|
Over de voordelen die deze nacht in de ziel
teweegbrengt
1. Deze
nacht en loutering van het streefvermogen, - zo gelukkig voor de ziel brengt haar
vele weldaden en voordelen, hoewel zij eerder meent dat die van haar worden
weggenomen. Net als Abraham die een groot feest gaf toen zijn zoon Isaac van de
borst werd genomen (Gen 21,8), zo is men verheugd in de hemel, dat God deze
ziel nu uit de luiers haalt, uit zijn armen neerlaat en op eigen benen laat
staan; verheugd ook, dat hij haar, met dat hij haar speent van moedermelk en
zacht, zoet kindervoedsel, brood met korst laat eten. Zij begint het voedsel
van de sterken te smaken, dat in deze dorheid en duisternis van de zinnen
gaandeweg wordt gegeven aan de geest die van de sappen van de zinnen leeg en
droog is. Dit is het ingegoten schouwen.
Schouwen : is
niet zozeer een bepaalde manier of bijzonder niveau van bidden, dan wel de
zelfmededeling van God die aan de ziel wordt geschonken zonder dat zij er zelf
iets voor moet of kan doen. Het schouwen, dat Johannes ook mystieke theologie
noemt, ligt dus niet binnen het bereik van de menselijke prestaties en
verdiensten. Het kan enkel in liefdevolle aandacht voor God worden ontvangen
door degene die voor God naakt en leeg durft te zijn. In het schouwen krijgt de
mens licht (wijsheid) en warmte (liefde) van God ingegoten. Het schouwen
loutert en verlicht de mens en verenigt hem met God. Aanvankelijk wordt het
schouwen als donker en pijnlijk ervaren, omdat de mens nu zijn onzuiverheid,
ondeugden en lelijke kanten onder ogen gaat zien. Om deze reden identificeert
Jan van het Kruis het schouwen vaak met de nacht. Later ervaart de mens het
schouwen als omvattend gewaarworden en liefhebben, dat niet onder woorden te
brengen is. In het schouwen worden aan de mens geloof, hoop en liefde
geschonken, die hem in staat stellen de zelfmededeling van God te ontvangen.
2. Dit is
het eerste en voornaamste voordeel dat deze dorre en donkere nacht van het
schouwen brengt : het leren kennen van zichzelf en de eigen armzaligheid. Want
behalve dat alle gunsten die God de ziel verleent meestal zijn gehuld in deze
zelfkennis, laten deze dorheid en leegte van de vermogens vergeleken bij de
overvloed die de ziel voordien voelde en de moeilijkheid die zij in de goede
dingen ondervindt, haar de eigen ontoereikendheid en armzaligheid kennen. In de
tijd van voorspoed merkte zij die niet op.
Een goed voorbeeld hiervan staat in het
boek Exodus (33,5). God wilde, dat de kinderen van Israel zich zouden
verootmoedigen en zichzelf zouden leren kennen en gaf hun daarom de opdracht
zich te ontdoen van de feestkledij en opsmuk waarmee ze gewoonlijk in de
woestijn waren getooid. Hij zei: Kom, trek van nu af aan het feestgewaad uit en
doe gewone werkkleding aan, opdat jullie weten welke behandeling jullie
verdienen. Dit wil zoveel zeggen als: wanneer jullie door het dragen van
feestelijke en vrolijke kleding de kans lopen om je niet zo ontoereikend te
voelen als je bent, doe die kleding dan meteen uit; wanneer je ziet dat je als
onwaardigen gekleed gaat, zul je van dan af weten dat jullie niet meer
verdienen dan dat, en zul je weten wie je bent. Daaruit volgt voor de ziel de
waarheid inzake haar armzaligheid, waar zij voordien geen weet van had. Want in
de tijd dat zij rondging als op een feest en in God veel genoegen, troost en
steun vond, ging zij voldaner en tevredener voort, omdat zij meende God
enigszins te dienen. Want ook al meent de ziel dit niet zo uitdrukkelijk, toch
zet iets hiervan zich in haar vast, op zijn minst in de voldoening die zij
vindt in dit genoegen. Maar wanneer zij eenmaal is gestoken in de werkkledij
van dorheid en hulpeloosheid en haar vroegere licht is verduisterd, heeft zij
een waarachtiger licht in de zo voortreffelijke en noodzakelijke deugd van de
zelfkennis. Zij beschouwt zichzelf als niets en heeft geen enkele voldoening in
zichzelf; want zij ziet in, dat zij uit zichzelf niets tot stand brengt of
vermag.
Deze geringe voldoening in zichzelf en
haar mistroostigheid omdat zij God niet dient, acht God waardevoller dan alle
werken die de ziel verrichtte en de genoegens die zij vroeger beleefde. Hoeveel
het er misschien ook waren, zij waren uiteindelijk oorzaak van veel
onvolmaaktheid en onwetendheid. Uit deze kleding van dorheid vloeien ook
voordelen voort die we hierna zullen vermelden. Zij vloeien uit de zelfkennis
voort, als uit hun bron en oorsprong.
3. Allereerst komt er voor de ziel uit voort, dat zij met
meer voorkomendheid en beleefdheid omgaat met God, zoals de omgang met de
Allerhoogste altijd behoort te zijn. Toen zij overvloedig genoegen en troost
ondervond deed zij dat niet, want het heerlijke genot dat zij ondervond, maakte
het streven naar God al te vrijmoedig, onbeleefd en ongepast. Zo verging het
ook Mozes toen hij voelde dat God tot hem sprak. Verblind door dat genoegen en
die streving had hij het, zonder erbij na te denken, gewaagd om naderbij te
komen, als God hem niet had bevolen stil te staan en zijn schoenen uit te doen.
Dit wijst op de eerbied en bescheidenheid waarmee men, van streven ontbloot,
met God dient om te gaan. Daarom werd Mozes, toen hij hieraan gehoorzaamde, zo
kalm en oplettend dat de Schrift zegt dat hij het niet alleen niet waagde om
naderbij te komen, maar dat hij zelfs niet durfde op te zien (Ex 3,2-6; Hand
7,32). Want toen hij de schoenen van zijn strevingen en genoegens had
uitgetrokken, leerde hij overduidelijk zijn armzaligheid tegenover God kennen;
en zo werd hij geschikt om het woord van God te horen.
Zo bestond ook de voorbereiding die God aan Job gaf om met
hem te spreken, niet uit de geneugten en heerlijkheid die Job zoals hij zegt
gewoonlijk bij zijn God vond (Job 1,1-8), maar juist hierin, dat hij naakt op
een mesthoop werd gezet, in de steek gelaten en zelfs vervolgd door zijn
vrienden, vol angst en verbittering, terwijl de bodem bezaaid was met wormen
(Job 29-30). En toen, op die wijze, verwaardigde zich hij, die de arme opricht
uit het slijk (Ps 113,7), de allerhoogste God, neer te dalen en van aangezicht
tot aangezicht met hem te spreken en hem de grootse hoogten van zijn Wijsheid
te onthullen, hetgeen hij voordien, ten tijde van de voorspoed, nooit had
gedaan (Job 38-42).
4. Hier moeten wij wijzen op een ander voortreffelijk
voordeel van deze nacht en dorheid van het zinnelijk streefvermogen, daar we er
nu bij zijn aangekomen. God zal in deze
donkere nacht van het streefvermogen de ziel verlichten, opdat het woord van de
profeet vervuld moge worden: Lichten zal jouw licht in de duisternis (Jes
58,10). Niet alleen schenkt hij haar inzicht in haar ontoereikendheid en
armzaligheid, maar ook in de grootheid en voortreffelijkheid van God. Wanneer
bovendien de strevingen, genoegens en zintuiglijke steunpunten zijn verdwenen,
is het begripsvermogen schoon en vrij om de waarheid te begrijpen. Zinnelijk
genoegen en streving, ook al gaat het om geestelijke zaken, verblinden en
belasten immers de geest. Bovendien is het zo, dat die benauwenis en dorheid op
het gebied van de zinnen het begripsvermogen verlichten en verlevendigen, zoals
Jesaja zegt: de kwelling voert tot inzicht (Jes 28,19). God onderricht in zijn
goddelijke wijsheid de ziel, die leeg en vrijgemaakt is hetgeen nodig is voor
zijn goddelijke instroming op bovennatuurlijke wijze door middel van deze
donkere en dorre nacht van het schouwen. Dit deed hij niet door de vroegere
vreugden en genoegens.
|