|
DEEL 2 - De vereniging van de gelovigen met
Christus
Wij wensen hier te spreken over onze vereniging met
Christus in het lichaam van de Kerk; een vereniging, die - zoals Augustinus
zegt - iets is van verborgen, goddelijke grootheid, en die juist daarom door
sommigen verkeerd wordt verstaan en uitgelegd. Op de eerste plaats is het
duidelijk, dat zij zeer innig is: want de heilige boeken vergelijken haar niet
alleen met de huwelijksband, met de levenseenheid tussen wijnstok en ranken, en
met het samenstel van ons lichaam; maar beschrijven haar ook als zó innig, dat
Paulus zegt: "Christus is het hoofd van het lichaam der Kerk"
(Kol. 1, 18). Jezus vormt met Zijn maatschappelijk lichaam één enkele mystieke
persoon, of zoals Augustinus zegt: de gehele Christus.
Jezus vergelijkt in Zijn hogepriesterlijk gebed deze
vereniging met de eenheid, waardoor de Zoon in de Vader is en de Vader in de
Zoon.
Hogepriesterlijke gebed : Hier bidt Jezus tot Zijn Vader voor Zijn arrestatie dat leidt
tot Zijn Kruisdood. Hier bidt Hij voor de eenheid van alle gelovigen: Johannes
17:20-26 Niet voor hen alleen bid Ik, maar ook voor hen die door hun woord in
Mij geloven, opdat zij allen één mogen zijn zoals Gij, Vader, in Mij en Ik
in U: dat ook zij in Ons mogen zijn opdat de wereld gelove, dat Gij Mij
gezonden hebt. Ik heb hun de heerlijkheid gegeven, die Gij Mij geschonken
hebt, opdat zij één zijn zoals Wij één zijn: Ik in hen en Gij in Mij,
opdat zij volmaakt één zijn en de wereld zal erkennen, dat Gij Mij hebt
gezonden en hen hebt liefgehad, zoals Gij Mij hebt liefgehad. Vader, Ik
wil dat zij die Gij Mij gegeven hebt met Mij mogen zijn waar Ik ben, opdat zij
mijn heerlijkheid mogen aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt, daar Gij Mij
lief hebt gehad vóór de grondvesting van de wereld. Rechtvaardige Vader,
al heeft de wereld U niet erkend, Ik heb U erkend, en dezen hier hebben erkend
dat Gij Mij gezonden hebt. Uw naam heb Ik hun geopenbaard en Ik zal dit
blijven doen, opdat de liefde waarmee Gij Mij hebt liefgehad, in hen moge zijn
en Ik in hen.
ARTIKEL 1 - Maatschappelijke en juridische
banden
Omdat de Kerk een volmaakt maatschappelijk lichaam vormt,
moet er eenheid bestaan tussen alle ledematen, en in hun gemeenschappelijk
streven naar één en hetzelfde doel. Het doel is het allerhoogste: namelijk de
voortdurende heiliging van de leden van dat lichaam tot eer van God en van het
Lam, dat is geslacht (Hand. 5, 12.13). Ook de bron is geheel goddelijk: niet alleen
het raadsbesluit van de Vader en de werkdadige wil van Jezus, maar ook de
bezieling en aansporing van de H. Geest in onze harten.
De Kerk van Christus moet volgens de wil van de Stichter
zichtbaar zijn, en ook de eensgezindheid van alle leden moet zich naar buiten
tonen, zowel in de belijdenis van éénzelfde geloof en in de deelname aan
dezelfde sacramenten en hetzelfde offer, als door het ijverig onderhouden van
dezelfde wetten. Maar vooral is het noodzakelijk, dat er een opperste hoofd is,
voor allen duidelijk zichtbaar: namelijk de plaatsbekleder van Jezus Christus
op aarde. Want zoals Jezus de Geest van de waarheid, zond om in Zijn plaats de
verborgen leiding van de Kerk op Zich te nemen, zo heeft Hij aan Petrus en zijn
opvolgers bevolen op aarde in Zijn plaats het zichtbaar bestuur van de
christelijke gemeenschap uit te oefenen.
ARTIKEL 2 - De goddelijke deugden
Er is nog een andere grond van eenheid, en die vloeit voort
uit de drie deugden die ons innig met elkaar en God verbinden: het christelijk
geloof, de hoop en de liefde.
a. Het geloof
"Eén Heer en één geloof" (Ef. 4, 5) zegt
Paulus. Het geloof waardoor wij de ene God aanhangen en Hem die Hij gezonden
heeft, Jezus Christus.
Hoe nauw wij verder door dit geloof met God worden verbonden,
leren ons de woorden van Johannes: "Al wie belijdt, dat Jezus de Zoon
van God is, in hem blijft God en hij blijft in God." (1 Joh. 4, 15) En
niet minder innig worden wij door dit christelijk geloof onderling en met ons
goddelijk Hoofd verenigd. Want wij allen, die geloven en "dezelfde
geest van geloof bezitten" (2 Kor. 4, 13), worden door hetzelfde licht
van Christus overstraald, door dezelfde spijs van Christus gevoed, door
hetzelfde gezag en hetzelfde leerambt van Christus bestuurd. En als in ons
allen dezelfde geest van geloof bloeit, dan "leven wij" allen
ook eenzelfde leven "in het geloof aan de Zoon Gods, die ons heeft
liefgehad en zichzelf voor ons heeft overgeleverd"; en dan zal Christus
ons hoofd, die door het levend geloof in ons kwam en in onze harten woont, de
voltooier zijn van ons geloof.
b. De hoop
Maar zoals wij hier op aarde door het geloof God aanhangen
als de bron van de waarheid, zo verlangen wij ook naar Hem door de hoop als
naar de bron van redding, "in de verwachting van de zalige hoop en van
de openbaring der glorie van onze grote God." (Tit. 2, 13) Met het oog
op dit gemeenschappelijk verlangen naar het hemels rijk, zei Paulus: "Eén
lichaam en één Geest, zoals ge geroepen zijt in één hoop als bekroning van uw
roeping" (Ef. 4, 4).
c. De liefde tot God en tot Christus
"God is liefde en wie in de liefde blijft, blijft
in God en God in hem." (1 Joh. 4, 16) God heeft ingesteld dat deze
liefde ervoor zorgt, dat Hij als het ware verplicht is uit wederliefde neer te
dalen in ons, die Hem beminnen, volgens het woord: "Indien iemand Mij
bemint,... zal ook de Vader hem beminnen, en Wij zullen tot hem komen en ons
verblijf bij hem nemen." (Joh. 14, 23) De liefde verenigt ons dus nauwer
dan enige andere deugd met Christus. Door haar hemelse gloed ontstoken hebben
vele kinderen van de Kerk met blijdschap voor Hem versmading verduurd en tot
aan hun laatste ademtocht en het vergieten van hun bloed alles, zegevierend
voor Hem verdragen. Daarom spoort Jezus ons aan: "Blijft in Mijn
liefde." En omdat de liefde leeg is, als zij zich niet toont en in zekere
zin werkelijkheid wordt door goede daden, daarom voegt Hij er onmiddellijk aan
toe: "Als gij Mijn geboden onderhoudt, zult ge in Mijn liefde blijven,
zoals ook Ik de geboden van Mijn Vader onderhouden heb en in Zijn liefde blijf."
(Joh. 15, 9)
ARTIKEL 3 - De naastenliefde
Aan deze liefde tegenover God en Jezus moet de liefde
tegenover onze naaste beantwoorden. Want hoe kunnen wij Jezus beminnen, indien
wij hen haten, die door Zijn kostbaar Bloed verlost zijn om ledematen te kunnen
worden van Zijn mystiek lichaam? Daarom vermaant Johannes ons: "Zo
iemand zegt: Ik heb God lief, maar zijn broeder haat, is hij een leugenaar. Wie
zijn broeder niet bemint, die hij ziet, hoe kan hij God, die hij niet ziet,
liefhebben? En dit gebod hebben wij van God, dat wie God bemint, ook zijn
broeder moet beminnen." (1 Joh. 4, 20.21) Wij zullen meer met God en
Jezus verenigd zijn als wij inniger elkaars ledematen worden (Rom. 12, 5), voor
elkaar bezorgd zijn (1 Kor. 12, 25). Zoals het ook vast staat dat wij meer met
elkaar door liefde verbonden zullen zijn, als wij door vuriger liefde met God
en Jezus zijn verenigd.
ARTIKEL 4 - Christus omvat ons met oneindige
kennis en eeuwige liefde
Vóór het begin van de wereld heeft de eniggeboren Zoon van
God ons in Zijn eeuwige en oneindige kennis en liefde omhelsd. Om die liefde op
zichtbare wijze te openbaren, heeft Hij onze natuur in de hypostatische
vereniging aangenomen; zoals Maximus van Turijn bemerkt: "in Christus ons
eigen vlees ons liefheeft."
Deze liefdevolle kennis, waarmee vanaf het eerste ogenblik
van Zijn menswording Jezus ons omvatte, gaat onze menselijke geest te boven,
want door de zalige aanschouwing, die Hij in de schoot van de Moeder Gods reeds
genoot, staan alle ledematen van het mystieke lichaam Hem voortdurend en altijd
voor de geest, en omhelst Hij hen allen met Zijn heilbrengende liefde. In de
kribbe, aan het kruis, in de eeuwige heerlijkheid van de Vader omvat Christus
met Zijn kennis en liefde alle leden van de Kerk veel inniger dan een moeder
het kind in haar schoot of dat iemand zichzelf bemint.
ARTIKEL 5 - De Kerk: de volheid van Christus
De hele werking van de Heilige Geest in de zielen ook
moeten worden beschouwd als door Christus verricht. "Wie de Geest van
Christus niet heeft", zegt de Paulus, "behoort Hem niet toe:
maar zo Christus in u is,... leeft de geest omwille van de gerechtigheid."
(Rom. 8, 9.10)
ARTIKEL 6 - De inwoning van de Heilige Geest
Deze meedeling van de Geest, van Christus heeft tot gevolg,
dat alle gaven, deugden en charismata, in alle leden van de Kerk uitstromen en
in hen volgens de plaats, die zij in het mystieke lichaam van Jezus Christus
innemen, voortdurend tot grotere volmaaktheid komen. Hierdoor wordt de Kerk de
volheid en de aanvulling van Jezus en wordt Jezus in alles in de Kerk vervolledigd.
Hiermee komen wij aan de reden, waarom het mystieke hoofd
(Jezus) en de Kerk (de andere Christus die hier op aarde Zijn plaats inneemt),
één nieuwe mens vormen en in wie bij de voortzetting van het verlossingswerk
van het kruis hemel en aarde worden verenigd: nl. Jezus Christus, hoofd en
lichaam, de gehele Christus.
a. Het begrip van deze leer
Het begrip van deze leer over onze eenheid met Jezus en de
inwoning van de H. Geest in de zielen wordt bemoeilijkt door de zwakheid van
onze geest.
b. Het gaat over een geheim. De ware methode
Het gaat hier over een verborgen geheim, dat wij op aarde
nooit volledig kunnen doorgronden. De goddelijke Personen wonen in de ziel;
maar de wijze waarop dit gebeurt, gaat alle natuur te boven. Paus Leo XIII
heeft, toen hij sprak over onze vereniging met Christus en over de inwoning van
de H. Geest in onze zielen, de ogen gericht op de hemelse aanschouwing, waarin
deze geheimzinnige vereniging eenmaal haar volkomen en volmaakte vervulling zal
vinden. "Deze wonderbare verbondenheid, die inwoning genoemd wordt,
verschilt alleen in toestand van die, waardoor God de zaligen in de hemel
omsluit."
Die aanschouwing zal ons, wanneer de ogen van onze geest in
de Hemel zijn versterkt, in staat stellen op onuitsprekelijke wijze de Vader,
de Zoon en de Heilige Geest te aanschouwen en getuigen te zijn van het
voortkomen van de goddelijke Personen, en zij zal ons vervullen met een vreugde,
die het geluk uitmaakt van de allerheiligste Drie-eenheid.
ARTIKEL 7 - De Eucharistie: teken van eenheid
De innige vereniging van het mystiek lichaam van Christus
met het Hoofd zou niet volledig zijn als we de H. Eucharistie niet zouden
vernoemen, waardoor deze vereniging op aarde haar hoogtepunt bereikt.
Jezus heeft gewild dat deze band, die ons met elkaar en met
ons goddelijk Hoofd verenigt, op bijzondere wijze aan de gelovigen zou worden
aangeduid door het eucharistisch offer. Want daar nemen de bedienaars de plaats
in van Jezus en van heel het mystieke lichaam en van de afzonderlijke
gelovigen; en de gelovigen zelf, in gemeenschap van verlangens en gebeden innig
met de priester verbonden, dragen daar door diens handen aan de eeuwige Vader
het onbevlekte Lam op, dat door de woorden van de priester alleen op het altaar
tegenwoordig is als een welgevallig offer van lof en verzoening voor de noden
van geheel de Kerk. En evenals onze goddelijke Verlosser, stervend aan het
kruis, Zichzelf als het hoofd van geheel het menselijk geslacht aan de eeuwige
Vader heeft opgedragen, zo draagt Hij "in deze reine offerande"
(Mal. 1, 11) aan de Vader niet alleen Zichzelf op als hoofd van de Kerk, maar
in Zich ook Zijn mystieke ledematen, die Hij allen, zelfs de zwaksten en
gebrekkigsten, liefdevol in Zijn hart sluit.
Het sacrament van de Eucharistie biedt een afbeelding van
de eenheid der Kerk - het brood, dat wordt geconsacreerd, wordt uit vele
graankorrels tot één, schenkt ons de oorsprong zelf van de hemelse genaden,
opdat wij uit Hem die liefdesgeest zouden putten, waardoor wij niet langer ons
eigen leven, maar dat van Christus leven, en in alle leden van Zijn
maatschappelijk lichaam Jezus zelf beminnen.
Als er in onze tijd velen zijn, die Christus, de onder de
eucharistische gedaanten verborgen Heer, zo trouw aanhangen, dat noch kwelling,
noch benauwdheid, noch honger of naaktheid, noch gevaren of vervolging of het
zwaard hen van Zijn liefde kunnen scheiden, dan zal ongetwijfeld de heilige
Tafel, ook de bron van kracht kunnen worden, die christelijke helden kan
verwekken en voeden.
HOOFDSTUK 1 - Dwalingen in verband met het
geestelijk leven
ARTIKEL 1 - Vals mysticisme
Er is een dwaling die erin bestaat dat er mensen zijn die
Jezus en de leden van de Kerk tot één fysieke persoon laten versmelten; en door
aan de mensen goddelijke eigenschappen toe te kennen maken zij Jezus onderhevig
aan menselijke dwalingen en geneigdheid tot het kwaad. Deze bedrieglijke leer
is in strijd met het katholiek geloof en de opvatting van Paulus die, hoewel
hij Christus en Zijn mystiek lichaam in een wondere verbinding samenbrengt,
beiden toch ook tegenover elkaar stelt als de bruidegom tegenover de bruid.
ARTIKEL 2 - Vals quiëtisme
Nog een dwaling is dat het hele geestelijk leven van de
christenen en hun vooruitgang in de deugd uitsluitend aan de werking van de
goddelijke Geest wordt toegeschreven, met verwaarlozing en uitsluiting van de
door ons te geven medewerking, die met de genade moet samengaan en haar als het
ware behulpzaam zijn. Natuurlijk is de H. Geest de enige bron waaruit alle
hemelse kracht stroomt in de Kerk en haar leden. Want, zoals de psalmist zegt:
"Genade en glorie geeft de Heer." (Ps. 83, 12) Maar dat de
mensen in de werken van heiligheid standvastig volharden, dat zij opgewekt
vooruitgaan in genade en deugd, dat zij eigenlijk niet alleen zelf met alle
kracht streven naar de top der christelijke volmaaktheid, maar ook anderen
zoveel mogelijk daartoe opwekken, dat alles wil de H. Geest slechts bewerken,
als ook de mensen dagelijks hun deel bijdragen. Ambrosius zegt: "God geeft
Zijn weldaden niet aan de slapers, maar aan de waakzamen."
Want als in ons sterfelijk lichaam de ledematen ontwikkeld
worden door onafgebroken oefening, dan is dit nog veel meer het geval in het
maatschappelijk lichaam van Jezus Christus, waarin ieder lid zijn eigen
vrijheid, verantwoordelijkheid en taak heeft. Paulus zegt: "Ik zelf
leef niet meer, maar Christus leeft in mij" (Gal. 2, 20) en verzekert:
"Gods genade is in mij niet ijdel geweest, maar meer dan zij allen heb ik
gezwoegd; maar niet ik, maar de genade Gods met mij." (1 Kor.
15, 10)
ARTIKEL 3 - Dwalingen omtrent de biecht
Ook een dwaling is dat men geen grote waarde moet hechten
aan de veelvuldige biecht van dagelijkse zonden, omdat het belangrijker is de
algemene belijdenis van zonden, die de Kerk iedere dag verricht bij monde van
de priesters, als dezen het altaar gaan bestijgen. Wij willen dat allen, om vooruitgang
op het pad der deugd te boeken, dat door ingeving van de Heilige Geest in de
Kerk ingevoerde gebruik van de veelvuldige biecht zeer ter harte nemen. Want
daardoor groeit de echte zelfkennis, neemt de christelijke nederigheid toe,
wordt het zedenbederf uitgeroeid, wordt weerstand geboden aan nalatigheid en
lauwheid, wordt het geweten gelouterd en de wil gesterkt; daardoor vinden de
zielen een heilzame leiding en wordt de genade uit kracht van het sacrament
zelf vermeerderd.
ARTIKEL 4 - Dwalingen omtrent het gebed
a. Omtrent privaat en openbaar gebed
Sommigen zeggen dat de smeekbeden, die ieder persoonlijk
tot God richt, van weinig belang zijn, daar werkelijke kracht alleen toekomt
aan de openbare, in naam van de Kerk verrichte gebeden, die komen van Christus'
mystiek lichaam. Ten onrechte: want Jezus is niet alleen met Zijn Kerk innig
verenigd, maar in haar ook met de ziel van iedere gelovige, met wie Hij vurig
verlangt zich, vooral na de H. Communie, intiem te onderhouden. En hoewel het
openbaar gebed, als uitgaand van onze moeder de Kerk, krachtens de verheven
waardigheid van de bruid van Christus iedere andere wijze van bidden overtreft,
toch zijn ook alle andere, zelfs de meest individuele gebeden niet zonder
waardigheid en kracht, en dragen ook zij bij tot het welzijn van het gehele
mystieke lichaam. Het is ook de afzonderlijke mensen, omdat zij leden zijn van
het mystieke lichaam, niet verboden, voor zichzelf bijzondere, ook tijdelijke,
gunsten te vragen, als zij daarbij de aan de goddelijke wil verschuldigde
onderwerping in acht nemen; zij blijven zelfstandige personen, ieder met zijn
eigen behoeften.
b. Omtrent het gebed tot Christus
Ten slotte zijn er, die zeggen, dat onze gebeden gericht
moeten zijn niet tot de persoon van Jezus Christus, maar door Christus tot de
eeuwige Vader, omdat onze Zaligmaker als hoofd van Zijn mystiek lichaam
uitsluitend als "middelaar van God en de mensen" (1 Tim. 2, 5)
moet worden beschouwd. Maar Christus is Hoofd van de Kerk volgens de beide
naturen tezamen; en bovendien heeft Hijzelf verzekerd: "Als ge Mij iets
vraagt in Mijn naam, dan zal Ik het doen." (Joh. 14, 14) En hoewel
vooral in het eucharistisch offer de gebeden over het algemeen worden gericht
tot de eeuwige Vader door Zijn eniggeboren Zoon - omdat Christus daar tegelijk
priester en offer is en op bijzondere wijze de rol van middelaar vervult -,
toch bidt de Kerk ook in het misoffer zelf, tot Jezus. Het moet voor alle
gelovigen vaststaan, dat de mens Christus zelf de Zoon Gods, God zelf is. En
terwijl zo de strijdende Kerk het vlekkeloze Lam en de heilige Hostie aanbidt,
antwoordt zij als het ware op de stem van de zegepralende Kerk, die zonder
ophouden zingt: "aan Hem, die zetelt op de troon, en aan het Lam zij
lof, en eer en glorie en macht in de eeuwen der eeuwen." (Openb. 5, 13)
HOOFDSTUK 2 - Opwekking tot liefde tegenover de
Kerk
We willen in de harten liefde opwekken om dit mystieke
lichaam te beminnen met brandende liefde, die zich door gevoelens en woorden,
maar ook door daden uit. Wij moeten ons verheugen omdat wij in de stad wonen,
die uit levende en uitgelezen stenen is gebouwd op de heilige berg en "waarvan
Christus Jezus de hoeksteen is." (Ef. 2, 20)(1 Pt. 2, 4.5) Want niets
is roemrijker dan deel te hebben aan de heilige, katholieke, apostolische en
roomse Kerk en zo ledematen te worden van dat éne lichaam en geleid te worden
door Jezus; vervuld te worden door de H. Geest en ten slotte met de éne leer en
het éne Brood der engelen te worden gevoed, totdat wij eenmaal genieten van de
énige eeuwige zaligheid in de hemel.
ARTIKEL 1 - Onze liefde zij echt
Maar opdat wij niet misleid worden door de engel der
duisternis, die zich vermomt als een engel des lichts, moet het de hoogste wet
van onze liefde zijn, dat wij de bruid van Christus beminnen, zoals Christus
haar heeft gewild en door Zijn bloed verworven. Dus moeten niet alleen de sacramenten
ons kostbaar zijn, waarmee onze liefdevolle moeder de Kerk ons voedt; niet
alleen de plechtigheden, waarmee zij ons troost en verblijdt, en de heilige
gezangen en liturgische diensten, waardoor zij onze geesten ten hemel verheft;
maar ook de zogenaamde sacramentaliën en die verschillende oefeningen van
godsvrucht, waardoor zij zo verkwikkend de zielen der gelovigen van Christus'
Geest doordringt en vertroost. En het is niet alleen onze plicht als kinderen
haar moederlijke liefde te beantwoorden, maar ook het gezag te eerbiedigen, dat
zij van Christus heeft ontvangen.
Wij moeten dus gehoorzamen aan haar wetten en aan haar
zedelijke voorschriften, ook al zijn deze soms hard voor onze natuur, die haar
oorspronkelijke onschuld heeft verloren; wij moeten het weerspannige lichaam,
dat wij meedragen, door vrijwillige kastijding bedwingen. Wij worden zelfs
aangespoord ons soms te onthouden ook van aangename en geoorloofde dingen.
ARTIKEL 2 - Wij moeten in de Kerk Christus zien
Vooral in de lijdende ledematen; waardig protest tegen een
afschuwelijke praktijk
Wij moeten er een gewoonte van maken in de Kerk Christus
zelf te zien. Want Christus is het, die in Zijn Kerk leeft, die ons door haar
onderricht, bestuurt en heiligt; het is ook Christus, die Zich in Zijn
verschillende maatschappelijke ledematen op verschillende wijze openbaart.
Wanneer alle gelovigen ijveren, werkelijk uit deze geest van levendig geloof te
leven, zullen zij niet alleen aan de hogere leden van dit mystieke lichaam eerbied
en volgzaamheid bewijzen, vooral aan hen die aan Jezus eenmaal rekenschap af te
leggen hebben over onze zielen; maar dan zullen zij ook hart hebben voor de
zwakkeren, gewonden en zieken, die aan natuurlijk of hemels medicijn behoefte
hebben; de kinderen, wier onschuld heden tegenwoordig aan gevaar is
blootgesteld, en wier zielen zo kneedbaar als was zijn; de armen ten slotte, in
wie wij bij de hulp, die wij hun bieden, met grote liefde de persoon van
Christus zelf moeten zien.
Paulus zegt hierover: "De leden van het lichaam,
die het zwakste schijnen, zijn het meest noodzakelijk; en die ledematen, die in
ons lichaam schijnbaar minder edel zijn, bekleden wij met meer luister."
(1 Kor. 12, 22.23) Deze ernstige woorden menen wij in het bewustzijn van de
hoge taak, die op ons rust, nu te moeten herhalen, nu wij met diepe droefheid
zien, hoe lichamelijk misvormden, geesteszieken en met erfelijke kwalen
belasten, soms als een ondraaglijke last voor de gemeenschap, van het leven
worden beroofd, en nu wij dit door sommigen horen aanprijzen als een nieuwe
vinding van menselijke vooruitgang. Maar welk verstandig mens ziet niet, dat
dit niet alleen lijnrecht in strijd is met de natuurlijke en goddelijke wet die
in aller harten is geschreven, maar ook met alle gevoelens van hogere
menselijkheid? Het bloed van deze ongelukkigen, die, juist omdat zij dieper
medelijden verdienen, aan onze Verlosser het meest dierbaar zijn, "roept
van de aarde tot God."
|