|
Bryan
Melvin was in de Hel

In 1980 was ik een stoere kerel. Ik dronk veel en feestte
veel. Ik was verhuisd naar Tuczon Arizona en werkte op een werf in de buurt.
Een van de mannen had water meegebracht uit Mexico en het was besmet. Ik dronk
er per ongeluk van en werd heel ziek. Ik kreeg cholera, en lag ong 72 uur plat
en raakte uitgedroogd. Toen verloor ik het bewustzijn. Ik ben bijziend en draag
een bril, maar niettegenstaande ik mijn bril niet op had, kon ik duidelijke in
de kamer kijken. Toen ik mijn hoofd omdraaide, bemerkte ik dat mijn lichaam
niet bewoog. Ik was uit mijn lichaam getreden. Ik zweefde boven mijn lichaam.
Het volgende ogenblik drong ik doorheen het plafond van de kamer. Ik werd in
een zeer donkere leegte gevoerd. Ik kon iemand horen spreken tot mij, zoals op
een telepathische manier en hij legde mij vele dingen uit die ik mij niet meer
kan herinneren, maar het ging over de vele waaroms in het leven: waarom was er
kwaad in de wereld enz. Het ging over de vele vragen die mensen zich de hele
tijd stellen. Deze werden beantwoord als je in de leven werd gebracht en je op
de plaats kwam waar het licht was. Je wist wat er met je gebeurde, je wist wat
er gaande was. Je wist wat er gebeurt als je sterft. Je weet dat je geoordeeld
zal worden. Alles wat op je tocht krijgt te horen, wordt ze duidelijk voor je
gemaakt dat wat er gebeurt perfect rechtvaardig voor je is.
Ik ging door de duisternis en kwam bij het licht dat er
aanwezig was. Ik bemerkte dat er een rots was en op deze rots was er een enorm
grote troon dat zich te midden van deze duisternis bevond. Er was een persoon
die op een troon zat. De persoon die erop zat straalde een zeer krachtig,
helder licht uit. Er was veel liefde en ook barmhartigheid, maar ook een
standvastigheid en redelijkheid die uitging van deze persoon. Ik ging naar hem.
Er kwam een gedachte boven : Kijk wat je gedaan hebt met Gods gave. Het was
eigenlijk Jezus die tot mij sprak en zei: Als Ik je in de Hemel binnenlaat met
wat je nu weet en Ik ben enkel perfect, dan zou je dat misbruiken en de zonde
levend houden in de Hemel. Je kunt niet binnenkomen. Het werd mij verleend om
een onbekend Land te zien, dat het best vergeten wordt, maar niet ongezien zal
blijven. Toen nam hij allemaal sleutels uit zijn gewaad. Toen Hij ze
bovenhaalde kon je het litteken zien waar de nagels waren geweest, in de pols
waar de botten werden opzij getrokken. Het ziet er traumatisch uit. De sleutels
hadden eigenaardige vormen en afmetingen. Hij ging naar een plaats en stak zijn
sleutel in een poort. Ze ging open en dan kwam er een gordijn van duisternis overheen.
Het was opnieuw donker en Ik kon niet alles zien. Al wat ik kon zien was de
Heer. Ik werd naar deze deur gevoerd en kwam in een leegte terecht. Het was in
een tornadokolk en draaide maar rond. Het was een tunnel dat eindeloos
ronddraaide. Het stonk er verschrikkelijk, ik hoorde het geschreeuw. Ik
herinner mij het meest het lawaai van geslurp en geschreeuw.
Ik kon de hitte voelen. Het volgende was dat ik door de
lucht viel en op de grond viel. Ik had wat pijn en stond recht. Waar ben ik?
Ik zag al deze mensen uit de plaats rennen. Het leken mensen waarvan ik wist
dat ze dood waren, maar er waren ook mensen waarvan ik wist dat ze niet dood
waren. Ze kwamen rond mij staan en gaven mij klopjes op de rug. Ze waren
ongelooflijk snel en kwamen van ver. Ze verwelkomden mij daar, maar er was
precies iets niet pluis met hen, omdat ze er vreemd uitzagen. Ze hadden gele huid
en hun ogen waren reptielachtig. Ik zag precies mijn beste vriend die
veranderde in iemand anders. Ik zei hem: Dit kun je niet doen, dit is niet wie
je zegt dat je bent. Wie ben je? Ik keek rond en ik zag dat al de mensen die
rond mij stonden geen mensen waren. Ze veranderen in de lelijkste wezens dat ik
ooit heb gezien. Net zoals sommige afschuwelijke rottende groenten, ze waren
verwrongen en zagen er niet perfect uit. Het waren vuile stinkende wezens. Ze
kwamen op mij af en ze wilden mij verscheuren. De ene probeerde mij vast te
grijpen bij mijn borst, de andere bij mijn been. Terwijl ze mij verscheurden
trokken ze zich terug en degene die op mijn beste vriend leek en liep naar
verschillende mensen, kwam naar mij. Hij siste, hij leek op een halve
dinosaurus. Het was een reptiliaans type van wezen dat naar mij siste en
spuugde naar mij. Hij zei iets, maar sprak in een taal dat ik eerst niet
begreep. Het sprak in gebroken Engels en zei om het wezen te volgen. Hij nam
een paar stappen en plotseling bevonden we ons aan het einde van de horizon.
Het lijkt geen steek te houden, maar we kwamen op wat de horizon leek. Hij kon
niet verder dan daar, en ik begreep niet waarom. Ik kon een grote uitgestrekt
veld zien. Het wezen stak zijn hand in de verloren horizon en scheurde het open
zoals een gordijn. Hij stapte eruit en ging op een weg en zei mij te volgen.
Voor ik het wist bevond ik mij op een brede stofferige effen weg. Ik kwam uit
een cel, een kubus, het was ongeveer 9m2, het kon ook of 16m2 zijn. Er waren
cellen naast en onder deze cel. Het was een soort hol. Er waren zo 6 cellen tot
het plafond van deze plaats. In de muren bevonden zich mensen in cellen. Ik
keek binnen deze cellen, sommigen waren leeg, in anderen bevonden zich mensen
die aan het wachten waren tot er mensen kwamen.
Ik kreeg telkens een andere persoon te zien die zich in
zijn cel bevond, het was alsof ze delen van hun leven steeds opnieuw beleefden.
Maar het was niet op een plezante manier, het was zoals een levende
nachtmerrie. En toen we verder liepen besefte ik dat de hel een enorme grote
plaats was. Er zijn vele andere delen in de hel dat ik niet gezien heb. Ik zag
enkel de plaats, die de put wordt genoemd.
Ik werd toegelaten om je dit te laten zien, hij zei :volg
mij naar het midden van de weg. Er liepen demonen en wezens rond. En opeens bevonden
al deze mensen zich in verschillende soorten van martelingen en sommige van
deze demonische wezens die in deze cellen waren, gingen zo binnen en vielen
mensen op verschillende manieren aan. Maar voor de mensen leken deze wezens
zoals andere mensen op bepaalde momenten in hun leven en ze leken zoals
demonen. De ergste nachtmerrie was dat ze leefden. We liepen naar een andere
cel en keken binnen, en er was een mens binnen. Het deed mij denken aan een oud
zeilschip. Deze man was een kapitein van een schip geweest en hij werd
gegeseld. Dingen dat hij deed op zijn oude zeilschip, maar hij deed het uit
plezier met deze mensen omdat het zijn schip was en hij vond er plezier in om
zijn bemanning te terroriseren. Het kwam nu als een straf op hem gericht.

Er was een wezen dat keek naar mij, die zich eerst in een
cel bevond. Het was een groter wezen, en de persoon die ernaar keek was kreeg als
vele gezichten te zien die rondkeken, maar het was een mooi purperen kleur,
zoals een mooi wezen maar tegelijk afschuwelijk. Zijn gezichten draaiden rond
op een zeer verleidelijke wijze, zeer vleiende wijze, zeer overtuigend. Het
probeerde gedachten in je geest te planten. Het probeerde je te vertellen
waarom zon goede God zou toelaten dat mensen zo lijden op die manier. Het
probeerde mij aan te zetten om God te vervloeken.
Ik weet niet wie de demonisch wezen was, maar het had grote
macht en autoriteit. Het was ofwel de tweede in leiding, of satan zelf. Er was
een draaikolk aan het draaien en er kwam een vrouw aan die juist was gestorven
in een auto-ongeluk. Ze werd daar geplaatst. Ik zag toen ze aankwam en in haar cel
zag ik een illusie van haar grootmoeders boerderij. Ze hield zo van de
boerderij van haar grootouders toen ze opgroeide. Haar grootmoeder was onlangs
overleden. Ze kwam terecht in de cel van haar grootmoeder en onmiddellijk dacht
ze dat ze in de Hemel was, omdat daar haar grootmoeder was die daar wandelde.
De grootmoeder was feitelijk een demon die de illusie gaf van haar grootmoeder.
Ze zei: Lievertje, je bent in de hemel geraakt, ik ben zo blij. Ze dacht echt
dat ze in het Paradijs was. Maar er was een duistere kant aan haar. Ze wou haar
kinderen maken zoals zij hen wilde zijn, haar kinderen wilden echter iets
anders. Ze sloeg met de vuist, of het was verbaal misbruik als de kinderen niet
deden wat ze wilde. Als ze neer zat was ik aan het kijken en de drie wezens
grepen haar vast. Toen realiseerde ze zich dat ze niet in het Paradijs was.
Toen we voorbij sommige cellen gingen, zaten er mensen aan de kant en ze waren
gevangen in vlammen.
Het was alsof hun huid nog intact was, maar toch brandde.
Er was een persoon die biljart speelde. Hij was een seriemoordenaar die kinderen
had gedood. Hij had in de 40iger jaren geleefd. Maar hij was in een zaal zijn biljartspel
aan het spelen vooraleer de straffen opnieuw begonnen. Hij dacht dat hij een
rustpauze had. De mensen in de cel kwelden hem, kwamen en gingen terug weg. Ze
grepen hem vast, verscheurden hem. Uit de lucht kon ik een heel grote demon
naar beneden zien komen. Hij deed mij denken aan een slang, hij slokte hem op
en slikte hem in. Dan kwamen andere kleine demonen en zeiden: Dat is niet
eerlijk, we hebben onze kans met hem nog niet gekregen. Braak hem opnieuw uit.
Hij was weer heel. Ik weet dat dit werkelijk vreemd klinkt, maar dit was wat
gebeurde. Dan kwamen de andere kleine demonen, van ongeveer 1 m groot. Ze
sprongen op hem en hij was machteloos. Ze sloegen, en gebruikten hun klauwen,
en er was geen rust voor deze man. Het was een voortdurende marteling. Wat hij
ooit had gedaan werd vergeld.
Ik kwam bij een cel. Ik zal een vrouw die gekleed was in
een fijn gewaad. Ze was eigenlijk een tempelprostituee geweest. Ze was iemand dat
was gestorven omstreeks 69 n. Chr. In haar religie was er iets vreemds: wanneer
je een pasgeboren zoon had, kon je hem offeren in een beeld met vlammen. Je
moest de baby op het beeld leggen en zo werd de baby gekookt. Zo bevond ze zich
in deze tempel waar ze onophoudelijk gemarteld werd. Het was alsof al de kleine
babys die ze had verbrand haar
martelden. Ook anderen waren haar aan het kwellen, bespotten, hun klauwen in
haar aan het zetten, haar verscheurden en ze schreeuwde. Ik moest terug verder.
Er was een vrouw die zwarte magie beoefende. Ik wist dat ze
een heks was, maar ze was vele, vele honderden jaren geleden gestorven. Ze zat
gevangen in een doodskist en probeerde er al krabbend uit te geraken. Ze kon er
niet uit, ze was al honderden jaren lang in die positie. Toen ze erin slaagde
ze te openen kwamen al de demonen op haar met hun klauwen. We gingen naar een
andere cel in de rij en keken erin. Er was een andere vrouw die geloofde dat
Moeder Aarde haar kon redden en dan vereerde ze de bomen en de rotsen omdat ze
in een natuurreligie was. Een deel van die praktijk bestond op de velden te lopen
en te dansen rond een vuur met een groep andere mensen. De mensen waarvan ze
dacht dat ze bij haar waren, waren demonen en kwamen naar haar en zeiden: Je
hebt dit gedaan en ze namen een steen en zeiden denk je dat de steen je zal
redden hier? en ze sloegen haar ermee. De demonen grepen haar vast en rukten
haar tong uit haar mond. Als je iets slechts zegt zullen de stenen je niet
redden, niemand kan je redden. Dan namen ze haar huid en pelden de huis eraf.
Het was traag en beangstigend, tot er niets anders over bleef dan beenderen, en
dan namen ze de beenderen en braken de beenderen terwijl ze alles voelde. Dan
kwam alles terug in haar lichaam, het vlees kwam terug tot een geheel, en dat
begon alles opnieuw. Er gebeurde een verschillende scene.
Sommige van de wreedste mensen op aarde waren daar. Ik
vermeld niet graag namen van mensen, maar deze persoon is zeker daar en
iedereen weet het. Het is Hitler. Hitler zat in een cel. Het was open en er
waren brandende vlammen. Hij zat daar, brandend. Zijn huid brandde niet, maar
hij had een afgrijselijke blik op zijn gezicht. Het was alsof hij brandde in
het vlees en het rotte. Hij voelde elk stukje ervan. Het was alsof elke oven
van de gaskamers van de concentratiekampen hem verbrandde, al de martelingen
dat er gebeurd waren kwamen op hem terecht. Een intense vlammende, opgestookte
withete hitte, die tegelijk zijn vlees deed wegrotten. Het verteerde hem tot
as, en kwam terug om terug gemarteld te worden. Er was nog een vreemde blik in
zijn ogen, dat woede, boosaardigheid
Bryan vertelt hoe hij voor een ogenblik dacht dat hij in de
hel gevangen zat voor eeuwig.
We wandelden in een ander deel van de Hel, tegen het
achterste van de uitsparingen van de muur. Het was nog een deel van de diepe
donkere put. We kwamen aan de put waar een openstaande cel was en daarin bevond
zich een demon die probeerde mij in de cel te krijgen op wat leek als een
tandartsstoel. Ik ben niet bang voor een tandartsstoel, maar met al deze
afschuwelijke wezens erin die zeiden: Hier ga je naartoe. Ze willen je in
deze celen probeerden mij er in te krijgen. Bryan heeft het moeilijk. Dit
deel is heel moeilijk voor mij, want je moet begrijpen dat je zo bang bent. De
hele tijd ben je aan het zeggen: Jezus Christus. Ik was zoveel keer zijn naam
aan het zeggen dat het allemaal wazig werd. De hele tijd voelde ik een
verbinding met iemand van boven, de Heer en dan kon ik plotseling iets voelen
komen rond mij. Ik was zo verschrikt dat ik niet kon uitmaken wat het was. Je
kunt de voetstappen voelen die achter je lopen, de grond dondert, de kleren kon
je horen ritselen. Ik was te bang om mij om te draaien om te zien wie het was.
Ik wilde niet dat deze dingen mij zouden vastgrijpen. Ze kwamen plotseling op
mij af en wanneer de aanwezigheid juist achter mij stond, vluchtten ze uiteen
en het purperen grote demonisch wezen of vorstelijk type deinsde wat achteruit,
boog en maakte zich uit de voeten, of beter gleed weg in de mist, in de
duisternis van de hel. Het was Jezus die mij oppikte. Dit is het deel dat ik zo
duidelijk herinner. Hij nam mij vast in zijn armen. Ik kon zien dat ze Hem hadden
gekruisigd, ze hadden zijn beenderen uiteen getrokken. Hij droeg mij en we zweefden
door de lucht, door het centrum van de bodemloze put. We gingen recht omhoog. Ik
herinner mij flarden dat ik naar een ziekenhuis werd genomen en wakker werd in een kamer in het ziekenhuis.
Verpleegsters duwden eens om mij wakker te maken en ik probeerde te ademen door
een machine. Ik greep de dokter vast en zei; Ik ben niet in een cel. Ze
zeiden ; Nee hoor, je bent in het ziekenhuis. Ik was niet langer atheïstisch,
God bestaat, er is een Hemel en er is een Hel.
|