|
Amper een week geleden heb ik die brief aan Willy Debyser geschreven. Ik heb nog getwijfeld of ik hem wel zou verzenden omdat ik de inhoud ervan te somber vond. Ik had gehoopt de zwarte gedachten van mij af te kunnen schrijven. Maar de droefgeestigheid blijft. En toch blijft ook de hoop dat het weldra overgaat. In die hoop kom ik nog eens uithuilen bij u, beste lezer. Wilt u vandaag mijn therapeut zijn? Die iatrofobie waarvan ik sedert het geval van mijn nierstenen dacht verlost te zijn, wel die is er nóg
xml:namespace prefix = o ns = "urn:schemas-microsoft-com:office:office" />
Vorige week ben ik met mijn oog tegen een boomtakje gelopen en twee dagen later was het oog lelijk ontstoken. t Was onverstandig van mij om geen oogarts te raadplegen. Ik heb het oog zelf behandeld met Terracortril zalf. Pas sinds deze morgen gaat het duidelijk beter met dat oog. t Is bijlange zo rood niet meer als gisteren en de pijn is helemaal weg. Dat zou toch een bron van grote vreugde moeten zijn? En dan is er nog een ander heuglijk feit. Van Togenbirger heeft mij een dag of drie geleden gevraagd om hem mijn toneelstuk over de oorlog van Troje door te mailen. Dat vond ik op zichzelf reeds een grote eer en ik heb hem dan ook op zijn wenken bediend. Gisteren liet hij mij reeds weten dat hij het een zéér goed toneelstuk vindt en vandaag kon ik bijna mijn ogen niet geloven bij het lezen van het vijftiende hoofdstuk van zijn nog onafgewerkt boek over het leven en de dood: hij citeert een zin uit míjn oorlog van Troje! Dan zou ik toch zeker wel de koning te rijk moeten zijn.
Of is het Theo Thijssen die mij zo weemoedig maakt? Heb ik u al verteld dat ik verslingerd ben op de schrijver Theo Thijssen? Ik heb zopas een van zijn boeken uit, een dat ik nog niet gelezen had: De gelukkige klas. Een prachtboek, een autobiografisch werk in de vorm van een dagboek, over het alledaagse leven van een onderwijzer met zijn klas. Het bruist van leven, maar het eindigt in mineur. Hij heeft Louis van Rijn, een van zijn leerlingen, bezocht in het ziekenhuis. Louis is een gebrekkige ziekelijke jongen die intelligent is doch door zijn ziekte en het vele schoolverzuim dat daarmee gepaard gaat, achterop is geraakt. Louis is nu ook nog verlamd aan de onderste ledematen en heeft misschien nog amper enkele weken te leven. De meester heeft wat leesboekjes meegebracht en Louis is hem daar dankbaar voor. Het grijpt hem aan als Louis vraagt ook eens wat rekenboekjes mee te brengen. Het zet aan tot nadenken over onze machteloosheid tegenover het Leven. Het boek eindigt als volgt:
Niet te diep denken dan is er van het leven nog wel een opeenvolging van suksesjes te maken.
Maar anders - wat een gruwelijke machteloosheid, zodra het Leven maar even ernstig tegen ons wordt!
Beuzelarij, beuzelarij, àl dat gedoe van ons. Ziedaar de gedachte die almaar in me rondwoelt, nu ik dit meemaak met Louis van Rijn.
En over die beuzelarij nog dagboekeren? Ik weet nu, dat het belachelijk was: beuzelarij in het kwadraat, al dit geschrijf. Alwéér een dwaasheid waar ik overheen gekomen ben!
Ik wil alleen nog één gedachte opschrijven, ik moét nog één gedachte opschrijven, eer ik dit papier kan wegsluiten. Dit van Louis komt toevallig nú al, terwijl hij nog op school gaat en in mijn gezichtskring is. Maar wat weet ik er van, wat de anderen later zal treffen, de anderen die morgen weer op me zitten te wachten, vrolijk en gezond?
Mn heerlijke, lieve, lastige stel, ik weet eigenlijk maar één ding: de jaar of wat, dat ik jullie heb en dat jullie mij hebben, behoren wij enkel maar een gelukkige klas te zijn. En de rest is nonsens hoor, al zal ik dat júllie nooit zeggen. EINDE.
Maar in feite is dit nog niet het einde van het boek. Er komen nog twee bijlagen. De eerste is een lange brief van de heer Koning aan de heer Kraak. Beiden zijn ex-onderwijzers en ex-collegas, in dezelfde school, van de heer Staal, alias Theo Thijssen, zijnde de schrijver zelf. De brief is geschreven in het begin van de tweede wereldoorlog en Koning haalt herinneringen op aan Staal die reeds enkele jaren overleden is. Staals dochter heeft onder oude papieren een soort dagboek van haar vader gevonden en het aan Koning gegeven. Samen met de brief stuurt Koning het dagboek nu naar Kraak.
De tweede bijlage is het antwoord van Kraak:
Vriend Koning,
Ik schrijf je spoedig uitvoeriger, en nu alleen maar dit: Staal was een uitverkorene. Want hij wist toen al wat ik nu pas begin in te zien: er is op de wereld maar één ding werkelijk, en dat is de liefde. Hij had gelijk, de rest ís altijd nonsens. KRAAK.
Zal ik ook maar ophouden met die beuzelarij van dat dagboekeren? Weer krijg ik het gevoel dat ik dit alles moet voorleggen aan professor van Togenbirger. Theo Thijssen en Omsk van Togenbirger de Waelekens, het beginnen stilaan twee rode draden te worden die uit mijn dagboek niet meer zijn weg te denken.
|