DAG 13: Donderdag 10 mei 2018.
Onder mijn voeten: Orrouy – Lagny-le-Sec 34,6 kilometer
Ik mocht al wat langer uitslapen, mijn missie gisteren had ik waardig volbracht en ondanks heel veel pogingen om in dit gat van Pluto een internet verbinding met de buitenwereld op te zetten, besliste ik om 22.00 uur mijn inspanningen stop te zetten. De tekst was weg geraakt via een noodhulp (50 meter verderop hadden we een zeer zwak 2G GSM signaal, maar normaal gezien kan je daar alleen maar mee telefoneren en zeer lichte data gegevens mee versturen). Aan de Mairie was er een wifi signaal maar dat mocht ik van de burgemeester (jaja hijzelf) niet gebruiken uit redenen van “securisation”. We lagen vannacht onder de toren. In Herent is dat altijd een café geweest, hier was dat niet de meest ideale plaats om een deugddoend slaapje te placeren. Neen, Marie Roseke, niet in heel Frankrijk liggen de klokken stil na 22.00 uur. Heel de nacht door gaven ze om het halfuur niet éénmaal, maar tweemaal na elkaar met een tussenpauze van 60 seconden, het uur of het halfuur aan. Als je dat niet gewoon bent ga je het even gelijk aantal keren een 10 centimeter omhoog in je bed. Ik had deze nacht volgens mijn horloge al tien verdiepingen hoogtemeters gedaan…
Ik start dus om 7.30u en ga regelrecht op een prachtig bos af dat op een heuvel ligt. De paden zijn wonderbaarlijk mooi en de vogels fluiten alsof hun leven ervan af hangt. De aandachtige kijker en de persoon die de foto van de bosweg inzoemt zal zowaar een reetje (neen, niet een poep) herkennen dat centraal op de afbeelding naar mij kijkt. Door het afgaan van de flits verschiet het zich een sprong en weg was zij.
Ik denk dat er op heel de aardbol niet veel mensen zullen zijn die mijn staat van gelukkig zijn zullen benaderen. Dit is al 13 dagen een feest: la grande bouffe op fysiek, op mentaal en vooral op emotioneel vlak. Dit ding doen, dit kunnen doen, is een geschenk op zich zelf en al weet ik dat mooie liedjes niet blijven duren, ik wil van deze melodische zin zo graag een perpetuum mobilé maken. Vergeef mij als ik je jaloers maak, maar mijn kindjes zeiden ooit tegen mij dat ik niet altijd mocht liegen…
Bij het beklimmen van die heuvel begint het zweet mij weeral maar eens uit te breken. Zo vroeg op de morgen zijn die parasieten van zweetvliegen er ook weer bij. Je hebt nog andere vliegen, die afkomen op andere geuren (str…vliegen) maar die zijn het niet, ik gebruik nog steeds die vochtige doekjes en dat is op fecalisch gebied een openbaring. De zweetvliegen hunkeren in groepjes naar je zweetgeur en zijn daarbij niet beschaamd om rond je oren en neus te komen zoemen. Ze laten geen gelegenheid onbenut om voor je gezichtsveld de juiste weg te tonen die ze het liefst samen jou zouden bevliegen. Als je ademt met open mond, kan je er op aan dat er vlees bij de maaltijd is.
Ik wandel ongeveer anderhalf uur door dit prachtige bos en merk dat het weer bewolkt blijft met af en toe een ernstige opklaring. Ik ontmoet Walter in Versigny, waar ik een tussenstop organiseerde. Hierna is het nog een 10,5 kilometer wandelen tot in Lagny-le Sec.
Wanneer ik vertrek in Versigny kan ik het niet laten om met één hand door de omheiningsdraad een gewaagde foto te maken van de tuin van le Chateau de Versigny. Alles erop en eraan, boomgaard, zwemvijver, park en groot terras.
Verderop maak ik nog een mooi prentje van een spitsige kerktoren die als het ware midden in de velden is ingeplant. Heel raar is dat, in het midden van de velden. Wanneer ik mij al enige tijd afvraag waar al dat motorgeronk in de lucht vandaan blijft komen, krijg ik het antwoord op een zilver schoteltje. Ik schuifel voorbij een lokaal vliegveld waar enige piloten blijkbaar leren te landen en onmiddellijk een doorvlucht nemen. Wanneer ik aan de startbaan voorbij kom langs de grote baan kan ik ze haast uit de hemel plukken. In Lagny-le-Sec staat de trouwe torenwachter nog net niet met de lans in de rechter hand trouw en geduldig op mij te wachten. Hij vergast mij op zo een deugddoende meloen, dat het sap naast mijn lippen naar beneden druipt. Geen mens die weet heeft waar deze druppels zullen eindigen. Ik doe mijn wasje, ik doe mijn plasje, strijk de haartjes nog wat schoon, ververs mijn kleren en dan komt de aperitief à la France: ik offer van mijn rekening un petit jaune voor Walter, maar hij verkiest eerder een blauwe Chimay.
Wat vonden wij samen het berichtje van Pierre en Jette zo fantastisch lief. Ze willen Walter voordragen voor een ster van de Michelin omwille van zijn asperges à la Flamande. Een heel goed initiatief, maar wachten tot eind juni, want anders ben ik mijn chef kok kwijt. Tof dat jullie via de foto’s ook zo goed de reis kunnen volgen.
Mag ik u nog gauw tussen de regels vermelden dat op zendingen zonder vermelding van de afzender ik echt niet kan reageren.
Vanavond maakt de Walter Meusentreut een bordje van gebakken aardappeltjes in look en kruiden boter, met boontjes en hamburgers van de koe.
Morgen is er een rustig dagje naar ik vermoed want op het huidige ogenblik zit ik zo al maar even 35 kilometer voor op het geplande schema. Ge moet niet vragen hoe graag ik dat vrouwtje zie…Tot morgen.
Achter mijn handen:
WORMENSOEP
Ik kwam langs bij een vrouw die nog zeer goed te been was maar onlangs een nieuwe protheseknie had laten plaatsen. Ze vulde haar normale dagen met tuinieren, puzzelen, lezen en koken. Zij was een 75 jaar en erg alert en open van geest. Een vrouw van de wereld. Het was winter en bar koud. De patiënte had zich naast haar fornuis neergezet waar een groentesoep zachtjes stond te koken. Het rook er verleidelijk en het speeksel kwam juist niet uit mijn mond. Natuurlijk maakte ik een opmerking over J. haar kookkwaliteit en het geluk dat ze via haar kooktalent het beste van zichzelf kon geven. Waar ik heimelijk op gehoopt had, voltrok zich. Er werd mij een bol soep aangeboden. Een mens zou voor minder zijn zinnen verliezen. Ik en soep, dat is zoals een voordeur en de deurbel. Ze horen dus samen.
Ik kreeg een dampende kop soep aangeboden. Hoe meer ik lepelde hoe meer druppels er aan het neusfront verschenen. Naargelang ik dieper naar de bodem schraapte met de lepel, hoe donkerder de kleur van het soepwater bleek. Tot bij de voorlaatste dosis lepelvocht de ware toedracht van dit raadsel zich voor mijn ogen ontrafelde. In de bodembocht van de soepbol lag zowaar een dode aardworm opgerold, nog steeds in wat soepvocht. Gekookt en wel. Een walging trachtte zich meester te maken van mijn voorraad emoties. Maar ik behield de koele beheersing. Ik pakte de tas op en zei tegen J. heel flegmatisch dat ik nog niet vaak zo’n lekkere soep had gegeten en dat ik mijn afwas wel zou doen. Ik kieperde de worm en het klein beetje restsoep in de keukenvuilnisbak, zonder me maar enige zorg te maken over “het” selecteren of selectief gedrag. Wat ik had gegeten was erg lekker, maar de bodem van de beker was er net iets te veel aan.
|