|
Het Feest van Corpus Christi

Het Feest van Corpus Christi,
Corpus Domini, Sacramentsdag of in het Latijn: Dies Sactissimi Corporis et
Sanguinis Domini Iesu Christi (Dag van het Allerheiligste Lichaam en Bloed van
Jezus Christus, de Heer)
De feestdag was gisteren op 11 juni, maar wordt met de
sacramentsprocessie gevierd op zondag 14 juni. Deze feestdag viert de
Werkelijke Aanwezigheid van het Lichaam en Bloed, Ziel en Goddelijkheid van
Jezus Christus onder de vorm van brood en wijn. De Instelling van de
Eucharistie gebeurde op Witte Donderdag in een sombere atmosfeer die leidde tot
Goede Vrijdag. De liturgie op deze dag herdenkt ook de voetwassing, de
instelling van het Priesterschap en de doodsangst in de tuin van Gethsemane.
Het Feest van Corpus Christi werd voorgesteld door de H.
Thomas van Aquino, Kerkleraar aan Paus Urbabus IV, om een feestdag volledig te
wijden aan de H. Eucharistie alleen, met de nadruk op de vreugde dat de H.
Hostie het Lichaam en Bloed, Ziel en Goddelijkheid van Jezus Christus is na de
consecratie. Nadat de authenticiteit van het Eucharistisch Mirakel van Bolsena
werd erkend op aanzet van H. Thomas van Aquino in 1264, richtte de Paus die
toen in Orvieto leefde, het Feest van Corpus Christi in als Plechtige Feestdag
en riep ze uit voor de hele Rooms Katholieke Kerk.
Het feest wordt liturgisch gevierd op de donderdag na
Drie-eenheidszondag, maar omdat de Feestdag van het Allerheiligste Lichaam en
Bloed van Christus geen verplichte feestdag is, wordt ze gevierd op de zondag
na de Drie-eenheidszondag.
Op het einde van de H. Mis is er gewoonlijk een processie
van het H. Sacrament, tentoon gesteld in een monstrans. De processie wordt
gevolgd door de Zegening met het H. Sacrament. Elk jaar wordt gewoonlijk een
Eucharistische processie gehouden, voorgegaan door de Paus in Rome, waar ze
begint bij de Basiliek van St Jan Lateranen tot de Basiliek van H. Maria
Maggiore, waar besloten wordt met de Zegening met het H. Sacrament.
H. Juliana de Cornillon (ook H. Juliana van
Luik)
De instelling van Corpus Christi als een feest op de Christelijke
kalender was het resultaat van ongeveer veertig jaar werk van Juliana de
Cornillon, een 13e-eeuwse Norbertijnse kanunnikin, ook wel bekend als Juliana van
Luik, geboren in 1191 of 1192 in Luik, een stad waar groepen vrouwen gewijd
waren aan de eucharistische eredienst. Geleid door voorbeeldige Priesters
woonden ze samen, toegewijd aan gebed en liefdadigheidswerk. Op vijfjarige
leeftijd wees geworden, werden zij en haar zus Agnes toevertrouwd aan de
verzorging van de Augustijnse nonnen in het klooster en leprosarium van
Mont-Cornillon, waar Juliana een speciale verering ontwikkelde voor het Heilig
Sacrament.
Ze verlangde altijd naar een feestdag buiten de vastentijd
ter ere van het H. Sacrament van het Altaar. In de optekening van haar leven
vermeldt men dat dit verlangen werd versterkt door een visioen van de kerk
onder het verschijnen van de volle maan met één donkere vlek, wat de
afwezigheid van een dergelijke plechtigheid betekende. In 1208 maakte ze gewag
van haar eerste visioen van Christus waarin haar werd opgedragen te pleiten
voor de instelling van het feest van Corpus Christi. De visie werd de komende
20 jaar herhaald, maar ze hield het geheim. Toen ze het uiteindelijk aan haar
biechtvader doorgaf, gaf hij het door aan de bisschop.
Juliana diende ook een verzoekschrift in bij de geleerde
Dominicaanse Hugo van St-Cher en Robert de Thorete, bisschop van Luik. In die
tijd konden bisschoppen Feesten instellen in hun bisdom, dus gaf bisschop Robert
in 1246 opdracht om Corpus Christi elk jaar op de donderdag na de
Drie-eenheidzondag in het bisdom te vieren. De eerste dergelijke viering vond
datzelfde jaar plaats in de Sint-Martinuskerk in de stad.
Hugo van St-Cher reisde in 1251 als kardinaal-gezant naar
Luik en stelde vast dat het feest niet werd gevierd. Het jaar daarop
organiseerde hij het feest voor zijn hele jurisdictie (Duitsland, Dacia,
Bohemen en Moravië), dat gevierd moest worden op de donderdag na het octaaf van
de Drie-eenheid (een week later dan was aangegeven voor Luik), maar met een
zekere flexibiliteit, want hij verleende een toegift aan allen die hun zonden
beleden en naar de kerk gingen "op een datum en op een plaats waar [het
feest] werd gevierd".
Jacques Pantaléon van Troyes werd ook gewonnen voor de
Feestdag van Corpus Christi tijdens zijn bediening als aartsdiaken in Luik. Hij
was het die, nadat hij in 1264 Paus was geworden als Urbanus IV, de
plechtigheid van Corpus Christi op de donderdag na Pinksteren instelde als een
feest voor de hele Latijnse Kerk, door de Pauselijke Bul Transiturus de hoc
mundo. De legende wil dat deze daad werd geïnspireerd door een processie naar
Orvieto in 1263, nadat een dorpspriester in Bolsena en zijn parochie getuige
waren van een Eucharistisch wonder van een bloedende, geconsacreerde hostie in
Bolsena. Hoewel dit het eerste Pauselijk opgelegde universele feest was voor de
Latijnse Kerk, werd het in feite al een halve eeuw eerder lokaal gevierd,
hoewel het werd aangenomen door een aantal bisdommen in Duitsland en door de
cisterciënzers, en in 1295 werd het gevierd in Venetië. Het werd pas een echt
universeel Feest nadat de Bul van Paus Urbanus IV werd opgenomen in de
verzameling wetten die bekend staat als de Clementines, samengesteld onder Paus
Clemens V, maar werd afgekondigd door zijn opvolger Paus Johannes XXII in 1317.
Terwijl de instelling van de H. Eucharistie wordt gevierd
op Witte Donderdag, herdenkt de liturgie op die dag ook de voetwassing van de
discipelen door Christus, de instelling van het Priesterschap en de doodsangst
in de Tuin van Getsemane. Op deze dag vonden zoveel andere gebeurtenissen
plaats dat het hoofdevenement bijna uit het oog werd verloren. Dit wordt in de
Bul Transiturus genoemd als belangrijkste reden voor de introductie van het
nieuwe Feest. Daarom werd het Feest van Corpus Christi opgericht om een feest
te creëren dat uitsluitend gericht was op de Heilige Eucharistie.
Drie versies van het officie voor het feest van Corpus
Christi in bestaande manuscripten leveren bewijs voor de Luikse oorsprong en de
stem van Juliana in een origineel officie, dat werd gevolgd door twee latere
versies van het officie. De hymne van Aquino, gecomponeerd voor de Vespers van
Corpus Christi, Pange Lingua of een andere eucharistische hymne, wordt ook
gebruikt op Witte Donderdag tijdens de processie van het Heilig Sacrament naar
het altaar van de rust. De laatste twee verzen van Pange Lingua worden ook
gebruikt als een aparte hymne, Tantum Ergo, die wordt gezongen bij de Zegening
door het H. Sacrament. O Salutaris Hostia, een andere hymne gezongen bij de
Zegening door het H. Sacrament, omvat de laatste twee verzen van Verbum
Supernum Prodiens, Aquinos hymne voor de Lauden van Corpus Christi. Thomas van
Aquino componeerde ook het tijdeigen voor de Mis van Corpus Christi, inclusief
de sequentie Lauda Sion Salvatorem. De tweede
lezing voor de mis is afkomstig uit Paulus' eerste brief aan de Korintiërs
(1 Korintiërs 11: 2329), en de evangelielezing is afkomstig uit het evangelie
van Johannes (Johannes 6: 5659).
Toen Paus Pius V de Algemene Romeinse Kalender herzag, was
Corpus Christi een van de slechts twee 'devotiefeesten' die hij hield, de
andere was Drie-eenheidszondag. In die kalender werd Corpus Christi gevierd op
de donderdag na Drie-eenheidszondag. Het feest had een octaaf tot 1955, maar toen schrapte Paus Pius XII alle octaven,
zelfs in lokale kalenders, behalve die van Kerstmis, Pasen en Pinksteren.
Van 1849 tot 1969 werd oorspronkelijk een apart feest van
het Kostbaarste Bloed van onze Heer Jezus Christus toegewezen aan de eerste
zondag van juli, later aan de eerste dag van de maand. Dit feest werd in 1969
van de algemene Romeinse kalender verwijderd, omdat het Kostbaarste Bloed van
Christus de Verlosser al wordt vereerd in de plechtigheden van het Lijden, van
Corpus Christi en van het Heilig Hart van Jezus en in het feest van de Kruisverheffing.
Maar de H. Mis van het Kostbaarste Bloed van onze Heer Jezus Christus wordt
onder de votiefmissen geplaatst.
In vele landen is de donderdag na Drie-eenheidszondag een
verplichte feestdag om de viering van de H. Mis bij te wonen. In België wordt
de feestdag gevierd op de zondag er opvolgend. Traditioneel wordt in de
parochie of in de omringende straten een processie gehouden ter ere van het H.
Sacrament. De H. Hostie wordt in een
monstrans rondgedragen door een lid van de geestelijkheid. Op het einde
van de processie wordt de Zegening met het H. Sacrament gegeven aan de
aanwezigen.
Eucharistisch
mirakel te Bolsena
De marmeren vloer met een afdruk van de H. Hostie
Het oorspronkelijk altaar waar het wonder gebeurde
De corporale waar de bebloede H. Hostie werd ingewikkeld
In 1236 gebeurde een Eucharistisch mirakel in
Bolsena-Orvieto. Gedurende de Mis in
Bolsena sprak de Priester Dit is Mijn Lichaam en de Hostie begon overvloedig
te bloeden. De Priester nam de Corporale en wikkelde de bloedende Hostie in het
doek, hoewel er bloed op de marmeren vloer viel voor het altaar. Hij nam de Hostie
onmiddellijk naar Paus Urbanus IV die bij Orvieto was ten tijde. De Paus
verklaarde dat het Eucharistisch Mirakel echt was en smoorde de ketterij van
het Berengarianisme (ontkenning van de Ware Aanwezigheid van Onze Heer in de
Eucharistie) in de kiem.
Hostie
Een hostie is binnen de RKKerk. Ze
heeft de vorm van ronde schijfjes ongedesemd tarwebrood. Een hostie die
niet (uitsluitend) van tarwemeel is gemaakt, is volgens de Kerk "ongeldige
materie". Het woord hostie komt van het Latijnse hostia dat
slachtoffer betekent.
Volgens de RK opvatting worden de hostie op de pateen en de
eucharistische wijn in de miskelk tijdens de H. Mis geofferd
(deelname hier en nu aan het ene offer van Christus op Kalvarië). In de
katholieke kerk breekt de Priester tijdens de H. Mis de hostie in
stukken en deelt andere kleinere hosties aan de gelovigen uit tijdens de
communie als een symbolische herhaling van het Laatste Avondmaal.
Katholieken geloven dat na de epiklese en
de consecratie de hostie wezenlijk is veranderd in het Lichaam van
Christus en ze kan daarom, wegens die transsubstantiatie, ook
aanbeden worden.
De epiklese is
het gebed waarin de priester de Vader smeekt de H. Geest te zenden,
opdat de offergaven het Lichaam en Bloed van Christus worden en de gelovigen,
door ze te ontvangen, zelf een levende offerande aan God worden. De epiklese
vormt de opmaat naar de consecratie en samen vormen ze het hoogtepunt
van het eucharistisch gebed waarin het kruisoffer van Christus
opnieuw tegenwoordig wordt gesteld en Hijzelf werkelijk aanwezig komt in de
gaven, de hostie en wijn. In de Rooms-Katholieke traditie is dat de
consecratie, het verheffen van het brood en de wijn.
Bij de consecratie
verandert God door de liturgische actie van de priester (de substantie van) het
brood van de hostie in (de substantie van) het Lichaam van Jezus. Dat heet het
dogma van de transsubstantiatie: de fysische en zintuiglijk waarneembare
eigenschappen van het brood en de wijn blijven bestaan, maar door de goddelijke
macht hem verleend bij de priesterwijding, vernietigt de priester de substantie
van brood en wijn en stelt in de plaats ervan de substantie van het Lichaam en
Bloed van Jezus, zoals hij zich nu bevindt zittend aan de rechterhand van de
Vader in de hemel. Toen Jezus zei Dit IS mijn lichaam en dit IS mijn bloed IS
het ook zijn lichaam en bloed geworden (de wezenheid, de substantie , het
zijn is veranderd) , ook al blijven we brood en wijn ZIEN: de zintuiglijk
waarneembare eigenschappen zijn gebleven. De fysische eigenschappen van brood
en wijn zijn gebleven na de consecratie, de metafysische eigenschap
(substantie) is veranderd. Daarom de term "transsubstantiatie": de
transformatie van de substantie.
|