doelen
een instructie van een andere kleuter begrijpen.
aangeven naar wie of wat een gegeven verwijswoord verwijst
materiaal
- voor elke speler een speelbord
- 3X20 kaartjes met dierenfiguren: 2 om in de houders van het spelbord te plaatsen + 1 in een zakje waaruit het kind één afbeelding trekt (zie bijlage)
doel van het spel
De kinderen zitten per twee over elkaar.
Beide spelers trekken blind een kaartje met een dier uit het zakje. Ze plaatsen deze op hun bord. Bij aanvang van het spel zijn alle dieren op het bord bovenaan.
De speler stelt een vraag over het dier op het kaartje van zijn medespeler. Deze moet met ja of nee antwoorden. Indien de vraag met nee wordt beantwoord, klapt de vragensteller op zijn bord alle dieren met het gevraagde kenmerk naar beneden. Wordt de vraag met ja beantwoord, dan klapt de speler alle dieren waarop het kenmerk niet aanwezig is naar beneden. Nu gaat de beurt naar de andere speler.
Als een speler denkt te weten welk dier op het kaartje van zijn medespeler staat, mag hij dit raden.
|