De Engelsman Stan Laurel werd geboren als Arthur Stanley Jefferson in Ulverston Engeland, in de woning van zijn grootmoeder. Hij had rood haar en net als zijn vader lichtblauwe ogen. Tot zijn vijfde werd hij wegens ziekte van zijn moeder actrice Madge Metcalfe, opgevoed door zijn grootmoeder. Hij had nog een zus Beatrice Olga en broers Sidney, Everett en Gordon. Zijn vader was toneelschrijver en acteur. Deze had de leiding van de door Engeland trekkende Jefferson Theater-groep, waar ook Stans moeder deel van uit maakte. Net als zijn ouders wilde hij acteur worden, toen hij als zestienjarige als boy-comedian deel ging uit maken van het familiebedrijf. Hij trad er op onder zijn eigenlijke naam, Arthur Stanley Jefferson. Bij het Jefferson-gezelschap werden vooral melodramas opgevoerd. Stan hield meer van revue-en solonummers waarin hij zich meer kon uitleven.
In 1909 ging Stanley Jefferson werken bij de Levy & Cardwell Juvenile Company, een groep jonge actrices en acteurs van zes tot achttien jaar, die vooral pantomime beoefenden.
Rond 1910 sloot hij zich aan bij het toneelgezelschap Fred Karno's London Comedians van blijspelproducent Fred Wescott, ook gekend als Fred Karno (1866-1941). De ster van de groep heette Charlie Chaplin. Stan werd er aangenomen om Chaplin wat meer tegenspel te geven. In september van dat jaar trok de groep naar Amerika, waar een aantal niet-onaardige successen werden behaald met A Night in an English Music Hall, waarin de Chaplin de kans kreeg om zijn talenten op te voeren. Stan keerde even later terug naar huis omdat Karno hem een loonsverhoging niet wou toestaan.
Met Pinksteren 1912 trad Stan eens op in het Circus Pflaging in Rotterdam. Wegens geldgebrek zag hij er zich genoodzaakt een brood te stelen. Op 2 oktober 1912 trokken de Fred Karno-spelers opnieuw, met wisselend succes trouwens,door de Verenigde Staten. In de groep van Karno speelden Chaplin en Stan in Mumming Birds pantomime-achtige rollen.
In december 1913 nam Chaplin ontslag toen hij de kans kreeg in Hollywood te gaan filmen. Hij stapte over naar de filmstudo van Mack Sennett om er komedies te gaan maken. Stan kreeg de kans voortaan de hoofdrol in het gezelschap te spelen. Door het verlies van Chaplin en allerlei interne moeilijkheden werd de Fred Karno-groep ontbonden en reisde een deel terug naar Groot-Brittannie. Stan besloot in Amerika te blijven, wachtend op aanbiedingen bij de film. Dit zou hem pas na vier jaar lukken na nog heel wat rollen bij Amerikaanse vaudeville-theaters.
Na het vertrek van Chaplin zette Stan een eigen act op poten samen met zijn beste vrienden in de Karno-groep, Edgar en Wren Hurley waarmee hij The Three Comiques vormde en op tournee ging. Hun optredens werden door de impresario's goed bevonden, waardoor ze in grote theaters in Amerika konden optreden, later onder de naam Hurley, Stan and Wren en nog later als The Keystone Trio.
Ondertussen is Charlie Chaplin in Amerika een heel bekende filmkomiek geworden. Rond 1915 kent het trio waanzinnig veel succes met immitaties van Chaplin en zijn tegenspelers. Daarmee was Laurel niet alleen de eerste Chaplin-imitator, maar ook de beste die er ooit was .The Keystone Trio ging uiteindelijk eind 1915 uiteen omdat Hurley het moeilijk had met Stans succes. Aanvankelijk wilde Hurley afwisselend met Stan de Chaplin-immitatie doen. Het publiek had het echter niet zo goed begrepen met de Hurley-Chaplin en vond Laurel veel beter. Met ruzie werd hun samenwerking definitief afgesloten.
Stan Laurel vormde een nieuw trio samen met Alice en Baldwin Cooke, met de naam The Stan Jefferson Trio. In 1916 trad het drietal met succes op met de sketch The Crazy Cracksman. Aan hun samenwerking kwam een einde toen in 1917 Stan verliefd werd op Mae Charlotte Dahlberg (1888-1969) een danseres en zangeres uit Australie. Met haar begon hij een varieténummer. Een periode van lange samenwerking begon. Deze dame zag Laurels beginnende roem en beschouwde zich jaren als zijn echtgenote. Ze trouwden niet met mekaar omdat Mae beweerde een echtgenoot te hebben in Australie die weigerde om te scheiden. In 1918 wijzigde de bijgelovige Stan (Stan Jefferson bevat 13 letters), zijn naam Jefferson in Laurel, gebaseerd op de lauwerkrans (vertaling van het Engelse Laurel) van een klassieke Romeinse generaal. Pas in 1934 wanneer Stan Amerikaans staatsburger werd, laat hij zijn achternaam in de burgerlijke stand veranderen.
Stan en Mae Laurel, traden ook als dusdanig onder deze naam op. Ondanks het feit dat Mae en Stan mekaar niet konden missen, bleef hun relatie meer dan tien jaar vrij moeilijk en wispelturig.
Nuts In May, is de eerste , weliswaar korte film waarin Laurel meespeelt. Het is eigenlijk een proefopname, een soort reclamefilmpje voor eventueel geinteresseerde distributeurs. De film werd bekostigd door Adolph Ramish, directeur van het Hippodrome in Los Angeles. Hij ontdekte Laurels talent voor de film. De two-reeler wordt in zijn theater gedraaid. Onder het publiek bevinden zich Carl Lämmle, de directeur van Universal en Charles Chaplin, die plannen heeft om zelf films te gaan maken. Lämmle vond de film vrij goed en bood Stan een contract aan voor een jaar bij Universal. Laurel hapt toe en maakte er vier, niet bijster grappige films. Stans partner Mae Charlotte Dahlberg stond er voortdurend op met hem mee te spelen. Om die reden zag men soms af van een samenwerking met Laurel. Bovendien maakte Universal een reorganisatie door en alle contracten werden geannuleerd. Aldus bleef Stan op het toneel, met zijn partner Mae.
In 1918 komt Stan Laurel terecht bij Gilbert M. Anderson, Hollywoods eerste cowboy-ster, die zich bezig begon te houden met lachfilms. Stan Laurel maakt voor Anderson de filmhistorische één-acter The Lucky Dog. De film is inderdaad onzin, maar de titel van dit proeffilmpje is belangrijk, omdat een onbekende 25-jarige acteur Oliver Norvell Hardy in de cast werd opgenomen. Deze film is dus eigenlijk de eerste Laurel-en-Hardyfilm, althans een film waarin zij samen optreden, maar niet als duo. Niets wees erop dat zij ooit een duo zouden worden. Stan keerde terug naar de revue waar hij optrad in vaudeville-theaters met Mae Dahlberg.
In 1919 werkte Stan een korte tijd bij Vitagraph Pictures met Larry Semon, toen een bekend komiek.
In 1920 maakte Stan met Anderson een aantal erg knappe twee-acters,waaronder parodieën op destijds populaire hoofdfilms. De films brachten niet genoeg op en Stan moest terug keren naar de vaudeville-branche.
In 1923-1924 ging Laurel werken voor Joe Rock. Hij en zijn broer werden Laurels beste vrienden. Stan maakt voor hem een serie van twaalf korte films en opnieuw parodieën op succesrijke films uit die tijd. Er wordt gefilmd in studios van Universal in decors van films die reeds af zijn. De films heetten Stan Laurel Comedies.
In 1924 vertrok Mae Charlotte Dahlberg terug naar Australie.
In 1925 maakte Laurel een geslaagde twee-acter voor Joe Rock, Half a Man. Stan was er duidelijk op vooruitgegaan als komiek. In de film probeert Laurel een eigen typetje te vinden. Spelen met een partner zag hij toen nog niet zitten omdat hij nog steeds op zoek was naar een eigen identiteit. Joe Rock vertelde ooit dat hij er had aan gedacht om Hardy te vragen in een aantal films. Stan was als de pest voor concurrentie en wilde dit dus niet. Mocht hij daar geen bezwaar tegen hebben gehad, zou het duo Laurel en Hardy misschien eerder gevormd zijn geweest dan bij de Roach-Studio's.
Laurel had in 1925 een contract met Joe Rock voor vier jaar. Hal Roach zag dat de Stan Laurel-films het goed deden, en deed hem een aanbod met een salaris waar Rock niet tegen op kon. Rock liet hem ondanks het contract gaan, ook omdat ze goede vrienden waren. Laurel begon bij Hal Roach als scenarioschrijver, regisseur, acteur en ideeënman. Voordat Stan definitief bij Roach kwam, had hij ruim vijftig korte films gemaakt, sommige ook als regisseur. Stan ontmoette er James Finlayson,die tientallen jaren lang een regelmatige tegenspeler zou worden. Finlayson ,de man met de prachtige keverwenkbrauwen. Hij bleef Stans vriend en medewerker tot zijn overlijden in 1953. Laurel maakte er ook kennis met filmkomieken als Ben Turpin, Charley Chase, Edgar Kennedy, Billy Gilbert, Billy Bevan, Snub Pollard, de Our-gang-kinderen en hij ontmoet een acteur waarmee hij zeven jaar eerder heeft opgetreden in The Lucky Dog : Oliver Hardy. Duck Soup (1926)
was de eerste van achttien tweeakters uit de All Star Serie van Hal Roach waarin Stan Laurel en Oliver Hardy, als afzonderlijke leden van het Roach-gezelschap, meededen. Daarna werden Laurel en Hardy bij Roach als duo ingezet. De films heetten voortaan Laurel and Hardy Series, de reeks zou worden voortgezet tot 1935.
Stan Laurel dronk graag een stevig glas en bleef nooit ongevoelig voor een aantrekkelijke vrouw, vooral als de dame daarbij nog een licht buitenlands accent had. Dit gebrek leverde hem vier echtgenotes, een buitenechtelijke geldverslindende affaire met een jonge tweeling (de Downey's), een maitresse (Alice Ardell, een Franse actrice bij wie hij zich 'in moeilijk tijden' kon terugtrekken) en daardoor een armzalige oude dag. Zijn huwelijksperikelen stelden hem vaak in een slecht daglicht in de pers. Bovendien had Stan Laurel geen enkel zakelijk gevoel. Laurel en Hardy werkten weliswaar als goedbetaalde werknemers voor Hal Roach, maar sterren als Chaplin en Harold Lloyd, produceerden zelf hun films en voor de distributie daarvan werden goede contracten afsloten met de verdelers. Ook later na Hal Roach werkte hij onder matige voorwaarden voor 20th Century-Fox. Laurel was te veel bezig met het artistieke van zijn werk, zijn relaties met vrouwen en zijn alcohol om zich ook nog als manager van zijn en Hardys talenten te profileren. Ondanks het feit dat Laurel nooit het grote geld verdiende, werd hij door drie van zijn vier echtgenotes voor het gerecht gedaagd om geld van hem los te krijgen. Zelfs jaren na zijn dood probeerden de dames nog om geld uit de L&H-films te krijgen. De echtgenotes waren: Lois Nelson (1926 tot 1935), Virginia Ruth Rogers (1935 tot 1937 en 1941 tot 1946), Vera Ivanova Shuvalova (1938 tot 1940) en zijn weduwe Ida Kitaeva Raphael, vanaf 1946. In 1928 werd Laurel vader van een dochter Lois Jefferson. Op 7 mei 1930 kwam daar nog een zoon bij, Stanley Robert Jefferson. De baby werd 2 maanden te vroeg geboren en maar had een hersenbeschadiging en overleed na negen dagen.
De eerste geruchten over huwelijksproblemen met Lois Nelson kwamen in mei 1933 toen zij een scheiding aanvroeg omdat Laurel niet meer van haar hield en haar verwaarloosde. In augustus 1933 was er een verzoening vanwege hun dochtertje. Maar op 10 september 1935 werd de scheiding uitgesproken.
Met Virginia Ruth Rogers , een weduwe uit Los Angeles huwt Laurel twee keer, maar met drie plechtigheden: een eerste keer in 1934, maar deze was niet geldig omdat de scheiding van Lois niet definitief bleek. Een tweede, wettige keer in 1935. Ze scheidden in 1937 en hertrouwen in 1941 om vervolgens terug te scheiden 1946.
Met Vera Ivanova Shuvalova (alias Illeana)' een Russiche zangeres danseres en vermeende gravin huwde hij in 1938 en had daar drie plechtigheden voor nodig: eerst 1 januari 1938, daarna op 28 februari voor alle zekerheid omdat hij vreesde dat de eerste plechtigheid niet geldig was. Tot slot een derde keer op 2 april 1938: dit was het kerkelijk huwelijk volgens de Russisch-Orthodoxe rite. Ze scheidden in 1940.
Ida Kitaeva Raphael tenslotte was een opera-zangeres en actrice, in China geboren ,met Wit-Russische ouders. Zij was Laurels grote liefde, die hem altijd goed verzorgde en verpleegde tijdens ziekte en tegenslagen. Het was een opmerkelijke vrouw met een groot hart. Zij heeft nooit de mooie grote huizen, de luxe gekregen wat zijn andere vrouwen wel hadden. Laurel was een gulhartige man. Hij liet acteurs en allerlei mensen die geen geld meer hadden bij hem logeren, zelfs als hij zelf weinig bezat gaf hij nog weg. Bovendien moest hij nog veel betalen aan alimentatie. Toen hij met Ida trouwde stond hij er financieel zeer zwak voor. Hij kon haar zelfs geen trouwring geven.
Laurel was wel erg wisselvallig van temperament hij kon erg driftig zijn. Hijzelf grapte erover dat het aan zijn rode haar lag. Als kleine jongen werd hij de 'Rooie vuurtoren' genoemd.
Hij had belangstelling voor politiek en beschouwde zichzelf als een links democraat. Hij bewonderde Roosevelt en Kennedy.
Laurel had op latere leeftijd ook suikerziekte. Hij kreeg een beroerte op 25 april 1955. Hij hield er een zekere stijfheid van de linkerkant van zijn lichaam aan over waarbij zijn voet wat sleepte. Hij had ook een lichte spraakstoornis.
Hardy stierf op 7 augustus 1957. Laurel zei erover dat ze als broers waren. Hij zei nog: Babe was als een broer voor me, zijn overlijden betekende het einde van de levensgeschiedenis van Laurel en Hardy.'Ze voelden mekaar altijd aan. Hij vond het acheraf vreemd dat ze mekaar niet persoonlijk kenden voordat ze later samen op toernee gingen. Toen ze filmden was het altijd zakelijk contact, niettegenstaande ze veel samen lachten. Tussen de films door zagen ze mekaar nauwelijks. Hardys leven buiten de studo bestond uit sport, en Laurels leven was voornamelijk werken, dag en nacht zelfs na het werk. Laurel hield van het monteren en schrijven van een film, dat interesseerde Hardy niet.
Laurel mocht van zijn dokter niet naar de begrafenis. Het is goed zo, zei hij. Ik had anders misschien iets grappigs gezegd of gedaan om het verdriet te verbergen. Babe zou dat begrepen hebben, anderen niet. Na de dood van zijn partner rouwde Stan diep totdat hij een soort creatieve therapie vond: hij begon nieuwe Laurel en Hardy-grappen te bedenken. Hij hield zich verder bezig met het lezen van fanmail en het beantwoorden ervan.
Voor zijn jarenlange bijdrage aan de filmindustrie ontving Laurel een jaar voor zijn dood in zijn appartement in Santa Monica een kristallen bokaal van de Screen Actors Guild.
Stan Laurel overleed op 74-jarige leeftijd aan de gevolgen van hartinfarct. Hij had inmiddels ook nog kanker aan het verhemelte. Op zijn verzoek werd hij gecremeerd. Ik zie niet in waarom, met zo weinig ruimte voor de levenden, de doden zoveel plaats moeten innemen, grapte hij eens. Zijn as werd bijgezet in de court of Liberty op de Hollywood Hills Forest Lawn Cemetery. De grafsteen vermeldt : STAN LAUREL (1890-1965) ,een meesterlijke komiek, zijn geniale humor bracht blijdschap in de wereld waarvan hij hield.
FILMOGRAFIE:
_____________
Utopia (1951) .... Stan
... aka "Atoll K" - France (original title)
The Bullfighters (1945) .... Stan / Don Sebastian
Nothing But Trouble (1944) .... Stan
The Big Noise (1944) .... Stan
The Dancing Masters (1943) .... Stan
Jitterbugs (1943) .... Stan
Air Raid Wardens (1943) .... Stan
A-Haunting We Will Go (1942) (as Laurel) .... Stan
Great Guns (1941) .... Stan
Saps at Sea (1940) .... Stan
A Chump at Oxford (1940) .... Stan / Lord Paddington
The Flying Deuces (1939) .... Stan
Block-Heads (1938) .... Stan
Swiss Miss (1938) .... Stan
Way Out West (1937) .... Stan
Our Relations (1936) .... Stan / Alf Laurel
... aka "Double Trouble" - USA (alternative title)
... aka "Sailors' Downfall" - USA (cut version)
On the Wrong Trek (1936) .... Cameo appearance (hitchhiker)
The Bohemian Girl (1936) .... Stan
Bonnie Scotland (1935) .... Stanley MacLaurel
... aka "Heroes of the Regiment" - USA (reissue title)
Thicker Than Water (1935) .... Stan
The Fixer Uppers (1935) .... Stan
Tit for Tat (1935) .... Stan
Babes in Toyland (1934) .... Stannie Dum
... aka "March of the Wooden Soldiers" - USA (reissue title)
The Live Ghost (1934) .... Stan
Them Thar Hills (1934) .... Stan
Going Bye-Bye! (1934) .... Stan
Hollywood Party (1934) .... Stan
Oliver the Eighth (1934) .... Stan
Sons of the Desert (1933) .... Stan
Dirty Work (1933) .... Stan
Wild Poses (1933) .... Baby
Busy Bodies (1933) .... Stan
The Midnight Patrol (1933) .... Officer Stanley Laurel
The Devil's Brother (1933) .... Stanlio
... aka "Bogus Bandits" - USA (reissue title)
... aka "The Virtuous Tramps" - USA (reissue title)
Me and My Pal (1933) .... Stan
Twice Two (1933) .... Stan/Mrs. Hardy
Towed in a Hole (1932) .... Stan
Their First Mistake (1932) .... Stan
Pack Up Your Troubles (1932) .... Stan
Scram! (1932) .... Stan
County Hospital (1932) .... Stan
The Chimp (1932) .... Stan
The Music Box (1932) .... Stan
Any Old Port! (1932) .... Stan
Helpmates (1932) .... Stan
Zwei Ritter ohne Furcht und Tadel (1932) .... 3 Shorts
On the Loose (1931) (uncredited) .... New Suitor
Beau Hunks (1931) .... Stan
One Good Turn (1931) .... Stan
Come Clean (1931) .... Stan
Pardon Us (1931) .... Stan
Our Wife (1931) .... Stan
Politiquerías (1931) .... Stan
Los calaveras (1931) .... Señor Laurel
Laughing Gravy (1931) .... Stan
The Slippery Pearls (1931) .... Policeman
Los presidiarios (1931) .... Stanley 'Stan' Laurel
Chickens Come Home (1931) .... Stan
... aka "Chicken Come Home" - USA (reissue title)
Glückliche Kindheit (1931) .... Stan/Stan jr.
Be Big! (1931) .... Stan
Hinter Schloss und Riegel (1931) .... Stan
Les carottiers (1931) .... M. Laurel
Muraglie (1931)
Sous les verrous (1931)
Another Fine Mess (1930) .... Stan
The Laurel-Hardy Murder Case (1930) .... Stan
Hog Wild (1930) .... Stan
The Rogue Song (1930) .... Ali-Bek
Below Zero (1930) .... Stan
La vida nocturna (1930) .... Stan
Brats (1930) .... Stan Sr. / Stanley Jr.
Blotto (1930) .... Stan
Night Owls (1930) .... Stan
Feu mon oncle (1930) .... Stan
Ladrones (1930) .... Stan
Noche de duendes (1930) .... Stan
Radiomanía (1930) .... Stan
Spuk um Mitternacht (1930) .... Stan
Tiembla y Titubea (1930) .... Stan
Une nuit extravagante (1930) .... Stan
Angora Love (1929) .... Stan
The Hoose-Gow (1929) .... Stan
Bacon Grabbers (1929) .... Stan (process server)
They Go Boom! (1929) .... Stan
Perfect Day (1929) .... Stan
Men O'War (1929) .... Stan
The Hollywood Revue of 1929 (1929) .... Stan
Berth Marks (1929) .... Stan
Double Whoopee (1929) .... Stan
Unaccustomed As We Are (1929) .... Stan
Big Business (1929) .... Stan
That's My Wife (1929) .... Stan
Wrong Again (1929) .... Stan
Liberty (1929) .... Stan
We Faw Down (1928) .... Stan
Habeas Corpus (1928) .... Stan
Two Tars (1928) .... Stan
Early to Bed (1928) .... Stan
Should Married Men Go Home? (1928) .... Stan
Their Purple Moment (1928) .... Mr. Pincher
You're Darn Tootin' (1928) .... Stanley, clarinet player
From Soup to Nuts (1928) .... Hired butler
The Finishing Touch (1928) .... Stan
Flying Elephants (1928) .... Little Twinkle Star
Leave 'Em Laughing (1928) .... Stan
Should Tall Men Marry? (1928) .... Texas Tommy
The Battle of the Century (1927) .... Prize fighter
Putting Pants on Philip (1927) .... Philip
Do Detectives Think? (1927) .... Ferdinand Finkleberry
Hats Off (1927) .... Stan
Call of the Cuckoo (1927) .... Asylum inmate
The Second 100 Years (1927) .... Little Goofy
Now I'll Tell One (1927) .... Lawyer
Sailors Beware (1927) .... Chester Chaste, cabdriver
Sugar Daddies (1927) .... Brittle's lawyer
With Love and Hisses (1927) .... Cuthbert Hope
Why Girls Love Sailors (1927) .... Willie Brisling
Love 'Em and Weep (1927) .... Romaine Ricketts
Eve's Love Letters (1927) .... Anatole, the butler
Slipping Wives (1927) .... Handyman
Duck Soup (1927) .... Hives
Seeing the World (1927) .... English pedestrian
45 Minutes from Hollywood (1926) .... Hotel Guest
On the Front Page (1926) .... Dangerfield
Get 'Em Young (1926) .... Summers, the butler
What's the World Coming To? (1926) (uncredited) .... Man in window
Half a Man (1925) .... Winchell McSweeney
Dr. Pyckle and Mr. Pryde (1925) .... Dr. Pyckle / Mr. Pryde
... aka "Dr. Jekyll and Mr. Hyde Spoof" - USA (informal title)
The Sleuth (1925) .... Webster Dingle
Navy Blue Days (1925) .... Stan
The Snow Hawk (1925) .... Mountie
Pie-Eyed (1925) .... Drunk
Twins (1925) .... Stan / his twin
Somewhere in Wrong (1925) .... A tramp
Cowboys Cry for It (1925)
West of Hot Dog (1924) .... Stan, a tenderfoot
Monsieur Don't Care (1924) .... Rhubarb Vaselino
Detained (1924) .... A convict
Mandarin Mix-Up (1924) .... Sum Sap
... aka "Madam Mix-up" - USA (alternative title)
Short Kilts (1924) .... McPherson's son
Wide Open Spaces (1924) .... Gabriel Goober
... aka "Wild Bill Hiccup" - USA (alternative title)
Rupert of Hee Haw (1924) .... The King/Rudolph Razz
... aka "Coleslaw" - USA (alternative title)
Near Dublin (1924) .... Con
Brothers Under the Chin (1924)
Zeb vs. Paprika (1924) .... Dippy Donawho
Postage Due (1924) .... Stan
Smithy (1924) .... Smithy
Mother's Joy (1923) .... Magnus Dippytack/Basil Dippytack, his son
Scorching Sands (1923) .... Stan
The Soilers (1923) .... Bob Canister
Save the Ship (1923) .... Husband
The Whole Truth (1923) .... The husband
Frozen Hearts (1923) .... Olaf - A peasant
Roughest Africa (1923) .... Prof. Stanislaus Laurello (Big Boss)
A Man About Town (1923) .... A man about town
Short Orders (1923) .... Waiter
Oranges and Lemons (1923) .... Sunkist
Gas and Air (1923) .... Phillup McCann
Kill or Cure (1923) .... Door to door salesman
Collars and Cuffs (1923) .... Laundry worker
Pick and Shovel (1923) .... Miner
Under Two Jags (1923)
White Wings (1923) .... Street cleaner
The Noon Whistle (1923) .... Tanglefoot
The Handy Man (1923) .... The handy man
When Knights Were Cold (1923) .... Lord Helpus, a Slippery Knight
The Garage (1923)
The Pest (1922) .... Jimmy Smith
Mud and Sand (1922) .... Rhubarb Vaselino
The Weak-End Party (1922) .... The gardener
The Egg (1922) .... Humpty Dumpty
Mixed Nuts (1922) .... Book salesman
The Lucky Dog (1921) .... Brash young man accused of dognapping
Hoot Mon! (1919)
Hustling for Health (1919) .... The Man
Do You Love Your Wife? (1919) .... Toby - the janitor
O, It's Great to Be Crazy (1918) .... Sam Squirrel
Frauds and Frenzies (1918) .... Simp, Second Prisoner
Just Rambling Along (1918) .... Nervy Young Man
Bears and Bad Men (1918) .... Pete
No Place Like Jail (1918) .... Convict
Huns and Hyphens (1918) .... Gang member
Phoney Photos (1918)
Who's Zoo? (1918) .... Stan
Hickory Hiram (1918) .... Hiram
Nuts in May (1917) (as Stan Jefferson)