Ik wil de boeken voorstellen die ik grààg gelezen heb. Misschien zijn er daarbuiten nog hartstochtelijke lezers die soms eens iets willen horen van een zielsgenoot over diens ervaringen in het onuitputtelijke rijk van het geschreven woord. Volg me op Twitter om op de hoogte te zijn van mijn jongste besprekingen: volg "muilpeerd"
24-05-2012
De boeddha van de buitenwijk (van Hanif Kureishi)
De achterflap van dit boek (380 blz.) zegt:
Kureishi schetst een bizar en komisch beeld van het leven van Karim Amin, de zoon van een Indiase vader en een Engelse moeder. Karim woont in een buitenwijk van Londen en is onafgebroken op zoek naar avontuur, dat wil zeggen: naar al wat met seks en drugs te maken heeft. Er komt een einde aan zijn saaie leven als zijn vader, de 'boeddha van de buitenwijk' met zijn minnares Eva de wijk neemt en Karim met het opwindende grotestadsleven laat kennismaken.
De eerste zin:
Mijn
naam is Karim Amir en ik ben een geboren en getogen Engelsman, zo goed als dan.
Hij is 17 jaar
Ze
[moeder] was een mollige vrouw met een bleek, rond gezicht en vriendelijke
bruine ogen, maar ze had weinig fysieke uitstraling. Ik geloof dat ze zich niet
erg in haar lichaam thuis voelde, het beschouwde als een noodzakelijk kwaad,
een omhulsel waarin ze was geboren zoals een schipbreukeling op een onbewoond
eiland aanspoelt.
Vader vraagt of moeder meegaat op bezoek bij
vrienden. Moeder weigert.
Zal
ik dan maar met je meegaan naar Eva? Eigenlijk zou ik naar de schaakclub
vanavond, maar als ik je daarmee een plezier kan doen, sla ik wel een keertje
over.
Ik liet het zo argeloos klinken als ik maar kon. Ik wilde niet te gretig
lijken, want de ervaring had me geleerd dat als je te gretig was, de anderen
ineens niet meer zo nodig hoefden. En dat als jij nie tzo nodoig hoefde, de
anderen gretiger werden. Dus hoe liever ik iets wilde, des te minder liet ik
het merken. (...)
Pa
was al in 1950 naar Engeland gekomen en zat er nu dus meer dan twintig
jaar(...). Toch leek het nog steeds alsof hij net van de boot was gestapt. Hij
raakte om de haverklap de weg kwijt en stelde vragen als :Dover ligt toch in
Kent, niet? Ik vond dat iemand die in dienst was van de Britse overheid, een
ambtenaar, zelfs al was hij nog zo ondergeschikt en slecht betaald als mijn
vader, dergelijke dingen toch zou moeten weten.
Vader wordt door Karim aangeduid als 'de boeddha van de buitenwijk'. Hij is geïntrigeerd door en geïnteresseerd in zijn vaders levenswandel. Goddank kwam op dat moment pa binnen. Hij kwam zo van zijn werk en droeg zijn beste maatpak, een geel vest, horloge-met-ketting (een cadeau van ma), en een roze met blauw gestreepte das met een knoop die zo dik was als een stuk zeep. Hij leek wel een parkiet. Zijn haar glom van de olijfoelie die hij er altijd in smeerde omdat hij dacht dat het een probaat middel was om kaalheid te voorkomen. Als je te dicht in zijn buurt kwam had dit helaas het neveneffect dat je je onwillekeurig afvroeg of er misschien ergens een salade stond die te kwistig met slasaus was overgoten.
Vader wordt verliefd op Eva. Dit zal verstrekkende gevolgen hebben voor het gezin van Karim.
Elke dag zag ik de fundamenten van ons gezinsleven verder afbrokkelen. Als pa van zijn werk kwam, sloot hij zich op in de slaapkamer om er niet meer uit te komen. Sinds kort had hij graag dat Allie [Karims vier jaar jongere broer] en ik hem kwamen vertellen wat we op school hadden meegemaakt. Ik geloof dat hij het prettig vond omdat onze stemen de kamer vulden als rookwolken waarachter hij zich behaaglijk kon verschuilen om over Eva te mijmeren. (...) We voelden onze harten langzaam maar zeker breken, als lekkende leidingen die steeds zwakker worden tot ze het ten slotte begeven.
Karims seksualiteit komt openhartig ter sprake. Hij voelt zich zowel tot meisjes als tot jongens aangetrokken. Hij is al een tijd verliefd op Charlie, Eva's zoon.
Daar lag ik dan, de tranen stonden me in de ogen, maar ik probeerde net te doen of het geen pijn deed. Charlie bleef intussen al ijsberend gebloemde kledingstukken uit het raam gooien, terwijl hij een fantastisch verhaal ophing over een op te richten politiekorps dat tot taak zou hebben rockgitaristen te arresteren en gevangen te zetten die tijdens het spelen wel eens door hun knieën zakten.
Ook met Jamila heeft hij een losse relatie.
Als ik zo naar Jamila keek, bedacht ik dat er drie soorten mensen zijn: mensen die vanaf het begin weten wat ze willen, mensen die daar later achter komen en mensen die er nooit achter komen (degenen die het het slechtst getroffen hebben). Ik nam aan dat ik tot de tweede categorie behoorde, al had ik graag gewild dat ik tot de eerste behoorde.
Oom Ted en tante Jean spelen een belangrijke rol in het leven van Karim.
Daar stonden ze dan, twee doorsnee ongelukkige alcoholici, hij keurig in het pak, zij op haar roze hoge hakken. Ze zagen eruit als bruiloftsgasten, ma's lange zuster Jean en haar echtgenoot Ted, de eigenaar van Peter's Heaters, een bedrijfje dat verwarmingsketels installeerde. En ze moesten aanzien dat hun zwager, door hen steevast Harry genoemd, ten overstaan van de buren in meditatie ging. Jean zocht wanhopig naar woorden. Het was waarschijnlijk de eerste keer in haar leven dat ze ergens moeite voor deed. Eva legde haar vinger op haar lippen. Langzaam zakte Jeans mond dicht, als de Tower Bridge. Nadat vader moeder verlaat om bij Eva in te trekken, verhuist moeder samen met Allie naar tante Jean en oom Ted. Karim besluit om samen met zijn vader naar het huis van Eva te verhuizen.
De dag dat ze bij Jean was ingetrokken, was mam meteen in bed gaan liggen en sindsdien was ze er niet meer uitgekomen. (...) Ik belde haar elke dag, maar ik was sinds de dag dat we bij introkken niet meer bij haar geweest. Ik kon het niet opbrengen.
Deze schrijver hanteert een lichtvoetige, humoristische stijl. Het is aangenaam om lezen en zeer geschikt voor jeugdige lezers.
Heinrich Böll heeft een aanzienlijk oeuvre bijeengeschreven. Ik las deze auteur jaren geleden op aanraden van een goede vriend.
Op de achterflap staat: Dit boek bevat 23 verhalen over WO II en over de armoedige vrede die er op volgde. (...) Oorlog is voor Böll een ramp, die de mens moreel aantast en vernietigt. De mensen in zijn verhalen zijn negatieve helden die op de morele chaos met wanhoop, gelatenheid of opgeschroefde heldhaftigheid reageren.
Böll heeft prachtige boeken geschreven en een keuze maken was niet makkelijk. Ten slotte besloot ik deze verhalenbundel (158 blz.) voor te stellen. Omdat het meerdere registers van zijn schrijverscapaciteiten opentrekt en u hopelijk nieuwsgierig maakt naar meer. Het eerste is het titelverhaal: De man met de messen.
De ik-figuur is in gesprek met Jupp, een man die messenwerpt in het variététheatertje Zeven Molens.
Ze betalen me twaalf mark per avond en daarvoor mag ik dan tussen de belangrijkste nummers een beetje met mijn mes spelen. Maar het nummer is te simpel. Een man, een mes en een stuk hout, dat is toch niks. Ik zou een halfnaakte vrouw moeten hebben, wie ik het mes rakelings langs haar neus laat vliegen. Dan zouden ze nog eens juichen. Maar vind maar eens zo'n vrouw! (...) 'Wat doe jij eigenlijk voor de kost?' vroeg Jupp. 'Niks ... ik red me zo'n beetje.' 'Een zwaar beroep.' 'Inderdaad - voor dat brood hier heb ik honderd stenen moeten zoeken en afkloppen. Los arbeider.' (...)
'Maar ja, vind maar eens iemand. Vrouwen zijn te bang en mannen te duur. Ik kan het ook wel begrijpen, het is een riskant nummertje.' (...) Jupp wees lachend naar een foto in de vitrine, waar hij in een cowboy-pak tussen twee lief lachende danseressen hing, wier borsten met bontschitterende lovertjes waren bedekt. 'De man met de messen,' stond eronder.
Jupp zoekt in een koffer:
'Dat is alles wat ik van het bezit van mijn ouders heb gered. Alles is verbrand, onder het puin geraakt of gestolen. Toen ik halfziek en met vodden aan mijn lijf uit krijgsgevangenschap kwam had ik niets, tot op zekere dag een deftige oude dame, een kennis van mijn moeder, erachter kwam waar ik zat en me dit mooie kleine koffertje bracht. Een paar dagen voor ze bij een bombardement omkwam had mijn moeder dat ding bij haar in veiligheid gebracht en het was behouden gebleven. Gek, vind je niet. Maar je weet immers dat mensen de gekste dingen proberen te redden als de angst voor de ondergang ze te pakken heeft. Nooit wat ze nodig hebben.
Jupp heeft wel een act maar geen man of vrouw om mee te werken, en de ik-figuur heeft geen echte baan. Het volgende moet gewoon gebeuren:
'Durf je?' Die vraag had ik al zo lang verwacht dat ik schrok nu ze me plotseling werd gesteld. Ik zal wel niet erg moedig hebben gekeken toen ik zei: 'Met de moed der wanhoop.' 'Dat is net de moed die je nodig hebt,' riep hij en deed zijn best om niet te lachen. (...) Het kon me allemaal weinig schelen. Voor mijn part werd ik levend gespiest. Ik had een lamme schouder, had een dunne sigaret gerookt en morgen zou ik voor vijfenzeventig stenen driekwart brood krijgen. Maar morgen ... (...) Ergens vandaan werd een stuk touw op het podium gesmeten en toen bond Jupp mij aan de voet van een Dorische zuil vast (...). Ik kwam in een soort roes van onverschilligheid. Rechts hoorde ik het angstaanjagende onrustige geroezemoes van het nieuwsgierige publiek en ik voelde dat Jupp gelijk had als hij zei dat het bloed wilde zien. De wellust van de toeschouwers trilde in de zoetige weeë lucht en het orkestje versterkte met zijn sentimentele tromgeroffel en zijn onderdrukte geilheid de indruk van een huiveringwekkende tragikomedie, waarin echt bloed zou vloeien, betaald toneelbloed (...).
Het was een verrukkelijk gevoel, het duurde misschien twee seconden, ik weet het niet precies. Terwijl ik het zachte gegons van de messen hoorde en de korte heftige luchtverplaatsing als ze naast me in de toneeldeur sloegen, was het net of ik over een hele smalle balk boven een bodemloze afgrond liep. (...)
Een donderend applaus bracht me helemaal tot de werkelijkheid terug, ik deed mijn ogen wijd open en keek in het bleke gezicht van Jupp, die naar me toe kwam rennen, en nu met nerveuze handen het touw losmaakte. Toen trok hij mij naar het midden van het toneel vlak vooraan bij het voetlicht; hij boog en ik boog, en terwijl het publiek steeds wilder applaudisseerde, wees hij naar mij en ik naar hem; hij lachte mij toe, ik hem en we bogen samen lachend voor het publiek. (...)
Dit schitterende, weemoedige verhaal eindigt als volgt:
Jupp pakte me bij mijn arm en we liepen naast elkaar de smalle armoedig verlichte trap af waar het naar oude schmink rook. Toen we beneden in de ingang stonden zei Jupp lachend: 'Nou gaan we sigaretten en brood kopen ...' Een uur later drong het pas tot me door dat ik nu een echt beroep had, een beroep waarbij ik alleen maar ergens hoefde te gaan staan en een beetje te dromen. Twaalf of twintig seconden. Ik was de man, naar wie met messen wordt gegooid ...
Het tweede kortverhaal dat ik aan u voorstel heet De tijding. Het begint als volgt:
Kent u die rotgaten, waar men zich tevergeefs afvraagt, waarom de spoorwegen daar een station hebben neergezet; waar de oneindigheid lijkt verstard door een paar gore huizen en een halfvervallen fabriek; rondom velden, die tot eeuwigdurende onvruchtbaarheid zijn gedoemd; waar je opeens merkt dat ze troosteloos zijn, omdat er geen boom en niet eens een kerktoren te bekennen valt? (...)
Toch was ik niet de enige, die uitstapte; een oud vrouwtje met een groot bruin pak stapte uit de coupé naast mij, maar toen ik het gore stationnetje uit was, was ze als het ware door de aarde verzwolgen en een ogenblik was ik de wanhoop nabij, want ik wist niet, aan wie ik de weg moest vragen. (...)
Gewoon op mijn gevoel vertrouwend sloeg ik links af, maar daar was het plaatsje plotseling ten einde: de muur liep nog ongeveer tien meter door en daarna begon er een vlak grijzigzwart veld met een nauwelijks zichtbaar groen waas erover, dat ergens met de grijze hemelhoge horizon samenvloeide, en ik had het afschuwelijke gevoel alsof ik aan het einde van de wereld voor een peilloze afgrond stond en gedoemd was om in die onheilspellend lokkende, stille branding van volslagen wanhoop te verdwijnen. (...)
Ik stond een ogenblik roerloos voor de huisdeur en ik wenste dat ik indertijd gesneuveld was, in plaats van nu hier te staan om dit huis binnen te gaan. (...) ... en met de laatste kracht die me nog restte klopte ik heftig op de deur. (...)
Als een gulden rossig schijnsel stond ze in die eeuwigheid van triestheid en duisternis voor me te branden. Ze deinsde met een gedempte kreet achteruit en hield zich met bevende handen aan de deur vast, maar toen ik mijn soldatenpet had afgezet en met een hese stem had gezegd: 'Goeienavond' ontspande zich dat eigenaardig vormloze gezicht, dat verstard was van schrik, ze glimlachte verlegen en zei: 'Ja'. (...) ... maar voor ik meer kon zeggen, zei ze eigenaardig kalm: 'Ik weet alles, hij is dood ... dood.' Ik kon alleen maar knikken. (...)
Ik legde langzaam de trouwring, het horloge en het militaire zakboekje met de gescheurde foto's op het groen fluwelen tafelkleed. Toen begon ze plotseling heftig en wild als een dier te snikken. De trekken van haar gezicht waren volledig uitgewist, het was week als een slak en vormeloos, en kleine heldere tranen rolden tussen haar korte vlezige vingers te voorschijn. Ze liet zich op de sofa vallen en steunde met haar rechterhand tegen de tafel terwijl haar linkerhand met die armzalige voorwerpen speelde. De herinnering sneed als met duizend zwaarden door haar heen.
Bölls verhalen zijn scherpe aanklachten tegen de oorlog. Hij spreekt in treffende taal zijn afschuw uit over deze destructieve periode. De personages in zijn verhalen zijn de kleine mensen, de gewone man die het hardst wordt getroffen door de oorlog. Heel treffend laat hij zijn personage in bovenstaand verhaal zeggen: Toen wist ik dat de oorlog nooit afgelopen zou zijn, nooit, zolang er nog ergens een wond bloedde, die de oorlog geslagen had.
Dit boek (386 blz.) heb ik uitgekozen omdat het in een brochure werd aangeprezen.
De achterflap zegt over de inhoud:
Blind geschopt wordt Sammy wakker in een politiecel. (...) Als hij weer op straat staat, gaat hij op zoek naar de kroeg en zijn vriendin. De laatste blijkt verdwenen. Hij is alleen overgebleven. Deze rommelaar in de marge die al stelend en drinkend door het leven gaat, staat aan de rand van afgrond.
Als het bovenstaande u niet aanspreekt slaat u dit boek best over.
De schrijver hanteert ruwe straattaal en vaak lopen zinnen gewoon over in volgende zinnen zonder interpunctie. Dit geeft de manier van denken van het hoofdpersonage weer.
Het verhaal begint als volgt:
Je wordt in een hoek wakker en blijft daar liggen hopen dat je lichaam zal verdwijnen; die gedachten waar je in stikt; al die gedachten, maar je wil dingen terughalen en onder ogen zien, alleen is er iets dat je tegenhoudt, waardoor je het niet kan; de woorden waar je hoofd mee vol zit: dan die andere woorden; er is iets mis; er is iets heel erg mis; je deugt niet, je deugt gewoon niet.
Sammy zit in een politiecel en ook al werd hij blind geschopt, hij lijkt zich er aanvankelijk niet erg om te bekommeren of het niet echt te beseffen. Zijn gedachten gaan alle kanten uit, bijvoorbeeld naar zijn vriendin Helen, zijn zoon, zijn vorige job, zijn moeder:
Later was hij op en deed hij de passen naar de muur en terug terwijl hij zich afvroeg wat voor dag het toch was want nu zat hij zwaar in de stront met Helen; dat deed de deur dicht man nu schopte ze hem voorgoed de straat op. Zijn spullen lagen onderhand al op de galerij. Als hij thuiskwam zou hij de boel daar wel aantreffen, in één grote hoop godverdomme. Die Helen, wat doe je eraan man. (...) Ach man, ze zou razen en tieren. Of anders niks zeggen. Dat kon ze goed, niks zeggen. (...) Beter een preek dan helemaal niks man, die stiltes, weet je wat ik bedoel; Sammy kon niet tegen die stiltes, bij haar niet. Bij andere gasten wel maar bij haar niet. Daar was hij te onzeker voor. Hij ging al meer dan een jaar met haar maar hij woonde nog maar zes, acht maanden met haar samen. Ze had er de rest van de tijd over gedaan om tot die beslissing te komen. Ze was er de vrouw niet naar om halsoverkop aan iets te beginnen. Had godver al te veel meegemaakt; drie kinderen ook nog.
Dan was er ook nog een radio met popmuziek, het drensde maar door, oemba oemba oemba diedie oemba oemba oemba, diedie oemba oemba oemba, het soort muziek waar Sammy's zoon naar zou luisteren - prima voor knulletjes van vijftien maar dit waren volwassen wouten [politieagenten]. (...) Je kon niet echt contact maken met die lui; het enige dat je dan kreeg was sarcasme en grapjes onder mekaar. Dat had je niet alleen in de bak ik bedoel Sammy had een keer heel eventjes in een fabriek gewerkt, in Engeland, en daar ging het net zo. Je had er wel tien jaar moeten opknappen om te weten te komen waar ze allemaal zo om zaten te gniffelen. (...) Je hebt zogenaamd rust als je dood bent nou vergeet het maar man je staart de dood godverdomme recht in het gezicht en geloof me het is verschrikkelijk man, de dood, begrijp je wat ik bedoel. Ze maken je godver maar wat wijs. Net als moeders, toen die de pijp uitging: Sammy zat toen in de bak en ze lieten hem er niet uit voor de begrafenis. Dus die vredige sluimer en zo, dat hij had hij gemist.
Uit het bovenstaande blijkt duidelijk de schrijfstijl die tijdens het hele verhaal wordt gehanteerd. Er zijn mensen die het storend vinden om dergelijke spreek- en straattaal te lezen maar zelf vind ik het wel de moeite waard, want je maakt kennis met een heel specifieke schrijfstijl en je zit dicht op het verhaal omdat je steeds als het ware in het hoofd van Sammy zit. Dat maakt zijn ervaringen zeer invoelbaar.
Het leven van Sammy is rauw en ruig. Het is het leven van een marginaal en een alcoholist. De schrijfstijl samen met het thema lijken mij geschikt voor lezers vanaf veertien jaar.
De auteur Kenzaburo Oë won de Nobelprijs voor Literatuur in 1994. Ik las deze roman (234 blz.) omdat hij in een brochure aangeprezen was.
Op de achterflap staat over de inhoud:
Vanuit het gezichtspunt van een jongen beschrijft Oë de vaak gruwelijke belevenissen van een aantal jongens op een tuchtschool, die in de WO II uit de stad naar het platteland worden geëvacueerd en daar geconfronteerd worden met een volledig vijandige bevolking. De jongens bevinden zich 'binnen gesloten muren' en vechten in het eigen 'koninkrijk' dat ze opbouwen en waarin het menselijk gevoel van doorleefde solidariteit heerst, tot ze door toedoen van de vijandige volwassenen ten onder gaan.
In het nawoord lezen we volgende samenvatting:
Wanneer de tuchtschool door verhevigde luchtaanvallen gedwongen een evacuatieplan opstelt, vraagt men de ouders hun kinderen op te komen halen. De vader van de ik-figuur komt echter opdagen met diens broertje, voor wie hij geen evacuatieplaats weet. Hij wil zijn zoontje meegeven met de evacuatie van de groep tuchtschooljongens, hetgeen geaccepteerd wordt. Dit broertje is vergeleken met de tuchtschooljongens een buitenstaander die bij toeval in de groep terechtkomt. Hij kent niet de beklemmende ervaringen van onredelijke bedreiging en vervolging, zoals de anderen. (...) Drie weken lang zijn de jongens (...) op een doorreis naar een verafgelegen bergdorp .(...) De surveillant van de tuchtschool keert terug naar de school om een tweede groep jongens op te halen, en laat de vijftien weerloze jongens achter, overgeleverd aan de vijandige dorpelingen. (...) Wanneer de jongens in het bergdorp aankomen heerst er een epidemie. De dorpsbewoners staan op het punt het dorp te verlaten en besluiten de jongens als proefkonijn te gebruiken. Ze worden daartoe opgesloten in het dorp, als in een kooi waaruit geen uitweg mogelijk is.
De hoofdpersonages, de ik-figuur (die een soort leidersfiguur is) en zijn broertje die naamloos blijven, leven ten tijde van WO II. Hun bittere tocht start al vanaf de eerste bladzijde:
De dag begon al aan te breken, maar wij waren nog niet vertrokken omdat twee jongens, kameraden van ons, in het holst van de nacht ontsnapt waren. (...) Kinderen en vrouwen uit het dorp kwamen de weg op waar wij waren. Ze staarden ons aan met een nieuwsgierig verlegen, maar ook stompzinnig arrogante oogopslag. (...) Wij waren in hun ogen volslagen vreemdelingen. (...) Wij, als dieren in een kooi, slenterden aan onze kant van de heg maar zo'n beetje rond of zaten op een stapsteen die droog was door de zon, terwijl wij naar de wazige schaduwen tuurden van de bladeren op de donkere modderbruine grond. Met onze vingertoppen trokken wij de lichtblauwe contouren na die de neiging hadden heen en weer te bewegen.
Pas aan het einde van het boek komen we te weten hoe de ik-figuur in een tuchthuis is beland. We komen terecht in een wereld die zowel poëtisch als schrijnend en wrang is. Een groep jongens die worden voortgejaagd als een kudde dieren.
Al met al, wij waren vreemden, lijkend op gevangengenomen, zeldzame dieren. De beste manier daarom om ons veilig te stellen tegenover die starende blikken uit andermans ogen was een bestaan te leiden zonder ogen, zonder eigen wil, alsof we stenen, bloemen of bomen waren.(...)
In de ogen van mijn broertje waren die dorpsmensen juist de vreemden: zeldzame figuren waren het en ze wekten zijn nieuwsgierigheid op. Af en toe kwam hij naar mij terug gerend en vertelde vol enthousiasme over de met trachoom besmette ogen van de dorpskinderen, over hun gescheurde lippen, over het ongewone formaat vingertoppen van de dorpsvrouwen die door het werk op het land zwart en vervormd waren.
Het leven voor de kinderen is heel hard. Tijdens hun tocht naar een onherbergzaam, afgelegen dorp achter de bergen moeten ze ontelbare wreedheden ondergaan.
Wij werden dagelijks geconfronteerd met gebeurtenissen waardoor wij lichamelijk zowel als geestelijk ernstig werden beschadigd. Er zat voor ons niets anders op dan daaraan te wennen en in ons eentje daartegen te vechten. Dat wij met harde hand geslagen werden en daarbij bloedend op de grond vielen, was nog maar het begin van die dagelijkse gang van zaken. (...)
Midden in zo'n dorpsgemeenschap zagen de mensen ons als doornen die in hun huid en vlees staken. Wij werden hier als in één ademtocht van alle kanten omringd door opeengepakte hompen vlees die ons verstrikten en wegduwden. Boeren waren enorm afkerig van alles wat van buiten hun wereld kwam. Ze waren zo zwaar geharnast, dat het totaal onmogelijk was hun wereld binnen te dringen. Zelfs de doorgang weigerden zij. Wij waren als een groepje dat lucht happend afdreef naar een zee, waar mensen van buiten nooit geaccepteerd werden, maar altijd werden buitengesloten. (...)
Het was de tijd van massamoord. Alsof het om één lange overstroming ging, teisterde de waanzin van de oorlog in al zijn massale overvloed alle plooien van het menselijke gevoel, iedere uithoek van het lichaam, alle wouden, straten, steden en luchten. Onze tuchtschool was een oud, vervallen, bakstenen gebouw, waarin wij met z'n allen waren geherbergd. (...)
Het was al zo vaak gebeurd: die vaste procedure, alsof op de hoeken van onze levens een etiket werd geplakt, zodat onze bewegingen beperkt en vertraagd werden en wij ten slotte de modderpoel van hevige moeheid en irritatie werden ingeduwd. Daar kwam het weer: het overhandigen van de naamlijst, het hardop tellen van de jongens, de aanwijzing van een groepsleider en daarna het gezamenlijk krachteloos zingen van ons schoollied.
Het leven van de jongens kent ook z'n dagelijks gangetje, het is niet alleen kommer en kwel. Het blijven jonge kinderen die in staat zijn tot verbazing, verwondering en enthousiasme. Ieder op zich zoekt naar wat warmte en genegenheid. Ook in de oorlog blijven het kinderen. Het jonge broertje sluit vriendschap met een hond, die hij aanvankelijk Kumo noemt.
'Ik wist niet dat een smid een fiets kon vernieuwen,' zei mijn broertje. 'Dat verbaast me niks,' zei de smid en hij zette zijn fiets weer neer op de donkerkleurige, zwarte grond waaruit warme dampen, van het vuur afkomstig, opstegen. Toen legde hij een paar stukken hout op het vuur. 'Iedereen denkt dat.' Wij vervielen in stilzwijgen. Luisterend naar de geluiden van het spetterende hars, de lage toonzetting van de atmosfeer en het getik van de vallende stukjes as, luisterend ook naar het lachen van de smid dat achter in zijn keel bleef hangen, dachten wij in een flits aan de fiets die wij op de tuchtschool hadden.(...)
Dit betekende dat we eindelijk voor het eerst sinds onze aankomst in dit dorp rust hadden. Een van onze kameraden ging zijn plunjezak met zijn persoonlijke bezittingen ordenen; kostbare voorwerpen zoals een tube van onduidelijke herkomst, een bronzen handgreep, een met bloed bevlekte metalen ring die als wapen was gebruikt, en scherven kogelvrij glas. Hij rangschikte ze allemaal en wreef ze op met een doek. Een andere kameraad was druk bezig een modelvliegtuig uit stukken van een zachte houtsoort af te bouwen. Minami [een van de kameraden] had als gevolg van een zichzelf offerende liefde een chronische ontsteking aan zijn kleine anus. Om die te genezen haalde hij onder uit zijn plunjezak een celluloid potje met zalf. Er zat niet zoveel zalf meer in. Een zogenaamd gehoorzaam 'broertje' van Minami smeerde de zalf erop met zijn vingertoppen. (...)
'Wij zijn van plan baantje te glijden. Wij zijn een ijsbaan aan het maken.' Het woord ijsbaan was vol heimwee. Het deed pijn aan je hart als werd het door vuur aangevreten. Aangestoken door dit woord lachte iedereen als een gek.
De jongens worden plots achtergelaten omdat er een epidemie in het dorp heerst. Dieren en mensen sterven. Vijf dagen lang blijven ze - aanvankelijk beduusd - op zichzelf aangewezen. Ze moeten op zoek gaan naar voedsel en zelf hun tijd invullen. Ze weten niet hoelang deze isolatie zal duren.
Wij waren nu geweldig prikkelbaar en moe door het trage verglijden van de tijd. Ook de grote stilte waarin het dal was gehuld, droeg tot onze geprikkelde stemming bij. Wij zaten op iets te wachten. Het kon ons niet schelen wat, als het ons maar voldoening en spanning bracht. Zelfs de terugkeer van de dorpelingen hadden wij goed gevonden, ook al hadden we in hun huizen ingebroken, ze leeggeroofd en in beslag genomen.
In een van de huizen vinden ze een achtergebleven meisje dat verwilderd en vervuild bij het dode lichaam van haar moeder ligt. De ik-persoon besluit een pannetje eten naar het meisje te brengen.
De rijstepap met groenten was in de pan gaan klonteren en al koud. Toen ik dat zag, aarzelde ik even, maar gaf mijn plan niet op. Ik had niets anders te doen. Bovendien leek alles ons die in het dorp zaten opgesloten, een koude klont en alles weigerde een uitwisseling van tederheid met ons.(...) Ik gluurde naar binnen en schrok toen ik het gezicht van het meisje opeens in het onnatuurlijke, poederwitte licht voor mij zag opduiken. Het meisje keek me met haar ogen die dik van te weinig slaap waren strak en langdurig aan. Over haar smalle schouders zag ik de dode nog steeds op haar rug liggen. (...) Ik voelde opeens een walging in me opkomen, hoewel ik niet kon zeggen wie of wat deze walging veroorzaakte. Ik schoof de pan haastig door de kier naar binnen. (...)
Wat me wonderlijk voorkwam, was dat ontelbare mensen overal in de wereld doodgingen, natuurlijk ook aan het front. En dat nog een groter aantal mensen dan het aantal doden kuilen groeven om de doden te begraven. Het was voor mij net alsof dat ene graf van ons zich onbegrensd als een keten zou verbreiden over de gehele wereld.
De jongens ontdekken een jonge deserteur in de bossen. Het is een student literatuur, die wordt opgenomen in het leven van de jongens. Ook een Koreaanse jongen die in de buurt van het dorp woont, sluit zich aan bij het groepje. De ik-figuur wordt verliefd op een meisje waarvan we evenmin de naam te weten komen.
Druifkleurig haar krulde in haar dunne hals. Haar gehele lichaam verspreidde een muffe lucht als van broeiend stro. De gedachte dat de huid van het meisje even vuil zou zijn als het mijne, stelde me een beetje op mijn gemak. (...) In mijn binnenste groeide een begeerte die alsmaar toenam en heviger werd. Ik was zo ondersteboven van opwinding dat ik mijn hoofd verloor. Ik greep het meisje wild bij de schouders en liet haar rechtop staan. (...) Ik omhelsde het lichaam van het meisje heel strak als was het een kip die in het nauw gedreven wordt en in het wilde weg overal heen probeert te vluchten. Daarna gingen wij snel het donkere bijhuis binnen.
Veel tederheid valt er niet direct te bespeuren in het contact met het meisje. Maar dat die er wel degelijk is moet de lezer opmaken uit de context en de gedachten, niet uit de daden.
Aan het einde van het verhaal wordt de titel verklaard. Wanneer de dorpsbewoners terugkeren zegt het haatdragende dorpshoofd tegen de jongens: Het is beter dat jouw soort gewurgd wordt wanneer het nog kind is. Een mislukkeling moet verpletterd worden door sterke vingers wanneer hij nog klein is. Wij zijn boeren. Knoppen van slechte kwaliteit plukken wij er in het prilste begint uit!
De stijl van het boek is afstandelijk en koel, soms rauw en realistisch, maar toch bijwijlen doorweefd van poëzie. De sfeer is somber. Dit alles maakt het niet altijd makkelijk om je in te leven in de personages.
György Konrad is een Hongaarse schrijver. Hij heeft veel geschreven en niet al zijn boeken zijn even toegankelijk. Dit prachtige boek wil ik echter absoluut voorstellen; het is toegankelijk, het is schitterend geschreven en het heeft me aangegrepen.
Ook historische romans lees ik graag, om meer te leren over vroegere samenlevingen en gebruiken. Kortom, ik vind het aangenaam om bij te leren als ik lees. Lezen mag ook gewoon aangenaam en mooi zijn omwille van de schoonheid van de taal. Daarnaast echter voel ik een honger naar meer kennis over geschiedenis en maatschappelijke situaties die nieuw zijn voor mij.
Het boek ( 174 blz) dat ik nu wil voorstellen klaagt sociale mistoestanden aan. Als dit u niet interesseert kiest u best niet voor dit boek. Maar ik vind dat deze roman zowel een hoog literair gehalte heeft als dat hij met de kracht van het woord misstanden aanklaagt op scherpe maar welluidende toon.
De flaptekst meldt:
Een ambtenaar van de sociale dienst vertelt in De bezoeker over zijn dagelijkse confrontatie met het menselijk falen, met de 'bedrijfsongelukken' van de samenleving. Vol walging over zijn jarenlange routinearbeid en murw gemaakt door zijn eigen onmacht om iets wezenlijks voor zijn cliënten te doen, registreert hij zijn omgeving met een schrikwekkende nuchterheid.
Het boek is in de ik-vorm geschreven. De ambtenaar neemt ons mee naar zijn werkplek, waar hij dagelijks hulpvragers ontvangt: In mijn kamer op de vierde verdieping kijkt een openslaand raam rechts van mijn bureau uit op de tegenoverliggende muur van het blokvormige gebouw van de Sociale Dienst met de binnenplaats en de etagegangen. Al dagenlang slaat de wind de rook uit de schoorstenen schuin omlaag op de binnenplaats vol blikken bussen en geteerde stalen buizen die met een hek is afgesloten. (...)
Hier zijn wij, hier, hier is ons thuis tussen de vensters die elkaar rondom toeblinken, tussen de in onregelmatige opeenvolging dichtslaande deuren en de zich aan de ijzeren leuningen omhooghijsende cliënten, opgesloten in dit fantasieloze omhulsel van de sociale ordeningsdrang, waarin ik nu alweer tien jaar geleden, waarom weet ik zelf niet, ben geglipt als was het mijn bed. (...)
Vanaf nu raken we de kern van het verhaal. De ambtenaar maakt kennis met een verwaarloosd kind. Deze kennismaking zal zijn leven ingrijpend veranderen: de manier waarop hij zichzelf en de mensen rondom zich ervaart zal nooit meer hetzelfde zijn.
Vanmiddag moet ik eigenlijk een zwakzinnig kind [Ferikae Bandula] naar een inrichting brengen. De ouders (....) hebben twee dagen geleden vergif ingenomen. (...) Hun naakte, behaarde, vijfjarige zoon zat gehurkt in zijn met uitwerpselen besmeurde bed. (...)
De laatste tijd heb ik veel met zelfmoordenaars te maken. Ze laten hun gezin, hun tafel, hun dagelijkse bezigheden in de steek en boren zich in de gevoelloze stilte. Overhaast gaan zij huns weegs, geheimzinnig, bijna ongeduldig; de pure eeuwigheid in aanmerking genomen, die hen verwacht, verdwijnen ze bijna op een al te menselijke wijze. (...) Van alle volkeren levert het mijne de meeste zelfmoordenaars. Is het dus het meest vrije volk? Ik denk dat deze vrijheid hand in hand gaat met de engel van de capitulatie en van de ontsporing.
Het geld verdeelden de Bandula's [de ouders van het zwakzinnig kind] onder elkaar: (...) mevrouw Bandula kocht alleen maar eten, haar man alleen maar alcohol; bij deze wedloop schoot er voor het kind niets over. Maar zij tweeën stierven, het kind leeft, wrijft zijn behaarde, onsterfelijke lijfje tegen de houten spijlen, speelt met zijn lid en kraait. (...)
De ongewenste, moeizaam verlopende zwangerschap, pijnen in de onderbuik, hartklachten, oedeem aan de benen deden al vermoeden dat hun tweede kind de vrucht van de beproevingen zou worden. (...) Het enkele weken oude kind werd van het ene ziekenhuis naar het andere gesleept, de artsen probeerden de vernederde, smekende blikken van de ouders te ontwijken.Tenslotte was er een oude arts die hen aankeek en zei: 'Het spijt me, het kind wordt een idioot, we kunnen niets doen.'(...)
Het lukte hun niet om hun zoon na drie jaar aan de po gewend te krijgen. Zijn huid verdroeg een plastic broek niet langer, zijn billen werden rauw; maar lieten ze hem uit, dan plaste hij z'n kleren nat: keelontsteking, borstvliegontsteking, chronische diarree, hoesten, braken. Om na de vergeefse ziekenhuisbehandelingen aan de vicieuze cirkel van plastic broek en kouvatten te ontsnappen, besloten de Bandula's hun zoon de levenswijze van de wilden bij te brengen. Hartje zomer deden ze zijn kleren uit en trokken die ook toen de herfst begon niet meer aan: ze haalden geen brandstof meer in huis om zijn gewenningsproces aan de kou niet door grote temperatuurverschillen te verstoren. Van zijn menu voerden ze alle gekookte spijzen af, hij knabbeldde de hele dag wortels, uien, ramenas; behage dat kreeg hij nog rauw paardevlees, lever en hersenen. Fei sterkte aan,zijn verkoudheden bleven ujit, zijn lcihaamwer steeds dichter met blonde donshaartjes bedenkt.(...) De medehuurders en de buren verdachten de ouders en vooral Bandula, de uitvinder van deze therapie, ervan dat ze het kind dood wilden hebben. Ze lieten hun verdenking schriftelijk aan alle mogelijke instanties toekomen en stelden bovendien vast dat de voormalige huiseigenaar in de gevangenis en het kind in een passende inrichting thuishoorden. Hun ellenlange verzoekschriften kwamen uiteindelijk allemaal bij mij terecht, en na de zaak enigszins onderzocht te hebben liet ik ze naar het archief sturen. Daarop werd ik zelf beschuldigd: door werkeloos toe te zien zou ik medeschuldig zijn aan de als hardingskuur verkapte poging tot moord.
De ambtenaar begint zich - zij het slechts node - te verdiepen in deze zaak en komt meer te weten over de achtergrond van dit kind.
Ik moet hem eigenlijk naar een tehuis brengen, maar er is nergens een plaats vrij. Op dit moment heb ik nog geen idee wat ik met Ferike Bandula moet aanvangen, ik vrees dat ik aan hem vast blijf zitten. (...)
Daarop besluit de ik-persoon het kind zelf te gaan opzoeken. Aanvankelijk schrikt hij terug van het verwilderde jongetje dat hij ziet. Maar gaandeweg bezoekt hij het knaapje steeds vaker. Zijn weerkerende bezoeken aan brengen een geleidelijke vervreemding van zichzelf teweeg. Hij voedt en aait het kind, laat het kind aan zich gewend worden en raakt er op een bijzondere manier aan gehecht. Deze bezoeken maken dat hij steeds minder met zijn andere werk bezig is. De vervreemding heeft niet alleen te maken met de gehechtheid aan het kind, maar ook met de manier waarop hij naar het zogenaamd 'normale' leven rondom zich kijkt.
De idioot is een geboren democraat, hij berooft de voorwerpen niet van hun vrijheid die hij ze later toch terug zou moeten geven. Als zijn gebreken hem niet zouden beschermen, dank zij welke pijn alleen maar pijn is, en niet als angst achterblijft, als hij zich in gezelschap van zijn geheugen en van zijn voorstellingsvermogen zou inlaten met de boze dromen van de toekomst, dan zouden wij niets van de idioten kunnen leren, maar nu: leve de idioot, het gelukkige heden liefkoost hem, hij eet, urineert, betast zich, de gewaarwordingen van zijn organen verstrooien hem, hij is de held van het hier en nu, de zoogbroeder der dingen, onze leermeester.
Ik begin doodmoe te worden van die lachwekkende obsessie van mij dat ik mijn ogen niet kan afhouden van wat ik dagelijks om me heen zie, ik zit er over te bazelen, het achtervolgt me met een onaangename, achterbakse hardnekkigheid zelfs in mijn boze dromen. Mijn aangekweekte afweerreflexen zijn verslapt, ik word steeds vaker in de maagstreek getroffen; op die manier gedragen lachwekkende, ouder wordende boksers zich ook, ze worden behekst door de ongekende ervaring dat ze iedere keer weer k.o. geslagen worden. Andermans misère stijgt me de laatste tijd naar het hoofd, de voorbeelden daarvan bevolken mijn dromen, geen twee zijn er gelijk, maar toch lijken ze allemaal op elkaar; ik verdenk mijn collega's, die hun dagen opgeruimd vol maken, van illusionisme. (...)
De situatie is niet langer houdbaar. De ik-persoon brengt steeds meer uren door bij de zwakzinnnige jongen en blijft er op den duur zelfs slapen om hem niet alleen te laten. Gaat het hier enkel om wroeging omdat hij niet eerder heeft ingegrepen? De ambtenaar informeert naar het soort instelling waar Ferike terecht zou komen:
Ik zou vernemen dat degenen die hier binnenkwamen de inrichting op een enkele uitzondering na nooit via de hoofdingang verlieten, maar bijna altijd via dit kleine huisje op het niet zo ver uit de buurt gelegen, door kastanjebomen omgeven dorpskerkhof terechtkwamen,(...) (...) ik zou de staf van de inrichting de hand schudden en naar het (...) bordes snellen waarvoor de chauffeur, (...) al ongeduldig op mij wachtte om mij uit deze humaan getinte lijkenhal terug te brengen (...) naar de stad .... alwaar zij allebei een baan en een gezin hebben en de hun opgedragen taken vervullen.
Degenen die er niet bijhoren, het niet tot aanpassing zijnde uitschot, de afvalproducten van de zich met ruwe ingrepen zelf regelende samenleving [worden afgezonderd]: ze mogen ons met hun weerzinwekkende vegeteren niet herinneren aan wat wij en zij mogelijkerwijs met elkaar gemeen hebben. (...)
De Dienst houdt me niet tegen, het zou mijn goed recht zijn als ik op dit moment naar huis ging; mijn collega's kijken om deze tijd thuis naar de televisie. Ik woon met mijn gezin in een prettige buurt, in een huis dat bij de status van mijn ambt past, tussen buren die niet veel hoger, noch veel lager geplaatst zijn dan ik, en het feit dat ik hier alleen voor een bezoek, voor een milieustudie naar toe gekomen ben, kan door geen enkele gelegenheidsfilosofie worden uitgewist. (...)
Het klinkt misschien raar, maar iedere dag valt het mij zwaarder om mijn kast met de dossiers vol klachten 's middags af te sluiten. Soms heb ik het gevoel dat ik in verloren veldslagen ronddwaal zonder zelf te hoeven sterven, of dat ik voortdurend in de schulden zit zonder dat ik zelf schuldeisers heb; en alles wat ik doe, dat ik twintig minuten of hooguit een half uur aan een proces-verbaal wijd omdat er alweer anderen wachten, dat ik aanklager en beklaagde even hard met formele uitvluchten met een kluitje in het riet stuur omdat ik het vermoeden heb dat ze toch wel binnenkort van rol zullen wisselen, (....) soms heb ik het gevoel dat het allemaal één grote verlakkerij is. In wezen doe ik niets. Ik ben de verkeersagent van het lijden, ik draag de lasten van de enkeling over op instellingen. (...) Bij mij thuis kan ik hem niet brengen, (...) Feri's gestamp, zijn stank, zijn plotselinge gegrauw en het rondspringen wat hij doet zouden toch al niet in mijn huis passen.
(...) Onze relatie [tussen hemzelf en Ferike] raakt vertroebeld en verstrikt. Het zet zich bij hem vast dat mijn hand hem niet alleen te eten geeft, niet alleen zijn hals krauwt en zijn ribbenkast masseert (...) maar dat zij ook pijn veroorzaakt, onbegrijpelijk genoeg. Hij begint me te veel te worden, ik wreek me op hem, ik zou hem willen vergeten, maar de jongen stelt zich niet tevreden met het object van mijn neutrale welwillendheid te zijn, hij accepteert niet alleen maar dat ik hem verzorg, hij eist het ook van me, en elke dag meer dan wat ik hem uit eigen beweging zou geven.
Na verloop van tijd echter dreigt het leven van de ambtenaar volledig ontwricht te raken. De ambtenaar verwaarloost zijn werk, zijn gezin. Een sociaal leven heeft hij niet meer en contact met collega's wordt steeds zeldzamer. Een collega fluistert hem toe dat ze overwegen om hem zelfs een tijd in een psychiatrische inrichting te laten opnemen. Ontslag van zijn werk, het verlies van zijn gezin en zijn maatschappelijke status liggen op de loer.
Te elfder ure komt een collega hem in het huis waar hij nog steeds met de jongen verblijft, verwittigen:
(...) 'Je kunt niet blijven. De jongen brengen we morgen weg, je moet hier het huis uit, (...). Je hebt dit hoofdstuk afgesloten, doorgaan zou gewoon zinloos zijn.' 'Dat heeft de chef allemaal netjes bedacht.' 'Dat dacht ik ook. Je kamer, je bureau, je cliënten wachten op je. En je gezin. De chef heeft met je vrouw gesproken.' (...) 'Als vriend en collega stel ik voor dat je de jongen morgen wegbrengt naar de inrichting, teruggaat naar je familie en dat je je als je voldoende uitgerust bent binnen een paar dagen bij de chef meldt (...)'
Tot slot kom je als lezer te weten hoe de ambtenaar met dit ultimatum omgaat. Ik vond het een verscheurende en meeslepende roman. Schrijnend omdat hij de mens oog in oog stelt met het grote leed van zijn medemens. Onvermijdelijk stel je jezelf de vraag wat je zelf zou doen in deze situatie. Ik vond het een confronterend verhaal, het leert ons veel over de condition humaine en het liet me onthutst achter. En bovendien vond ik het een prachtig boek, zowel literair als inhoudelijk.
De dochter van de verhalenverteller (van Saira shah)
Dit boek ( 253 blz.) plukte ik op goed geluk, haast blindelings, uit de bibliotheek.
De ondertitel luidt Terugkeer naar een verloren land.
Op de binnenflap staat:
Wanneer ik voor de eerste keer naar Afghanistan ga, vind ik een land in oorlog. Wat ik eigenlijk wil is uitzoeken waar ik vandaan kom, waar de romantische mythen eindigen en mijn werkelijkheid begint.
Als kind groeide ik op in Turnbridge Wells, Engeland. Maar mijn vader vertelde altijd dat ik eigenlijk ergens anders vandaan kwam. Uit een sprookjesland van helden en veroveraars, prinsessen en schurken, het verloren land van mijn familie: Afghanistan. Jaren later, toen ik daar rondreisde, begreep ik de werkelijke waarde van mijn vaders verhalen. Hijhad een schatkaart inmijn hoofd getekend - kleurrijk, exotisch en geïdealiseerd - die mij in staat stelde mijn erfenis op te eisen.
Binnen in me wonen twee mensen Net als twee echtelieden die nauwelijks met elkaar praten, zijn ze onverenigbaar Mijn westerse kant is een gevoelige, liberale, burgerlijke pacifist Mijn Afghaanse kant Kan ik alleen beschrijven als een strijdlustig roofdier Die geniet van bloedvergieten, graag risico's neemt en nergens bang voor is
Dit zijn de eerste zinnen van het boek:
Ik ben drie jaar oud. Ik zit bij mijn vader op schoot. Hij vertelt me over een toverachtige plek, een sprookjestuin waar je alleen maar van kunt dromen. Fonteinen sproeien druppels als diamanten in caleidoscopische vijvers. Kleurige vogels zingen in boomgaarden vol vruchten. De granaatappels barsten open en de pitjes zijn robijnen. Er is zoveel fruit dat zelfs de geiten meloenen te eten krijgen. Het water heeft magische eigenschappen: je kunt geurige pilaf eten totdat je ploft, dan naar de beek lopen om te drinken, en je kunt weer een heel nieuw maal eten.
Het is duidelijk dat we midden in het aards paradijs zijn beland.
Elk hoofdstuk begint met een sprookje of een sage. Eén van die verhaaltjes zijn: Een groep Hindoes stelde een olifant tentoon in een tent, en er stroomden veel mensen toe om dit wonder te aanschouwen. Omdat het in de tent te donker was om de olifant te kunnen zien, moesten ze voelen met hun handen om een idee te krijgen hoe het dier eruitzag.
De een voelde zijn slurf en verklaarde dat het beest op een waterslang leek. Een ander voelde zijn oor en zei dat het een grote waaier moest zijn. Weer een ander raakte zijn poot aan en dacht dat het een pilaar was. Nog weer iemand anders voelde zijn rug. 'Jullie zitten ernaast, broeders,' beweerde hij. 'Dit schepsel is net een grote troon.'
Het oog is te vergelijken met een handpalm; de handpalm kan niet het gehele voorwerp bevatten ... Ach, jij die slaapt in deze boot van je lichaam, je ziet alleen het water; aanschouw het water der wateren!
Dit boek is een zoektocht van een vrouw naar haar roots. We komen veel geografische en politieke feiten te weten, afgewisseld met indrukken die de vrouw opdoet bij het bezoek aan haar land. Gekleed in een volledig verhullende burqa moet ze zich voorzichtig door de straten bewegen.
Als jong kind verhuist Saira van Pagham, een stad in Afhanistan, in de buurt van Kabul, naar het Britse Kent. Daar groeit ze op met haar broer Tahir, haar zus Safira, haar vader die een schrijver is en haar moeder die uit India komt. En met hun labrador Honey. Ze heeft een gelukkige jeugd. Vader vertelt haar vaak verhalen over zijn geboorteland.
In 1842 werd het hele Britse leger in Kabul, vijfduizend man in totaal, door een Afghaanse horde in de pan gehakt. (...)Slechts één man wist zichzelf in veiligheid te brengen, vernederend genoeg op een ezel. De uitgeputte dokter Brydon was de enige vertegenwoordiger van de Britse bezetter die het bloedbad had overleefd en kon vertellen wat hij had meegemaakt.
Het is de gewoonte dat er jong getrouwd wordt. Saira heeft veel moeite met de huwelijkskandidaat die voor haar werd uitgekozen af te wijzen:
Toen oom Mirza onthulde dat hij een huwelijkskandidaat voor me op het oog had, liet hij me tijdens de lunch aan zijn rechterhand zitten. Dit was een bijzondere gunst, maar bepaald geen onverdeeld genoegen. Het stelde hem namelijk in staat om lekkere hapjes van zijn eigen bord op het mijne te leggen. Vaak haalde hij een half gekauwde lekkernij uit zijn eigen mond om het hapje liefhebbend in de mijne te stoppen, een Afghaanse gewoonte waar ik nooit aan heb kunnen wennen. Het was zijn manier om me te vertellen dat hij me waardeerde en dat ik bij de familie hoorde. (...) Ik was eenentwintig. Ik was niet langer tevreden met het Afghanistan van onze mythes en legendes. Ik wilde de feiten en was vastbesloten om zelf de waarheid te ontdekken. (...) Omdat Afghanistan in oorlog was, besloot ik journalist te worden. Ik begon mijn zoektocht naar de waarheid in de kantoren van hoofdredacteuren, die ik allemaal leugens op de mouw speldde. Ik sprak vloeiend Perzich, ik kende de meeste leiders van de mujahedeen persoonlijk, ik was een ervaren verslaggever, gehard door de strijd. Terwijl ik al die verzinsels opdiste, verbaasde ik me erover dat serieuze mensen me geloofden. In die tijd besefde ik het niet, maar onbewust volgde ik in de voetsporen van dezelfde mythes die ik achter me wilde laten. Er was eens een schoenlapper die Maruf heette. Hij leende geld van verschillende rijke kooplieden, want hij beweerde dat er een rijk beladen karavaan naar hem onderweg was. Uiteindelijk begon hij het verzonnen verhaal zelf te geloven. In plaats van het geld te investeren, gaf hij het weg. Zijn schulden werden steeds groter, evenals de wonderbaarlijke schatten van zijn mythische karavaan, niet alleen in zijn eigen fantasie, maar ook in die van alle mensen in de stad.
Enkele bladzijdes verder volgen we Saira die als journaliste in opdracht van Channel Four een televisiedocumentaire over het Afghanistan van de Taliban gaat filmen, Beneath the Veil. De ploeg laat ze achter zich om incognito verder te kunnen reizen met de Vereniging van Revolutionaire Vrouwen in Afghanistan. (...) Het is een zoektocht naar een beter begrip van mijn eigen identiteit, en het bewijs van de kracht van een mythe. (...) Mijn eigen identiteit werd eerder gevormd door mythes, legendes en gekoesterde historische verhalen dan door mijn paspoort of geboorteplaats.(...) Ik trilde bij de gedachte aan de eerste echte reis van mijn leven, de terugkeer naar het vaderland waar ik nog nooit was geweest. De avond voor ons gesprek stond ik op Zahir Shahs binnenplaats en keek ik in extase naar de sterren. 'Eindelijk ben ik er,' zei ik hardop. 'Ik ben gekomen, precies zoals ik altijd heb beloofd.' De gelaatstrekken van de Afghanen vertonen sporen van ontelbare invasielegers: de lichte huidskleur van de Turkse hordes, de schuine ogen van de Mongolen, het blonde haar van Alexanders mannen, de haviksneus van de Arabieren. De meeste indringers zagen niets in dit onherbergzame land in Azië, de plek waar God volgens de Afghanen lachend zijn afval weggooide toen hij klaar was met de schepping. (...) Toen ik in september 1986 eindelijk terug was in Peshawar, fronsten de wijze oude mannen van de mujahedeen hun borstelige wenkbrauwen, ze krabden in hun baarden en keken van het jonge meisje naar de stapel papieren die ik op tafel had gelegd. Vervolgens stemden ze erin toe mij naar de frontlinie te brengen. (...) Ik heb een verzonnen verhaal ingestudeerd en de antwoorden die ik zal geven als ik word aangehouden en ondervraagd uit mijn hoofd geleerd. Mijn naam is Fatima. Ik kom uit de zuidelijke stad Ghazni. Ik ben een Afghaanse vluchteling en keer terug naar mijn familie in Kabul omdat mijn zus gaat trouwen. Ik spreek Perzisch, geen Pushtu, de taal van de Taliban.
'Mijn moeder en zus,' legde mijn gastvrouw uit. Ik ging met gekruiste benen zitten, en de vrouwen haastten zich om kussens onder me te schuiven. Ik vond het prettig in de vrouwenvertrekken, in Afghaanse huizen meestal de gezamenlijke kamers. Ik zou al snel leren dat het fijn is om een vrouw te zijn als je in huizen komt waar mannen en vrouwen gescheiden leven. Mannen moeten in de formele en ongezellige gastenkamer blijven en beleefde gesprekken voeren. De vrouwenvertrekken zijn daarentegen de machinekamer van het huis, daar hangt de zwart geblakerde kookpot boven het vuur, daar zwermen kinderen rond en lopen kippen in en uit.
In gesprek met de onderwijzeres van een clandestiene meisjesschool komt ze volgende zaken te weten:
Wist ik dat zeventig procent van het onderwijzend personeel in Kabul vroeger uit vrouwen bestond? Het zijn dus niet alleen meisjes die geen onderwijs meer krijgen, maar ook jongens. Als de Taliban dit 'schooltje' ontdekken, wordt iedereen in de deze kamer - ook de kinderen - geslagen en naar de gevangenis gestuurd.
In dat jaar, 1982, waren er alleen in Pakistan al tweeënhalf miljoen Afghaanse vluchtelingen. Het werden er elke dag meer. (...) Af en toe kwamen we door een wat vlakker gebied, en dan wist ik niet wat ik zag. Het leek wel een maanlandschap, met enorme kraters in de egaal grijze grond. Ik werd gewaarschuwd voor landmijnen. Die werden vanuit de lucht uitgeworpen, ook wel als een soort boobytraps rond verlaten dorpen. Het was een aanval zonder kaarten, er werden geen gegevens bijgehouden. Afghanistan worstelt tot op de dag van vandaag met ontelbare landmijnen. De mijnen werden strategisch gebruikt om gebieden te ontvolken als men vermoedde dat de bevolking de mujahedeen steunde. Ik begon te begrijpen waar de vluchtelingen die ik in Pakistan had gezien voor op de loop waren gegaan, en welke gevaren ze onderweg hadden getrotseerd.
Saira vestigt zich in Peshawar en werkt voor verschillende kranten en tijdschriften:
Dat was eind 1986 tijdens het dieptepunt van de Koude Oorlog van president Reagan. Pakistan werd als een frontlijnstaat beschouwd en had steun nodig nu het Koude Leger voor hun deur stond. De militaire dictator generaal Zia ul Haq ontving miljarden dollars aan militaire hulp van de VS, in ruil daarvoor namen ze tweeënhalf miljoen Afghaanse vluchtelingen op, plus de ruziënde facties van Afghaanse mujahedeen.
Toen de Russen in 1988 onverwacht aankondigden dat ze zich terugtrokken, besloot ik begin 1989 naar Europa terug te keren.(...)De oorlog had Afghanistan veranderd. Anderhalf miljoen mensen, bijna acht procent van de bevolking, was gedood. Nog eens vier miljoen mensen waren verbannen naar troosteloze vluchtelingenkampen. Een hele generatie kinderen had geen onderwijs gehad, en hun toekomst was zo goed als kapot. Van de landbouw was door alle bombardementen niets meer over, de terrassen in de bergen - door vele generaties met de hand aangelegd - waren vernield, en het hele land lag bezaaid met onvindbare mijnen. (...) Er was een hoge prijs betaald voor de overwinning. De geërodeerde aarde was stoffig onder mijn voeten.
Begin 1989 trouwt Saira met haar vriend Beat en begint een nieuw leven in Zwitserland. Het was me te veel geworden, dus ik was weggelopen. Ik was op zoek geweest naar een sprookjesland, maar had in plaats daarvan een nachtmerrie gevonden. (...)Net als de rest van de wereld stond ik vanaf de zijlijn toe te kijken terwijl Afghanistan instortte. (...) Bijna zodra de mujahedeen in 1992 aan de macht kwamen, liep de rivaliteit tussen de verschillende krijgsheren uit op een burgeroorlog. In 1992 begon een obscure islamitische geestelijke, mullah Omar, zij carrière door het leven van twee jonge meisjes te redde. (...) ...en de Taliban waren geboren. In tegenstelling tot de plunderende mujahedeen waren mullah Omar en zijn islamitische leger niet geïnteresseerd in geld, goederen of seks. Ze wilden gewoon een einde maken aan de oorlog en een rechtvaardig islamitisch bewind installeren. Al snel raakte de Pakistaanse geheime dienst in hen geïnteresseerd. Pakistan wilde een Pushtun-regering in Afghanistan en had daarom steeds Gulbudding Hekmatyar gesteund, maar ze begonnen schoon genoeg te krijgen van de voortdurende oorlog bij de buren. Vandaar dat Pakistan in de herfst van 1994 stilletjes van koers veranderde en de Taliban hielp met het innemen van Kandahar.
Tot slot dit prachtige verhaaltje:
Een koopman had een papegaai in een kooi. Op een dag vroeg de papegaai of de koopman iets voor hem mee wilde nemen uit India, waar hij vandaan kwam. 'Ga alsjeblieft langs bij mijn familieleden in de jungle en vertel ze dat ik hier gevangen zit,' zei de papegaai. De man beloofde het. 'Ik heb slecht nieuws, ' zei hij toen hij terugkwam van zijn reis. 'Ik stond in de jungle en schreeuwde naar de papegaaien dat jij hier in een kooi woont. Een van je familieleden tuimelde uit de boom en viel aan mijn voeten - ik denk dat hij dood is gegaan door de schrik.' Zodra de koopman dit had verteld, viel de papegaai met een plof op de bodem van zijn kooi. Verdrietig haalde de man zijn dode huisdier uit de kooi en hij legde hem op de vensterbank. Zodra hij vrij was, kwam de papegaai weer tot leven en vloog hij weg.
Het is een leerzaam boek, al is de chronologie van het verhaal niet altijd even duidelijk aangegeven. De lectuur is aanvankelijk veelbelovend maar lost in het tweede deel de verwachtingen minder in. Tevoren wist ik nauwelijks iets over Afghanistan en met dit boek heb ik een klein stukje kennis verworven over dat verre land, dat voor mij tot nog toe enkel bestond uit nieuwsberichten over oorlog.
Dit boek leest als een moderne parabel, als een sprookje haast. Het gaat over de zoektocht naar goed en kwaad.
In het dorpje Viscos komt een vreemdeling aan. Hij is tussen de veertig en de vijftig. Misschien bleef hij maar even, hij had alleen maar een kleine rugzak bij als bagage. Hij gaat naar het enige hotel en maakt kennis met enkele dorpelingen.
De mensen van het dorp wisten dat het soort leven waaraan ze zich vastklampten in wezen voorbij was.
Het was toch een aflopende zaak, binnen één generatie zou het ophouden te bestaan, want kinderen waren er niet. De jeugd van het dorp plantte zich elders in het land voort waar het ze aan feesten, mooie kleren, reisjes en 'nutteloos gedoe' niet ontbrak. (...) Desondanks viel het ze zwaar te accepteren dat zij de laatste generatie waren van de herders en boeren die al eeuwenlang deze bergen bevolkten. Vroeg of laat zouden er machines komen, zou de veestapel verhuisd worden om ergens ver weg met speciaal veevoer vetgemest te worden, en zou het gehucht misschien verkocht worden aan een grote, buitenlandse maatschappij die er een wintersportoord van ging maken.
De vreemdeling besloot hoe hij het inschrijvingsformulier van het hotel zou invullen. Hij besloot dat hij uit Argentinië kwam en dat hij Carlos heette en in Buenos Aires woonde. In minder dan twee uur wisten alle 281 inwoners van Viscos dat er een vreemdeling was aangekomen.
Tijdens een wandeling ontmoet hij een meisje. Hij vraagt haar met haar mee te wandelen. Hij toont haar de plek waar hij goud heeft begraven onder de grond. Ongetwijfeld dacht ze dat hij haar het goud had laten zien om indruk op haar te maken met zijn rijkdom, op dezelfde manier als zij nu indruk op hem probeerde te maken met haar jeugd en haar onverschillige houding. Wie ben ik?Nou goed, laten we zeggen dat ik een man ben die al enige tijd op zoek is naar een bepaalde waarheid. (...) Over de aard van de mens. Ik heb ontdekt dat als ons de kans geboden wordt om in verleiding te komen, we die kans zullen aangrijpen. Afhankelijk van de omstandigheden is iedere sterveling geneigd en bereid het kwade te doen. (...) 'In dit dorpje is iedereen eerlijk, en u op de eerste plaats,' ging de vreemdeling verder. 'Ik heb u een baar goud laten zien, die u de financiële onafhankelijkheid kan bieden waardoor u hier weg kunt, de wijde wereld in, om te doen waar meisjes in kleine, geïsoleerde dorpen steeds van dromen. De staaf blijft hier liggen. U weet dat hij van mij is, maar u kunt hem stelen zodra u dat wilt. Maar dan zult u wel tegen het hoofdgebod "gij zult niet stelen" zondigen.' (...)'Wat de andere tien staven betreft, die zijn zoveel waard dat alle inwoners van dit gehucht de rest van hun leven nooit meer hoeven te werken,' vervolgde hij.'U hoeft ze niet te bedekken omdat ik ze ergens anders ga verbergen, op een plek die alleen ik zal weten. Ik zou willen dat u bij terugkomst in het dorp zegt dat u deze steven hebt gezien, en dat ik ze aan de inwoners van Viscos wil overdragen onder de voorwaarde dat zij iets doen wat ze nooit gedurfd hebben, zelfs niet in hun stoutste dromen.' 'Wat dan?' 'Heel concreet gaat het hierom: ik wil dat ze het gebod "gij zult niet doden" overtreden. 'Wàt?!' gilde ze bijna. 'U hebt het goed gehoord, ik wil dat ze een moord plegen.' (...) Ik geef ze een week de tijd. (...) Wie het slachtoffer is doet er niet toe. Maar als blijkt dat er op het einde van de zeven dagen iemand vermoord is, zal dit geld naar de dorpelkngen gaan en zal mijn conclusie zijn dat wij allemaal slecht zijn. In het geval dat u die ene goudstaaf steelt maar het dorp de verleiding weerstaat, of andersom, zal mijn conclusie zijn dat er goede en slechte mensen zijn. (...) 'Mocht ik uiteindelijk toch mét mijn elf goudstaven uit dit dorp vertrekken, dan is bewezen dat wat ik voor waar hield, niet klopt. Ik zal sterven met het antwoord dat ik niet wilde krijgen, want het leven zal gemakkelijker te accepteteren zijn als ik gelijk heb en de wereld slecht is.
De dagen verstrijken en het meisje staat op het punt om het goud te gaan opgraven. Maar al voor ze naar de berg was gegaan, had ze geweten dat ze tot stelen niet in staat was.(...)Ze kon het niet, en dat kwam niet doordat ze een eerlijk of oneerlijk mens was - maar door de angst die ze voelde. Ze besefte ineens dat we ervan afzien onze dromen te verwezenlijken, de ene keer doordat we denken dat onze dromen volstrekt irreëel zijn, de andere keer doordat we té onverwachts, na een plotselinge wending van het lot, de kans krijgen onze dromen te verwezenlijken. (...) Tijdens de derde nacht trof ze het kwaad aan haar zijde. En het kwaad kwam in de vorm van totale uitputting en extreem hoge koorts, die haar in een half bewusteloze toestand brachten. Maar slapen kon ze niet. Buiten huilde onophoudelijk een wolf en op sommige momenten meende ze stellig dat ze ijlde, want het leek alsof het beest in haar kamer stond en haar toesprak in een taal die ze niet verstond.
De tijd begint te dringen. De vreemdeling vraagt het meisje met hem af te spreken. Zij neemt een geweer mee. De vreemdeling vat dit op als een poging van haar om hem te vermoorden en er dus met alle goud voor zichzelf vandoor te kunnen gaan. Het meisje echter geeft het geweer aan de vreemdeling en vraagt hem het op haar te richten. Hierop antwoordt de vreemdeling: 'Een Duitse filosoof zei eens: ook God heeft een hel: zijn liefde voor de mensen. Nee, een lafaard ben ik niet. Ik heb andere trekkers overgehaald en met ernstiger gevolgen dan dit wapen kan veroorzaken. Dat wil zeggen, ik heb wapens gefabriceerd die veel beter waren dan dit en ze over de hele wereld verspreid.'(...) Misschien vindt u wapenfabrikanten wel het grootste tuig dat er op aarde rondloopt. Misschien hebt u gelijk, maar feit is dat de mens al vanaf de holentijd wapens gebruikt - eerst om dieren te doden, en vervolgens om zijn medemens in zijn macht te krijgen. De aarde heeft ooit bestaan zonder landbouw, zonder veeteelt, zonder religie, zonder muziek, maar nooit zonder wapens.'(...) ...ik beschouwde mezelf als wat ze een 'goed mens' noemen. Op een zekere middag kreeg ik een telefoontje op mijn werk: een zachte maar gevoelloze vrouwenstem zei dat haar terroristische organisatie mijn vrouw en dochters ontvoerd had. Ze wilden een grote hoeveelheid spullen waarvan ze wisten dat ik ze kon leveren: wapens. Ze vroegen geheimhouding, zeiden dat mijn familie niets zou overkomen mits ik de instructies opvolgde die zij me gingen geven. (...) Aangezien ik was opgevoed in gehoorzaamheid aan de wet en me erdoor beschermd voelde, was het eerste wat ik als goed burger deed de politie bellen. Vanaf dat moment was ik niet langer baas over mijn eigen leven. (...) Voor de dag ten einde was, was er een inval in de schuilplaats waar de gijzelaars werden vastgehouden, en waren de kidnappers (....) uitgeschakeld, doorzeefd met kogels. Maar voor het zover was, hadden ze kans gezien mijn vrouw en mijn dochters te executeren. God heeft een hel, zijn liefde voor de mensen, de mens heeft een hel binnen handbereik, zijn liefde voor zijn gezin.'(...) Op het eind van dat jaar heb ik mijn werk vaarwel gezegd. Daarna heb ik over de hele wereld gezworven, alleen met mijn verdriet, huilend, mezelf afvragend hoe de mens tot zoveel slechtheid in staat kan zijn. Ik verloor het belangrijkste wat een mens heeft: het geloof in zijn naaste.(...) De geschiedenis van een mens is de geschiedenis van de hele mensheid. Als er medeleven bestaat, zal ik kunnen aanvaarden dat mij een hard lot trof, maar dat anderen soms een zacht lot treft. Dat zal wat ik voel niet veranderen, het zal me mijn gezin niet teruggeven, maar zal tenminste de duivel die me vergezelt en me alle hoop ontneemt, verdrijven.'
Het dorp komt tot het besluit om toch de moord te plegen. Er wordt druk beraadslaagd over de persoon die men hiervoor zal kiezen.
De inhoud wordt als volgt omschreven: Dit is het verhaal van Fransje Hermans, die na een ongeluk aan een rolstoel is gekluisterd en niet kan spreken. Hij ontwikkelt een grenzeloze fascinatie voor een nieuweling in het dorp, Joe Speedboot, een jongen die zijn eigen naam heeft verzonnen en al op jonge leeftijd vliegtuigbouwer en bewegingsfilosoof is. Tussen deze twee jongens ontwikkelt zich een betoverende dynamiek.
Het verhaal begint met de veertienjarige Frans die in coma ligt. Over de aard van het ongeval komen we weinig te weten. Hij ontwaakt echter uit zijn coma en na 220 dagen is hij opnieuw in staat om een arm te bewegen. In een rolstoel die hij met zijn arm kan bedienen, gaat hij opnieuw naar school en volgt daar het derde jaar. Hij komt samen in de klas te zitten met Joe Speedboot en Christof, twee bevriende jongens. Frans wil graag zelf bevriend worden met Joe en slaat het duo gade. Het verhaal speelt zich grotendeels af in Lomark, het dorp waarin Frans woont.
Wat opvalt is de luchtige humoristische toon ondanks het zware onderwerp.
Maar Christof was niet zo, en hij zou ook nooit zo worden. Daarvoor was hij te zenuwachtig en te veel een twijfelaar. In zijn wens om net zo te zijn als de jongen uit de vrachtwagen zat ook dat soort jaloezie waar je jeuk van in je hoektanden krijgt, en de vampierachtige neiging om het leven uit iemand te zuigen. (...) Koeien zijn idioot, die staan altijd maar zo'n beetje te dromen op niks af. Nee, dan paarden, als die stilstaan lijkt het of ze tenminste ergens over nadenken, echt diep nadenken over een bepaald paardenprobleem, terwijl koeien kijken zoals de hemel naar ons kijkt: groot en zwart en leeg.
Frans sluit vriendschap met een vogel, een kauw. De vogel wordt een onafscheidelijke vriend die meestal op Frans' schouder zit.
Frans is samen met Joe en Christof en Christof voelt aan zijn arm.
- Heeft hij daar beton in ofzo? vraagt hij. (...) - Mag ik even? vraagt Joe. Hij rolt de mouw op tot boven mijn biceps en fluit zacht tussen zijn tanden. - Wat een monster (...) Het was me eigenlijk nog niet zo opgevallen hoe groot die arm inderdaad is. - Vooral als je dat lichaampje erbij ziet, zegt Christof. Hij heeft wel gelijk want het lijkt of al mijn groei de laatste paar maanden in die arm is gaan zitten, het lijkt wel de arm van een volwassen vent met van die bobbels en aderen overal. Een berenarm, al zeg ik het zelf. Joe begint te lachen en roept als een circusdirecteur: 'Dames en heren, hierrr isss...Frans de Arrum!'
Toen ik vijftien was, heb ik mijn ouders laten weten dat ik in het tuinhuis achter het huis wilde wonen. Ik kon nu een aantal dingen zelf en een blik met knakworsten opwarmen zou ook wel gaan. Ma was tegen, pa isoleerde het huisje en maakte er een gaskachel, een klein keukenblok en een plee in.
In zijn dorp Lomark arriveert een nieuw gezin. Julius en Kathleen Eilander hebben een dochter, Picolien Jane, afgekort PJ, uitgesproken als Piedzjee. Na Joe en India [Joes zus] is zij de derde exoot bij ons op school. We weten niet wat we zien. Ze draagt een kroon van ontstuimig krullend haar, dat bruisend rond haar schouders valt. Ik denk aan zee en schuim, mijn dagboeken zijn vol van haar. Haar huid is bleek, ik heb nog nooit zulke blauwe ogen gezien, ze staan een beetje schuin in haar brede gezicht. In de pauze verdringen de meisjes zich rond haar om met hun handden de kurkentrekkerkrullen te volgen die terugspringen als elastiek wanneer je eraan trekt. De meisjes willen allemaal PJ's vriendin zijn. Haar manier van praten brengt iedereen in verrukking. Het nabije en toch geheimzinnige Afrikaans maakt je beurtelings aan het lachen en aan het rillen van het soort genot dat mooie taal opwekt. We horen dat ze uit Durban komt. Die naam wordt even toverachtig als Ninivé of Isfahaan. Boven Durban is de lucht knisperig en het zout op je huid smaakt er naar salmiak. Ik denk aan PJ die door Durban loopt; in mijn dagboek fluit de kaketoe en masturbeert het aapje. (...) PJ is geboren uit een fusie van licht, haar huid is bleek als aardappelscheuten in de kelder, ze lijkt wel transparant maar haar haar is vlammend koren...
Engel is een klasgenoot die Frans' pismaatje wordt. Telkens wanneer Frans moet plassen helpt Engel hem namelijk. Hij treedt ook toe tot het vriendenclubje. Maar Frans' fascinatie blijft naar Joe uitgaan. Hij was niet zozeer een buitengewone jongen, hij was een kracht die vrijkwam. Je had verwachtingsvolle tintelingen in zijn buurt - er was een energie die vorm aannam in zijn handen, in een los verband toverde hij bommen, racebrommers en vliegtuigen te voorschijn en jongleerde ermee als een lichtzinnige tovenaar. Ik had nooit iemand ontmoet bij wie het idee zo vanzelfsprekend leidde tot uitvoering, op wie angst en conventies zo weinig greep hadden. Hij durfde het onmogelijke te denken en merkte niets van de afwijzing die zich achter zijn rug voltrok.
Het is de sprankelende stijl die zo plezierig om lezen is. Het is een opvallend opgewekte,vlotte schrijfstijl die je vaak een glimlach ontlokt.
Er kwam weer zo'n lange vakantie aan. Zo'n periode waarin je langzaam smelt en in eigen uitwasemingen wordt gemarineerd. Dat was altijd een slechte tijd voor mij. (...) Wel ging ik zomers door het leven in korte broek en uitzinnige hawaïhemden die ma voor me kocht, maar dat trok alleen maar meer de aandacht. (...) Dus zat ik erbij als een afgestreken lucifer en keken de mensen naar me alsof ik imbeciel was. (...) Ik zat het liefst met Mahfouz aan de rivier, aan wie ik niks hoefde uit te leggen. De zon blikkerde op het water; het licht was zo schel dat het de binnenkant van je hoofd verlichtte en iedereen zo bij je naar binnen kon kijken. (...) Op de rivier was het een en ander aan pleziervaart, van die drijvende koelkasten die ons vertellen dat algemene welvaart en wansmaak bij elkaar horen als zout en peper. (...) We rookten. Sommige rokers blazen rook uit als een vliegtuig, in zo'n rechte grijze streep, maar zoals de Arabier rookte had ik nog nooit gezien - hij rookte, hoe zal ik het zeggend, verdwijnend. Hij nam een dot rook in zijn mond en liet die in witte flarden rond zijn gezicht dwarrelen op de manier waarop wolken een bergtop aan het zicht onttrekken.
Je komt uiteindelijk ook te weten welk soort ongeval heeft gezorgd voor zijn verlamming
Wie gaat er nou in het gras liggen als ze maaien. Het voorwiel van de trekker verbrijzelde mijn borstkas en brak mijn rug, maar de messen van de cylomaaier hebben mij niet bereikt. De man bovenop zag me wel maar te laat. Sommigen noemen dat geluk, anderen zeggen pech. Naar wat er daarna is gebeurd kan ik alleen maar gissen. Hoewel ik duidelijk op weg was naar het einde denk ik soms dat ik gewacht heb - op één reden om terug te komen, één reden om een tak langs de doodsrivier te grijpen en aan de weg terug te beginnen, centimeter voor centimeter, terug naar waar ik vandaag kwam. Misschien dat Joe die reden was.
Moeder heet voluit Maria Gezina Putnam.
- Dag jongen, zegt ma wanneer ze 's morgens binnenkomt.(...) Hoewel klein gebouwd is ze een bergachtige vrouw. Haar flanken zijn bedekt met een jurk met bloemenmotief. Ze vertelt me dingen die ze weer heeft gehoord van andere vrouwen. Meestal over rampen. Ze houdt van rampen als van koekjes bij de koffie. (...) We zijn tot elkaar veroordeeld, ik, haar gekneusde vrucht en hoogstpersoonlijke ramp, en zij, die net als oude paarden het leed van de wereld op haar rug draagt.
Frans toestand verbetert met veel moeite. Ik hees me uit de kar en greep de rand van de tafel. Als een gedrogeerde chimpansee op ongelijke benen slingerde ik door de kamer, waarbij ik stoelen, tafels en kasten vastgreep. Joe draaide zich om en keek met stomme verbazing. - Hé man, je loopt!
In april begint het te waaien zoals je vergeten was dat het kon waaien. Je huis krimpt onder de dreunende bijlslagen van de wind. Op straat roepen ze 'rare wind hé?' naar elkaar, waarmee ze bedoelen dat hij in de kieren van je hersenen kruipt en je stapelgek maakt. Als een klein kind loopt ie overal aan te trekken, je dacht dat alles goed vastzat maar de hele wereld klappert en schuurt.
Dan volgen we de ervaringen van de vrienden als ze achttien worden.
Christof ging rechten studeren in Utrecht. Ik zou hem niet missen. Toch, wanneer ik erover nadacht, hoorde hij net zo goed bij mijn leven als Joe en Engel. (...) PJ was toen al vertrokken, ze had een kamer gevonden in Amsterdam waar ze zich had ingeschreven bij de Letterenfaculteit. (...) De situatie was niet ideaal: in het domein van de fantasie moest ik haar delen met Christof, die dezelfde visioenen had als ik. In mijn dagdromen schakelde ik hem uit met bijlen, vrachtwagens en dingen die door mijn toedoen boven op hem vielen.
Ik droom de KLEUR van mijn liefde voor PJ, het verbijsterend oranje van een zon die opgaat. Dit zal ik haar niet kunnen zeggen. Dit is volkomen kut. Ik bedoel, ik had net zo goed dood of een Chinees uit Wuhan kunnen zijn, zo raakt mijn bestaan nergens aan het hare.
Joe zet Frans aan om te gaan armworstelen. Omdat zijn ene arm zo ontwikkeld is heeft hij enorme spieren gekweekt. Aanvankelijk weigert Frans dit maar:
' Wat bleef mij anders over dan te proberen armworstelaar te worden? Ik ging in training, Joe en ik richtten ons op het eerste toernooi in Luik, eind oktober. (...) Hij [Joe] begreep dat de aansporing om veel te oefenen betekende dat ik tegenstanders nodig had,(...) Ik verlangde hevig naar iemand op wie ik mijn toegenomen kracht en inzicht kon loslaten. Om kort te gaan, Joe vond Hennie. Hennie Oosterloo was bordenwasser in De Uitspanning en woonde al zo lang iedereen zich kon herinneren in Lomark.(...) Hoewel hij al over de vijfitg moest zijn leek hij onschuldig als een baby.Hij was lomp sterk maar deed geen vlieg kwaad zeiden ze. (...) Ik weet niet of er licht doordrong in het brein van Hennie Oosterloo, of hij vreugde had beleefd aan zijn overwinning [van hun partijtje armworstelen] of een knagend gevoel van onbehagen ervoer over zijn leven dat verstreek in de spoelkeuken, maar aan zijn gezicht was in ieder geval niets af te lezen. Hij had altijd dezelfde gelijkmatige uitdrukking, geen uitdrukking eigenlijk; het gezicht stond als het ware altijd in zijn vrij.
Joe en Frans rijden samen naar Luik om aan het eerste toernooi deel te nemen. In het Franstalige Luik wordt Frans als volgt aangekondigd:
- Mesdames et messieurs! galmde de spreekstalmeester, François le Bras! (...) Ik denk dat ik zo van armworstelen hield vanwege de vrolijke stompzinnigheid ervan. Er waren geen verborgen boodschappen en bedoelingen. Geen woord, en toch was er sprake van indringend primair contact.
Frans wint verrassend veel partijtjes en Joe en hij gaan helemaal op in het trainen en het deelnemen aan toernooien. Als PJ meegaat op toernooi is dit voor Frans een extra stimulans om te winnen.
Het deed me plezier om PJ te horen klappen van verrukking. Wacht maar tot het echt begint, zei ik in gedachten tegen haar. (...) - Die arm van jou! Het lijkt wel een bovenbeen, bijna eng om te zien...die aderen! Joe knikte tevreden. - Een soort bovenbeen ja. Zit maanden werk in. Ik grijnsde ongemakkeliijk en zoog bier door het rietje. Deze dag, alle wedstrijden, ik zou het allemaal aan haar opdragen, ik zou ze één voor één verpletteren tot er geen meer over was.
Dan doet Frans een vreselijke ontdekking. Na een toernooi, tijdens de nacht dat Frans, Joe en PJ op hotel overnachten wordt Joe wakker. Joe sliep met Frans op een kamer en PJ had een aparte kamer.
Toen ik wakker werd stond er 03:52 op de display van de wekkerradio. In alarmrode getallen. Het licht brandde, ik had mijn kleren aan, Joe's kant van het bed was onbeslapen. De schok was later dan de waarneming: hij was al bijna twee uur weg. Een verlammend besef verspreidde zich door mijn lichaam: Joe en PJ... Ik zat rechtop in bed, bestormd door beelden van Joe en PJ die een wereld waren binnen gegaan waar ze mij niet meer nodig hadden. Aan een eenpersoonsbed hadden ze genoeg. Dat ik alleen op een tweepersoonsbed lag verdikte het gif. Ik had het zelf veroorzaakt, ik had haar meegevraagd, uit ijdelheid, omdat ik wilde dat ze me zou bewonderen. Voor haar had ik het toernooi gewonnen - en Joe nam de hoofdprijs. Het hete beest van jaloezie vrat in mijn innerlijk.
Dan worden de vrienden geconfronteerd met het overlijden van Engel.
Joe telefoneerde naar huis vanuit de hotelkamer, het raam stond open en liet straatgeluiden en lenteadem binnen. Even later legde hij de hoorn behoedzaam op het toestel en keek me aan. - Engel is dood, zei hij. Ik begreep eigenlijk maar één ding en dat was dat ik een blind verlangen had naar de tijd voor die mededeling, toen de constructie van de wereld nog niet was ontwricht. (...) - Maar hoe is het gebeurd, vroeg Joe schor, weet u dat? Eleveld [Engels vader] schudde zijn hoofd. - Mijn talen zijn niet zobest...zoals ik het begrepen heb heeft Engel een hond op zijn hoofd gehad. Van het balkon van een flat. Een hond. (...) Wat voor hond het was geweest wisten we niet, alleen dat het beest van de negende verdieping van een flatgebouw was gevallen in een buitenwijk van de Franse hoofdstad, precies op het hoofd van de op één na laatste Eleveld van Lomark.
Tijdens een partij breekt Frans zijn arm waardoor hij voor lange tijd niet meer kan deelnemen aan toernooien.
Pas toen werd ik me bewust van een razende, gekmakende pijn in mijn onderarm, de vlammen sloegen eruit, en zag dat Mansur mijn hand losliet en verbaasd naar me keek. Halverwege mijn onderarm balde de pijn zich samen als een gloeiende knoop, ik wist dat het bot gebroken was. De spieren hadden het gehouden tegen Mansurs onmenselijke kracht maar het spaakbeen of de ellepijp was niet sterk genoeg geweest. Geknapt als een twijg; ik schreeuwde het uit van woede en pijn. Joe schoot op me af. - Fransje, wàt?! Ik schudde het hoofd, dit was het einde van alles, het bot was mijn achilleshiel gebleken, ik kon weer helemaal van voor af aan beginnen.
De relatie met PJ evolueert maar ik wil niet te veel verklappen.
Ook komen we te weten wat de echte naam van Joe Speedboot is. - Ben jij niet nieuwsgierig dan? Natuurlijk was ik nieuwsgierig, daar ging het niet om. Kutkreng, leg neer! Maar haar ogen gleden al over de identiteitspagina. Ze trok haar wenkbrauwen op en glimlachte. Toen draaide ze het opengeslagen paspoort naar mij toe, ik zag Joe's foto in een flits voor ik mijn ogen sloot. Ik mocht het niet zien. Alles kraaide alarm in het donker, ze had het recht niet, het was heiligschennis, niemand mocht zich zijn ware naam stiekem toe-eigenen, het was zijn enige geheim. Ik deed mijn ogen open toen ik dacht dat ze het begrepen zou hebben, maar op twintig centimeter voor mijn neus bungelde nog altijd Joe's identiteitspagina. Ze zocht een medeplichtige, ze lokte me haar verdorven universum in (...), o godverdomme, hoe kon ik haar niet ter wille zijn?
Dit is een mooi, ontroerend en vaak hilarisch boek over vrienschap, over verlies, over de eerste grote verliefdheid. Een aanrader!
De Amerikaanse Pearl S. Buck (1892-1973) groeide op in China waar ze tot haar achtendertigste woonde en werkte. In 1938 ontving ze de Nobelprijs voor literatuur. In een groot aantal van de meer dan zeventig boeken die ze schreef, legde ze de sociale en politieke misstanden van het precommuistische China bloot.
Het is precies om die laatste reden dat ik de boeken van Pearl Buck zo hoog acht. Ze slaagt erin de mensen die in het land gebukt gaan onder allerlei onrechtvaardigheden een eigen stem te geven.
Bovendien bieden haar boeken een kijk op het leven van de verschillende lagen in de bevolking, ook op het leven van de grondbezitters en de rijken. Van de pakweg zes boeken die ik van haar las viel me telkens op hoezeer zij begaan is met het lot van de plaatselijke bevolking.
Over de inhoud vertelt de achterflap: Wang Lu is een eenvoudige, ongeletterde boer die geen enkele kennis bezit, behalve de waarde van zijn land. Door het harde werken lukt het hem steeds meer land te kopen en te bewerken zodat hij zich na een aantal jaren tot grootgrondbezitter weet op te werken. Als rijk man maakt hij echter dezelfde fouten die alle andere rijke mensen in zijn omgeving maken: hij bekommert zich niet om de levens van zijn arbeiders, hij verwaarloost zijn echtgenote en hij trouwt met een tweede, veeleisende jonge vrouw met gebonden voeten. Als Wang Lu oud is, verdeelt hij zijn land onder zijn kinderen, die zich nauwelijks voor landarbeid interesseren. De ondergang van de familie Wang is onvermijdelijk: de manier waarop grootgrondbezitters als Wang Lu met land en mensen omgaan, moet wel tot geweld en revolutie leiden.
De eerste zinnen Het was Wang Lungs trouwdag. (...) Vandaag zou hij zijn hele lichaam wassen. Sinds hij als kind op zijn moeders knie had gezeten, had niemand zijn lichaam meer gezien. Vandaag was dat voor het eerst het geval en hij wilde dat het schoon zou zijn.
Wang Lung, die samenwoont met zijn vader, trouwt met een slavin van het huis van Hwang, een rijke familie. Hij gaat naar het huis en daar wordt hij te woord gestaan door de vrouw des huizes. Wang Lung schaamde zich diep maar vermande zich toen en keek voor zich uit naar de plek waar hij een zeer oude dame zag zitten op een zetel in het midden van het vertrek; haar tere, nietige gestalte was gehuld in glanzend, parelgrijs satijn. (...) 'Wat doet die man hier?' vroeg zij onverwacht boos. (...) Ik wacht op de vrouw, Grote Dame,' zei Wang Lung hoogst verbaasd. 'De vrouw? Welke vrouw?....' begon de oude dame, maar de slavin aan haar zijde bukte zich en fluisterde iets waarop de dame zich herstelde. 'O, jusit, ik was het even vergeten - een onbelangrijke kwestie- je bent hier voor de slavin, O-lan. Ik herinner mij nu weer dat wij haar aan een of andere boer als vrouw beloofd heben. Ben ij die boer?' 'Dat ben ik,' antwoordde Wang Lung. (....) En vrijwel direct verscheen de slavin weer met aan haar hand een hoekige, vrij lange gestalte, gekleed in een zindelijk blauwkatoenen jas en broek.
O-lan past zich heel vlot aan aan het leven van Wang Lung. Al spoedig is zij zwanger. Wang Lung stond stil. Wat viel daarop te zeggen?Zij bukte zich om een stuk van een baksteen op te rapen en wierp het buiten de voor. Het leek wel of ze had gezegd:'Hier is je thee,' of : ' We kunnen eten.' Zoiets gewoons leek het voor haar te zijn. Maar voor hem...hij kon niet onder woorden brengen wat het voor hem was. Zijn hart leek te zwellen en stil te staan, alsof het ineens onverwachte grenzen tegenkwam. Ja, het was hun beurt op deze aarde!
De dag nadat het kind was geboren, stond de vrouw net als anders op en maakte eten voor hen klaar, maar ze ging niet naar het veld met Wang Lung en hij werkte alleen tot na het middaguur. (...) Hij ging regelrecht naar de markt en kocht vijftig eieren voor een stuiver per stuk, '...) en hij kocht rood papier om in het water met de eieren mee te koken om ze rood te verven. Toen ging hij met de eieren in zijn mand naar de snoepwinkel, en daar kocht hij rode suiker, ietsje meer dan een pond, en hij keek toe terwijl de suiker in bruin papier werd gepakt en de koopman glimlachend een strook rood papier onder het touwtje schoof. 'Is het misschien voor de moeder van een pasgeboren kind?' 'Een eerstgeboren zoon,' zei Wang Lung trots. (...) Toen hij in de brandende zonneschijn door de stoffige straat liep, meende hij dat er nog nooit een man was geweest die zo begunstigd was door het lot als hij. Hij bedacht dit eerst met vreugde en toen met plotselinge angst. Het was niet goed al te zeer met voorspoed gezegend te zijn. De lucht en de aarde waren vol boze geesten die stervelingen het geluk niet gunnen, vooral diegenen niet die arm zijn. Hij draaide zich abrupt om in de richting van de kaarsenmakerswinkel die ook wierook verkocht, en daar kocht hij vier staafjes wierook, een voor ieder lid van zijn gezin, en met deze vier staafjes ging hij het kleine tempeltje van de goden der aarde binnen en stak ze in de koude as van de wierook die hij daar de laatste keer samen met zijn vrouw had geofferd.
Wang Lungs waardering voor zijn vrouw groeit elke dag. O-lan is een ijverige, stille vrouw. Woorden waren voor haar dingen die één voor één gevangen en slechtsmet moeite weer losgelaten werden.
Wang Lung heeft een goede oogst en is zelfs in staat met zijn spaargeld een stuk land bij te kopen. Het stuk land is afkomstig van het huis waar O-lan gewoond heeft. En zijn vrouw, die slavin in de keukens van deze trotse familie was geweest, zou de echtgenote worden van een man die in het bezit was van een stuk land dat het Huis van Hwang generaties lang groot had gemaakt. (...) Dit stuk land, dat nu in het bezit wwas van Wang Lung, veranderde zijn leven voorgoed.
Wang Lung komt aan in het huis van Hwang en hoopt de transactie met de heer des huizes maar deze slaapt.
Tenslotte moest de zaak geregeld worden met de rentmeester, een gladjanus, de handen zwaar van het geld dat er na elke transactie aan was blijven hangen.
De oude man paste nu op het kind en de vrouw werkte samen met de man van de vroege morgen totdat de zonsondergang zich over de velden uitspreidde, en toen Wang Lung op een dag merkte dat zij opnieuw zwanger was, voelde hij in eerste instantie slechts ergernis omdat zij nu tijdens de oogst niet in staat zou zijn te werken. Hij snauwde haar, geïrriteerd door vermoeidheid toe:'Je kon zeker geen andere tijd uitkiezen om weer een kind ter wereld te brengen!' Zij antwoordde dapper:'Ditmaal stelt het niets voor. Het gaat alleen de eerste keer moeilijk.'
Korte tijd later meldt ze hem: 'Het is weer van het mannelijk geslacht.' Ze zeiden niets meer tegen elkaar, maar hij was verheugd, en het onophoudelijk buigen en bukken leek minder inspannend. Wang Lung is heel gelukkig. Ieder jaar meer zoons; er was geluk in zijn huis - deze vrouw bracht hem niets dan geluk. Hij riep zijn vader toe:'Nu wij weer een kleinzoon hebben, zullen wij de grote in uw bed moeten leggen!' De oude man was verrukt.
O-lan krijgt nog een kind, een meisje ditmaal en is opnieuw zwanger.Dan breken er echter zware tijden aan. De oogsten mislukken en overal heerst hongersnood. Ook het huis van Wang Lung wordt getroffen. Want ook al heeft hij grond bij kunnen kopen, door de aanhoudende droogte leveren ze geen voedsel op. Iedereen is wanhopig. Op een dag kwam Ching, zijn buurman, nu nog slechts de schaduw van een menselijk wezen, aan de deur van Wang Lungs huis en fluisterde met lippen die droog en zwart waren als aarde: 'In de stad eten ze honden en overal eten ze paarden en allerlei soorten gevogelte. Hier hebben wij al de beesten opgegeten die ozne akkers beploegden, en het gras en schors van de bomen.Wat blijft er nog over als voedsel?' Want Lung schudde moedeloos zijn hoofd. Tegen zijn borst lag het vederlichte, uitgemergelde lichaampje van het kleine meisje, en hij keek neer op het broze benige gezichtje en in de indringende, droevige ogen, die hem onophoudelijk aanstaarden. Wanneer die ogen zijn blik ontmoetten, gleed er telkens een bevend glimlachje over het kindergezichtje dat zijn hart brak. Ching bracht zijn gezicht dichterbij. 'In het dorp eten ze mensenvlees,' fluisterde hij.
O-lan is totaal uitgeput door de hongersnood. Zij wilde alleen zijn als zij haar kind baarde, neergehurkt boven een oude tobbe die zij voor dit doel bewaarde om daarna zoals een dier de vlekken verbergt van zijn jong, door de kamer te kruipen om de sporen van hetgeen daar had plaatsgevonden te verwijderen. (...)Hij [Wang Lung] luisterde ingespannen naar de ijle, doordringende kreet die hij zo goed kende, en hij luisterde vertwijfeld. Mannelijk of vrouwelijk, dat was hem op dit moment onverschillig, nu betekende het voor hem slechts een mond erbij, die om voedsel vroeg. 'Het zou een teken van erbarmen zijn als het kind niet ademde,' mompelde hij, en toen hoorde hij - maamr hoe zwak ditmaal- de ijle kreet een ogenblik sidderend in de stilte hangen. 'Er is geen genade in deze dagen!' eindigde hij bitter. (...) 'Waar is het kind?' vroeg hij. Zij maakte een lichte beweging met de hand en toen hij naar de grond keek, zag hij een kinderlichaampje liggen. 'Dood!' riep hij uit. 'Dood,' fluisterde zij. (...) Haar ogen waren gesloten, haar gezicht was asgrauw en haar botten staken als spitse punten onder de huid naar voren - een arm en stil gezicht dat het allerergste sprakeloos had verduurd, en er was niets dat hij kon zeggen. (...) Maar welke folteringen had deze vrouw in haar uitgemergelde toestand moeten uitstaan, terwijl het hongerende wezen in haar binnenste aan haar had geknaagd, vechtend voor het eigen leven! (...) Het ronde hoofdje zakte opzij en aan de hals zij hij twee donkere gekneusde pleken, maar hij deed wat hij moest doen.
Door de aanhoudende hongersnood ziet Wang Lung zich genoodzaakt met zijn gezin weg te trekken, op zoek naar voedsel.
Er zat nu niks anders meer op dan de deur stevig dicht te trekken in zijn houten scharnieren en de ijzeren grendel dicht te schuiven. Alle kleren die ze hadden, hadden ze aan. (...) Toen zij door de stad waren getrokken en de zuidkant ervan hadden bereikt (...) troffen zij daar een menigte mensen aan die allemaal naar het zuiden gingen.(...) Wang Lung (...) begreep dat als ze zich nog een dag op deze manier moesten voortslepen, ze tegen de avond allemaal dood zouden zijn, en hij zei zo opgewekt als hij maar kon:' Sta op, mijn zoons, en help jullie grootvader overeind. Wij zullen met de vuuurwagen [trein] gaan en zittend naar het zuiden reizen.
Het gezin reist 150 km naar het zuiden en tracht er een bestaan uit te bouwen. Aanvankelijk gaat het gezin uit bedelen. O-lan en de kinderen bedelen en Wang Lung loopt heel de dag rond met een riksja. Het gezin maakt hier kennis met een grote stad. Voor de eerste keer in zijn leven ziet hij een blanke. Op deze dag kwam er plotseling iemand naar buiten, een schepsel zoals hij nog nooit had gezien. Hij had er geen idee van of het iemand van het mannelijk of van het vrouwelijk geslacht was, maar de persoon was lang en gekleed in een recht, zwart gewaad van een of ander ruw, hard materiaal en droeg de huid van een dood beest om de hals. (...) Toen begreep Wang Lung dat dit wat je noemde een vreemdeling was, een die nog vreemder was dan hij in deze stad, en dat mensen met zwart haar en zwarte ogen kennelijk tot één soort behoren en mensen met licht haar en lichte ogen tot een ander, en daarna voelde hij zich niet meer zo volslagen vreemd in de stad.
Zijn grootste wens echter is om, zodra het kan, terug te keren naar zijn huis en zijn grond.
Dit prachtige boek (347 blz.), dat ik eerder op goed geluk uitkoos, geeft een kijk op het leven van een eenvoudige boer in China rond 1900. Ik leefde intens mee met de zorgen van het gezin. Pearl Buck heeft meerdere boeken geschreven over het leven in China, echte aanraders!
Dit boek (332 blz.) mocht ik lenen van een vriend. Deze Peruaanse schrijver (1936) schreef romans, verhalen en essays. Zijn werk ontving vele prijzen waaronder de Nobelprijs voor de literatuur 2010.
Over de inhoud meldt de achterflap: Ricardo valt op zijn vijftiende als een blok voor een meisje dat zich Lily noemt. Maar op een dag verdwijnt ze spoorloos en ontdekt hij dat ze hem alleen maar leugens heeft verteld. In de jaren die volgen komt hij haar op de meest onverwachte momenten tegen. Elke keer noemt ze zich anders en elke keer is Ricardo weer als was in haar handen.
Het begin van het boek vergt wel enige inspanning door de vele uitheemse woorden en plaatsnamen (corrido, huaracha, Barrio Alegre, calle Diego Ferré,fulbito,...).
Op blz 9 echter reeds raakt Ricardo in de ban van Lily. Lily danste heerlijk ritmisch, heel gracieus en met een glimlach op haar lippen, terwijl ze de tekst van het lied meeneuriede, haar armen in de lucht gooide, haar knieën liet zien en haar heupen en schouders op zo'n manier bewoog dat haar hele lichaam, waarvan de rondingen zo schalkes werden geaccentueerd door haar rokje en bloesje, leek te kronkelen en te vibreren en van haar kruin tot aan haar voeten leek deel te nemen aan de dans.
Nadat aan het licht komt dat het gezin van Lily niet uit Chili komt zoals het zich eerst had voorgesteld, verdwijnt het van de ene op de andere dag uit het dorp. Kun je het je voorstellen? Ze komen helemaal niet uit Chili! Nee, het waren geen Chileens meisjes! Allemaal kletsverhalen! Ze wisten niet eens iets van Chili! Ze hebben gelogen! Iedereen voor de gek gehouden!(...) Het waren gewoon Peruaansen. De arme stakkers.
Begin jaren zestig zien we Ricardo in Parijs waar hij is neergestreken in de hoop er een leven te kunnen opbouwen. In Peru heeft hij een advocatentitel behaald aan de universiteit. Hij is naarstig op zoek naar een job.
We treden binnen in een wereld van politiek, communisme, verzetsgroepen, guerillero's. Als je geen enkele voorkennis hebt kan dit een droge brok zijn om te verteren.
De Cubaanse regering had de MIR een hondertal beurzen geschonken zodat Peruaanse meisjes en jongens een guerillatraining konden volgen. Ricardo helpt mee om de studenten op te vangen. De meeste beursstudenten die ik van Orly ophaalde om ze naar de hotelletjes en pensions te brengen waar ze tijdens hun tussenstop in Parijs opgesloten zouden zitten, waren mannen, heel jong, soms nog pubers. Op een dag ontdekte ik dat er ook vrouwen bij waren. (...) Meteen toen ik de drie meisjes zag, had ik de indruk dat ik kameraad Arlette al eens eerder had gezien. (...) Toen herkende ik haar. Ze was natuurlijk erg veranderd, vooral haar manier van praten, maar haar hele verschijning had nog altijd die schalkse uitstraling die ik me maar al te goed herinnerde, iets brutaals, spontaans en provocerend dat doorschemerde in haar uitdagende houding, haar borstjes en gezicht naar voren gestoken, één voet een beetje naar achteren, haar kontje omhoog, en een spottende blik die maakte dat je niet wist of ze serieus meende wat ze zei of een grapje maakte. Ze was niet groot, had kleine handen en voeten, en haar haar, nu zwart in plaats van blond, was bijeengehouden met een lint en reikte tot haar schouders. En die donkere honing in haar irissen.
Ze beleven samen tien dagen die Ricardo beleeft als de hemel en als een begin van een duurzame liefde. Dan echter, verdwijnt ze weer voor jaren uit zijn leven.
Ricardo slaagt voor een examen als tolk aan de Unesco en het hoofd van de vertaalafdeling vraagt hem om op zijn kantoor te komen. Hij was heel vriendelijk en moest hartelijk lachen toen ik op zijn vraag naar mijn 'plannen op lange termijn' antwoordde: 'Als oude man sterven in Parijs.'(...) Vanaf dat moment moment wist ik zeker dat de droom die ik altijd had gehad - nou ja, sinds de jaren des onderscheids -, namelijk de rest van mijn leven in deze stad blijven, werkelijkheid begon te worden.
Een vriend spreekt zijn verbazing uit over deze ambitie: 'Alle Zuid-Amerikanen komen naar Parijs om ietse groots te verrichten. Wil je me laten geloven dat jij de uitzondering op die regel bent?' ' Ik zweer het, Paul. Ik heb geen andere ambities dan hier blijven, zoals nu.
Maar de herinnering aan zijn kleine guerrillero blijft knagen:Het deed me helemaal geen goed om aan kameraad Arlette te denken, elke keer had ik het gevoel of er een maagzweer openbarstte. Om dat te vermijden, waar ik maar half in slaagde, stortte ik me vol overgave op mijn lessen Russisch en simultaantolken gedurende de perioden dat meneer Charnés, met wie ik het inmiddels uitstekend kon vinden, me geen contract aanbood.
Drie jaar later. Wanneer Ricardo's tante Alberto sterft wil hij het vliegtuig nemen om haar begrafenis in Peru bij te gaan wonen. Nadat hij een retourticket heeft gekocht loopt hij nog even binnen bij de Unesco om meneer Charnés uit te leggen dat hij een paar dagen vrij moet nemen. Ik stak net de hal over toen ik een elegante dame tegenkwam, ze droeg naaldhakken en een zwarte, met bont afgezette mantel, en keek me aan alsof we elkaar kenden. 'Nee maar, wat leven we toch in een kleine wereld,' zei ze, terwijl ze naar me toe kwam en me haar wang aanbood. 'Wat doe jij hier, brave jongen?' 'Ik werk hier, als vertaler,' wist ik met moeite uit te brengen, volkomen overrompeld door de verrassende ontmoeting, en me terdege bewust van de lavendelgeur van haar parfum die mijn neus binnendrong toen ik haar kuste. Zij was het, maar ik moest mijn uiterste best doen om in dat zo zorgvuldig opgemaakte gezicht, in die rode lippen, in die geëpileerde wenkbrauwen, in die zijdeachtige, krullende wimpers die een paar ondeugende ogen overschaduwden die dankzij het oogpotlood breder en dieper waren geworden, en in die handen met lange nagels die net van de manicure leken te komen, kameraad Arlette te herkennen.
Bij elke ontmoeting transoformeert 'het stoute meisje' zich tot een ander. Ricardo heeft dit begrepen. 'Ik neem aan dat ik je niet meer Lily het Chileense meisje of kameraad Arlette de guerrillastrijdster mag noemen. Hoe heet je nu in vredesnaam?'
Zoals gebruikelijk in Frankrijk draagt ze nu de naam van haar man; madame Robert Arnoux. Hij is diplomaat en werkt bij de Franse delegatie. Ik hoefde haar maar te zien staan om te beseffen dat ik haar in al die jaren niet één moment was vergeten, dat ik nog net zo verliefd op haar was als op de eerste dag. [Dat was ]in maart 1965, kort voor mijn dertigste verjaardag.
Monsieur Robert Arnoux was klein en kaal en had een Hitler-snorretje dat meebewoog als hij praatte; hij droeg een bril met dikke glazen en was zeker twee keer zo oud als zijn vrouw. Hij behandelde haar met veel egards, waarbij hij haar stoel aan-en terugschoof en haar in haar regenjas hielp. De hele avond was hij oplettend, door wijn bij te schenken als haar glas bijna leeg was en haar het broodmandje aan te geven als ze geen brood meer had. Hij was niet erg sympathiek, eerder nogal stijf en bits, maar hij maakte inderdaad een zeer ontwikkelde indruk en praatte heel zelfverzekerd over Cuba en Latijns-Amerika.
Ze zien elkaar regelmatig, brengen de nacht met elkaar door en de smoorverliefde Ricardo beweert dat hij haar zo gelukkig zou kunnen maken dat ze hem nooit meer zou verlaten. 'Wat ben je toch een naïeve dromer,' zei ze, lettergreep voor lettergreep, me uitdagend met haar ogen. 'Je kent me niet. Ik zou alleen voor altijd bij een man blijven als hij heel, heel rijk en machtig was. Dat zul jij nooit worden, helaas.' 'En als geluk nu eens niets met geld te maken heeft, stout meisje?' 'Geluk, ik weet niet wat dat is en het kan me ook niet schelen, Ricardito. Wat ik wel zeker weet, is dat het niet dat romantische en banale is wat het voor jou is. Geld geeft zekerheid, beschermt je, stelt je in staat volledig van het leven te genieten zonder dat je je zorgen hoeft te maken om morgen. Het is het enige geluk dat je kunt aanraken.'
Zoals te verwachten ontglipt mvr. Arnoux hem opnieuw. Ricardo neemt zijn solitaire leven weer op. Het waren jaren van hard werken voor mij, zij het, zoals het stoute meisje zou hebben gezegd, met povere resultaten: ik ging definitief over van vertalen naar tolken. Net als de eerste keer vulde ik de leemte van haar verdwijning door me met verplichtingen te overladen.
De politieke gebeurtenissen in zijn land blijven een belangrijke achtergrond in zijn leven.
[Drie jaar later], op 3 oktober 1968 pleegden de militairen onder leiding van generaal Juan Velasco Alvarado de staatsgreep die een einde maakte aan het democratische bewind van Belaunde Terry, die in ballingschap ging, en werd in Peru een nieuwe militaire dictatuur ingesteld die twaalf jaar zou duren.
Vier jaren later ontmoet hij haar opnieuw, ditmaal als Mevr. David Richardson. Maar zodra we die avond het luxueuze landhuis van signor Ariosti binnengingen, voelde ik mijn keel plotseling droog worden en ging er een pijnscheut door de nagels van mijn vingers en tenen. Daar zat ze, minder dan tien meter van me vandaan, op armleuning van een sofa, met een hoog glas in haar hand. Ze keek me aan alsof ze me nog nooit van haar leven had gezien. (...) Ze was niet langer dat kwetsbare meisje dat duizend moeilijkheden had moeten overwinnen en vooruit was gekomen dankzij een ongebruikelijke stoutmoedigheid en vastberadenheid; ze was nu een volwassen vrouw, overtuigd van het feit dat het leven een jungle was waar alleen de slechtsten zegevieren, tot alles bereid om niet verslagen te worden en hogerop te komen. Zelfs om haar man naar de andere wereld te helpen om zijn erfenis op te strijken, als ze dat kon doen met de absolute garantie dat ze ongestraft zou blijven? 'Natuurlijk,' zei ze, met die spottende en meedogenloze blik in haar ogen.
Die twee jaar, waarin ik een paar keer voor langere tijd in swinging London verbleef, (...) en het stoute meisje één of twee keer per week zag, waren de gelukkigste van mijn leven tot dan toe. Ik verdiende minder geld als tolk, omdat ik vanwege Londen veel contracten in Parijs en andere Europese steden afwees, inclusief Moskou, waar aan het eind van de jaren zestig en het begin van de jaren zeventig steeds vaker internationale conferenties en congressen werden gehouden, en ik daarentegen tamelijk slecht betaalde klussen aannam waarvan het enige aantrekkelijke was dat ik ervoor naar Engeland moest. Maar ik zou het geluksgevoel dat ik ervoer bij het binnenstappen van het Russel Hotel, waar ik geleidelijk alle bedienden en kamermeisjes bij naam leerde kennen, en het in een trancetoestand wachten op de komst van Mrs. Richardson, voor niets ter wereld hebben willen ruilen.
Ditmaal verloopt de breuk zeer bruusk en is uiterst pijnlijk voor Ricardo. Eens te meer blijkt zijn droomvrouw een femme fatale. 'Maar bel me nooit meer op. Ik zit in de puree en ik moet erg uitkijken.' ' En ze hing op, zonder afscheid te nemen. Ik voelde me leeg en ontdaan. Ik was zo kwaad, zo ontmoedigd, en ik had zo'n minachting voor mezelf dat ik - voor de zoveelste keer!- het besluit nam Mrs. Richardson uit mijn geheugen te wissen en haar, om het maar eens te zeggen met een van die banale uitdrukkingen waar zij altijd zo om moest lachen, uit mijn hart weg te rukken. Het was idioot om verliefd te blijven op zo'n ongevoelig wezen, dat genoeg van me had, dat met me speelde als was ik een marionet, dat nooit het minste respect voor me had getoond.
Net als de vorige keren nam ik me, op mijn achtendertigste, vast voor verliefd te worden op iemand die minder ongrijpbaar en gecompliceerd was, een normaal meisje met wie ik een relatie kon hebben zonder grote schokeffecten of met wie ik zelfs zou kunnen trouwen en kinderen krijgen. Maar zo ging het niet, omdat in dit leven de dingen maar zelden zo gaan als wij arme knulletjes ze plannen. Al snel gaf ik me over aan de routine van mijn werk, dat hoewel het me af en toe verveelde, ook niet echt onaangenaam was. Tolk zijn vond ik een nietszeggend beroep, maar het was voor degene die het uitoefende ook een beroep met weinig morele problemen. En het stelde me in staat te reizen, redelijk te verdienen en vrij te nemen als ik daar zin in had.
Tijdens een gesprek met een vriend 'Het is niet de schuld van Frankrijk dat we nog altijd een stel buitenlanders zijn, beste jongen. Dat is onze eigen schuld. Een roeping, een lotsbestemming. Net als ons beroep van tolk, een andere manier om altijd een vreemdeling te blijven, om je ergens te bevinden zonder je er te bevinden, om te zijn maar ook niet te zijn.'
In de volgende jaren komt hij haar o.a. tegen in Japan onder naam van Kuriko, de vrouw van Fukuda.
Zo gaat het verhaal verder. Op onverwachte momenten, telkens met een paar jaar tussen, ontmoet hij opnieuw dat geheimzinnnige meisje van wie hij nooit de echte naam te weten komt. Pas op het einde van het verhaal komen we meer te weten over haar echte identiteit.
Het laatste hoofdstuk was me er een beetje te veel aan, het voegt niet veel meer toe aan het verhaal en volgens mij had het beter gestopt voor dat laatste hoofdstuk. Het mysterieuze meisje ontpopt zich tot een ware femme fatale en de lezer weet dat het niet goed kan aflopen.
Ik vind het een boek van wisselende kwaliteit. Sommige hoofdstukken zijn heel boeiend en meeslepend, andere stukken zijn stroef en schijnbaar overbodig. Alsof het twee boeken tegelijk zijn. Een dat veel te maken heeft met politiek in het algemeen en met de situatie in Peru in het bijzonder en het andere dat een liefdesverhaal is.
Deze voor mij nog illustere onbekende auteur kreeg ik cadeau van een vriend. Het begin bevalt me en daarom besluit ik het boek gelijktijdig voor te stellen op mijn blog.
Het verhaal situeert zich tijdens WO II. Het boek begint in een vooruitgeschoven moment. Hierin wordt het hoofdpersonage Edzard de Jong, 28 jaar, gearresteerd door de Duitsers. Hij was een miezerige, hulpeloze gevangene geworden; hij, de jonge god, zoals hij zich vaak tijdens een actie gevoeld had, de onaantastbare, de man met het grote geheim, waarvan niemand op straat iets wist, maar dat hij koesterde en waar hij trots op was. Die overmoed, die glorie, die triomf, je sprak er niet over, het zou genant zijn om daar iets van te laten merken; dat soort dingen doe je niet, dat hoort niet, maar het was er wel.
Zijn ondervrager begint dadelijk met de valse papieren boven te halen die Edzard met de naam Rein de Koning bedachten. Edzard probeerde de man te overbluffen. 'Ik geef toe dat ze vals zijn', zei hij. 'Aardig dat u dat toegeeft, maar waarom?' ' Ik wilde niet naar Duitsland.' De man lachte. 'Zo, dan hebben we al aanklacht nummer twee . U wilde de Arbeitseinsatz ontlopen. Daarvoor liet u zeer kostbare papieren namaken. Mag ik vragen door wie?'
Dit hoofdstuk eindigt met de totale vertwijfeling van Edzard op het moment dat hij beseft dat zijn vroegere vriendin hem verraden heeft.
Dan gaan we terug in de tijd naar augustus 1939. Hierin zien we de ontwikkeling van het groeiende ongenoegen van Edzard. Hij heeft een sterke behoefte om meer van zijn leven te maken en boven de massa uit te steken. 'Tuig', dacht hij. Die kwalificatie gebruikte hij de laatste tijd steeds meer voor zijn medemensen. Als hij hun lijven zag,, hun stemmen hoorde, voelde hij een diepe minachting voor de massa in zich opkomen en straalde zijn superioriteitsgevoel uit zijn koele ogen, die over dat tuig streken.
En hij zelf dan? Wat waren zijn genoegens dan en zijn ambities? Die onrustbarende gedachte verdrong hij liever. Hij wist alleen dàt hij verder strekkende ambities had dan alleen maar het zoeken naar een baantje en het liggen op het strand. Alleen: welke ambities dat dan wel waren, dat kon hij ook niet zeggen. Maar hij zou niet berusten in het lege leven dat hij nu leidde; hij zou niet een van die vele ongewassen lichamen worden, niet een van die ruwe stemmen. Hij wachtte alleen op een kans om zich uit die massa naar boven te werken.
Edzard ontmoet Tilly op het strand. Het klikt dadelijk tussen hen. Tilly woont in Amsterdam en geeft Edzard haar adres. Het is de vooravond van de oorlog en Edzard observeert de veranderende wereld rondom zich: En nu ging de tijd schoksgewijs, hele sprongen werden gemaakt; soms werden oude mensen in één nacht oud als ze verbijsterd de krant hadden gelezen, of het laatste nieuws voor de radio hadden gehoord. En de mens, die vroeger alle verandering op zijn gemak kon volgen, zich kon aanpassen, moest zich nu als een kameleon gedragen.
Edzard zoekt Tilly op in Amsterdam en beleeft een aangename avond. Het bracht hem er ook toe in de daaropvolgende dagen opnieuw pogingen te ondernemen om aan werk te komen; het feit dat zij een baan had, zorgde ervoor dat hij zich nutteloos voelde. 'Wat is uw vooropleiding? ' 'Hbs, mijnheer.' Hij zag het geïrriteerde handgebaar voor zich.
Een paar dagen daarna; hij zat bij Tilly op de kamer, de radio stond aan, toen wist hij het opeens heel duidelijk; dit is het. Hier zat ik op te wachten. (...) Ze lagen samen op de divan, toen hij het hoorde. Duitsland was Polen binnengevallen.
Edzard trekt in bij Tilly. Hij stapt in een verzetsbeweging en vindt daarin een mogelijkheid om gevaarlijk en heroïsch te leven. Hij klimt op in de hiërarchie en na twee jaar heeft hij zich een plek in de leiding van de organisatie verworven. Toch is dit niet zijn hoofddoel, vergaderen, overleggen, plannen maken. Hij wil het gevaarlijke veldwerk doen, het sluipen, het omsingelen van de vijand, de concrete wraakacties uitvoeren, hij wil de trekker aan de vinger voelen, liever dan in een kamertje zitten te vergaderen.
De lezer wordt getuige van zijn eerste moord in de verzetsbeweging. Omdat een getuige hem heeft gezien moet hij een tijdlang onderduiken. Heel erg tegen zijn zin verkast hij naar een dorp zo ver mogelijk weg van de hoofdstad. Daar verblijft hij enkele maanden en ook al zijn Tadema en Annelies; zijn gastgezin heel vriendelijk voor hem, hij mist de actie heel erg. Hij is bang geen belangrijke rol meer te zullen krijgen nu hij 'verbrand' is. Mensen die opgepakt worden zijn nl. een groot risico voor de verzetsbeweging, ze kunnen gaan praten en zo de anderen van de verzetsgroep in groot gevaar brengen. Aanvankelijk weet Edzard niet hoe lang zijn verbanning zal duren. Op een avond dat Tadema van huis is beleeft Edzard een avontuurtje met Annelies, die zich letterlijk aanbiedt aan hem. Edzard zal tijdens zijn verzetswerk te weten komen dat deze activiteiten een magnetische uitwerking heeft op veel vrouwen.
Tijdens een latere nachtelijke actie - wanneer hij terug in een verzetscel is opgenomen- gaat hij voedsel halen bij een boer. Een dienstmeisje zegt hem: 'Hé, als je ooit eens terug wil komen.' Hij draaide zich om en pakte haar hand weg.'Al goed', zei hij kort. Ze was niet beledigd. 'Weet je', zei ze. 'Ik vind jongens zoals jij ontzettend opwindend. Dat kan ik niet helpen, dat is zo. Alle jongens zoals jij. Van de illegaliteit, begrijp je. Dat windt me op. Als ik eraan denk hoe jullie tekeer gaan, dan wil ik dat jullie ook met mij tekeer gaan .Dat is toch logisch. Meisjes zoals ik, wat hebben we nou? Werken tot je erbij neervalt en misschien sla je eens zo'n boerenkinkel aan de haak, die zijn voeten maar één keer per jaar wast en alleen met je vrijen wil als hij een borrel op heeft. Dan ga je denken en dan stel je je voor hoe het is met iemand anders, heel iemand anders. Ergens ver vandaan. Zo iemand als jij. Daar kan ik uren van dromen. Dus als je wil? Nu nog. Of een andere keer.'
Wanneer hij, na zoveel maanden terugkeert naar Amsterdam, merkt Edzard dat de tijd niet heeft stilgestaan. De mensen waren onrustiger geworden; de bezetters en hun handlangers schreeuweriger en arroganter, vermoedelijk om hun onzekerheid te verbergen; een onzekerheid die gevoed werd nu de Duitse onoverwinnelijkheid niet zo vanzelfsprekend meer was als in het eerste jaar van de oorlog. Maar verder: de armoede breidde zich uit, de verpaupering en daarmee gepaard gaan de de groeiende onvrede met de hele situatie, waardoor steeds meer mensen cynischer werden, harder in hun uitlatingen. (...) Ook in de organisatie was het een en ander veranderd. Zijn eigen groep bestond niet meer; was opgegaan in een andere, grotere groep. Edzard kiest een nieuwe naam: Rein de Koning.
Deze nieuwe groep staat onder leiding van een man wiens codenaam Karel is. Karel is een 50-jarige kale, ontwikkelde man. Aanvankelijk lijkt hij Edzard te wantrouwen maar geleidelijk aan krijgt Edzard meer verantwoordelijkheid in zijn opdrachten. In de loop van Edzards leven zal Karel nog een belangrijke rol spelen.
Edzard lette scherp op de gelaatsuitdrukking van de kale man, maar hij kon niets ontdekken. Geen triomfantelijke glimlach, geen arrogante blik. De man keek neutraal. Bijna als iemand, die een routinegeval moest afhandelen.
In de winter van 1942 wordt Edzard bij Karel thuis uitgenodigd.
Toen hij het adres van Karel hoorde, wist hij dat hij gelijk gehad had toen hij achter die grote kale man meer vermoedde, meer beschaving, een zekere verfijning. Tenminste, als je verfijning af kunt meten naar de wijze waarop iemand woont.
Op blz 178 keert het verhaal terug naar het begin; nl. de verhoren waaraan de gevangengenomen Edzard wordt onderworpen. Een Duitser doet hem het voorstel te spioneren voor hem in ruil voor zijn vrijheid. Edzard wordt voor de keuze gesteld om zijn vel te redden door op dit voorstel in te gaan of anders eervol te sterven tijdens de liquidatie-actie die zeker zou volgen indien hij niet op het voorstel ingaat. Edzard wil leven en gaat node in op het voorstel van de Duitser.
Als rode draad doorheen heel de geschiedenis blijft de vraag waarom Tilly hem heeft verraden. Deze vraag blijft Edzard nog jaren achtervolgen en hiermee blijft hij worstelen en hij blijft naar een antwoord zoeken. Zijn zoektocht naar Tilly stopt niet eer hij haar gevonden heeft, jaren later in Amerika. In het laatste deel kent het verhaal veel ontwikkelingen en wendingen en het heeft ook een vrij onverwacht einde. Het verhaal bleef me tot op het laatst boeien.
Dit boek vind ik heel geschikt voor jonge mensen. Omdat het heel vlot en meeslepend is geschreven heb ik het graag gelezen. Er zit vaart in het verhaal en het heeft weinig inzinkingen in die vaart. Dit oorlogsverhaal werpt een blik op het verlangen om uit te blinken, om te ontkomen aan de sleur van het dagelijks leven en hoe de oorlog daartoe een kans biedt. We zien de gevolgen van de oorlog op het leven van de gewone mens; Het is geen hoogvlieger op literair gebied, wel een heel goed leesbaar boek over een gewone jongeman in een ongewone tijd.
Zo veel water zo dicht bij huis (van Raymond Carver)
Ik stel u opnieuw een schrijver van kortverhalen voor. Raymond Clevie Carver Jr. (25 /5/1938- 2/8/1988) was een Amerikaans schrijver van korte verhalen en dichter.
De achterflap meldt: Wie de wereld van Raymond Carver binnengaat, ontmoet een categorie mensen met wie het leven weinig mededogen heeft. Ze zijn te definiëren in termen van wat ze niet hebben: werk, liefde, geluk, gemoedsrust, geld.(...) De toon van de verhalen is meestal melancholiek, soms ronduit pessimistisch. Niet zelden wordt er gedronken, veel gedronken.'
Ik stel u twee verhalen voor uit zijn boek, dat bestaat uit 12 verhalen en 195 blz telt, nl. 'Zoveel water zo dicht bij huis' en 'kathedraal'.
'Zo veel water zo dicht bij huis.' Dat begint als volgt: Mijn man zit met smaak te eten.Maar ik geloof niet dat hij echt honger heeft. (...) Gooit dan zijn servet op zijn bord. Hij zegt:'Godverdomme, waar bemoeit iedereen zich mee? Vertel me wat ik verkeerd gedaan heb, en ik luister! Ik was niet de enige daar. We hebben erover gepraat en we waren het eens. We konden niet zo maar rechtsomkeert maken. De auto stond acht kilometer verderop. Ik laat jou geen rechter spelen. Heb je dat goed gehoord?' (...) Ik doe mijn ogen dicht en hou me vast aan de gootsteen. Dan maai ik met mijn arm over het aanrecht en gooi de borden op de grond. (...)
Gordon Johnson en Mel Dorn en Vern Williams en hij - ze pokeren, ze bowlen en ze vissen. (...) Het zijn fatsoenlijke mannen, huisvaders, serieuze werkers. Ze hebben zoons en dochters die op dezelfde school zitten als onze zoon, Dean.
Vorige week vrijdag vertrokken de huisvaders naar de rivier de Naches. Ze zetten de auto neer in de bergen en gingen te voet naar waar ze wilden gaan vissen. Ze hadden hun slaapzakken bij zich, hun eten, hun speelkaarten, hun whiskey. Al voor ze hun tenten hadden opgezet zagen ze het meisje. Mel Dorn zag haar liggen. Geen kleren aan, niets. Ze lag klem tussen een paar takken die over het water hingen. Hij riep de anderen erbij en die kwamen kijken. Ze praatten over wat ze moesten doen. Een van de mannen - mijn Stuart zei er niet bij wie - zei dat ze meteen terug moesten. De anderen wroetten met hun schoenen in het zand, zeiden dat ze daar eigenlijk weinig voor voelden. Ze beriepen zich op hun vermoeidheid, het late uur, het feit dat het meisje niet wegliep. Uiteindelijk zetten ze toch hun tenten op. Ze maakten een vuur en dronken hun whiskey. Iemand zei dat ze moesten zorgen dat het lijk niet wegdreef. (...)
De volgende ochtend maakten ze een ontbijt, dronken koffie en dronken whiskey en gingen toen uit elkaar om te vissen. Die avond bakten ze vis, kookten aardappelen, dronken koffie, dronken whiskey, liepen toen met hun kook-en eetgerei terug naar de rivier en wasten waar het meisje lag hun spullen af. (...) De volgende ochtend stonden ze laat op, dronken whiskey, visten nog wat, braken hun tenten af, rolden hun slaapzakken op, pakten hun spullen bij elkaar en gingen te voet weer naar de auto. Ze reden door tot ze een telefoon zagen. Stuart was degene die belde, terwijl de anderen in de zon om hem heen stonden en meeluisterden. Hij gaf hun namen op aan de cheriff. Ze hadden niets te verbergen. Ze schaamden zich niet. Ze zeiden dat ze zouden wachten tot er iemand was aan wie ze precies de weg konden wijzen en die hun verklaringen kon opnemen. (...) Ik kijk naar de krant en schuif ermee heen en weer over de tafel. Dan haal ik hem met een ruk naar me toe en lees wat er staat. Het lijk is geïdentificeerd, vrijgegeven. (...) Lange tijd blijf ik zitten met de krant in mijn hand en denk na. Dan bel ik de kapper om een afspraak.
Ik zit onder de droogkap met een tijdschrift op schoot en laat Marnie mijn nagels doen. 'Ik moet morgen naar een begrafenis' zeg ik. 'Ach jee,' zegt Marnie. 'Een geval van moord,' zeg ik.
Het volgende verhaal waaruit ik citeer heet 'Kathedraal' en begint als volgt: We kregen een nacht een blinde te logeren, een oude vriend van mijn vrouw. Zijn vrouw was overleden. (...) Ze had hem niet meer gezien sinds ze, tien jaar geleden, een zomer lang voor hem gewerkt had in Seattle. Maar de blinde en zij waren contact blijven houden. Ze maakten bandjes en stuurden die heen en weer. (...) Ik was niet enthousiast over zijn bezoek. (...) Ik had mijn beeld van blindheid uit de film. In films bewogen blinden zich traag en lachten nooit. (...)' Als je van me houdt,' zei ze, ' heb je dit voor me over. Als je niet van me houdt, oké. Maar als jij een vriend had, wat voor vriend dan ook, en die vriend kwam op bezoek, dan zou ik zorgen dat hij het hier naar zijn zin had.' Ze veegde haar handen af aan de theedoek. 'Ik heb geen blinde vrienden,' zei ik. 'Jij hebt helemààl geen vrienden,' ze zei. 'Punt. Bovendien,' zei ze,' is verdomme zijn vrouw pas overleden! Daar heb je toch wel begrip voor? De man heeft zijn vrouw verloren!'(...) Nadat ze acht jaar onafscheidelijk waren geweest - het woord van mijn vrouw: onafscheidelijk - ging Beulah's gezondheid hard achteruit. Ze stierf in een kamertje in een ziekenhuis in Seattle, en de blinde zat bij haar bed en hield haar hand vast. (...) De blinde, moet je je voorstellen, had een volle baard! Een blinde met een baard! Dat kan niet, lijkt me.(...) Toen wilde ik iets anders gaan zeggen, gewoon om wat te zeggen, namelijk over het uitzicht dat je hebt tijdens de tocht langs de Hudson. Dat je, op weg naar New York, aan de rechterkant van de trein moet zitten en komend uit de richting New York aan de linkerkant.(...) Ik had nog nooit een blinde ontmoet of van dichtbij meegemaakt. Deze blinde was achter in de veertig, een zware, kalende man met afhangende schouders, alsof hij daar een zware last droeg. Hij droeg een bruine broek, bruine schoenen, een lichtbruin overhemd, een stropdas, een sportief jasje. Kek. En hij had dus ook die volle baard. Maar hij liep zonder stok en droeg geen donkere bril. Ik had altijd gdacht dat blinden een donkere bril op moesten. Eerlijk gezegd had ik gewild dat hij er een op had gehad. Op het eerste gezicht had hij ogen als ieder ander. Maar als je goed keek, zag je dat er een verschil was. (...) Toen we aan tafel gingen namen we nog een glas. Mijn vrouw schepte Roberts bord vol met entrecôte, gegratineerde aardappelen, slabonen. Ik besmeerde twee boterhammen met boter voor hem. 'Hier heb je boterhammen.' Ik nam een slok. 'Laten we nu even bidden,' zei ik, en de blinde liet zijn hoofd zakken. Mijn vrouw keek me met open mond aan. 'Dat de telefoon niet gaat en het eten niet koud wordt,' zei ik.
Mijn vrouw zei:' Robert, heb jij een tv?' De blinde zei:'Kind, ik heb er twee. Ik heb een kleuren-tv en een zwart-wittoestelletje, nog van vroeger. Het is raar, maar als ik de tv aan zet, en ik doe niet anders, dan zet ik de kleuren-tv aan. Raar, hé?' Ik wist niet wat ik daarop zeggen moest. Ik had er absoluut niets op te zeggen. Geen mening. Dus keek ik naar het journaal en probeerde te verstaan wat de nieuwslezer zei. 'Dit is een kleuren-tv', zei de blinde.'Vraag me niet waaraan, maar ik merk het.'
De ik-persoon biedt de blinde een joint aan. Hij lijkt steeds opnieuw de man te willen uittesten en te tergen. Op tv verscheen een kathedraal. (...) Ik wachtte zo lang ik kon. Dan moést ik voor mijn gevoel wat zeggen. Ik zei:' Ze laten nu de buitenkant van een katheddraal zien. Gargouilles. Kleine beelden die eruit zien als monsters. Ik denk dat ze nu in Italië zitten. Ja, ze zijn in IItalië. Er is nu een kerk met muurschilderingen.'
Maar dan verbaast de blinde hem en neemt het heft van hem over. Nu is het zijn beurt om in de hoek gedreven te worden.
'Misschien kun je er een voor me beschrijven ? Zou je dat voor me willen doen? Dat zou ik leuk vinden. Als je het weten wilt: ik kan me er in feite weinig bij voorstellen.' Ik keek ingespannen naar het beeld van de kathedraal op de tv. Er was geen beginnen aan dat ding te beschrijven. Maar stel dat mijn leven ervan afhing. Stel dat ik werd bedreigd door een gek die zei dat het moest want anders. (...) 'Om te beginnen zijn ze heel hoog.'(...) Ze zijn zo groot, sommige, dat ze van die steunen nodig hebben. Die helpen de zaak overeind te houden, zeg maar. Die steunen heten luchtbogen. Om de een of andere reden doen ze me aan viaducten denken. Maar dat zegt je misschien ook niet veel, viaducten? Soms zitten er in de voorkant van kathedralen duivels en zo gebeeldhouwd. Soms voorname figuren. (...)' Ik breng er niet veel van terecht hé?' zei ik.(...) Hij knikte als om me aan te moedigen. (...) Ze zijn kolossaal. Ze zijn van steen. Met marmer soms.
Zo sukkelt de ik-persoon nog een tijdje verder. Dan krijgt hij het vreemde verzoek, om een kathedraal te tékenen.
Het zijn allemaal vlot leesbare verhalen die ik graag heb gelezen. Het is de sfeerschepping die ik knap vind in zijn verhalen. Het gevoel van ongepastheid, van verwachting, van wat fatsoenlijk is en wat niet. Ideaal voor wanneer u verhalen wenst te lezen die niet zo'n lange aandachtsspanning vergen.
Verhalenbundels lezen vind ik af en toe heel interessant. Je verbreedt je kennis van verschillende genres en auteurs. Er zijn verschillende auteurs die hier bijzonder begaafd en getalenteerd in zijn zoals bv ook de Russische schrijvers Gogol en Boenin. Meestal echter verkies ik de lange roman. Omdat het beginnen aan een boek altijd het moeilijkste moment is, dat is het moment dat je alle bekende referentiekaders even opzij moet zetten en je jezelf moet openstellen voor een totaal nieuwe wereld, waarvan je nog niet weet wat je er allemaal kan verwachten. Soms is het beginnen in een nieuw boek een zwaar karwei, als er bijvoorbeeld heel veel personages en verwantschappen worden voorgesteld, of als er eerst met een grote omschrijving van bijvoorbeeld een landschap of stad wordt begonnen.
Liefst stap ik dadelijk in het verhaal, zonder te veel inleiding of uitputtende omschrijvingen. Omdat het begin van een boek voor mij het moeilijkste moment is in een boek, lees ik niet zo vaak kortverhalen. Dat klinkt een beetje lui. Terwijl het toch soms heel erg de moeite kan zijn.
Ook schrijvers van kortverhalen wil ik voorstellen. Deze auteur moet
inderdaad geen vreemde blijven hier en graag stel ik dit boek aan u voor. Ik
werd geraakt door zijn prachtige verhalen en zal er een paar onder de loep
leggen.
Het eerste verhaal 'Aantekeningen voor mijn biograaf' begint als volgt:
'Knoop allereerst twee dingen in uw oren: ik haat
artsen en ik ben mijn leven lang nooit lid van een praatgroep geweest.'
Ik kan de
schoonheid van het verhaal het best tot haar recht laten komen door te citeren:
'Een week geleden ben ik uit Baltimore vertrokken
met de gedachte mijn zoon Graham op te zoeken. Ik denk de laatste tijd veel aan
hem, aan de dagen die we in de schuur van het oude huis doorbrachten, aan het
feit dat ik in zijn aanwezigheid het ene idee na het andere kreeg (...)Maar
mijn testament is af, ik heb mijn patentrechten gelegateerd en maak nu alleen
een paar aantekeningen voor mijn biograaf, die ze over enkele decennia, als de
ware invloed van mijn werk duidelijk wordt, misschien nodig zal hebben om
bepaalde punten op te helderen. (...) Alle latere diagnoses - en neem
maar gerust van me aan dat er nogal wat zijn geweet - zijn het resultaat van
twee krachten, beide op hun eigen manier verderfelijk: (1) het streven van het
psychiatrisch establishment in de afgelopen eeuw om excentricitei als een
ziekte te beschouwen, en (2) het verlangen van verschillende gezinsleden uit
mijn verleden om me gezeglijk te maken en me zo mogelijk te immobiliseren.
(...) Het concept van het elektrische
broodmes is me ontstolen in een wegrestaurant in Chevy Chase, door een man die
verkleed was als rendier en van wie ik onmogelijk had kunnen weten dat hij in
dienst was van Westinghouse.
Als Frank
bij zijn zoon aankomt doet diens vriend Eric open: Zijn gezicht krijgt iets geduldigs en in zijn
glimlach begint het medeleven der onwetenden door te sijpelen: zielige ouwe
kerel die ziijn leven lang al geestelijke problemen heeft, de ene maand up, de
volgende maand down, een vent die hoogdravende ideeën spuit die als zand door
zijn vingers glippen, waarop ik altijd zeg: zoek jij de naam Frank Singer maar
eens op bij het octrooibureau.
Ik vraag om pen, papier en een
rekenmachine en begin een idee te schetsen dat me zojuist is ingevallen - ik
voel Grahams nabijheid nu al - voor een fiets die de energie die heuvelaf
gegenereerd wordt kan opslaan in een kleine batterij en deze naar behoefte via
een instrumentje op het stuur weer loslaat als je heuvelop rijdt - een
potentiële goudmijn, gezien het feit dat de bevolking vergrijst en dat mensen
steeds meer vrije tijd hebben ten gevolge van vervroegde pensionering. (...) Nu
Graham er is, raakt mijn idee in een stroomversnelling en terwijl hij een
douche neemt, pak ik mijn bagage uit, verschuif het meubilair van het tuinhuis
en prik mijn tekeningen aan de muur. Als ik in het huis terugkom, vraag ik Eric
of ik de telefoon mag gebruiken (...)en dan bel ik mijn advocaat, mijn
ingenieur, mijn modelbouwer, drie reclamebureaus waarvan ik de nummers in de
gele gids vind, de Amerikaanse Bond van Gepensioneerden - dat zal de
belangrijkste markt zijn - een oude studievriend van wie ik me herinner dat hij
me eens vertelde dat hij had meegereden in de Tour de France, omdat ik denk dat
hij wel een invalshoek naar de fietsenindustrie zal weten, de directeur van
mijn bank om over financiering te praten, het octrooibureau, het natuurkundelab
van Cal Tech, de vrouw die ik de week voor mijn vertrek uit Baltimore mee uit
eten heb genomen, en drie plaatselijke drankwinkels voordat ik er een vind die
bereid is een krat Dom Périgon te bezorgen.
'Ik heb een suite voor ons
genomen,' zeg ik, rammelend met de sleutels. Graham rolt met zijn ogen en balt
zijn vuisten. 'Pap!' Er klinkt wanhoop in zijn stem door. 'Wat!' 'Hou op! Hou
nou eens op! Je bent in de war. Waarom denk je dat Linda en Ernie je niet
willen zien, pappa, waarom denk je? Is dat zo verbazingwekkend? Ze kunnen dit
niet aan! Mamma kon het niet aan! Begrijp je dat niet? Het is egoïstisch
van je om niet naar de dokter te gaan!' schreeuwt
hij, terwijl hij met zijn vuisten op zijn dijen bonkt. 'Het is egoïstischom je medicijnen niet in te nemen. Egoïstisch!'
Dit verhaal over een manisch-depressieve vader die vervreemd is van zijn zoon
is heel treffend, heel realistisch beschreven, de auteur weet heel goed weet
waarover hij het heeft. Je kan de toenemende ontreddering bij de zoon voelen en
je krijgt een kijk op het uit zijn voegen barstende gezwollen zelfvertrouwen
van de vader.
Het is een pijnlijk relaas maar ik vind het heel goed geschreven.
Volgende verhaal dat ik hier voorstel is 'rouwproces' het derde verhaal in dit
boek dat 9 verhalen telt in 251 bladzijdes. Dat begint als volgt:
'Een jaar na de zelfmoord van mijn moeder verbrak ik
de belofte aan mezelf dat ik mijn vader niet lastig zou vallen met mijn eigen
zorgen. Ik vertelde hem hoe ongelukkig ik was op school, hoe eenzaam ik me
voelde.(...) De volgende middag (...) zag hij een stopbord over het hoofd.
(...) Volgens de politieagent die in tranen op de voordeur klopte, was mijn
vader bij de eerste daverende klap dood geweest. (...) Omdat ik nog maar
anderhalf jaar naar de middelbare school moest, besloten we dat ik tot mijn
eindexamen daar kon blijven en ze zorgde ervoor dat ik bij een buurvrouw mocht
gaan wonen. (...) De buurvrouw besteedde geen aandaccht aan mijn komen en gaan
en ik brach zo weinig mogelijk tijd in hun huis door.
Op handenarbeid op school stuit hij op Gramm Slater, een boze jongen met een
engelengezicht. Hij stak een kop boven de andere jongens uit, was
nu al net zo fors als mijn vader en zijn bovenarmen waren bedekt met een laag
goudblond haar.
(...) Ik gaf me over aan het lawaai en
keek naar Gramm op de kruk naast de mijne. Hij zat voorovergebogen. Door zijn
versleten katoenen T-shirt volgde ik de volmaakte boog van zijn ruggengraag. Ik
wilde dat hij naar me keek. Ik wilde dat hij me aanraakte. Het kon me niet
schelen hoe.
(...) Daarna begon Gramm me flikker te
noemen en me voor schut te zetten tegenover mijn klasgenoten, die ontzet waren
omdat hij zo kon doen tegen iemand van wie iedereen wist dat hij in één jaar
tijd zijn beide ouders hadverloren. (...) Toen ik langs hem liep om mijn glas
op het aanrecht te zetten, stak hij zijn voet uit en lichtte me beentje. Ik
sloeg met mijn schouder tegen de tegelvloer, het glas vloot uit mijn hand en
viel aan scherven bij de deur van de koelkast. (...)'Sta je niet op?' vroeg hij
sarcastisch, al begrijpend dat ik dat niet ging doen, dat hij me van de grond
zou moeten tiillen. Dat besef leek hem kwaad te maken. Hij bracht izjn been
naar achteren en schopte me tegen mijn dij. Ik slaakte een kreun van opluchting
toen de pijn langst mijn ruggengraat omhoogschoot. 'Daar, rotzak. Zo goed?'Hij
bracht zijn glas naar zijn mond zodat de onderkant van zijn T-shirt uit de band
van zijn spijkerborke schoof en ik zag een beetje lichtbruin haar rond zijn
navel. Ik wilde mijn tong eroverheen laten glijden. Met heel mijn hart. Hij
deed een stap naar voren en drukte de zool van zijn schoon zachtjes tegen mijn
wang. 'Ik kan je pletten als een insect,' zei hij. Hij was niet de meest
welbespraakte jongen die ik ooit had ontmoet. Hij was alleen degene wiens pijn
ik meer dan heerlijk vond. Ik stak mijn hand uit en greep zijn enkel maar hij
rukte zijn been meteen los, schopte me hard in mijn maag en ramde me tegen de
kastdeur.
Ditverhaal vond ik heel mooi omdat het schrijnend pijnlijk laat voelen hoe
een jongen met het massieve verlies van zijn beide ouders omgaat, niet bij
machte is zijn verdriet te uiten en zich daarom stort in een gewelddadige
relatie tot een medestudent.
Ook de andere verhalen gaan over moeilijke levenssituaties en hoe mensen zich
daaronder gedragen. Mensen laten zich niet hoofdzakelijk leiden door rationele
overwegingen maar veelal door al dan niet bewuste complexen, verborgen
kwetsuren en persoonlijke eigenaardigheden.
John Maxwell Coetzee,
geboren als John Michael Coetzee (Kaapstad, 9 februari 1940), is een
Zuid-Afrikaans schrijver.
Dit is een van de boeken (284 blz.) die ik koos omdat ik erover gelezen had in
recensies en artikelen in tijdschriften.
De korte inhoud deelt mee:
Toen hij
door de lucht vloog dacht hij nog direct weer op te kunnen staan, even diep
adem te halen, en dan weer door te fietsen. Maar nu zit hij thuis, een been tot
boven de knie geamputeerd. Met tegenzin probeert hij te wennen aan het idee dat
er nu dagelijks een verpleegster over de vloer komt. (...) Toen ontmoette hij Marijana, en zijn hart onderging een verandering. Zijn
hart is niet meer wat het was. Nu smacht het ernaar om Marijana te dienen,
Marijana en allen die bij haar horen. Zoals zij hem iets gegeven heeft, zo wil
zijn hart iets terugggeven. Het boek
begint al volgt:
De klap komt van rechts, hard en verrassend en pijnlijk, als een
stroomstoot, en tilt hem van de fiets. Ontspan!zegt hij tegen
zichzelf terwijl hij door de lucht vliegt (met het grootste gemak door de lucht
vliegt!) en hij voelt zijn ledematen inderdaad gehoorzaam verslappen.
Paul Rayment heeft
een verkeersongeluk, hij werd op zijn fiets door een auto aangereden. Als
gevolg daarvan wordt zijn rechterbeen geamputeerd. Paul is een eenzame zestigjarige man:
Hij is ooit getrouwd geweest, zeker; maar degene
met wie hij dat waagstuk heeft ondernomen maakt geen deel meer uit van zijn
leven. Paul ziet
zich voor een vreselijke toekomst geplaatst:
'Verzorging
van mijn been Hij gloeit van woede - zien ze dat dan niet? Je hebt me onder
narcose gebracht en mijn been afgehakt en in de afvalbak gegooid om het door
iemand in het vuur te laten gooien. Hoe kun je daar over de verzorging van mijn
been staan praten? Ze
praten over zijn toekomst, ze zeuren dat hij oefeningen moet doen die hem op de
toekomst zullen voorbereiden, ze pesten hem zijn bed uit; maar voor hem is er
geen toekomst, de deur naar de toekomst is dicht en op slot. Als er een manier
was om met een zuiver mentale handeling een eind aan je leven te maken zou hij
dat meteen doen, zonder verdere poespas. Slechtsnode
stemt Paul in met thuisverzorging. Hij zal tijd nodig hebben om zelfstandig te
leren worden met zijn prothese na de amputatie van zijn been. Hij huivert bij
de gedachte aan een bemoeial in zijn leven maar ziet in dat hij inderdaad een
tijdje hulp nodig zal hebben:
Als hij met de ambulance wordt thuisgebracht, staat Sheena hem al op te
wachten. (...) Ze heeft al een dagschema voor hen beiden opgesteld, met daarop
maaltijden, oefeningen en wat ze sv noemt, stompverzorging, dat ze boven zijn
hoofd op de muur plakt. (...)Hij heeft er een hekel aan om als een kind of een idioot
behandeld te worden, hij heeft een hekel aan het springerige, vrolijke
stemmetje dat ze voor hem opzetten. 'Hoe is het vandaag met ons?' vragen ze .
'Mooi zo,' zeggen ze vervolgens, zelfs wanneer hij niet de moeite heeft genomen
om antwoord te geven.
Detweede voltijdskandidate van mevrouw Putts heet Marijana.
Ze is van oorsprong Kroatisch, deelt ze hem tijdens het sollicitatiegesprek mee.
Ze heeft haar geboorteland twaalf jaar geleden verlaten. Haar opleiding heeft
ze in Duitsland gedaan, in Bielefeld,(...) Haar man werkt in een autoassemblagefabriek, ze wonen (...) een halfuur
rijden van de stad.
Marijana
heeft drie kinderen. Ze zal zes dagen op zeven voor Paul zorgen. Ze zal, naast
hem verzorgen, ook voor hem koken, huishoudelijk werk verrichten en
boodschappen doen.
Of de vrouw Marijana hem net zo goed bevalt als haar naam weet hij nog
niet. Objectief bezien is ze niet onaantrekkelijk. Maar in zijn gezelschap
lijkt ze over het vermogen te beschikken om iedere gedachte aan seks de kop in
te drukken.
Almet al [vindt
hij zichzelf] geen man voor hartstocht. Hij weet niet zeker of hij ooit van
hartstocht gehouden heeft, of het heeft goedgekeurd. Hartstocht: vreemd gebied;
een komische maar onvermijdelijke aandoening zoals de bof, die je hoopt te
krijgen als je nog jong bent, in een van zijn mildere, minder rampzalige
variëteiten, zodat je later niet een ernstiger vorm krijgt. Parende honden in
de greep van de hartstocht, ongelukkige grijns op hun snuit, tong uit de bek. Paul wordt
echter wel verliefd en raakt totaal in de ban van zijn verzorgster. Al gauw wil
hij niets anders dan zelf voor haar zorgen, voor haar kinderen en zelfs voor
haar man.
Hij is als een vrouw die
nooit kinderen heeft gekregen en nu ze daar te oud voor is plotseling en vurig
naar het moederschap verlangt. Vurig genoeg om het kind van een ander te
stelen: zo krankzinnig is het. In dit boek
doet ook Elizabeth Costello haar intrede, net zoals in meerdere boeken van
Coetzee.
Terwijl hij zit te dubben gaat de bel.(...) 'Meneer Rayment?' zegt de stem
op de intercom. 'Ik ben Elizabeth Costello. Kan ik u spreken?(...) ...een vrouw van in de zestig, zou hij zeggen, eerder achter dan voor in de
zestig, met een zijden bloemetjesjurk aan die van achteren diep is uitgesneden
en enigszins vlezige schouders vol onappetijtelijke sproeten onthult.(...)
'U bent tot me gekomen,'
zegt ze. 'In sommige opzichten heb ik geen zeggenschap over wat er tot me komt.
U kwam tot me samen met de bleke huid en de kromme rug en de krukken en de flat
waar u zich zo koppig aan vastklampt en de fotoverzameling en wat dies meer
zij. En ook samen met Miroslav Jokic, de Kroatische vluchteling - ja, zo heet
hij, Miroslav, zijn vrienden noemen hem Mel - en uw ontluikende gehechtheid aan
diens vrouw.'
'Er ontluikt helemaal niets.' 'Jawel. Tegen wie flapt u uw gevoelens eruit,
in plaats van ze voor u te houden, hoewel u geen idee heeft en u weet dat u er geen
idee van heeft wat de gevolgen zullen zijn?
Denk na, meneer Rayment. Bent u serieus van plan uw werkneemster ertoe te
verleiden om haar gezin in de steek te laten en bij u in te trekken? Denkt u
dat u haar gelukkig zult maken? Haar kinderen zullen boos en in de war zijn; ze
zullen niet meer met haar willen praten; ze zal de hele dag in uw bed liggen,
snikkend en ontroostbaar. Lijkt u dat leuk? Of heeft u andere plannen? Heeft u bedacht dat Mel de branding maar in moet lopen en verdwijnen, zodat
zijn vrouw en kinderen voor u zijn?' 'Onmogelijk
ben ik bang, Paul. Of u het nu leuk vindt of niet, ik blijf nog wel een
poosjebij u. Ik zal een modelgast zijn, dat beloof ik. (..) Ik zal u niet voor de voeten lopen. Eten doe ik nauwelijks. De meeste tijd
zult u niet eens merken dat ik er ben. Alleen een lichte hand op de schouders
af en toe, om u op het rechte pad te houden.' 'En waarom zou ik me dat laten
welgevallen? Stel da ik weiger?' 'U
zult ermee leren leven. U heeft er niets over te zeggen.'
Ze sproeit
haar wijsheden over hem heen:
'Weet u, je hebt mensen die ik chtonisch noem, degenen die stevig met hun
voeten in hun geboortegrond staan; en dan zijn er de vlinders, schepsels van
licht en lucht, tijdelijke bewoners die nu eens hier neerstrijken en dan weer
daar. U zegt een vlinder te zijn, u wilt een vlinder zijn; maar dan zult u op
een dag in een val geraken, een rampzalige val, en ter aarde storten; en als u
zichzelf bijeenraapt zult u merken dat u niet meer kunt vliegen als een
etherisch wezen, u kunt niet eens lopen, u bent alleen maar een te massieve
vleesklomp. Hierin schuilt ongetwijfeld een les, waarvoor u onmogelijk blind en
doof kunt zijn.' Liefde
is een fixatie. Voor hetzelfde geld zou je liefde een bliksemschicht kunnen
noemen die inslaat waar hij wil. (...)
Denkt u werkelijk dat liefde te meten valt? Denkt u dat liefde in een
bepaalde hoeveelheid komt, zoals bier? Dat zolang je er maar een krat van
meeneemt de andere partij met lege handen mag komen - met lege handen, een leeg
hart?
Onze
leugens zeggen net zoveel over ons als onze waarheden.
Denkt
u dat wat ik gezegd heb het ergste is dat over u gezegd kan worden - dat u zo
langzaam bent als een schildpad en op alle slakken zout legt? Het kan nog veel
erger, heus. Hoe noemen we het als iemand het ergste over ons weet, het ergste
en meest kwetsende, en daar niet mee naar buiten komt maar het juist onderdrukt
en tegen ons blijft glimlachen en grapjes maakt. Dat noemen we genegenheid.
Waar anders ter wereld zult u in dit late stadium genegenheid vinden, een
lelijke oude man als u? Paul glijdt
uit in de douche terwijl hij alleen in huis is. De
kranen zijn buiten zijn bereik. Hij kan hier gerust de hele nacht blijven
liggen zonder dat hij het risico loopt te worden uitgelachen; maar tegen
zonsopgang zal hij bevroren zijn. Hij
doet er een vol halfuur over om uit de gevangenis te ontsnappen die hij voor
zichzelf heeft gecreëerd. (...) Alle schaamte is inmiddels voorbij. Hij kruipt over de vloer naar de
telefoon:(...) 'Marijana, ik heb een ongelukje gehad. Het valt wel mee maar kun je nu
meteen komen?'(...) Onder
de goede zorgen van deze voortreffelijke verpleegster voelt hij het ijs in zijn
binnenste smelten. (...)
Ongetwijfeld
heeft de toekomst nog meer ongelukken in petto voor een invalide op leeftijd,
nog meer uitglijpartijen, nog meer vernederende telefoontjes om hulp. Maar wat
hij op dit moment nodig heeft is niet dat angstaanjagende en deprimerende
vooruitzicht, maar deze zachte, troostende en bij uitstek vrouwelijke
aanwezigheid. Kalm maar, kalm maar, het is allemaal voorbij: dat is wat hij
wil horen. En: ik zal bij je blijven terwijl je slaapt.
Paul analyseert zichzelf heel scherp en concludeert: Ik
mag dan labiel zijn, labiliteit is geen afwijking. We zouden allemaal wat
labieler moeten zijn, wij allemaal. Dat is mijn nieuwe, herziene mening. We
zouden onszelf wat vaker wakker moeten schudden. We zouden ons ook schrap
moeten zetten en een blik in de spiegel moeten werpen, ook al bevalt het ons
niet wat we daar zien. Ik heb het niet over de verwoesting die de tijd aanricht.
Ik heb het over het schepsel dat gevangen zit achter het glas, wiens
starende blik we gewoonlijk zo angstvallig vermijden. Aanschouw dit wezen dat
met mij eet, de nachten met mij doorbrengt, "ik" zegt namens mij! Ik
spreek Engels als een buitenlander omdat ik een buitenlander ben. Ik ben van
nature een buitenlander en ben mijn hele leven een buitenlander geweest.(...) Als er geen buitenlanders waren, waren er ook geen autochtonen. Het gezin
van Marijana doet Paul een ligfiets cadeau.
Een ligfiets. Hij heeft er nooit op een gereden, maar hij heeft instinctief
een hekel aan ligfietsen, zoals hij een hekel heeft aan protheses, zoals hij
een hekel heeft aan alle nep. (...) Niet enkel uren. Dagen, weken. Ze moeten er weken mee bezig zijn geweest,
vader, zoon, en moeder ook.(...) Natuurlijk zal hij er nooit gebruik van maken. (...) Een kinderwagen, daar heeft het nog het meeste van weg: een kinderwagen met
een grijze oude baby erin, mee uit genomen voor een ritje. Wat zullen de
omstanders glimlachen. Glimlachen en lachen en fluiten: Goed zo, opa! Maar
misschien is dat precies wat de Jokics hem willen leren: dat hij zijn
plechtstatige air moet laten varen en moet worden wat hij werkelijk is, een
lollige figuur, een oude baas met één been die als hij niet rond hopst op zijn
krukken over straat zwerft in zijn zelfgemaakte driewieler. Een plaatselijke
bezienswaardigheid, zo'n merkwaardig type dat het sociale bouwwerk kleur geeft.
Met deze
gedachte besluit ik de citaten uit dit dit boek.
Je krijgt
een helder zicht op het innerlijk leven van een oudere man die plots
afhankelijk wordt. Ik heb dit
boek graag gelezen en als het u aanspreekt zult u nog veel meer vinden van deze
hedendaagse schrijver.
Hoe best het fenomeen Amélie Nothomb (1967, België)
benaderen, omschrijven, bespreken? Wel, laat ik dat maar doen door haar boeken
aan u voor te stellen. Deze excentrieke, flamboyante, getalenteerde telg van
het Nothomb-geslacht vaart haar eigen koers en slaagt erin al zo'n twintig jaar
jaarlijks een boek(je) (het zijn steeds dunne boekjes, zo ook dit: 129 blz.)
uit te geven. Een keuze maken was niet zo eenvoudig.
Het thema van dit boek is de vriendschap tussen twee jongvolwassenen. De
achterflap meldt:
Wat
begint als een veelbelovende vriendschap tussen de timide, enigszins kleurloze
zestienjarige Blanche en de exuberante zelfbewuste Christa, verandert al gauw
in een uitputtende strijd waarin Christa vastbesloten lijkt Blanche te
vernederen en te domineren. Blanche wordt heen en weer geslingerd tussen
gevoelens van haat en bewondering, teleurstelling en minachting. De intrigante
Christa drijft zelfs een wig tussen Blanche en haar ouders. Op het dieptepunt
van haar ellende besluit de anders zo verlegen Blanche te handelen en haar
kwelgeest te overrompelen.
De boeken
van Amélie Nothomb handelen vaak over iemand die belaagd en gesard wordt door
een kwelgeest, in verschillende gedaanten: dat kan een buurman zijn, een
vriendin, een werkgever, een veeleisende moeder.
Deze keer begint het zo:
Op de
eerste dag zag ik haar glimlachen. Ik wist meteen dat ik haar graag wilde leren
kennen.
(...) Ik vervloekte mijn verlegenheid.(...) Ze is geïntegreerd, dacht ik. Dat woord had voor mij een immense betekenis. Zelf was ik nooit geïntegreerd geweest in wat dan ook. Voor mensen die dat
wel waren, koesterde ik een mengeling van minachting en afgunst.(...) Ik droomde ervan bij een groep te horen, al was het maar om me de weelde te
veroorloven er vervolgens uit te kunnen stappen.
Blanche is aanvankelijk verrukt over het feit dat dat populaire meisje met
haar wil optrekken, maar al gauw blijkt haar nieuwe vriendin te veranderen in
een kwelgeest. Deze keer verplicht zij Blanche om zich uit te kleden:
Ik was zestien. Ik bezat niets, materiële goederen noch geestelijk welzijn.
Ik had vriend noch vrijer en had nog niets meegemaakt. Ik had geen benul, ik
wist niet zeker of ik wel een ziel bezat. Mijn lichaam was alles wat ik had. Op
je zesde vind je het niet erg om je kleren uit de trekken. Op je
zesentwintigste is het al een oude gewoonte. Op je zestiende is het een helse beproeving.
Waarom verlang je dat van me, Christa? Weet je wat dit voor me betekent?
Zou je het vragen als je het wist? Of doe je dit juist omdat je het weet? Ik vraag me af waarom ik je gehoorzaam.
'Je zou je borsten moeten ontwikkelen', zei ze op professionele toon. 'Ik ben pas zestien', protesteerde ik. (...) 'Ik zal je een oefening tonen. Mijn zus zag er ook zo uit. Geloof me, na
een half jaar oefenen had ze een gedaanteverwisseling ondergaan. Vooruit, doe
zoals ik: een, twee, een, twee ...'
Sinds het begin van mijn puberteit vond ik mezelf lelijk. Ik constateerde
dat Christa's kritische blik de zaak nog verergerd had. Ik kon mezelf alleen
nog door haar ogen zien en kreeg last van zelfhaat.
In de spiegel zag ik mijn schouders en armen de houding aannemen die
Christa had aangeraden en de oefeningen doen die ze me had aanbevolen. De stem in mijn hoofd gilde:'Nee! Niet doen! Hou op!' Mijn lichaam ging slaafs door met turnen.
Niet alleen windt ze Blanche om haar vinger, hetzelfde gebeurt met Blanches
ouders. Haar ouders zijn gecharmeerd van Christa, die alle eigenschappen lijkt
te bezitten die hun dochter ontbeert:
Zodra mijn moeder de plaats van het offer binnenkwam, klonk Christa's
duivelse lach plots als de onschuld zelve - een spontane hilariteit, die even
gezond was als haar lichaam. Ze bleef staan en liep met uitgestoken hand op
mijn moeder af.'
'We stellen je voor om door de week hier bij ons te komen wonen. Je kunt op
Blanches kamer logeren. De weekends kun je dan thuis in Malmédy doorbrengen.'
(...) Ik hoorde het aan met de dood in het hart.
In afwachting van Christa's komst bezint Blanche zich over deze
stroomversnelling: zij zelf had Christa niet willen uitnodigen maar haar ouders
hadden dit al gedaan, en nu was er geen weg terug
In de nacht van dinsdag op woensdag genoot ik met een tragisch gevoel van
onbehagen van de eenzaamheid van mijn kamer. Inderdaad, het weinige dat een
mens meende te bezitten, kwam hem niet toe, of liever gezegd, de eigendom ervan
was zo precair dat hij er vroeg of laat van werd beroofd. Zelfs dat wat
verweesde jonge meisjes het dierbaarst is, de weelde van een eigen kamer, zou
me worden ontnomen.
Met mij had ze het beslist getroffen: dankzij mij was ze verzekerd van
inwoning, kost en bewassing, terwijl ze daar niets voor hoefde te doen, behalve
me belachelijk maken in het openbaar, wat evengoed haar belangen diende. Zo kwam ze zelf duidelijker naar voren als een bewonderenswaardige
jongedame, doortastend, ten koste van een naïeve, niet al te snuggere trut uit
een 'bevoorrecht' milieu (...)
Mijn ouders hadden geen belangstelling voor mij, want ze hadden voor
zichzelf al uitgemaakt wat voor iemand ik was: te braaf, niet levendig genoeg
enzovoort. Echte belangstelling is vrij van vooroordelen. Iemand met echte
interesse voor mijn persoon zou hebben gezien dat ik een kernreactor was, een
tot het uiterste gespannen boog, die smeekte om een pijl en een schietschijf en
erom schreeuwde deze felbegeerde voorwerpen te bemachtigen.
Ik herinnerde me plots de parabel van de verloren zoon: Christus wist al
dat ouders de voorkeur geven aan het kind dat zich heeft misdragen. Christa
wist dat natuurlijk des te beter. Misschien preekten Christus en Christa wel voor eigen parochie: die
verloren zoon, dat waren zij zelf.
En ik was het beklagenswaardige brave kind, dat niet zo slim is geweest om
met woelig gedrag, neiging tot weglopen, brutale opmerkingen en beledigingen te
laten merken dat het de liefde van vader en moeder ruimschoots verdient.
Toen ging me een licht op: 'Haar naam is niet Christa, maar Antichrista!'
Blanche tracht wanhopig om van haar kwelgeest verlost te geraken, maar ze
is volledig in haar ban:
Kennelijk had ik er niet meer zo'n zin in. Was ik zonder haar niet beter af dan met haar? Helaas, helemaal zeker was dat niet. Zonder haar was ik moederziel alleen.
'Genoeg
geleuterd, wat ben je toch lichtgeraakt! Ze heeft je een beetje geplaagd, nou
en? Als je meer ervaring had met vriendschap, dan zou je beseffen dat haar
manier van doen heel gewoon is. Je mag trouwens niet uit het oog verliezen dat zij je heeft meegenomen naar
dat feestje. Zonder haar zou je nooit de moed hebben gehad om erheen te gaan . En wat je daar overkomen is, vind je heel prettig. Het is waar dat ze een kreng is, maar ze leert je het leven kennen en dat
werd tijd ook, of je dat nou leuk vindt of niet.'
Eigenlijk gedroeg ze zich in mijn gezelschap als een echtgenote die zich na
een lang huwelijk niet meer geneert om in het bijzijn van haar man in een
groezelige ochtendjas rond te lopen, met krulspelden en een zuur gezicht,
terwijl ze haar fraaie krullen, flatteuze kleren en verleidelijke blikken voor
een ander bewaart. Bitter bedacht ik dat zo'n oude echtgenoot tenminste nog troost kon vinden
in zijn herinneringen aan de tijd dat zijn eega een bekoorlijke vrouw was, die
hem voor zich probeerde te winnen, terwijl Christa hooguit twee keer vluchtig
naar me had geglimlacht - waarom zou je je uitsloven voor een trut als ik?
Ik besloot voortaan vrienden te kiezen die even onbeduidend waren als ik. De muis knoopte een gesprek aan met de sardine. ' Hallo, Sabine. Heb jij toevallig de aantekeningen van het vorige college? Bij mij ontbreken er een paar dingen.' Het ondermaatse visje schrok zich wild en sperde haar ogen wijd open.
(...)Ze schudde als een bezetene van nee. (...) Met kieuwen die trilden van angst raapte het sardiente haar schamele
krachten bijeen en jammerde: 'Wat wil je van me? Laat me met rust.'
Want al had ik nog zo'n hekel aan haar, toch was ze een obsessie voor mij. Mijn hele wezen werd beheerst door haar aanwezigheid. Ik was nog erger dan mijn ouwelui: zij hadden zich tenminste laten inpakken
door iemand die ze aardig vonden.
Het verbaasde me niets dat haar bewering dat ze in een dorp woonde niet
klopte: ze hing van liegen en bedriegen aan elkaar en scheen het leuk te vinden
om mensen op het verkeerde been te zetten. Ik vroeg me af wat ze te verbergen had. Waarom wilde ze niet zeggen waar ze
woonde? Tenslotte
neemt het verhaal een horrorwending en verliest Blanche haar laatste
zelfcontrole:
Ik zag
haar geest op mij overgaan. Ik zag dat mijn armen zich zijwaarts uitstrekten zoals bij een kruisiging,
mijn ellebogen een scherpe hoek vormden en mijn handen met de palmen tegen
elkaar werden gedrukt, in een onvrijwillige gebedshouding. Als u de
bovenstaande sarcastische en satirische zoektocht naar vriendschap kunt smaken,
dan zult u nog veel meer lekkers vinden. Elk jaar namelijk zult u een nieuw
boek van onze Amélie vinden, en er zijn er al minstens twintig
verschenen!
Ik weet waarom gekooide vogels zingen (van Maya Angelou)
Mijn voornemen gestand doend om auteurs van over de hele wereld te
belichten, stel ik u vandaag Maya Angelou voor. Deze Afro-Amerikaanse grande dame
heeft heel veel geschreven, waarvan het overgrote deel autobiografisch is. Dit
boek geeft vorm aan haar autobiografie en was daarom specifiek interessant voor
mij; hier sprak tot mij een vrouw die mij haar leven wilde vertellen en ik ging
er bij zitten en luisterde aandachtig.
Gedurende 340 bladzijden voert zij je, zonder enig moment van verveling,
doorheen haar harde jeugd.
Het boek begint als het jonge meisje droomt over haar nieuwe jurk:
Ik zou er uitzien als een van die lieve
kleine, blanke meisjes die ieders droom waren van het goede in de wereld. (...)
en wanneer de mensen mij erin zagen, zouden ze naar me toe komen rennen en
zeggen: 'Marguerite, vergeef ons alsjeblieft, we wisten niet wie je was.' En ik
zou edelmoedig antwoorden: 'Nee, dat kon je ook niet weten. Natuurlijk vergeef
ik jullie.' Alleen al de gedachte
daaraan maakte dat ik dagenlang rondliep met engelenstof over mijn gezicht
gesprenkeld. Maar in de vroege ochtendzon van Pasen bleek de jurk een gewoon,
lelijk, vermaakt, ooit-paars-geweest afdankertje van een blanke vrouw te zijn.
De jonge Maya heeft een - wel vaker voorkomende - heimelijke wens om een
blank meisje te zijn:
Wat zouden ze opkijken als ik op een
dag uit mijn zwarte, lelijke droom ontwaakte en mijn echte haar, dat lang en
blond was, de plaats had ingenomen van de pluizige massa die ik van Momma niet
mocht ontkroezen. Ze zouden gehypnotiseerd worden door mijn lichtblauwe ogen
(...) Omdat ik eigenlijk blank was en omdat een gemene heks van een
stiefmoeder, die vanzelfsprekend jaloers was op mijn schoonheid, mij in een te
groot Negermeisje had veranderd met kroezend, zwart haar, brede voeten en een
gat tussen haar tanden waar een nr. 2-potlood in paste. Als opgroeien pijnlijk is voor een
Zwart meisje in het Zuiden, dan is het feit dat ze zich bewust is van haar
misplaatstheid als de roest op het scheermes dat haar op de keel wordt gezet. Het is een overbodige
belediging. Marguerite (drie jaar - Maya) en haar broer Bailey (vier jaar) Johnson
verhuisden van Californië naar Arkansas, na de scheiding van hun ouders. Ze
trekken er in bij de moeder van hun vader, Annie Henderson, die ze Momma
noemen.
Toen Maya (Marguerite) dertien was en Arkansas
voorgoed verliet, was ze het liefst in de winkel van Momma.
Maya observeert het leven rondom zich, en ontmoet meneer McElroy. 'Meneer McElroy lachte
nooit en glimlachte zelden, maar het strekte hem tot eer dat hij graag met oom
Willy j[dieinvalidewas] praatte. Hij
ging nooit naar de kerk, wat voor Baily en mij het bewijs was dat hij ook een
zeer moedig mens was. Wat zou het fantastisch zijn om later ook zo te zijn; op
het geloof neer te kunnen kijken, vooral als je naast een vrouw als Momma
woonde. Ik sloeg hem met
spanning gade, in de verwachting dat hij op ieder moment tot alles in staat
was. Nooit werd ik dit moe of werd ik door hem teleurgesteld of ongoocheld,
hoeewel ik nu, vanaf de hoge tak van mijn leeftijd omlaag kijkend, kan zien dat
hij een heel simpele, oninteressante man was die patentgeneesmiddelen en tonica
verkocht aan de minder wereldwijze mensen uit de plaatsen in de omgeving van de
metropool die Stamps was.
Baily was de meest verheven persoon in
mijn wereld. Het feit dat hij mijn broer was en dat ik geen zussen had met wie
ik hem moest delen, betekende zo'n groot geluk voor mij dat ik alleen daarom al
een christelijk leven wilde leiden om God te tonen hoe dankbaar ik was. Ik was
groot en schutterig, met spitse ellebogen, terwijl hij klein, gracieus en
soepel was.
We volgen Maya doorheen de turbulente jaren van haar jeugd en haar jongvolwassenheid. Ik vond het een mooi boek.
Een zeeman door de zee verstoten (van Yukio Mishima)
Ik wil boeken van over de hele wereld voorstellen. Vanaf de 19e eeuw tot
op heden. Ik zal dus zoeken naar auteurs van andere continenten en tijden.
Nu stel ik u de meermaals voor de Nobelprijs literatuur genomineerde Yukio
Mishima (14 januari 1925 - 25 november 1970) voor. Wie zich aan het oeuvre van
deze Japanse cultauteur waagt ontmoet volgende wederkerende thema's:
-homoseksualiteit (in een tijd die daarvoor nog lang niet rijp was)
- dweperij met de dood, en met zelfmoord in de vorm van Seppuku (traditionele
vorm van zelfmoord van de samoerai in Japan, met name door het opensnijden van
de buik
- aversie van het vrouwelijke
- aversie van vaderfiguren
- verheerlijking van de erezaak (welke die dan ook moge zijn) het tribale, en
de hoogedele strijd voor de eer
- aanbidding van het ultramannelijke (Hij huilde nooit, zelfs niet in zijn dromen, want hardheid was een
erezaak')
Ik kwam op dit boek door verwijzing van een kennis, die er enorm mee
dweepte. Mishima's literatuur lijkt bestemd voor een publiek van jonge dwepers,
al reken ik mezelf daar niet graag toe. Omdat zijn eigen schrijven zo overvol
dweperij zit kun je moeilijk neutraal blijven ten aanzien van zijn verheven
onderwerpen. Of je vindt zijn fascinatie voor Seppuku aantrekkelijk en
geweldig, of je vindt het weerzinwekkend. Ik neig eerder naar het tweede, al
vind ik dat er voldoende overblijft aan schrijfkunst en -talent om zijn boeken
wel te willen lezen. Het boek beslaat 172 blz, inclusief het nawoord.
Over de inhoud zegt de achterflap:
De moeder van de dertienjarige jongen
Noboru, een jonge weduwe die een boetiek drijft in Yokohama, krijgt een
verhouding met de stuurman Riuji. Aanvankelijk is Noburu vol bewondering voor
zijn aanstaande stiefvader, maar al spoedig blijkt zijn held een brave man te
zijn die het goed met hem meent, het prototype van de gehate huisvader. Hij
stelt Noburu teleur en zal daarvoor moeten boeten.
Noboru maakt deel uit van een jongensclubje, waar hij wanhopig graag zal
bewijzen dat hij een echte stoere jongen is:
... ging het katje van hand tot hand.
Noboru voelde het warme hart van het beestje kloppen tegen zijn blote, natte
borst. Het was alsof hij de schuur was binnengelopen met een klein stukje van
het diepe, gelukzalige wezen van de stralende zomerzon zelf. (...) Daar ligt
een blok hout. Daar kunnen we het tegenaan slaan (...)Hij voelde het door zijn
borst jagen als de ochtendbries: de wil om te doden. Hij had het gevoel alsof
zijn borstkas een droogrek was, van metalen buizen, waarop witte hemden in de
zon te drogen hingen. Weldra zouden de hemden gaan wapperen in de wind - en dan
zou hij doden en de eindeloze keten van verachtelijke, maatschappelijke taboes
verbreken.
Noboru pakte het
katje bij de nek en stond op. Het hing slap tussen zijn vingers. Hij
onderdrukte een opkomende gevoel van medelijden; als een verlicht raam, vanuit
een sneltrein gezien, lichtte het een ogenblik op in de verte en verdween toen
weer. Hij voelde zich opgelucht. De leider beweerde
altijd nadrukkelijk dat het daden als deze waren die de grote leegten in de
wereld moesten vullen. Aangezien niets anders daartoe in staat was, zei hij,
zou moord deze gapende leegten vullen, zoals een barst een spiegel vult. Op die
manier zouden ze werkelijke macht verkrijgen over het bestaan. Vastbesloten zwaaide
Noboru het katje hoog boven zijn hoofd en slingerde het met kracht tegen het
blok. Het warme, zachte ding vloog in een prachtige boog door de lucht. Maar
het gevoel van het zachte dons bleef hem tussen de vingers hangen.
De dertienjarige Noboru Kuroda bespiedt zijn moeder Fusako:
En de zwarte driehoek. Op de een of
andere manier had hij er geen goed zicht op en hij moest zijn ogen zo
verdraaien dat ze er pijn van deden. Hij probeerde in gedachten alle schunnige
woorden die hij kende, maar met woorden alleen kwam je niet door dit
struikgewas. Zijn vrienden hadden waarschijnlijk gelijk wanneer zij het een
armzalig, leegstaand huisje noemden. Hij vroeg zich af of dat iets te maken had
met de leegte van zijn eigen wereld.
Haar donkerblauwe
peignoir was opengevallen en liet het onderste deel van haar lichaam zien, dat
grotesk zwaar en dreigend leek. Hoog boven de geleidelijk toelopende romp was
haar gezicht, hijgend, bedroefd, ineens afschuwelijk oud, en bedekt met tranen.
Het schijnsel van de lamp tegen het verre plafond omkranste haar verwarde haren
en gaf haar de aanblik van een krankzinnige.
De observatie van het mannelijk lichaam ontlokt hem het volgende:
Toen staarde Noboru in verwondering
naar de trotse tempeltoren die door het zwarte haar onder de buik
triomfantelijk omhoogrees. (...) Het schijnsel van het maanlicht op de
achtergrond tekende een gouden lijn langs zijn schouders en toverde de ader die
uitstond in zijn nek tot goud. (...) Hij snakte naar adem, bezweet en in
vervoering. Overtuigd dat hij een verward kluwen draad zich had zien
ontwikkelen tot een heilig patroon: waarschijnlijk was hij er de dertienjarige
schepper van. Die zeeman is
geweldig! Hij was net een fantastisch beest dat zo uit de zee gekomen is,
doornat en wel.
De toekomstige stiefvader Ryuji Tsukazaki is een zeeman die zijn leven
evalueert:
Ik heb nooit veel bijzonders gedaan,
maar ik heb mezelf mijn leven lang gezien als de enige ware man. En als ik
gelijk heb, dan zal eens een heldere eenzame hoorn door de dageraad klinken, en
een donkere wolk met licht doorstraald zal omlaag strijken, en de dringende
stem van de roem zal uit de verte om mij roepen - en ik zal uit mijn bed moeten
springen en alleen verder gaan. Daarom ben ik nooit getrouwd. Ik heb gewacht en
gewacht, en nu ben ik al over de dertig.
Met een hart dat,
gekweld door de voortdurende strijd met de sombere deining van de oceaan en het
hemelse licht dat van de wolkenranden scheen -gestuit in zijn opwellingen, maar
dan weer stoutmoedig opnieuw beginnend - ,niet in staat was een onderscheid te
maken tussen de nobelste en de laagste gevoelens, stelde hij de zee
verantwoordelijk voor al zijn deugden en tekortkomingen. Ga je die verblindende
vrijheid opgeven?
Mishima's aversie tegen vaderfiguren weerklinkt onder meer door de mond
van de leider van het clubje waar Noboru deel van uitmaakt:
'Papa, heeft het leven enig doel? Je
snapt wel waar ik naartoe wou, wat ik eigenlijk bedoelde? Vader, kun je me ook
maar één reden geven, waarom jij doorgaat met leven. Zou het niet beter zijn om
maar zo vlug mogelijk te verdwijnen? Maar zo'n oerduidelijke insinuatie
bereikt zo'n man niet eens. Hij keek alleen maar verbaasd en zijn ogen puilden
uit en hij staarde me aan. Ik haat die bespottelijke verbazing van een
volwassene. En toen hij ten slotte antwoordde, wat denk je dat hij zei? 'M'n
jongen, niemand kan je een doel in het leven geven; je moet er een voor jezelf
weten te maken.' Wat vinden jullie van
zo'n stomme, afgezaagde moraal. Hij had maar even op een knop te drukken en wat
een vader hoort te zeggen, kwam er kant en klaar uit. En heb je wel eens op de
ogen van een vader gelet, op zo'n moment? Ze staan wantrouwend tegenover alles
wat creatief is en ze zijn er alleen maar op uit de wereld tot iets nietigs
terug te brengen, zodat ze het aankunnen. Een vader is een machine om de
werkelijkheid te comoufleren, een machine om leugens aan kinderen voor te
schotelen en dat is nog niet eens het ergste: diep in zichzelf geloof hij dat
hij de werkelijkheid is! Vaders zijn de
vliegen van deze wereld. Ze zoemen om ons hoofd, hun kans afwachtend, en als ze
iets rots in ons ontdekken, schieten ze daar op af en gaan erin wroeten.
Smerige, geile vliegen die aan de hele wereld rondbazuinen dat ze onze moeders
genaaid hebben. En er is niets wat ze zullen nalaten om onze vrijheid en onze
gaven te bederven.
Als dertienjarige was
Noburu overtuigd van zijn eigen genialiteit (...) en hij was er zeker van dat
het leven uit een paar eenvoudige tekenen en beslissingen bestond; dat de dood
wortel schoot op het moment van de geboorte en dat het enige wat een mens
verder te doen stond, was om die plant water te geven en te verzorgen. Dat
voortplanting nonsens was en dat, als gevolg daarvan, de maatschappij ook
nonsens was; dat vaders en leraren (...) schuldig waren aan een doodzonde. En
daarom was de dood van zijn eigen vader, toen hij acht was, een gelukkig toeval
geweest, iets om trots op te zijn. Moe van het wachten gleden zijn
gedachten af naar een dwaze fantasie. Zijn moeder was teruggekomen en ze gilde
hem toe: Het was een leugen. Het spijt me dat ik je zo voor de gek heb
gehouden. Wil je me vergeven? We gaan echt niet trouwen. Als we zoiets zouden
doen, zou de wereld in een chaos veranderen: tien tankers zouden in de haven
verzinken, en duizend treinen ontsporen; de ruiten van alle ramen in de stad
zouden aan splinters gaan, en alle beeldschone rozen zwart als roet worden.
Heroïek, poëzie en hooggestemde gevoelens zijn op elke bladzijde te
vinden. Soms prachtig en mooi en waarlijk dichterlijk, soms wat te nadrukkelijk
en obsessief:
Het is de zee die me ertoe gebracht
heeft heimelijk aan de liefde te gaan denken, meer dan aan wat ook; je weet
wel, een liefde die waard is om voor te sterven, een allesverterende liefde.
Voor een man die de hele tijd in een stalen schip is opgesloten, lijkt de zee
te veel op een vrouw. Haar stiltes en haar stormen, of haar grillen, of de
schoonheid van haar borst in het licht van de ondergaande zon.
(...) Hun lichamen klampten
zich aan elkaar vast en drongen tegen elkaar op met koortsachtige, plompe
bewegingen, zoals dieren in het woud zich verdringen tegenover de cirkel van
vuur die hen omsluit. Fusako's lippen werden weker. Op dat ogenblik was Ryuji
bereid gelukkig te sterven. Eerst toen de koele puntjes van hun neuzen elkaar
beroerden, besefte hij met een klein lachje dat ze twee afzonderlijke lichamen
waren.
(...) Noboru keek naar de
rails die verdwenen onder de torenhoge vracht; het gaf hem een gevoel van
vreugde, vermengd met lichte teleurstelling, aan het eind gekomen te zijn van
de droom die treinen nu eenmaal bij kinderen opwekken: het was alsof hij de
loop van een bekende rivier had gevolgd en nu haar kleine oorsprong had
ontdekt.
Fusako dacht erover
hem te zeggen hoe eenzaam ze zich zou voelen, maar besloot het niet te doen.
Zoals het witte vlees van een appel onmiddellijk verkleurt na de eerste beet,
was hun afscheid al drie dagen geleden begonnen.
(...) Zelfs de kleine
overweg zag er onecht uit; alsof hij bij een speelgoedtreintje hoorde. De
oorzaak van die onwezenlijke aanblik was de zee, want alles, de straten, de
gebouwen, zelfs de stenen in de muur, waren ervoor bestemd haar te dienen. De
zee had alles nietig en klein gemaakt en de pier had op zijn beurt zijn
werkelijk aanzien verloren en lag als in een droom verzonken. Noboru was verbluft.
Fusako zei niets, maar ze was als een fles, haar opgekropte gevoelens borrelend
tegen de kurk. Haar uitdrukking kon zowel vreugde als verdriet betekenen - het
verwrongen gezicht van een vrouw. Noboru vond dat ze eruitzag als een wasvrouw.
Noboru wist dat hij
zowel angst als medelijden inboezemde en het besef van zijn macht gaf hem een
brooddronken gevoel; toen hij de ijzige kilheid van zijn hart naar de
volwassenen keerde, speelde er een glimlachje om zijn mondhoeken. Het was
nauwelijks meer dan de schaduw van een glimlach, zoals op het gezicht van een
schooljongen die de klas in gaat zonder zijn les goed te kennen, maar met het
zelfvertrouwen van een man die van een rots afspringt.
Hij wachtte alleen
gespannen af tot waar die grote machine zou gaan die nu in beweging was gezet.
In dat donkere gat in de ladekast had hij op de uiterste grens van zijn wereld
gestaan; op de rand van de zeeën en de woestijnen. En omdat alles dáár zijn
oorsprong vond, omdat hij gestraft moest worden omdat hij dáár geweest was, kon
hij niet terug naar de lauwe steden van de mensheid, noch zijn gezicht neigen
naar hun met tranen bevochtigde grasvelden. Door de eed die hij gezworen had
aan dat prachtige hoogtepunt der mensheid, omhuld door het loeien van die
hoorn, gezworen aan die glanzende vertegenwoordigers van de alorde die hij die
zomernacht door het kijkgat had gezien, kon hij nooit meer terugkeren.
Het verhaal ontvouwt zich tot het onvermijdelijke, de ultieme
wraakactie: We moeten het verse
bloed van die zeeman aftappen en het verspreiden over het stervende heelal, de
stervende hemel, de stervende bossen en het uitgeputte, stervende land. De tijd is nu
gekomen.
Ten slotte vind ik dat de poëtische zeggingskracht het haalt op de
kleine ergernissen.
Je zou kunnen zeggen dat Mishima geen fictie kan schrijven omdat zijn
stokpaardjes er telkens opnieuw in bereden worden en zo duidelijk de
letterlijke - gezwollen en pathetische - weergave zijn van zijn persoonlijke
meningen en ideeën. Zijn zelfgekozen dood, al lang aangekondigd in zijn boeken,
bevestigt dit. Hij pleegde zelfmoord direct nadat hij zijn magnus opus, De zee van vruchtbaarheid, had voltooid - hij was toen 45 jaar.
Toch moet men ook zeggen dat hij wél kan schrijven, al is het dan geen fictie.
In zijn poëtische wereld is er geen plaats voor banaliteit. Ik vermoed dat zijn
boeken erg inspirerend kunnen zijn voor jonge mensen met een hang naar het
romantische verleden van Japan. Ik zelf heb zijn boeken, ook op latere
leeftijd, graag gelezen.
En nu iets totaal anders. Johannes Cornelis (Jan) Arends (Den Haag, 13
februari 1925-Amsterdam 21januari 1974) was een Nederlands schrijver, dichter
en literair vertaler.
Deze auteur kampte met zware psychische problemen en alcoholisme en vond hier
op subliem creatieve wijze een taal voor. Hij werd veelvuldig opgenomen in
psychiatrische klinieken en de verhalen lijken op waarachtige, autobiografische
anekdotes en meningen.
Jan Arends had een merkwaardige fascinatie voor vernedering en dan wel heel
specifiek de vernedering ondergaan als huisknecht bij rijke dames. Het is echt
een vreemd verschijnsel: Jan Arends die zich ootmoedig en dienstbaar
beschikbaar stelt als huisknecht voor dames die hem geen knip voor de neus
waard vinden. Hoe meer zij hem neerhalen en neerbuigend behandelen, des te
groter is de kick die hij daarin vindt. Vanaf het moment dat zo'n dame hem wél
goed behandelde, nam hij ontslag. Het tweede verhaal, Vrijgezel op kamers, is daar een prima voorbeeld van.
Dit boekje telt 166 bladzijden maar leent zich uitstekend tot herlezing. Het is
een verhalenbundel waarin vervreemding, vereenzaming, isolatie en het leven in
de eigen realiteit centraal staan. Dat klinkt allemaal niet vrolijk, en toch
laat Jan Arends af en toe een sardonische lach weerklinken doorheen zijn kortzinnige verhalen.
In dit boekje zijn dertien verhalen gebundeld. Ook de andere publicaties van
Jan Arends zijn korte verhalen. Het eerste verhaal, Keefman, is geschreven in
briefvorm en begint steeds met het ironische vriend als aanhef. Hij richt zich tot zijn
psychiater en voert een dialoog tegen het onbegrip. Hij doet zijn beklag over
zijn levensomstandigheden.
Verblijvend in een psychiatrische instelling geeft hij volgende situaties weer:
(vriend,...), varkensvreten, dat is het.
En dan al die oude vieze schooiers waar je mee aan tafel zit. Want jij zegt wel
dat zijn patiënten. Maar ik zeg dat zijn helemaal geen patiënten. Dat is tuig.
Weet je wat dat hier voor een huis is. Een huis voor asociale elementen. En
daar hoor ik niet in thuis. Alsof al dat vreten al niet smerig genoeg is. De een zit winden te
laten en de ander zit te kwijlen. Daar word je toch kotsmisselijk van.(...) Weet jij waarom ik
die broeder een opsodemieter heb gegeven? Jij zegt natuurlijk 'Keefman is
agressief. En stop hem maar in het buis als hij lastig wordt. Maar dat is het
juist. Al maanden willen zij mij in het buis. Weet jij dat ik hier een
rot-leven heb? Goed, iederen heeft hier een rot-leven. Want je wilt toch niet
zeggen dat de mensen hier geen rot-leven hebben in die vieze troep. Weet jij
dat mijn ingewanden bruin geworden zijn van de strontlucht die ik hier inadem.
Hij beklaagt zich over zijn achtergestelde positie, zijn gebrek aan
opleiding. Toch verkondigt hij tegelijk luidkeels het bestaan zijn
capaciteiten:
Wat heeft het genezen van mensen te
maken met een mulo-diploma of met de universiteit. Weet je wie een dokter was?
Jezus, die genas mensen. En die had helemaal geen geleerdheid nodig. Jezus
genas mensen omdat hij de goedheid in zich droeg. Dat is het wat bij jullie
ontbreekt. Maar een behoorlijk gehoorapparaat is
er niet bij. Omdat je de liefde niet hebt. Weet je waarom ik geen rapporten kan
schrijven? Omdat ik niet kan liplezen. Want ik had helemaal nooit naar de
achterlijke school gemoeten. Ik had naar een school gemoeten voor hardhorende
dan wel dove kinderen (...) Weet je wat ik ben?
Een koning. Maar dat weet jij niet dat ik een koning ben. Dat wil jij niet
weten. Niemand wil weten dat ik een koning ben. Maar iedereen heeft het altijd
geweten. Daarom moest ik naar die achterlijke school. Omdat ze mij de kroon van
het hoofd moesten stoten.
Het is een voortdurende strijd en ambiguïteit tussen opnames die
afgedwongen dan wel afgesmeekt zijn:
(vriend,...) Ik heb er toch niet om
gevraagd om hier in dit tuchthuis te mogen zitten. Ik heb er toch niet om
gevraagd om brood met stront te vreten. Ik heb niet op mijn knieën gesmeekt om
hier te mogen komen. Ik ben hier vanwege de overheid. Ik ben hier geplaatst op
gezag van hogerhand. Zonder dat ik het wilde. Met geweld ben ik hier
binnengebracht. (...) Of ik
gevaarlijk was. Omdat ik die huisbaas van mij een opsodemieter heb gegeven. Die
vent had ik hardstikke dood moeten slaan. Dat gefluister met dat wijf. Over
mij. Want je denkt misschien dat ik doof ben. Maar als er over mij gefluisterd
wordt hoor ik alles. Als ze over mij fluisteren dan schreeuwt het in mijn
hoofd.
En weet je wat het
is? Het zou zo veel beter voor mij zijn als ik gek was. Een mens moet toch iets
zijn. En zonder mulo-diploma moet je toch ook door de wereld. En als je gek
bent dan ben je wat. En als je gek bent dan ben je gek.(...) Van een gekkenhuis
kan je niet genezen net zomin als van de achterlijke school. Nou moet ik van
jou iedere dag de straat op om een kamer te zoeken. (...) Vriend, Nou heb jij
mij eruit gegooid. Nou loop ik op straat. Ik loop op straat. Ik loop de hele
dag in mijn zak naar mijn centen te voelen. Ik verrek van de honger.(...) Wie naakt geboren is
die krijgt nooit een pak dat hem past. Die zal altijd in de maling genomen
worden.(...) Maar ik ben nog nooit
zo naakt geweest vriend. Daarom heb ik schandaal gemaakt. Daarom ben ik midden
in de nacht naar dat vieze huis van jou gekomen om schandaal te maken. (...) Keefman gaat
aanbellen bij alle gekkenhuizen van de wereld midden in de nacht. Ik laat mij
nationaal voor gek zetten. Ik bijf net zolang bellen tot de muur van Gomorra
omvalt. (...) Vriend, Ik ben blij
dat je het goed vindt dat ik weer gek ben. Een mens moet per slot eten en
drinken.
Ten slotte zal ik nog enkele citaten geven uit het tweede verhaal, Vrijgezel op kamers, omdat ik geloof dat je in dit verhaal de auteur echt leert kennen, dat
hij je hier echt een kijk in zijn hoofd geeft:
Toen hij de volgende avond zijn kantoor
verliet, regende het. Hij had een drukke dag gehad en voelde zich gedeprimeerd.
(...) Het is belachelijk dat ik dit werk nog doe. Het brengt mij nergens.'
(...) Hij kocht een paar
broodjes in een eethuisje. (...) Ze doen geen moeite voor mij. Zelfs niet als
ik mijn geld kom besteden. Hij probeerde een gesprek met haar aan te knopen,
maar de vrouw weerde hem af, met vage antwoorden. Als er nog een andere vrouw
hier werkte, zouden ze samen om mij lachen wanneer ik wegging. Ze zouden zorgen
dat ik het merkte. Ze zouden elkaar aanstoten en opmerkingen maken die net vaag
genoeg waren om er niets van te kunnen zeggen, maar duidelijk genoeg om je te
kwetsen. Hij stond voor het
huis en wilde aanbellen. (...) De vrouw die opendeed was klein en mager. Haar
figuur onderstreepte het venijn op haar gezicht. Deed het beter uitkomen.
Stotterend deed hij het woord. Telkens een woord uitsprekend en het weer
terugnemend. Of ze een kamer vrij had. (...) De vrouw ging hem voor de gang in
tot aan de keuken die open stond. (...) Het kamertje was zo klein. Het was niet
groter dan een cel.(...) Er kon dus geen daglicht in doordringen. (...) Ze
noemde nu de prijs die onbeschaamd hoog was, maar hij was gelukkig dat alles
zo'n goed verloop had.(...) Het is prachtig dat
ik hier gekomen ben. Ik had nergens beter kunnen slagen, dacht hij.
Hij ging niet meer
naar zijn werk terug. Een paar dagen na het bezoek van de procuratiehouder
kreeg hij een brief thuis. Zijn ontslag en een wissel voor het salaris, dat hij
nog te goed had. Hij voelde zich tamelijk fit. (...) Hij vervuilde. De
haren onder zijn oksels waren door zweet en vuil samen gekoekt. Ze waren hard
en deden hem zeer.(...) Hij bleef nooit
langer dan een uur achtereen wakker. Telkens viel hij weer in slaap.(...) De volgende dag zette
zij een emmer in zijn kamer. Een oude vuile emmer. Hij kon er niet toe komen
het ding te gebruiken. Hij bleef gebruik maken van de wc. Tenslotte overwon hij
zijn afkeer. Ik wil u niet op de gang hebben. Het is geen gezicht voor de
andere mensen die hier wonen, als zij u daar zien.' 'Ze heeft gelijk ik ben
niet toonbaar meer.' (...) Toen viel hij, toen
hij een straat wilde oversteken. Een opgeschoten jongen hielp hem weer
overeind. (...)
Uit de verklaring van zijn toestand weerklinkt schrijnende eenzaamheid:
Ik had het anders kunnen doen. Als ik
mijn werk niet gelaten had. Ik zou in staat zijn er iets van te maken. Maar ik
wil het toch niet zo. Ik houd het niet vol. Als ik een baan heb ben ik onvrij.
Nergens kom je dan aan toe. Maar als ik gebleven was, had ik misschien later
kunnen veranderen. Interessanter werk misschien. Iets waarbij je moet reizen.
Ik moest met iemand kunnen praten. Het zou heel anders gaan.
Ten slotte escaleert de situatie in zijn pension. De hospita behandelt
hem steeds slechter en alles leidt naar het onvermijdelijke en onafwendbare
slot:
Als er een raam was zou ik mijn hoofd
op het kozijn laten rusten en het niet meer terugtrekken, als op het
schavot.(...) Toen ze voor zijn bed stond bukte zij zich. Met haar vlakke hand
sloeg ze hem in het gezicht. Direct daarop sloeg zij weer. Tegen zijn
schouders, omdat hij zijn hoofd had weggetrokken. Maar de derde keer sloeg zij
weer raak. 'Dat zal je leren. Dat zal je leren.'
Jan Arends schrijven gaat inhoudelijk, qua thematiek steeds over de
underdog, de kleine, getormenteerde, met psychische problemen kampende man in
een boosaardig omwereld, gebracht in eenstijl die zeer toegankelijk en direct is. Hij
schrijft rechtstreeks tot jou als lezer, althans zo voelde ik het aan. Er
zitten geen franjes aan zijn schrijfstijl maar wel een welbespraakte, eerlijke
trant die me overtuigden van de authenticiteit van deze marginale literaire
stem.
Zijn zelfmoord, door uit het raam te springen, past helaas helemaal in dit
plaatje.Voor zijn kleine oeuvre zou hij in 1973 de Multatuliprijs hebben
gekregen, maar door zijn zelfmoord is dit niet (meer) gebeurd.
Een dag uit het leven van Ivan Denisovitsj (van Alexander Solzjenitsyn)
De korte inhoud meldt:
In Een dag uit het leven van Ivan
Denisovitsj, dat in 1962 werd gepubliceerd (180 blz), beschrijft Solzjenitsyn
de ervaringen van de timmerman Ivan Denisovitsj, die ten onrechte veroordeeld
wordt tot een verblijf in een werkkamp in Siberië. Solzjenitsyn doet op
indringende wijze verslag van het dagelijks gevecht om in leven te blijven in
de Goelag. De auteur (1918) studeerde wis- en
natuurkunde, filosofie en literatuur. In 1970 ontving hij de Nobelprijs voor
literatuur en werd een van de bekendste dissidenten uit zijn land.
Sommigen onder u zullen de auteur kennen van zijn grote werk De Goelag-Archipel. Wie dit boek heeft doorwrocht komt tot het vermoeden dat de auteur een
verbitterd man is geworden. Niet dat dit vreemd is als een mens zoveel heeft
doorgemaakt. Hij is een soort klokkenluider die een grote aanklacht schreef
tegen het communisme.
Ik las het boek door verwijzing van een goede vriend, docent slavistiek.
Een dag uit het leven van Ivan
Denisovitsj is een heel donker en zwaar boek. Een
boek dat me met heel nare gevoelens achterliet, overpeinzend op welke wijze
mensen elkaar dood willen en kunnen martelen en treiteren en terroriseren.
Ik laat hier de eerste zinnen van het boek volgen, waarin de kampdiscipline
duidelijk wordt geïllustreerd:
Meestal werd om vijf uur in de ochtend
de reveille geslagen, te weten met een hamer op een stuk spoorwegrail dat naast
de blokhut van de kampcommandant hing. De stug afgebroken geluiden drongen
haast niet door de vensterruitjes waarop een vorstlaag van twee duim dikte lag,
en eindigden vrijwel zodra ze begonnen. Buiten was het ijskoud en de bewaker
had geen zin heel lang het bevel tot wakker worden af te hameren.
Hier, jongens, heerst de wet van de
taiga. Maar zelfs hier spelen sommigen het nog klaar te blijven leven. Weet je
wat voor lui er in het kamp onderdoor gaan? Dat zijn de kerels die de
etensrestjes van anderen oplikken, die nog geloven in de wetenschap van de
dokters en die hun kameraden verlinken.'
Niets is zo wrang als
het moment waarop je aantreedt voor het morgenappèl. In het donker, in de kou,
met van honger rammelende ingewanden, sta je daar met een dag van werken in het
vooruitzicht. Je tong is verlamd. Je hebt elk verlangen overboord gegooid om
tegen wie ook maar een woord te zeggen.
En de gevangenen, die
al rijen van vijf gevormd hadden, kwamen los van de grote troep en marcheerden
een stukje naar voren, zodat ze aan voor- en achterkant worden bekeken: vijf
koppen, vijf ruggen, tien poten. De koude is een belangrijke factor in het overleven in het kamp:
De gevangenen haastten zich bij het
knerpen van de sneeuw onder hun laarzen, ieder naar zijn eigen soort werk -
sommigen naar de schijthuizen, anderen naar de opslagplaatsen, weer anderen
naar het kantoor waar de pakjes werden afgegeven, anderen om een zak vol graan
bij de 'individuele keuken' af te geven. Ze hielden allemaal hun hoofd diep
tegen de borst of in hun hoog dichtgeknoopte jassen verstopt, en iedereen was
ijskoud tot op de botten, niet zozeer door de heersende kou als door het
vooruitzicht dat ze daarin een hele dag moesten verkeren.
De lucht was er zo
zwaar als in het badhuis; een golf van ijskoude tocht veegde door de open deur
mee naar binnen en vervloog weer in de damp van de waterdunne soep.
De temperatuur die dag was 27 graden onder nul. Tijdens het marcheren
was de gezichtslap van Sjoechov door zijn ademhaling drijfnat geworden. Hier en
daar had de vorst zich er meester van gemaakt en er een korstje ijs op gevormd.
Sjoechov schoof het vod van zijn gezicht tot in zijn nek en keerde zich met de
rug naar de windzijde.
Honger is echter het eeuwige monster dat moet bestreden worden, elke dag
opnieuw is het vechten om voldoende voedsel te krijgen:
Die ochtend - geluk
moet je hebben - stond er buiten de vreetzaal geen drukke troep, geen wachtende
rij. Als de donder naar binnen. In al zijn jachtende haast likte hij
toch met de lippen de suiker van het brood af, gaarde de korrels bijeen onder
zijn tong (...) en monsterde zijn broodportie, waarbij hij de homp op de hand
woog en haastig uitrekende of ze wel het voorgeschreven gewicht had - 550 gram. Derhalve trok hij, de
portie brood stijf in de hand geklemd, zijn voeten uit de vilten laarzen,
waarbij hij er windsels en lepel met handige beweging in liet zitten, hees zich
blootsvoets op zijn brits, peuterde het gat in zijn matras wat verder open en
verborg zijn half rantsoen in het zaagsel. Hij nam zijn muts af, haalde er
naald en draad uit (ook al terdege verstopt, want als ze je fouilleerden
tastten ze ook de mutsen af; eens had een cipier zijn vingers geprikt en in
zijn woede Sjoechovs schedel bijna ingeslagen.) (...) Dit was het ogenblik
dat volledige en bewuste attentie opeiste - je schepte een bovenlaagje van de
dunnne brij af die onder in het bakje lag, bracht die hap zorgzaam naar je mond
en ving hem daar met je tong op. (...) Sjoechov had zijn pap weggewerkt. Omdat
hij zijn maag twee porties beloofd had, was één niet voldoende om hem het zatte
gevoel te verlenen dat havermoutpap hem steeds placht te verschaffen. Hij liet
de hand in zijn binnenzak duiken, haalde uit de schone linnen lap de
niet-bevroren, halvemaanvormige broodkorst en veegde met uiterste
zorgvuldigheid alle restjes pap onder uit zijn bakje, met al wat er nog aan de
rand was blijven kleven. Toen hij alles bijeengeveegd had wat hij kon, likte
hij de broodkorst schoon. Daarna veegde hij het bakje nog eens met de korst
uit. Ten slotte was de bak zo schoon alsof ze afgewassen was, er zat alleen nog
een waasje over de binnenkant. Sjoechov reikte het bakje over zijn schouder
heen aan de ophaler en bleef zitten zonder zijn muts op te zetten. (...)
Dat leek rechtvaardig, gelijke porties
voor Jan en alleman. Dat is een soort zuinigheid die bereikt wordt ten koste
van onze magen. Maar een kampmaag kan tenslotte van alles verduwen. Zie maar
dat je je door deze dag heen moddert, dan kijken we morgen wel weer verder.
De kampdiscipline en de angst voor represailles overheersen het hele
doen en laten van de kampgevangenen:
Ze kenden de cellen, ze hadden ze zelf
opgetrokken: stenen muren, betonnen vloer, geen vensters, een kachel die alleen
maar brandde om het ijs aan de wand te laten smelten en waterplassen maakte op
de vloer. Je sliep op blote planken, en als je nog een paar tanden in je
kakement had overgehouden na al het tandgeklapper wat je daar deed, dan gaven
ze je 300 gr brood per dag en watersoep alleen op de derde, zesde en negende
dag. Tien dagen! Tien
dagen in de kampnor - als je dat tot de laatste seconde uithield - betekende
dat je gezondheid voor de rest van je bestaan finaal naar de knoppen was. Tbc
en de ziekenbarak, tot Magere Hein je kwam halen. En zij die vijftien
dagen kregen en die ten einde toe vermochten uit te zitten gingen meteen de
koele grafkuil in. Zolang je nog in de
barak mag blijven zitten - prijs God en hou je koest.
Over corruptie. Ivan moet nog twee jaren uitzitten. De mannen zoeken
naar overlevingsstrategieën. De manieren die er zijn om zijn leven in die tijd
aangenamer te maken kent hij wel, maar
Voor zoiets moest je in de omgang met
anderen glad en uitgeslapen zijn, ietwat brutaal in je optreden, en de knepen
kennen om hier en daar een handpalm in te vetten. En al reisde Sjoechov nu al
veertig jaar over Gods aardbodem, al had hij de helft van zijn tanden verloren
en al kreeg hij een kale kop, hij had nooit steekpenningen gegeven of
aangenomen, en in het kamp dat kunstje ook niet geleerd.
Dit spel werd iedere dag gespeeld: voor
ze ophielden met werken raapten de gevangenen stukjes afvalhout, stokken en
gebroken latwerk op, die ze met eindjes touw of afgesleten bandjes bijeen
sjorden, om ze op hun rug mee te nemen.
Met ironie wordt het leven in het strafkamp gerelativeerd:
Eén goede kant van het 'bijzondere
strafkamp' lag hierin dat je er van je hart geen moordkuil hoefde te maken; in
Oest-Izjma hoefde je maar te fluisteren dat er in de wereld buiten een tekort
bestond aan lucifers, en ze slingerden je de nor in en telden nog eens tien
jaar bij je straftijd. Maar hier kon je vanaf de hoogste brits uitschreeuwen
wat je maar wilde - de verlinkers hielden er hun mond over, de
veiligheidsbinken braken er zich het hoofd niet meer mee. (...) ... maar zelfs na
acht jaar strafkamp was hij nog geen hyena geworden; en hoe langer hij achter
het prikkeldraad zat, des te krachtiger beheerste hij zichzelf. Maar zijn ogen
kon hij toch niet goed beheersen. Zijn ogen, de haviksogen van een
kampgevangene, flitsten zijwaarts en vlogen inderhaast over de inhoud van
Tsezars pakjes, en al zaten de eetbare waren nog ingepakt en al waren enkele
zakjes nog dicht, zijn snelle blik en het speurtalent van zijn neus deelden hem
mee dat Tsezar worst, gecondenseerde melk, een dikke gerookte vis,
varkensreuzel, beschuit, theebiscuit, twee kilo suikerklontjes en nog iets
gekregen had dat het meeste weg had van boter, waarbij dan nog sigaretten en rooktabak
- en dat was niet eens alles.
Zelfs dankbaarheid is een menselijke emotie die Ivan nog kan ervaren,
uit het geloof tracht hij moed te putten:
Met het hoofd op het kussen, dat
opgestopt zat met houtspaanders, de voeten in de mouwen van zijn tuniek, de
overjas boven op de deken - en vervolgens: Lof en ere zij u, o Heer! We hebben
er weer een dag op zitten. Bedankt dat ik
vannacht niet in de lik hoef te zitten. Hier is het tenminste
nog uit te houden. Hier een fragment uit een gesprek met Aljosja, een medegevangene, over
religie en geloof:
Met de bijbel in zijn hand schoof hij
wat dichter naar Sjoechov toe, tot ze ongeveer kop aan kop lagen. 'De Heer
heeft ons opdracht gegeven om van alle wereldse en vergankelijke dingen alleen
te bidden om ons dagelijks brood.' Ons rantsoen bedoel je, wat?' vroeg
Sjoechov.(...) 'Ivan Denisytsj! Je mag niet bidden om pakjes of om een extra
portie watersoep, o nee. Dingen die in menselijke ogen grote betekenis hebben,
zijn in Gods ogen geen knip voor de neus waard. Wij moeten vragen om
geestelijke zaken: opdat de Heer onze harten zuiveren zal van het bezinksel van
de toorn.
Daarna zegt Ivan:
'Ik heb niets tegen God, begrijp me
goed. Ik geloof graag in hem. Maar ik geloof niet in de hemel en net zomin in
de hel. Waarom hou je ons voor zo oerstom dat je ons wilt volstoppen met je
sprookjes over hemel en hel? Dat bevalt me helemaal niet.' (...) Hoe hard je
ook bidt, je straftijd kun je er niet mee bekorten. Die moet je uitzitten tot
het bittere einde.' Hierop repliceert Aljosja vol afgrijzen:
'Waarom wil je vrij zijn? In de
vrijheid wordt je laatste korreltje geloof door onkruid versmoord. Je moest
juist jubelen van vreugde omdat je achter de tralies zit. Hier heb je tijd om
over je ziel na te denken. Zoals de apostel Paulus het gezegd heef: "Wat
doet gij dat gij weent en mijn hart week maakt? Want ik ben bereid niet alleen
gebonden te worden, maar ook te sterven voor de naam van de Here Jezus."
Het einde van het boek:
Sjoechov viel volmaakt tevreden in
slaap. Hij had die dag het ene buitenkansje na het andere gehad: ze hadden hem
niet in de petoet getrapt; ze hadden de ploeg niet naar die ijskoude
buitenkolonie gestuurd; hij had bij het middageten een extra bak havermout
weten te bemachtigen; de ploegbaas had het rapport over de gedane arbeid
geschreven; hij had een muur opgetrokken en hij had dat gedaan met machtig veel
genogen; hij dat dat brok hakmes in de barak weten te smokkelen; hij had 's
avonds iets weten los te krijgen van Tsezar; hij had die tabak kunnen kopen. En
hij was niet ziek geworden; hij was er fijn doorheen gerold. Er was weer een dag
om - volslagen wolkeloos,vrijwel fortuinlijk.
Zijn straftijd
bestond uit drieduizend zeshonderddrieënvijftig dagen zoals deze. Van het begin
tot het einde. Die drie extra dagen
had hij aan de schrikkeljaren te danken. De levensomstandigheden zijn zo gruwelijk dat de auteur hier misschien
met opzet enkele hoopvolle momenten in heeft verweven - misschien om de lezer
niet te ontmoedigen om verder te lezen? Waar is de wanhoop en de neiging om
alles op te geven die je in dergelijke omstandigheden zou verwachten? Het is
een haast heroïsch verhaal geworden van een man die in onmenselijke
omstandigheden uit de kleinste dingen tracht voldoening te putten. Zoals de
werkvreugde Zeer vreemd. Dat een man in die vreselijke omstandigheden, in die
moordende vrieskou, met eeuwige honger, toch enige werkvreugde kan ervaren, komt
mij haast onrealistisch over. Maar wie ben ik? Solzjenitsyn zal het wel beter
weten.
Dan volgt het nawoord dat, zoals gebruikelijk voor een nawoord, erg lovend is
over de auteur. Het hoofdpersonage krijgt hier de volgende eigenschappen
toebedeeld: opmerkzaam, alert,
schrander, nuchter, behendig, scherp, praktisch, ijverig, eerlijk,
lijdzaam,even ondernemend als ootmoedig, doortastend, illusieloos maar niet
cynisch, behulpzaam, bescheiden, betrouwbaar, menselijk We vernemen dat we in dit boek meegevoerd zijn naar zo'n ruim twintig stations, bij het passeren
waarvan steeds een nieuwe dimensie van het kampleven wordt geopenbaard.
Het nawoord eindigt aldus:
Naar het schijnt nam de hoofdredacteur
van Novy mir, Aleksandr Tvardovski, het manuscript (...) van een onbekende schrijver
mee naar bed. Maar na twee à drie bladzijden besloot hij voor zichzelf dat je
zoiets niet in bed kon lezen. Hij stond op en kleedde zich aan. Ik weet zeker
dat hij zijn zondagse pak heeft aangetrokken. Die nacht heeft hij niet meer
geslapen. Ik zou zeggen: Durf het aan, zie hoe dit boek u aangrijpt, en beleef mee
de ontberingen van Ivan. Ik kan niet anders dan geloven dat het goed is dat die
dingen die verborgen worden gehouden, wel boven komen. Net zoals we - helaas
ook veel te laat - in de toekomst vast en zeker de verhalen zullen horen over
het hedendaagse leven in bijvoorbeeld Noord-Korea.
Ik ben gefascineerd door
taal, en door de eindeloze kronkels die je erin kunt ontdekken. Als fascinatie
een werkwoord was, dan heette ik een taalfascist. Eindeloze
taalverdraaiingen komen voortdurend op mijn pad. Zo zie ik mijn kat van mij
weglopen en een vriend zegt: Ze heeft precies een pofbroek aan haar
achterpoten. Waarop ik antwoord: Ja, precies een profbroek.
Het zijn allemaal
flauwigheden die alleen worden gesmaakt door hen die ook door het taalvirus
zijn aangestoken.
Voorbeelden
van metathesis (plaatsverwisseling van twee letters)
schattenwijfjes - wattenschijfjes
dat zet geen doden aan de zeik - dat zet
geen zoden aan de dijk
mijnschacht - schijnmacht
wereldranglijst - wereldlangrijst
generaties lang - generatie slang
werkvrouw - wenkbrauw - wenkvrouw (kan ik me wel iets bij
voorstellen ) - werkbrauw(hierbij iets minder)
Ik verstond: Het
leger weigert ons stoelgang te geven. een
woonwagen - een ongewoonwagen
als beste bakker - asbeste bakker Ik zoek naar
het woord tintenkiller maar kan er niet op komen.
Tenslotte stoot ik uit :
Wel, een ruitenwisser!
Een zeeman die niet meer kan varen verklaart op het nieuws vol spijt:
Het komt door mijn knie
die zwaar gehavend is.
groeiland - gloeilamp
een duiker is gevallen - een duivel is gevallen
erotomanen - eretomaten
Er zal van de kant van de Christelijke vakbond De zalvende kant van de Christelijke vakbond Na zijn
muzikale loopbaan begint hij nu met een solo-carrière Na zijn muzikale loopbaan begint hij nu met een Zorro- carrière
Ik heb een
notitieboekje waarin ik de voor mij grappige, gevatte taalvondsten noteer. Ik
vergeet echter soms wel de bron ervan te vermelden. Alleen als het mijn eigen
taalkronkel is weet ik het nog. Van de onderstaande zinnen weet ik ook niet
waar zij vandaan komen.
De volgende zinnen vind
ik grappig omdat ze zo visueel zijn
Als de
ogen de vensters zijn van de ziel, dan zijn de vensters de wenkbrauwen van het
huis.
De grote neus van Zdena wierp zelfs vanuit de verte een schaduw op zijn
leven. Maar
het is een van de voordelen van het feit dat je dik bent dat je bij bijna elk
gezelschap past. Op een
middag hadden we dolle pret toen we hem in een teil zetten en hem zeiden dat
hij zichzelf aan de handvatten omhoog moest trekken. (George Orwell)
Met luifelende ogen
Als hij alleen is, 's nachts, ergens in de rafelranden van de stad waar hij
een plek heeft gevonden om ongelukkig te zijn.
... terwijl zij die tot voor kort gezag hadden, nu plotseling hun oren
lieten hangen naar het uitschot, er niet tegen ingingen en er soms mee
instemden.
Hij werd
er niet verder over doorgezaagd.
verlegen of kleppend als een wekker waarvan je de knop niet kan vinden.
Een oude
man in een hoekje die niets anders doet dan de bladzijden van zijn verliezen
doorbladeren.
In een breder perspectief is het verlies van een been niet meer dan een
repetitie voor het verlies van alles.
Hij zat zo stil dat het hem niet zou hebben verbaasd als er vogels op zijn
schouders waren neergestreken. Een
scheiding is als een amputatie; je overleeft het wel maar er is iets minder van
je over. Een
neuzenassociatie
Hij was
moddervet. En is gewoon overlangs gebarsten.
Tuut tuut!' loeide de ziekenwagen met het woord ambulance in spiegelbeeld,
zodat je je ondersteboven en binnenstebuiten moest keren om het te kunnen
lezen.
Hij leek
net een hoop bedorven vlees zoals hij daar zat.
En deze
vind ik práchtig:
Ik dacht al dat jullie
vandaag niet meer zouden komen, zei hij met aangename stem, en hij wiegde
vriendelijk heen en weer, trok met zijn schouders en liet zijn prachtige witte
tanden zien.
Dit
spontaan versje kwam uit de mond van een vriend: Mijn turnpantoffels zijn te klein ze knellen en doen pijn volgens 't metrum moet 't zo zijn
Mijn
eigen neologismen
- sterkzaamheid:
sterk zijn in het alleen aanpakken van de problemen
- idolatrine:
de idolatrie die dient als beerput voor al je geprojecteerde kwalijke
eigenschappen
- de
folterzaal: de moderne fitnesszaal
- Jij denkt
dat ik kwispelturig ben
- uniformeloosheid:
een grote hoeveelheid mensen die zich slordig, vormeloos en grijs kleden
- het struikelgewas:
nogal duidelijk, niet?
Taalspelletjes
Een soort
van taalspelletje dat ik wel eens pleeg te spelen is dat van het verplichte
begin. Ik zoek dan bijvoorbeeld alle woorden die beginnen met oor, of
met per, of met mis Urenlang zoek- en vondstplezier
gegarandeerd!
bloedbaan,
-doorlopen, -stelpend, -staal, -verdunner, -stolling, -worst, -verlies,
-verwant, -wei, -neus, -wraak, -dorstig, -vergieten, -bad, -afname,
-transfusie, -donor, -mooi, -armoede, -broeder, -serieus, -plaatjes, -vlek,
-rood, -smaak, -onderzoek, -analyse, -lijn, -vergiftiging, -pens, -test, -druk,
-circulatie, - groep, -geld, -diamant, -doping, -heet, -lichaampjes, -proef,
-spoor, -spiegel Het is
natuurlijk niet de bedoeling om het woordenboek erbij te nemen! Het leukste is
om dit spel met minstens twee personen te spelen, al kun je het ook alleen
spelen, wanneer je bijvoorbeeld in de wachtkamer van de tandarts zit.
Ieder zegt een woord dat
voldoet aan de eis (een bijkomende eis kan zijn dat het woord waarmee jij het
aanvult op zichzelf ook een zelfstandig naamwoord moet zijn). Zo ga je verder
tot er iemand niet meer kan, of een fout heeft gemaakt; en zo zie je wie het
meeste aanvulwoorden heeft gemaakt. Het woordenboek dient alleen ter staving
van een poging en achteraf kun je eventueel nog gaan opzoeken welke woorden je
nίét gevonden hebben Echt een Leuk Woordspel!
Je kunt het ook omgekeerd doen en de verplichte letters aan het eind van je
woord te zetten.