Categorie:4.4 Aranzazu - San Andres (Tierradentro)
Op zoek naar vergeving van onze zonden bij de maagd maria
Na de koude dagen hoog in de bergentrokken we door richting San Andres (Tierradentro)
een van de bekendste archeaologische sites van Colombia. Om daar te geraken
maakten we eerst een tussenstop in La Plata en Aranzazu. Het eerste was een
gewone stad (waar we onze creativiteit uitleefde door het stikken van twee
nieuwe rokken voor onszelf), het tweede een minidorpje(gehucht) waar blijkbaar
de maagd Maria ooit verschenen was (wat is dat toch met die maagd hier??).
Omdat we natuurlijk niet naar Tierradentro konden gaan zonder dat gezien te
hebben besloten we daar een nachtje te blijven. Omdat het dorpje zo fantastisch
was werden dat algauw drie dagen die we doorbrachten met praten met de lokale
bevolking (blijkbaar waren wij de eerste buitenlanders die daar ooit verbleven
hebben), volleybalmatchkes spelen, kippen plukken, met de kinderen spelen en
lesgeven in armbandjes maken.De tijd
die we daar doorbrachten was echt fantastisch, zelfs zo goed dat we besloten
hebben om binnen een paar weken terug te keren, maar daarover later meer.
Met veel moeite trokken we ons los van ons geliefd dorpje en
haar inwoners en trokken we dan toch voort naar San Andres. In een hallucinant
prachtige omgeving kon je daar allerlei graftombes terugvinden (wel honderden!)
die jammer genoeg grotendeels vernietigd zijn door de kolonisten.Omdat er nooit genoeg geld is vrijgemaakt om
de graven te onderzoeken weet niemand exact van welke tijd deze afstamden noch wat
de geschilderde tekens betekenden die verrassendgoed bewaard zijn gebleven.
De doden werden eerst in een put gedaan en nadat het lichaam
ontbonden was werden de overschotten verplaatst naar een soort kamer in de
grond waar een hele familie begraven werd. Naargelang je rijkdom werd je
begraven in een beschilderde grot of urne (voor de rijken) in een lege grot met
een put in de grond (voor de armen).
Na Tieradentro trokken we door naar de volgende
archeaologische site, San Agustin, waar we nu dus beland zijn.
Na enkele daagjes luieren in Popayan vertrokken we naar het
nationale natuurpark Puracé. We werden ergens afgezet in the middle of nowhere
waar het enkele graadjes kouder bleek te zijn dan in Popayan. Blijkbaar zaten
we ook al op zo´n 3300 meter hoogte en het is nog altijd het regenseizoen hier
in Colombia. We kwamen iemand tegen die ons zei dat we naar boven moesten
wandelen om aan de ingang van het park te komen en hij zei ons dat het niet
zoveraf was. Net voor we rechtsomkeer wilden maken om beneden, in de bewoonde
wereld, iets te gaan zoeken, zagen we huisjes staan. Zoals we vaak
tegenstrijdige informatie kregen in Mexico,zijn het hier eerder detijds- en afstandsberekeningen die een beetje
onderschat worden. Na dus meer dan een halfuur te stijgen in een niet al te
aangename lichte motregen konden we ons gaan verwarmen aan het houtvuur in het
goed gevulde salon. Er bleek die avond een groep van zo´n 30 tal cyclisten te
verblijven. Na enkele shotjes rum waren we opgewarmd en klaar om de koude nacht
te trotseren, dicht tegen elkaar aanliggend natuurlijk.
De volgende ochtend
stonden we vroeg op om de vulkaan te beklimmen. Een klim die ons tot een hoogte
van ongeveer 4600 meter zou brengen. Aangezien we niet echt uitgerust zijn voor
koude en natte omgevingen konden we enkele zaken lenen van de parkwachter.
Freeke leende een kw-achtig iets (wat toch al een iets betere bescherming gaf
dan haar plastieke poncho) en kreeg een paar niet-waterdichte handschoenen mee.
Nanna besloot dat de leren (eveneens niet-waterdichte) schoenen van de
parkwachter een betere optie waren dan haar open sandalen, ook al waren de
schoenen 2 maten te groot. Volledig ingeduffeld vertrokken een kleine hel
tegemoet.
Na een goed uurtje waren we beide al sompend aan het wandelen met
doorweekte kousen en koude voeten. Het regende nog niet en was niet al te koud dus
wij trokken moedig verder. Hoe hoger we kwamen, hoe meer wind er opstak. Dan
werd het koude harde wind met regen, om nadien over te gaan in een wind die je
bijna van de berg zou blazen. Toen we een rots tegenkwamen waarop stond dat het
nog 1000meter verder was tot aan de krater besloten we rechtsomkeer te maken.
Volledig verkleumd met gevoelloze handen en voeten, allebei denkend dat we het
nog nooit ZO koud hadden gehad en dat we nooit meer opgewarmd gingen geraken,
begonnen we naar beneden te strompelen. Het nooit meer opgewarmd geraken was
slechts een klein beetje overdreven. Het leek of het houtvuur bijna geen warmte
afgaf, maar waarschijnlijk zal het tekort aan een glaasje rum om ons op te
warmen het verschil hebben gemaakt.
Nog steeds een beetje rillend vertrokken we
de volgende ochtend naar de warme thermalen. Dit was ongelooflijk en eigenlijk
onbeschrijflijk mooi. We zullen de foto´s dan ook voor zichzelf laten spreken,
alhoewel dat een foto nooit alles kan weergeven, maar toch
Aangekomen in Buenaventura besloten we direct door te
trekken naar San Cipriano, een heel klein dorpje op een half uurtje afstand van
daar. San Cipriano is een dorpje dat volledig in het teken staat van toeristen
(restaurants en cabañas was het enige dat je daar zag) maar omwille van het
transport alleen al wel een bezoekje waard. Om in het dorpje te geraken moet je
een treinspoor volgen. Aangezien er al lang geen trein meer rijdt hebben de
bewoners een eigen treintje uitgevonden. Een brommer die met zijn voorwiel
vastgezet is op eenhouten platform
waarop bankjes en tafeltjes geplaatst zijn. Als de brommer rijdt duwt hij op
die manier het platform vooruit en dan maar sjezen op het treinspoor. Een
pretparkattractie is er niets tegen!
Na San Cipriano vereerden we Silvia met een bezoekje. Silvia
was vooral bekend voor zijn markt waar de indigenos in traditionele kledij hun
groenten en fruit komen verkopen. Behalve indien traditionele kledij jeans en
T-shirten zijn hebben we er toch niet veel gezien op de markt. Het dorpje was
wel heel gezellig en je kon er prachtige wandelingen maken in de bergen.
Twee dagen later trokken we naar Popayan, de witte
stad.Op zich wel een leuke stad vooral
bekend om zijn uitkijkpunt, een heuvel met standbeeld van waarop je een
prachtig uitzicht hebt op de stad en de omringende bergen. Maar aangezien we
een kamer hadden met TV hebben we Popayan vooral bezocht in het niet misse
gezelschap van Dr.House, de voltallige crew van E.R, Mc dreamy, en ja hoor
zelfs Beverly Hills 90210.
Onze allerlaatste stop bracht ons in Bahia Solano, een klein
dorpje waar buiten een beetje poolen en een ijsje eten niet veel te beleven
viel.Jammer genoeg bleek dit dorpje
onze thuis te moeten worden voor een volledige week aangezien de volgende boot richting
Buenaventura nog even op zich liet wachten. Gewapend met onze kaarten,
dobbelstenen (om yahtzee te spelen), koordjes (knopen knopen knopen) trokken we
naar het plaatselijke ijssalon/ comidas rapidas, om de komende dagen door te
komen.
De week duurde lang, heel lang, en net twee dagen voor de
boot zou vertrekken liepen we een paar mensen tegen het lijf die ons spraken
over een dorpje op 20 km afstand lag van waar wij ons zaten te vervelen,
enwaar je blijkbaar veel meer kon doen
dan in Bahia. Niet volledig overtuigd besloten we het er toch maar op te wagen
en zo trokken we een dag later te voet richting El Valle
El Valle bleek een paradijs te zijn..Vloekend omwille van
alle tijd die we hadden verspild met wachten terwijl we evengoed hier hadden
kunnen zijn om watervallen te bezoeken, wandelingen te maken, te surfen, enz.
Besloten we om na 1 week wachten op een boot toch maar nog een weekje langer te
blijven en 2 boten later te nemen Typisch, dat wel, maar wel een heel wijze
beslissing Aldus brachten we de volgende week door met surfen, een onbewoond
eiland bezoeken en verse vis eten (barracuda door Nanna-zelf gevangen), enz.
De avonden in El Valle stonden in het teken van el bundé,
een groepje van 3 muzikanten (trompet en percussie) die 10 dagen lang elke
avond door de stad trekken om de maagd Maria te vieren. De lokale bevolking
volgt el bundé door de hele stad en danst op een niet zo maagdelijke manier
op hun muziek. Elke avond trekt de bundé een beetje verder en zo komt het dat
hij op de laatste avond gewoon de hele nacht doorgaat en de rivier oversteekt
in bootjes. Dit feest hebben wij jammer genoeg moeten missen omdat het voor ons
na twee weken in Bahia Solano/El Valle echt wel tijd werd om verder te trekken.
Aldus geschiedde en na een boottocht van 24 u, die voor
Nanna een hel waren aangezien ze in het begin dankzij de hulp van een van de
passagiers haar vingers tussen de schuifdeur van het toilet had gestoken (nu
drie weken later zijn de littekens nog zichtbaar, zowel fysisch als mentaal J).
Na ons uitstapje in de natuur keerden we terug naar Antigua om onze grote doorreis voor te bereiden. We waren van plan om in 2 á 3 weken tot Colombia af te zakken, dit was dus de grootste afstand van de reis tot hiertoe die we gingen overbruggen in een korte tijd (voor onze maatstaf een héél korte tijd!). Uiteindelijk zaten we na een lange chickenbus-rit (een oude Amerikaanse schoolbus waar de bankjes zelfs voor de kleine Guatemalteken te dicht bij elkaar staan) en 1 dag later in Nicaragua. Hier kregen we de optie om direct door te reizen (op een normale bus waar je knieën niet tot achter je oren moet optrekken om te zitten) tot in Panama City. We waren hier niet op voorzien en hadden dan ook niet genoeg geld op zak. Omdat we langs een bank gingen rijden bedachten we dat het oké was om mee te gaan, zelfs zonder genoeg geld op zak om het ticket volledig te kunnen betalen. Door onze halve slaapkop zijn we er in deze bank in geslaagd onze VISA te blokkeren en zaten we dus op een busrit (die we nog maar voor de helft hadden betaald) richting Panama zonder genoeg geld om de grensovergangen te betalen. Uiteindelijk is het een eind goed al goed verhaal, maar als Freeke niet al haar overtuigingskracht had bovengehaald in de 8ste bank die we onderweg tegen kwamen hadden we nu ergens weet ik veel waar gezeten.
Eenmaal in Panama City bleek dat we zelfs nog niet halverwege zaten van onze lange tocht. De grensovergang naar Colombia bleek een duur en lastig grapje te zijn. Aangezien de route over het land een overlevingkans van 40 % heeft is het veiliger te kiezen tussen een dure vlucht of een nog duurdere zeilboot. Omdat wij natuurlijk liever speciaal doen besloten we om in de haven te gaan rondhangen (tot groot plezier van de havenarbeiders) om te zoeken naar een goedkope boot. Natuurlijk hadden we prijs, voor bijna geen geld konden we mee met een vracht- passagiersschip dat de volgende avond al ging vertrekken. Enkele dagen later lagen we in ons kleine kajuitje te schommelen richting Jaqué, een laatste dorpje voordat je de grens naar Colombia over vaart. De dag nadien ontdekten we wat het is om landziek te zijn, niet zo leuk dus.
Tijdens de tocht van de laatste week hebben we de definitie van het woord `geduld´moeten aanpassen. Hoe vaak een boot enkele uren tot enkele dagen later vertrekt kunnen we niet meer optellen, maar toch blijven we er de humor van inzien.
Ondertussen zijn we gestrand in Bahia Solano, de allerlaatste tussenstop, waar we al enkele dagen aan het wachten zijn op de komst van de boot. Stilletjes aan vragen we het ons echt wel af: geraken ze er of geraken ze er niet?
Na twee weekjes tot ons positieven komen in Antigua (je mag al dat reizen echt niet onderschatten hoor, moe dat je daar van wordt) vonden we dat het tijd was om nog eens terug de natuur in te trekken. Samen met Marine vertrokken we naar Lago De Atitlan, één van de mooiste meren ter wereld, of toch op zijn minst van Guatemala. Het panorama aan het immense meer was inderdaad adembenemend, vooral door de omringende vulkanen, inactieve weliswaar! Natuurlijk moesten wij één van deze vulkanen beklimmen, een geniaal idee dat ik (Nanna) mij heel de weg heb beklaagd. Uiteindelijk, voornamelijk door de aanmoedingen van Freeke, ben ik boven geraakt, het uitzicht over het meer was fantastisch en al de pijn wel waard (maar niet zo waard om het de dag nadien nog is over te doen..). Die pijn in onze kuiten, bovenbenen,knieën, keel (van al dat zagen), werd heel erg verzacht door de herontmoeting met onze vrienden Ludo, Angelique, Dustin en Jeff. Dat de reizigerswereld een heel klein wereldje is hadden we lang geleden al ontdekt, maar dat iedereen hetzelfde hotel binnenwandelt in een stad (lees dorp) met minstens 15 hotels mag je toch wel een sterk toeval noemen. Onze familie was herenigd en zo kwam het dat we nog enkele toffe dagen en gezellige (kaart)avonden doorbrachten aan ons meer.
Antigua, de vroegere hoofdstad van
Guatemala, bleek een mooi en kleurrijk stadje te zijn. Ieder huis heeft een
eigen kleurtje, dit kleurrijk beeld wordt af en toe vervangen door de ruine van
een oude kerk of een gemeentehuis. De vele aardbevingen hebben hun spoor
nagelaten in de vorm van mooie bezienswaardigheden die het stadje een apart
charme geven. Niet ver (maar nog net ver genoeg) kon je een actieve vulkaan
bekimmen en marshmellows roosteren boven de lava. Dit uitstapje was het vroege
uur om uit je bed te kruipen toch echt wel waard. We hadden nooit gedacht dat
we ooit zo dicht bij een stromende lava-brij zouden staan en geloof ons dat je
een sauna van 80 graden een lachertje vindt wanneer je op nog geen 2 meter van
de lava staat. Rondom ons zagen we mensen snel wegklimmen omdat de zolen van hun
schoenen aan het smelten waren.
We vonden na een aantal dagen een leuk,
klein en goedkoop appartementje waar we ons konden installeren. Voor mij
(Nanna) was het dus tijd om Spaanse les te gaan volgen. Na de gevaarlijke
appelsienen en de ontelbare keren dat ik heb gevraagd of ik nu al iemand moest
slaan na een busrit (slaan is pegar en betalen pagar, slechts een klein
verschil, maar ja). Vreemd eigenlijk dat ze ons nooit aan de kant van de weg
hebben laten staan na zo een vraag. Samen met Marin ging ik dus een week lang
elke dag op pad met een schriftje onder onze arm.
Spannende verhalen over appelsienen en ondergrondse rivieren.
Op aanraden van een Hollands koppel dat we
leerden kennen in Caye Caulker gingen we na El Paraiso naar Semuc Champey, iets
wat zoveel betekent als rivier onder de grond. Uiteindelijk bleek dit een
gigantsch park te zijn waar boven de grond een redelijk rustige rivier stroomt
en waar je in de verschillende natuurlijke baden kon zwemmen. Je kon verderop
ook gaan kijken waar de rivier onder grond gaat, en laten we maar zeggen dat je
daar best niet invalt zoveel natuurgeweld hadden we niet direct verwacht op een
plaats waar we nog maar net 10 meter verderop hadden pootjegebaad.
Verder had je ook de mogelijkheid om naar
boven te klimmen om te genieten van het uitzicht over de hele rivier. Wij
natuurlijk naar boven, hoewel de klim eerder lastig was (en dan spreek ik in euforismen)
bleek deze de moeite meer dan waard te zijn. Het uitzicht waarop wij
getrakteerd werden was onbeschrijflijk mooi, en ik ga hier dus ook niet
proberen om het te doen maar hopelijk kunnen onze fotos jullie wel een idee
geven.
Na Semuc Champey gingen we naar Lanquin,
een dorpje op ongeveer een uurtje afstand, dat vooral bekend is om zijn
vleermuizengrot. Volgens onze bronnen kan je daar om half 7 s avonds miljoenen
vleermuizen de grot zien uitvliegen. Jaja, dachten we bij onszelf, miljoenen
vleermuizen, goed geprobeerd. Onze nieuwsgierigheid was echter wel gewekt en
dus moesten we deze toch ook eens met onze eigen ogen zien en tellen. Onze bron
had blijkbaar toch niet gelogen en om half 7 zagen we effectief miljoenen (alle
ja toch zeker duizenden) vleermuizen naast ons hoofd naar buiten vliegen om op
jacht te gaan. Een heel vreemde, indrukwekkende ervaring. Blijkbaar komen rond
8 uur de grootste vleermuizen naar buiten, je weet wel, deze die bloed zuigen.
We besloten toch maar niet te wachten op die gezellige beestjes.
Buiten vleermuizen hadden we ook het geluk
een gigantische spin te ontmoeten in de grot (echt waar, dat beest had poten
van wel 15 centimeter, echt echt waar). Toch een beetje ongerust wouden we
achteraf eens informeren of die eigenlijk gevaarlijk waren en aldus Nanna in
haar beste Nannaspaans ¿son muy peligrosos las naranjas en la cueva?, iets
wat zoveel betekent als: zijn die appelsienen in de grot eigenlijk gevaarlijk?
Tijd voor Spaanse les dachten we dus, en geen betere plaats om dat te doen dan
in Antigua waar we tevens hadden afgesproken met onze Franse vrienden Ludo en
Marin.
Teruggekomen in El remate namen we afscheid
van Tomas en Bart en trokken we verder naar Rio Dulce, bekend om zijn kasteel
en uitstapjes die je kan doen naar Livingstone. Wij deden natuurlijk geen van
deze dingen en trokken al snel verder naar Agua caliente in een dorpje met
alweer de naam El paraiso. We werden op de weg naar onze camping geassisteerd
door twee kleine jongetjes op een paard. Ze stonden erop onze rugzakken te
vervoeren, en hoewel ze beiden niet zoveel groter waren dan onze tassen
slaagden ze er toch zonder al te veel problemen in om ons veilig naar onze
camping te brengen.
Agua caliente is zoals de naam het
eigenlijk al zegt een soort warmwaterbron, deze mengt zich met een
koudwaterrivier door middel van een waterval. Een heel rustig en mooi plaatsje.
Van hieruit had je ook de mogelijkheid om te klimmen naar enkele nabijgelegen
grotten. Na een, voor mij eerder helse, tocht naar de grotten bleken deze niet
gemakkelijk te bezoeken te zijn. Aldus bleef ik met een ander mietje, dat
ongeveer net zo onhandig als mij bleek te zijn, achter terwijl Nanna en de
andere iets moedigere ziel zich toch aan de afdaling naar de rivier waagden. Ik
heb het enkel van horen zeggen, maar het bleek wel de moeite te zijn.