|
DE VIER LAATSTE DINGEN ---- DOOD, OORDEEL, HEL en HEMEL
PRIESTER MARTIN VON COCHEM, O.S.F.C.
DEEL I. OVER DE DOOD.
I. Over de verschrikkingen van de dood
Het lijkt mij onnodig veel te zeggen over de verschrikkingen van de dood. Het
onderwerp is voldoende behandeld door verschillende schrijvers; trouwens,
iedereen weet en voelt zelf aan dat het leven zoet is en de dood bitter. Hoe
oud een mens ook is, hoe gebroken hij ook is, hoe ellendig zijn omstandigheden
ook zijn, de gedachte aan de dood is ongewenst. Er zijn drie belangrijke
redenen waarom alle mensen zo bang zijn voor de dood:
Ten eerste, omdat de liefde voor het leven, de angst voor de dood inherent is
aan de menselijke natuur. Ten tweede, omdat elk rationeel wezen zich er terdege
van bewust is dat de dood bitter is en de scheiding van ziel en lichaam niet
kan plaatsvinden zonder onuitsprekelijk lijden. Ten derde, omdat niemand weet
waarheen hij na de dood zal gaan, of hoe de Dag van het Oordeel zal verlopen.
De tweede en derde reden zal ik wat vollediger uitleggen om enerzijds degenen
die een zorgeloos leven leiden misschien wakker te maken voor een angst voor de
dood, en te leren om zonde te vermijden, en aan de andere kant dat ieder van
ons gewaarschuwd is om zich voor te bereiden op de dood, opdat we er niet door
worden verrast. Iedereen is instinctief bang voor de dood, omdat het bitter en
pijnlijk is, onbeschrijflijk voor de menselijke natuur. De ziel van de mens is
onderhevig aan vele angsten en zorgen, en het lichaam is onderhevig aan
allerlei soorten pijn en ziekte, maar geen enkele van deze soorten pijn kan worden
vergeleken met de doodsangst. Een man die zijn goede naam en zijn eigendom
verliest, voelt verdriet, maar hij gaat er niet aan dood. Alle lijden en
ziekte, alle verdriet en angst, hoe vreselijk ook, zijn minder bitter dan de
dood. Daarom zien we de dood als een machtige tiran, de wreedste, de meest
meedogenloze, de meest geduchte vijand van de mensheid. Kijk naar een mens die
worstelt met de dood, en je zult zien hoe de tiran zijn slachtoffer
overweldigt, toetakelt en op de grond werpt. Waarom is de dood zo moeilijk, zo
verschrikkelijk te aanvaarden?
De reden is dat de ziel zich van het lichaam moet scheiden. Lichaam en ziel
zijn voor elkaar geschapen, en hun vereniging is zo intiem met elkaar verbonden
dat een scheiding tussen hen bijna onmogelijk lijkt. Ze zouden bijna alles
verdragen in plaats van uiteen te worden gerukt.
De ziel is bang voor de toekomst en voor het onbekende land waar ze naartoe
gaat. Het lichaam is zich ervan bewust dat zodra de ziel vertrekt, het de prooi
van wormen zal worden. Bijgevolg kan de ziel het niet verdragen het lichaam te
verlaten, en wil het lichaam niet scheiden van de ziel. Lichaam en ziel
verlangen dat hun vereniging ononderbroken blijft bestaan en ze samen kunnen
genieten van de zaligheden van het leven.
In een van zijn brieven aan de
H. Augustinus vertelt de H. Cyrillus, bisschop van Jeruzalem, wat hem werd
verteld door een man die uit de dood was opgewekt. Hij zei onder andere:
"Het moment waarop mijn ziel mijn lichaam verliet, ging gepaard met zoveel
vreselijke pijn en verdriet dat niemand zich de angst kan voorstellen die ik
toen heb doorstaan. Als alle denkbare leed en pijn bij elkaar zouden komen,
zouden ze als niets zijn in vergelijking met de marteling die ik heb ondergaan
bij de scheiding van ziel en lichaam. " En om zijn woorden te benadrukken,
voegde hij eraan toe: "U weet dat u een ziel hebt, maar u weet niet wat
het is. U weet dat geesten Engelen heten, maar u bent onwetend van hun aard. U
weet ook dat er een God is, maar je kunt Zijn wezen niet begrijpen. Zo is het
met alles wat geen lichamelijke vorm heeft. Ons begrip kan deze dingen niet
bevatten. Op dezelfde manier is het voor jou onmogelijk te begrijpen hoe ik zo'n
intense pijn kon lijden in zon kort moment. " En als sommige mensen het
meest vreedzaam overlijden kennen, is dit omdat de natuur, uitgeput door
lijden, niet langer de kracht heeft om met de dood te worstelen.
We weten uit het getuigenis van Onze Verlosser Zelf dat geen enkele pijn met de
pijn van de dood te vergelijken is. Hoewel Hij gedurende de hele tijd van Zijn
Lijden op een vreselijke manier werd gemarteld, moest toch het martelaarschap
dat hij onderging niet worden vergeleken met wat Hij leed op het moment van
zijn dood. Dit kunnen we lezen in het Evangelie.
In geen enkele periode in Zijn leven liet Onze Heer een angstkreet horen, zelfs
niet in de grootste pijn. Maar toen het moment kwam dat de meedogenloze hand
des doods Zijn hart zou verscheuren, lezen we dat Hij het uitschreeuwde met een
luide stem en de geest gaf. Daarom is het duidelijk dat Christus in geen enkele
periode van de passie zo geleden heeft als bij de scheiding van Zijn heilige Ziel van zijn gezegend Lichaam.
Opdat de mensheid op zijn minst tot op zekere hoogte zou begrijpen hoe
verschrikkelijk de dood was die Christus voor ons stierf, verordende Hij dat
wij bij onze scheiding iets van de bitterheid van Zijn dood zouden moeten
proeven. De H. Paus Gregorius vertelde hierover: "Het conflict van
Christus met de dood was een vertegenwoordiging van ons laatste conflict en
leerde ons dat de doodsangst de grootste pijn is die de mens ooit heeft gevoeld
of ooit zal voelen. Het is Gods Wil dat de mens zo intens moet lijden aan het
einde van zijn leven, zodat we de omvang van Christus 'liefde voor ons kunnen
erkennen en waarderen, het onschatbare voordeel dat Hij ons heeft verleend door
de dood te ondergaan omwille van ons. Want het zou voor de mens onmogelijk zijn
geweest om Gods oneindige liefde te kennen, tenzij hij ook tot op zekere hoogte
had gedronken van de bittere kelk die Christus dronk. "
In deze tekst uit de geschriften van de H. Paus Gregorius wordt ons geleerd dat
Christus verordende dat alle mensen in hun stervensuur dezelfde pijnen zouden
moeten lijden die Christus voor ons leed in Zijn laatste lijdensweg, zodat zij door
hun eigen ervaring, tot enige kennis zouden komen van de vreselijke dood die
Hij voor ons heeft doorstaan, en de grote prijs die Hij voor onze verlossing
heeft betaald. Hoe pijnlijk en vreselijk zal de dood voor ons zijn, als onze
dood in enige mate lijkt op de meest pijnlijke dood van Christus!
Hoe ernstig zal dit conflict zijn voor ons, arme stervelingen! Welke kwellingen
wachten ons in ons stervensuur! Men is bijna geneigd te denken dat het beter
zou zijn geweest om nooit geboren te zijn, dan geboren te zijn om zon lijden
te doorstaan. Maar zo moet de Hemel worden gewonnen, en alleen door deze nauwe
poort kunnen we het Paradijs binnengaan. Welnu, o christen, aanvaard uw
bestemming opgewekt en vorm een standvastige voornemen om onverbiddelijk de
bitterheid van de dood te dragen. Want het is een grote verdienste om het leven
op te geven en zich met een bereidwillige en gewillige geest te onderwerpen aan
de pijn van de dood. En om u aan te moedigen verdiensten te verwerven in uw
laatste ogenblikken, raad ik u aan de volgende beslissing te nemen om moedig te
sterven.
VOORNEMEN
O God van alle gerechtigheid, die heeft bepaald dat sinds de val van onze
eerste ouders alle mensen zouden sterven, en ook dat velen van ons in hun dood
iets zouden moeten proeven van de pijn die Uw Zoon doormaakte op het uur van
Zijn dood. Ik onderwerp mij heel graag aan dit strenge besluit. Hoewel het
leven mij lief is en de dood mij het meest bitter lijkt, accepteer ik uit
gehoorzaamheid aan U , vrijwillig de dood met al zijn pijnen, en ben ik bereid
mijn ziel op elk moment, op elke plaats en op gelijk welke manier aan Uw
voorzienigheid over te geven. En omdat U de dood zo bitter voor de mens hebt
gemaakt, zodat we door onze eigen ervaring tot op zekere hoogte kunnen voelen
hoe pijnlijk de dood van Uw geliefde Zoon was, aanvaard ik bereidwillig deze
doodstraf. Zo weet ik van mijn kant iets van de pijn die mijn gezegende Heer
voor mijn verlossing heeft geleden. Daarom wil ik mij ter ere van Zijn bitter
Lijden en Dood met een opgewekt gemoed onderwerpen aan gelijk welk lijden op
het moment van mijn vertrek, en verklaar ik mijn vastberadenheid om standvastig
dit lijden te dragen. Ik bid dat dit voornemen in Uw ogen aangenaam en is dat U
mij genade zult geven om mijn laatste lijden met geduld te verdragen. Amen.
II. Over de aanvallen van Satan in het stervensuur
Hoewel de dood op zichzelf het
meest bitter is, wordt haar bitterheid nog versterkt door de levendige
herinnering aan de zonden van ons voorbije leven, door de gedachte aan het
komende oordeel en aan de eeuwigheid vóór ons en door de aanvallen van Satan. Deze
vier zaken vervullen de ziel met zoveel angst, dat de ziel onuitsprekelijk
wanhopig zou zijn als ze niet werd versterkt met de hulp van God.
We zullen een toelichting op elk van deze vier zaken geven en ook wijzen op een
manier om de angsten die ze oproepen te bestrijden.
De rechtvaardige God staat Satan toe de ziel nog aan te vallen in het
stervensuur. Hij krijgt op dat moment nog grote macht om ons aan te vallen. Het
is niet voor onze verdoemenis, maar als beproeving.
Voordat de Christen afscheidt
neemt van dit leven, moet hij nog bewijzen dat niets hem kan raken en dat hij
resoluut voor God kiest. Om deze reden gebruikt de vijand alle macht die hij
heeft, en brengt al zijn krachten op een mens wanneer hij sterft, in de hoop
hem te laten zondigen en hem naar de Hel te sleuren. Gedurende ons hele leven
valt hij ons hevig aan en laat hij geen enkel middel onbeproefd om ons te
misleiden. Maar al deze vervolgingen zijn niet te vergelijken met de laatste
aanval waarmee hij ons uiteindelijk probeert te overwinnen. Dan raast hij, als
een brullende leeuw, op zoek naar wie hij kan verslinden.
Dit leren we uit de volgende tekst in het Boek Openbaring (Op 12): "Wee de
aarde en de zee, want de duivel is naar u toegekomen met grote toorn, wetende
dat hij slechts een korte tijd heeft." Deze woorden zijn in het bijzonder
van toepassing voor de stervenden, tegen wie de duivel een grote toorn opvat en
die hij tot het uiterste probeert te verleiden. Want hij weet heel goed dat als
hij ze dan niet in zijn macht krijgt, hij nooit meer de kans heeft om dat te
doen.
Dit zegt de H. Gregorius
hierover:
"Bedenk goed hoe vreselijk het uur van de dood is en hoe
verschrikkelijk de herinnering aan onze slechte daden op dat moment zal zijn.
Want de geesten der duisternis zullen ons alle schade in herinnering brengen die
we hebben berokkend, en deze geesten zullen ons ook herinneren aan de zonden
die we hebben gepleegd op hun aandrang. Ze zijn niet alleen aanwezig bij het sterfbed
van de goddelozen, maar ook bij het sterfbed van de uitverkorenen. Ze streven er
met alle macht naar om iets zondigs te ontdekken waarvan ze de stervenden
kunnen beschuldigen. Helaas, hoe zal het met ons ongelukkige stervelingen - geschieden
in het stervensuur, en wat kunnen we zeggen, als we de ontelbare zonden zien die
wij hebben gepleegd? Wat kunnen we onze tegenstanders antwoorden, wanneer ze al
onze zonden voor ons plaatsen, met als doel ons tot wanhoop te brengen?
De boze geesten zullen hun slachtoffer
in het stervensuur op verschillende punten verleiden, maar vooral met
betrekking tot de zonden waarin de persoon het vaakst is gezonken. Als hij
tijdens zijn leven haat tegenover iemand heeft gekoesterd, zullen ze voor zijn ogen
het beeld van die persoon oproepen, alles herhalen wat hij heeft gedaan om hem
te treffen, om de vlam van haat tegenover deze vijand opnieuw aan te steken. Of
als iemand die overspel heeft gepleegd, zullen ze de medeplichtige van zijn
zonde tonen en ernaar streven hartstochten op te wekken voor deze persoon. Als
hij twijfels heeft over het geloof, herinneren ze hem aan het geloofsartikel
dat hij moeilijk kon aanvaarden en zullen ze het hem als onwaar voorstellen. Als
een man de neiging heeft om wreed uit de hoek te komen, moedigen boze geesten deze
wreedheid in hem aan, zodat ze hem misschien beroven van zijn hoop op redding. De
mens die door trots heeft gezondigd en opschepte over zijn goede werken, zal
door de boze geesten gevleid worden en ze zullen hem verzekeren dat hij hoog in
aanzien staat van God, en dat na alles wat hij heeft gedaan, Hij niet kan
nalaten hem een plaats in de Hemel te verzekeren. Als een mens in zijn leven ongeduldig
was, waardoor hij boos en geïrriteerd is
door elke kleinigheid, laten de boze geesten zijn ziekte voor hem erg vervelend
lijken, zodat hij ongeduldig kan worden en in opstand komen tegen God omdat Hij
hem zon pijnlijke ziekte heeft gestuurd.
Of als hij lauw was in geloof,
zonder ijver in gebed of ijver in zijn religieuze oefeningen, proberen ze deze
staat van apathie in zijn ziel te handhaven, en hem te laten denken dat zijn
fysieke zwakte te groot is om hem zelfs toe te laten aan gebeden deel te nemen
die zijn vrienden hem voorlezen. Ten slotte verleiden zij degenen die een
goddeloos leven hebben geleid en herhaaldelijk in doodzonde verkeerden, tot
wanhoop, en laten ze hun overtredingen zo groot lijken dat ze denken dat ze op
geen vergeving moeten rekenen. Kortom, de boze geesten bestormen stervelingen
op het moment van overlijden het hevigst op hun kwetsbaarste punt, net zoals
een bekwame generaal een fort bestormt aan de kant waar hij de omwalling als
het zwakst inschat.
Maar duivels beperken zich niet
altijd tot het verleiden van een mens met betrekking tot zijn voornaamste zwakheden
en overheersende zonden; ze verleiden hem vaak tot zonden waaraan hij zich tot
nu toe niet schuldig heeft aan gemaakt. Want deze sluwe duivels sparen geen
moeite om de stervenden te misleiden, en als ze op de ene manier falen,
proberen ze op een andere manier. Deze verleidingen hebben geen gewoon
karakter. Ze zijn soms zo gewelddadig dat het voor zwakke stervelingen
onmogelijk is om hen te weerstaan zonder bovennatuurlijke hulp. Als iemand die
in goede gezondheid verkeert moeite moet doen om de aanvallen van de duivel te
weerstaan, en deze dikwijls door hen wordt overwonnen, hoe moeilijk moet het dan
zijn voor iemand die door ziekte verzwakt is om krachtdadig tegen deze vijanden
te vechten!
Op dit punt zegt een gelovige schrijver: "Tenzij de stervende mens
zich vóór zijn laatste ziekte tegen deze aanvallen heeft gewapend en de
gewoonte heeft aangenomen om strijd te voeren tegen zijn spirituele
tegenstanders, heeft hij op dat moment maar een kleine kans om hen te
overwinnen. Als hij overwint, dan is het alleen door de hulp van de Almachtige
God, van Onze Lieve Vrouw, van zijn Beschermengel of een van de Heiligen. Want Onze
barmhartige God en zijn Engelen en Heiligen laten de Christen niet in de steek
in zijn uur van uiterste nood. Zij komen hem onmiddellijk te hulp, op
voorwaarde dat hij Hun hulp verdient. Om je voor te bereiden op je stervensuur
om deze verleidingen te bestrijden is het aan te raden om de volgende gebed te
bidden:
O Jezus, meedogende Verlosser van de mensheid, ik
herinner me de drievoudige verleiding die U in de woestijn hebt ondergaan door
Uw kwaadaardige vijand. Ik bid U door de glorierijke overwinning die U over hem
hebt behaald, om mij te helpen in mijn laatste strijd en mij te versterken
tegen al zijn verleidingen. Ik weet dat ik niet op eigen kracht kan strijden
tegen deze machtige vijand en ik zal zeker de nederlaag ondergaan tenzij U of
Uw Heiligen mij tijdig hulp verlenen. Ik smeek U om Uw hulp en deze van Uw
Heiligen, en wil mij zo goed mogelijk wapenen met Uw genade, om de verleidingen
te weerstaan die mij wachten. Ik beloof nu, voor U en de H. Engelen en
Heiligen, dat ik mij nooit vrijwillig zal blootstellen aan enige verleiding,
van welke aard dan ook, maar deze met de hulp van Uw genade krachtig zal
bestrijden. Amen.
III. Over de verschijning van de Boze geesten
Naast hetgeen wat al is genoemd, maakt de vreselijke
verschijning van boze geesten de dood nog meer angstaanjagend voor ons. Volgens
veel Kerkvaders ziet degene die sterft de boze vijand, in elk geval op het
moment van zijn laatste ademhaling, zo niet eerder. Hoe erg dit vooruitzicht
is, en welke verschrikking het de stervende inboezemt, is niet uit te drukken
in woorden. Broeder Egidius kreeg toen hij in zijn cel aan het bidden was, een
verschijning van de duivel. Hij was er zo door geschrokken dat hij zijn geen
woord meer kon uiten en dacht dat zijn laatste uur was gekomen. Omdat hij niets
kon uitbrengen, hief hij zijn hart op in nederige smeekbede tot God en de verschijning
verdween. Toen hij later aan zijn medebroeders vertelde wat hem was overkomen,
trilde hij van kop tot teen toen hij een beschrijving gaf van de vijand van de
mensenziel.
Toen hij naar de H. Franciscus ging, stelde hij hem deze
vraag: "Vader, hebt u ooit iets op deze wereld gezien waarvan het zien
ervan zo verschrikkelijk was dat je niets kon uitbrengen? En de Heilige
antwoordde: "Ik heb inderdaad zoiets gezien; het is niets anders dan de
duivel, die zo walgelijk is dat niemand er zelfs maar voor een korte tijd naar
kan kijken en leven, tenzij God hem bijzonder daartoe in staat stelt ."
De H. Cyrillus schrijft ook aan de H. Augustinus dat een van de drie mannen die
uit de dood zijn opgewekt hem vertelde: "Toen het uur van mijn dood
naderde, kwamen er ontelbare duivels rond mij. Hun vormen waren
angstaanjagender dan wat men er zich ook maar bij kan voorstellen. Men zou
liever in het vuur worden verbrand dan gedwongen worden naar hen te kijken. Deze
demonen zweefden om me heen en betichtten mij van alle wandaden die ik ooit had
gedaan en brachten mij tot wanhoop. En eigenlijk was ik voor hen bezweken, als
God mij niet in Zijn genade te hulp was gekomen.
Hier hebben we de getuigenis van iemand die uit eigen
ervaring had geleerd hoe vreselijk de verschijning van de boze is, en die
verklaart dat er niets angstaanjagender is dan de vorm dat een duivel aanneemt.
O mijn God! Wat zijn de verschrikkingen overweldigend die
een stervende moet ondergaan, wanneer de helse draak vol woede verschijn ten
dreigt hem in zijn vurige kaken te verslinden.
O God, ik smeek U, zend
in mijn stervensuur mijn Beschermengel naar mij, zodat hij de boze en zijn
demonen verjaagt, anders zal ik bezwijken in wanhoop en alle hoop op mijn
redding verliezen. O gezegendste Maagd Maria, die het hooft van de slang heeft
verpletterd, sta mij bij in mijn stervensuur en laat niet toe dat de
aanwezigheid van de boze mijn eeuwige verdoemenis veroorzaakt.
IV. Over de vrees
voor de Hel
De dood wordt ons nog bitterder gemaakt door de angst
voor de Hel en het heldere beeld van de eeuwigheid dat voor ons ligt. Want
wanneer we ernstig ziek zijn en de dood ons in het gezicht staart, is de angst
dat ons vervult bij het vooruitzicht op de eeuwigheid zo overweldigend, dat we angstig
zijn. Want we zien duidelijk dat we over een paar dagen, of een paar uur,
misschien de eeuwigheid moeten ingaan, en we weten niet wat ons daar te wachten
staat. De angst dat we voor eeuwig verloren kunnen gaan is zo groot dat we bang
zijn.
Bovendien onze angst versterkt door de herinnering aan de
zonden waardoor we vaak de Hel hebben verdiend; want niemand kan zeker weten of
hij genoeg boete heeft gedaan en of hij werkelijk genade heeft verkregen. Dit wordt
verklaard door een tekst uit de geschriften van de eerder genoemde H. Paus Gregorius,
die deze angst als volgt beschrijft:
"De rechtvaardige man die zich echt zorgen maakt over zijn eeuwige
zaligheid zal van tijd tot tijd denken aan zijn toekomstige Rechter. Hij zal over
zijn leven mediteren voordat de dood hem overvalt. Als er geen grote zonden die
zijn geweten hem verwijt, heeft hij nog steeds reden tot ongerustheid wegens de
dagelijkse zonden waar hij misschien te weinig acht heeft op geslagen. Want hoe
vaak zondigen we niet in gedachten? Het is relatief gemakkelijk om slechte
daden te vermijden, maar het is veel moeilijker om iemands hart vrij te houden
van buitensporige gedachten. In de H. Schrift lezen we: Wee u die bedenkt wat
onrendabel is en kwaadaardig werkt in uw gedachten (Mich. ii. i). En nogmaals:
in uw hart bewerkt u ongerechtigheden (Ps. Ivii. 3).
"Daarom zijn de rechtvaardigen altijd bang voor het vreselijk oordeel van
God, want zij zijn zich ervan bewust dat al deze geheime zonden voor het
oordeel zullen worden gebracht, zoals de H. Paulus zegt: op die dag zal God de
geheimen der mensen oordelen (Rom. Ii 16) En hoewel een mens zijn hele leven
lang het goede pad zal bewandelen uit angst voor het oordeel, zal deze angst toenemen
naarmate hij dichter bij het einde van zijn dagen komt. Er wordt gezegd van Onze
Heer dat wanneer de tijd van Zijn dood naderde, Hij bedroefd begon te worden en
toen hij in doodsangst was bad hij langer. Was dit niet bedoeld om ons te leren
hoe we ons moeten gedragen in onze laatste dagen op aarde, en welk verdriet en
angst ons kunnen overweldigen ?"
Dat zijn de woorden van de H. Paus Gregorius, die niet alleen bedoeld zijn om
zondaars te inspireren, maar ook de rechtvaardigen omdat zoals de Heilige het
zegt: zelfs degenen die zich niet bewust zijn van ernstige zonden, moeten toch
bezorgd zijn tot de straf die hen zal worden opgelegd. Als de rechtvaardigen verontrust
kunnen zijn, wat kunnen wij - arme zondaars - dan doen? Wij weten dat wij
schuldig zijn aan vele overtredingen, en die elke dag zonde aan zonde
toevoegen. Wat zal er met ons gebeuren? Wat kunnen we doen? Is er geen middel
dat we kunnen gebruiken om Gods genade te verkrijgen? Ik ken geen betere raad
dan die welke Christus ons zelf geeft: "Waakt daarom, bid ten allen tijde,
dat u waardig geacht wordt te ontsnappen aan al deze dingen en dat u voor de Mensenzoon
kunt komen te staan."(Luke xxi. 36).
Omdat Christus ons op gebed wijst als het beste en gemakkelijkste middel, raad
ik iedereen aan deze aansporing trouw te volgen en beroep te doen op de
almachtige God en zijn Heilige Moeder, en op alle Heiligen. Smeek hen dag na
dag om de degenen in het stervensuur te beschermen en hen aan te bevelen in hun
laatste uur.
V. Over het oordeel
Boven alles wat we tot nu toe hebben overwogen die de
dood vreselijk maakt, is de gedachte dat we voor de rechterstoel van God moeten
komen en verantwoording afleggen over alles wat we hebben gedaan en nagelaten
hebben te doen. Hoe vreselijk dit oordeel is, leren we uit deze woorden van de
H. Paulus: "Het is een vreselijke zaak om in handen van de levende God te
vallen" (Hebr. X. 31). Want als het zelfs verontrustend is om in handen
van een boze mens te vallen, hoeveel verschrikkelijker zal het dan zijn om in
handen van een almachtige God te vallen!
Alle Heiligen trilden in afwachting van de straf die hun door God zou worden
opgelegd, want ze wisten heel goed hoe buitengewoon streng zijn oordeel is. De
koninklijke psalmist zegt: "Oordeel niet over uw dienaar, o Heer, want in
uw ogen is geen levende mens gerechtvaardigd " (Ps. Cxlii. 2).
En heilige Job roept uit: "Wat zal een sterveling zich rechtvaardigen bij
God? Als het Hem behaagt met hem te twisten, op niet 1 uit duizend geeft Hij
antwoord aan hem. (Job 9:2-3)
Opnieuw zegt de H. Paulus: "Ik ben mezelf nergens
van bewust, toch ben ik hierbij niet gerechtvaardigd; maar Hij die mij
oordeelt, is de Heer" (1 Kor. Iv. 4). We lezen ook in het leven van de Kerkvaders
dat de H. abt Agathon overweldigd was door angst toen zijn einde naderde. Zijn
broeders zeiden tot hem: "Waarom zou u bang zijn, eerwaarde Vader, u hebt
een zo vroom leven geleid?" Maar hij antwoordde: "Het oordeel van God
is heel anders dan het oordeel van de mens." De H. abt Elias zei ook:
"Er zijn drie dingen waar ik bang voor ben. Vooreerst vrees ik het moment
waarop mijn ziel mijn lichaam moet verlaten; ten tweede het moment waarop ik
voor het tribunaal van God moet komen en ten derde het moment wanneer de straf
over mij wordt uitgesproken. " Niemand kan het oneens zijn met deze
Heilige, want inderdaad, behalve het algemeen Oordeel, valt er niets zo veel te
vrezen als deze drie zaken. Alle goede Heiligen hebben ervoor gevreesd, allen
vrezen ze. Degenen die deze zaken niet vrezen, bewijzen dat ze heel weinig kennis over deze
zaken hebben of er nauwelijks hebben bij stil gestaan. Ten behoeve van iemand
die misschien zo onverlicht is, zal ik een korte instructie geven over het
onderwerp.
Overweeg allereerst wat een vreemde nieuwe sensatie het voor je ziel zal zijn,
wanneer ze gescheiden is van het lichaam in een onbekende wereld. Tot nu toe
kende zij geen bestaan los van het lichaam; nu is ze er plotseling van
gescheiden.
Tot nu toe bevond ze zich in de tijd; nu bevindt ze zich in de eeuwigheid.
Nu worden haar ogen voor het eerst geopend en ziet ze
duidelijk wat de eeuwigheid is, wat zonde is, wat deugd is, hoe oneindig het
wezen van de Godheid is en hoe wonderbaarlijk haar eigen aard is.
Dit alles zal haar zo wonderbaarlijk overkomen dat ze bijna versteld zal staan
van verbazing. Na het eerste moment van verwondering zal ze voor het
tribunaal van God worden gebracht, zodat ze verantwoording kan afleggen over al
haar daden; en de angst die de ongelukkige ziel dan zal aangrijpen, kunnen we
ons niet inbeelden.
Geen wonder dat de zondaar ineen krimpt bij de gedachte voor een tribunaal te
verschijnen waar hij zal worden veroordeeld voor al zijn wandaden en er zwaar
zal worden voor gestraft, tenzij hij er berouw over heeft! Zou hij niet liever
in een donkere kerker worden gegooid en worden gevoed met brood en water, dan
voor deze rechterstoel te moeten staan en beschaamd uitleg te moeten geven?
Als het zo hatelijk is dat een crimineel voor een aardse magistraat wordt
gebracht, dan zal de arme ziel zeker beven van angst wanneer ze in aanwezigheid
van God komt te staan. Hij is de strikte en alwetende Rechter, en de ziel wordt
verplicht om de meest nauwkeurige verklaring van alles te geven : van zijn gedachten,
woorden, daden en het nalaten ervan. De H. Job erkent dit wanneer hij zegt : "Alleen,
doe twee dingen niet met mij, dan hoek ik voor uw aanschijn mij niet te
verbergen: haal uw handpalm boven mij ver weg, en laat uw verschrikking mij
niet overvallen! (Job 13:20-21) Merk op dat zelfs de geduldige Job liever in
een duistere put zou liggen en verborgen zou zijn in een sombere, sombere grot,
dan te verschijnen voor het aangezicht van een boze God.
Er zijn zes dingen die de ziel angst aanjagen, wanneer ze
wordt opgeroepen tot het bijzonder oordeel.
(1) De ziel is bang omdat zij weet dat haar Rechter
alwetend is; dat niets voor Hem verborgen is, en dat Hij niet op een of andere
manier kan worden misleid.
(2) De ziel is bang omdat haar Rechter almachtig is;
niets kan Hem weerstaan en niemand kan aan Hem ontsnappen.
(3) De ziel is bang omdat haar Rechter niet alleen de
meest rechtvaardige, maar ook de meest onvermurwbare van alle rechters is, voor
wie zonde zo hatelijk is dat Hij niet zal toestaan dat de geringste
overtreding ongestraft doorgaat.
(4) De ziel is bang omdat de ziel weet dat God niet
alleen haar rechter is, maar ook haar aanklager; zij heeft Hem beledigd en Hij
zal Zijn eer verdedigen en elke belediging die hem wordt aangedaan wreken.
(5) De ziel is bang omdat ze zich ervan bewust is dat de
eenmaal uitgesproken straf onherroepelijk is; er is geen hoger beroep voor een
hogere rechtbank, het heeft geen zin om over de straf te klagen. Het kan niet
ongedaan worden gemaakt en of het nu ongunstig of gunstig is, men moet het
accepteren.
(6) De ziel is bang om voor de rechterstoel te
verschijnen, omdat ze niet weet wat de uitspraak van de Rechter zal zijn. Ze
heeft veel meer reden om te vrezen dan te hopen. En alle gedachte aan hulp is
nu voorbij. Voor altijd gered, of voor altijd verloren en verdoemd!
Deze zes punten vervullen
de ziel met zo'n onuitsprekelijke angst, dat als ze sterfelijk was in plaats
van onsterfelijk, ze bereid zou zijn om de meest wrede en gewelddadige dood te
sterven als een middel om eraan te ontsnappen.
Overweeg bovendien in welke vorm u voor uw Rechter zult verschijnen en hoe u
vanwege uw zonden in verwarring zult zijn. Als een mens als straf voor zijn
slechte daden wordt veroordeeld om naakt te staan in aanwezigheid van een hele
menigte, hoe schaamt hij zich dan! Maar als een of andere walgelijke zweer op
zijn lichaam zo openbaar zou worden, zou hij zich nog meer schamen. Zo zal het
met u zijn, wanneer u voor uw rechter
staat in de aanwezigheid van vele menigten Engelen. Niet alleen zullen al uw slechte
daden, gedachten, woorden en werken worden geopenbaard, maar al uw kwade
neigingen zullen aan u worden geopenbaard en u zult vreselijk beschaamd zijn.
U kunt niet ontkennen dat deze kwade neigingen zich aan u vastklampen, want u
bent onderhevig aan woede, ongeduld, wraak, haat, afgunst, trots, ijdelheid,
sensualiteit, luiheid, hebzucht, zelfliefde, gierigheid, het wereldse en alle
kwaadaardigheid? Deze en andere slechte neigingen kleven aan uw ziel, en
misvormen het zo vreselijk, dat u na de dood zult schrikken bij het zien van uw
eigen ziel, en beschaamd zult zijn voor alle smet erop.
Overweeg vervolgens hoe uw heilige Rechter u zal ontvangen, wanneer u voor Hem
verschijnt, niet alleen beladen met ontelbare zonden, maar in een staat van
onbeschrijflijke onzuiverheid. U zult in de grootste verwarring voor Hem staan,
niet wetend naar welke kant te kijken. Onder uw voeten ligt de Hel; boven u is
het boze gelaat van uw Rechter. Naast u ziet u de demonen die er zijn om u te
beschuldigen. In uw innerlijk ziet u al uw zonden en wandaden. Het is
onmogelijk om uzelf te verbergen. Deze blootstelling is werkelijk ondraaglijk.
Dit zou een geschikte
tijd zijn om uit te leggen hoe de vijand u zal beschuldigen, hoe hij al uw
zonden aan het licht zal brengen en op hen de wraak van God zal aanroepen; en
ook hoe de rechtvaardige God het meest nauwkeurige verslag van al uw daden zal
eisen.
Maar het is zo vaak het onderwerp van predikers geweest, dat ik omwille van de
beknoptheid niet hierop zal ingaan, maar besluit met de volgende anekdote.
Twee goede vrienden waren het erover eens dat wie van de twee ooit zou sterven,
aan de overlevende zou moeten verschijnen, op voorwaarde dat God hem dat had
toegestaan. Toen een van beide door de dood werd meegenomen was hij trouw aan
zijn belofte en verscheen hij aan zijn vriend, maar met een treurig aspect,
zeggend: "Niemand weet het! Niemand weet het! Niemand weet het!"
"Wat weet niemand?" vroeg zijn vriend.
En de geest antwoordde: "Niemand weet hoe streng het oordeel is van God,
en hoe streng Zijn kastijding!"
|