|
De verrijzenis van de doden en het Algemeen
Oordeel : deel 1
Dat de wereld zal eindigen, staat
vast, en dat dit einde niet eerder zal plaats hebben, dan wanneer de Antichrist
is verschenen. Het protestantisme en de ongelovigen verwerpen de Antichrist als
individu. Zij zien hem louter als een mythe, een allegorisch, denkbeeldig wezen;
of ook zien zij deze man van zonde, die door de Apostel Paulus is
aangekondigd, als de leider van de antichristelijke strijd, als de aanvoerder
en Messias van de vrijmetselarij en de sekten, die er op uit is de beschaving
naar haar toppunt te brengen, door haar voor altijd van de duisternis van
bijgeloof te bevrijden m.a.w. door alle positieve religie en iedere
geopenbaarde Waarheid van de aarde weg te vagen. Onder de waarheden, die
betrekking hebben op onze eindbestemming , is er één die een heel bijzondere
afkeer bij mensen opwekt, één die door de rationalisten en vrijdenkers
onophoudelijk en tot het uiterste wordt aangevallen, en het mikpunt wordt
gemaakt van hun meest sluwe drogredenen en van hun brutale ontkenningen. Die
leer voor ons de meest glorieuze en troostvolle van alle leerstellingen is
de toekomstige verrijzenis van onze
lichamen. De ene keer, -zoals Paulus ondervond te Athene - proberen
ongelovige wijsgeren deze leer met hun spot en sarcasme onderuit te halen; dan
weer zoals gebeurde aan het tribunaal van de landvoogd Felix trekt men bij
het horen verkondigen wit uit van schrik: Disputante autem illo
de judicio, tremefactus Felix respondit... Vade!
tempore autem opportuno accersam te. Uit deze tekst en nog andere, die
regelmatig in de brieven van de Apostel Paulus terugkeren, blijkt, dat dit
dogma van de Verrijzenis van de
doden het favoriete en geliefde onderwerp was van zijn prediking. Hij
droeg het met verve en overtuigingskracht uit in de publieke fora, in de
synagogen en bij disputen met de wijze mannen en filosofen van Griekenland. In
de ogen van Paulus, is deze leer van de toekomstige verrijzenis het fundament
waarop onze hoop is gevestigd, de oplossing van het mysterie van het leven, het
principe, de kernvraag, en de eindconclusie van het hele Christelijke Geloof.
Zonder deze leer, zouden goddelijke en menselijke wetten hun sancties
verliezen, en het Geloof onzin en nutteloos zijn. Wijsheid zou alleen bestaan
in een leven van genieten zoals de dieren: want, indien er geen leven is na de
dood, dan zou zelfbeheersing en de strijd tegen passies voor ieder rechtgeaard
mens, zinloos zijn en nutteloos.
De Martelaren, die om Christus
geleden hebben en zich lieten verscheuren door de leeuwen in de amfitheaters
zouden slechts onruststokers geweest zijn of excentriekelingen. Voor wie als
van zelf sprekend aanneemt dat de mens geen ander doel heeft dan het huidige
bestaan, en er geen ander geluk bestaat in deze wereld dan het najagen van
banaal en heilloos materialisme. Het ene ware Geloof, de enige gezonde,
redelijke filosofie zou dan die van Epicurus zijn, samengevat in de woorden: Manducemus et bibamus, cras enim moriamur. Om
de zielen van de grove begeerten af te wenden, en ze te verheffen naar
verlangens, hun hemelse bestemming waardig, houdt de Apostel Paulus niet op
deze grote waarheid ons in te prenten; en tevens trekt hij daaruit de conclusie
dat voor een ordelijk leven, het uiterlijke op het innerlijke moet worden
afgestemd: Zie, ik deel U een geheim mee: niet allen zullen wij ontslapen,
maar wel allen van gedaante veranderen, plotseling in een oogwenk, bij de
laatste stoot van de bazuin. Want zodra de bazuin zal schallen, zullen de doden
verrijzen, onbederfelijk, maar wij zullen van gedaante veranderen. Dit bederfelijke
moet met het onbederfelijke worden bekleed; dit sterfelijke met het
onsterfelijke. En nadat dit sterfelijk lichaam het onsterfelijke zal hebben aangetrokken,
en dit sterfelijke met onsterfelijkheid, dan wordt het woord vervuld, dat
geschreven staat: De dood is verzwolgen in overwinning. Dood, waar is uw
overwinning? Dood, waar is uw prikkel? In de voorgaande tekst, legt de grote
Apostel Paulus niet minder wonderbaarlijk de theologische reden uit en de
hoge gepastheid van dit mysterie. Hiervan heeft God hem de vertolker en heraut
aangesteld. Dit was zijn Credo - en het Vierde Concilie van Lateranen drukt in
deze woorden uit: Het lichaam van de mens, zegt hij, toevertrouwd aan de aarde
en neergelegd in het graf, is als de graankorrel gezaaid in bederf; hij zal
opstaan in onbederfelijkheid; gezaaid in oneer; hij zal opstaan in glorie;
gezaaid in zwakheid; hij zal opstaan in kracht. Het is gezaaid een natuurlijk
lichaam; hij zal verrijzen een geestelijk lichaam.
De
eerste mens Adam was gemaakt tot een levende ziel; de laatste Adam tot een leven
gevende geest. De eerste mens was van de aarde, aards; de tweede mens, van de
hemel, hemels. Derhalve, daar wij het beeld van het aardse hebben gedragen,
laat ons dan ook het beeld van het hemelse dragen. Bestaat er een zielelichaam,
dan bestaat er ook een geestelijk lichaam. Zo staat er ook geschreven: De
eerste mens Adam werd een levende ziel. De laatste Adam een levendmakende
Geest. Niet het geestelijke gaat vooraf, maar wel het bezielde; daarna komt het
geestelijke. De eerste mens was uit de aarde, aards; de tweede mens is uit de
Hemel. Ik zeg u dit, mijn broeders, omdat bederf niet de onsterfelijkheid zal
bezitten. Een helderder en beknoptere uiteenzetting van een leermeester als de
Apostel Paulus zouden we niet kunnen wensen. Iedere toevoeging zou alleen maar
dienen om haar kracht en helderheid te verzwakken. Zo is ook het ware,
Katholieke Geloof, dat de Kerk in het Credo dat wij belijden, heeft
opgeschreven en dat Zij verordend heeft om gezongen te worden in haar plaatsen
van Eredienst op plechtige feesten. Ik geloof in de verrijzenis van het
lichaam, en ik verwacht de verrijzenis van de doden. ...et exspecto
resurrectionem mortuorum ... Zowel Athanasius, in zijn Credo als het
Vierde Concilie van Lateranen drukt deze waarheid uit in woorden niet minder
precies en zelfs nog sterker: Alle mensen zullen opstaan met dezelfde lichamen
waarmee zij waren verenigd in het huidige leven. Inderdaad, als ons lichaam,
na ontbonden te zijn en tot stof vergaan, niet zou worden herboren met alle
ledematen en constituerende delen; als wij niet met dezelfde gezichten en
herkenbare gelaatstrekken, zouden verschijnen zodat wij, wanneer we elkaar
weerzien op de oordeelsdag, onszelf onmiddellijk zouden herkennen, zoals wij
elkaar herkennen hier beneden, dan zou het geen zin hebben onze wedergeboorte
een verrijzenis noemen, maar een nieuwe schepping. Het is dus zo goed als
zeker, dat we bij het Oordeel in alle opzichten dezelfde zullen zijn: de voeten
zullen dezelfde zijn die ons hebben gedragen en ondersteund tijdens onze
ballingschap en de dagen van onze pelgrimstocht door de tijd. De tong waarmee
we zullen spreken, zal die zijn, die ons stem gaf in lofprijzing van God of
godslastering. De ogen, waarmee we konden zien, zullen dezelfde zijn, als die
open gingen voor de zonnestralen, die over ons schenen. Het hart, dat zal
kloppen in onze borsten hetzelfde hart zal zijn, dat de gloed van de goddelijke
Liefde zal hebben verteerd, of dat ze zich zal laten verslinden door de vlammen
van de hartstocht.
Zo was
de onwankelbare hoop van Job. Gezeten op zijn mesthoop lag hij weggevreten door
verrotting weg te kwijnen van ellende, maar met een stralend gezicht en heldere
ogen, de hele spanne van eeuwen flitste door zijn geest. In een extase van
vreugde aanschouwde hij in de helderheid van het profetisch licht de dagen,
dat hij het stof van zijn doodskist zou afschudden, en uitroepen: Ik weet dat
mijn Verlosser leeft, die ik zal zien; mijn eigen ogen niet die van een ander,
zullen Hem zien. Deze leer van de verrijzenis is de
sluitsteen, de hoeksteen, van het gehele Christelijke bouwwerk, de spil en
centrum van ons Geloof. Zonder haar is er geen verlossing, ons Geloof en onze
prediking zijn nutteloos, en alle religie verbrokkelt aan de basis: Inanis est
ergo predicatio nostra, inanis est fides nostra. Rationalistische schrijvers
hebben beweerd, dat dit geloof in de verrijzenis niet bestond in het Oude
Testament en dat het alleen dateert vanaf het Evangelie. Dit is volstrekt
onjuist. We hoeven maar door de lange rij feiten van de Mozaïsche traditie gaan
en naar de uitspraken van de grote Patriarchen en Profeten luisteren, om te
zien, hoe zij allemaal trilden van vreugde en hoop bij het vooruitzicht van de
voorbeloofde onsterfelijkheid, en dit nieuwe leven, dat hun deel zal zijn in
het hiernamaals vieren, en geen einde zal hebben. In het Boek Exodus staat Ik
ben de God van uw Vader; de God van Abraham; de God van Isaac en de God van
Jacob. In Mattheüs gebruikt Christus deze tekst, om aan de Joden de waarheid
van de verrijzenis te bewijzen: En wat de verrijzenis der doden betreft, hebt
u niet gelezen wat God u gezegd heeft: Ik ben de God van Abraham, de God van
Isaac en de God van Jacob? Hij is toch geen God van doden maar van levenden.
Heeft
de moeder van de Maccabeën niet, rechtop midden in het bloed en de
uiteengereten en verminkte ledematen van haar zonen, de goddeloze Antiochus
doen verstijven van angst, met de woorden: Weet wel, o boosaardig en zeer
perverse man, dat jij ons laat sterven voor dit leven, maar de Meester en Heer
van de wereld, zal ons ontvangen, wij die sterven voor Zijn Wetten en Hij zal
ons weer doen opstaan op de dag van de Verrijzenis.
Voor
de heiligen van het Oude Testament was dit geloof in de verrijzenis niet
slechts een symbool en een speculatieve leer; het was hun fundamentele
overtuiging en geloof, uitgedrukt in de wonderen en in de daden van hun leven.
Dat wat zij ons hebben nagelaten is daarvan een authentieke getuigenis.
De
eerste onder hen, zegt de Heilige Hiëronimus: was Abel, wiens bloed,
schreeuwend tot God, getuigenis af legde van de hoop in de verrijzenis van de
doden.
Daarna
komt Henoch, opgenomen, opdat hij de dood niet zou zien: Hij is het type en
voorafbeelding van de verrijzenis.
Ten
derde: Sara, wiens onvruchtbare schoot, uitgeput door ouderdom, zwanger werd en
een zoon ter wereld bracht, en ons de hoop van de verrijzenis geeft.
Ten
vierde: Jacob en Joseph, die instructies na lieten voor hun beenderen om
bijeengebracht te worden voor een eervolle begrafenis, hierdoor beleden zij hun
geloof in de verrijzenis.
Ten
vijfde: de verwelkte staf van Aaron, die bloeide en vruchten voortbracht en de
staf van Mozes, welke op Gods bevel levend werd en in een slang veranderde.
Al
dezen tekenen bieden ons een schaduw en beeld van de verrijzenis. En dan nog
dit: heeft Mozes niet erkend, toen hij Ruben zegende en zei: dat Ruben leve en
niet sterve,, terwijl Ruben al lang overleden was, getuigde hij daarmee niet,
dat hij hem de verrijzenis en eeuwig leven toewenste?
En als
men deze getuigenissen niet anders wil zien dan allegorieën of mystieke
verhalen, dan zouden we deze opsomming kunnen eindigen met de exacte woorden
van de profeet Daniël; en die laten geen twijfel bestaan over het constante en
universele geloof van het Oude Testament in de toekomstige verrijzenis: Ziedaar,
zegt hij, dat de menigte van hen die in het stof slapen zullen ontwaken, de één
voor het Leven, de ander voor de smaad. Deze waarheid, wordt bevestigd door de
H. Schrift, en niet minder krachtig uitgedragen door het verstand en de
Christelijke filosofie. De filosofie omarmt in haar uitgestrekt gebied alles
wat de natuur van God raakt, en de natuur van de mens en die van de wereld.
Welnu, het dogma van de verrijzenis vloeit voort uit de leer van de filosofie
over deze objecten, waarop haar domein zich uitstrekt en haar onderzoekingen
zich richten. Op de eerste plaats, vloeit het dogma van de verrijzenis voort
uit de kennis die de filosofie ons geeft over de natuur van God. God, zo leert
ons de Christelijke filosofie, is de eerste en de laatste oorzaak van heel de
geschapen wereld. Uit vrijheid heeft hij alles geschapen, met een soevereiniteit
en absolute onafhankelijkheid. Hij heeft ze allen getekend, min of meer, met de
eigenschap van zijn gelijkenis en van zijn en zijn oneindige volmaaktheden. Het
menselijke lichaam echter, gemaakt door zijn eigen handen en tot leven gebracht
door zijn adem, is het toppunt van zijn wonderwerken, het meesterwerk van Zijn
Wijsheid en goddelijke goedheid. Door de schoonheid en elegantie van haar
structuur, de adel van zijn houding en de schitteringen die hem verlichten, is
het lichaam van de mens oneindig superieur aan al de materiële wezens die uit
de hand van God zijn voorgekomen.
Het is
door het lichaam, inderdaad, dat de geest haar kracht openbaart en haar
koningschap uitoefent. Het lichaam, zegt Tertulianus, is het orgaan van het
goddelijke leven en de Sacramenten. Het is het lichaam dat gewassen wordt in
het water van het Doopsel, zodat de ziel haar zuiverheid en helderheid mag
verkrijgen. Het is het lichaam dat wordt gezalfd met olie en de zalving van de
H. Geest, zodat de ziel kan worden geheiligd. Het is op het lichaam dat de
handen worden opgelegd, zodat de ziel mag worden verlicht en gezegend. Het is
het Lichaam dat de Eucharistie ontvangt en haar dorst lest met het goddelijke
Bloed, zodat de mens, één wordend met Christus en delend met Hem hetzelfde
leven, eeuwig mag leven; opdat de ziel, ook mag worden gesterkt; het vlees
wordt overschaduwd met de oplegging van de handen, opdat de ziel mag worden
verlicht door de H.Geest; het vlees voedt het Lichaam en Bloed van Christus,
opdat de ziel gelijkelijk mag gedijen op haar God. Nogmaals, het is het
lichaam, dat de handen kruist in gebed en het hoofd buigt in aanbidding. Het is
het lichaam dat uitgemergeld door vasten en versterving, zichzelf offert als
een Holocaust op galgen en brandstapels en vergaat door het martelaarschap, en
aan God dit getuigenis van liefde aanbiedt, dat absoluut en onherroepelijk is,
wanneer het is bezegeld door de dood en in bloed tot erkenning komt. En zou het
lichaam van de mens instrument van de meest heldhaftige daden, kanaal van
alle genade en zegeningen, held van Christelijk getuigenis priester en
offeraltaar, en de maagdelijke bruid van Christus niet meer zijn dan het gras
in het veld, en zou het slechts een moment vreugde en leven, om veranderd te
worden in een handvol as en de prooi van wormen te worden en de gast van de
dood voor altijd? Dat zou weer godslastering zijn tegen de Voorzienigheid en
een belediging aan Zijn oneindige goedheid. Het dogma van de verrijzenis van de
lichamen komt voort uit de leer van de Christelijke filosofie over God; Het
komt, in de tweede plaats, voort uit de gedachten, die deze filosofie ons geeft
over de natuur van de mens.
Inderdaad
de mens bestaat uit: ziel en lichaam, geest en stof. En deze twee bestanddelen
zijn zo intiem en zo diep met elkaar verbonden daartussen is een
wederkerigheid en zon correlatie dat, zonder het lichaam als tussenkomst, de
geest, door haar natuur zelf, niet in staat zou zijn enige functie wat dan ook
uit te voeren of te verrichten. De geest zou - als het ware - een zucht zijn,
dat, zonder orgaan of stem, geen klank zou kunnen voortbrengen, of als een lier
met losse en gebroken snaren, die niet meer de lucht zou doen trillen met
heldere klanken. Dus zonder het lichaam, kan de ziel niet in een relatie treden
met de zichtbare buitenwereld; zij heeft noch het gebruik van het zien, noch
dat van het gehoor; zij kan haar handelen en heerschappij over de materie niet
uitoefenen, noch de elementen beheersen noch fruit smaken, of geuren inademen. En
de mond zelf de mond, die misschien gouden klanken heeft doen horen, die zo
dikwijls open ging om te leren of te loven is niet meer dan een verweerd,
verschrompeld, droog lidmaat, dat de ziel niet meer kan gebruiken om de harten
te bewegen en geesten te verlichten. Ongetwijfeld, zoals Thomas van Aquino
leert, zal God de na de dood gescheiden zielen een vorm van bestaan geven, dat
hen in staat stelt om elkaar te kennen, met elkaar te communiceren, zonder de
hulp van de lichamelijke organen, waarvan zij zijn ontdaan. Dat echter, zal een
wonderlijk en uitzonderlijk middel zijn, buiten de condities en normale wetten
van de menselijke natuur. Wat zeker is, dat door haar zelf en los van dit
vermogen God in zijn almacht iets aan de innerlijke constitutie toevoegt;
zonder het lichaam is de ziel onvolledig en is niet meer dan een verminkte
substantie, op zichzelf, uitgesloten van iedere omgang en communicatie met de
buitenwereld. Welnu als je vraagt, waarom het de Schepper heeft behaagt, om
twee bestanddelen in één en hetzelfde persoon bij elkaar te brengen, die zo
ongelijk en verschillend zijn in wezen en eigenschappen zoals lichaam en ziel;
en waarom Hij de mens niet als de engel wilde laten zijn, een zuivere geest...
dan is mijn antwoord op deze vragen, dat God zo deed, opdat de mens waarlijk de
koning zou zijn en de kern van al Zijn werken en opdat hij naar het voorbeeld
van Christus, in zijn persoonlijkheid de totaliteit van de geschapen dingen zou
mogen samenvatten, en het middelpunt zou zijn van alle dingen, en - door
lichaam en geest bij elkaar te brengen - zou hij de zichtbare en onzichtbare
orde dienen als vertolker van beiden, en ze gelijkelijk aan de Allerhoogste aan
te bieden in zijn hulde en aanbidding.
Hieruit
volgt dat, als de mens voor altijd zonder zijn Lichaam zou zijn, dan zou de
zichtbare materiële schepping geen middelaar of hogepriester meer hebben, geen
stem om haar hymne van dankbaarheid en liefde tot God te richten, en zou de
band, die onbezielde dingen met God verbindt voor goed verbroken zijn. Dus, als
God niet besloten heeft, zijn werk voor altijd terug te laten zinken in het
niets, als deze aarde, geheiligd door de voetstappen van Christus, bestemd is,
eens en voor altijd stralend en vernieuwd, te blijven, dan moet de mens in een
toekomstig leven weer opstaan, om de scepter en zijn koningschap terug te
winnen. Daaruit nogmaals volgt dat de dood niet ondergang betekent maar restauratie.
Als God besloten heeft dat ons aardse verblijf eens zal worden ontbonden, dan
is het niet met de bedoeling om ons ervan te beroven, maar om het subtiel, onsterfelijk
en onlijdbaar te maken, zoals, - aldus Johannes Chrisostomos, - een architect,
die de bewoner zijn huis laat verlaten voor een poos, om hem weer naar
hetzelfde huis te laten terugkeren nu herbouwd met groter glorie en pracht. De
gepastheid en noodzaak van de verrijzenis vloeit voort uit de natuur van de
mens zelf; en tenslotte uit de wetten en natuur van de wereld. De wet van de
wereld, zegt Tertulianus, is, dat alles zich vernieuwt en niets vergaat. Zo
volgen de seizoenen elkaar op. De bomen geven hun vruchten af n de herfst en
hun bladeren verkleuren en verdrogen als een verwelkte tooi in de winter; maar
dan in de lente worden de bomen weer groen. En hun loten botten uit en hun
blaren tooien zich met een nieuwe kroon van blaren en vruchten. Zo het graan en
het zaad toevertrouwd aan de voren van de akker vergaan en schijnen zich te
ontbinden door het effect van de vochtigheid en de werking van lucht; maar
tegen de tijd van de oogst is het door de grond naar buiten geschoten en weer als
een koren aar herboren in groter pracht, verjongt en vernieuwd. Zo ook de zon,
bij het vallen van de avond, verdwijnt in de schaduw van de schemering en zinkt
weg in de oceaan, doch in de morgen komt ze weer op de juiste tijd op om de
aarde te verwarmen en ontsteekt de lucht met licht en vuur. De dood is slechts
een slaap, een verborgen toestand. (het meisje is niet dood, het slaapt
(Mt.9,24)
Het is
de toestand van rust en stilte, waar de wezens, blijkbaar bewegingloos en
begraven, een nieuwe gedaante krijgen en een nieuwe vitaliteit en een nieuwe
energie : in het graf, waar zij slapen, ondergaan een proces van incubatie en
herbronning, waaruit zij vrijer en nieuw omgevormd zullen opschieten als een
uitgedoofde fakkel, die weer is aangestoken en schittert krachtiger door de
leven gevende adem van de geest. Of zoals een insect, dat over de modderige
grond kruipt, en na opgesloten te zijn geweest in de cocon, naar buiten kruipt
met nieuwe kracht en haar vleugels uitslaat en daarna zich op bloemen neerzet. Hier
zijn enkele kwesties, die vragen om opheldering.
Er is
gezegd, dat de doden zullen ontwaken bij de eerste bazuingeschal. Er is ook
gezegd, dat zij weer zullen opstaan, maar niet allen zullen worden veranderd.
Tenslotte kunnen we ons afvragen of de doden zullen opstaan in de toestand en
leeftijd zoals toen zij stierven hier beneden in deze wereld. In het hoofdstuk
over de angst voor het oordeel, is dit wat Hiëronimus leert, wanneer hij
commentaar geeft op de woorden van de Apostel Paulus: ...bij de laatste
bazuin, want de bazuin zal schallen, zegt Hiëronimus: Bij de schallen van de
bazuinen, zal de hele aarde worden getroffen door angst, en verder : Of je zit
te lezen of te slapen, schrijven of waken, laat de bazuin altijd in je oren
schallen. Zal deze bazuin, waarvan de echo zal doordringen tot in de sombere
spelonken van de afgrond, de vaders van het menselijke ras uit hun lange slaap
wekken, en een hoorbaar geluid voortbrengen? Het is mogelijk en het zou kunnen.
De engelen, die op die dag, etherische lichamen zullen aannemen om door alle
mensen gezien te worden, zouden ook uit de elementen en diverse substanties van
de lucht stoffelijke instrumenten kunnen maken, die echte klanken voortbrengen.
Maar als we moeite hebben met deze uitleg, dan kunnen we beter de interpretatie
van Thomas van Aquino aanhouden, die zegt dat de Apostel Paulus het woord bazuin
gebruikt in de allegorische betekenis, gewoon als een beeld, zoals de Joden de
bazuin bliezen om de mensen op te roepen voor de grote feesten, en om de
soldaten aan te vuren in de strijd, of om het opslaan van het kamp aan te
kondigen. In die betekenis wordt de stem van de engel een bazuin genoemd,
vanwege haar kracht en schittering. En het vermogen om alle mensen op te roepen
naar de zelfde plaats.
Ten
tweede, wordt er gezegd dat alle mensen weer zullen opstaan, maar niet allen
zullen veranderd worden. Zeker is, dat de verdoemden zullen opstaan, met al hun
fysieke en verstandelijke vermogens en al hun ledematen, en dat hun lichamen
geen ziekten of gebreken zullen hebben, maar zonder het bruiloftskleed van de
liefde, noch zullen zij gekleed zijn met de eigenschappen van de verheerlijkte
lichamen. Zij zullen niet van gedaante veranderd herboren zijn, noch lichtend
en subtiel, maar zoals zij waren op aarde, gangbaar, ondoorschijnend, geketend
aan de materie en de wet van de zwaartekracht. Zij zullen de intensiteit en
heftigheid van het vuur er niet minder om voelen; en dit vuur zal hen des meer
doen lijden, omdat, zijnde in een volmaakte staat van gezondheid en in volledig
bezit van hun fysieke en verstandelijke vermogens, zij des te meer bewust
zullen zijn van haar kracht en actie. Het vuur van de verdoemden is een vuur
aangestoken door de adem van Gods gerechtigheid, gemaakt alleen om te straffen.
Bij gevolg is de gestrengheid ervan geenszins in verhouding tot de
fijngevoeligheid of de diversiteit van de temperamenten. Het wordt gemeten naar
het aantal en de ernst van de te bestraffen misdaden, zoals er geschreven
staat: ignis eorum non exstinguetur. (Hun vuur zal niet worden uitgeblust.) Het
zal zich aan de slachtoffers vastklampen als aan een prooi, zonder dat hun
organen er door worden aangetast en zonder dat hun vlees ooit een verscheuring
of letsel voelt.
Tenslotte,
zullen zij opstaan met dezelfde leeftijd als zij waren toen zij stierven? De
meest waarschijnlijke opinie en het meest in overeenstemming met de H. Schrift,
is, dat zij zullen opstaan in de toestand van de volmaakte mens, volgens de
leeftijd van de volheid van Jezus Christus: in virum perfectum, in mensuram
aetatis plenitudinis Christi. Met andere woorden, alle mensen hersteld naar
het type en beeld van Christus, en voor zover dat mogelijk is en passend naar
de maat en de graad van hun verdiensten, zullen zij worden herboren in de
rijpheid van de mens, in de volle ontwikkeling van hun wezen en fysieke
constitutie, zoals Christus op de dag van Zijn Verrijzenis en zijn Hemelvaart,
dan binnengaand in zijn Zaligheid, Hij dan bezit gaat nemen van Zijn eeuwige
Heerschappij.
Tenslotte,
zal Jezus Christus de enige bewerker zijn van de Verrijzenis of zal het tot
stand komen door de bediening van de engelen? Wij zeggen, dat het direct door
de kracht van Christus volbracht zal worden, maar dat ook de engelen, zijn
dienaren, zullen worden geroepen hun medewerking en bijstand te verlenen. Want
er staat in Johannes Het uur komt, en het is er al, wanneer de doden de stem
van de Zoon van God zullen horen. Verder lezen we in Matteüs: Hij zal zijn
engelen zenden met een machtig bazuingeschal (en een machtige stem); en zij
zullen de uitverkorenen verzamelen van de vier windstreken. Zo zal
Jezus Christus, als koning en leider het signaal geven; Hij zal zijn bevel
laten horen en het aan Zijn engelen overlaten hun taak uit te voeren de
verspreide delen die eens tot onze lichamen behoorden en die bestemd zijn om ze
te reconstrueren, bij elkaar te brengen. Tegen deze op de H. Schrift gebaseerde
waarheden, komt de sceptische en spottende wetenschap in het geweer met
bezwaren, afkomstig van de wetten, die aan de natuurlijke orde zijn ontleend en
die de wetenschap beschouwt als definitief en onweerlegbaar.
Hoe,
zeggen zij, kunnen de engelen of, inderdaad, ieder andere hoger wezen, hoe
groot hun graad van perceptie ook is, ooit in staat zijn, om de overblijfselen
en delen van menselijke lichamen te verzamelen en te ontwarren, die verstrooid
liggen over continenten, verspreid onder het firmament, opgeslokt door de
zeeën, sommigen ontbonden, anderen opgegaan in damp of groente sap, anderen,
die gediend hebben om een menigte georganiseerde levende wezens te worden!
Aangezien de zelfde deeltjes van substanties zullen hebben behoort op
verschillende tijden aan een oneindige variëteit van lichamen, zal dat in de
macht van een engel zijn, om die deeltjes toe te wijzen aan een bepaalde
persoon en niet aan een ander? Het is voor ons gemakkelijk hierop te
antwoorden, dat, zodra de Engelen het bevel gekregen hebben, om de as van de
doden bijeen te verzamelen, hetzij met de hulp van hun natuurlijke kennis of
bijgestaan door een openbaring van Boven, zullen zij onmiddellijk de elementen
en stoffelijke delen kennen, die ieder menselijk lichaam moeten vormen; zij
zullen weten in welke plaats op zee of land deze stoffelijke delen liggen, en
in wat voor vorm zij bestaan. Er is een vroom geloof, dat iedere engel
bijzondere aandacht zal hebben voor de menselijke persoon die God aan zijn zorg
had toevertrouwd. Kan men veronderstellen, dat deze goede engelen de overblijfselen
van die personen waarover zij gewaakt hebben met zoveel liefdevolle zorgen in
de steek laten? Dat zij hen niet volgen in al hun wederwaardigheden en dat, op
het vereiste moment, niet de middelen hebben en de macht om de as te vinden?
Bovendien, zijn de engelen dan niet de gevolmachtigden en afgevaardigden van
God? Hoe dan is het aan te nemen, dat God, die alles ziet, die aanwezig is in
het atoom, in het gras sprietje, in elke zandkorrel op het strand van de zee,
niet in staat zou zijn om de engelen de deeltjes van onze lichamen te doen
onderscheiden, die Zijn blik omvatten en waarin hij leeft in zijn
onmetelijkheid en immensiteit? Laten we echter opmerken, dat de bediening van
de engelen beperkt zal zijn tot het vergaren van de resten en delen van onze
lichamen op de gewenste plaats.
Wat
betreft de ordening van deze verschillende delen de levensgeest die weer zal
worden ingestort in onze opnieuw herbouwde lichamen dat, zo zegt Thomas van
Aquino is een scheppend werk, dat de macht overtreft van de engelen natuur
zelf en die zal worden verricht door de directe, onmiddellijke kracht van God
zelf. Daarom zal de verrijzenis ogenblikkelijk zijn: het zal in een oogwenk gebeuren,
zegt de Apostel Paulus, in een seconde, als een bliksemschicht. De doden,
slapend in de sluimer van vele eeuwen zullen de stem van de Schepper horen en
zullen Hem prompt gehoorzamen, zoals de elementen Hem gehoorzaamden in de zes
dagen schepping : Dixit et facta sunt. Zij zullen de banden van de eeuwenlange
nacht afschudden en zich bevrijden uit wurggreep van de dood met grotere
behendigheid dan een slaper die wakker schrikt. Precies zo als Christus
voortkwam uit het graf met de snelheid van het licht in een ogenblik zijn
gewaad afwerpt en de verzegelde steen van zijn graf door een engel liet
wegnemen, en de wachters tegen de grond wierp, halfdood van schrik, zodanig,
zegt Isaiäs, in een even ondeelbaar tijdstip, dat de dood zal worden neer
geslagen: Praecipitabit mortem in sempiternam. De oceaan en de Aarde zullen
in hun diepten opengaan en hun slachtoffers uitwerpen, zoals de walvis, die
Jonas had opgeslokt, zijn kaken opende om hem op het strand van Tarsus te
werpen. Dan zullen menselijke wezens, vrij, zoals Lazarus, van de banden van de
dood, van gedaante veranderd zich in het nieuwe leven storten en zij zullen
spotten met de wrede vijand, die zich zeker waande hen geboeid te houden in
eeuwige gevangenschap. Zij zullen zeggen: O dood waar is je overwinning? O
dood, waar is je prikkel? Absorpta es, mors, in victoria tua.
Maar
er is één dwaas en stom bezwaar, waar we op moeten wijzen; en dat is dat van de
materialisten van onze tijd. Het menselijk lichaam, zo zeggen zij, is
samengesteld en wordt onophoudelijk weer omgevormd, door leeftijd, ziekte,
veranderingen van elementen, en vooral door voeding. Het lijdt constant en
voortdurend verval en vernieuwing. De ledematen kunnen verschrompelen of vet
worden; de haren vallen uit en groeien weer aan. Het is bekend dat het vlees
van een ouder mens geen enkel deeltje, geen enkel atoom van het bloed en
vochten bevat, die zijn stoffelijke structuur vormde, toen hij nog een kind
was. Zal al dit stof, al deze verschillende en verschillende overblijfselen,
die eens zijn organisch leven gevormd hebben, aan de mens worden hersteld,
wanneer hij van zijn as opstaat? Als ze niet aan hem worden teruggegeven, als
hij van ze verstoken blijft zoals gezegd, hoe kan hij dan weer herboren worden
met hetzelfde lichaam, waarmee hij was verenigd in zijn leven? Indien
anderzijds, hij met het geheel van de delen, die zijn constitutie vormden,
opstaat, in dit geval moet het lichaam van verrezen uitverkorenen, welke, zoals
gezegd, vol moeten zijn met harmonie en volmaaktheid, maar zullen in
werkelijkheid net een massa vormeloze, gebrekkige delen zijn. Ware wetenschap
heeft al lang gehakt gemaakt van de onhoudbaarheid en dwaasheid van een
dergelijke theorie. In onze tijd heeft een publicist van naam en diepgang, een uitstekend
theoloog, even thuis in de natuurlijke als in de gewijde wetenschappen, met
onweerlegbare argumenten deze meningen, die even banaal zijn als dwaas,
weerlegd: In het lichaam van een mens, zegt hij, is er iets wezenlijks en iets
secundair of accidenteel, bijkomstigs. Het wezenlijke deel is dat, wat hij met
geen enkele ander gemeen heeft, dat hij alleen heeft en voor altijd bezit. Het
is dat deel van hem, dat bestond op het moment dat hij was gevormd, bezield en
tot leven gebracht door de ziel. Deze wezenlijke elementen zal hij altijd
behouden; zij zullen altijd van hem blijven en zijn. De rest, wat meegebracht
is door voeding, digestie, en assimilatie, dat is hij niet. Dat kan hij
verliezen en dat doet hij ook zonder dat hij ophoudt zichzelf te zijn. Het zal
met deze wezenlijke en persoonlijke elementen zijn, dat God de glorievolle en
geestelijke lichamen zal doen verrijzen eveneens zal Hij het onsterfelijke verderf
van de verdoemden doen verrijzen. De ziel, die dezelfde is en de echte kern en
het constitutieve element, blijft dezelfde, maar de rest is van weinig belang.
Maar haar identiteit blijft eeuwig.
Bovendien,
is het op de eerste plaats nauwkeurig aangetoond, dat er in een lichaam zo
groot als de aarde genoeg holten en poriën denkbaar zijn, niet groter dan een
zandkorrel. Ten tweede, dat omgekeerd in een zandkorrel er genoeg scheidbare
deeltjes zijn, atomen, en moleculen om er een globe van de vormen, zo groot als
de aardbol. Met deze twee uiterst diepe geheimen van de natuur voor ogen,
durven wij dan nog de mogelijkheid of onmogelijkheid van de reconstructie van
het menselijke lichaam, met haar wezenlijke originele elementen, betwisten? Laten
we dit verhaal van de verrijzenis besluiten door de herinnering aan haar pracht
en verhevenheid. De verrijzenis zal een groots en indrukwekkend schouwspel
zijn, dat alles zal overtreffen wat zich ooit op aarde heeft afgespeeld en dat
zelfs de plechtigheid van de eerste schepping in de schaduw stelt. Het mooiste
tafereel, dat voor ons staat opgeschreven is van de profeet Ezechiël: De hand
van Jahweh raakte mij aan. In de geest van Jahweh voerde Hij mij weg en liet
mij neer in de vallei: en die lag vol beenderen! Aan alle kanten leidde Hij mij
erlangs; en ik zag, dat ze over de gehele uitgestrektheid van het dal zeer
talrijk waren en zeer dor. Toen vroeg Hij mij: Mensenkind, zullen deze
beenderen weer levend worden? Ik antwoordde, Heer Jahweh, gij weet het. En Hij
sprak tot mij: Ge moet over deze beenderen profeteren en zeggen: Dorre
beenderen, luister naar het woord van Jahweh!
Zo
spreekt Jahweh tot deze beenderen: waarachtig Ik ga een geest in u brengen,
opdat gij weer levend wordt. Ik zal u spieren opleggen, vlees over u laten
groeien een huid over u heentrekken en een geest in u storten, opdat ge levend
wordt. Zo zult gij erkennen dat Ik Jahweh ben Ik profeteerde zoals mij bevolen
was. En terwijl ik profeteerde hoorde ik een geluid; er ontstond een gedruis,
doordat de beenderen zich naar elkaar toe bewogen, het ene been naar het
andere. En terwijl ik toekeek, kwamen er spieren op en vlees, en trok er een
huid overheen, maar nog waren ze levenloos. Toen sprak Hij tot mij: Ge moet tot
de geest profeteren. Profeteer mensenkind, en zeg tot de geest: Zo spreekt
Jahweh, de Heer! Kom, O geest van de vier windstreken, en blaas in deze doden
opdat ze levend worden! Ik profeteerde zoals Hij mij bevolen had; en geest kwam
erin, zodat ze begonnen te leven en rechtop gingen staan: een indrukwekkende
menigte. Daarna verklaarde Hij mij: Mensenkind, deze beenderen betekenen het
gehele huis van Israël. Zie, zij zuchten: Verdord zijn onze beenderen,
vervlogen is onze hoop, het is met ons gedaan! daarom moet ge profeteren en
zeggen: Zo spreekt de Jahweh, de Heer! Waarachtig, ik ga uw graven openen, u
opwekken uit uw graven, o mijn volk, en u terugbrengen naar Israëls grond. Zo
zult gij erkennen dat ik de Heer ben, wanneer ik uw graven open en laat je
eruit opstaan O mijn volk!
|