|
3e overweging

Aanschouw, mijn ziel, vol stille bewondering de H. Familie
in haar schamel huisje te Nazareth. Jezus groeit op in jaren en in wijsheid
onder de ogen van zijn Moeder en zijn voedstervader. Hoewel Maria Moeder van
God en Koningin van het heelal is, draagt zij geen diamanten kroon. Zij is niet
omgeven met wereldse praal en glorie. Zij is de edele arme, die met haar
bruidegom, de H. Jozef werkt en zwoegt voor haar goddelijk Kind, zelf
vrijwillig arm geworden.
Daarbij maakt de liefde Haar alles voor allen: een Moeder
is Zij voor alle noodlijdenden, voor armen en zieken. Zij is echter hier reeds
de Moeder van Smarten: temidden van haar dagelijks werk is haar geest in de
droevigste gedachten verzonken; altijd zweeft Haar het beeld van haar lijdende
Jezus voor de geest.
Een pijnlijke gebeurtenis komt plotseling dit stil leven
verstoren. Maria en Jozef gingen, ieder jaar, naar Jeruzalem voor het
Paasfeest. En toen Jezus twaalf jaar was en zij, volgens het gebruik, naar daar
gingen en de dagen hadden volbracht en terugkeerden, bleef het Kind Jezus te
Jeruzalem achter, en zijn ouders hadden het niet bemerkt. (Lukas 2, 41-44)
Arme Moeder! Na de eerste dagreis spoedde Zij zich naar de
H. Jozef. Helaas, ze zag haar Kind niet! Tevergeefs zoeken Maria en Jozef Hem
onder de verwanten en bekenden. En toen zij Hem niet vonden, keerden zij naar
Jeruzalem terug, zoekend naar Hem (Lukas 2, 45) Welke verschrikkelijke nacht:
elk uur is een eeuwigheid voor het angstig Hart van de Moeder. De morgen zal
hen wellicht het Kind doen weervinden!
Wrede ontgoocheling! Niemand weet iets over Hem, niemand
heeft Jezus gezien! Eindelijk, op de derde dag, vinden zij Hem terug in de
Tempel temidden van de Schriftgeleerden. Al de droefheid, de angst en de
foltering van Marias Moederhart komen tot uiting in deze woorden: Kind,
waarom hebt Gij ons dit aangedaan? Zie, uw vader en Ik zochten U met droefheid.
(Lucas 2, 48) Jezus gaat met hen naar Nazareth terug, totdat voor Hem het
ogenblik gekomen is om zijn goddelijke leer aan de wereld te verkondigen.
Mijn hemelse Moeder, zou ik om U en met U niet alles
lijden?
Ondank is s werelds loon. Dit ondervond Maria al te zeer;
en voor haar teder Hart was de ondankbaarheid van de mensen jegens haar Zoon,
wel een van de grootste smarten. Zij had uit haar zuiver bloed het lichaam van
het Woord Gods gevormd. Zij had Hem groot gebracht en bewaard voor het heil van
de wereld. Maar o wee! al te dikwijls zal Zij haar goddelijke Zoon het
mikpunt zien worden van tegenspraak, vervolging en laster!
Waar Hij gaan of staan mocht, werd Jezus bespied: geneest
Hij een zieke op een Sabbat, verwijten zijn vijanden Hem dat Hij de Sabbatrust
schendt. Drijft Hij duivels uit, verwijten zij Hem dat Hij ze uitdrijft door
Beelzebub, het hoofd der duivels. Zo leefde en leed Maria met Jezus drie volle
jaren van zijn openbaar leven.
Zelfs degenen die in Jezus geloofden te Jeruzalem, vreesden
in het openbaar hun overtuiging te laten blijken, omdat ze door de
opperpriesters en Farizeeen de toegang tot de tempels ontzegd werden als ze
voor Jezus opkwamen. Nog erger: iedereen vreesde de Heiland een nachtverblijf
te verlenen. Daarom verliet Jezus s avonds de stad, en zocht een onderkomen in
het nabijgelegen Bethanie bij Lazarus, Maria en Martha of bracht de nacht door
in de Olijftuin, biddend tot zijn hemelse Vader.
Schandelijke ondank zou volgen: de joodse priesters
besloten Jezus te doden, en zij zouden geen rust meer vinden vooraleer de
Verlosser stierf op het kruis. Ach! Mijn hemelse Moeder, heb medelijden met
mij. Ook ik ben ondankbaar geweest tegen uw goddelijke Zoon en tegen U. Door
mijn grote en vele zonden heb ik mij bij Jezus vijanden aangesloten, en uw
beminnelijk Hart met zoveel scherpe zwaarden doorboord. Moeder, verkrijg vergiffenis
voor mij, ik zal geen ondankbare meer zijn. Ik schenk met hart met al zijn
liefde aan uw Jezus; ik wil Hem als mijn goede Meester eren en beminnen en
trouw dienen.
|