Adempauze in de daktuin van een Berlijns warenhuis, anno 1911
"Ze kunnen het dak op," zou de directie van het Berlijnse warenhuis in
kwestie wel eens gedacht kunnen hebben, zonder echter ook maar in de
geringste mate denigrerend te denken of te handelen ten opzichte van al
degenen die men op het oog had. Tegenwoordig is het weer in om bovenop
zo'n groot perceel een soort daktuin in te richten, die dan ook heel
dikwijls over horeca-mogelijkheden beschikt. Soms wordt het vandaag de
dag voor een proefperiode gedaan, waarna men eens verder kijkt, en
altijd zullen commerciële overwegingen daarbij op de voorgrond staan.
Dat het in het geval van het Berlijnse warenhuis in die dagen niet om
een experiment voor de klandizie van de zaak ging, moge blijken uit de
uniforme kledij van de dames, die zich daar verpozen. Het bijschrift
van de oorspronkelijke foto verraadt dan ook dat het hier om een
middagpauze gaat.
Alt-Heidelberg â een stuk Duitse literatuur van het fin de siècle
Op vrijdag 22 november 1901 werd in het Berliner Theater zum ersten
Male een opvoering gerealiseerd van het toneelstuk in vijf bedrijven Alt-Heidelberg, geschreven door Wilhelm Meyer-Förster,
en geënsceneerd door Alfred Halm. Volgens enkele lexicografen, die zich
intensief met de Duitstalige literatuur hebben beziggehouden, is dat Schauspiel nog zeer succesvol gebleventot,
in ieder geval, rijkelijk in de tweede helft van de twintigste eeuw.
Het toneelspel in kwestie is een gedramatiseerde versie van een novelle
uit 1899, die de titel droeg: Carl Heinrich, een behoorlijk
sentimenteel gebeuren met een prins als protagonist, die een
serveerster genaamd Käthe nader leert kennen van dezelfde auteur,
wiens naam heden ten dage slechts weinig literatuurliefhebbers en
toneelminnaars nog iets zal zeggen, al moet worden vastgesteld dat de
goede man als schrijver zeer productief is geweest.
De auteur
Wilhelm Meyer-Förster werd op 12 juni 1862 geboren en ging na zijn
basisopleiding eerst maar eens rechten studeren en vervolgens
kunstgeschiedenis. Daarvoor zag hij in ieder geval aardig wat van de
iets ruimere wereld dan die van zijn geboortestad en -streek. Hij begaf
zich voor die studies naar Leipzig en Wenen, München en Berlijn. In
1890 trad hij in het huwelijk met de schrijfster Elsbeth Blasche, en
leefde, vanaf het jaar dat deze verbintenis werd gesloten, tot in 1898
eerst in Parijs, waarna een terugkeer naar het vaderland werd gerealiseerd en het paar zich in Berlin-Grunewald vestigde.
Meyer-Förster blonk uit als verteller en als toneelschrijver, die er
reeds tijdens zijn studie in was geslaagd ruime bekendheid te verwerven
met zijn satirische roman Die Saxo-Saxonen, welke in 1885 is verschenen.
Het Schouwspel in boekvorm De tekst van het toneelspel in vijf bedrijven, dat als Alt-Heidelberg,
van Wilhelm Meyer-Förster, de geschiedenis is ingegaan, is in boekvorm
ook een behoorlijk succes geweest. In een mededeling vooraf over de
toestemming die moet worden verkregen, alvorens tot opvoering mocht
worden overgegaan, heeft de auteur aldaar nog de persoonlijke noot
toegevoegd dat zijn novelle, die aan het toneelstuk ten grondslag heeft
gelegen, eerder bij de Deutsche Verlagsanstalt was verschenen. Het
exemplaar dat ik thans beschikbaar heb, is in 1905 uitgekomen in een
nieuwe oplage met daarbij de vermelding dat het om het 91.94. Tausend
gaat. Uitgever was indertijd de firma Druck und Verlag von August Scherl G.m.b.H., Berlin. Het gaat (bij mijn exemplaar) om een uitgave als Sonderheft van het tijdschrift Die Woche,
dat eveneens in de Verlagsbuchhandlung van August Scherl is verschenen,
en waarvoor op de achterzijde van het boek dan ook reclame wordt
gemaakt.
De uitgever en zijn fonds
Het is altijd weer fascinerend te zien hoeveel in menige context is
het beter te zeggen: hoe weinig dergelijke boeken en bladen kostten. Die Woche wordt aangeprezen als moderne illustrierte Zeitschrift alle sieben Tage ein Heft, Preis 25 Pfennig. Een prijs, die weliswaar uit onze optiek vrij gering was, maar voor een eeuw geleden helemaal niet zo uitzonderlijk. [*]
Verder meldt de uitgever dat in dezelfde reeks al eerder in zwangloser
Folge andere boeken over Krieg im Frieden (Kaisermanöver 1903) zijn
verschenen, alsook Preislieder-bundels en liederen voor Männerchor.
Het boekje Alt-Heidelberg heeft een omvang van 110 paginas, opdikkend romandruk, en is rijk geïllustreerd met veel
fotos, die bijna alle zijn gemaakt tijdens verschillende opvoeringen,
variërend van Berlijn en Wenen, via Hamburg en Hannover, tot Frankfurt,
Leipzig en Stuttgart. Het is dan ook terecht dat over een groot succes
werd gesproken.
Achterop het boek staat dat de aan de voorzijde genoemde duizendtallen
samen de zevende oplage vormden en dat de prijs 1 Mark bedroeg. Ik moet
er nog aan toevoegen dat de fotos op speciaal, licht crèmekleurig
papier zijn afgedrukt, en dat was in die tijd niet een fluitje van een
cent, zoals anno nu.
Vondst
Toen in 2003 de weduwe van mijn allereerste uitgever, die tien jaar
eerder was overleden, is gestorven, bleken er zich, verspreid door het
wel zeer grote huis, dozen en papieren zakken met mijn naam erop te
bevinden, en dat alles zat vol met krantenknipsels, tal van
tijdschriften, boekjes en wat niet al: potloden en pennen van ver voor
de oorlog en zo meer. In een zak met alleen maar uitgeknipte plaatjes
en ander drukwerk dat alleen als oud papier kon worden aangemerkt,
bevond zich ook het gekreukte, van watervlekken voorziene, exemplaar
van Alt-Heidelberg.
__________
[*] Ik, geboren in 1945, herinner me dat mijn moeder omstreeks 1949
bij een groot warenhuis dat met eenheidsprijzen werkt(e), voor een
kwartje boeken kocht. Relativeren is een goede zaak, en dus, al lijkt
het dat er in veertig jaar niets zou zijn veranderd, moet daar aan
worden toegevoegd, dat boeken bij zon winkel speciaal werden
aangemaakt en er niet veel ruimte werd ingenomen zoals in een normale
boekwinkel met een assortiment. Zoals later sommige ramsj speciaal werd
aangemaakt voor de toen enige alternatieve boekhandelsketen, en weer
enkele decennia later was dat voor een deel reeds het paradepaardje
waarmee veel klanten werden getrokken. Zoals al die tijdschriftlezers
in 1905 vanzelfsprekend in het blad Die Woche werden gewezen op die speciale boek-editie van zon populair stuk als Alt-Heidelberg, dat inmiddels velen kenden, of erover hadden gehoord of het eventueel zelf al hadden gelezen.
___________
Afbeeldingen
1. Voorplat van de editie van 1905 van het toneelspel Alt-Heidelberg uit 1901, van Wilhelm Meyer-Förster.
2. Wilhelm Meyer-Förster de auteur en zijn signatuur.
3. Prins Karl Heinrich (Otto Fricke) en Käthe (Poldi Sangora), hier in een opvoering door het Frankfurter Schauspielhaus van Alt-Heidelberg.
Divadom en Demonie van het Derde Rijk geïnventariseerd
Liefde en waanzin ter grotere glorie van het nazidom
__________ Huismoeders naast en tegenover Paradevrouwen
Vrouwen waren ten tijde van de nationaal-socialistische heerschappij in
de eerste helft van de vorige eeuw gereduceerd tot de functies, die het
reilen en zeilen van huis, haard en nakomelingschap betroffen. Toch
zijn tal van fervente aanhangsters van de nazi-ideologie aan die
beperkingen vroeg of laat ten gronde gegaan. Daarnaast was er ook een
reeks individuen die erin is geslaagd de barrières te doorbreken en
zich op een andere manier te profileren ten faveure van het rijk der
uitzonderlijke boosaardigheid in Midden-Europa gedurende vooral het
derde en vierde decennium van de twintigste eeuw. Daartoe behoorden
niet alleen de echtgenotes van de bonzen wier naam en toenaam zich qua
infamie tot ver buiten de grenzen van Europa hadden weten te vestigen.
Op die manier functioneerde zowel de gewezen actrice Emmy Göring als de
Hitler-leerlinge Henriette von Schirach, die, evenals nog andere dolle
dames uit de sfeer der wederhelften van nazibonzen, hun taak daarin
zagen de mannen te ondersteunen waar ze konden. Magda Goebbels de
echtgenote van de zeer begaafde en even zeer gedegenereerde
propaganda-minister speelde zelfs een heel bijzondere rol: die van
Eerste Dame van het Derde Rijk, mede doordat Hitler zijn geliefde Eva
Braun niet op de voorgrond plaatste.
Vrouwen in de kunsten
Ook enkele dames uit de wereld der kunsten, wier roem eveneens het
regionale Duitse cultuurgebied was ontstegen, deden hun uiterste best
met hun gaven het ware wezen van de nazicultuur een kunstzinnig
aanschijn te geven zoals in het geval van de filmactrice en zangeres
Zarah Leander (1907-1981) of de triomf van het
nationaal-socialistische karakter onnavolgbaar in beeld te brengen,
hetgeen de fanatieke Leny Riefenstahl (1902-2003) heeft gerealiseerd.
Achteraf was ze, uiteraard, zou je willen zeggen, zelf slachtoffer van
nazi-intriganten en moest ze vanzelfsprekend steeds voor haar leven
vrezen binnen die cultus. Kortom, een weerzinwekkend wezen.
Tussen al die uitgelezen vrouwen, die vooral in eerste instantie een
paraderol als wederhelft van een lid van de Nazi-Prominenz dienden te
spelen, bevonden zich ingetogen levende jongedames, met hun
verliefdheid-in-enigerlei-vorm op de Führer, zoals Hitlers nicht Geli
d.w.z. Angela Raubal de dochter van zijn halfzuster die als geen
ander na de oorlog de fantasie van zo menigeen heeft geïnspireerd:
journalisten, historici en psychologen. Deze konden putten uit tal van
memoires van partijgenoten van anno dazumal, welke in de periode na de
ineenstorting allengs beschikbaar zijn gekomen.
Historisch gedegen onderzoek
In 1998 is het eerste deel van een zeer omvangrijke studie naar het
functioneren van deze nazivrouwen gepubliceerd. Twee jaar later kwam
het tweede deel en na nog eens zon zelfde periode werd de trilogie
gecompleteerd. In 2005 is de inmiddels tot bestseller-reeks
geavanceerde publicatie in dertig talen overgezet, hetgeen aantoont hoe
groot de belangstelling ook buiten de Europese grenzen variërend van
Amerika tot China in feite is. Bovendien is het een goede erkenning
voor het acribische onderzoek dat Anna Maria Sigmund heeft verricht.
Deze historica van het Institut für Geschichtsforschung van de
Universität Wien heeft in haar drie boeken met in totaal twintig
vrouwenportretten een stukje monnikenwerk verricht dat op onnavolgbare
wijze een aanvulling vormt op de reeds bestaande literatuur, die deze
dameswezens voor een deel reeds in kaart gebracht had.
Dat slechts weinigen van al deze echtenotes en maitresses de zo
dikwijls gepropageerde hoge normen en waarden konden realiseren, werd
angstvallig voor de buitenwereld geheim gehouden, en dat kon voor een
deel als gevolg van de hermetisch gesloten hofhouding die Adolf Hitler
er op nahield.
Nicht Geli en Zuster Pia
Toen Hitlers nicht Angela aan het eind van 1927 ze was toen negentien
jaar oud van oom Dolf te horen had gekregen dat ze twee jaar zou
moeten wachten, alvorens hij erin zou toestemmen dat ze met zijn
chauffeur in het huwelijk zou treden, bleek dat in de praktijk geen
ander doel te hebben dan dat dit huwelijk, door middel van directe en
aan derden geïndiceerde maatregelen, op de lange baan zou worden
geschoven, en daarin is de bezorgde Oom Adolf dan ook geslaagd. De
brief die de, op dat punt nog, naïeve Geli op kerstavond van dat jaar
aan haar geliefde schreef, is in 1993 te München geveild. Het is een
document dat voor het eerst een duidelijk beeld verschaft van de
relatie tussen nicht en oom, die uiteindelijk mondde in de zelfmoord
van Geli in september 1931.
Een andere rasechte nazivrouw echter niet door huwelijks- of
familiebanden aan Hitlers kongsi gelieerd was de door eigen gebrek
aan menselijkheid tot op het merg met fanatisme vergiftigde Eleonore
Bauer (1885-1981), beter bekend als Schwester Pia, de draagster van de
Blutorden des Dritten Reichs. Haar geestelijke mismaaktheid valt het
best te illustreren door een citaat uit haar praktijkwerkzaamheden als
rechtgeaarde katholieke zuster. Tijdens de kerstviering met alles
erop en eraan, die zij had geïnitieerd voor een klein aantal gevangen
rijksduitsers in het concentratiekamp Dachau in december 1941, sprak
zij: Die Juden aber müssen krepieren und durch den Kamin gehen. Toen
daarop een kapo een gevangene, die toezicht hield op een
Arbeitskommando vol trots vertelde dat hij reeds 96 Joden had gedood
en hem er nog slechts vier ontbraken om het honderdtal vol te maken,
kuste zuster Pia hem en gaf hem ook een extra kerstpakket.
Voor wie het nog niet wist: het ware gezicht van het Derde Rijk bestond
uit geïncarneerde, nog steeds onvoorstelbare, beestachtigheid, niet
alleen bij een enorme groepering van door machtscomplexen en
expansiedrift gevormde zielige, onwelriekende mannetjes, maar evenzeer
in wezens, die als echtgenotes, moeders en representantes van het
malicieuze misdaadsyndicaat van Berlijn de keerzijde van de medaille
hebben gepresenteerd, die echter niets anders was dan een spiegelbeeld.
_______
Anna Maria Sigmund: Die Frauen der Nazis. Die drei Bestseller
vollständig aktualisiert in einem Band. 1.072 pag., paperback; Wilhelm
Heyne Verlag, München, 2005; ISBN 3-458-60016-9. Prijs 15,. (Deze
prijs geldt alleen in de BRD en in Amsterdam bij Boekhandel Die Weisse
Rose.)
ALS de laatste ballon de mist is ingegaan, het laatste kaartenhuis in elkaar is gevallen en de laatste zeepel uiteengespat, zal ik komen met knikkende knieën in de zekerheid dat ik niet word afgewezen.
Uit: De rots van Gibraltar G.A. van Oorschot, 1969
Op maandag 11 juni is de dichteres Hanny Michaelis in de
leeftijd van 84 jaar gestorven engeheel
in de Joodse traditie is zij reeds op dinsdag 12 juni ter aarde besteld. Dit is
gebeurd in kleine kring; een officiële herdenking is voorzien voor woensdag 20
juni in museum De Burcht. Hanny Michaelis werd in Amsterdam geboren in 1922, op
19 december. Als gevolg van de extremistische rassenwaan van Hitler en
consorten verloor ze haar beide ouders in de oorlogsjaren. Daaraan refereert ze
ook in haar gedichten, zoals in De rots van Gibraltar (1969).
In 1948 trad ze in het huwelijk met collega-pennenvoerder Gerard Kornelis van
het Reve (1923-2006), en een jaar daarna verscheen haar eerste bundel bij
uitgeverij Meulenhoff: Klein voorspel (1949), gevolgd door nog vijf
bundels in een tijdsbestek van 22 jaar. Water uit de rots kwam in 1957
uit, in 1962 gevolgd door Tegen de wind. In 1966 werd Onvoorzien
gepubliceerd, en de laatste bundel kwam in 1971 uit, met als titel Wegdraven
naar een nieuw Utopia.
__________
TUSSEN de andere bomen, welige groene gevaartes, die ene, ieder jaar schraler in knop en nu alleen nog maar een fijn vertakt skelet, broze vergroting van een blad in de herfst dat tot op de nerf is verteerd.
Een caricatuur van Goethes groengouden levensboom, maar dichter bij de waarheid.
Uit: De rots van Gibraltar (1969)
_________
Doordat de herenliefde in het leven van
haar echtgenoot een voor verdere samenleving bezwaarlijke rol ging spelen,
gingen de beiden uiteen, maar ze bleven goed bevriend, en ook later heeft Hanny
Michaelis haar ex nog meer dan eens opgezocht. Toen Gerard Reve in april 2006 overleed, was ze echter al te ziek om zijn begrafenis, in het Belgische Machelen-aan-de-Leie, bij te wonen. In 1985 heeft Hanny Michaelis een kleine keuze uit eigen werk geleverd aan uitgeverij
Van Oorschot voor een verzamelbundel met werk van
dichteressen: Gedichten 1945 G.A van Oorschot 1985. Daarna stelde zij een keuze uit eigen werk samen, die in
1989 als Het onkruid van de twijfel werd gepresenteerd. In 1996 werd al
haar poëzie in één bundel bijeengebracht: Verzamelde gedichten. In 2006
is daarvan de vierde druk uitgebracht. Een jaar dáárvoor had J.J. Voskuil nog
een bescheiden keuze uit haar gedichten gemaakt.
Hanny Michaelis werd in 1995 onderscheiden met zowel de Anna Bijns Prijs,
alsook de Sjoerd Leikerprijs voor haar gehele oeuvre. Drie decennia eerder, in
1966, had zij de Jan Campert-prijs ontvangen.
In 2002 zijn haar jeugdherinneringen uitgekomen onder de titel Verst
verleden, over haar wel en wee in de jaren twintig en dertig in de
hoofdstad.
________
DE triomfantelijke moeders achter hun kinderwagens zouden van me walgen als ze wisten hoe opgelucht ik me voelde toen ik merkte dat ik niet zwanger was en geen moord hoefde te plegen om te voorkomen dat door mijn toedoen iemand gedwongen zou worden zich aan het naargeestige leven vast te klampen uit angst voor de dood.
Uit: De rots van Gibraltar (1969)
__________
De foto van Hanny Michaelis is van uitgeverij Van Oorschot te Amsterdam.
VÃtězslava Kaprálová componist van de week bij de Vara op Radio 4
In april 1940 verbleef de Tsjechische componiste Vítězslava Kaprálová al een maand langer dan een jaar in Frankrijk, omdat ze niet terug wilde naar haar geboorteland. Ze trouwde er met de schrijver Jiri Mucha, en twee maanden later kwam er een einde aan haar jonge leven, dat verse huwelijk, en haar, zij het ietwat moeizame, loopbaan als componiste. Ze overleed, volgens zeggen, aan tuberculose.In dat korte leven heeft ze een
toch aanzienlijk oeuvre nagelaten van veertig composities, waarvan er
in de loop van deze week in totaal zestien zullen worden voorgesteld in
het programma Componist van de week, een programma van Thea Derks, dat normaliter van maandag tot en met vrijdag tussen 19:30 uur en 20:00 uur via de Nederlandse zender Radio 4 door de Vara wordt uitgezonden. [1] In de uitzending van maandag 11 juni worden de volgende stukken aan u voorgesteld: 1. Twee liederen, opus 4; gezongen door de sopraan Dana Buresova, aan de piano begeleid door Timothy Cheek. 2. Burlesque voor viool en piano; uitgevoerd door Josef Dolezal, viool en Jan Erml, piano. Dit betreft opnamen, die de Tsjechische Radio Brno op 6 april 1955 heeft gemaakt. 3. Januari. De uitvoerenden zijn Dana Buresova, sopraan; Timothy Cheek, piano; Magda Cáslavová, fluit; Petr Zdvihal en Jan Valta, viool; David Havelik, cello. 4. Twee delen uit het Strijkkwartet, opus 8: (2) Lento, en (3) Allegro con variazioni. ___________ [1] Een enkele keer wordt van deze structuur afgeweken, bij voorbeeld door een festival of vanwege een andere, actuele aanleiding. In dit geval wordt vrijdag geen werk van Vítěslava Kaprálová uitgezonden, omdat de zendtijd die avond is uitgetrokken voor de componist van de Dag: Hanno Eller, van wie een werk zal worden uitgevoerd, dat rechstreeks vanuit de Festivaltent op het Plein de ether zal worden ingestuurd.
De onvoorwaardelijk-muzikale memoires van dirigent Michael Gielen
In juli wordt dirigent Michael Gielen tachtig jaar, en naar aanleiding daarvan komt er een nieuwe versie van de Gurre-Lieder van Arnold Schönberg (1874-1951), waarover we u dan nader zullen informeren. Die acht decennia zijn bepaald niet ongemerkt aan dit wezen voorbijgegaan. In een verkeerde tijd in Duitsland te hebben moeten opgroeien, heeft zonder enige twijfel zijn sporen nagelaten, en bijgedragen tot verdere sensiblisering jegens kwalijke stromingen in maatschappij, kunst en cultuur. Op zijn zesde vertrok het gezin uit Dresden naar Wenen en vervolgens naar Argentinië. Daar leert Michael Gielen in zijn functie als koorrepetitor aan het Teatro Colón de grote dirigenten kennen en beleeft hij een optreden van Maria Callas. Bekendheid krijgt de musicus Michael Gielen als hij, 22 jaar oud, het complete pianowerk van Arnold Schönberg speelt. Eenmaal terug in Europa, beleeft hij hoogte- en dieptepunten, vooral op de internationaal hoog geschatte podia: Wenen, Stockholm, Brussel, Amsterdam, Frankfurt am Main. Zijn chefschap aldaar beschouwt Gielen als een centrale gebeurtenis. Alles wat hij heeft beleefd en ondergaan als bijzonder, is opgetekend
in zijn Memoires, die in 2005 al zijn verschenen, maar die nu, zo kort
voor zijn tachtigste verjaardag, best nog even weer onder de aandacht
van de eventueel geïnteresseerden mogen worden gebracht. Het is vooral
de boeiende veelzijdigheid in de muzikale en muzikanteske
persoonlijkheid Gielen, die het is gelukt de grote lijn van Bach, via
Beethoven en Mahler niet alleen tot in het begin van de eenentwintigste
eeuw vast te houden, maar deze tevens te verbinden aan tal van jonge
componisten uit de wereld der avantgarde, die hij (mede) tot ware
grootheden binnen de muziektraditie heeft weten te genereren. En ook op
hoge leeftijd is het een Rode Draad in zijn leven gebleven: Traditie en
Vernieuwing onlosmakelijk met elkaar te verbinden. ____________
Michael Gielen: »Unbedingt Musik« Erinnerungen. 368 pag., gebonden, met tal van afbeeldingen en een discografie; Insel Verlag, Frankfurt am Main und Leipzig, 2005; ISBN 3-458-17272-6. Prijs 19,80 (deze prijs geldt in de gehele BRD en in Nederland, maar dan bij Boekhandel Die Weisse Rose te Amsterdam).
'Waterloo' van Sergej Bondartsjoek zondagnacht en dinsdagmiddag op Arte
Op de foto: Regisseur Sergej Bondartsjoek (1920-1994). __________
Een imposant gebeuren is het altijd weer, een film te zien van Sergej
Fjodorovitsj Bondartsjoek (1920-1994), of dat nu om de zwart-wit
verfilming van Shakespeare's King Lear gaat of om Война и мир (Oorlog en vrede) uit 1967, die meteen de duurste film uit de Russische geschiedenis is geworden, en de regisseur een Academy Award (Oscar) heeft opgeleverd voor beste buitenlandse film. Drie jaar daarna was Ватерлоо (Waterloo) aan de beurt, waarin Napoléon Bonaparte, evenals in Oorlog en Vrede, een zeer vooraanstaande rol speelt. In de nacht van zondag 10 op maandag 11 juni presenteert de Duits-Franse cultuurzender Arte deze film in breedbeeld. Als aanvangstijdstip staat 00:40 uur vermeld. De film heeft een duur van twee uur en acht minuten. Een herhaling wordt aanstaande dinsdag, 12 juni, uitgezonden vanaf 14:40 uur. Bij de hoofdrollen komen we veel bekende namen tegen: Rod Steiger (Napoléon), Orson Welles (Louis XVIII), Jack Hawkins (Sir Thomas Picton), Christopher Plummer (Duke of Wellington), Rupert Davies (Lord Gordon). De Italiaanse componist Nino Rota (1911-1979) schreef de muziek. Evenals in Oorlog en vrede worden groots opgezette scenes van veldslagen getoond. Het verhaal is een reconstructie van 100 dagen uit het leven van de imperialistische dictator Bonaparte, beginnend bij zijn ontsnapping van het eiland Elba, waar hij zijn leven elf maanden als banneling had doorgebracht, tot en met de nederlaag van Waterloo.
Een vervelende morgen â zonder Romantiesch avontuur
Deze dag begon met Een vervelende morgen. Hoewel ik ontwaakte temidden van mijn in een halve eeuw opgebouwdeVerzamelingen, voelde ik direct dat dit geen etmaal zou worden van een Romantiesch avontuur. Ik besefte dat ik er beter aan zou doen, mij maar eens te beraden over de vraag of ik niet toch nog enkele Bladen uit mijn dagboek zou moeten ordenen, en wel zodanig dat mijn periode van Wonen in het buitenland
eindelijk die plaats zou krijgen, die zij op grond van haar
belangrijkheid verdient. Soms verlang ik heimelijk terug naar die tijd
en bedenk ik dat ik toen aanbiedingen bewust heb afgeslagen die me
echter zeker in staat zouden hebben gesteld om heden ten dage, in
plaats van in een grote stad in het nuchtere Nederland, mijn leven door
te brengen in oorden waar ik Onder de olijven zou kunnen
vertoeven, en als de zon me te fel zou worden, mij eventueel met alle
egards te laten omgeven door iemand die naar de welluidende naam Salvatore zou luisteren, met aan mijn zijde dan nog weer wat extra katten, waaronder ééntje met de aldaar zeer passende naam Imperia.
Doch nu dat alles, als gevolg van mijn eigen weigering ruim drie
decennia geleden, anders is verlopen dan tot de mogelijkheden zou
hebben kunnen behoren, neem ik veelal nuchter genoegen met Begeertes naar kleine wijsheden.
Aamborstigheid als direct gevolg van de nachtelijke, zeer dichte, mist weerhield mij van een Morgenwandeling
en daarom stelde ik de hond voor om in de zijtuin maar weer eens te
gaan inspecteren of de beide laurieren in de nacht opnieuw waren
gegroeid. Hond Amber kreeg, zoals altijd, onmiddellijk assistentie van
de beide oudste katers, die nooit ver van huis zijn. Sasja, de
vijftienjarige, zoekt weer veel sterker het contact met de oude
vertrouwden, nu hij zeer onlangs, na een laatst Tragiesch diner,
weduwnaar is geworden. Dertien jaar was hij met zijn vrouw Bontje, die tevens
zijn halfzuster was zelfde moeder, andere vader dag en nacht samen,
en dan is het wel even wennen, zo zonder wederhelft. Ooit was die tuin
naast mijn huis een klein paradijs zo vol groen dat geen enkele
voorbijganger kon zien of zich iemand in het Zen-gebeuren bevond.
Daaraan terugdenkend, besefte ik dat veel van dat, enkele jaren
geleden, gerooide groen voor mij, niet eens zo langzaam maar wel heel zeker, was omgevormd
tot Boomen van weemoed en smart.
Na eerst wat lopende zaken te hebben afgehandeld, besloot ik, per
eigentijdse vélocipède, met Amber de nodige boodschappen te gaan doen
ik ben tenslotte De man in huis, die zich, met alle respect voor Het verbeelde leven,
ook dient te bekommeren om zaken, die nuchterheid en realiteitszin
vereisen. Fietsend langs een imposant gokpaleis, dacht ik terug aan die
éne Avond in het casino, toen een tante van me ondanks
een belofte niet meer dan vijftig gulden in te zetten, meende mij te
kunnen vermurwen daar toch vijfduizend van haar beschikbare budget voor
te willen gebruiken. Omdat zij zeker was van Een millioen, dat Rockefeller zou kunnen verliezen, maar zij, Heleen, zeker zou winnen, zo niet nog flink wat meer. Over der menschen kinderlijkheid
gesproken. Maar als ze werkelijk zou hebben gewonnen . . . ik had het
maar hoeven te indiceren, en ze had, echter zonder ook maar in de
geringste mate notie te hebben wat het wel eens zou kunnen zijn, zomaar
een Aviatie-week voor me laten organiseren.
Dit alles de revue te hebben laten passeren, was ik aangeland bij een
antiquariaat waar voortdurend de opruimingsdozen en dito kratten worden
aangevuld. En tussen het vele dat ik al dikwijls had gezien, bevond
zich heden een exemplaar van u raadt het vast al wel L. Couperus: Korte Arabesken (1911),
hier echter in de gebonden editie van Wereldbibliotheek (1940), vijfde
druk, 9e duizendtal, met bandontwerp en houtsneden van Denise Acket.
De eerste helft van het boek was wel, netjes, gelezen, de tweede helft
bewees maagdelijkheid doordat het boek steeds weer dichtviel als ik het
opende. Hoewel ik Korte Arabesken wel tussen diverse andere
werken van deze meneer L. Couperus heb staan, kon ik de verleiding niet
weerstreven, dit exemplaar te kopen. Voor de houtsneden, zeg maar. Een
echte aanslag op het huishoudbuget is het niet geworden. Het boek
kostte zeven euro, maar omdat het langer dan twee jaar in de winkel
stond, kreeg ik het mee voor vijftig cent.
___________ Afbeeldingen
1. Houtsnede van Denise Acket in Korte Arabesken van Louis Couperus, in de WB-editie uit 1940, bij het verhaal Onder de olijven. 2. Houtsnede van Denise Acket in de uitgave uit 1940 van Wereldbibliotheek Amsterdam, met Couperus Korte Arabesken.
Deopera Lamé van Léo Delibes (1836-1891), gecomponeerd in 1883, op teksten van twee librettisten: de toneelschrijver Edmond Gondinet (1828-1888) en diens collega-auteur Philippe Gille (1831-1901), gebaseerd op een roman van de eveneens Franse schrijver Pierre Loti (1850-1923) getiteld Le mariage de Loti met daarvóór een geheel andere titel: Rarahu zal op zaterdagavond 9 juni worden uitgezonden via de Nederlandstalige, Belgische radiozender Klara. Het gebeuren begint om 20:00 uur en neemt samen met wat parafernalia, zoals in dergelijke programma's, niet alleen bij Klara, gebruikelijk is de gehele verdere avond in beslag. Aangezien ik medio april daarover een uitgebreid geïllustreerd artikel heb gepubliceerd op het weblog van Rond 1900.nl, All art is quite useless, verwijs ik u graag naar die bijdrage.
Foto: Criticus tijdens de pauze van een relatief grootschalige presentatie van een nieuw boek, alweer enkele jaren geleden.
__________
Iemand zonder benen
Een criticus is iemand zonder benen, die de wereld wil leren lopen,
las ik in een academische agenda, toen ik zelf net een half jaar
vrijwel dagelijks dagbladkritieken schreef over klassieke muziek, en
ik, letterlijk aan de vooravond stond van mijn avontuur, zoals
beschreven in het verhaal, dat men in deze krant kan lezen onder de
titel Recensent, verschenen op 20 mei, in de categorie Verhalen.
Het was de zomer van 1975 en ik had net het verzoek gekregen om in een
mij geschikt dunkende vorm een bijdrage te schrijven voor de grote
kunstbijlage van de krant, die eind augustus van dat jaar zou
verschijnen, over mijn gevoelens en ervaringen gedurende die zes
maanden en hoe ik aankeek tegen het fenomeen kritiek en de bejegening
door anderen sedert ik die functie vervulde. Mijn bijdrage begon met de
zin, waarmee ook deze beschouwing opent, en eindigde met Oscar Wilde:
Men kan nog eerder een vrouw of een grafschrift geloven dan een
criticus vertrouwen.
Extremen
Op de persoonlijke elementen wil ik, althans in deze context, niet
ingaan, hoezeer deze ook hebben bijgedragen tot verder inzicht in de
vele diepten en de weinige hoogten in het wezen van het gemeenste en
mede daardoor gevaarlijkste van alle roofdieren: de mens.
Wat ik aan uitersten heb gesignaleerd, is verbijsterend: nuances
behoorden tot de categorie onbetaalbare antiquiteiten, en de dwaasheid
van het ene extreme was inwisselbaar tegen die van het andere: of je
werd op handen gedragen, en kreeg bijna een nimbus aangereikt want
binnen enkele weken na mijn aantreden in de kolommen van die (voor mij
toen nog, doch slechts heel kort, enige) krant wist bijna elke
organisator van concerten in de wijde omgeving van de noordelijke
metropool wie ik was en hoe ik eruit zag , of je werd heel korzelig
bejegend: of kritiek nou zo nodig was, of je het fijn vond altijd zo
negatief te zijn (wat overigens in nog geen tien procent van de
gevallen zo was), en of je zelf ooit dat gekraakte orgelstuk
misschien al eens beter had uitgevoerd. . .
Onverstand
De recensent kon niet schrijven en had geen verstand van datgene
waarover hij oordeelde. En uiteraard was het een schande dat zo iemand
zomaar een mening verkondigde. Maar kritiek op de kritiek was niet
alleen geoorloofd, maar vanzelfsprekend, immers "héél wat anders!"
Het meest opvallende element was, dat als je op bepaalde concerten géén
acte de présence had gegeven, de ochtend erna men wel naar de krant
belde of de recensie vandaag of morgen zou komen, enzovoorts. Men
verlangde naar nieuwe teksten van het onverstand. . .
Reactie
Zo ben ik aangeland bij de opvatting van lezeres Rina van Dijk, die een
recatie stuurde op De Professor weet het beter [1] een leuk,
anekdotisch gebeuren in het leven van drie protagonisten uit het
literaire München, nu zon 75-80 jaar geleden. Zij stelt, dat de
professor misschien wel gelijk had met zijn opvatting dat interpretatie
geen taak van de dichter, maar van de criticus was.
Welnee! Noch de professor, noch Rina van Dijk heeft in deze gelijk. . .
Maar je kunt met evenveel doodsverachting de stelling verdedigen dat
zij beiden gelijk hebben. Kan zoiets dan? Ja, als het besef maar wel
daagt: beiden slechts, dan wel zelfs, voor vijftig procent.
Functie
De functie van de kritiek heeft haar plaats in de maatschappij, zowel
in de zin der filosofie, als die welke de vorm aanneemt van
interpretatie, en tevens die van beoordeling. Zo heeft elke vorm van
kritiek bestaansrecht, mits deze de feiten die, op welke wijze dan ook,
een rol spelen bij het ontstaan van enig (kunst)werk, geen geweld
aandoet. Dat is de objectieve kant van de zaak der kritiek, voor de
rest is alles slechts een kwestie van subjectiviteit.
De beoordeling door derden welke dan ook beperkt zich ook hier
helaas tot twee uitersten: de ene groepering verklaart de kritiek
heilig en onaantastbaar, volgens anderen is nu juist 'de criticus' de
enige die nooit iets van een roman, gedicht, een film of concert, een
schilderij of toneelstuk heeft begrepen. De gulden middenweg en alle
nuances daaromheen zijn ver te zoeken.
Klabund versus Kutscher en vice versa
We zullen het in casu Kutscher versus Klabund niet kunnen reconstueren,
dus blijft het gissen, en is mijn vraag in principe slechts een
retorische: had de professor geweten dat Alfred Henschke de dichter in
kwestie was, zou hij dan ook zo hebben gereageerd? Aannemelijk in de
ons inmiddels bekende situatie is, dat het niet zo ver zou zijn gekomen
omdat de professor ongetwijfeld vol trots dat hij Klabund kende en
hem ook nog eens zelf als dichter had ontdekt hem in het gebeuren zou
hebben betrokken, niet meer overdonderd had kunnen raken want
overdonderd was-ie, en dat zegt al heel veel en, mede gelet op
Kutschers welwillende houding ten opzichte van het nieuwe in de
literatuur, zou die hele geschiedenis met eventueel dezelfde
waardering en dezelfde opgetogenheid nou nèt een ander verloop hebben
gekregen.
Polyinterpretabel
Het geldt zeker niet voor alle poëzie, maar een dichter die letterlijke
of figuurlijke beelden omzet in tekst, heeft vanzelfsprekend het volste
recht deze te interpreteren en zijn (subjectief ondergane) bedoelingen
kenbaar te maken.
Poëzie mag, wat mij betreft graag, voor velerlei uitleg vatbaar zijn.
De lezer heeft recht op eigen, letterlijke en/of figuurlijke, beelden
bij het ondergaan, en als gevolg daarvan het interpreteren, van de
eigen gevoelens. Dat zoiets bij ieder een volstrekt ander resultaat kan
opleveren, is alleen maar een aanwinst. En als zij of hij door de
combinatie van datgene wat wordt aangereikt in tekst, en het
resultaat van het uitwerken in een conglomeraat van grijze cellen
ook nog eens wordt geprikkeld, is een der belangrijkste functies die
literatuur heeft, zo en passant gerealiseerd. __________ [1] De Professor weet het beter is te vinden op dit weblog, op 31 mei 2007.
Wolfgang Hilbig (1941-2007) â het literaire einde van alle zekerheden
Groen
graf Twee
weken geleden kocht ik in een antiquariaats-opruiming ― het boek had een paar jaar kennelijk onberoerd in de kast
gestaan en werd daarom voor de somma van vijftig cent van de hand gedaan ― een nog ongelezen, en in staat van nieuw
verkerend, exmplaar van de verhalenbundel Grünes grünes Grab van Wolfgang
Hilbig, een boek dat ik veertien jaar geleden al eens ter recensie van de
uitgever had gekregen. Weinig kon ik op dat moment bevroeden dat zelfs de titel
een voorbode inhield: vandaag, maandag 4 juni, bereikte mij de mededeling dat
de schrijver jongstleden zaterdagavond op 65-jarige leeftijd was gestorven. Hij
was al enige tijd ziek.
Het vroegste en derhalve voor mij oudste van Wolfgang Hilbigs gedichten dat ik in eigen huis kon vinden,
dateert van 1965 en heeft geen titel. Het is afkomstig uit een bundeling Proza en lyriek uit 1992, toen uitgeverij Reclam nog een sepaaat functionerende Ost-Abteilung had en deze bundel heeft gepubliceerd. Deze is helaas niet meer verkrijgbaar. De inhoud geeft een heel goed beeld van de schrijver Wolfgang Hilbig tot op dat moment.
ihr habt mir
ein haus gebaut laßt mich ein
anderes anfangen.
ihr habt mir sessel aufgestellt setzt puppen in eure sessel.
ihr habt mir geld aufgespart lieber stehle ich
ihr habt mir einen weg gebahnt
ich
schlag mich durchs gestrüpp seitlich des wegs.
sagtet ihr man soll allein gehen werde ich gehen mit euch.
__________
Chicanes Wolfgang Hilbig werd in 1941 in het
Thüringse Meuselwitz geboren en was daardoor, later van lieverlee, burger
van de DDR. Hij stamde uit een mijnwerkersgezin, en had slechts acht leerjaren
aan de Volksschule mogen doorlopen. Toch slaagde hij er nog relatief jong in
een plaats als schrijver te veroveren, al ging dat niet zonder slag of stoot,
en had hij bij tijd en wijle flink te lijden onder de chicanes van de culturele
apparatsjiks van de partij, die hem overigens, zij het vanuit hun optiek,
zoveel mogelijk hebben genegeerd. Vanaf het midden van de jaren zeventig zijn
de eerste gedichten van Hilibig in het westen gepubliceerd, maar toen er, in
1979, bij Fischer in Frankfurt am Main, een hele bundel met lyriek ineens was
verschenen, werd hij enige weken in voorarrest gehouden en kreeg hij vervolgens
een geldboete voor die overtreding.
Literaire kosmos Kort nadien is zijn eerste prozawerk
uitgekomen, en binnen zeer korte tijd snelde zijn reputatie hem vooruit: hij
was een schrijver die zekerheden en andere, als vanzelfprekend ervaren
feitelijkheden, durfde te ondermijnen, en met die instelling werd hij langzaam
maar zeker een deskundige voor pogingen om het onzekere onder woorden te
brengen en de lezer uit te nodigen zijn alternatieven, zij het ook passief: in
woorden op papier, te volgen. Deze geheel eigen literaire kosmos welke werd
gedomineerd door een volstrekt alternatieve instelling, hier en daar zelfs om der
wille van het onmiddellijke en volstrekte alternatief ― hetgeen reeds in het
boven afgedrukte gedicht voorbeeldig wordt geëxposeerd ― kreeg zijn weerslag in
ieder nieuw boek, zij het steeds met een ander aspect van die alternatieve
wereld. En met al die vervolgdelen ― welke in tekstuele uiterlijkheid steeds
zo verschillend waren, maar uit één en dezelfde bron afkomstig waren, of dat nu
om een kort verhaal ging, zoals Die Angst vor Beethoven uit 1985, of om
complexe romans, zoals Ich uit 1993 of Das Provisorium uit 2000 ― komt de
lezer keer op keer uit bij de stelling dat niets is zoals het, zelfs voor de
realisten onder hen, lijkt. En elke nieuwe protagonist werd, in volle
overtuiging, ook steeds weer op een dwaalspoor gezet, want de schrijver doet eveneens
diens schijnbestaan op zijn grondvesten sidderen. En met die taktiek gaat de
auteur zo ver dat Schijn en Wezen nauwelijks meer te onderscheiden zijn, met
alle gevolgen vandien, niet in de laatste plaats voor het besef van de
dimensies tijd en ruimte.
Aantasting Wolfgang Hilbig was en bleef een figuur
aan de rand van het literaire gebeuren, waar hij nimmer heeft kunnen aarden,
ook niet nadat hij, na de ineenstorting van de DDR, eenmaal een zeer
succesvolle, doch nimmer echt breed geliefde auteur is geworden, al woonde hij reeds
sedert 1985 in West-Duitsland. Dat alle onzeker makende, en derhalve
verontrustende, elementen in het werk van Wolfgang Hilbig zon grote ― zeg
maar gerust: alles overkoepelende ― rol
spelen, mag niemand verbazen, die zich realiseert dat hij in de Staat van de, toentertijd
als zodanig ervaren, Totale Überwachung heeft geleefd. Door zijn heengaan zal
hij het echter niet meer meemaken dat de nieuwe Gestapo-Stasi ― die in de huidige Spook-Staat BRD
zo driftig in de maak is, en die vervolgens als een vijversteentje met lawine-effect,
het eens in aanleg democratische Europa zal overspoelen ― de monsterlijkheid van Wolfgang Hilbigs vroegere, uiterst
ongewisse, levenssfeer in de voormalige DDR, met een nu nog onbeschrijfelijke
factor, zal Machtsverheffen.
Tot besluit Ter afsluiting twee gedeelten uit een
gedicht van Wolfgang Hilbig uit 1988:
die nacht, sie ist atlantikferne. auch wenn uns wogen überrollen: ein ferner
sturm umzieht uns. und weiter dunkel und geschlossen auch für jegliche
sterbliche nachkunft. Schiefgezogener vorhang über verbissener kindheit wenn
ich ihr nachdenke. wie schnell verströmte sich das rauschen: in de
angstbegabten muschel meines munds. Blut im gehör. mit all dem stahl ich mich voran
ins mannesalter. Verlust in
mir er ist gedeckt mit einem drahtverhau. verzinktes wetter tief über der ebene
wo die grenzen blenden. Gekämmt bin ich frisiert vom fetten wind der
vergangenheit.
geboren in der nacht von grellen sonnen erleuchtet. erkoren in
der ersten finsternis die mir entgegenschlug; der nacht von einem ozean geboren
der im gleichen augenblick in strudeln abwärts jagte: der am ersten tag den
abgrund dunkler wogen wählte die sich selbst verschlangen ...
DeItaliaanse (groot-)Nederlander Orlandus Lassus (1532-1594) die we
eveneens kennen als Roland de Lâtre en later als Orlando di Lasso en
de Franse (voornamelijk romantische liederen)componist Gabriel Fauré
(1845-1924) hebben één week lang toch iets gemeen, al is er nauwelijks
een groter verschil in muziek schrijven denkbaar dan tussen het functioneren van die twee
meesters, althans in het kader van het klassieke gebeuren. De
overeenkomst daarentegen ligt in het feit dat beiden vijf werkdagen lang van
maandag 4 tot en met vrijdag 8 juni componist van de week zijn: Orlando op de Nederlandse zender Radio 4 in het gebruikelijke
Vara-programma van Thea Derks, elk van die avonden tussen 19:30 uur en
20:00 uur. Gabriel Fauré heeft het, qua tijdsduur in diezelfde dagen, wel beter getroffen met een dubbele lengte van de tijd waarin werk van hem wordt voorgesteld: een heel uur op BBC Radio 3, eerst in de middag tussen
13:00 uur en 14:00 uur en 's avonds, tussen 21:45 uur en
22:45 uur nogmaals. In beide gevallen Nederlandse tijd. De websites van de twee programma's verstrekken de eventueel gewenste nadere informatie over de uit te voeren werken.
De complete gedichten van Rainer Maria Rilke in fraaie, gelimiteerde en toch voordelige editie
Rainer Maria Rilke: Die Gedichte. 896 paginas, crèmekleurig
dundruk, gebonden in linnen. Limitierte Sonderausgabe; Insel Verlag,
Frankfurt am Main und Leipzig, 2006; ISBN 3-458-17333-1. Prijs 15,. (Deze euro-prijs is geldig in de gehele BRD, en te Amsterdam bij
Boekhandel Die Weisse Rose.) __________
Bijzonderheden De nieuwste editie van Insel Verlag met Die Gedichte bevat
alle Duitstalige poëzie van Rainer Maria Rilke in de laatste door de
dichter zelf geautoriseerde versie, met uitzondering van de
vertalingen, die evenals het dichtwerk uit de beginperiode in een
representatieve keuze worden voorgesteld. De volgorde wordt bepaald
door de wetten der chronologie, maar waar het de verschillende cycli
betreft, is het jaar van voltooiing van doorslaggevende betekenis. Eén
uitzondering op het systeem is toegepast met betrekking tot Mir zu Feier,
waar niet is gekozen voor de tweede versie van 1909, omdat de
samenstellers de cesuur in de ontwikkeling van Rilkes dichterschap
welke ligt tussen de vroege gedichten en het Stundenbuch niet aan de waarneming van de lezer wilden onttrekken. Dat is een goed besluit geweest. __________
DER LESER
Wer kennt ihn, diesen, welcher sein Gesicht wegsenkte aus dem Sein zu einem zweiten, das nur das schnelle Wenden voller Seiten manchmal gewaltsam unterbricht?
Selbst seine Mutter wäre nicht gewiß, ob er es ist, der da mit seinem Schatten Getränktes liest. Und wir, die Stunden hatten, was wissen wir,wieviel ihm hinschwand, bis
er mühsam aufsah: alles auf sich hebend, was unten in dem Buche sich verhielt, mit Augen, welche, statt zu nehmen, gebend anstießen an die fertig-volle Welt;
wie stille Kinder, die allein gespielt, auf einmal das Vorhandene erfahren; doch seine Züge, die geordnet waren, blieben für immer umgestellt.
Rainer Maria Rilke (1875-1926) Uit: Derneuen Gedichte anderer Teil (1908), opgenomen in het poëtische verzamelwerk Die Gedichte (nieuwste Insel-editie 2006)
Bor de hond reisde mee naar diverse redacties in Europa
Met mijn huisdieren heb ik het altijd bijzonder getroffen. In 35 jaar tijd heb ik nu mijn derde hond, die, als het even kan meegaat, deels in de fietstas, omdat ze geen grote afstanden naast het rijwiel kan lopen of rennen. Mijn twee eerste honden waren veel groter en konden, zeker in hun jonge jaren, zo'n 30 kilometer per dag met de fiets mee. De eerste hond was een kruising tussen een husky en een herder, maar hij was op en top een sledehond. Zodra je een riem aan zijn halsband klikte, meende hij zwaar materieel te moeten trekken en dat btekende in de praktijk voor mijzelf wel eens meer remmen dan de pedalen rondtrappen. Het beste was dan ook hem zodanig te instrueren dat hij los zijn gang kon gaan, mits hij zich aan geboden en verboden hield, en da heeft hij keurig gedaan, hier in de stad waar hij elk plekje kende, maar ook in het westen van Nederland, in Brussel, Luxemburg en Duitsland. Hij ging dan ook heel graag mee naar de verschillende redacties in binnen- en buitenland. Tijdens wandelingen, en op reis, ook als dat per trein vele honderden kilometer was, vond hij alles prachtig, als hij maar mee kon. Bor vond het vooral heerlijk als we onderweg, waar dan ook, zijn favoriete viervoeters tegenkwamen: katten! Hij hoopte nog altijd dat hij er nog meer mocht 'hebben' dan de twee die thuis veelvuldig, al dan niet samen met hem, in zijn grote mand lagen.
________
Op de foto: in 1976 logeerden we bij vrienden in het Gooi, tijdens een week zeilen op Kortenhoef; Bor had van nature zeebenen en stond ook in een halve storm als een standbeeld op de voorplecht.
Afbeelding: Igor
Stravinski, getekend door Jarko Aikens (1984). Collectie Heinz Wallisch. __________
Achtergronden zoeken bij muziek Op zondag 3 juni presenteert de Britse zender BBC Radio 3
tussen 18:00 uur en 19:30 uur in het programma Discovering music de Symfonie
in driedelen uit 1945, van de Russische componist Igor Stravinski
(1882-1971). De duur van het programma geeft ― met de dubbele tijd die een uitvoering van het werk vergt ― al aan dat er meer aan de hand is
dan alleen de presentatie van muziek, hetgeen in dat programma gebruikelijk is.
Steven Johnson gaat hierin op zoek naar enkele ideeën die ten grondslag liggen
aan dit werk van Stravinski. Het Scottish Symphony Orchestra voert het werk uit
onder leiding van Alexander Shelley.
Een symfonie als dankbetuiging De Symfonie in drie delen werd in 1945 voltooid en
beleefde zijn eerste uitvoering op 24 januari 1945 in de New Yorkse Carnegie
Hall, onder leiding van de componist, die het opus heeft opgedragen aan de New
York Philharmonic Society als dank voor de twintigjarige samenwerking met dit
voortreffelijke muzikale instituut. Stravinski heeft verder in het
programmaboekje voor de New Yorkse première geschreven dat er geen programma
aan deze symfonie ten grondslag ligt, maar dat het heel wel mogelijk is dat
bepaalde indrukken van onze zware tijd (de Tweede Wereldoorlog) sporen hebben
nagelaten.
De hoeveelste nu eigenlijk? Stravinski maakte zelf nogal vaak gebruik van de term symphony
of zelfs symphonies, ook in een context waar zelfs helemaal geen
sprake is van een regelrechte symfonie, maar van een compositie met een
symfonische structuur ― zoals de Psalmensymfonie
uit 1930, of de Symfonie voor blaasinstrumenten uit 1920. Dikwijls wordt
Stravinskis Symfonie in drie delen beschouwd als zijn Derde. Als dat het geval
is, dan is het duidelijk dat de Symfonie in C, uit 1940 de Tweede is.
Maar dan komt vanzelf de grote vraag, welke symfonie dan als Eerste moet worden
gezien. Daarvoor zou een jeugdsymfonie uit 1907 in
aanmerking komen, al zijn er heel goed tellingen denkbaar die een geheel
andere conclusie toelaten, en dan kan men de onderhavige, driedelige zelfs als
Tweede, Vierde of Vijfde indelen. In ieder geval is het een echte symfonie,
waarin Stravinski teruggrijpt op de traditie van Beethoven en Brahms, voorzover dat de constructie en de
opeenvolging der delen betreft, ook al zijn dat er maar drie ― iets dat sedert
Mozart nauwelijks meer voorkwam.
Instrumentatie De uitvoering van de Symfonie in drie delen vereist een iets
groter orkest dan de Symfonie in C. Zo is er een extra klarinet nodig
(verdubbeling van de basklarinet), een extra contrafagot, één trompet meer, de
grote trom, en als bijzonderheid een piano en een harp die een concertante
functie vervullen: de piano in het eerste deel, de harp in het tweede en die
beide instrumenten in het derde deel. Er is wel eens gesuggereerd
dat Stravinski daarmee een poging heeft ondernomen om de symfonie en het
concerto tot een eenheid samen te smeden. In ieder geval is het dan duidelijk
dat het concerto de meeste concessies doet.
Eerstedeel(zonderaanduiding) Over het eerste deel schrijft de componist zelf dat het werd geïnspireerd
door verschroeide aarde tactieken in China. Het geeelte voor klarinet, piano
en strijkers zou zijn geconcipieerd als begeleidingsmuziek bij een filmscene
waarin Chinese mensen met hun handen en spaden de aarde bewerkten.
Het kan worden gezien als een toccata (allegro) in drie gedeelten, waarin het
gehele complex aan muzikaal materiaal van de symfonie in geconcentreerde vorm
wordt voorgesteld. Na een gedeelte waarin de piano zich solistisch doet gelden,
vat het derde gedeelte de draad van de expositie weer op ― recapitulatie ― om te eindigen met langzame blazersakkoorden.
Andante― Interlude: listessotempo Een duidelijk contrast met het eerste deel vormt het andante:
een opgewekt intermezzo vol gratie. Harp en solofluit bepalen het muzikale
gebeuren in deze driedelige liedvorm. Dit deel was aanvankelijk in 1942
geschreven als muziek bij de roman Das Lied von Bernadette (1941) van
Franz Werfel (1890-1945), maar werd daarvoor afgewezen.
Finale: conmoto De finale ― con
moto ― is ten dele een muzikale
reactie op de nieuwsjournaals en documentaires, die Stravinski had gezien en
waarin soldaten in ganzenmars liepen. Het laatste gedeelte kan worden gezien
als de opkomst van de Geallieerden in 1945. Deze finale presenteert, na een
inleiding, drie zelfstandige gedeelten met een fanfaremotief en verwijzingen
naar het andante. Daarna ontvouwt zich een eigengereid fugato, beginnend met de
trombone en overgaand in een dramatische coda.
Poëtische woorden in prozaïsche situaties De blikken trottel bleek geen enkel gevoel voor humor te
hebben, en als het ding al eens komisch uit de hoek kwam, dan geschiedde dat
geheelonvrijwillig. Technici hadden het apparaat dan ook wel enkele
nogal curieuze meldingen bijgebracht, zoals Wat verlangt u nu weer voor
een onzin van mij, geprint in kapitalen, evenals Cicero draait zich in zijn
graf om. Ook wel aardig was: Leert u zelf eerst eens Latijn. We hebben het over een computer uit het begin van de jaren
zestig, die in gebruik was te Saarbrücken, alwaar enkele onderzoekers zich
bezighielden met machinale taalanalyse.Het apparaat, dat door
een van de medewerkers later nog een werd omschreven als van voor de zondvloed,
was er een van de eerste generatie. Toch slaagden die bewuste geleerden erin
deze machine de twee eerste hoofdstukken van de Ludus Latinus, een soort
cursus Spelenderwijs Latijn bij te brengen, waarna deze in staat bleek
de tekst Magister puellam laudat te vertalen met Der Lehrer lobt das
Mädchen. Voordat het echter zo ver was, had het apparaat zich eerst beperkt
tot het min of meer letterlijk vertalen van de losse woorden, met als resultaat
Lehrer Mädchen loben.
Lidwoorden Via het tussenstation Lehrer lobt Mädchen
mochten de hardwerkende academici het toch nog meemaken dat de computer
uiteindelijk ook de lidwoorden kon toevoegen. Daarop vielen de onderzoekers
elkaar van blijdschap in de armen, als waren zij de technici van Cape Canaveral,
en zongen zij samen als professor Higgins in My fair Lady. Heel veel is er in de vier daarop volgende decennia
veranderd: de bulderende automatische schrijfmachine, gekoppeld aan dat
apparaat in een metalen behuizing zo groot als een dorsmachine, heeft
tegenwoordig nauwelijks meer dan een grote binnenzak nodig, en vertaalfouten
worden heden ten dage, relatief gezien, nauwelijks meer gemaakt.
Taalmoeder ― moedertaal Dit gebeuren staat beschreven als een van de veertig glossen
die de in 1938 geboren Oostenrijkse schrijver Alois Brandstetter ― germanist en
historicus ―aan
het eind van de jaren tachtig voor het eerst in boekvorm heeft gepubliceerd,
van Altlast tot en met Zeit. De woorden worden aan hun woord
gehouden en ter sprake gebracht, zowel in hun oorspronkelijke betekenis als
taalmoeder, alsook in de moedertaal en in een ietwat eigentijdsere vorm.
Daarmee vertellen ze niet alleen over zichzelf, maar eveneens over de auteur.
___________
Alois Brandstetter:
Romulus und Wörthersee ― Ein poetisches Wörterbuch. 128 pag., paperback, München, dtv
12191. (Bij de uitgever inmiddels uitverkocht.)
Meine Hausgenossen tragen ein buntscheckiges Fell Meine Hausgenossen sind gänzlich behaart verwunden fast freundlich. Ihr Blick geht durch meine Augen hindurch als wären sie Glas und dahinter nichts. Meine Hausgenossen verschlafen ihr Leben und sperren mich aus von ihren Träumen und erzählen davon mit Spinnräderstimmen.
____________________
Uit: Günter Kunert: Ohne Botschaft zu Klampen Verlag, Springe BRD 2005 Edition Postskriptum Band XX Herausgegeben von Heinz Kattner für die Lyrik Edition Stiftung Niedersachsen ISBN 3-933156-82-3
Nog even wat eten en dan een nachtwandeling. Dat er een egel mee-eet stoort toch niemand? Poes Isolde (10) vond het het was inmiddels begin juli 1992 wel leuk dat ze medio mei tante was geworden van vijf jonge katten: drie meisjes: Lena, Micha en Snoet, en twee jongens: Sasja en Panda. Lena, die hier samen met haar eet, was ongetwijfeld de felste van het stel: zij was nog maar negen weken oud toen ze beslist met twee oudere katten Blacky en Wanja mee wilde, 's nachts wandelen en overdag boodschappen doen bij de buurtwinkel; in de struiken bleef ze, samen met de twee ouderen, zitten wachten. Langzamerhand kwamen haar broers en zussen ook mee, zodat ze, toen ze drie maanden oud waren, allemaal mee gingen: negen stuks, hetgeen mij de reputatie van Kattendief en Kattenvanger bezorgde. Maar alleen een kniesoor let op dergelijke taal van leeghoofdigen.
Friedrich Schiller: Sämtliche
Gedichte und Balladen. 605 pag., gebonden in linnen; Insel Verlag, Frankfurt am
Main, 2004; ISBN 3-458-17235-1; Prijs 10,―. (In de BRD en in onze hoofdstad bij Die Weisse Rose.) _____________
Jubileum-uitgave Het feit dat Friedrich von
Schiller eigenlijk de eerste schrijver was,die van de pen heeft kunnen leven,
en daardoor als Freier Autor werd betiteld, kan nauwelijks voldoende aanleiding
zijn geweest om in 2005 zijn overlijden, twee eeuwen eerder, te herdenken. Veel
meer komt dat door de omstandigheid dat hij, naast Johann Wolfgang von Goethe,
als de toen grootste Duitstalige auteur gold, die ook diverse petten tegelijk
heeft gedragen: die van Professor, van historicus, dramaticus en dichter.
Hoewel menigeen, en niet alleen maar in het Duitse taalgebied, is gepest met
Schillers gedicht Das Lied von der Glocke ―en als gevolg daarvan
diens poëzie met een heel grote omweg heeft gemeden ―, valt er ook in ons tijdsgewricht voldoende schoonheid in zijn poëtische utingen te vinden.
Grotehoeveelheden Zoals men kon verwachten, is
de boekenmarkt in het Schiller-Jaar overspoeld met legio herdrukken en nieuwe uitgaven,
waaronder enkele nieuwe biografieën. Het mooie van al die vlijt is, dat tussen
al dat vele, dikwijls alledaagse, toch altijd weer voortreffelijk materiaal wordt
geboden. Nieuwe boeken kunnen alleen hun bestaansrecht veroveren als zij ook
werkelijk iets nieuws te bieden hebben. In de sfeer van de levensbeschrijvingen
is er al gethematiseerde literatuur verschenen over Schillers jeugd, en niet te
vergeten over zijn liefdeleven, dat, niet alleen toen, toch wel aardig wat
opzien heeft gebaard.
Het nadeel van dit ronde getallen-fetisjisme zit m in de enorme ophef, waarvan
in 2006 ― toen er inmiddels allang weer andere grootheden
moesten worden herdacht ―bijna niets meer over was. Met uitzondering van al het
blijvende dat in de vorm van gedrukte literatuur was gerealiseerd.
Gedichten
Ook met betrekking tot Schillers Dichtwerk zijn er in dat jaar weer de nodige
bundels uitgegeven, die vanuit verschillende perspectieven zijn samengesteld.
Maar wie voordelig uit wil zijn, kies voor de ― gelimiteerde editie van de Complete Balladen
en Gedichten, die in één mooie, blauwe linnen band voor de speciale prijs van
tien euro worden aangeboden.
Zon lage prijs wordt echter dikwijls teniet gedaan door de toeslagen die men
als gevolg van import moet betalen, en al helemaal als men het uit Duitsland
laat komen. Een goed alternatief is de Buchhandlung Die Weisse Rose [1]
in de hoofdstad. De eigenaren halen met grote regelmaat (soms wel twee keer per
week) hun boeken zelf bij Duitse grossiers, en zo kunnen ze het import-opgeld
omzeilen.
____________
[1] Het adres is:
Rozengracht 166, 1016 NK Amsterdam; E-mail: info@weisserose.nl
Is er iemand,die zich verbaast als hij of zij mijn bewering leest, dat egels kunnen prikken? Maar kijk naar de foto en huiver. Om te proberen voor enig nageslacht te zorgen moet er wel extra omzichtig te werk gegaan worden, wil het prikken op de juiste wijze geschieden. Kortom, de penetratie dient diep te zijn, opdat de verschillende geslachtelijke stoffen het tot een ware eenwording brengen en de ontwikkeling van de voorfase die moet worden doorlopen alvorens er kroost van komt zich op de juiste wijze kan voltrekken. Als u goed kijkt, ziet u dat de dame het niet zo onaangenaam schijnt te vinden, deze opmerkelijke Egel-Porno. En dat gewoon in de tuin bij een Brave Burgerman als ik. Overigens hebben die twee het tot twee kindertjes geschopt, die ze later 's nachts hebben meegenomen om het kipgehak, waarvan de kattenfamilie altijd wel een beetje liet staan, te leren verorberen; de kleine egeltjes hadden daar niet het geringste probleem mee.