|
Leer
van de Antichrist
Hoofdstuk
8 : Islam, de Koran en Hadiths : deel 3
Nog eens een opfrissing van wat
de Koran is :
De Koran of Qoer'ān (wikipedia) :
is het enige van de door moslims erkende islamitische Heilige Boeken dat
zuiver zou zijn overgeleverd. Volgens de islamitische traditie zijn
de woorden in de Arabische taal door Allah via de engel
Djibriel (Gabriel) aan Mohammed geopenbaard. De Koran wordt beschouwd
als het eerste prozawerk uit de Arabische literatuur en heeft
een grote invloed gehad op de literaire ontwikkeling van het Arabisch.
Het Arabische woord qoer'ān betekent voordracht. Koran wordt
gebruikt voor de Nederlandse vertaling. Een vertaling wordt door
moslims doorgaans niet als authentiek gezien, omdat vertalen
automatisch interpreteren zou betekenen. Iedere vertaling is dus 'slechts'
een interpretatie. Vertalingen vertonen, door de opbouw van de Arabische
taal, op essentiële punten grote verschillen en worden dan ook niet als
gezaghebbend erkend. Exegese op de Arabische Koran is wel mogelijk en
wordt tafsir genoemd. De bekendste islamitische geleerden (oelema)
spreken daarom over een 'exegetische vertaling'.
De Koran is de eerste bron van de islam, maar de Overleveringen (Hadith)
zijn de tweede bron. De Koran geeft geen specifieke antwoorden op elke vraag of
elk probleem. Mohammed en zijn metgezellen worden gezien als de
levende uitleggers in praktijk, vastgelegd in de Overleveringen. De Koran en de
(minder absolute) Hadith samen vormen de basis van de islam.
Voor moslims is de autoriteit van de Koran absoluut. Het wordt
gezien als het Woord van Allah. De Koran wordt echter wel geïnterpreteerd.
Dit kan een dynamische interpretatie zijn die met de omstandigheden
verandert.
Structuur
De Koran is niet chronologisch ingedeeld. Uit
overleveringen leren we dat toen kalief Oethman ibn Affan rond 650 de
teksten verzamelde, men de hoofdstukken (soera's) min of meer aflopend volgens
lengte heeft gerangschikt. De kortste soera omvat drie en de langste 286 ayat (verzen).
In totaal bevat de Koran 114 soera's, bestaande uit 6226 ayat (afhankelijk van
de indeling), die met uitzondering van soera Het Berouw allemaal
beginnen met de aanhef Bismillah ar-Rahmaan ar-Rahiem (In de naam van
God, de genadevolle, de Barmhartige). Buiten eigennamen en
geografische termen komen er zo'n 1875 verschillende woorden in de Koran voor.
De eerste soera met zeven ayat (Al Fatiha, de Opening)
wordt de kern van de Koran genoemd. Alle soera's hebben een naam, die vaak
ontleend is aan een woord in het begin van de soera, zoals 'De Opening', De
Koe en Het geslacht van Imraan. Het hoeft niet zo te zijn dat de
naam de inhoud van de soera dekt.
De soera's kunnen verder onderscheiden worden qua periode: de
Mekkaanse soeras, welke uit de eerste periode stammen toen Mohammed nog
in Mekka woonde en slechts geestelijk leider was voor een beperkte
aanhang, voordat hij naar Medina migreerde, en de tweede periode met
de Mediaanse soeras, na de Hidjra in Medina, waar Mohammed
ook politiek leider werd. De soera's uit de tweede periode hebben een
duidelijk meer wettisch karakter en er werd een oorlogsdoctrine van een
tegenaanval toegevoegd. Ook de soera's geopenbaard na de terugkeer in Mekka in
630 vallen onder de Medinaanse soera's.
Inhoud
Mohammed leefde van ca. 571 tot 632; vanaf 609 of 610 zou
hij zijn openbaringen hebben gekregen. De inhoud van de Koran is
volgens moslims in 23 jaar geopenbaard. Halverwege die periode, rond het
jaar 622, vertrok Mohammed met zijn volgelingen van Mekka naar Jathrib,
de hidjra. Later werd Jathrib Medina genoemd. De emigratie van
Mekka naar Medina is tevens het begin van de islamitische jaartelling.
De Koran is geschreven in naam van God, vaak in de directe rede,
waarbij God in de eerste persoon meervoud spreekt, en soms in de
indirecte rede, waarbij God met de derde persoon enkelvoud wordt aangeduid. De
Koran bevat vermaningen en instructies voor moslims en
vertellingen over voorgaande profeten en volken en hun lotgevallen.
(Zie de Lijst van soeras). De Koran is een oproep tot onderwerping of
overgave, 'islam', aan de ene God. De Koran benadrukt de mening dat de God
van de islam dezelfde is als de God van Joden en Christenen. (wat dus een
grote leugen is, Allah is de maangod Sin of Suen van Mesopotamië) Het
woord Allah is geen eigennaam, maar de Arabische aanduiding
voor de God.
De toon van de openbaringen uit Medina verschilt van die uit Mekka.
De Mekkaanse soeras zijn kort en gaan vooral over de grootheid van
God en zijn schepping, het oordeel op de Laatste Dag en het resultaat
daarvan: het paradijs of de hel. De oproep tot bekering is
al aanwezig maar nog tamelijk vrijblijvend. De Mediaanse soeras, na
de Hidjra, zijn langer, leggen meer de nadruk op regelgeving en
sociale ordening en bevatten oproepen tot bekering en bestrijding van de
'ongelovigen' (kafirs), meer specifiek de bewoners van Mekka en andere stammen
die de jonge moslimgemeenschap (oemma) in haar eerste jaren van
bestaan bedreigden.
Soms brengen de teksten verhalen uit de Bijbel in
herinnering, zoals soera Jozef (Yoesoef), die een deel van het
boek Genesis hervertelt en, volgens sommige commentatoren
verwijst Zol-Qarnain (de twee-hoornige) in soera De
Spelonk 86 naar Alexander de Grote.
Maar zoals de christelijke leer op sommige punten van
de joodse leer over God afwijkt, wijkt de islamitische leer af van de
joodse ėn christelijke leer. Zo maakt de Koran op een aantal plaatsen melding
van de profeet Isa 'de zoon van Maryam', maar ontkent stellig
dat deze de zoon van God is. Wel worden de maagdelijke geboorte en het leven
zonder zonde van Isa verteld. De joodse Messiasverwachting, zoals volgens
de christenen vervuld door Jezus, komt in de Koran negen keer voor, zoals
in soera Het Geslacht van Imraan 45.
Boodschap
De Koran brengt vier religieuze leerstukken telkens voor het
voetlicht:
Monotheϊsme (tawhid), verwijzend naar de eenheid van God, het
tegenovergestelde van het polytheϊsme (shirk) waarbij anderen
geassocieerd worden met God (onder andere soera De Koe 22, 255, soera
Het Geslacht van Imraan 2, soera De Onderscheiding 2, soera
De Opdrijving 23);
Profeetschap (al-nubuwwa), bevestiging van het
profeetschap van Mohammed en dat de Koran het Woord van Allah is
(onder andere soera De Onderscheiding 1, soera Het Geslacht van Imraan
31-32, soera De Bijen 64, soera De Vertelling 85-87, soera
Ya Sin 2-3);
Eschatologie (al-ma'ad), verwijzend naar de wederopstanding en
de Dag des oordeels (Qiyamah) (onder andere soera De Kantelen 187,
soera Ta Ha 124, soera Ya Sin 51, soera De Consultatie 9, soera
Qaaf 42-43);
Beloning en bestraffing (al-thawab wal-'iqab),
gewoonlijk weergegeven door een tegenstelling, waar de gelovigen beloond worden
met de tuin (al-djenna), maar de ongelovigen worden bestraft met het vuur (al-nar)
in het Hiernamaals (onder andere soera De Koe 81-82, soera De Byzantijnen 15-16,
soera De Onoverkomelijke Gebeurtenis 88-94, soera Het Bedrog 9-10).
Thema's
De Koran kent een aantal terugkerende thema's:
de gelovigen (soera De Koe 227, soera Het
Uitsluitend Bewijs 7);
de mensen van het Boek (soera De Koe 105, soera Het
Geslacht van Imraan 64);
de polytheϊsten (soera De Koe 105, soera Het Geslacht van
Imraan 151);
de huichelaars (soera De Buit 49, soera Het Berouw 67);
de profeten (soera De Vrouwen 163, soera De
Donder 27, soera Ta Ha 13);
parabels over verschillende profeten (soera De Koe 40-93);
parabels over verschillende volkeren (soera Ya Sin 31, soera
Vergever 82-83);
islamitische wetgeving (soera De Koe 226-237, soera De Vrouwen
19-25);
rechtvaardigheid (soera De Tafel 42, soera De
Kantelen 29, soera De Binnenvertrekken 9);
het gevecht voor de zaak van Allah (soera De Koe 190,
soera Het Berouw 38);
liefdadigheid (soera De Koe 254, soera Het Bedrog 16);
zorg voor wezen en behoeftigen (soera Het Berouw
60, soera De Bedevaart 28);
geduld (soera Het Geslacht van Imraan 200, soera De Namiddag 3);
gerechtigheid (soera Het Vee 153, soera De Kantelen 26)
vermaning en moraal (soera De Vrouwen 112, soera Het
Vee 151-152);
respect voor de ouders (soera De Koe 83, soera
Luqman 14);
participatie in het goede, verbod op het verkeerde (soera Het
geslacht van Imraan 114, soera Het Berouw 112);
Almacht van Allah (soera De Gelovigen 12-22, soera Ya Sin
36-42).
Ontstaansgeschiedenis
Traditionele moslimgeleerden uit de islamitische wereld
zijn het in grote lijnen eens over de ontstaans- en verspreidingsgeschiedenis van
de Koran. Islamologen in de westerse wereld zetten echter een aantal kritische
kanttekeningen bij die visie en enkele kritische geleerden vechten de door
traditionele moslimgeleerden geclaimde authenticiteit van de Koran
aan.
Johannes van Damascus, een van de persoonlijke adviseurs van de
Syrische kalief, kende aan het begin van de 8e eeuw ten minste enkele van
de tegenwoordig bekende soera's, wat blijkt uit zijn boek "Bron van
Kennis", geschreven omstreeks 742/743. Hierin noemt hij de soeras De
Koe (2),De Vrouw (4) en De Tafel (5). Ook gaat hij in op een
verhaal met de titel "De Kameel van God", maar dat ontbreekt in de
Koran.
Traditionele visie
Volgens de islamitische overlevering werd de Korantekst
in de periode 610-632 in delen, beginnend met de Laylat al-Qadr, door de
engel Djibriel aan Mohammed geopenbaard. De openbaringen werd vervolgens door
zijn volgelingen door middel van recitatie uit het hoofd geleerd en
fragmentarisch opgeschreven op stukken perkament, hout en bot. Er wordt
aangenomen dat Mohammed analfabeet was en dus zelf lezen noch
schrijven kon.
Over de chronologische volgorde van openbaring zijn
moslimgeleerden het globaal eens, maar van een aantal tekstgedeelten is
onduidelijk wanneer zij precies zijn geopenbaard. Zo bestaat verschil van
mening over welke passage als eerste werd geopenbaard. Een meerderheid van
moslimgeleerden gaat ervan uit dat dat de eerste vijf verzen van soera De
Bloedklomp waren, die in de maand ramadan van het jaar 610
werden geopenbaard toen Mohammed zich in een grot had teruggetrokken.
Anderen denken dat het de eerste twee verzen van soera De Ontmantelde waren, of
de hele soera De Opening. De meeste islamologen onderschrijven de chronologie
die door moslimgeleerden aan de diverse passages wordt toegekend.
Bij de dood van Mohammed in 632 bestond er geen complete,
schriftelijke Korantekst. De mondelinge overlevering was in de eerste jaren na
Mohammeds dood nog uiterst belangrijk. Toen na de Slag bij Al-Yamaamah (632)
echter een groot aantal moslims, waaronder een groot aantal Hafiz gesneuveld
was, was dat voor kalief Aboe Bakr aanleiding om de losse
tekstfragmenten systematisch te laten verzamelen. Hij wees Zaid ibn Sabit,
een van Mohammeds schrijvers, aan om dat te doen. Zaid stond bekend als degene
die het meeste van de Koran uit zijn hoofd kende en hij had ook de meeste
tekstfragmenten genoteerd.
Zaid baseerde zijn werk in de eerste plaats op de beschikbare
geschreven tekstfragmenten, die hij liet controleren door degenen die (delen
van) de Koran uit hun hoofd kenden (qurra, enk.qari). Vooral
voor de juiste volgorde was hij van de qurra afhankelijk. Hij
veranderde de tekst op geen enkele wijze en voegde er geen verklaringen of
redactionele commentaren aan toe.
De traditionele visie is dat de openbaringen van de Koran onder
voorzitterschap van Zaid ibn Sabit werden opgeschreven door Omar
ibn al-Chattab, Oethman ibn Affan, Ali ibn Aboe Talib, Talha ibn
Oebeydullah, Sad ibn Abi Waggas, Aboe Derda, Mikdad, Oebay
ibn Kab, Aboe Moesa el-Eshari en Abdullah ibn Masud. Deze eerste
volledige schriftelijke koran (moeshaf verzameling bladen) ging
na de dood van Aboe Bakr naar Omar ibn al-Chattab en na diens dood
naar zijn dochter Hafsa, die een
van Mohammeds weduwen was. Toch bleef mondelinge overlevering nog lange tijd de
belangrijkste manier om de Koran door te geven.
Onder de derde kalief, Oethman ibn Affan (644-656), begon
het proces van officiële codificatie van de verzamelde teksten. De
reden hiervoor was dat in de verschillende centra van het uitdijende islamitische
rijk onenigheid over de correcte manier van reciteren ontstond. Een
commissie van vier onder leiding van Zaid ibn Sabit stelde in 651 de
eerste officiële codex vast. Door het ontbreken van diakritische
tekens en klinkertekens liet deze tekst de mogelijkheid van zeven door
de moslimgemeenschap erkende leeswijzen (dialecten) open, zij het
dat, waar onenigheid bestond, gekozen werd voor het dialect van Qoeraisj,
de stam van Mohammed. Dit betrof vooral de uitspraak en zorgde slechts in
beperkte mate voor verschillen in betekenis. Er werden vier, vijf of zes
kopieën gemaakt die naar Mekka, Damascus, Basra en Koefa gestuurd
werden. Eén exemplaar hield Oethman zelf. Afwijkende exemplaren werden vernietigd.
Twee van deze eerste korans zouden nog bewaard zijn in Tasjkent (naar
verluidt het persoonlijke exemplaar van Oethman) en in het Topkapi-museum
in Istanboel. Efim A. Rezvan dateert de koran van Tasjkent vanwege
het gebruikte schrift (Koefisch schrift) rond het jaar 800.
Ook na deze Oethmaanse tekst bleef de mondelinge overlevering,
vooral voor de juiste uitspraak, belangrijk. Rond 700 werden er diakritische
puntjes aan toegevoegd om de medeklinkers van elkaar te onderscheiden en nog
later werden er ook nog klinkertekens toegevoegd.
De huidige gedrukte Koranteksten zijn vrijwel alle gebaseerd op een
in 1924 in Caϊro gedrukte standaarduitgave.
Andere visies
Er bestaan geheel verschillende visies op hoe de Koran precies tot
stand gekomen is. Zo hield de Koranvertaler Richard Bell zich bezig
met het rangschikken van de verschillende soera's onder de aanname dat Mohammed
zelf zich met de verzameling en redactie bezig had gehouden. Naast het
idee dat Mohammed zijn materiaal ontving door Goddelijke inspiratie, is wel
geopperd dat Mohammeds openbaringen voortkwamen uit epileptische aanvallen. Ten
slotte zijn er onderzoekers die op grond van archeologische vondsten en
taalkundig onderzoek menen dat de Koran is ontstaan uit een verzameling
geschriften uit de tijd vóór Mohammed, de meeste kritische onderzoekers noemen
joodse (Thora) en christelijke (Evangelie) verhalen en een verzameling
volksverhalen gesteld in een aan het Arabisch verwante taal, te weten het Aramees.
Pogingen van westerse oriëntalisten om de
ontstaansgeschiedenis van de Koran te achterhalen en teksten met elkaar te
vergelijken worden doorgaans bemoeilijkt door de traditionele islamitische
opvatting dat de Koran vanaf het begin ongewijzigd is overgeleverd. In 1979
wist Qadhi Isma'il al-Akwa', directeur van de Jemenitische Antiquiteitenautoriteit,
een Duits instituut te interesseren om een vondst uit 1972 van oude Koranresten
in Sanaa te onderzoeken, en vanaf 1981 werd ook de Duitse
geleerde Gerd Rüdiger Puin daarbij betrokken. De oude Koranfragmenten
bleken geschreven in Hidjazi, een zeldzame en, voor zover bekend, oudste vorm
van Arabisch schrift. Puin vond allerlei verschillen met de moderne Koran, wat
hem in Jemen niet in dank werd afgenomen. In 1987 schreef Parvez Manzoor
boos in de Muslim World Book Review dat de onderzoekers erop
uit waren het geloof van moslims in de Koran te ondermijnen. In de nieuwe
Koran staat tot in details aangegeven hoe de tekst moet worden uitgesproken. De
precisie beperkt zich niet tot de klinkers en medeklinkers. Priegeltekentjes
geven ook informatie over de voordracht van de tekst. Deze tekens stonden niet
in de door Puin gereconstrueerde koran.
Het staat vast dat de Koran een groot aantal traditionele gegevens
en thema's bevat die direct terug te voeren zijn op joodse en christelijke
tradities, waaronder Apocriefen van het Nieuwe Testament en de
Talmoed. Soera Jonas 94 verwijst expliciet naar de verhalen uit de
eerdere Openbaringsgeschriften. Soera De Waardevolle Nacht wordt
door een enkele vertaler in verband gebracht met de Kerstnacht. Verhalen
over Bijbelse figuren als Jozef of Abraham zijn in de Koran terug te
vinden in een vorm die sterk doet denken aan de joodse midrasj, een genre
waarin de Bijbelse legenden die doorgaans veel aan de verbeelding overlaten
worden uitgebreid.
Religieuze betekenis
De Koran is geen wetboek. Voor de uitleg van de Koran hebben
de voornaamste stromingen in de islam (soennieten en sjieten) een traditie
van geleerden, genaamd de oelema, in het leven geroepen. Er bestaat een
verzameling boeken, die samen de Ahadith ('overleveringen') vormen. Daarin
staan onder meer commentaren op de Koran die worden toegeschreven aan Mohammed,
hoewel anderen van mening zijn dat deze afkomstig zijn van andere
moslimtheologen. Bepaalde geschriften hebben meer waarde binnen de Hadith dan
andere, afhankelijk van de richting binnen de islam.
Binnen islam is niet iedereen overtuigd van het nut en de
autoriteit van hadith teksten en oelema-geleerden. Zo zijn er
ook Koranisten, welke de autoriteit van deze tradities afwijzen.
De Koran is voor belijdende moslims hét heilige boek,
maar hierbij geldt echter de restrictie dat het boek die waarde alleen heeft in
het Arabisch. Veel moslims vinden dat een vertaling een interpretatie is
in een andere taal, en dus niet mag suggereren dat die ook daadwerkelijk
de Qoer'an is. Moslims met een andere moedertaal dan het
Arabisch zien zich dan ook voor de taak gesteld het boek in een voor hen
vreemde taal te lezen.
De Koran spreekt met respect over de Thora (Tawrat),
de Psalmen (Zaboer) en het Bijbels Evangelie (Indjil).
De islam erkent de Tawrat, als een heilig geschrift. Volgens de
islamitische leer zou de Tawrat in de loop der eeuwen door mensenhanden
veranderd zijn en zou niet meer duidelijk zijn wat oorspronkelijk Gods woord
zou zijn geweest. Door moslims wordt alleen de Koran als het zuivere
woord van God gezien. De Tawrat werd volgens de Koran geopenbaard aan Musa (Mozes),
de Zaboer aan Dawud (David) en de Indjil aan Isa (Jezus). In de
Koran worden de Thora en de Psalmen wel genoemd, maar de rest van de Tenach,
de Profeten en de Geschriften, wordt niet genoemd. Iets dergelijks geldt voor
de boeken van het Nieuwe Testament: de Koran vermeldt wel het Evangelie
als openbaring aan Isa, maar niet de Brieven. Niet duidelijk is welk gedeelte
oorspronkelijk door God geopenbaard is en welk gedeelte later is vervalst of
toegevoegd, zoals eveneens blijkt uit de problematiek omtrent de Apocriefe
boeken van de Bijbel. Verder is er nog sprake van verloren gegane Rollen,
geopenbaard aan Ibrahim (Suhuf-i-Ibrahim).
In de hele islamitische wereld heeft de Koran grote
betekenis. Reeds ten tijde van kalief Omar (634-644) begon men Koranscholen (madrasa's)
op te richten. In deze scholen werd kinderen geleerd de Koran uit het hoofd te
leren ofwel te reciteren. Los van de vraag of men de inhoud van de teksten
begrijpt wordt betekenis toegekend aan het reciteren van de Koran in het
Arabisch. Voor moslims is het reciteren een belangrijk onderdeel van de
godsdienst: aan de woorden van de Koran worden helende en beschermende
eigenschappen toegekend. Koranrecitatie in het Arabisch maakt deel uit van de
verplichte gebeden. Veel moslims zijn bedreven in tadjwied, dat is de
Koran op een aangename, bijna melodieuze manier reciteren.
De Koran wordt door moslims met respect behandeld: zo
wordt hij bij voorkeur in een schone kamer op een zo hoog mogelijke plaats en
boven andere boeken bewaard. Hij wordt doorgaans niet op een tafel gelegd,
omdat het gevaar bestaat dat er iets boven op gelegd wordt, en wordt hij niet
op de grond gelegd, omdat deze als onrein wordt beschouwd. Voor het lezen of
aanraken van de Koran wordt de rituele wassing verricht. Sommige orthodoxe
moslims hebben er moeite mee als een niet-moslim de Koran leest of
aanraakt.
Abrogatie
Op de Koran zou in sommige gevallen abrogatie (naskh/verbetering/vervanging)
worden toegepast, de regel dat in geval van schijnbare conflicten tussen
verschillende teksten de jongste prevaleert en dus de oudere tenietdoet. De
moeilijkheid daarbij is dat sommige soera's niet gemakkelijk gedateerd
kunnen worden, zodat niet met zekerheid kan worden bepaald welk van de
conflicterende verzen van toepassing is. Koranwetenschappers hebben in
dergelijke gevallen op basis van logisch redeneren en onderling overleg
beslissingen genomen. Een van de duidelijkste zaken is de geleidelijke
invoering van een verbod op wijn. De duivelsverzen zouden
wellicht middels een soortgelijke afschaffing uit de Koran zijn verdwenen.
Koranisten geloven dat abrogatie van Koran verzen in geen
geval mogelijk is. Zij geloven dat verzen in de Koran altijd als aanvulling op
elkaar gezien moeten worden (in plaats van als vervanging), dat hadith teksten
in geen geval de Koran kunnen vervangen of tegenspreken en dat de
zogenaamde duivelsverzen een ongefundeerd verhaal zijn.
Gevoelige thema's
De Koran bevat een aantal passages die bij moslims zeer gevoelig
liggen. Zo bestaan er verschillende meningen over Gods hand of handen en de
manier waarop dit geïnterpreteerd moet worden. Van drie namen uit de Koran
wordt door sommigen gezegd dat het profeten zijn, anderen zeggen dat het
heiligen zijn. Binnen de islamitische gemeenschap kan en wordt uitgebreid
gediscussieerd over de ware betekenis van passages uit de Koran.
De aanpak van westerse onderzoekers is volkomen anders. De
Koran bevat volgens niet-moslims een aantal teksten die moslims in
niet-islamitische landen in problemen zouden brengen als ze die
geïnterpreteerde teksten in praktijk zouden brengen. Exegese door middel
van zelfstandige oordeelsvorming (tafsir bi-'l-ra'y) wordt echter als
onacceptabel beschouwd, op basis van een aantal argumenten. Zo wordt soera De
Bijen 44 aangehaald waarin God de bevoegdheid om zaken uit te leggen bij
Mohammed legt 'zodat zij mogen nadenken'. Uit een Overlevering blijkt dat
diegene die op basis van zijn menselijke opinie iets zegt over de Koran een
plaats in de hel zal innemen. Indien men aan een aantal (zeer strenge) eisen
voldoet is een zelfstandige oordeelsvorming mogelijk.
Vrouwen
In soera De Vrouwen 34 wordt de verhouding tussen mannen
en vrouwen vastgelegd: mannen zijn "zaakwaarnemers" over de vrouwen
en mogen hen "vermanen" of zelfs "slaan" als zij
"ongezeglijkheid vrezen". De Koran roept mannen wel op hun fysiek
overwicht niet te benutten. Dit overwicht wordt als een feitelijkheid beschouwd
die in goede banen moet worden geleid. Het mag alleen in extreme situaties
aangewend worden, zoals bij de mogelijkheid van overspel.
Ook qua rechtspositie staan vrouwen er in de Koran anders voor dan
mannen. Zo is het vrouwen niet toegestaan een 'ongelovige' man te huwen (een
moslimman mag wel een ongelovige vrouw trouwen), bij erfenissen ontvangen
vrouwen minder dan mannen en in de rechtszaal is het getuigenis van een vrouw
de helft waard van dat van een man: in Soera De Koe (v. 282) wordt
gesteld dat twee vrouwen in de plaats van één man zullen getuigen voor het
geval "één der twee vrouwen zich zou vergissen". Verder is het mannen
in principe toegestaan tot vier vrouwen te hebben, slavinnen niet meegerekend,
terwijl iets dergelijks aan vrouwen niet toegestaan is.
Volgens verschillende interpretaties is de hoofddoek een
verplichting voor de vrouwen, zoals vermeld in soera De Partijscharen 59:
O profeet! Zeg aan uw vrouwen en uw dochters en de vrouwen der gelovigen
dat zij een gedeelte van haar omslagdoeken over haar (hoofd) laten hangen. Dit
is beter, opdat zij mogen worden onderscheiden en niet lastig worden gevallen.
En God is Vergevensgezind, Genadevol.
Ook soera Het Licht 31 en verschillende Ahadith maken
gewag van de verplichting tot het dragen van hoofddoeken en sluiers voor
gelovige vrouwen.
De enige vrouwennaam in de Koran is Maria (Maryam). Zij
wordt als zeer hoog aangeschreven, vanwege haar toewijding aan God. Haar naam
wordt dertig keer genoemd. De andere vrouwen worden doorgaans als "de
vrouw van ..." aangeduid.
Andere religies
De Koran waarschuwt ongelovigen vele malen, doorgaans in zeer
sterke bewoordingen. Ook afvalligen, afgodendienaars en onrechtdoeners worden
herhaaldelijk vermaand.
Zeg: "Zal ik u vertellen over degenen wier straf bij God erger
is dan dit? Dezen zijn het, die God heeft vervloekt en over wie Hij Zijn toorn
heeft uitgestort en van wie Hij apen, zwijnen en duivelsdienaren heeft gemaakt.
Dezen zijn inderdaad in een slechte toestand en ver van het rechte pad
afgedwaald." (soera De Tafel 60)
Soera De Ongelovigen rekent de Mekkaanse heidenen tot de
"ongelovigen." Deze soera eindigt met een aya die vaak wordt
aangehaald met de godsdienstvrijheid:
Derhalve voor u uw godsdienst en voor mij mijn godsdienst. (soera De
Ongelovigen 6)
Joden en christenen worden de "mensen van het Boek" genoemd.
Zij worden zowel als medegelovigen gezien alsmede als tegenstander.
Voorzeker, de gelovigen, de Joden, de Christenen en de Sabianen -
wie onder hen ook in God en de laatste Dag geloven en goede daden verrichten,
zullen hun beloning bij hun Heer ontvangen en er zal geen vrees over hen komen,
noch zullen zij treuren. (soera De Koe 62)
En twist met de mensen van het Boek slechts op de goede wijze; doch
zeg tegen de onrechtvaardigen: "Wij geloven in hetgeen ons is geopenbaard
en hetgeen u is geopenbaard; en onze God en uw God is Eén; en aan Hem
onderwerpen wij ons." (soera De Spin 46)
Zeg: "O, mensen van het Boek, gij haat ons slechts, omdat wij
in God geloven en in hetgeen ons is neergezonden en in hetgeen voordien was
neergezonden of doordat de meesten van u ongehoorzaam zijn." (soera De Tafel
59)
Volgens bepaalde tafsir zou in de openingssoera De Opening de
zevende aya betrekking hebben op de joden op wie de toorn van God is gedaald en
de christenen die dwalen.
Het pad dergenen, aan wie Gij gunsten hebt geschonken - niet dat
van hen, op wie toorn is neergedaald, noch dat der dwalenden.
Waarom wil de Antichrist/Dajjal dat
alleen de Koran wordt geloofd? Omdat hij bang is dat de waarheid over hem wordt
gezegd. De Moslims weten dat de Dajjal gaat komen. Ze weten ook dat hij degene
is die hun het leven zal zuur maken. Maar de Moslims moeten goed beseffen dat
Jezus/Isa niet zal komen voordat de Antichrist/Dajjal is gekomen. Ze moeten
goed beseffen dat Lord Rayel of een persoon met dezelfde intenties niet hun Messias/Mahdi
is. Jezus/Isa is de echte Messias/Mahdi en die zal komen om de Antichrist/Dajjal
op te ruimen.
Nog eens een opfrissing van wie
de profeet Mohammed was (wikipedia):
Mohammed (Moehammad ibn 'Abd Allah ibn 'Abd al-Moettalib ibn Hasjim
ibn 'Abd Manaf al-Koeraisji) (Mekka, ca. 570 - Medina, 8 juni 632),
wordt door moslims en baháis beschouwd als profeet en
boodschapper van Allah. Volgens moslims is hij de voltooier van het monotheϊstische geloof
dat volgens de islam is begonnen met Adam en daarna werd
geherintroduceerd door Nuh (Noach), Ibrahim (Abraham), Musa (Mozes), Isa (Jezus)
en de overige profeten. Hij was ook actief als staatsman, sociaal
hervormer, koopman, filosoof, redenaar, leraar, wetgever, militair leider en
filantroop. In de islam wordt hij als de laatste profeet en boodschapper gezien
die de uiteindelijke openbaring van Allah, de Koran, heeft ontvangen. Door
moslims wordt hij daarom aangeduid als het Zegel der Profeten.
Veel moslims zeggen op basis van Ahadith vaak na het
horen van de naam Mohammed sallallahu alaihi wa sallam ("zegeningen
en vrede met hem" of "vrede zij met hem"), in geschreven tekst
vaak afgekort als 's(a)ws' of '(z)v(z)mh'.
Levensloop
Er zijn geen bronnen uit de tijd van Mohammed waarop een
biografie gebaseerd kan worden. Het oudst bekende geschrift is de Sira van Ibn
Ishaq (ong. 750), latere biografieën zijn (deels) daarop gebaseerd.
Jeugd
Verschillende gedichten uit de klassieke Arabische literatuur ondersteunen
de traditionele visie, dat de afstamming van Mohammed van de stam van Haashim,
een verarmde substam van de Qoeraisj is. De stam Qoeraisj komt voort
uit het volk van Adnaan dat af zou stammen van Kedar, de
tweede zoon van de profeet Ismaël (Genesis 25:13-15). Mekkaanse
tegenstanders van Mohammed bekritiseerden hem met het argument, dat ze hem en
zijn boodschap geloofd zouden hebben als hij een van de vooraanstaande mannen
van de twee steden (Mekka en at-Thakif) zou zijn geweest.
Over zijn vader Abdallah ("dienaar van God"), die
vlak voor de geboorte van Mohammed gestorven zou zijn, is weinig bekend. Zijn
grootvader van vaders zijde wordt Abd al-Moettalib genoemd. Over hem is
eveneens weinig bekend. Zijn moeder Aminah bint Wahab was afkomstig
uit Medina en overleed toen hij zes jaar was. Tot zijn achtste was hij bij zijn
grootvader in huis maar toen die stierf werd zijn opvoeding voortgezet door
zijn oom, Aboe Talib. Uit historische zijn Mohammeds ooms Aboe
Talib, Hamza en Abd al-Oezza bekend. Uit de islamitische
traditie is ook bekend dat Mohammed in zijn jonge jaren als schaapherder heeft
gewerkt voordat hij een koopman werd.
Polytheϊsme en geestenverering kenmerkten de Arabische wereld
toen Mohammed opgroeide, hoewel er ook Joodse stammen (met name in
Medina) waren en groepen bedoeïenen die een vorm van monotheïsme kenden.
Mekka was in die tijd een handelsstad waar enkele karavaanroutes samenkwamen.
Handelaars en andere reizigers namen hun religies en afgodsbeelden mee
en velen daarvan werden in Mekka neergezet, vooral rond de Kaaba. De
Ka'aba was in de tijd van Mohammed een universeel religieus heiligdom waar
360 goden werden aanbeden. De stam Qoeraisj had vanouds het beheer
over de Ka'aba. Mohammed groeide op in de stad en ontmoette daar voldoende
rondreizende bedoeïenen en kooplieden uit allerlei windstreken om
iets meer te weten te komen over deze religies. Ook nam zijn oom hem ten minste
één keer mee naar Syrië. Een van de bijnamen die zijn stadgenoten hem volgens
de overlevering gaven was al-Amin, de betrouwbare.
Toen Mohammed 25 jaar oud was trouwde hij met de vijftien jaar
oudere weduwe Khadijah, die handelskaravanen bezat. Zij had hem kort
daarvoor in dienst genomen als leider van een van haar karavanen. Reizend als Khadijah's
handelsvertegenwoordiger kwam Mohammed in contact met joden en christenen.
Hij kwam daarbij in aanraking met hun godsdienst.
Profeetschap in Mekka
Volgens de tradities zou Mohammed zich in de maand ramadan in
het jaar 610 teruggetrokken hebben in de grot van Hira toen hem
de engel Djibriel (Gabriël) verscheen en hem aanwees als profeet van
God. Hij zou toen 40 jaar oud geweest zijn. De eerste vijf regels van Soera
De Bloedklomp vormen volgens een meerderheid van de Koranexegeten het
begin van de openbaringen die Mohammed gedurende de volgende 22 of 23
jaar via Gabriël van Allah zou hebben ontvangen. Deze openbaringen werden
later samengevoegd in de Koran.
Na ongeveer twee jaar begon Mohammed in Mekka als profeet op te
treden en riep hij zijn plaatsgenoten op geen afgoden meer te
aanbidden. Zijn boodschap van monotheïsme, politieke eenheid en sociale
bewogenheid stuitte op verzet van de heersende klasse die zijn
rijkdom en aanzien mede aan de veelgodencultus rond het heiligdom in
Mekka te danken had.
Wonderen
De Koran beschrijft niet openlijk dat Mohammed wonderen heeft
verricht en algemeen wordt de Koran als het grootste wonder van Mohammed
gezien. De Koran vermeldt dat God Mohammed een hemelse bescherming tegen de mensen
gaf. De islamitische traditie schrijft echter wel vele
bovennatuurlijke gebeurtenissen toe aan Mohammed. Zo liet hij op verzoek voor
een wonder van de heidense Mekkanen de maan splijten (Boekhari,
Volume 4, Boek 56, Nummer 831) en liet hij water uit zijn vingers stromen (Boekhari
3576 en Moslim 1856) waarmee hij aan het gebrek aan water bij
zijn metgezellen een einde maakte terwijl ze met vijftienhonderd man
waren. Veel moslims interpreteren de soera 54:1-2 als een verwijzing
naar het splijten van de maan. De Isra en Miraj zijn de twee delen
van een "Nachtelijke Reis" volgens de islamitische traditie de reis
van Mohammed tijdens een nacht rond het jaar 621. Het is een gebeurtenis die
zowel als een fysieke en spirituele reis wordt beschreven. Een korte schets van
het verhaal is in Soera 17 te vinden en andere gegevens komen uit de
Hadith. Hier zou Mohammed met Buraq (zie hieronder) naar "de
verste moskee" reizen waar hij leiding geeft aan andere profeten in het
gebed. Hij stijgt dan naar de allerbovenste hemel, waar hij tot Allah spreekt
en de instructies van Allah ontvangt die voor de gelovigen de details van het
gebed inhouden. Volgens de tradities is deze reis een van de belangrijkste
gebeurtenissen in de islamitische kalender.
Buraq
Buraq is het dier dat Mohammed in één nacht van
Mekka naar Jeruzalem en de Hemel bracht, de zogenaamde Nachtreis. Soera
De Nachtreis maakt toespelingen op deze reizen, maar de Koran noemt
het dier Buraq niet.
Een Hadith beschrijft Buraq als volgt: ... een wit
en lang dier, groter dan een ezel, maar kleiner dan een muilezel, dat
zijn hoeven met een afstand gelijk aan het gezichtsveld verplaatste.
Op een nacht verscheen Djibriel aan Mohammed. Mohammed
mocht in die nacht Buraq bestijgen om zo met Djibriel naar Jeruzalem te gaan.
Daar aangekomen bond Mohammed Buraq met een touw vast aan een ring in de Westmuur.
Na een gezamenlijke salat te hebben verricht met enkele profeten,
besteeg Mohammed het dier weer en steeg op ten Hemel, alwaar hij door zeven
Hemelen reisde.
Veelal wordt de Nachtreis van Mohammed als symbolisch gezien en zou
hij de reis niet fysiek, maar geestelijk hebben gemaakt, zoals ook Aϊsja eens
gezegd zou hebben.
In literatuur en kunst wordt Buraq vaak voorgesteld als een dier
met het gezicht van een vrouw, of een schepsel dat deels adelaar en
deels paard is. Er wordt ook gezegd dat Buraq een staart had van
een os, dat zijn manen uit parels gemaakt waren en zijn oren
uit smaragd. Verder glinsterden zijn ogen als de planeet Venus en
tussen zijn ogen stond Er is geen andere god dan Allah en Mohammed is de Gezant
van Allah. Daarnaast zou het ook verstandelijke vermogens hebben
gehad. Ook zou het dier alleen door profeten bereden zijn.
|