeschiedenis of aan de klaagliederen van Jeremia. De Godsrelatie van de enkeling in zijn persoonlijk leven maakt evenzeer deel uit van Israëls eredienst als die van het volk in zijn geschiedenis. Dat blijkt vooral uit de grote betekenis van de individuele psalmen in het Psalter. Tijdens de ballingschap worden familie en enkeling opnieuw de dragende factoren van Israëls religie en in de diaspora blijft dat zo. Het boek Job legt er getuigenis van af, dat het lot van een enkeling, van iemand die lijdt voor Gods aangezicht, het Godsvolk iets te zeggen heeft van beslissende betekenis, ook wanneer het geen Israëliet is, die lijdt. Ten slotte moet men denken aan de sterke humane trek, die door het hele Oude Testament in de universalistische tendens, die veel van de profetieën over de volkeren eigen is. Wezenlijk voor dat wat het Oude Testament over God zegt, is, dat naast de geschiedenis van God en zijn volk ook de enkele mens in zijn persoonlijk leven, in de kring van zijn familie, gewaardeerd wordt als Gods tegenspeler, juist in zijn simpele mens-zijn."

    bron: Claus Westermann, Hoofdlijnen van een theologie van het Oude Testament (1981), 70. Westermann verwijst naar R. Albertz, Persönliche Frömmigkeit und offizielle Religion (1978).


    14-12-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De Antichrist
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    De apostel Johannes vertelde ons dat in de dagen waarin hij leefde, er al vele antichristenen waren in de wereld en hij spreekt over de geest van de antichrist (1 Johannes 4:3). Een antichrist en een misleider is iemand die ontkent dat Christus in het vlees gekomen is (2 Johannes 1:7). Dit was typisch voor het gnosticisme ten dage van Johannes. Gnostici geloofden dat het vlees slecht is en de geest goed is. Daarom was de gnostische versie van Christus een soort van spookgestalte, die niet geboren was uit de maagd Maria (tegen Mattheüs 1:20, 23). De vroege kerk schreef hevig tegen deze ideeën en vele christenen denken dat de schrijvers van de vroege kerk wonnen tegen deze groepen maar, mijn mening is dat, spijtig genoeg, deze ideeën gewoon, stap voor stap, de kerk zijn binnengeslopen onder Ambrosiaster, Origenes, Ambrosius, Hieronymus, Augustinus,… Je merkt het vandaag de dag nog in spreekwoorden zoals: “We zijn allen geboren in een zondige natuur/zondig vlees, we kunnen niet zonder elke dag te zondigen omdat we zonde overerven van Adam maar Jezus zondigde niet omdat Hij een ander soort vlees heeft.” Dit is een geest van wetteloosheid die zonde herdefinieerd en er een onvermijdelijk ding van maakt, in plaats van een daad die komt vanuit de wil (zie 1 Johannes 3:4 en volgende). Door her herdefiniëren van kernleringen (tegen Judas 1:3), creëert dit een “excuus” voor religieuze zondaars (tegen Mattheüs 7:17-23). Ik geloof dat deze dingen u duidelijk zullen worden indien u 1 & 2 Johannes en de geschriften van de vroege christenen bestudeerd.

    Ik denk dat goedbedoelende katholieken en orthodoxen geloven dat de antichrist was vernietigd, toen Gnosticisme zogezegd verslagen was en protestanten denken dat het gaat om een soort van toekomstige leider, terwijl de duivel de kerk probeert te corrumperen van binnenuit.

    “Hieraan moet gij den Geest Gods kennen: iedere geest, die belijdt, dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, die is van God; en iedere geest, die niet belijdt, dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, die is niet van God; en dit is de geest van den antichrist, van welken gij gehoord hebt, dat hij komen zal, en hij is nu alreeds in de wereld.”  – 1 Johannes 4:2-3 (Luther vertaling)


    14-07-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Jeremia 11:11 uitgelegd

    "Daarom’, zo spreekt de heer, ‘breng Ik rampen over hen, waaraan ze niet kunnen ontkomen. Hoe ze Mij ook aanroepen om hulp, Ik zal niet naar hen luisteren."
    - Jeremia 11:11 (Willibrordvertaling)

    Waarom aanhoort God hen niet?

    Reden: omdat hun harten ver van Hem zijn. Ze zijn niet waarlijk gefocust op Hem.

    Bewijs: ze aanroepen direct hierna andere Goden:

    "Dan zullen de steden van Juda en de inwoners van Jeruzalem henengaan, en roepen tot de goden, dien zij gerookt hebben; maar zij zullen hen gans niet kunnen verlossen ten tijde huns kwaads."
    - Jeremia 11:12 (Statenvertaling)


    11-07-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Onvoorwaardelijke Gehoorzaamheid

    'Nu weten we dat onvoorwaardelijke gehoorzaamheid aan wat God beveelt voor iedere gelovige een eerste eis is. Wij hoeven niet eerst antwoord te hebben op al onze “waaroms” om dan pas te doen wat de Heer zegt. En zeker mogen we niet tegenstribbelend of zelfs opstandig opmerken: “Ik zie het nut er eigenlijk niet van, dus om mij hoeft het niet”. Dat laatste wordt ons tenminste nergens in de bijbel voorgehouden.

    Integendeel, in de Schrift vinden we voorbeelden te over van mensen die tot bekering kwamen en zich direct daarop zonder verder commentaar lieten dopen. Kijk eens naar de “kamerling” die op de terugreis is van Jeruzalem naar Ethiopië. IJverig zit hij op zijn wagen een stuk uit de bijbel te lezen. Hij begrijpt niet alles, maar één ding is hem duidelijk: het gedeelte dat hij leest spreekt over een man, die in de plaats van anderen en terwille van anderen vreselijk geleden heeft. Niet alleen geleden door wat mensen hem aandeden, maar geleden omdat hij de straf van God voor anderen droeg. Maar wie is die man? Terwijl hij zich dat afvraagt, hoort hij een stem naast zich, die vraagt of hij wel begrijpt wat bij leest. Nee, dat doet hij niet, Even later zit de vraagsteller naast hem op de wagen en begint hem Jezus te verkondigen.

    Kennelijk spreekt de evangelist Filippus want die is het daarbij ook over de doop. Ze passeren een watertje en prompt zegt de hofbeambte van koningin Candacé:

    “Ziedaar water; wat verhindert mij gedoopt te worden?” (Hand. 8:36).

    Wel, er verhinderde hem niets, dus werd hij direct gedoopt. Mooi is dat, als iemand zo direct voldoet aan wat God van hem vraagt. Daarin wordt God verheerlijkt. Gehoorzaamheid is het grote kenmerk van bekering. Vóór onze bekering waren we “kinderen van de ongehoorzaamheid”. maar met onze bekering is dat totaal uit, Tenminste, zo hoort het in de praktijk te zijn. Als je bekeerd bent, mag je je nog zo inspannen voor christelijk werk, geld geven voor de zending, je naaste de helpende hand bieden enz.. maar als je weigert gehoorzaam te zijn aan het voorschrift om je te laten dopen, dan heeft het voor God toch niet “die” waarde. De Schrift zegt en laten we dat maar goed tot ons doordringen “gehoorzaamheid is beter dan slachtoffers” (1 Sam. 15:22).'

    bron: J. G. Fijnvandraat, Dopen... waarom eigenlijk?, p. 2.


    >

    Blog tegen de wet? Klik hier.
    Gratis blog op https://www.bloggen.be - Bloggen.be, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!