|
17. Voorzichtigheid
De voorzichtigheid is een deugd die berust op het vermogen
dat God in de ziel heeft gelegd om goed en kwaad van elkaar te onderscheiden en
tijdig te kunnen herkennen wat voor de ziel schadelijk is of niet.
Voorzichtigheid wordt vaak onterecht verward met vreesachtigheid of lafheid.
Integendeel is deze deugd in werkelijkheid een uiting van Wijsheid, en ook van
eerbied tegenover datgene dat God U heeft gegeven. Om slechts enkele voorbeelden
aan te halen, die in Uw onmiddellijke omgeving kunnen wijzen op
onvoorzichtigheid: roken, veelvuldig alcoholgebruik, gebruik van
drugs, het gebruik van medicijnen waarvan men op grond van informatie weet
dat zij het lichaam en/of de geest schade toebrengen, terwijl er alternatieven
voorhanden zijn die even doeltreffend doch niet schadelijk zijn. Het eten van
voedingsmiddelen waarvan U weet dat Uw lichaam deze niet verdraagt, is eveneens
een vorm van onvoorzichtigheid. Het is waardevol, het niet-nuttigen van deze
voedingsmiddelen te beschouwen als een offer dat van U gevraagd wordt.
Voorzichtigheid heeft vaak te maken met de wijze waarop de
mens zijn lichaam behandelt. Uw lichaam mag in geen geval een afgod worden,
maar het is wel de tempel van Uw ziel. Het lichaam is U gegeven om Uw
stoffelijk leven hier op aarde mogelijk te maken. Uw ziel is niet aan ruimte
gebonden, Uw lichaam wél. Uw lichaam is in zoverre van belang dat het niet
alleen dienst doet als vervoermiddel voor Uw ziel, maar ook Uw instrument van
uitboeting is. Het lichaam heeft stoffelijke behoeften, en is daardoor gevoelig
voor de omstandigheden van de omgeving: honger, dorst, koude, warmte, pijn,
ziekte, vermoeidheid: al deze gewaarwordingen berusten op tekorten of
verstoringen in het evenwicht van Uw lichaamsprocessen.
Deze ongemakken hebben een uitermate belangrijke spirituele
functie: offers en boete, die aan God opgedragen kunnen worden tot afbetaling
van de schuldenlast die de zielen tegenover Gods Gerechtigheid dragen doordat
de mensheid zondigt tegen Gods Wet van Liefde, dus tegen alle deugden. Doordat
Uw lichaam moet kunnen dienen als instrument voor uitboeting, wordt U geacht,
het voldoende te verzorgen en in stand te houden, want het is en blijft een
werktuig in Gods hand, waarover Hij naar Zijn welbehagen en volgens de noden
van Zijn Gerechtigheid moet kunnen beschikken. Indien een mens volgens Gods
Plan geacht wordt, zijn lichaam gedurende 70 jaar ter beschikking te stellen
voor deze genoegdoening aan de Gerechtigheid, doch door overmatige toepassing
van schadelijke praktijken (roken, alcoholverslaving enzovoort) zichzelf reeds
op de leeftijd van 55 jaar 'onleefbaar' maakt, is het dus alsof hij 15 jaar van
Gods Plan steelt. Mensen kunnen hier tegenin brengen dat alles Gods beschikking
is, dus ook de leeftijd waarop iemand sterft, en dat is ook zo, maar de zonde
schuilt hierin dat de mens hier door eigen handelen een toestand helpt scheppen
die God uit Zichzelf nooit zou hebben gewild of bedoeld. Deze zonde of ondeugd
noemt de mens roekeloosheid.
Een ander voorbeeld is het nemen van risico's die niets te
maken hebben met het Heil van de ziel: gevaarlijke stunts, recordpogingen in
ondernemingen die bewuste gevaren in zich dragen en waarvan men weet dat ze
slecht kunnen aflopen, levensgevaarlijke activiteiten die vermijdbaar zijn,
enzovoort. Helemaal anders ligt het met bewust martelaarschap, omdat dit wordt
ondergaan met de bewuste intentie, God te verheerlijken en zielen te redden.
Voor het overige kan als regel worden gesteld: het zichzelf bewust blootstellen
aan levensbedreigende situaties, is misbruik van Gods eigendom, want Hij
is Heer van het Leven, en de mens heeft niet het recht om daar zelf over te
beschikken. Geen mens weet wat God met hem voorheeft, waarom of wanneer. Het
komt de mens niet toe, eigenhandig in dat Plan in te grijpen. Wanneer U dat
toch doet, kan God U terecht veroordelen wegens onvoorzichtigheid. Want wat
betekent dit woord in wezen?
'Voorzichtigheid' is het vermogen om te 'voorzien',
'vooruit-te-zien'. Maar dat kan geen mens, want alleen God weet welke radertjes
in elkaar moeten passen om Zijn Plan optimaal ten uitvoer te brengen, en op
welk ogenblik dat moet en kan gebeuren. Alleen Hij kan 'vooruit zien'. Bedenk
wel dat alles wat U hier op aarde bezit, in feite geen bezit doch slechts
bruikleen is. Gebruik het daarom met de voorzichtigheid voor zoverre deze U als
vermogen in de ziel is gelegd, en neem geen risicos die zowel in dit leven als
voor het Eeuwig Leven ellende kunnen brengen. Wees oordeelkundig en wijs.
18. Gelijkmoedigheid
Het woord zelf duidt reeds aan wat deze deugd betekent: een
gelijk gemoed bezitten, een stemming zonder te grote uitschieters omhoog of
omlaag. Een mens die nu eens uitbundig lacht en dan plots in zak en as zit of
heel ontstemd is, kribbig, nors of opvliegend, nodigt zijn medemens niet uit om
met hem in contact te treden, want men weet nooit wat men op een bepaald
ogenblik aan die mens heeft. Hij is onbeheerst, wat in feite betekent dat zijn
ziel de wisselende aandoeningen van het gemoed niet onder controle heeft.
Gebrek aan gelijkmoedigheid wijst op een gebrek aan stabiliteit in de
persoonlijkheid. Dit gebrek wordt wispelturigheid of wankelmoedigheid genoemd.
Deze onstandvastigheid is niet alleen een ondeugd naar Uw
medemens, maar ook naar God toe: evenmin als Uw medemens weet wat hij aan U
heeft, weet God het. Wankelmoedigheid vormt een heel broos fundament om Uw
religieuze beleving op te bouwen. Een mens die niet standvastig is in zijn
gemoed, verteert geen enkele stoot op zijn ziel. Elke beproeving kan hem met
een klap in elkaar doen storten. Het ene ogenblik kan hij als in een vervoering
bidden, het volgende ogenblik valt hij als ongewapend in de klauwen van de
satan en maakt hij werkelijk brokken in zijn omgeving. Als toegewijde aan Jezus
of Maria zijn deze mensen volkomen onbetrouwbaar, want al naargelang hun
stemming van het ogenblik kunnen zij zich plots keren tegen datgene waar zij
normaal gesproken voor strijden. Hun Liefde is bevlekt en niet
onvoorwaardelijk, en slaat heel spoedig om in haat. Hun labiele ingesteldheid
maakt hen bovendien zeer beïnvloedbaar. Het ontbreekt hen vaak aan het
zelfvertrouwen dat noodzakelijk is voor een rechtlijnig gedrag, en zelfs
onwijze praatjes kunnen hen van hun beste voornemens afbrengen.
Een mens in ware gelijkmoedigheid laat zich niet vlug van
zijn stuk brengen. Zodra hij in iets gelooft, strijdt hij ervoor tot het
uiterste. Doordat de fundamenten van zijn geloof stevig zijn, brengen ook
ernstige beproevingen hem niet vlug van zijn ideaal af. Zijn Liefde zit
doorgaans diep geworteld. Men zou de vergelijking kunnen maken met het verschil
tussen Liefde en verliefdheid: de emotie begint met het vuur van de
verliefdheid, doch pas wanneer dit vuur ook na een aantal beproevingen blijkt
te blijven branden, is sprake van echte Liefde.
Verliefdheid zonder diepe wortels is geen echte Liefde, doch
een tijdelijke gemoedsaandoening. Gelijkmoedigheid gaat over het algemeen
gepaard met een sterk geloof in Gods Voorzienigheid. Pas wanneer dit aanwezig
is, kan het gemoed stabiel blijven in tijden van beproeving. Indien Uw hart
opklaart wanneer de zon schijnt, doch verduistert bij elke donkere wolk die
overdrijft, bent U licht ten prooi aan allerlei invloeden uit Uw omgeving en
zelfs vanuit Uw eigen herinneringen aan bepaalde situaties uit Uw verleden.
Indien U daarentegen een hart hebt dat werkt als een zonnecel, die de
zonne-energie opvangt wanneer de stralen (in dit geval van Gods Licht van
Liefde, Wijsheid en inspiratie) op U neerkomen, en ze afgeeft wanneer de zon
zich verbergt, dan zult U ook een (relatief) zonnig gemoed bewaren wanneer de
regen op Uw hart neervalt.
Wankelmoedigheid schept een gevaar voor Uw eigen ziel en
voor de stemming van Uw medemensen. Uw eigen zielsfuncties ontwrichten, is
reeds een aanslag op Gods Plannen, doch Uw medemens van zijn slagkracht beroven
door hem te hinderen in zijn eigen spirituele werkkracht en voornemens, komt
erop neer dat U werkelijk tot instrument van Gods tegenstander wordt.
19. Wijsheid
Wijsheid is een ware Gave van de Heilige Geest. Het is de
eigenschap van een mens die inzichten verwerft in situaties, systemen en
mysteries die louter door het verstand, de intelligentie of natuurlijke
kennisverwerving (studie) niet bekomen kunnen worden. Wijsheid is één van de meest
opmerkelijke tekenen van Gods werking in en door een ziel. De Wijsheid stelt de
mens in staat om de vele elementen van Gods Waarheid met elkaar in verbinding
te brengen tot een duidelijk geheel, en wel zonder er werkelijk over te
redeneren, want Gods Waarheid laat zich louter met het verstand niet vatten.
De wijze mens weet heel goed waarnaar hij streeft, en
doorgrondt vaak op intuïtieve wijze (dus niet verstandelijk maar eerder
gevoelsmatig) het 'waarom' van zijn bestrevingen, de reden waarom hij voor
bepaalde idealen ijvert. Hij voelt vele dingen haarfijn aan, doch kan niet
steeds uitleggen waarom hij deze gevoelens heeft. Hij lijkt alleen op
bovennatuurlijke wijze te weten dat het zo hoort, en dat het Gods wens is dat
hij er zich voor inzet.
Gebrek aan Wijsheid schept een gedrag dat als
'onoordeelkundig' omschreven kan worden. De onoordeelkundige mens neigt tot
oppervlakkigheid, hij heeft weinig diepgang in zijn denken (en vaak in zijn
voelen), hij gaat ondoordacht te werk en vervalt hierdoor gemakkelijk in
dezelfde fouten. Oppervlakkigheid kan zichzelf verraden doordat de mens
gemakkelijk in de verleiding komt om zijn medemens heel vlug te oordelen, zelfs
op het uiterlijk (U kent ongetwijfeld wel iemand die zijn medemens terzijde
schuift omdat diens uiterlijk hem 'niet ligt'). Hij neemt dan beslissingen die
duidelijk niet door Hemelse invloeden bezield zijn. Wanneer deze gesteldheid
een enigszins gevorderde graad bereikt, is sprake van dwaasheid. In deze
toestand is de mens nauwelijks in staat om beslissingen te nemen die een gezond
fundament in Gods Waarheid bezitten. Hij is onnadenkend, zelfs losbandig
in zijn gedrag. Hij staat ook niet stil bij de gevolgen van zijn handelingen.
Wanneer de deugd van de Wijsheid heel zwak ontwikkeld is, vertoont de mens
gedragingen die kunnen wijzen in de richting van een geestesstoornis, doordat
elke Goddelijke bezieling uit het gedrag verwijderd lijkt. Deze gesteldheid
maakt heel vatbaar voor bekoring, dwaling, zonde, misleiding, want de mens
kan in dit geval nauwelijks goed van kwaad onderscheiden.
Er zijn vele aanwijzingen voor het feit dat onze hele
moderne samenleving mank loopt op het gebied van de Wijsheid. Ik zou het ook zo
kunnen uitdrukken: Onze maatschappij als geheel, in al haar verbindingen,
relaties en radertjes, laat zich niet (meer) door de Heilige Geest bezielen en
inspireren. Dat blijkt uit de dwaasheid van het materialisme als leidend
principe: alles draait rond winstbejag, geld en de verafgoding van stoffelijke
goederen als enige doelstelling van het leven. Het blijkt ook uit de
lichtzinnigheid die in de samenleving heerst. Is het U bijvoorbeeld nog niet
opgevallen hoezeer alles en iedereen in het belachelijke wordt getrokken? Met
alles wordt de spot gedreven. De geest van onze samenleving wordt gekenmerkt
door een pijnlijk gebrek aan ernst. Het is alsof werkelijk alle situaties
als een grap worden beschouwd. U kunt dit onder andere merken aan de nooit
eerder geëvenaarde mate waarin deze gesteldheid systematisch toegepast wordt in
de media: televisieprogrammas waarin alles (ook ernstige en zelfs zeer
betreurenswaardige zaken) in het belachelijke wordt getrokken of tot voorwerp
van vermaak wordt gemaakt, en reclamespots die weinig méér dan onvervalste
dwaasheid zijn.
Deze ingesteldheid maakt onze samenleving extra onveilig,
want zij helpt een atmosfeer verspreiden waarin niets meer ernstig genomen
wordt en waarin de waarheid steeds minder te betekenen heeft. Onder de schijn
van het luchtig en ongedwongen voorstellen van de gewone dingen des levens (bijvoorbeeld
op televisie, in reclame enzovoort) worden in werkelijkheid de leugen, het
bedrog, de lichtzinnigheid en een gevaarlijke zorgeloosheid aangeprezen als een
nieuwe levensideologie. Mens, open Uw ogen voor de valstrikken van de schijn!
Eén van de grote adders die zich onder dit gras verbergen, is deze van de
misleiding en vergiftiging van de jeugd. Ook ontspanning is niet steeds meer zo
onschuldig. Wees waakzaam, en vergeet nooit dat Jezus U heeft verlost ten koste
van onnoemelijk lijden, en dat Hij dit heeft gedaan met als enige doelstelling:
het Eeuwig Heil van alle zielen en de vestiging van Gods Rijk op aarde. Dit
ideaal zal niet worden verwezenlijkt zolang de mensheid het leven blijft
benaderen met de lichtzinnigheid en de dwaasheid die producten zijn van geesten
die de Heilige Geest hebben uitgebannen.
20. Matigheid
Matigheid is een deugd die alles te maken heeft met het
vermogen tot onthechting van materiële dingen, dus het vermogen om de behoeften
van de ziel voorrang te geven op de behoeften van het lichaam, die vaak schijnbehoeften
zijn. Uw lichaam kan met veel minder rondkomen dan de hoeveelheid materiële
middelen die U het gewoonlijk toevoert. Doordat de zintuigen onder allerlei
wereldse invloeden een ongekend aantal behoeften voelen, is de mens gemakkelijk
geneigd tot overdaad in de bevrediging ervan. Wanneer deze overdaad tot een
geregeld terugkerende neiging wordt, kunnen wij spreken van gulzigheid. In
feite is overdaad reeds alles wat verder gaat dan datgene wat Uw lichaam strikt
nodig heeft om te leven.
Eén van de meest sprekende voorbeelden van overdaad of
onmatigheid is alcoholisme, drankzucht: het veel meer drinken (en dan nog
van een drank die verslavend kan werken) dan nodig om de dorst te stillen. Een
ander voorbeeld is vraatzucht: het veel meer eten dan nodig om de honger
te stillen of het lichaam behoorlijk te voeden. Een veelvuldig voorkomende vorm
van onmatigheid, die de vorm van verslaving kan aannemen, is
snoepzucht, de hang naar suikerwaren en gelijkaardige producten die weinig
voedingswaarde bezitten doch zeer veel mensen vangt in de strikken van
onmatigheid, vaak uit een ongezonde drang naar compensatie voor bepaalde
emotionele ongeregeldheden, complexen, verdriet enzovoort. Bij onmatigheid
geeft de mens blijk van het feit dat hij niet in staat is om te voelen wanneer
de grens wordt bereikt van datgene wat goed is voor hem. Matigheid is een
uiting van de intelligentie die God in Uw lichaam heeft ingebouwd om U tijdig
te waarschuwen tegen schade die U Uzelf kunt toebrengen. U zou onmatigheid
kunnen beschouwen als het negeren van het regelmechanisme dat God Uw lichaam
heeft gegeven. In dat opzicht is onmatigheid dus ook een zonde tegen Gods
Wijsheid.
Onmatigheid is een onvermogen om lichamelijke behoeften te bedwingen.
Dat geldt ten aanzien van voedselopname, drank, roken, gebruik van medicijnen
en zelfs van drugs, en ook ten aanzien van seksuele behoeften: een bovenmatige
seksuele drift die niet onder controle wordt gehouden, is een vergevorderde
vorm van onmatigheid, die onder andere kan leiden tot verkrachting en tot
ongewenste intimiteiten.
Onmatigheid kan zich ook manifesteren door de neiging om Uw
medemens te verleiden tot gulzigheid, tot overmatig eten of drinken, tot roken
terwijl hij daar niet echt voor voelt, enzovoort. Ik wil ook wijzen op de
ondeugd in het verschijnsel waarbij U een medemens aanzet tot ongezonde
gedragsverandering doordat U in het openbaar opschept over bepaalde gewoonten
(bijvoorbeeld op het seksuele vlak) waaraan deze medemens niet voldoet, zodat
hij zich 'abnormaal' begint te voelen en daarom poogt te volgen wat hij op
grond van Uw uitspraken meent dat U zelf als norm ziet (zelfs al is dit
niet zo). Op basis van dergelijke praatjes laten sommige mensen zich inderdaad
tot ondeugd verleiden.
Matigheid is één van de grote deugden die pleiten voor
bezieling door Gods Geest. Om die reden is elke aansporing van een medemens tot
onmatigheid breed genomen te beschouwen als een zonde tegen de Heilige Geest. U
ontwricht daardoor het denken, voelen en de hele levensbeschouwing van een mens
die in zich reeds de weg had gevonden om zich tegen de verleidingen en de greep
van de wereld af te zetten.
21. Offerbereidheid
De bereidheid om offers te brengen, is voor de vestiging van
Gods Rijk op aarde één van de meest waardevolle deugden. Een offer is iets
waarvan U afstand doet, iets dat U zou willen hebben of willen doen, maar dat U
zich ontzegt uit Liefde tot God (Jezus, Maria), omdat deze ontzegging een zeker
gevoel van gemis of pijn nalaat. Alle pijn, elke last heeft een grote waarde
voor het Heil van zielen. Het hele leven van Jezus en Maria op aarde is op dit
gegeven gesteund geweest. Alleen om die reden konden Zij de Verlosser en
Medeverlosseres van de mensheid zijn.
De bereidheid om dingen op te offeren, is niet zo vanzelfsprekend
in een samenleving waarin de weelde vrij algemeen verspreid is. Een mens die in
armoede leeft, moet vele offers brengen uit noodzaak. Daarom zijn deze offers
niet minder waard, want de waarde van het offer wordt in hoge mate bepaald door
de liefde waarmee het gebracht wordt. Een mens die in een grotere materiële
welstand leeft, kan veel meer ontberen dan een arme, want hij houdt veel meer
over na het verzadigen van zijn noodzakelijke levensbehoeften. Nochtans is het
vaak zo dat de welgestelde moeilijker tot offers komt dan de arme. Dit heeft
veel te maken met het feit dat de arme niet zelden dichter bij God staat
doordat zijn hele leven slechts in stand gehouden wordt door volkomen op God te
vertrouwen. Naarmate de welvaart in de westerse wereld is toegenomen, is het
leven met God minder en minder intens geworden. De welvaart is tot de god van
het westen uitgeroepen. Het is echter een god die algemeen verderf van zeden,
algemene hebzucht en zonde in vele uiteenlopende vormen in de zielen heeft gezaaid.
Offerbereidheid is, breed genomen, de bereidheid om in
navolging van Jezus op het kruis te gaan. Het kruis is daarbij symbool voor de
lasten van het leven. Deze komen vanzelf, zij horen gewoon bij het leven in de
stoffelijke wereld in een stoffelijk lichaam met zijn behoeften en zijn
ontsporingen (ziekten, pijnen). Het dragen van deze lasten in Liefde, overgave
en aanvaarding (toewijding!) vormt op zich reeds een offer. Doch in de engere
betekenis van het woord is een offer alles wat U bovenop deze natuurlijke
lasten nog vrijwillig zelf aan Uw dagelijks kruis toevoegt, dus een extra last
die U Uzelf oplegt. Een voorbeeld: U eet graag chocolade, doch raakt gedurende
een bepaalde tijd geen chocolade aan. Dat kan lastig zijn, maar precies dat
maakt het tot een waardevol offer. Inderdaad, het ontzeggen van
voedingsmiddelen is het dankbaarste terrein voor het brengen van offers, want U
krijgt er voortdurend gelegenheden toe.
De machtigste vorm van offerbereidheid is het vasten. Ik
verwijs graag naar De Hemelse Bruiloft voor uitgebreid commentaar op
deze uitermate waardevolle praktijk. Het ligt in de menselijke natuur om door
offers afgeschrikt te worden. In onze geest is een mechanisme werkzaam dat
eerder nastreeft wat wij als aangenaam ervaren, en vermijdt wat ons onaangenaam
aandoet. In die zin vergt het brengen van offers dat wij tegen de menselijke
natuur durven in te gaan. Is dit dan niet tegennatuurlijk, dus tegen
Gods Wil? Allerminst. U mag niet vergeten dat God de mens had geschapen om
steeds in volkomen gelukzaligheid in vereniging met Zijn Wil te leven. Pas door
de erfzonde, de zonde van ongehoorzaamheid en hoogmoed, is het lijden in de
menselijke natuur gekomen. De mens, die dus op dat ogenblik niet meer volkomen
'geprogrammeerd' was zoals God hem had bedoeld (in computertermen zou men
kunnen zeggen "er is door de erfzonde een virus in zijn basisprogramma
geslopen"), heeft sedertdien een groot gedeelte van zijn inspanningen
gericht op het vinden van wegen om het lijden te ontvluchten, vandaar bijvoorbeeld
alle inspanningen op het gebied van technologie en geneeskunde.
Offerbereidheid is in feite een deugd waardoor de mens te
kennen geeft dat hij toenadering zoekt tot God via de weg van het kruis omdat
hij er zich rekenschap van geeft, en aanvaardt, dat dit de enige weg is om
opnieuw aansluiting te vinden bij Gods Barmhartigheid. Waarom? Omdat de
zondeschuld van de hele mensheid Gods Gerechtigheid onder druk zet, en God Zich
niet volkomen met de mens kan verzoenen zolang die zondelast op de mensheid weegt:
de zondeschuld is als een dik wolkendek dat zich tussen God en de mensenzielen
heeft geschoven. Om de verzoening opnieuw tot stand te brengen, moet die
zondelast uitgeboet worden (het wolkendek dunner en dunner gemaakt worden,
zodat er opnieuw gaten in de bewolking komen om Gods Licht van Liefde en
bezieling door te laten). Die uitboeting is de weg van het kruis, de
opgeofferde lasten van het leven.
Slechts weinigen hebben dit begrepen, en nog kleiner is het
aantal van hen die daadwerkelijk gedurende langere tijd (bij voorkeur vanaf de
beslissing om het te doen tot in het uur van de dood) de weg van de toewijding
en de opoffering bewandelen. De ware offerbereidheid bloeit slechts op de
Liefde tot het kruis, en op een vermogen om zichzelf boven de eigen wereldse
behoeften te verheffen, wat uiteraard een vrucht van genadewerking is. De mens
is zo zwak wanneer het erop aankomt, een keuze te maken voor het minder
aangename boven het genot of de vermeende behoefte. De bloemenkroon trekt
oneindig veel meer aan dan de doornenkroon. De ziel die heeft geleerd, te leven
met de ogen en het hart op het Eeuwig Leven, zal de oneindige schatten
vinden die verborgen liggen in de beproevingen en de vrijwillige offers, want
haar ogen kijken dwars doorheen het werelds slijk dat om de schijnbaar mooie
verlokkingen ligt. De meeste mensen betreden dit terrein van de
bovennatuurlijke emoties nooit, sommigen doen dit nu en dan wel doch zijn daar
weinig standvastig in, en voor een kleine minderheid wordt dit een echte
levensstijl. Zij slagen erin, het lichaam zoveel mogelijk te zien als een
middel om offers te brengen, in plaats van als iets dat tot doel van alle
aandacht en genot moet dienen.
Offerbereidheid is de deugd die de mens aanzet tot het
uitspreken van het 'ja-woord', het "Fiat Voluntas Tua" (Uw Wil
geschiede), in navolging van Marias "Mij geschiede naar Uw woord",
dus tot de totale toewijding. Het is de deugd van de zelfverloochening, want
zolang men zichzelf te belangrijk acht, zal men weinig geneigd zijn om offers
te brengen.
Talrijk zijn zij door wie de deugd van de offerbereidheid
nauwelijks beoefend wordt. Het dagelijks kruis met aanvaarding en Liefde
dragen, is voor weinigen weggelegd. Vele mensen komen in opstand bij de
geringste tegenslag, en laten geen gelegenheid voorbij gaan om te klagen over
hun beproevingen en hun lijden, of om deze op te blazen tegenover ieder die
daar oren naar heeft, in de hoop, hun kruis zo zwaar mogelijk te laten lijken
en zo mogelijk te worden bewonderd om hun inzet, hun moed en hun vermogen om
'zulke zware lasten te torsen'. Van hen zei Jezus overigens dat zij hun loon
reeds hebben gehad, en dus voor het Eeuwig Leven nog weinig verdiensten zullen
overhouden aan het kruis dat zij hebben gedragen.
22. Boetvaardigheid
Boetvaardigheid, de bereidheid om boete te doen, is zeer
nauw verwant met de offerbereidheid. Boete is elke handeling waardoor men
zichzelf een last oplegt die bedoeld is om zonden (van zichzelf of van anderen)
goed te maken tegenover Gods Gerechtigheid. Terwijl offerbereidheid vaak
verwijst naar de bereidheid om iets te laten wat men nochtans liever wél zou
hebben of doen, verwijst boetvaardigheid doorgaans naar het wél doen van iets
wat men liever niet zou doen. De beide deugden berusten echter op eenzelfde
principe en gaan over het algemeen dan ook samen. De boeteling beschouwt
boetedoening als hoogste goed voor de zielen, en streeft ernaar, alles wat hem
genot kan verschaffen, zoveel mogelijk te vermijden. Men zou kunnen stellen:
'hij is hard voor zichzelf', al wil ik hierbij onmiddellijk aantekenen dat ook
deze zienswijze afhankelijk is van wat men van het leven verwacht.
Het ontzeggen van genot, zelfs het nastreven van relatieve
zelfkastijding (men hoeft niet noodzakelijk aan zelfgeseling te doen om
boeteling te zijn!) kan ervaren worden als een balsem voor de ziel, doordat het
alle verbindingskanalen met God wijd openstelt. Onder 'relatieve
zelfkastijding' versta ik hier: zichzelf niet in de watten leggen, geen
inspanning schuwen, niet terugdeinzen voor het dragen van pijn of ongemak om
voor de ziel van een medemens genaden af te smeken. Een dergelijke
ingesteldheid komt bij vele mensen over als middeleeuws, eigen aan aloude
strenge kloosterpraktijken of voorbehouden aan kluizenaars die dweepten met
heilige intenties. Niets is minder waar. Vooral in deze tijd van relatieve
overvloed is boetvaardigheid goud waard om de gemeenschappelijke zondeschuld
van de mensheid te helpen afbetalen. Wie dit beschouwt als een geestelijke
dwaling van een zonderling, heeft het Ware Leven met God (en met Maria) niet
begrepen, en heeft evenmin begrepen dat ook in onze tijd nog steeds zielen
geroepen worden tot de weg van de mystiek, het intens rechtstreeks contact met
de Hemel (Maria, Jezus), een weg die gewoonlijk gepaard gaat met een genadevolle
roeping tot strenge boetvaardigheid.
Boetedoening zuivert de ziel. Die zuivering is nodig om te
groeien. Ik heb het in De Hemelse Bruiloft uitgebreid over dit hele
systeem gehad, en zal er daarom op deze plaats niet verder over uitweiden.
Evenals voor de offerbereidheid geldt ook voor de
boetvaardigheid dat zij door de meeste mensen geschuwd wordt, om dezelfde
reden: het brengen van verstervingen en van offers wordt beschouwd als niet
verenigbaar met een overvloedsmaatschappij. Eeuwenlang hebben de meeste mensen
het moeilijk gehad. Ook de oorlogsjaren in de twintigste eeuw hebben vele
ontberingen gebracht, en zij die deze hebben doorstaan, zijn verleid door de
relatieve weelde van de naoorlogse periode. De generaties die daarna zijn
gekomen, zijn opgegroeid in die relatieve weelde, en zijn vaak ook verwend door
hun ouders, die wilden dat het hun kinderen beter zou vergaan dan henzelf.
Bedenk daarbij dat intussen de christelijke waarden steeds minder ingevolgd
zijn, en U begrijpt waarom boetvaardigheid door zeer velen wordt beschouwd als
een flinke stap achteruit. Dat is betreurenswaardig, want de materiële overdaad
en het stijgend onvermogen om zich iets te ontzeggen, heeft talloze zielen
sterk verontreinigd.
Het aloud Romeins gezegde "Mens sana in corpore sano" (een
gezonde geest in een gezond lichaam) moet ook hierop van toepassing worden
geacht. U hoeft U slechts aan te wennen om geregeld religieuze vastendagen in
Uw leven in te bouwen, en U zult ervaren hoeveel zuiverder U alles gaat
aanvoelen. Vasten, als koningin van de boetedoening, stort veelzijdige genaden
in de ziel. Bedenk bovendien dat er nog een vorm van boetedoening bestaat die
zeer waardevol is en U toch (indien U om gezondheidsredenen niet mag vasten)
van lichamelijk vasten kan vrijstellen: de boetedoening van de geest, de mond
en het hart. Een paar voorbeelden: leg Uzelf tijden van zwijgen op (vooral,
doch niet alleen, indien U te veel spreekt), verbied Uzelf een dag lang (liever
een leven lang, maar ik wil U niet meteen ontmoedigen...) om ook maar één
negatief woord over Uw medemensen te uiten, leg Uzelf op om liefdevol te zijn
tegen iemand die U eerder vlug op de zenuwen werkt, enzovoort. U zou er
verbaasd over kunnen staan welk zalig gevoel U s avonds over de voorbije dag
zult hebben. Waarom? Omdat Uw ziel dan de ware verbinding met God
teruggevonden heeft.
23. Betrouwbaarheid
Betrouwbaarheid is de mate waarin Uw medemens op U kan
betrouwen, dus de mate waarin hij aan U een houvast heeft. Een betrouwbaar mens
is een mens waarop men kan bouwen. Dat is nodig om tot gezonde relaties te
komen. Uw medemens moet weten dat U Uw woord nakomt, en niet 'ja' zegt terwijl
U 'neen' denkt of althans niet met volle overtuiging achter Uw beloften staat.
Betrouwbaarheid houdt in hoge mate verband met gelijkmoedigheid, want iemand
met een wispelturig gemoed is als een bouwvallig huis: het is gevaarlijk om er
in de buurt te blijven, vooral wanneer het waait.
Wanneer het een mens ontbreekt aan betrouwbaarheid, wordt
hij onberekenbaar genoemd: U kunt er 'geen staat op maken', en zult niet vlug
geneigd zijn om hem iets toe te vertrouwen, zeker niet indien het iets
belangrijks is.
In het licht van deze laatste opmerking is betrouwbaarheid
een gesteldheid die van U verwacht wordt als fundament voor toewijding. God kan
geen huis bouwen op een mens waarop Hij niet ten volle kan betrouwen. U moet
eerst blijk geven van het feit dat U niet te gauw uit het veld geslagen wordt,
pas dan kan God U inzetten voor de verwezenlijking van Zijn Plan. Indien U dus
waarlijk God (en Maria) wil dienen, zult U eerst beproefd worden, onder meer op
Uw betrouwbaarheid. Wanneer U voldoende standvastig blijkt te zijn, kunnen U
bijzondere taken toevertrouwd worden. Alle Werken van God zijn heilig. Een
heilig Werk wordt niet toevertrouwd aan een ziel die vandaag geestdriftig is
doch zich morgen reeds onderkoeld en onverschillig terugtrekt. Nauw samenwerken
met God, is een heilig verbond, vergelijkbaar met een huwelijk, en dat kan
alleen aangegaan worden met iemand die rechtlijnig is, en zich langdurig voor
zijn zaak weet in te zetten, dus betrouwbaar is.
Het niet nakomen van afspraken, is een uiting van
onbetrouwbaarheid. Ik zal het in punt 44 nog over afspraken hebben. Laat ik
hier alvast zeggen dat de mate waarin iemand stipt zijn afspraken met U nakomt,
een goede aanwijzing geeft voor zijn betrouwbaarheid.
Een andere vorm van onbetrouwbaarheid is het niet nakomen
van beloften. Wanneer U Uw medemens iets belooft, moet U een inspanning leveren
om deze gestand te doen. Indien dit door omstandigheden buiten Uw wil niet
(meer) mogelijk blijkt, moet U de eerlijkheid hebben om hem dit te zeggen, en
hem niet in het ongewisse te laten. Sommige mensen doen beloften en komen daar
achteraf nooit meer op terug omdat zij vergeetachtig zijn. In dit geval gaat het
doorgaans niet om een opzettelijk verzuim, doch wanneer U weet dat Uw geheugen
U wel eens in de steek laat of U door overbelasting (of ziekte) dingen neigt te
vergeten, doet U er goed aan, uit respect voor Uw medemens een aantekening te
maken van elke belofte die U doet, opdat U ze in alle eerlijkheid kunt trachten
na te komen. Een variante op het niet nakomen van beloften, is Uw medemens aan
het lijntje houden.
U doet daarbij Uw medemens een belofte zonder de echte
intentie, deze ooit na te komen, bijvoorbeeld met de bedoeling, hem aan U te
binden.
Ik heb erop gewezen dat God de ziel slechts opdrachten kan
toevertrouwen voor zover die ziel betrouwbaar is. Dat is het precies wat
betrouwbaarheid in spiritueel opzicht zo belangrijk maakt. Een ziel waarop God
niet kan vertrouwen, werkt Zijn Plan tegen doordat zij de chaos in de Schepping
helpt bevorderen. God brengt grote dingen tot stand in een ziel die zich daar
totaal toe leent. Het vervullen van Uw roeping, en Uw beschikbaarheid voor Gods
Plan van Heil met de zielen, is doorslaggevend voor de grootte van 'het loon
dat Jezus zal meebrengen' wanneer Hij de wereld zal oordelen. Bovendien mag U
nog zulke grote vorderingen maken in de deugden, indien Uw betrouwbaarheid
ontoereikend is, is Uw ziel als een huis waarvan de stenen nochtans van
degelijke kwaliteit zijn, doch aan elkaar gemetseld zijn met een minderwaardig
cement dat spoedig afbrokkelt en bij winderig weer in elkaar dreigt te zakken.
Vandaar ook mijn beeld van het bouwvallig huis dat een gevaar vormt voor ieder
die in de nabijheid komt, vooral wanneer het waait.
24. Onbaatzuchtigheid
Onbaatzuchtigheid is de ingesteldheid waarbij de mens niet
de neiging heeft om voor alles wat hij doet iets terug te verwachten. Deze mens
stelt al zijn handelingen vanuit zuivere Liefde, en schept meer vreugde in
geven dan in krijgen. Hij stelt ze zonder de bedoeling, er enige baat bij te
hebben. Het is hem er niet om te doen, tijdens zijn aardse leven vruchten te
plukken van zijn verdiensten, want de vruchten der wereld interesseren hem
slechts matig of zo goed als niet.
Deze deugd vormt één van de noodzakelijke fundamenten voor
oprechte, totale toewijding. In het handelen van elke dag wordt de mens in deze
deugd gedreven door een zuivere betrachting van het goede, de naastenliefde, en
hij wordt daarbij gestimuleerd door de vreugde van het geven. Hij voelt deze
vreugde reeds bij voorbaat, in het vooruitzicht dat hij zijn medemens een
vreugde zal bereiden. Hij verlangt daarbij geen ogenblik dat hem voor zijn
goede daad ook maar het geringste terug zou worden gegeven. In het gebed komt
de onbaatzuchtigheid tot uiting wanneer U bidt uit zuiver idealisme, zonder een
intentie voor Uzelf te formuleren. U bidt niet (of slechts uitzonderlijk) om
iets te bekomen waar Uzelf rechtstreeks beter van zou worden, doch louter voor
de intenties van God (Jezus, Maria) of van een medemens. In het ideale geval is
het voor U zelfs niet echt van belang, te weten of en waar en hoe Uw intentie
verhoord is, al zou het U uiteraard vreugde bereiden indien dat zo zou blijken
te zijn. De vreugde schuilt voor U louter in het feit dat U beseft dat Uw gebed
Jezus en Maria behaagt en dat het ertoe bijdraagt, Hun intenties (Gods
Heilsplan in al zijn geledingen) te verwezenlijken. Een grote uiting van
onbaatzuchtigheid is bijvoorbeeld boetedoening, vasten, het brengen van
allerlei offers uit loutere Liefde voor Jezus en Maria. Het verschaft U daarbij
vreugde, iets van Uzelf (in dit geval Uw inspanning) te geven voor de intenties
van de Hemel, of U voor die intenties iets te ontzeggen, Uzelf dus als het ware
'pijn te doen' uit Liefde.
Het tegenovergestelde van deze deugd, is de houding waarbij
men dingen doet in de hoop en verwachting, iets in de plaats te krijgen.
Daarbij wordt dan automatisch verwacht dat hetgeen men zal terugkrijgen, iets
tastbaars is (dus bijvoorbeeld geen spirituele genade, want deze wordt dan niet
herkend), en dat het ten minste evenveel (materiële) waarde zou hebben als
datgene wat men gegeven heeft. Indien men met deze ingesteldheid een gebed verricht,
verwacht men onmiddellijk verhoring. Indien een vervulling van de verwachting
niet zichtbaar volgt, voelt men zich door God bekocht, en is het gevaar niet
ondenkbaar dat men alle geloofspraktijken terzijde schuift 'tot God Zijn schuld
afbetaald heeft'.
Een vorm van gebrek aan onbaatzuchtigheid, maar dan
voornamelijk op een niet-materieel gebied, is de behoefte om beklaagd te
worden, die bij sommige mensen aan de dag treedt. Deze mensen gebruiken hun
lijden en lasten om er beter van te worden in de ogen van hun medemens, en soms
zelfs om hun medemens emotioneel te manipuleren, om meer van hen gedaan te
krijgen. In dezelfde lijn ligt de emotionele chantage, waarbij U een medemens
in een situatie brengt waarin hij om morele redenen iets niet meer durft
nalaten of niet durft doen of zeggen. Ook hier worden de gevoelens van de
medemens misbruikt tot eigen nut.
25. Onzelfzuchtigheid
Onzelfzuchtigheid ligt niet zo ver naast onbaatzuchtigheid.
Ook hier worden de noden en behoeften van de medemens boven de eigen noden en
behoeften gesteld. Men heeft de neiging, zichzelf steeds weg te cijferen voor
de ander. Het voornaamste verschil bestaat hierin, dat onbaatzuchtigheid een
deugd is die aan de oppervlakte komt op het ogenblik waarop men iets wil doen,
terwijl onzelfzuchtigheid ook tot uiting komt in Uw manier van zijn,
zonder dat één of andere handeling wordt gesteld. Onzelfzuchtigheid is de
gesteldheid waarbij U de ander in het middelpunt van alles plaatst en zelf in
de marge gaat staan, dus Uzelf minder belangrijk maakt dan Uw medemens.
Onzelfzuchtigheid wordt ook wel altruïsme genoemd, het
tegendeel van egoïsme. Egoïsme is de houding van de mens die alles voor zich
opeist, vaak ten koste van de ander, omdat hij vindt dat hij meer recht heeft
op alle dingen dan zijn medemens, of omdat hij bang is dat hij minder zal
krijgen indien zijn medemens iets extra krijgt. Wanneer egoïsme zo ver gaat dat
U ervan overtuigd bent dat het normaal is dat alles in het leven om U heen
draait, dat U het middelpunt van alles bent, heet deze ingesteldheid
egocentrisme. Egocentrisme is een uiting van verregaande hoogmoed en zelfs
verwaandheid.
Onzelfzuchtigheid komt mooi tot uiting in de Liefde.
Aardgebonden liefde, dus liefde voor zover deze lichamelijke aspecten heeft
(het seksuele, erotische) is nooit volkomen onzelfzuchtig, doch voor een (klein
of groot) gedeelte gericht op eigen bevrediging: wat kan ik uit de
relatie halen? In hoeverre bevredigt zij mijn noden? Naarmate de Liefde
tussen mensen 'verhevener' wordt, neemt het onzelfzuchtig karakter ervan toe.
De Liefde wordt meer en meer vergeestelijkt. Waarlijk Hemelse Liefde
daarentegen, zoals de mystieke liefdesrelatie tussen God (Maria) en de
mysticus, is bevrijd van het lichamelijke en daardoor onzelfzuchtig. Deze
Liefde wordt dermate uitgezuiverd dat zij louter drijft op de vurige behoefte
om de ander het beste van zichzelf te geven: er bestaat een intens gevoelde
behoefte aan 'zelfslachtoffering' ten bate van de Meester(es).
Het is in dit licht dat U het begrip 'liefdesslavernij' van
de heilige Grignion de Montfort kunt begrijpen: de totaal aan Maria toegewijde
ziel, die door Maria is geroepen om zich helemaal, onvoorwaardelijk en voor
eeuwig aan Haar te geven in al haar doen en laten, wordt Haar slaaf in de
Liefde. Zij geeft zich volkomen aan Maria, zonder iets terug te verwachten,
zonder iets voor zichzelf te vragen, louter om de vreugde, Haar volmaakt te
dienen met de inzet van alles wat zij is en heeft, en van haar hele leven. De
behoeften van haar Meesteres vormen de enige zin van haar bestaan, haar enige
drijfveer. Zij ziet zichzelf als nietig en onbelangrijk, Maria is de Enige om
wie alles gaat. Naarmate de toegewijde in deze gesteldheid groeit, wordt zij
sterker in de onzelfzuchtigheid. Vereisten om hiertoe te komen, zijn vurige
Liefde, diepe nederigheid, een grote gehoorzaamheid, en het vermogen om
zichzelf te vergeten. Vandaar de leuze van de echt aan Maria toegewijde ziel,
die ik reeds jaren geleden neerschreef: "Ik leef niet meer, Maria
leeft in mij", waarmee ik toen verwees naar de woorden van de
Heilige Paulus: "ik leef niet meer, Christus leeft in mij". Jezus en
Maria zijn overigens de mooiste voorbeelden voor volmaakte onzelfzuchtigheid
geweest. Nooit hebben Zij een handeling gesteld waardoor Zij Zichzelf in het
middelpunt wilden plaatsen of waarmee Zij enige baat voor Zichzelf beoogden.
De onzelfzuchtige mens heeft geen behoefte aan het zoeken
naar eigen eer, met andere woorden hij is niet eerzuchtig. Hij heeft
er geen behoefte aan, bewierookt te worden, en stelt er geen prijs op dat
iedereen weet dat hij dit of dat gedaan heeft.
Ware onzelfzuchtigheid is onmogelijk zonder vertrouwen op
Gods Voorzienigheid. U moet ervan doordrongen zijn dat God steeds voor U zal
zorgen, en wel des te meer naarmate U zich belangeloos inzet voor Uw medemens.
Pas dan zal het voor U mogelijk zijn, Uzelf weg te cijferen voor Uw medemens,
zijn belangen voorrang te geven op de Uwe.
26. Vredelievendheid
Een vredelievend mens betracht in alles de harmonie, een
vredevolle omgang met zijn medemens. Hij houdt niet van onenigheid, onvrede of
ruzies. Hij zal ten allen prijze vermijden om zijn toevlucht te nemen tot
geweld, en is doorgaans ook snel geschokt wanneer hij getuige wordt van
situaties waarin geweld, onvrede of onenigheid tot uitdrukking worden gebracht.
Hij is geneigd om overal vrede te sluiten waar onenigheid heerst, ruzies te
beslechten, misverstanden zo snel mogelijk op te ruimen (om het even of hijzelf
erbij betrokken is of niet).
Vredelievendheid is een uiting van het besef dat alles wat
Gods Geest ademt, vrede en Liefde is, en dat alles wat hiervan afwijkt, niet
van God komt en ook nooit door God bezield of goedgekeurd kan worden. In de
politieke betrekkingen wordt vredelievendheid wel eens aangeduid met de term
pacifisme, een houding die verwijst naar het zoeken naar vredevolle oplossingen
voor elk probleem, en het te allen prijze vermijden van oorlogvoering. Niemand
kan ontkennen dat politieke regimes die afstevenen op oorlogvoering, hetzij
oorlog met andere staten hetzij de instandhouding van innerlijke strijd en
vervolgingen, vroeg of laat ook steeds op andere terreinen blijk geven van
onchristelijke drijfveren. Geweld en verdeeldheid worden nooit door God gewild,
en een overheid die de bevolking tracht te overtuigen van het tegendeel,
predikt een dwaalleer. Het is de ware christen nooit toegestaan, zich achter
verdeeldheid te scharen, want wie verdeelt, kan nooit de zaak van Christus
dienen. Indien twee of meer bevolkingsgroepen in een onderlinge
conflictsituatie verkeren, of enig risico op onderling conflict bestaat,
bestaat de enige geoorloofde houding voor de christen hierin, dat hij een
voorbeeld van Liefde voorleeft, en met gebed en offers de ander naar de
genade van bekering poogt te brengen.
Deze religieuze oplossing moet hij te allen tijde de
voorrang geven op louter politieke oplossingen die de onvrede kunnen
bevorderen. Ik denk daarbij, onder andere, aan de situatie waarbij in een land
christenen en niet-christenen naast elkaar leven. Een politiek waarbij de
niet-christelijke groep met verbanning bedreigd wordt of vijandig benaderd
wordt, doet afbreuk aan de christelijke leer. De enige gezonde houding, Jezus
Christus waardig, bestaat hierin, dat U als christen deze mensen met Liefde
benadert zodat zij vroeg of laat geraakt mogen worden door de levenshouding van
de ware christen. Alleen wanneer zij in hun hart getroffen worden door Uw
Liefde, zullen zij respect krijgen voor de leerstelling en de levensvisie van
Christus, en kan in hen de kiem voor bekering ontwikkelen. Dàt is wat Jezus
wil: breng eenheid, geen verdeeldheid. Elke redenering die U wil overtuigen van
de noodzaak van politieke afscheiding of uitbanning, is een schijnoplossing die
op een spirituele dwaling berust.
Het is niet onbelangrijk, te overwegen dat U zich schuldig
kunt maken aan onchristelijke activiteit indien U bijvoorbeeld tijdens een
verkiezing Uw stem uitbrengt voor een politieke partij waarvan U bekend is dat
zij onchristelijke waarden bevordert, onder meer racisme, gewelddadigheid,
oorlog, een totalitair regime, enzovoort. U draagt hierdoor immers bij tot de
bevordering van een onchristelijke samenleving en werkt dus Gods Plan tegen.
Iets gelijkaardigs geldt in het verenigingsleven: Vermijd lidmaatschap
van een organisatie, club of vereniging waarvan U bekend is dat zij de
christelijke waarden niet bevordert of er zelfs afbreuk aan doet.
Gebrek aan vredelievendheid ligt aan de basis van elk
leerstelsel dat afscheiding, strijd en onverdraagzaamheid tussen volksgroepen
predikt. Dat is bijvoorbeeld het geval bij racisme: vijandigheid ten opzichte
van mensen die tot een ander ras behoren om de enige reden dat zij daartoe
behoren. Bekende voorbeelden zijn het antisemitisme (jodenhaat) en de
strijd tussen blanken en zwarten, zoals deze vooral in de Verenigde Staten en
in Zuid-Afrika zeer intens hebben gewoed en nog steeds niet helemaal verdwenen
zijn. Deze houdingen zijn volgens de christelijke leer in geen enkel opzicht
aanvaardbaar.
Een gebrek aan vredelievendheid komt op kleine schaal reeds
tot uiting in de neiging om twistziek te zijn. Sommige mensen zijn zodanig
teleurgesteld in het leven dat zij zich op hun medemens afreageren door om
allerlei redenen ruzie te zoeken. Zij zondigen constant tegen de naastenliefde.
Doorgaans hebben deze mensen de neiging, in elke aangelegenheid gelijk te
willen krijgen, alsof zij er voldoening in scheppen, zich in alles boven de
ander te stellen. Zij hebben vaak de neiging om zich door te zetten. Zij
koesteren een geldingsdrang en willen voelen dat zij macht hebben over hun medemens.
Vaak oefenen zij die macht uit door intimidatie: door stemverheffing of door in
te spelen op de vrees van de ander voor conflict, overheersen zij hem. Vele
mensen die zich in wezen minderwaardig voelen, tiranniseren op deze wijze hun
medemens. Zij willen hun gevoel van eigenwaarde verhogen door de ander voor hen
bevreesd te maken. Deze mensen handelen vanuit een gebrek aan vrede in hun
eigen hart, en beminnen daarom ook niet de vrede naar hun medemens toe: gebrek
aan vredelievendheid.
Een herhaalde overtreding tegen de vredelievendheid is ook
de karaktertrek van sommige mensen om mensen tegen elkaar op te zetten,
onenigheden aan te wakkeren of ruzies uit te lokken. Het is moeilijk, iets lief
te hebben dat men niet kent. Mensen die weinig of geen vredelievendheid
bezitten, kennen de ware Vrede niet. Pas wanneer zij in zich de vonk van het
heilig Vuur leren ontdekken, alsook de daarmee gepaard gaande vreugde, oogsten
zij daarmee ook de Ware Liefde, die hen in staat zal stellen om de waarde van
de harmonie tussen mensen, en Gods verlangen naar die harmonie, op prijs te
stellen.
27. Ingetogenheid
Ingetogenheid is een deugd die veel te maken heeft met een
hoogontwikkelde innerlijke Vrede, zelfbeheersing en nederigheid. De ingetogen
ziel is een mens die alles doet om niet op te vallen, noch in woord noch in
daad. Wanneer hij iets doet, doet hij dit zo onopvallend mogelijk, het liefst
zelfs in het verborgene. Wanneer hij spreekt, doet hij dit met een zachte, vaak
stille stem. Hij wil ten allen prijze vermijden, zijn medemensen te storen, hun
rust te verstoren en de aandacht naar zich toe te trekken. Hij vermijdt alle
uitbundigheid in woord en daad, precies omdat dit de ogen van anderen op hem
zou doen vestigen. Hij handelt niet in de eerste plaats zo omdat hij bedeesd of
schuchter zou zijn of zich minderwaardig zou voelen, doch omdat het hem stoort
wanneer zijn medemens hem speciale aandacht geeft als gevolg van zijn handelen
of spreken. De ingetogen mens straalt een vredige rust uit, een soort
onverstoorbaarheid die zijn medemens vertrouwen schenkt. Van hem gaat geen
bedreiging uit, doch een soort zalvende tegenwoordigheid. Hoe onopvallend de
ingetogen mens ook tracht te blijven, er is één categorie van zielen bij wie
hij vroeg of laat wél opvalt, namelijk bij hen die gevoelig zijn voor de
rustige sfeer die wordt geïnspireerd door Gods Geest. De ingetogen ziel opent
zich doorgaans gemakkelijk voor de vroomheid, het stil contact met God.
De ingetogen mens verricht goede werken op een zo
onopvallend mogelijke wijze, nooit om daarmee op te vallen. Vaak is de
ingetogen mens zo onopvallend dat het lijkt alsof hij er niet eens is. Zo lijkt
hij dus op een engel: Uw engelbewaarder is er ook, zonder dat zijn aanwezigheid
de mensen opvalt. Ingetogenheid komt eveneens tot uiting in een rustige manier
van reageren op dingen die in Uw omgeving gebeuren, want de ingetogen ziel laat
de vrede die zij in haar hart heeft gevonden doordat zij zich met God (Jezus,
Maria) verbonden weet, niet graag verstoren, en beseft dat elke opwinding
waarin zij zich zou laten meeslepen, de vrede inderdaad kan wegnemen.
Het tegenovergestelde van ingetogenheid is de uitbundigheid
en de drang om op te vallen, die vaak gepaard gaat met een zucht naar
erkenning. De ziel die deze houding koestert, heeft er nood aan, 'iemand'
te zijn in de ogen van haar medemens. Vaak inhoudsloos of onwaardig gedrag
wordt zo opvallend mogelijk tentoon gespreid in de hoop dat anderen er zullen
naar opkijken en daardoor het gevoel van belangrijkheid zullen verhogen.
Desnoods neemt deze mens zijn toevlucht tot aanstootgevend en schokkend gedrag,
en wordt zijn hoogmoed vergroot naarmate zijn poging meer succes lijkt te
hebben. Hoogmoed is inderdaad de kern van dit gedrag, evenals de nederigheid in
de kern van de ingetogenheid zit.
28. Nederigheid
De nederigheid is één van de deugden die een ziel het meest
sieren. Koester Uw nietigheid, en U zult groot zijn in Gods ogen. Nederigheid
berust in principe op het vermogen om Uzelf op Uw werkelijke waarde als
mens te schatten. De nederige mens is zich bewust van de nietigheid van de
mens: een hoopje stof dat door God tot leven is gewekt. Dat is wat God zozeer
aantrekt in de nederige mens: dat hij te allen tijde beseft wie hij is, een
radertje binnen Gods Heilsplan, een ziel wier leven geen doel op zich is, doch
een middel tot verwezenlijking van Gods Plan. De nederige mens is aldus eerst
en vooral een mens die oog heeft voor de juiste orde waarin God de dingen
beschikt heeft, en die zijn eigen plaats daarin herkent en aanvaardt. Ware nederigheid
bestaat niet alleen uit het besef dat men tegenover God en binnen Zijn Plan
slechts een radertje is, doch betekent ook dat men zichzelf als mens onder de
mensen als klein wil beschouwen. De nederige mens is doordrongen van de
relativiteit van alles, met andere woorden: hij is zich ervan bewust dat het
belang van mensen en hun prestaties en verdiensten nooit overschat mag worden.
Tenslotte is alles genadewerking, en niets is mogelijk tenzij God dit toestaat.
De nederige ziel heeft dit begrepen, en beschouwt daarom zichzelf en haar
handelingen als klein.
De nederigheid heeft vele tegenpolen. Anders gezegd: Er zijn
uiteenlopende houdingen en gesteldheden die tot uiting komen wanneer de
nederigheid slecht ontwikkeld is. De eerste is uiteraard de hoogmoed. Hoogmoed
is de gesteldheid waarbij de ziel zichzelf op een voetstuk plaatst, zich hoger
en belangrijker waant dan de ander. Hoogmoed lag aan de basis van de val van
Lucifer. Lucifer (de satan) was aanvankelijk een hooggeplaatste engel, die op
grond van de hem toebedeelde krachten zo verwaand werd dat hij zich hoger begon
te wanen dan God en tegen Hem in opstand kwam. Hij steeg God zelf naar de
kroon, en verzette zich overigens ook tegen Gods beschikking om van de mens de
kroon van de Schepping te maken, die zelfs door de engelen gediend zou worden.
Omwille van dit gebrek aan nederigheid werd hij samen met zijn volgelingen uit
de Hemel verstoten, want in de Hemel is geen plaats voor hoogmoed.
Bedenk dit wel: Nederigheid blijkt hier een sleutel tot het
Paradijs te zijn. Op één lijn met de hoogmoed ligt de trots. Trots wekt
bovendien de bijgedachte van koppige volharding in deze gesteldheid. Trots is
bijvoorbeeld de houding van de mens die een fout heeft begaan en ondanks het
feit dat hij overduidelijke tekenen krijgt van zijn ongelijk, blijft volharden
tegen beter weten in. Veel voorkomend is het voorbeeld van de mens die zich in
een medemens heeft vergist, en terwijl alles ervoor spreekt dat hij fout is
geweest, in geen geval zijn fout wil toegeven, uit vrees voor gezichtsverlies.
Deze mens heeft niet begrepen hoe groot in Gods ogen de mens is die de
edelmoedigheid bezit om zichzelf te vernederen om de waarheid te dienen.
De trotse, hoogmoedige mens leeft inderdaad in een schijnwereld van onwaarheid,
over zichzelf zowel als over zijn omgeving. In de letterlijke zin van het woord
stapt hij in de voetsporen van de satan. De hoogmoedige mens heeft de neiging,
op lof te azen en bejubeld of geprezen te willen worden.
Hoogmoed wordt eveneens in praktijk gebracht door de mens
die zijn medemens kleineert of neerbuigend behandelt. Dit is vaak, maar
lang niet alleen, het geval in de houding van mensen ten opzichte van
bedelaars, minderbedeelden, andersvaliden, mensen die in armoede leven. De
hoogmoedige mens wekt de illusie dat hij meer waard is, of verstandiger, dan
zijn medemens. De medemens uit de hoogte behandelen, op hem neerkijken, hem een
gevoel van minderwaardigheid geven, is één van de geliefkoosde strategieën van
Gods tegenstander om een ziel te ontwrichten. Waar de hoogmoedige ziel zich
geen rekenschap van geeft, is dat zijzelf het groot slachtoffer is, want zij
tekent het vonnis van haar eigen veroordeling. Hoogmoed is een gruwel in Gods
ogen, precies vanwege de gelijkenis met het gedrag van de gevallen engelen van
Lucifer. Dit is een bedenking die vooral geldt voor een mens die daadwerkelijk
macht of gezag bezit. Jezus zei reeds tot Pilatus: "Ge zoudt volstrekt
geen macht over Mij hebben indien deze u niet van boven was gegeven".
Houd deze woorden steeds voor ogen: Indien (ik zeg dit met nadruk: indien)
U boven Uw medemens komt te staan, weet dan dat deze positie U door Gods
Voorzienigheid is verleend, omdat U in die positie een welbepaalde taak te
vervullen hebt. Maak daar dus geen misbruik van, indien U niet veroordeeld wil
worden wegens misbruik van Gods vertrouwen in U.
Vormen van hoogmoed zijn het opscheppen in woord of daad, en
de verwaandheid. Men wil hierdoor bij de medemens de indruk wekken dat men
zeer zelfverzekerd is omdat men voelt dat daarvoor een reden is, namelijk dat
men werkelijk meer waard is dan de ander. Sommige mensen slagen erin, hun
medemensen het gevoel te geven dat bij hen alles lukt, zonder slag of stoot,
zonder inspanning, alsof zij God in hoogsteigen persoon waren, of dat zij door
God veel meer begenadigd zijn dan de 'gewone mens'. Dit kan bij deze medemensen
een verwoestend effect krijgen, en deze zelfs fataal blokkeren in de
ontwikkeling van hun ziel, doordat zij de indruk krijgen dat God hen niet
bemint. De verwaande, opschepperige mens is niet zelden verantwoordelijk voor
minderwaardigheidsgevoelens bij zijn medemens.
Een andere vorm van hoogmoed is de betweterij, waarbij
in feite een zekere verwaandheid gepaard gaat met gebrek aan Wijsheid. De
betweter is een mens die over alles een vaste mening heeft, en ervan overtuigd
is dat hij, en hij alleen, gelijk heeft, en dit ook niet onder stoelen of
banken steekt. Hij geeft zich onvoldoende rekenschap van het feit dat alle
menselijke waarheden en kennis zeer relatief zijn. Met klem vasthouden aan Uw
eigen gelijk, is dus vaak onwijs. Wanneer dit tot karaktertrek wordt, is sprake
van verwaandheid, want het is onmogelijk dat een mens altijd gelijk heeft: geen
enkel mens bezit de absolute Wijsheid of is alwetend. Een variant op de
betweterij is de neiging om Uw medemens steeds te corrigeren. Door deze
neiging wekt U de indruk dat Uw medemens zelden of nooit iets goeds doet, en
dat Uw eigen systeem om de dingen aan te pakken automatisch in alle gevallen de
enige juiste is.
Hoogmoed kan de vorm aannemen van overdreven aandacht voor
het eigen prestige, het aanzien dat de mens in de ogen van zijn medemens
wil genieten. Aan deze ondeugd vallen onder andere gemakkelijk mensen ten prooi
die veel in de kijker lopen, zoals in de wereld van de competitiesport, film en
televisie, muziek enzovoort. Zucht naar prestige wordt dan wel eens tot doel op
zich. In zekere zin vallen ook de zelfvoldaanheid en de zelfgenoegzaamheid
onder de hoogmoed. Dit zijn ondeugden omdat zij uitingen van verwaandheid zijn.
De zelfvoldane of zelfgenoegzame mens schept zoveel behagen in zichzelf dat hij
nauwelijks een reden kan bedenken waarom hij aan zichzelf zou werken. Hij is
ervan overtuigd dat hij volmaakt is, of althans geen verbetering behoeft. Vele
christenen bezondigen zich aan zelfgenoegzaamheid door te menen dat een
wekelijks bezoek aan de Heilige Mis, het dagelijks gebed van een rozenhoedje en
de geregelde deelname aan een bedevaart hen automatisch zonder meer naar de
Hemel voert. Zij achten elke verdere inspanning (meer gebed, regelmatige boete,
vasten, offers, volhardende inspanning in de deugdzaamheid enzovoort) totaal
overbodig. Deze mensen hebben de nijpende noden en het zwaar onevenwicht in de
Goddelijke Scheppingsorde, noch hun eigen herstellende rol daarin als ware
christenen, niet begrepen.
Een enigszins geraffineerde vorm van hoogmoed is de
ijdelheid. Dit is een gesteldheid waarbij een mens de neiging vertoont om
te pronken met zijn of haar lichamelijke schoonheid, of althans ten minste
tracht om bepaalde lichamelijke eigenschappen derwijze tot uitdrukking te
brengen dat deze door de medemens bewonderd zouden kunnen worden. Zij wordt
ingegeven door een zekere behaagzucht, de gedrevenheid om behagen te
wekken in de ogen van de medemens. Deze gesteldheid heeft tot doel, zichzelf
boven anderen te verheffen, en wordt ook niet zelden gebruikt als machtsmiddel:
door lichamelijke schoonheid kan een grote macht uitgeoefend worden over de
medemens, omdat de seksualiteit een grote behoefte kan zijn. Zij kan ook aan de
basis liggen van ontmoediging bij de lichamelijk minder begiftigde medemens,
evenals van lichamelijke onzuiverheid in allerlei gradaties, tot en met
erotiek, prostitutie enzovoort. De ijdelheid kan voor een deel berusten op
onzekerheid over zichzelf, en wordt dan in feite tot zelfmisleiding en zelfs
onoprechtheid. Men wil iemand lijken die men niet is. Voor zover ijdelheid
ingegeven wordt door machtswellust (waar ik zo dadelijk op terugkom), kan
sprake zijn van geldingsdrang, die wel eens een gevoel van minderwaarde moet
verbergen.
Er is inderdaad een uiting van hoogmoed die, paradoxaal
uitgedrukt, vaak berust op een gevoel van minderwaardigheid:
geldingsdrang, de neiging om zich door te zetten, de eigen wil te laten
gelden in een poging om anderen te intimideren of aan zich te onderwerpen.
Geldingsdrang komt tot uiting in elk gedrag waardoor U Uw medemens een signaal
geeft waaruit hij opmaakt "met die man/vrouw valt niet te spotten, ik kan
maar beter toegeven". Geldingsdrang is een gesteldheid die neerkomt op een
(weliswaar soms geraffineerde) vernedering van Uw medemens: U dringt hem in een
positie waarin hij het gevoel krijgt dat hij minderwaardig is of dat hij moet
toegeven (al was het maar om moeilijkheden te vermijden). Intimidatie is
onverenigbaar met de Liefde die God van ons verwacht, want intimidatie is
manipulatie door het opwekken van een zekere vrees of onrust, en vrees is
onverenigbaar met Liefde. Een specifieke vorm van intimidatie is deze waarbij U
Uw medemens onzeker maakt of een ongemakkelijk gevoel geeft door de wijze
waarop U hem aankijkt. Hierbij gaat het doorgaans om het toewerpen van blikken
die als onderzoekend, onvriendelijk, argwanend of kwetsend onverschillig
overkomen.
Hoogmoed kan tot uitdrukking komen in heerszucht en
machtswellust. Heerszucht is de gesteldheid waarbij U gedreven wordt door
de behoefte om Uw medemens te beheersen (te domineren). Machtswellust is de
gesteldheid waardoor mensen genieten van de macht die zij over hun medemens
kunnen uitoefenen. Macht is het vermogen om het gedrag van Uw medemens te
beïnvloeden. Het leven kan U in posities brengen waarin U automatisch macht
over medemensen verwerft. Dat hoeft uiteraard niet noodzakelijk te wijzen op
een gebrek aan nederigheid. Dit laatste geldt slechts voor zover U Uw macht
neigt te misbruiken. In dit geval is doorgaans sprake van hoogmoed, en vaak
eveneens van een zucht of verlangen naar materieel gewin.
Een modern verschijnsel is de assertiviteit. Dit is een
gedragstechniek (want zo moet men dit in feite noemen) die door bepaalde strekkingen
in de psychologie wordt aanbevolen als een middel om Uzelf geestelijk gezond te
houden door 'niet op Uw kop te laten zitten'. In spiritueel opzicht heeft dit
een bedenkelijk fundament. Assertiviteit betekent: Uzelf doorzetten, van U
afbijten, vaak tot elke prijs. Deze houding bevordert de onvrede tussen mensen.
Er zijn andere manieren om voor de waarheid op te komen. Een assertief gedrag
zendt het signaal uit dat U Uzelf belangrijker acht dan Uw medemens, en dat U
Uw zin wil krijgen, zelfs indien U daarvoor alle Liefde en vriendelijkheid moet
verloochenen. In Gods ogen zult U met een dergelijk gedrag geen hoge punten
scoren. Bedenk steeds dat U de waardigheid van Uw medemens hoog moet achten, en
dat U bereid moet blijven om bepaalde toegevingen te doen. Het is zelfs uiterst
waardevol dat U bereid zou blijven om nu en dan een deel van Uw rechten op te
offeren, een toegeving te doen zelfs al bent U in het recht. Beschouw dit als
een oefening in nederigheid.
Onthoud steeds dat de mate waarin U nieuwe en steeds grotere
genaden voor Uw ziel ontvangt, in belangrijke mate wordt bepaald door de graad
van nederigheid die U koestert. Nederige zielen worden tot goudmijnen van
genaden. Niets snijdt Gods toenaderingen tot Uw ziel sneller en abrupter af dan
een uiting van hoogmoed, onder welke vorm dan ook. De nederige zielen, die
nochtans de minst opvallende van alle zijn, zijn in werkelijkheid de machtigen,
want zij krijgen van God alles gedaan (mits hun verzoeken niet onverenigbaar
zijn met Gods Plan).
De twee grootste voorbeelden zijn Jezus en Maria. Jezus
verrichtte elke dag de grootste wonderen, doch heeft daar geen misbruik van
gemaakt om Zichzelf boven de sterfelijke mens te stellen. Zodra men Hem op
handen wilde dragen, verdween Hij om in afzondering te gaan bidden. Waarom?
Omdat Hij slechts één doel had: niet Zijn persoonlijke verheerlijking, doch de
vestiging van het Rijk Gods op aarde, en dit in volkomen onthechting van alle
wereldse glorie. Maria, vervuld van Hemelse schoonheid en ongekende krachten en
eigenschappen, heeft de macht gekregen om het kwaad onder Haar voeten te
verpletteren. Zij wist welke onbegrensde macht Zij over mensen bezat, doch is
het toonbeeld van onopvallendheid en nederigheid gebleven. Volg deze
voorbeelden na tot in het heldhaftige toe, en Uw grootheid in Gods ogen zal
onmetelijk zijn.
|