DAG 1: Zaterdag 28 april 2018.
Onder mijn voeten: Herent Waver (28,6 km)
Om kwart na acht komt ons Joke de keuken binnen en is verwonderd dat ik nog zo rustig een kop koffie zit te drinken. We vertrekken om 08.30 aan het gemeentehuis, zegt ze. Ik dacht dat jij hier ongeduldig zat te ijsberen. Waarom zou ik dat dan wel doen?
Ik haast mij in mijn stapschoenen en zelfs 5 minuten te vroeg zijn we op de parking achter het gemeentehuis. Mijn verbazing was groot wanneer ik daar een aantal mensen zie staan die mij een goede reis komen wensen. Mario wilde een paar fotos nemen en ook Herman Bellemans was er om me een goede reis te wensen. Mariakke van Dré herinnerde mij er ook aan dat ik heelhuids moest terugkeren. Geen probleem zei ik
Cecile was er haar echtgenoot Erik komen droppen, want die gaat mee wandelen tot in Waver. Zo ook Pierre, Gudy en Hans en ons Joke. Andre, mijn buurman van in de Wittevrouwestraat wandelde mee tot in Sint Joris Weert. Jette, de vrouw van Pierre, José alsook Johan 2 en Marie Therese wandelden mee tot in Korbeek-Dijle en gingen daarna samen de bloempjes eens deftig buiten zetten in de Saint Jean aan de Zoete waters.
Het ging van Herent naar het Mollekensveld, en via de wandelweg naast de E-40 naar de Tervuursesteenweg richting Egenhoven. Vandaar via het Dijlepad langs Korbeek-Dijle naar de Dode Beemden in Neerijse. Ottenburg werd doorkruist en dan werd Waver bereikt. Het weer was ons zeer gunstig gezind. Buiten een heel miniem zeverbuitje en wat geprevel mochten we niet klagen over nattigheid. Over ons eigen transpiratievocht niet gesproken, natuurlijk. Onderweg trakteerden de oevers van de Dijle ons op een verstoorde buizerd. Hij verliet zijn observatiepost omdat onze aanwezigheid hem duidelijk stoorde. De door een bever half afgeknabbelde boom die tergend dreigend zou gaan breken. Ook de dode adder die op voetweg in stukjes was gereden hebben we nauwkeurig bestudeerd. In Nethen hebben we gegeten. Vijf van de groep langs de Nederlandstalige kant van de taalgrens, ikzelf gezeten op een brughoofd langs de Franstalige zijde. Het was in Ottenburg dat we een tijdlang wandelden over vlonders. Dit zijn houten planken die een twintigtal centimeter boven de grond worden bevestigd zodat wandelaars eenvoudig en gemakkelijk met droge voeten over een drassig gebied kunnen wandelen.
Ondertussen kreeg ik van Timo Gielis en Jan Van Hemelrijck het heuglijke nieuws binnen dat mijn tekst van de praktijkverhalen 100% verbeterd is en klaar is om bij de blog mee te sturen. Ik dank beide heren nog eens speciaal om hun genereuze geste, want fouten schrijven is geen kunst, maar ze verbeteren, daarvoor moet je wel uit speciaal hout gesneden zijn. Dank Jan en Timo voor zoveel moeite en werk.
Waver werd bereikt rond 14.30 uur en vermits de trein naar Leuven toch pas een uur later vertrok, zijn we met ons zessen in La vielle Liege (een moef kot) de dorstige kelen gaan lessen met één van de stevige nationale biertjes van enkele graden meer dan het normale. Morgen met volle moed van Waver naar Kasteelbrakel. Daar doet Walter als trouwe vazal zijn intrede en komt hij mij vergezellen in Braine Chateaux. Ik doe u het relaas.
Achter mijn handen: DE NET NIET HETE TAS KOFFIE OP EEN KOUDE WINTERDAG
Putje winter was het. Februari 1979. De huisbezoeken regen zich als de bolletjes van een paternoster in een groot lint doorheen mijn praktijkdag. Geen mens die zich durfde wagen op de openbare weg omwille van het gladde wegdek en de bijtende kou. Dus wordt de revalidatiespecialist gevraagd om toch maar zelf naar de patiënt te komen. Ik weet nog dat de motor van mijn wagen gans die dag tijdens de huisbezoeken niet werd stilgelegd, want opnieuw starten in de vrieskou was Russische roulette. Doet hij het of doet hij het niet. Ik speelde die hele dag op zekerheid en liet de motor toertjes maken op ralenti.
Ludovica liet mij binnen en observeerde heel vluchtig mijn verkilde lichaamstaal. Ik kon het echt niet verbergen dat mijn handen en pootjes koud verstijfd de oorzaak waren van mijn oncomfortabel gevoel. Dat had de mevrouw ook snel gezien.
De koffiepot zoals wij die vandaag al lang niet meer kennen, stond met het droog katoenen beursje te sus-zingen op de kolenkachel. Er was toen nog lang geen sprake van een automatisch koffiezetapparaat, Senseo koffie, laat staan espressomachine. Hier stond de gewoon groen geëmailleerde koffiepot op de stoof. Een ganse voormiddag bleef hij boven op de roodgloeiende vuurhaard van de feu-continu staan. Er was ook de daaraan onafscheidelijk geassocieerde melodie van het zacht sissende deuntje van de opgewarmde, juist niet kokende koffie.
Nu komt de clou: de mevrouw stelde mij voor om toch eerst van haar opgewarmde koffie te gebruiken zodat ik wat kleur zou krijgen. Een grote kop werd uit de keukenkast naar de voorste plaats gebracht. Met een dikke keukenhandschoen werd de pot vastgegrepen bij het krommend handvat en hevelde de mevrouw het zwarte vocht zeer handig over naar de tas.
Dampen als van een chemische reactie afkomstig, vullen de ruimte boven de tafel als een mist die zich over een veenlandschap openvouwt. Enigszins verbaasd en zonder zich tot mij te richten, vraagt de vrouw zich af of deze koffie niet te heet zou zijn voor consumptie.
Ze neemt met beide handen (waarvan eentje nog steeds omzwachteld met de beschermende handschoen) de kom volop rond vast en slurpt even van het hete brouwsel. Nadat deze slok naar binnen gewerkt is, wordt de hete kom terug op de tafel geplaatst en meldt het dametje fier en voldaan: Neen, net niet te heet, ge kunt er van drinken.
Ik heb die tas leeggedronken, want goed bedoelde acties wil ik kaderen in hun juiste context, hoe verkeerd het signaal ook moge geweest zijn
de geste van warme koffie aan te bieden was zo lief en warm menselijk bedoeld. Geen haar op mijn toen nog weelderige haarbos, dacht eraan om aan deze mevrouw haar goede bedoeling te twijfelen.
Trouwens de koffie was heus niet zo slecht.
|