|
Geheel tegen mijn principes in ben ik onlangs toch nog eens te voet op
pad geweest in Merelbeke. Ik moest naar het ziekenfonds, kon het niet over mijn
hart krijgen om voor die enkele kilometers in mijn auto te stappen. Ik dus te
voet op weg. Mét neusmondmasker. Want dat is bij ons verplicht.
En ik heb in stilte nog maar eens ons gemeentebestuur, of ons
schepencollege, of wie het ook geweest is, vervloekt.
Niet alléén om de zinloosheid van de maatregel, want ik heb onderweg
amper enkele mensen ontmoet, en ben er telkens ruim anderhalve meter van weg
gebleven. Maar ook om het vergallen van mijn wandelplezier en het verpesten van
wat ik met een wandeling hoop te bereiken: een frisse neus halen. Nee, een "frisse neus" is er met een
neusmondmasker niet direct bij. Met die vervelende allergie waar ik nu al zowat
acht maanden mee geplaagd zit (of zou het een chronische vorm van Covid-19
zijn?), en waardoor ik de hele dag door met een loopneus geplaagd word, zou ik écht
wel baat gehad hebben bij een wandeling in de buitenlucht om mijn geteisterde
neus een beetje te laten zuiveren. Niet dus: de allergiedeeltjes werden door
mijn neusmondmasker efficiënt tegen gehouden, en ik heb ze gewoon opnieuw
ingeademd. Leve mijn neusmondmasker!
Van mijn hoop, lang geleden, dat deze corona-ellende ons misschien
toch iets positiefs zou brengen, in de vorm van een warme en begrijpende blik
bij de medemens die ik onderweg op mijn wandeling ontmoet, blijft ook helemaal
niets over. Die enkelingen die zich zonder mondmasker op de Merelbeekse straten
hadden gewaagd, liepen mij gehaast voorbij, met een schuldige en (vooral)
schichtige blik in de ogen, doodsbang dat ze alsnog zouden verklikt worden. (Want
ook dát lijkt te behoren tot "het nieuwe
normaal": de "burgerplicht" om "corona-misdadigers" aan te geven bij de
politie.) En bij de anderen, mét mondmasker, zou ik niet kunnen zeggen of die
misschien vriendelijk naar mij zouden geglimlacht hebben: dat stomme masker
verbergt de helft van ons gezicht. Wél zag ik ook in hun ogen diezelfde
onbegrijpende boosheid als in de mijne, en de vraag: "Waarom loop ik in godsnaam met dit idiote mondmasker rond?" Om mijn
medemens te beschermen tegen mijn virussen? Niet echt, hee, want ik heb
nauwelijks medemensen gezien, en dan nog allemaal vanop afstand. Om mezelf te
beschermen? Tegen wie? Nee, de enige reden waarom ik, en die anderen, een
mondmasker op hadden, was "omdat het moet".
Onze burgemeesters, die van Merelbeke, Melle, Oosterzele en Destelbergen,
hebben besloten dat het moet. Punt.
Waarom? Dat weten ze vermoedelijk zélf niet. Ze hebben alléén maar het
bewijs willen leveren van "doortastend
optreden". Zonder zich verder vragen te stellen over het nut van hun
richtlijn. (Of het zou moeten zijn dat de gemeentekas dringend moest gespijsd
worden met corona-boetes?)
Onze "leiders" beginnen meer
en meer "Trumpiaanse" trekjes te
vertonen: zich doortastend en
vastberaden tonen, en vooral niet te
veel nadenken. Overhaast en onbesuisd optreden, omdat ze dat met "sterk bestuur" verwarren. En zich al zeker
géén vragen stellen over de zin of onzin van wat ze verkondigen.
Ik wéét dat ik nu het risico loop beschuldigd te worden van antipolitiek,
maar het moet mij van het hart: "Een
bende knoeiers! Dat zijn onze politici. Zonder uitzondering."
Een bende knoeiers. Een beter woord kan ik niet verzinnen. Of anders
zou ik inspiratie moeten gaan zoeken bij Robert Long, in zijn "Beschaafde Tango".
Voor de liefhebbers van de verfijnde Nederlandse taal, dit is het:
|