|
xml:namespace prefix = o ns = "urn:schemas-microsoft-com:office:office" />
Sta mij toe, lieve lezer, dat ik dit verhaal begin met een mop. Een mop over vergeetachtigheid. Achiel heeft zich laten behandelen bij een fameuze specialist vanwege zijn vergeetachtigheid. Zijn vriend Omer die ook een beetje in hetzelfde beddeke ziek is, komt hem een bezoek brengen. Als Achiel hem vertelt dat zijn toestand veel verbeterd is, wil Omer gaarne de naam en het adres van de specialist kennen. Maar Achiel weet zich de naam niet zo direct te herinneren. Die bloem zegt Achiel die meestal bloedrood is en lekker ruikt, die geliefden elkaar geven en waarvan de stengel vól staat met doornen, hoe heet die? Een roos zal je bedoelen antwoordt Omer. Wel, die bedoel ik zegt Achiel, waarna hij naar zijn vrouw roept, die druk bezig is in de keuken: Roos, die dokter die mij behandeld heeft, hoe heet die?
Ik vertel u deze mop over vergeetachtigheid, in de eerste plaats omdat ik u beloofd had dit onderwerp aan te snijden, maar ook en dat is de reden waarom ik er nú al mee voor de dag kom omdat ik gisteren Erica weer ontmoet heb. Erica is een meisje van de loopclub die ik zowat anderhalf jaar geleden heb leren kennen. t Was in volle zomer en ik zag haar in de maanden die volgden bijna wekelijks, maar ik slaagde er maar niet in haar naam te onthouden. Tot een vriend mij een prachtig geheugensteuntje (een mnemotechnisch middel, voor de meer gevorderden onder u) aan de hand heeft gedaan. Kijk die borstjes, zei hij precies heuveltjes. De heuveltjes van Erica! Uit het gelijknamig liedje van Bart van den Bossche. Sindsdien vergeet ik haar naam niet meer, maar telkens weer betrap ik er mij op dat ik eerst de associatie moet maken met de heuveltjes
De dikke van Dale geeft twee verklaringen voor het woord amnesie: primo tijdelijk geheugenverlies, secundo slecht geheugen. Met dat tijdelijk geheugenverlies wordt een totaal verlies van geheugen bedoeld hetwelk zich meestal slechts uitstrekt over een bepaald gebied in de tijd, bijvoorbeeld enkele minuten of uren vóór een hersentrauma. Bij Achiel gaat het niet om een (totaal) geheugenverlies, wel om een slecht geheugen. Bij mij is dat niet anders, zij het in véél mindere mate.
In mijn geval zou de medische wereld de term amnesie waarschijnlijk niet eens durven gebruiken. In het geval van Achiel daarentegen zou men er geen twijfel over laten bestaan. En toch lijden we aan dezelfde aandoening. Alleen, Achiel heeft het tien keer erger dan ik. Net zoals iemand met een veralgemeend eczeem de aandoening in tien keer ergere mate heeft dan een ander bij wie het eczeem beperkt is tot de elleboogplooien, bijvoorbeeld.
Ik hoor psychiaters en psychologen uren, weken en maanden redetwisten over de kwestie of een bepaalde patiënt al dan niet autistisch is, of hyperkinetisch, of dyslectisch, of dement. Neem nu het hyperkinetisch syndroom. Zelfs de meest rustige persoon ter wereld lijdt eraan, zij het maar voor 0,01 procent. De grootste spring-in-t veld heeft de aandoening voor 99,99 procent. Ik zeg heel bewust geen 100 procent, want dat zou betekenen dat érger niet meer kan en
érger kan altijd. En de dementie dan, die een aftakeling is van de geestelijke hersenfuncties, dewelke zich aanvankelijk meestal uit in geheugenstoornis, gevolgd door oriëntatiestoornissen in ruimte en tijd. Wie durft beweren dat hij nooit eens iets vergeet of, al was het maar gedurende één ogenblik, niet weet waar hij zich bevindt of welke dag van de week het is? Dat hij dus niet voor minstens 0,01 procent dement is? Dat zijn hersencellen niet in een razend snel tempo afsterven bij de ene in een al wat razender tempo dan bij de andere ? Hij werpe de eerste steen
Ik bedoel maar dat, naar mijn mening, de diagnosesteller in alles een continuum dient te zien en een curve van Gauss. En dat niemand welke-aandoening-dan-ook heeft voor 0 procent en ook nooit voor 100 procent, maar altijd daar ergens tussenin. Of dat dan ook moet gelden voor de niet-psychische (de zogenaamde somatische) aandoeningen, zoals diabetes, arteriosclerose en zelfs kanker? Ik denk het wel. Dat we allemaal wel minstens een béétje kanker hebben is een stelling die ik in een van mijn volgende cursiefjes zal verdedigen. Als ik daar vóór het einde van het jaar niet aan toe gekomen ben, mag u mij daar aan herinneren.
Ik moet dit beslist eens voorleggen aan professor Omsk van Togenbirger de Waelekens. Benieuwd hoe een filosoof daarover denkt
|