Donderdag 20-1-11, we maakten ons op voor het vertrek van Bluff naar Stewart Island, het diepste zuiden van New Zealand en het derde grootse eiland van het land, zo een 33 kilometer van Bluff. We namen de reeds geboekte ferry om de Stait of Favaux over te steken. Normaal een woelig stukje zee met gevaarlijke stromingen. De dag voordien zagen we enkele boten binnenlopen tijdens zware zee en hoopten vandaag op beter weer
De kapitein ontnam ons deze hoop en zei dat de eerste ferry niet was vertrokken wegens te woelige zee, maar dat hij het wel zou proberen. Naar zijn zeggen zou het er bumpy aan toe gaan.
Nog geen kwartier verder en de helft van de passagiers waren zwaar zeeziek, incluis Lies. Op sommige momenten verdween de boot volledig in de golven en zagen we aan weerszijden van de boot alleen nog hoge watergolven. Het bootje hield stand ( een catamaran voor een vijftigtal personen), maar meerdere magen werden leeggespogen in de voorziene kartonnen zakjes

Een uur later kwamen we goed en wel( ?) aan in Oban , de hoofdstad van Stewart Island. Het was dik bewolkt, 8° en hevige wind.
We boekten onmiddellijk onze track in het bureel van de DOC (Department of Conservation) en vertrokken voor de eerste dag naar North Arm Hut, een track door dichte bossen alwaar we de wind niet meer gewaar werden.


Na een mooie berg-en boswandeling en 2 kilometer ploeteren door de modder kwamen we aan in de hut. In de hut maakten we kennis met twee uitgehongerde Duitsers en konden het niet laten om ons avondeten met hen te delen, toch een mooie geste naar onze oosterburen, niet?
Na een goede nachtrust, gingen we de volgende dag verder naar de Port William hut dat aan de kust gelegen is. Een lange en lastige trek. Tijdens die track konden we nog restanten zien van stoommachines. Deze deden in een vroeger leven dienst als hefbomen om treintjes te vertrekken over de steile hellingen en de gevelde bomen naar de havens moesten brengen. Ongelooflijk hoe ze het vroeger klaarspeelden om die zware toestellen zo ver in de broesse te krijgen.

Aangekomen in de hut, zouden we nog eens een poging wagen om een Kiwi te spotten . We kregen een uitvoerige uitleg van de Hutranger over waar, hoe en wanneer. Bij valavond op pad gewapend met een zaklamp en camera, gingen we op zoek naar de mascotte van New Zealand. Na twee uur rondlopen, kwamen we terug zonder een Kiwi, wel werden we verrast door een nieuwsgierige Opossum, dé vijand van de Kiwi. Rangers krijgen de opdracht alle knaagdieren en poezen te verdelgen omdat het naar zeggen Killing Machines zijn. Eerder die avond, liep een jong poesje rond de hut en kon Lies het niet laten om het poeslieve diertje wat te eten te geven. Dit was tot ergernis van de Ranger, die het eten afpakte en de poes probeerde te vangen (wat haar niet lukte).
Na teleurgesteld in bed te zijn gekropen, konden we weeral van een goede nachtrust genieten. Twee dagen zonder snurkers in de buurt, al beweert Lies dat ik wel snurkte
We begonnen aan onze laatste dag van de track, staalblauwe hemel en een lekker zomerse temperatuur. We liepen weeral eens langs droomstranden, al lag er wel veel losgerukt zeewier langs de waterkant door de voorbije stormdagen.

Op Maoribeach vonden we allerlei tropische schelpen zoals we ze bij ons kunnen kopen in de souvenierwinkel. De St-Jacobsschelpen liggen er gewoon voor het rapen en ze zijn nog gevuld ook.



Aangekomen op ons eindpunt, Oban, MOEST Lies gewoon wat schelpdieren kunnen eten en speelde ze zes oesters naar binnen voor ik één slok aan mijn pint kon doen.
Om zes uur namen we de boot terug naar Bluff. De zee was kalm en dus een zachte overtocht, deze keer zonder volgespogen spuugzakjes

|