|
48. Vrijgevigheid
Vrijgevigheid is het vermogen om te delen met Uw medemens.
Dit vermogen heeft zeer veel te maken met een groot geloof in Gods
Voorzienigheid, het vertrouwen dat U zelf nooit iets tekort zult hebben, zelfs
al geeft U van Uw eigen bezittingen aan Uw medemens. Het is inderdaad zo dat
hoe meer U geeft, hoe rijker U wordt, en zelfs niet alleen in de ziel: niet
zelden compenseert de Voorzienigheid rijkelijk alles wat U aan anderen
weggeeft. Alleen de mens die twijfelt aan Gods Liefde, of die geen rekening
houdt met het feit dat God bestaat en werkt, kan zo krampachtig aan alles
vasthouden dat hij uiteindelijk in de ondeugd van de gierigheid dreigt te
vervallen. Deze mens heeft niet begrepen, of gelooft niet, dat God alles geeft
wat nodig is om te leven. Vrijgevigheid is een deugd die steunt op het vermogen
tot onthechting, loskomen van het materiële, en tot het kiezen voor het
onstoffelijke, de noden van de ziel.
Vrijgevigheid betekent, aan Uw medemens te kunnen geven
zonder daarbij echt strakke grenzen te trekken. Ware vrijgevigheid is pas
mogelijk op grond van oprechte naastenliefde in combinatie met vertrouwen op
het feit dat God Uw leven in handen heeft. De vrijgevige mens heeft begrepen
dat er grotere waarden in het leven zijn dan het materieel bezit, en dat God
niemand in de steek laat wanneer hij weet te vertrouwen. Ik moet U hier
herinneren aan het Evangelie volgens Mattheüs, waarin Jezus zegt dat de vogels
en de lelies in het veld zich geen zorgen maken over hun materiële leven, en
dat de Vader voor hun noden zorgt. Hij maakt daarbij duidelijk dat de mens zich
slechts om één ding behoort te bekommeren: Om de bevordering van het Rijk Gods
op aarde, de noden van God, want indien de mens zich om Gods behoeften
bekommert, zal God Zich op Zijn beurt om de mens bekommeren.
In sommige gevallen is vrijgevigheid niet zuiver een uiting
van deugd, namelijk indien zij een gevolg is van een geestesstoornis. In dat
geval is sprake van een onverantwoordelijk gedrag waarbij op eerder onbezonnen
wijze dingen weggegeven worden, terwijl de schenker niet ten volle beseft wat
hij doet of een ontoereikende vooruitziendheid naar de dag van morgen toe lijkt
te vertonen. Vrijgevigheid kan ook een ziekelijke graad aannemen, en vervallen
in verspilzucht of verkwisting. Hierbij worden in een overdreven, niet
meer te rechtvaardigen mate dingen weggegeven waardoor de schenker zelf zwaar
in moeilijkheden komt. Het kan daarbij ook gaan om totaal onnodige, overbodige,
nutteloze uitgaven. In deze gevallen is geen sprake meer van handelingen die
voortvloeien uit een gezonde Liefde en een bewust vertrouwen op Gods
Voorzienigheid, doch eerder van roekeloos, onvoorzichtig, ondoordacht handelen.
Gebrek aan vrijgevigheid kan, zoals gezegd, tot gierigheid
worden. Hieronder hoort bijvoorbeeld de neiging om de eigen bezittingen op te
sparen als een doel op zich, vaak met als enige doel de voldoening van het zien
aangroeien van het eigen financieel kapitaal. Hier bestaat de ondeugd uit
diverse elementen. Ten eerste vormt deze gesteldheid een verheerlijking van het
materialisme, waarbij het eigen bezit tot afgod wordt. Ten tweede heeft de gierige
mens doorgaans de neiging, zijn medemens in nood niet te helpen bij het lenigen
van diens nood. Terwijl hij vaak zelf overvloed heeft, leeft hij overdreven
zuinig (op een krampachtige wijze, namelijk onder voortdurende berekening en
afweging van zijn uitgaven tegen het al dan niet trager aangroeien van zijn
bezit dan hij zou willen) en zou hij liever zijn noodlijdende medemens de deur
wijzen dan zijn kapitaal (zijn afgod!) met enkele centen te zien verminderen.
Zeer verwant met de gierigheid, en doorgaans ermee gepaard
gaand, is de hebzucht. De hebzuchtige mens eist alles voor zich op en
stelt zich tot doel, zo veel mogelijk naar zich toe te trekken in de waan dat
elke kruimel die naar een medemens gaat, voor hemzelf een gemiste kans is en
hem vroeg of laat in moeilijkheden (in nood of gebrek) zal brengen. Doordat het
materiële hier een doel op zich is geworden, en vaak de enige drijfveer is voor
elk detail van zijn leven, ontstaan in de belevingswereld van de hebzuchtige
ziel uiteindelijk een eindeloze reeks verlangens, die hij stuk voor stuk
najaagt, en die hem steeds verder van God en van de ware behoeften van zijn
ziel wegleiden. Het is op het fundament van de hebzucht dat de gezindheid van
de concurrentie geboren wordt: de wedijver met de medemens om zichzelf zoveel
mogelijk toe te eigenen ten koste van de ander. Dit is in feite het einde van
alle deugden, want de hebzucht is de moeder van de onverdraagzaamheid, de
onzuiverheid (leugen, bedrog, enz.!), het ongeduld (men wordt gedreven door een
ware koorts om geld en materiële goederen te verwerven), enzovoort.
Hiermee staat de deur open naar zonden van allerlei soort.
Hebzucht kan een zodanige koorts in de geest verwekken dat de mens een
welbepaald iets ten koste van elke prijs wil hebben. Naarmate de ondeugd in de
ziel het zondebesef heeft verdoofd, kan dit aanleiding geven tot vrijmoedige
diefstal, en indien nodig geacht, tot het beroven van de medemens met het
toebrengen van lichamelijke letsels, want alles wat de bevrediging van de
vermeende behoefte in de weg staat, zelfs al is dit een medemens, wordt
beschouwd als een hindernis die opgeruimd moet worden. Hebzucht heeft ten volle
raakpunten met egoïsme, waarover wij het in punt 25 reeds hebben gehad.
De hebzucht en de gierigheid zijn ernstige afwijkingen van
de waardigheid die God aan de mensenziel heeft geschonken. Zij verheffen het
materiële, dat ons door God wordt geschonken om ons het leven op aarde mogelijk
te maken, tot absolute doelstelling op zich, ten koste van de aangelegenheden
van de ziel. Om van deze afwijkingen te genezen, is een vernieuwing van
het bewustzijn ten aanzien van Gods bedoelingen, Zijn werking met de mens en de
ware behoeften van de ziel noodzakelijk.
49. Vergevingsgezindheid
"Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven aan
onze schuldenaren". Dit verzoek dat wij in het Onzevader zo vaak tot God
richten, betekent in zijn oorspronkelijke betekenis "vergeef ons in de
mate waarin wij onze medemensen vergeven hebben". Vergeving
schenken aan Uw medemens is een voorwaarde om zelf van God vergiffenis te
verkrijgen. Waarom vergeven? Omdat U daardoor te kennen geeft dat U aanvaardt
dat Uw medemens fouten kan maken omdat ook hij, evenals Uzelf, niet alwetend en
niet alvermogend is. Door te vergeven, gaat U ervan uit dat Uw medemens niet
bewust en niet opzettelijk heeft willen dwalen, maar dat hij misleid is geweest
tegenover U. Dat kan Uzelf ook overkomen. Door te vergeven, kunt U een ziel
waarlijk genezen. Vergeven is een heldhaftige daad van naastenliefde. Het is
een daad waarmee U de satan veel wind uit de zeilen neemt, want vergeving
bewerkt verzoening en kan daardoor veel onvrede tussen zielen en binnen in de
harten wegnemen.
Zolang U Uw medemens niet echt in het hart hebt vergeven,
blijven gevoelens van wrevel, wrok of rancune sluimeren: vormen van onvrede die
een normale, ontspannen, spontane communicatie met die medemens in de weg
staan. In dat geval kan tussen U beiden sprake zijn van wat men tussen staten
'koude oorlog' of 'gewapende vrede' zou noemen: toestanden waarin geen conflict
wordt uitgevochten of geen strijd wordt geleverd, en zelfs voor het oog van de
buitenwereld een glimlach wordt uitgewisseld, doch achter de schermen in feite
elkaar niets goeds wordt toegewenst. Sommige mensen koesteren een zodanige
rancune dat zij jarenlang koppig weigeren om een woord te spreken tegen iemand
met wie zij onenigheid hebben gehad. Dat is wat wel vaker gebeurt tussen buren
en zelfs onder familieleden. Deze mensen verbieden daarenboven vaak hun
vrienden of andere familieleden om met de betrokken personen te spreken,
wat de ondeugd nog vergroot, want hierdoor worden gevoelens van haat gevoed en
breiden deze zich soms heel ver uit.
Wanneer de onverzoenlijkheid een ernstige graad aanneemt,
kunt U haatdragend genoemd worden. Deze gesteldheid is een sluipend gif voor Uw
eigen ziel. Dezelfde gesteldheid heerst in een hart dat belust is op
wraak: er is niet alleen geen vergeving, er wordt zelfs gewacht op een
gelegenheid om een kwaad toe te brengen dat minstens even groot is als datgene
wat Uzelf is aangedaan. Onder andere de mens die niet tegen verlies kan, zal
neigen tot wraakzucht. Hij wil zich hierdoor op één of andere wijze revancheren
en als het ware bewijzen dat hij de meerdere is. Het is inderdaad opmerkelijk
hoevele ondeugden op één of andere wijze raakpunten vertonen met die zo grote
ondeugd van de hoogmoed. Eerder zeldzaam is de mens die niet de neiging of de
behoefte bezit om anderen aan zich te onderwerpen of lager dan zichzelf neer te
halen. Zij die in Gods ogen het grootst zijn, voelen zich vaak het meest
onwaardig, terwijl zij wier ziel de grootste poetsbeurt behoeft, er het meest
naar streven om de hele wereld onder hun voeten te leggen. Gebrek aan
vergevingsgezindheid treedt ook te voorschijn bij de mens die er niet kan toe komen,
de eerste stap te zetten om een ruzie bij te leggen.
Het kan heel heilzaam zijn, ook voor Uw eigen ziel, in het
Sacrament van de Biecht elke situatie van Uw hele leven uit te spreken
waarin U met iemand in onmin, onenigheid of ruzie bent geweest, zelfs het
geringste meningsverschil, en U nooit uitdrukkelijk met die mens verzoend hebt.
Wellicht kunt U zich al die situaties niet precies herinneren, maar U kunt ze
wel alle samenvatten in één Biecht, op voorwaarde dat U de oprechte wens hebt
om waarlijk aan al Uw 'vijanden' (verleden en tegenwoordige) in de geest de
hand te reiken.
Het is een hartverwarmend moment, een medemens de hand te
reiken tot verzoening. Kunt U echter om één of andere reden de betwiste zaken
niet uitdrukkelijk met die mens uitpraten of U met hem verzoenen, doe dit dan in
de geest en in het Sacrament van de Biecht, dan staat U in de ziel zuiver
tegenover Uw medemens. Het kan namelijk voorkomen dat een mens die tegen U
heeft misdaan, van Uw levensweg weggenomen wordt, hetzij dat U hem nooit meer
terugziet hetzij dat hij overlijdt, of ook dat hij voor Uw verzoeningspogingen
niet openstaat. In dat geval kunt U in ieder geval Uw vergeving uitspreken in
de geest en in de Biecht.
50. Geestdrift
Letterlijk betekent geestdrift: 'gedreven worden door de
Geest'. Geestdrift, ook enthousiasme genoemd, is een uiting van bezieling door
het Vuur van de Heilige Geest, die blijmoedig en vreugdevol maakt. Geestdrift
geeft uitdrukking aan de golf van energie die over de mens komt wanneer de
Heilige Geest in hem werkzaam is. Het is de blijmoedige gedrevenheid van de
ziel die plots vleugels lijkt te krijgen omdat zij plots haar ware
levensbestemming, haar ware roeping, heeft ontdekt, en nu als door een heilige
wind gedreven afstevent op dat doel. Deze gedrevenheid kan zelfs lijken op een
ware ontploffing van energie in het geval van een plotse mystieke roeping. In
dit geval lijken de geest en het hart letterlijk open te barsten, het hele
wereldbeeld en de kijk op het leven veranderen als bij toverslag, en een onvoorstelbare
energie, Liefde, vreugde, blijheid en spirituele werklust overheersen
plotseling het hele wezen, als door een volkomen wedergeboorte.
Gebrek aan geestdrift komt tot uiting in futloosheid en
doelloosheid. De mens zonder geestdrift dwaalt als het ware rond als een bootje
zonder zeil midden op een windstille oceaan, ten prooi aan elke toevallige
beweging van het water, in welke richting ook, en lijkt niet op een welbepaald
doel gericht. Het is alsof zijn handelingen zonder bezieling voltrokken worden,
zonder motivatie en zonder op een duidelijk punt gericht te zijn. Daarom lijkt
deze mens in al zijn handelen aarzelend en weinig energiek. Hij lijkt niet echt
te weten waartoe zijn handelingen dienen, waar ze goed voor zijn en wat voor
nut ze wel zouden kunnen hebben. Daardoor verspilt hij veel krachten en krijgt
hij ook weinig gedaan, en de dingen die hij toch tot stand brengt, geven hem
weinig bevrediging, want hij ziet ze niet als stappen in een welbepaalde
richting die de verwezenlijking van zijn levensdoel dichterbij brengen, want
hij heeft geen welomschreven doel. Vele dingen worden gedaan in een gesteldheid
van lauwheid, eerder apathisch, zonder veel gevoel, onverschillig, alsof het
allemaal niet veel uitmaakt. De inzet is dan ook bij alle gedragingen laag te
noemen.
De mens met een gebrek aan geestdrift ziet weinig of geen
zin in het leven. Naarmate de bezieling kleiner wordt, neemt ook de levenslust
af. Zo bekeken, wordt het ook duidelijk dat mensen die zelfmoord plegen, geen
levenslust meer hebben doordat het hen aan geestdrift ontbreekt. Zij vinden
niet meer de bezieling door de Heilige Geest waardoor zij de moeilijkheden van
het leven zouden aankunnen, want de Heilige Geest is 'de grote Trooster in de
tijd', de Goddelijke Persoon die troost biedt, met andere woorden die moed
geeft om door de moeilijke fasen heen te komen door te laten zien waartoe zij
dienen. De ziel zonder geestdrift leeft wezenlijk in duisternis. Zij ziet
eerder wolken en nacht dan zonneschijn. Net zoals gebrek aan blijmoedigheid kan
ontaarden in depressiviteit, kan ook een langdurig gebrek aan geestdrift tot
regelrechte depressie uitgroeien. Een ziel zonder geestdrift leeft als het ware
constant met gesloten deuren en ramen. Het Licht van de Heilige Geest komt er
niet meer binnen, en op termijn verstikt deze ziel ook bij gebrek aan
verluchting.
De heiligmakende geuren van de andere deugden krijgen
evenmin nog een kans om de ziel te betreden, en het gebrek aan levenskracht
brengt moedeloosheid met zich mee: de ziel lijkt in zich geen reden meer te
vinden om zich in te zetten, en leeft al spoedig niet echt meer. Deze mens
krijgt het gevoel dat het leven werkelijk aan hem voorbij gaat, dat hij nergens
deel aan heeft, dat hij 'geleefd wordt' (deze mens lijkt 'spiritueel
dood', en wordt nog slechts bewogen door een kracht die mechanisch op hem
inwerkt doch waaraan hijzelf geen deel meer lijkt te hebben). Hij heeft niet
meer de neiging om initiatieven te nemen. Hij vegeteert eerder dan dat hij
leeft, doordat de kanalen van het Ware Leven die hem met God verbinden,
drooggelegd lijken. Alles lijkt dorheid. Zonder het Vuur van de Heilige Geest,
of nauwkeuriger uitgedrukt: zonder het aanvaarden en in zichzelf tot nut maken
van dat Vuur, is geen werkelijk Leven mogelijk. Een uiting van gebrek aan
geestdrift is ook de lusteloosheid en luiheid in alle gedrag. Luiheid kan haar
oorsprong vinden in lichamelijke vermoeidheid, in ziekte, doch heel vaak ook
gewoon in een tekort aan bezieling.
Geestdrift is de kracht die de ziel reeds op aarde deel laat
hebben aan de vreugde van het Leven na dit leven. Het is een kracht die de
heiligen drijft tot hun heldhaftige deugdzaamheid, hun vruchtbare werken, hun
bezielde geschriften, hun vurige Liefde, hun totale toewijding aan Jezus en
Maria, hun spirituele onrust in de zin van "geen rust kennen omdat zij nog
zoveel voor de Hemel willen volbrengen, en de tijd zo kort is". Geestdrift
is overigens een kracht die zowel lichaam als ziel doordringt, want het is
kenmerkend voor een ziel die handelt onder impuls van de Heilige Geest dat zij
ook op het lichamelijk vlak een grote energie lijkt te ontwikkelen (zie wat ik
zo-even nog schreef over de mystieke roeping). Vandaar dat een geestdriftig
mens zodanig verbeten kan ijveren voor zijn ideaal dat hij zichzelf nauwelijks
lijkt te kunnen temperen, zelfs wanneer hij zich op zich niet zo sterk voelt.
Dat is ook een verschijnsel dat bij heiligen opvallend vaak
voorkomt: zelfs bij ziekte zijn hun toewijding, inzet en slagvaardigheid vaak
opmerkelijk. Zegt het Veni Creator niet terecht: "Geef dat ons zwakke
lichaam leeft vanuit de kracht die Gij het geeft"? Uw lichaam is
vergelijkbaar met een wagen: Al is de motor nog zo sterk, al zijn de bedrading
en het hele mechanische overbrengingssysteem nog zo degelijk, hij zal geen meter
rijden zonder benzine. Uw benzine is de bezieling door de Heilige Geest. Het
levensprincipe, datgene wat die verzameling van cellen die samen Uw lichaam
vormen, doet bewegen, is de adem van Gods Geest.
51. Dankbaarheid
Uw hele leven is als een kleed dat door de Goddelijke
Voorzienigheid voor Uw ziel geweven wordt. Dank daarvoor. Het leven in deze
wereld is zo moeilijk en vaak zo teleurstellend geworden, dat het
onwaarschijnlijk klinkt wanneer iemand U zegt dat al Uw doen en laten één
onophoudelijke dankzegging aan God moet zijn. Nochtans bestaat er eerder reden
om te danken voor datgene wat U, menselijk gesproken, als onaangenaam overkomt,
dan voor het vreugdevolle, want precies het minder aangename legt de mooiste
bloemen in Uw ziel, op voorwaarde dat U het draagt in overgave, aanvaarding en
Liefde. Uw hele leven, tot in de kleinste bijzonderheden, is als een breiwerk.
Niets is toeval, alles heeft een reden en een doel, maar deze zijn U niet
bekend.
Danken voor alles, betekent dat U erop vertrouwt dat God met
alles slechts het beste met U voorheeft, dus dat U vertrouwt op Zijn Liefde.
Wanneer iets gebeurt waar U het moeilijk mee hebt, moet U ervan overtuigd zijn
dat God dit toelaat omdat dit binnen Zijn Plan past. Van U wordt slechts
verwacht dat U op elke situatie inpikt op een wijze die in overeenstemming is
met de deugdzaamheid. Danken is in Gods ogen steeds een act van vertrouwen: met
Uw dankbaarheid zegt U in feite tot Hem: "Ik weet dat dit mij een stap
dichter bij mijn Eeuwige Bestemming brengt". En U weet dat die Eeuwige
Bestemming, indien U God laat begaan, alleen de Gelukzaligheid van de Hemel kan
zijn.
Gaat U eens bij Uzelf na in welke mate U de dingen van het
leven vanzelfsprekend vindt, of integendeel beseft hoezeer alles een geschenk
is. Het antwoord op dit kleine zelfonderzoek zal U veel leren over de graad van
Uw dankbaarheid. Let er trouwens ook eens op of U de neiging hebt, alleen
datgene te zien wat in Uw leven niet goed gaat. Ook dàt is een uiting
van ondankbaarheid, want U legt hierdoor de klemtoon op wat U beschouwt als
'punten waarop God tekort schiet'. Dit is een gelijkaardige gesteldheid als
deze waarmee U een medemens zou beledigen, die zich pas een hele dag heeft
uitgesloofd om U werk uit handen te nemen, en die als enige opmerking uit Uw
mond te horen krijgt "Je bent een vaas vergeten af te stoffen". Zo
moet God Zich vaak voelen wanneer Hij in de harten kijkt.
De mens heeft veel meer redenen om dankbaar te zijn dan hij
beseft. Ongeacht hoe zwaar de beproevingen op Uw levensweg, het is steeds Gods
Liefde die U overeind houdt. Elke nieuwe dag is een gelegenheid om verdiensten
te verzamelen voor Uw Eeuwige Gelukzaligheid en voor het Heil van Uw
medemensen, wat ook voor Uzelf heel genadevol is. Bedenk dat een dag van zware
beproeving (waarvoor U dus menselijk gesproken niet vlug zult danken) een groot
verschil kan maken voor Uw Eeuwig Heil. U kunt Uw ziel in een veel grotere
staat van genade brengen door een moeilijke periode met vrucht te doorstaan.
Wees daarom dankbaar voor alles, ook voor het minder gemakkelijke.
Een grote vorm van dankbaarheid is de toewijding. Wanneer U
Uzelf formeel toewijdt (bijvoorbeeld aan Maria), en U leeft er daadwerkelijk
naar, wordt Uw hele leven één en al dankzegging, want ware toewijding is een
heilig verbond waardoor U Uw hele leven en alles wat U hebt, in Marias handen
legt. In wezen dankt U dan automatisch voor alles wat Uw pad kruist, want Uw
hele leven wordt dan één offergave, en echte toewijding is onmogelijk zonder
liefdevolle aanvaarding van lijden en lasten. Indien U tegen de beproevingen
protesteert, is toewijding inhoudsloos en zinloos, en heeft zij geen enkel
fundament. Ondankbaarheid uit zich vaak in een gebrek aan blijmoedigheid.
De mens die niet met zijn eigen hart in het reine is,
verliest gemakkelijk zijn blijmoedigheid, maar geeft hierdoor aan God te kennen
dat hij ondankbaar is voor de lasten die zijn levensweg hebben gekruist.
Dankbaarheid die zich uit in een blij gemoed, is een voortdurende
verheerlijking aan God.
52. Medelijden
Medelijden is een begrip dat enigszins dubbelzinnig is. Als
deugd mag medelijden niet verward worden met meewarigheid, dat een element
in zich draagt van min of meer 'vanuit de hoogte beklagen'. Het echt medelijden
is het 'lijden met', het vermogen om het lijden van de medemens met pijn in Uw
hart aan te voelen en er echt dat eigen lijden mee te verbinden, alsof U er één
gezamenlijk offer van wilde maken. Wanneer U echt medelijden voelt, streeft U
ernaar, het lijden van Uw medemens te verlichten door hem tot bron van troost
te zijn. U laat hem dan voelen dat zijn lijden U werkelijk niet onberoerd laat,
maar dat U een deel ervan in Uw eigen hart hebt gesloten om hem dat kruis te
helpen dragen. Oprecht medelijden is één van de mooiste uitingen van
naastenliefde, en zeker een uiting die U op Jezus doet gelijken, want
medelijden maakt U tot medeverlosser. Medelijden is de gesteldheid waarin U
betreurt dat het Uw medemens zo vergaat, en ernaar verlangt om een
daadwerkelijke bijdrage te leveren tot het verzachten van zijn lot.
Oprecht medelijden is iets heel anders dan het beklagen van
Uw medemens. Wanneer U Uw naaste beklaagt, bewijst U hem weliswaar de
lippendienst waardoor hij verneemt dat U het jammer vindt dat hij dit of dat
lot moet doorstaan, doch U onderneemt niets concreets om dat lot te verlichten.
Wanneer U oprecht medelijden koestert, spreekt U eventueel bemoedigende woorden
tot hem, maar vooral onderneemt U stappen om samen met hem door de zure appel
heen te bijten, door daadwerkelijke hulp, door gebed, door boete en offers die
voor hem genaden kunnen bekomen.
Oprecht medelijden berust op een vermogen tot
inleving. Dit is het vermogen om Uzelf in de plaats te denken van Uw
medemens, U levendig te kunnen voorstellen wat hij doormaakt en wat hij voelt.
Het is als het ware de kunst en de bereidheid om Uw hart in het zijne te
leggen. Dat is op het spiritueel vlak van het grootste belang. Een lijdende
ziel is doorgaans voldoende gevoelig om te merken of U haar met meewarigheid
benadert, of U haar beklaagt, dan wel of er inderdaad medelijden bij U leeft.
Alleen in dit laatste geval zal zij de bereidheid vinden om zich helemaal voor
U open te stellen, en alleen dan kan zij ook werkelijk hulp ontvangen, want in
dit geval zal God U als gezant of werktuig gebruiken om Uw medemens uit de put
te halen of een concrete bijdrage te leveren om zijn lijden te verlichten. God
werkt liever door mensen dan rechtstreeks in te grijpen. Hij vindt Zijn
grootste verheerlijking in de naastenliefde, omdat een leven dat gevuld is met
daden van naastenliefde een spiegelbeeld is van het leven van Jezus.
Medelijden hoeft niet alleen gericht te zijn op lichamelijk
of materieel leed bij Uw medemens. U kunt net zo goed medelijden koesteren met
de toestand van een ziel: De staat van ongenade van een mens die
veelvuldig zondigt, kan voorwerp worden van intens medelijden bij de mens die
door de Heilige Geest voldoende op scherp is gesteld om daar gevoelig voor te
zijn. Wanneer U bedenkt dat een mens in onwetendheid of verblinding het
doodvonnis van zijn ziel kan tekenen door een zware zondelast met zich mee te
dragen, niet te biechten, geen tekenen van berouw te vertonen, geen gebedsleven
te leiden en nog veelvuldig verder te zondigen, kan de gedachte aan zijn
mogelijke eeuwige verdoeming U bevangen. Zelfs zonder een woord met deze mens
te wisselen, kunt U medelijden voelen en dit omzetten in concrete daden door
voor die mens te bidden, te offeren en vergiffenis af te smeken.
Indien U tekort schiet in de deugd van het medelijden, bent
U eerder ongevoelig voor het leed van Uw medemens. Gebrek aan medelijden kan
zich uiten in hardvochtigheid, een hardheid van het hart waarbij het U
onverschillig laat dat Uw naaste het moeilijk heeft. Een andere vorm van tekort
aan medelijden is het leedvermaak, waarbij U zich verheugt over de
tegenslagen van Uw medemens, over het feit dat het hem niet goed gaat, en er in
sommige gevallen zelfs heimelijk naar tracht dat hij 'van zijn voetstuk zou
tuimelen' opdat hij U minder in de schaduw zou stellen door zijn prestaties,
zijn succes, zijn inkomsten, enzovoort. Er zijn mensen voor wie de dag niet
meer stuk kan zodra zij hebben vernomen dat iemand die hen om één of andere
reden een doorn in het oog is, iets heeft meegemaakt dat hem benadeelt. Vaak
verzwaren deze mensen hun zonde nog door geen kans onbenut te laten om de
getroffene nog extra af te kraken in allerlei achterklap. Trachten naar iemands
ondergang komt er in wezen op neer dat U deze mens in sociaal (of soms nog in
ander) opzicht uit de weg wil ruimen, wat in Gods ogen een ernstige overtreding
is.
53. Luisterbereidheid
Van het grootste belang bij de benadering van een mens die
in diepe innerlijke onvrede verkeert, is naar hem te luisteren met
fijngevoeligheid, niet te veroordelen, maar opbouwend op die ziel in te praten,
haar de Ware Liefde te laten voelen en haar opnieuw het Licht te leren zien.
Luisterbereidheid is een deugd die U als het ware een stukje van Gods functie
laat vervullen. De mens in nood kan veel kracht putten uit de ervaring dat een
medemens met hem begaan is. Wanneer U erin slaagt, tijd vrij te maken, dus
Uzelf opzij te schuiven, voor een medemens in zielennood, zal deze waarderen
dat U Uw eigen problemen achter de zijne stelt, dat U Uw tijd beschikbaar stelt
om hem zijn hart te laten luchten. Dat is kwaliteitstijd die U optimaal moet
benutten. Dat betekent dat U niet zichtbaar ongeïnteresseerd naar die mens moet
zitten luisteren, maar dat U hem door Uw woorden, de toon van Uw stem, de blik
in Uw ogen, enzovoort, moet bewijzen dat er U iets aan gelegen is dat hij hulp
ondervindt door eenvoudig reeds met U te praten. U kunt daarbij werkelijk voor
hem zijn als een door God gezondene.
Soms wordt gezegd dat velen kunnen spreken, doch slechts
zeer weinigen kunnen luisteren. Dat is waar, en wel omdat de meeste mensen
slechts oog hebben voor hun eigen lasten, en er geen geheim van maken dat zij
de moeilijkheden van anderen er niet meer bij hoeven te krijgen. Iemand die zo
handelt, denkt en spreekt, is een mens die de verlatenheid van Jezus aan het
Kruis verzwaart. Jezus had ook het gevoel dat Hij in Zijn Lijden alleen stond,
zelfs van de Vader verlaten. Bedenk dat wat U voor de geringste van Gods
kinderen doet, U in werkelijkheid voor Jezus doet, en weet dus dat Uw
luisterbereidheid bij een medemens in nood of in hartenpijn, door Jezus wordt
beschouwd alsof U bij Hem aan het Kruis komt staan om Zijn nood in Uw hart te
sluiten en te zeggen "U bent niet alleen, mijn hart klopt ook voor U".
Dat is van groter nut voor de zielen dan U hier op aarde ooit zult beseffen.
Later, voor Gods troon, zult U begrijpen wat U daarbij werkelijk hebt gedaan.
Door steeds tijd te maken voor Uw lijdende medemens, wordt U
tot medeverlosser in de diepe zin van het woord. Zij die doof blijven voor de
zorgen en problemen van hun medemens, hoeven niet verwonderd te staan indien
God op Zijn beurt doof blijft voor hun gebeden wanneer zij zelf in nood zijn.
54. Trouw
Trouw is de gesteldheid waardoor U volhardt in de naleving
van een verbond dat U met iemand hebt gesloten. Om een duidelijk voorbeeld te geven:
trouw is het vermogen om na het uitspreken van een totale toewijding aan Maria,
de beloften die U daarbij hebt gedaan, werkelijk te respecteren, er niet op
terug te komen, zodat Maria de zekerheid mag hebben dat U Haar zult blijven
dienen. Huwelijkstrouw is volharding in de belofte die een man en een vrouw bij
hun huwelijk wederzijds uitspreken om 'elkaar toe te behoren'. Dit 'toebehoren'
is relatief omdat het tussen twee mensen gaat.
Mensen kunnen elkaar niet 'bezitten'. Maar de belofte is
absoluut in die zin dat deze twee mensen beloven dat zij er steeds voor elkaar
zullen zijn, zonder enige beperking en onvoorwaardelijk. Hierdoor wordt de belofte
tot een gelofte: zij heeft een absoluut en eeuwigdurend karakter. Nog
meer geldt dit voor de trouw tussen de toegewijde en Maria.
De toegewijde legt jegens Maria de gelofte af dat hij Haar
totaal, onvoorwaardelijk en voor eeuwig zal dienen, liefhebben, en Haar zonder
enige beperking alles zal geven waar Zij om vraagt. Dit 'vragen' kan letterlijk
zijn (via openbaringen, ingevingen, visioenen...), maar gebeurt in de meeste
gevallen in de vorm van situaties die zich in het dagelijks leven voordoen. De
volharding in deze gelofte is de trouw.
De trouw kan vergeleken worden met een eed, of zelfs met het
zegel op een oorkonde. Trouw is een gesteldheid die U het vermogen schenkt om
Liefde, dienstbaarheid, gehoorzaamheid, aanvaarding, offerbereidheid, overgave,
toewijding en nederigheid samen aan Marias voeten neer te leggen als een
onderpand voor het feit dat U Haar dienaar wil zijn en blijven, Wanneer
Maria U in Haar dienst roept, en U aanvaardt, en U doet afstand van alles aan
Haar, dan begint Zij U zodanig te kneden en te vormen dat U steeds méér
geschikt wordt om te volbrengen wat het leven als toegewijde van U verwacht.
Maria neemt U daarbij steeds inniger in Zichzelf op, zodat een steeds intensere
vereniging tussen Haar en U ontstaat (op voorwaarde dat U de genade waardig
blijkt door een deugdzaam leven en volhardende dienst). In dat geval zou U de
trouw kunnen vergelijken met het cement dat het bouwwerk bij elkaar houdt: haal
de trouw uit de vereniging, en het gebouw van Uw toewijding zakt in elkaar
alsof het slechts bestond uit stenen die los op elkaar zijn gelegd. Eén
windvlaag, en alles valt in puin.
Inderdaad, het merendeel van de 'toegewijden' zijn
toegewijden met de mond, niet in daden. Zij zijn Maria niet trouw, en
hun toewijding houdt geen stand. Zij spreken een akte van toewijding uit, doch
geven deze geen invulling door concrete handelingen in hun leven van elke dag.
Het zal hen niet ontbreken aan gelegenheden om een apostolaat voor Maria
gestalte te geven, doch zij geven hun andere belangen de voorrang, zodat van
trouw aan hun verbond geen sprake meer is. Wie zich aan Maria toewijdt, behoort
Haar toe, en onder geen enkele omstandigheid mag iets of iemand anders op Haar
de voorrang krijgen.
Echte trouw vergt een onwankelbare inzet. Daarom mag het
sluiten van een verbond, hetzij met de Hemel hetzij met een medemens, niet op
een lichtzinnige beslissing berusten. Ontrouw is een ondeugd, want het wijst
erop dat U onbetrouwbaar bent, lichtvaardige afspraken maakt, en niet
doordrongen bent van de heiligheid van een gelofte. Wanneer U een gelofte
aflegt jegens Maria (of God), moet U zich tegenover Haar eveneens gedragen
alsof U met Haar in een daadwerkelijke huwelijksrelatie stond, en nog méér dan
dat: het is tevens een relatie van dienaar tot Meesteres. De meest extreme vorm
van relatie met Maria berust op een roeping. Het is deze welke het
voorwerp uitmaakt van het boek De Hemelse Bruiloft. Ik bedoel het spiritueel
huwelijk. De trouw die in een dergelijke relatie van U wordt gevergd, is
extreem omdat de opdracht ook zeer ver reikt.
Het spiritueel huwelijk met Maria is een roeping tot
mystieke vereniging, waarvan de relatie gekenmerkt wordt door drie door elkaar
verweven banden (ik spreek over 'banden' omdat ik de betrekkingen als zeer
intens en onverbrekelijk ervaar): kind tot Moeder, bruidegom tot Bruid, en
liefdesslaaf tot Meesteres. Ik verwijs naar De Hemelse Bruiloft voor de
volledige uitleg, maar wil het U hier in enkele woorden schetsen om U duidelijk
te maken welke essentiële rol de trouw hierbij speelt. De relatie kind tot
Moeder is de meest 'normale': Maria is de Moeder van alle mensen geworden
onder het Kruis van Calvarie. De relatie bruidegom tot Bruid verwijst
naar de fasen van werkelijke mystieke ervaring die dit spirituele huwelijk
'dragen', de fasen van intense eenwording in ziel, geest, hart en zelfs lichaam
(via bovennatuurlijk lijden, aanvoelen van gesteldheden, 'herbeleving' van
pijnen en smarten van Maria en Jezus).
Op bovennatuurlijke wijze is deze toestand als geheel
vergelijkbaar met eenwording zoals in een huwelijk. De relatie liefdesslaaf
tot Meesteres is de meest extreme betrekking van dienstbaarheid. De trouw
die van de geroepene wordt gevraagd, vergt een inzet, een overgave en een
zelfverloochening die zonder de ondersteuning van de mystieke contacten
wellicht niet door een mens opgebracht zouden kunnen worden. De genaden zijn
immens, maar er wordt ook buitengewoon veel van Uw hele wezen gevergd. De trouw
is daarbij één van de domeinen die het zwaarst op de proef worden gesteld. Het
blijkt uiteindelijk steeds weer de Liefde te zijn die hem sterk houdt, net
zoals ook de huwelijkstrouw moet terugvallen op de Liefde.
Gebrek aan trouw in wereldse relaties zien wij bijvoorbeeld
in het huwelijk wanneer U Uw echtgeno(o)t(e) verlaat om met een andere partner
te leven, evenals in het overspel. U beschaamt hierdoor de band die U met
Uw levenspartner had aangegaan en die door God is beschikt en gezegend. U
zondigt hiermee dus niet alleen tegen Uw partner, maar ook tegen God. Zodra
sprake is van overspel, is overigens ook de ondeugd van onzuiverheid in het
geding.
55. Zwijgzaamheid
De zwijgzaamheid is een bijzondere deugd. Het is een deugd
waar vele mensen het moeilijk mee hebben, omdat het de mens nu eenmaal eigen
is, te spreken. Spreken is het voornaamste kanaal voor communicatie met onze
medemens. Nochtans is de zwijgzaamheid niet zonder reden één van de grote
regels van het kloosterleven. Gods Geest spreekt slechts in de stilte
van het hart. Die stilte komt niet alleen in het hart door U af te sluiten van
geluiden van buitenaf (zie punt 31), doch ook door Uzelf leeg te maken van de
koorts van gedachten. Om te spreken, moet U eerst denken, en denken betekent Uw
geest actief houden. Een actieve geest belemmert echter het openstellen van Uw
hart. Precies om die reden is religieuze beleving louter een zaak van het hart,
niet van de geest. Ik zou het ook zo kunnen zeggen: Niet met het verstand doch
alleen met het gevoel verdient men het Eeuwig Leven.
God laat Zijn Mysteries overigens alleen (tot op zekere
hoogte) doorgronden met het hart, het aanvoelen, en nooit met het verstand.
Mensen die de dingen van God stuk redeneren en tot in hun vezels analyseren,
ontheiligen deze daardoor. Ook daarom dankte Jezus de Vader omdat Hij
"deze dingen verborgen heeft gehouden voor verstandigen, en ze geopenbaard
heeft aan kinderen". Een kind aanvaardt zonder meer. Het stelt zich wel
eens vragen, doch begint niet tot in het eindeloze zijn hoofd te breken over
dingen die het toch niet begrijpt. Voor een kind is slechts belangrijk dat
mooie dingen er zijn, niet hoe ze er zijn. Met andere woorden: het geniet
ervan in het hart, maar redeneert er niet te veel over.
Stilzwijgen wordt door de wereld vaak beschouwd als een
uiting van zwakheid of lafhartigheid, doch in werkelijkheid is het één van de
meest heldhaftige deugden. Stilzwijgen in de zin van 'niet reageren' op
gebeurtenissen en uitspraken uit Uw omgeving is méér dan 'niet spreken'.
Stilzwijgen is in wezen totale toewijding en gehoorzaamheid, want het is een
nalaten van protest of opstandigheid tegen Gods regelingen en beschikkingen om op
Zijn tijd en op Zijn manier in toestanden in te grijpen. Het geeft
uiting aan Uw vertrouwen in Gods werking. Wanneer U de neiging vertoont om op
alles te reageren, betekent dit in wezen dat U zich verplicht voelt om zelf de
touwtjes in handen te nemen om 'schot in de zaak' te brengen en de zaak te
regelen zoals U zou willen dat ze afloopt, maar U beledigt hierdoor God door
ongeduld met Zijn Plannen. Ik zeg welbewust 'beledigt', omdat U hierdoor in
feite Gods Wijsheid in twijfel trekt.
Stilzwijgen is ook vaak een uiting van nederigheid, niet de
indruk willen wekken dat U het beter weet en kunt. Door stilzwijgen gaat U
bovendien conflicten uit de weg, die uiteindelijk slechts het geliefkoosd
terrein van de satan zijn. In Gods ogen is het goud waard indien U de moed kunt
opbrengen om dingen die U als negatief ervaart, te laten gebeuren en ze in
stilte aan God (aan Maria) op te offeren om ze te zuiveren en op grond van dat
offer diegene die ze heeft gedaan, tot bekering te helpen brengen.
Is het niet opmerkelijk dat Jezus, toen Hij op de avond vόόr
Zijn Kruisdood voor de hogepriesters werd geleid, met gebonden handen zwijgzaam
naar allerlei valse beschuldigingen stond te luisteren? Nochtans bezat Hij alle
Wijsheid om te spreken, en berustten alle beschuldigingen tegen Hem op leugens.
Bovendien bezat Hij de Goddelijke macht om alle valse tongen het zwijgen op te
leggen. Toch heeft Hij gezwegen, want 'het moest volbracht worden'. Stilzwijgen
tegen alle onrecht in, kan een immense waarde hebben, die wij niet steeds zien
omdat zij nog verborgen ligt in het Goddelijk Mysterie. Jezus kende die waarde.
Ook alles wat U overkomt, moet volbracht worden, want het past ergens in Gods
Plan. Voor ons is het een geloofstest, blind te vertrouwen dat wij er goed aan
doen, Jezus hierin na te volgen.
Vergeet nooit dat U door niet op onrecht of negatieve
toestanden te reageren, het kwaad de wind uit de zeilen neemt, want U ontneemt
de satan elke gelegenheid om tweedracht of een open conflict te scheppen. Een
tweede voorbeeld: Maria, de Zetel van Wijsheid, in wie de inwoning van de
Heiige Geest een absoluut hoogtepunt heeft bereikt, was een toonbeeld van
zwijgzaamheid. Zij sprak slechts wanneer dit noodzakelijk bleek, en elk van
Haar woorden was pure Wijsheid. Haar zwijgzaamheid was een vrucht van Haar
onvergelijkbare heiligheid. De essentie van de zwijgzaamheid als deugd ligt
tevens hierin vervat, dat de ziel in een stil gemoed geopend is voor de stem
van God in het hart.
Geef U er rekenschap van, hoevele inhoudsloze woorden
gesproken worden. Op zich kan ook losse communicatie tussen mensen een smeder
van banden zijn, vaak ook een uiting van liefde, maar wees U ervan bewust dat
God van U zoveel mogelijk stil gebed vraagt. Gebed is spreken met God, maar ook
luisteren naar Gods antwoorden in Uw hart. God spreekt uiterst zelden hoorbaar,
maar zegt heel veel door overdracht van gevoelens in een hart dat stil, rustig
en vredig is en openstaat voor het 'bovenwereldse'. Bidden, kunt U derhalve ook
door stil en zwijgzaam met Uw hart bij het Hemelse te verwijlen, maar dat lukt
niet tijdens holle conversaties zoals er elke dag zoveel plaats hebben.
56. Barmhartigheid
Barmhartigheid is een bijzondere deugd, die in U de
gelijkvormigheid met God moet wekken. Het is het vermogen om niet koel of
onverschillig te zijn tegenover Uw medemens, doch hem te behandelen met
goedheid. Barmhartigheid stelt U in staat om kwaad met goed te vergelden, 'over
Uw hart te strijken' wanneer de situatie in feite zou rechtvaardigen dat U
heftiger zou optreden. Het is de deugd van de barmhartigheid die U in staat stelt
om vergeving te schenken aan hen die tegen U misdoen, want barmhartigheid sluit
vergevingsgezindheid in zich. Het is in het algemeen de gesteldheid die
verhindert dat Uw hart zou verharden wanneer de tegenkantingen vanwege Uw
medemensen U treffen. Indien U in een gezagspositie verkeert, is het de
gesteldheid die U eerder doet vergeven en mildheid doet betrachten dan te
straffen.
De barmhartigheid verhindert dat U meedogenloos zou optreden
in om het even welke situatie. Zij behelst ook een flinke dosis gezond
medelijden. De barmhartige mens heeft medelijden met het lot van zijn medemens
die lijdt in lichaam, geest of ziel. Hij 'heeft met hem te doen' en verstaat de
kunst om zichzelf in het hart in zijn plaats te stellen. Hij heeft begrip voor
de misstappen van zijn medemens omdat hij begrijpt dat elke mens zwak is en dus
ook zonder dat deze dit echt wil, het slachtoffer kan zijn van omstandigheden
die deze zwakheid plots de overhand doen krijgen. Dat maakt de barmhartige mild
in zijn oordeel en in zijn optreden tegen zijn medemens die een fout tegen hem
begaat.
Barmhartigheid is het vermogen om de regels in overweging
van bepaalde omstandigheden terzijde te schuiven en te vervangen door louter
menselijkheid. Barmhartigheid kan bijvoorbeeld een rol spelen in het oordeel
van een rechter die vindt dat het in welbepaalde omstandigheden gerechtvaardigd
is om de letter van de wet 'wat bij te sturen' en enigszins 'aan te passen' bij
een specifiek geval omdat zogenaamde verzachtende omstandigheden in het spel
zijn. In dit geval zou de letter van de wet de gerechtigheid zijn, en het
milderend oordeel van de rechter de barmhartigheid. Zo handelt ook God met ons,
wanneer wij van goede wil blijken te zijn en een zonde niet echt gewild en
opzettelijk bedreven wordt. Barmhartigheid vindt ook haar toepassing in de
woorden van Jezus: "Wat gij aan de minste van de Mijnen hebt gedaan,
hebt gij voor Mij gedaan". Een voorbeeld: een minderbedeelde medemens
te eten geven, uit Uw eigen relatieve overvloed delen met een medemens in de
bedenking dat er altijd mensen zijn die het minder goed hebben dan U.
Gebrek aan barmhartigheid komt tot uiting in
meedogenloosheid, onverbiddelijkheid, strengheid, het onbuigzaam toepassen
van regels of wet in gevallen waarin dit in de ogen van de Liefde eerder
schrijnend lijkt. Dit is bijvoorbeeld dagelijks veelvuldig het geval in de
bureaucratie, het onpersoonlijk benaderen en behandelen van mensen door
ambtenaren in publieke organisaties en instellingen. Dit is ook het geval
telkens wanneer een overste zijn of haar ondergeschikten iets oplegt terwijl
alles erop wijst dat deze laatste (bijvoorbeeld door lichamelijke zwakheid)
niet tegen die taak opgewassen is. Soms wordt de opdracht op één of andere
wijze goedgepraat of uitgelegd, doch indien de situatie vermijdbaar is, geldt
dat er sprake is van onbarmhartigheid.
De gouden regel van de naastenliefde luidt: "Doe je
medemens niet aan wat je niet wil dat jou aangedaan zou worden". Deze
regel vormt de mooiste aansporing tot barmhartigheid, want wanneer U zich
indenkt dat ook U op zeker ogenblik hulpbehoevend, zwak, ziek of noodlijdend
kunt zijn, en U op dat ogenblik dankbaar en verlicht zult zijn indien U een
mens treft die goed is voor U, zult U minder geneigd zijn om Uw medemens
hardvochtig of onverschillig te behandelen. Benader Uw medemens zoals U in een
spiegel zou kijken, en houd U voor ogen dat hij in feite U is. Wanneer U dan
tot hem spreekt of jegens hem handelt, U voorstellend dat Uzelf aan de andere
kant staat, zult U wellicht barmhartiger zijn dan ooit.
57. Gastvrijheid
Gastvrijheid is het vermogen om geen medemens in de kou te
laten, hem te minachten, te verwaarlozen of het gevoel te geven dat hij bij U
niet welkom is. Gastvrijheid is de deugd die U het vermogen schenkt om Uw
medemens naastenliefde te betuigen door hem te laten delen in Uw goederen en
hem in zijn waardigheid hoog te achten. Gastvrijheid is het vermogen, een goede
gastheer (gastvrouw) te zijn, zoals een goede vader (moeder), tegenover een
gast. In een atmosfeer van warme Liefde voor diens noden zorgen, hem het gevoel
geven dat hij bij U welkom is en U niet 'in de weg zit'. Gastvrijheid herinnert
U aan de kern van de Leer van Jezus: Uw broeder bij U opnemen, hem met U laten
aanzitten aan Uw tafel, hem een beker van Uw water te drinken geven, hem
onderdak verschaffen.
Gastvrijheid is dienstbetoon, vriendelijkheid en openheid
jegens Uw medemens. Deze gesteldheid komt in de eerste plaats tot ontwikkeling
bij de mens die ervan doordrongen is dat Jezus in zijn medemens leeft.
Gastvrijheid brengt eerherstel aan de schande van Bethlehem: toen Jezus geboren
moest worden, gingen alle deuren dicht voor Jozef en Maria. De komende Messias
vond nergens onderdak. Wanneer U een medemens bij U opneemt, ook al is het
slechts voor enkele minuten, brengt U een stukje eerherstel voor de
ongastvrijheid van de Judeeërs die Jezus niet in hun huis geboren wilden laten
worden.
Het is goed om er op deze plaats even op te wijzen dat de
beleving, dus de praktische toepassing van elke deugd in Uw alledaagse leven
telkens eerherstel brengt voor welbepaalde zonden en ondeugden (van Uzelf en Uw
medemensen van alle tijden en overal ter wereld), maar ook voor beledigingen en
onteringen die Jezus en/of Maria aangedaan zijn tijdens Hun leven hier op
aarde. Dit vormt een extra reden waarom de strikte beleving van de deugden
heiligend werkt.
Een voorbeeld van gastvrijheid: het regent pijpenstelen, en
U nodigt een mens uit om bij U te komen schuilen, zich even te warmen,
eventueel iets warms te nuttigen, en de herbergzaamheid van Uw hart te
ervaren, met andere woorden: U laat Uw medemens duidelijk voelen dat God hem
liefheeft en voor hem zorgt in een ogenblik van nood, want zonder Uw
welwillende tussenkomst wordt hij misschien ziek. De ongastvrije mens herinnert
Jezus aan Zijn eigen afwijzing te Bethlehem. Tot hem kan Hij in navolging van
de Goddelijke Gerechtigheid bij het oordeel zeggen "Ga weg van Mij, Ik
heb u nooit gekend". Niemand verwacht van U dat U om het even wie in
Uw huis uitnodigt (ook de regel der voorzichtigheid mag in onze moderne wereld
niet buiten spel worden gezet), doch bedenk steeds dat Uw Liefde voor God
grenzeloos moet zijn. Tracht bijvoorbeeld in elke man Jezus, en in elke vrouw
Maria te zien. Wat U aan een mens doet, hebt U in wezen steeds aan Jezus gedaan.
Daarom neemt U met elke mens ook Jezus bij U op.
In verband met deze laatste bemerking kunnen wij zelfs een
bijzondere vorm van gastvrijheid zien in deze jegens God, met name in de
Heilige Communie maar ook in Uw dagelijks leven. Jezus opnemen in de Communie
kan een uiting van gastvrijheid zijn, indien U dit doet in een gesteldheid van
zorgzame Liefde en in bestreving van de deugdzaamheid. Zorgzame Liefde moet
blijken in al Uw daden en woorden: deze moeten 'voorzien in Gods behoeften'.
Bij het ontvangen van de Communie moet U Jezus verwelkomen zoals een huisvader,
en Uw hart tot een aangename verblijfplaats maken.
58. Zorgzaamheid
Zorgzaamheid is het vermogen, nooit slordig of onachtzaam om
te gaan met de dingen en gaven die God U heeft geschonken, in de wetenschap dat
alles U door Gods Voorzienigheid is geschonken. Uw materiële bezittingen mogen
nooit tot afgoden worden. U mag ook niet overmatig aan voorwerpen
gehecht zijn. Zij worden U door God in handen gespeeld opdat U ze zou kunnen
benutten voor de bevrediging van bepaalde stoffelijke behoeften, en dat
betekent automatisch dat zij op zich slechts middelen zijn om het middel
(Uw leven op aarde) te ondersteunen, en onder geen enkel beding mogen zij
verheven worden tot doel op zich. Vergeet nooit dat het enige doel van Uw leven
hier op aarde het Eeuwig Leven is. Maar wel is het zo dat de Goddelijke
Voorzienigheid alles in Uw leven beschikt, en dus ook uiteindelijk bepaalt
welke voorwerpen op Uw levenspad komen. In dit licht beschouwd, getuigt het van
erkentelijkheid jegens Gods goedheid wanneer U Uw bezittingen en alles wat
(zelfs maar voor enkele ogenblikken) in Uw handen komt, met zorg behandelt.
Vele mensen krijgen een speciale gelegenheid om de
zorgzaamheid te beoefenen door de zorg voor huisdieren. Dieren zijn
schepselen van God, die dag aan dag een bijzondere verzorging nodig hebben. Zij
zijn voor alles op U aangewezen. Zij hebben niet alleen elke dag voedsel nodig,
maar ook Liefde en genegenheid, en elk dier heeft zijn eigen persoonlijkheid en
karakter. Zo moet U beseffen dat huisdieren op Uw levensweg komen om U
welbepaalde lessen te leren, bijvoorbeeld zelfverloochening (dieren kunnen op
bepaalde ogenblikken veeleisend zijn), geduld, vooruitziendheid enzovoort. Ook
aan dit voorbeeld kunt U merken hoezeer elk detail van Uw leven, tot en met de
dieren die op Uw pad komen, een welbepaalde betekenis hebben. Alles wordt
zodanig beschikt dat U er de lessen uit kunt trekken die precies voor U van
belang kunnen zijn. Niet zelden krijgt een ongeduldig mens een huisdier op zijn
weg, dat extra aandacht vergt, zodat die mens verplicht wordt om rustiger,
verdraagzamer en geduldiger te worden.
Het tegendeel van zorgzaamheid is slordigheid, verwaarlozing
van de dingen die aan U toevertrouwd zijn. Het nonchalant omspringen met dingen
die aan Uw zorgen toevertrouwd zijn, kan door God worden beoordeeld als
ondankbaarheid jegens Zijn Voorzienigheid. Bedenk wel dat alles afhankelijk is
van de levenssituatie. Bijvoorbeeld: van een mens die chronisch ziek is en
weinig hulp van mensen ontvangt, of die weinig bemiddeld is, of die door zijn
specifieke levensloop zoveel tijd moet besteden aan de activiteiten die met
zijn levensroeping verband houden dat hij weinig andere dingen kan doen, of die
geen aanleg heeft voor bepaalde werkzaamheden, kunnen geen onmogelijke
inspanningen worden gevraagd om grote veranderingen aan zijn woning aan te
brengen.
59. Bedachtzaamheid
Bedachtzaamheid is het vermogen om weloverwogen, met
overleg, tewerk te gaan. Iemand die zich gedraagt 'als een kip zonder kop'
zondigt constant tegen Gods Wijsheid en tegen het hele breiwerk van situaties
die door Hem in het leven geroepen worden. Lichtvaardigheid in Uw optreden is
als een belediging aan de intelligentie die God U heeft gegeven. Wie
oordeelkundig handelt, toont daarmee dat Gods Geest in hem werkzaam is. Een
vorm van onoordeelkundig handelen dat nauw verweven is met een gebrek aan
Wijsheid, is elk gedrag dat blijk geeft van gebrek aan systeem, alsook elk
gebrek aan zin voor prioriteiten: Vele mensen die aan een taak beginnen,
houden zich eerst bezig met dingen die hen weinig vooruit helpen, bepaalde
details die in feite beter eerder op het einde volbracht kunnen worden, als
afwerking. Deze mensen verspillen veel energie, en raken gemakkelijk ontmoedigd
omdat zij (precies door hun eigen gebrek aan systeem) voortdurend het gevoel
hebben dat al hun inspanningen hen in feite geen meter verder helpen. Zij raken
hierdoor snel verstrikt in het gevoel dat hun werkzaamheden zinloos en zijzelf
nutteloos en zelfs waardeloos zijn. Bedachtzaamheid vindt ook een tegenpool in
onbezonnenheid, die tevens een element van onwijsheid en ook van gebrek aan
voorzichtigheid behelst.
Bedachtzaamheid wordt soms verward met besluiteloosheid. Dat
is onterecht. De bedachtzame mens weet alleen het juiste ogenblik af te wachten
om tot een bepaalde handeling over te gaan of een bepaalde beslissing te nemen.
Het juiste ogenblik is over het algemeen niet het ogenblik dat mensen voor
juist houden, het is steeds Gods Tijd. Daarom heeft bedachtzaamheid
ook te maken met geduld, en met voldoende standvastigheid om zich niet te laten
beïnvloeden door het oordeel van medemensen die eventueel handelen vanuit
onwijsheid en opdringerigheid.
Bedachtzaamheid is een vorm van voorzichtigheid die de geest
openhoudt voor leiding door de Heilige Geest, en die aldus verhindert dat
fouten gemaakt zouden worden door toe te geven aan bepaalde impulsen om dingen
vlug af te handelen of bepaalde stappen te zetten die op dat ogenblik
(nog) niet tot het juiste resultaat kunnen leiden. God werkt vaak langzaam en
stapje voor stapje naar de voltooiing van situaties en plannen toe. De mens kan
dit hele opbouwwerk (dat niet zelden over jaren loopt) in één klap teniet doen
door een niet weloverwogen ingrijpen. Bedachtzaamheid betekent dat U de dingen
vanuit zoveel mogelijk verschillende hoeken beschouwt alvorens een beslissing
te nemen. Zo benadert U het best Gods eigen methode, want Hij heeft een
overzicht over alles, ook over datgene wat voor mensenogen verborgen is. De mens
kan zijn natuurlijk gebrek aan alwetendheid ten dele compenseren door
bedachtzaamheid, waarbij hij door rijp overleg zijn eigen gebrek aan overzicht
kan laten aanvullen door de inspiraties van Gods Geest.
|