Guy Vandendriessche Oyez ! Oyez ! Oyez ! Aandacht ! Aandacht ! Boeren, Burgers en Buitenlui !...Ja, zo begint een Engelse 'town crier', een Vlaamse 'belleman' of een Nederlandse 'stadsomroeper' zijn betoog. U krijgt hier een overzicht van de herkomst van deze beroepsactiviteit, met een blik in het verleden en hoe het op de dag van vandaag nog steeds, zij het nu eerder als hobby of toeristische attractie, in ere wordt gehouden.
Hier kunnen jullie dan ook mijn reilen en zeilen als de Izegemse stadsomroeper volgen, vanaf het begin (met de opening van de Izegemse Centrale Doortocht in 2004)tot op heden. De nieuwste berichten staan telkens bovenaan.
Lees er alles over op dit blog. WELKOM ! En vooral : Zegt het voort ! Zegt het voort !
15-11-2011
Oude beroepen
Voordat ik met de edele taak van stadsomroeper in Izegem begon, was ik bezig met de studie van verschillende oude beroepen die sinds enige tijd uit het straatbeeld zijn verdwenen... zoals de belleman. Enkele bestaan nog in moderne versie, andere zijn dan weer vervangen door de electronica en de mediatisering. Gelukkig zijn er tal van deze beroepsactiviteiten als erfgoed in stand gehouden en worden ze nog af en toe door vrijwilligers als hobby verder uitgeoefend, en vormen dan een ludieke trekpleister op bvb 'ambachtendagen', folkloremarkten,... Hieronder een greep uit de honderden oude beroepsactiviteiten die onze groot-, overgroot- en betovergrootouders uitoefenden 'om den brode'.
Aanspreker
Een persoon, die de familie en vrienden van de overledene ter begrafenis nodigt, diens dood aan de huizen aanzegt en verder met de bediening der begrafenis belast is. Hij wordt ook Nodiger, Boodschapper, Doodbidder, Lijkbidder, Groefbidder of Leedaanzegger genoemd. De titel "aanspreker" is van de vroegere gilden afkomstig. Iedere gildeknecht was de aanspreker van zijn gilde. Bij de lijkstatie ging hij, als leider van de rouwstoet, vóór de baar uit. Later, toen in de grote steden men dikwijls geen lid meer was van een gilde, waren er andere personen nodig om het werk te verrichten, wat anders de gildeknecht deed. En ofschoon het eigenlijk geen "aan-spreken" meer was, maar een bekendmaken, bleef de oude titel toch in zwang. Een voorbeeld van zo'n gilde-aanspreker is het begrafenisbriefje van het Sint Lucasgilde te Haarlem. "Tegen Woensdagh den 23sten Maert A°1661 nae den middagh ten twee uurenprecys, werd U.E. ter begraeffenisgebeden met mr. Pieter de Molijn,schilder op de oude gracht over destoofsteegh, als vrient in huys te komenmet de Lange mantel, Groote Kerck".
Aardetrapper
In de aardewerkindustrie mengde men verschillende soorten aarde(klei) tot de juiste kwaliteit werd bereikt. Dit mengen werd gedaan door aardetrappers. Op een houten vloer trapten zij de klei tot grote koeken. Dat gebeurde blootsvoets, zodat oneffenheden goed gevoeld konden worden.
Aardewasser
Klei, vroeger aarde genoemd, bestemd voor de aardewerkindustrie moest na aankomst eerst gewassen en gezuiverd worden. Dit werd gedaan door aardewassers, die meestal buiten de stadsmuren werkzaam waren vanwege de grote watervervuiling die het wassen veroorzaakte.
Aardewerkventer
De man leurde van dorp tot dorp met potten en kannen. Hij torstte daarbij zijn hele handel in grote manden op zijn rug.
Dit is dus iemand die scheepsankers maakte. Echter is het ook mogelijk, dat het een smid was, die muurankers vervaardigde. Muurankers werden vroeger ook dikwijls in de vorm van een jaartal gesmeed en gebruikt aan de voorgevel van een gebouw. Met muurankers werd de balklaag aan de muur verankerd.
Appelkoopster
Koopvrouw in appelen. In Amsterdam was dit bijvoorbeeld Lijsbeth Aerts, die "appelcoopster" was. Zij was de weduwe van de Utrechtse schuitenvoerder Dirck Dircksz. Lijsbeth woonde in het Appelmansteegje op de Appelmarkt. Zij overleed in 1587. Haar nalatenschap bedroeg ƒ 2418.-. Voor die dagen een flinke som. In Leiden verkocht Aeltgen Hendricxdr. appelen. Zij was de weduwe van Cornelis Boenensz. en woonde in 1581 op de Mare.
Aschkooper
Handelaar in potas. Potas (kalium-carbonaat) werd vroeger uitgeloogd uit houtas en weleer in potten verzonden. Potas werd onder andere gebruikt als onderdeel van de zeepfabricage. Vandaar dat askopers dikwijls tevens zeepzieders waren. In Amsterdam was dit Evert Pietersz. Swart "Aschkooper op 'tWater, in 't Yserhuis, waar de drieAs tonnen uithangen". Hij was tevens zeepzieder en makelaar. In 1585 betaalde hij ƒ 7.- belasting. Eveneens te Amsterdam, ook op 't Water (Damrak), tegenover de Korenbeurs in "'t Wapen van Schagen" was Nanningh Florishz. Cloeck askoper en zeepzieder. Hij werd in april 1567 in de Oude Kerk te Amsterdam gedoopt. Het huis "'t Wapen van Schagen" (Damrak 44) werd in 1594 zijn eigendom.
Askramer
Een (kleine) handelaar die de afvoer van as(vuilnis) regelde.
Asvaarder
De asvaarders hadden in steden met grachten tot taak as en huisvuil af te voeren naar een aangegeven stortplaats.
Baaiwerker
Baai is een dik en grof weefsel, een op molton gelijkend flanel. In de middeleeuwen sprak men van "baeisch laecken". Baie is afkomstig uit het Frans in de betekenis van roodbruin, de kleur van paarden. In Leiden woonde in 1581 Wouter Christiaen. Hij was een "baywever" en waszoals vele van zijn vakbroeders, afkomstig uit de Zuidelijke Nederlanden 1). Baai werd voor velerlei doeleinden gebruikt. Zo droegen vrouwen in de zeventiende eeuw "baaijen sokken", die ook wel "besuynen" genoemd werden 2). In de vorige eeuw was de rood-baaien borstrok nog een heel gewoon kledingstuk.
De spinbaan, ook spinpad en lijnbaan genoemd, was een vijftig tot vijfhonder meter lange baan, alwaar het spinnen (draaien) geschiedde. Bovengenoemde termen zijn omschrijvingen voor de werkman, die bij de touwslagerij in de lijnbaan loopt. "Op de beschreven wijze spinnende, beweegt zich de werkman achterwaarts tot aan 't einde van het spinpad". De tot dikkere lijnen te spinnen draden werden aan een wiel gehecht, dat veealal door kinderen rondgedraaid werd, terwijl de lijndraaier achterwaarts lopend moest zorgen dat deze draden egaal in elkaar werden gedraaid. In het Handv. v. Amst. 1097 b (1662) vinden we het voorschrift: 'Dat voorts alle Lijn-drayers gehouden sullen sijn haer Kabel-garen te spinnen twee en vyftig Vademen uyt een pond Hennips'.
Baertscheerder In hedendaagse taal: een barbier.
Een beroep, dat in het verleden meestal samenging met dat van chirurgijn. Als voorbeeld hiervan noemen wij mr. Pieter Jansz., die in Amsterdam barbier en chirurgijn was. Over hem is bekend, dat hij 1 juli 1586 een huis kocht in de Oude Brugsteeg. Als herkenningsteken van hun beroep, hadden de baardscheerders een ronde paal in de kleuren rood, wit en blauw aan de gevel staan. Van oudsher werd deze paal een vlaggestok genoemd, later bekend als barbierspaal. "De vlaggestok van ouds het onderscheidingsteeken van zulke barbiers of chirurgijns (vroeger woorden van eene beteekenis), die als heelmeesters gevaren hadden. Later werd echter het uitsteken van de vlaggestok aan barbierwinkels algemeen".
Baggerman
Een arbeider, die sloten en grachten uitbaggert. Dit gebeurde met behulp van een baggerbeugel. Voor het groeter werk maakte men gebruik van een baggerschuit met daarop een baggermolen, die door mensenkracht in beweging werd gehouden.
Balansenmaker
Op de zeventiende eeuwse luifel van een balansenmaker stond weleer te lezen: "Al houd deze man veel van speelen, drinken en danssen, Nochtans levert hy curieuse Gewichten en Balanssen".
Waaruit op te maken valt dat de man niet alleen uitblonk in het maken van weegschalen, maar ook in het vervaardigen van gewichten. Een uiterst nauwkeurig werk, want die gewichten dienden aan een belangrijke eis te voldoen, namelijk het juiste gewicht aangeven. Die gewichten moesten daarom geijkt zijn. De winkelier wiens gewichten niet geijkt waren kon in het verleden rekenen op een forse boete. Zo de Alkmaarse kruidenier Floris van der Lijn, die in 1734 "na gedane inspectie in sijne cruydenierswinkel.alwaar zyn gewigten ongeykt wierden bevonden" gestraft werd met een boete van ƒ 18,-. Drie eeuwen eerder pakte men de zaak van ongeijkte gewichten nog strenger aan. Dit blijkt bijvoorbeeld uit een stadskeur van 1390. "Van die mit ongebrande maaten meten. Item so wye met ongebranden maaten mate, waert achtendeel, off half achtendeel, halve taken, of kleine maten, off grote maten, boter maten,offwat maten dat waren, off mit onrechten wichten woege, verbuerde vyftien scellingen, ende een maent wter stede te wesen op syn lyfalso dicke als hyt dede ". Dus een boete van vijftien schellingen en een maand verbanning uit de stad !
Baleinwerker
Balein is een reep veerkrachtige stof, gemaakt uit de baarden van de walvis. Het Latijnse woord balaena en het Middel-Nederlands baleine betekent dan ook walvis. Baleinen werden gebruikt voor het in model houden van kledingstukken zoals bijvoorbeeld een keurslijf. In Amsterdam was Jan Gerritsz. (van Vollenhoven) baleinwerker. Hij werd daar 14 mei 1643 in de Nieuwe Kerk gedoopt en trouwde in de hoofdstad 14 juli 1669 met Jannetje Hooft. Gedurende de jaren 1653, 1656, 1661 en 1663 werden er door de Hollandse regering voorschriften uitgegeven om de walvisvangst te beschermen. Ook werd de handel in traan en walvisbaarden meermalen ver boden, zoals in 1635. Toch werden er gigantische sommen gelds verdiend. In 1697 bedroeg de opbrengst van de verkoop van traan en baarden bijna 2½ miljoen gulden! In die tijd werden er jaarlijks ongeveer 500 walvissen gevangen, goed voor ruim 70.000 pond baleinen.
Ballenmaker
Ballen voor diverse doeleinden, werden al naar het doel van hun gebruik, gedraaid van hout of been, soms zelfs van ivoor. Dikwijls had de ballenmaker een gouden bal als uithangteken aan de voorgevel van zijn bedrijf. Maar behalve ballen, vervaardigde deze vakman dikwijls nog veel meer. "Ik draai werp-tollen, klossen, houte stijlen en klooten. Ook palmhoute stokken, om die door de poort aan de pen te stooten", aldus een zeventiende eeuwse ballenmaker te Rotterdam. Tot een van de balspelen, die vroeger beoefend werden, behoorde het klootschieten. Hierbij moest een met lood gevulde houten bal over de zogenaamde klootbaan gerold worden. Omstreeks 1500 raakte ook het kegelen in zwang. Verder werd er gekolfd. Eveneens een oud- Hollands balspel, gespeeld op een kolfbaan, waarbij de bal met een kolfstok werd weggeslagen. De kolfbal werd echter gemaakt van zacht wit schapeleer en gevuld met koe- of kalfshaar.
Zo woonde er in 1543 op het Klein Heiligland te Haarlem de ballenmaker Frans Hendfiksz., die gespecialiseerd was in het maken van deze kolfballen.
Bierdrager Ook wel Bierwerkers of Bierslepers genoemd.
Zij verzorgden zowel het lossen van de vaten bier uit de schuiten naar de kelders van de Bierstekers (zie aldaar), als het vervoer van bestellingen door particulieren of tappers. Bierdragers werkten aan de Bierkaai. In Amsterdam bijvoorbeeld op de Herenmarkt en de Oude Zijds Voorburgwal. Daar deden de geprivileerde bierdragers, die tijdens de arbeid geen drank mochten gebruiken, hun werk. Vandaar ook de bepaling, dat op de bierkaai geen tapperijen gevestigd mochten zijn.
De bierdragers waren waarschijnlijk een vrij ruw volkje. Nog in de vorige eeuw werden zij beschreven als: "Geen sprekender beeld van volop-genot dan een bierdrager met een bierbaard, de man leefde geheel in 't bier. Hunne smerige baarden kunnen er uitzien, alsof ze door de stroop gehaald waren".
Eeuwenlang is Genemuiden het centrum voor de verwerking van biezen geweest. De biezen waren daar volop aanwezig. In de negentiende eeuw werd de vraag naar biezen zo groot, dat ze ook van elders moesten worden aangevoerd. De biezensnijders stonden dag in dag uit met lange lieslaarzen of laarsbroeken aan van vroeg tot laat in het water, dat vaak koud was. Waar het water te diep was of de ondergrond te drassig werd de bies vanuit een punter gesneden. Rond de langste dag is de bies volgroeid. Ze moeten dan zo snel mogelijk worden gesneden omdat ze anders kwalitatief sterk achteruitgaan. Biezen werden evenals het riet met de snit afgesneden. De geoogste biezen worden tot bossen met een omtrek van een meter gebonden met behulp van een biezen streng. 100 bossen noemt men ook hier als bij de rietsnijders een 'vim'. Op het vaste land worden de bossen losgesneden en 'in sprei' gelegd. (waaiervormig uitgelegd) om ongeveer drie dagen te drogen. Daarna worden de bossen weer met een speciale hark (krabber) bij elkaar geharkt en opnieuw tot bossen gebonden. Deze bossen worden dan nog ongeveer twee weken aan 'stoepen' (schoven) gezet. Vervolgens gaan ze twee tot drie weken 'aan de mijt'. Voor ze uiteindelijk definitief onder dak gaan kunnen ze indien nodig nog een keer worden gedroogd om schimmel e.d. te voorkomen.
Bilder
De bilder scherpte molenstenen met behulp van een bilhamer.
Blaasbalgmaker
Een blaasbalg - in de volkstaal ook wel blaasbalk genoemd - is een werktuig tot het samenpersen en uitblazen van lucht en werd onder meer gebruikt om een vuur beter te doen branden. "De Lucht ter Blaasbalck uitgedreeven Geeft aan het Vuur een luchtig leeven".
Eigenlijk een verzamelnaam voor hen, die zich bezighielden met het bleken of reinigen van linnen, lijnwaden, garens en kleding. Ook Garenbleker, Kleerbleker, Linnenbleker of Lijnwaadbleker genoemd. De uit vlas vervaardigde linnen garens en geweven linnen stoffen werden al vroeg vervaardigd door de boeren, die vlas verbouwden. Deze garens en stoffen werden gebleekt om ze aan aantrekkelijker aanzien te bezorgen. Naast het produceren voor eigen gebruik begon in de late Middeleeuwen, vooral in de Zuidelijke Nederlanden, de productie voor de handel zich uit te breiden. In die tijd ontstonden er beroepsblekerijen. Zie voor meer informatie bij linnenbleker.
De naam Ble(e)ker komt ook voor als familienaam.
Blikslager
Blik is geplet en vertind plaatijzer, uitgeslagen in dunne bladen. De man die ermee werkt wordt blikslager genoemd. Een beroep dat soms samenging met dat van koperslager. Van blik werden allerlei huishoudelijke voorwerpen gemaakt o.a. trommeltjes, ketels, tabaksdozen, bussen en voorraadblikken. In Haarlem behoorden de blikslagers tot het Sint Lucasgilde, waarvan ook de kunstschilders deel uit maakten. In Alkmaar was Jan van Truyen mr. blikslager in de Langestraat. Hij was getrouwd met Trijntje Winder en werd 28 maart 1740 in de Grote Kerk te Alkmaar begraven 1).
Blikslager komt voor als familienaam.
Blookemaker
Een blookemaker of blokmaker is iemand die katrollen en schijven voor takels maakt, veelal voor schepen. Uit de Handvesten van Amsterdam op het jaar 1288 is te lezen, dat blookemaker min of meer een beschermd beroep was. Alleen zij mochten blokken maken en verkopen. "Dat de Seyle-makers geene blocx en sullen mogen verkoopen, 't en ware syluyden eenige oude blocx ende tuych hadden gekoft, de w/elcke hemluyden vry sal staen te verkoopen."
In Spaarndam, vroeger een welvarend vissersdorp met de nodige schepen, woonden in 1742 een aantal blookemakers. Pieter Akerboom op het Vissersend, "Blookemaker werkt sonder knegt", Aan de Westkolk woonde Willem Mourisse van Duelen, "Blookmaker hout huys met zyn suster". Klaas van Limmen op de Pol was niet alleen blokemaker, maar oefende tevens het beroep van mastenmaker uit. Daarin werd hij bijgestaan door "een knegt en Jonge." De weduwe van Jacob Koster aan de Oostkolk zette kennelijk het bedrijf van haar man voort. Zij wordt in 1742 genoemd als "Blookemaekster, werkt met twee knegts en een jonge". En aan diezelfde Oostkolk woonde en werkte tenslotte nog Cornelis van Zeyl als blokemaker. Ook hij had twee knechten en een jongmaatje .
De koper van een boek ontving dit in de regel als een stapel drukvellen en in te voegen afbeeldingen. Hij zocht dan zelf een boekbinder om het boek te laten inbinden. Naast latere beschadigingen door het uitscheuren van stukken tekst of illustraties komt men de ingebonden boeken vaak in meerdere gedaanten tegen en ook het plaatwerk wil nog wel eens variëren. Soms wordt zelfs een heel hoofdstuk weggelaten.
Boekbinder komt voor als familienaam.
Boekvergulder
Werkte nauw samen met de boekbinder. Hij bracht in goud de versieringen aan op de boekomslag. Dit gebeurde door middel van goudfolie en een stempel dat verhit werd. Een van die boekvergulders was Meijndert Jansz. Bout, geboren te Leeuwarden in 1644, later in 1673 lid van het boekverkopersgilde te Amsterdam. Zijn beroep oefende hij uit in de St. Nicolaasstraat aldaar. Hij trouwde in de hoofdstad 6 augustus 1675 met Susanna Jacobs Pickenoy en werd 13 juni 1686 te Amsterdam begraven. Niet alleen de band werd fraai versierd, ook de snede. Dit zijn de drie door de binder, na het binden, recht afgesneden zijden van het boekblok. De snede werd dan verguld en soms met bepaalde rolstempels geprofileerd.
Ter verduidelijking moet hierbij gezegd worden, dat in sommige streken van het land het beroep van boekweitmolenaar hetzelfde was of gelijk stond met grutter. Dit kwam bijvoorbeeld voor in Groningen. Daar woonde de boekweitenmulder Joannes Noorthoff. Hij werd omstreeks 1665 geboren en overleed te Groningen 29 mei 1716. Zijn "boeckwijten molen" stond aan de Carolieweg.
(De rosmolen te Kampen)
Boendermaker
Een boender is een werktuig om mee te schrobben. Een lange boender voor vloeren en gangen, een platte boender voor houtwerk en een heiboender voor potten, vaten en gootstenen. Ze werden dikwijls vervaardigd van varkenshaar. De heiboender werd van heide gemaakt. Er bestaan verschillende plaatjes, nog uit de tijd vlak voor de Tweede Wereldoorlog, waarop men een boerin of haar meid op haar knieën bij een stap in een sloot de pannen met een heiboender en eventueel wat wit zand schoon maakte. "Hier maakt men schuijers en glasewassers van swijneveêren, Die stuiven niet", wist men voor twee eeuwen terug.
De boendermaker, werd ook wel borstelmaker genoemd.
Bogartman
Exploitant van een bogaard (bongerd) of gaarde met vruchtbomen.
Reacties op bericht (0)
Over mijzelf
Ik ben Guy , en gebruik soms ook wel de schuilnaam 'De belleman'.
Ik ben een man en woon in Izegem (België) en mijn beroep is Officiële Stadsomroeper van Izegem en museummedewerker.
Ik ben geboren op 04/06/1955 en ben nu dus 70 jaar jong.
Mijn hobby's zijn: Europese Snorrenclub Antwerpen.