Me-ra-b-a-the of mi-ra-b-a-the betekent “kom snel naar hier”
Ik heb het in stukjes gekapt:
mi = stam van het toestandswerkwoord min, maar wordt hier als een bijwoord gebruikt. Het betekent snel zijn ra= drukt een voorwaarde uit, iets dat je moet doen b = voorvoegsel bu (jij) dat voor het werkwoord “man” staat a = komt van het werkwoord “man” dat wordt gebruikt na een bijwoord the = drukt de richting uit naar de spreker “ naar hier”
mirabathe of merabathe zeg je tegen 1 persoon
mirahathe of merahathe zeg je tegen meer dan 1 persoon
een voorspoedig nieuw jaar gewenst aan familie en kennissen. Dat alles goed mag gaan voor ons allen, dat we gezond mogen blijven, laten we goed met elkaar leven
Goed / slecht - Sa / wakhaya => zijn toestandswerkwoorden maar je kan ze gebruiken om iets te zeggen van een handeling, dus als een bijwoord van wijze.
Bv. over hoe je iets zegt (dian), over hoe je iets maakt (marhitin), of hoe je werkt (nekhebon).
In combinatie met sa of wakhaya zien we dat het werkwoord dat volgt in de ondergeschikte vorm komt te staan:
sa + dia-n
sa + marhiti-n
sa + nekhebo-n
Bî sa dian - (dat) heb jij goed gezegd [bie saa djang]
Als oudere Lokonon iemand tegen komen en die persoon begroeten dan doen ze dat vaak door die persoon een vraag te stellen over hetgeen ze zien wat die persoon aan het doen is.
Dit zijn enkele voorbeelden die gaan over de houding waarin de persoon zich bevindt:
Je komt op bezoek bij iemand en je ziet dat die persoon rechtstaat dan zeg je:
"Dimana-koba-bo?" , hetgeen letterlijk betekent: "Ben je aan het staan?"
De persoon zal antwoorden:
"Enhe, dimana-koda-bo." , wat dus betekent: "Ja, ik ben aan het staan."
Van 2 hoofdzinnen (waarin beide hetzelfde onderwerp hebben) kan je 1 geheel maken: je zet 1 hoofdzin om in een bijzin en voegt die toe in de andere hoofdzin zodat ze 1 geheel vormen. Hierdoor kan je vlotter praten en je vermijdt herhalingen van woorden.
onderwerp hoofdzin 1 = onderwerp hoofdzin 2
actieve werkwoorden (a.ww) = ww die een actie of handeling weergeven
lira wadili dathi li
die man is mijn vader
hoofdzin1 => lira wadili is het onderwerp (voert de actie uit)
lira wadili yentwâ-ka yon(yentwan = zingen)
die man heeft daar gezongen
hoofdzin2 => lira wadili is het onderwerp (voert of voerde de actie uit)
==> lira wadili yentwa-thi yon
die man die daar heeft gezongen
hoofdzin2 wordt een bijzin door "-thi" toe te voegen aan de stam van het werkwoord "yentwa-"
=> lira wadili yentwa-thi yon, dathi li
die man die daar heeft gezongen, is mijn vader
hoofdzin1 met bijzin
tora hyaro dato to
die vrouw is mijn dochter
hoofdzin1 => tora hyaro is het onderwerp (voert de actie uit)
tora hyaro binâ-ka(binan = dansen)
die vrouw heeft gedanst
hoofdzin2 => tora hyaro is het onderwerp (voert of voerde de actie uit)
==> tora hyaro bina-tho
die vrouw die heeft gedanst
hoofdzin2 wordt een bijzin door "-tho" toe te voegen aan de stam van het werkwoord "bina-"
=> tora hyaro bina-tho, dato to
die vrouw die heeft gedanst, is mijn dochter
hoofdzin1 met bijzin
toestandswerkwoorden (t.ww) = ww die een toestand of kenmerk weergeven
li hikorhi kika haran lokothon(kin = eten (a.ww))
de schildpad heeft al zijn eten opgegeten
hoofdzin1 => li hikoerhi is het onderwerp (voert de actie uit)
fonasha-ka li hikorhi(fonashan = hongerig zijn (t.ww))
de schildpad heeft honger
hoofdzin2 => li hikoerhi is het onderwerp (persoon, dier of ding waarvan de toestand wordt weergegeven)
==> li hikorhi fonasha-thi
de schilpad die honger heeft
hoofdzin2 wordt een bijzin door "-thi" toe te voegen aan de stam van het werkwoord "fonasha-"
=> li hikorhi fonasha-thi, kika haran lokothon
de schilpad die honger heeft, heeft al zijn eten opgegeten
hoofdzin1 met bijzin
tora pero ruda dasa(rudun = bijten (a.ww))
die hond heeft mijn kind gebeten
hoofdzin1 => tora hyaro is het onderwerp (voert de actie uit)
tora pero kaima-ka(kaiman = kwaai, slecht zijn (t.ww))
die hond is kwaai
hoofdzin2 => tora hyaro is het onderwerp (persoon, dier of ding waarvan de toestand wordt weergegeven)
==> tora pero kaima-tho
de hond die kwaai is
hoofdzin2 wordt een bijzin door "-tho" toe te voegen aan de stam van het werkwoord "kaima-"
=> tora pero kaima-tho, ruda dasa
de hond die kwaai is, heeft mijn kind gebeten
hoofdzin1 met bijzin
Als de betrekkelijke bijzin niet te lang is, dan kan die ook vóór het zelfstandig naamwoord geplaatst worden:
=> lira yentwa-thi yon wadili dathi li
=> tora bina-tho hyaro dato to
Opgelet: deze zinnen met toestandsww kan je ook zo vertalen:
=> li fonasha-thi hikorhi kika haran lokothon
de schildpad die honger heeft, heeft al zijn eten opgegeten
de hongerige schildpad heeft al zijn eten opgegeten
=> tora kaima-tho pero ruda dasa
de hond die kwaai (slecht) is, heeft mijn kind gebeten
de kwaaie hond heeft mijn kind gebeten
Het toestandwerkwoord in een betrekkelijke bijzin is eigenlijk de variant van het adjectief in het Nederlands.
Kenmerken van "thi" en "tho":
1. De achtervoegsels -thi en -tho kan je vasthangen aan zowel actieve als toestands werkwoorden.
2. Ze worden vastgehangen aan de stam van het werkwoord.
3. Het maakt van je zin een betrekkelijke bijzin: is een zin die extra informatie geeft over het onderwerpvan je zin.
4. Is het onderwerp mannelijk (dat is wanneer die behoort tot de groep van de mannelijke Arowakse woorden) dan gebruik je achtervoegsel"-thi", zoniet, dan gebruik je achtervoegsel "-tho".
5. de betrekkelijke bijzin kan zowel voor als achter het zelfstandig naamwoord waarop het betrekking heeft geplaatst worden: is het lang dan komt het best wel achter het zelfstandig nw te staan.
6. Als je de bijzin weglaat uit de hoofdzin dan heb je nog steeds een grammaticaal correcte zin.
7. Je herkent de betrekkelijke bijzinnen hier als de "adjectieven" die we in het Nederlands/Engels/Frans gebruiken
11. werkwoord+ re + pers. +a => opdracht of advies geven
ww+ re + persoon + a (a is een apart soort werkwoord, hier in combinatie met een persoonlijk voorvoegsel d- (ik), b- (jij), th- (zij), l- (hij), w- (wij), h-(jullie), n- (zij (mv) )
actief ww
marikhotwa-n
marikhotwa-re-b-a kwan! = blijf (jij) leren! 11.1
(leren)
marikhotwa-re-h-a kwan! = blijven jullie leren!
sokoso-n
sokoso-re-b-a kwan bu-khabo-wa = blijf (jij) je handen wassen 11.2
(iets wassen,
sokoso-re-h-a kwan hu-khabo-wa = blijven jullie je handen wassen
schoonmaken
toestandsww
sa-n
sa-re-b-a kwan = blijf (jij) goed 11.3
(goed zijn)
sa-re-h-a kwan = blijven jullie goed
sa-re-b-a ... = doe (jij) goed ...
sa-re-h-a ... = doe jullie goed ...
met bijwoorden:
bijwoord
sare-n
ôsun
sa-re-ba ôsu-n = ga goed! 11.4
(naast een werkwoord
(goed zijn)
(gaan)
sa-re-ha ôsu-n = gaan jullie goed!
in ondergeschikte
sa-re h-a-li ôsu-n = jullie moeten goed gaan
vorm)
donkon
sa-re-b-a donko-n = Slaap (jij) goed 11.5
(slapen)
sa-re-h-a donko-n = slapen jullie goed!
kanabun
Sa-re h-a kanabu-n = luisteren jullie goed 11.6
li => moeten
(luisteren, horen)
Sa-re h-a-li kanabu-n = jullie moeten goed luisteren
11.7
sokoso-n
sa-re-ba-li sokoso-n bu-khabo-wa! = je moet je handen goed wassen
(iets wassen, schoonmaken)
Of als gewone mededeling (geen bevel):
sa-re-d-a sokoso-n da-khabo-wa = ik was mijn handen goed
sa-re-th-a sokoso-n thu-khabo-wa = zij wast haar handen goed
sa-re-l-a sokoso-n lu-khabo-wa = hij wast zijn handen goed
Vele naamwoorden voor familieleden eindigen ook op "thi" of "tho": dinthi (oom van moeders kant) dayâbwâtho (tante van moeders kant) eithi / aithi = zoon dareitho = mijn echtgenote dereithi / darethi = mijn echtgenoot
dathulâtho = mijn oudere zus (van een vrouw)
dôkitho = mijn jongere zus (van een vrouw)
dayorodâtho = mijn oudere/jongere zus (van een man)
Voorwerpen: (maar dan eindigen ze meestal op"tho"):
8.7 "thi" en "tho" (met toestandswerkwoorden) - een kenmerk van iets of iemand uitdrukken
Het uitdrukken van een kenmerk van iets of iemand wordt gedaan door gebruik te maken van achtervoegsels "thi" of "tho"; In het Lokonon Dian moeten we een achtervoegsel toevoegen aan de stam van een toestandswerkwoord om dat toestandswerkwoord te kunnen gebruiken als een bijzin die iets zegt van een naamwoord waarbij het staat, met andere woorden om een betrekkelijke bijzin te maken. In het Nederlands kennen we deze woorden meestal als adjectieven.
stam toestandswerkwoord + thi => is voor de "mannelijke" groep (= mannelijke Arowak / bepaalde dieren/ dingen)
stam toestandswerkwoord + tho => is voor alle anderen (mannelijk niet-Arowak/ vrouwelijk/dieren en zaken, enkelvoud en meervoud)
thi en tho zijn achtervoegsels die verwijzen naar het onderwerp (betrekkelijke achtervoegsels)
Voorbeeld: "Aba semetho awarha-itâsa" of "Aba awarha-itâsa seme-tho => letterlijk betekent dit: gestampte awarha die lekker is. Vrij vertaald is dit: een lekkere awarhasap.
"die lekker is" = een betrekkelijke bijzin die iets zegt over de gestampte awarha.
Aba seme-tho papâya-ura
Aba papâya-ura seme-tho
=> letterlijk: een papaja sap dat lekker is => vrije vertaling: een lekkere papaja sap
to borha-tho kashiri
to kashiri borha-tho
=> letterlijk: de kashiri die zuur is => vrije vertaling: een zure kashiri
to wakara-tho pero
to pero wakara-tho
=> lett: de hond die mager is - vrij vert: de magere hond
to hishi-tho pêro to pêro hishi-tho => de hond die stinkt
tora halekhebe-tho hyaro tora hyaro halekhebe-tho => de vrouw die tevreden/blij is
Zoals je ziet kan de betrekkelijke bijzin zowel vóór als na het zelfstandig naamwoord komen te staan: beide zijn aanvaardbaar.
Zie ook het hoofdstuk dat handelt over de betrekkelijke bijzinnen.
Laten we het hebben over de begrippen "koud" en "heet" => in het Loko Dian wordt dit weergegeven door werkwoorden die een toestand weergeven (toestandswerkwoorden)
KOUD = MIMI
mimi-n = koud zijn
mimi-n => met "n" hebben we de ondergeschikte vorm van het werkwoord
(of de infinitief zoals de meesten dat kennen)
mimi => dit is de stam (het basis deel van het werkwoord waaraan de uitgangen worden toegevoegd
of andere woorden van worden afgeleid)
mimili-n; himili-n = fris zijn, maar betekent ook mistig zijn (vroeg in de ochtend)
Himili-n (ondergeschikte vorm)
Himili (stam)
Voorbeeld dat veel wordt gebruikt:
in de vroege ochtend groeten : "Himili-wabo" (letterlijk = "erg fris/erg mistig")
antwoorden: "enhe, hadjake tha himili-n" (ja, het is erg fris )
Zinnen met mimi-n (koud zijn)
mimi ka de = ik heb het koud (letterlijk: ik ben koud geworden)
"ka" verwijst naar een toestand die het resultaat is van een proces dat gedaan is
Onderstaande zinnen bevatten persoonlijke voornaamwoorden: ( Dei / bî / tora / lira / wei / hî / nei, nara )
dei mimi ka = ik heb het koud (gekregen) => resultaat van het proces van het koud krijgen
lira mimi ka = hij heeft het koud
wei mimi ka = wij hebben het koud
tora mimi ka = zij heeft het koud
nara mimi ka = zij hebben het koud
Nog voorbeelden:
mimi ka to oniabo = het water is koud (geworden)
to oniabo mimi ka = het water is koud (beide zinnen zijn goed , 'to oniabo' staat standaard achter 'ka' maar kan je dus ook vooraan in de zin zetten)
mimi ka to kadukura = de kadukura is koud (peperwater)
to kadukura mimi ka = de kadukura is koud
mimi ka to kadukura hibin = de kadukura is al koud
to kadukura mimi ka hibin = de kadukura is al koud
Onderstaande zinnen zijn met persoons aanwijswoorden reeks B :
de / bo / no / i, li / we / he / ne, ye = ik / jij / zij, het / hij / wij / jullie / zij
mimi ka de = ik heb het koud
mimi ka i (mimi ka li) = hij heeft het koud
mimi ka we = wij hebben het koud
mimi ka no = zij heeft het koud
mimi ka ye (mimi ka ne) = zij hebben het koud
Opgelet: De persoons aanwijswoorden van reeks B staan altijd achter 'ka'. De volgorde van de woorden kan je dus NIET omdraaien.
HEET = THERE
there-n = heet zijn
there ka to oniabo = het water is heet
there ka to kadukura = de kadukura is heet
to oniabo mimi ka = > mimi ka no (het water is koud => het is koud)
to oniabo there ka => there ka no (het water is heet => het is heet)
Hier zijn enkele voorbeelden van zinnen met toestandswerkwoorden (tww):
methe = uitgeput,moe zijn
kari = ziek zijn
fonasha = honger hebben
1.a) stam toestandswerkwoord + ka + naamwoord (persoon/ding/dier) => standaardstructuur alhoewel je het naamwoord ook vooraan in de zin mag plaatsen
b) stam toestandswerkwoord + ka + PAW-B(persoonsaanwijswoord reeks B) => PAW-B mag je NIET vooraan in de zin plaatsen!!!
2) Wanneer je min-kho (of mi-ka-kho) gebruikt in de zin dan moet je de ondergeschikte vorm van het werkwoord gebruiken (infinitief) => tww+n (uitgang "n")
Minkho is eigenlijk ook een toestandswerkwoord(letterlijk betekent het min (weinig zijn) + kho (niet) => niet weinig zijn, veel
(1.b) methe ka de
ik ben uitgeput
(2) minkho methe-nde / mi ka kho methen de ("de" altijd achteraan!)
ik ben erg uitgeput
(1.b) kari ka de
ik ben ziek
(2) minkho kari-nde
ik ben erg ziek
(1.a) kari ka dashi (da + shi => dashi (mijn hoofd)
ik heb hoofdpijn
(2) minkho kari-n dashi (letterlijk: mijn hoofd is erg ziek)
8.1.Toestandswerkwoorden - definitie - stam - ondergeschikte vorm
Naast de actieve werkwoorden heb je een grote groep toestandswerkwoorden.
1. Definitie Toestandswerkwoorden zijn werkwoorden die een (karakter)
eigenschap; toestand uitdrukken.
Ze verwoorden nooit een
beweging of activiteit. In het Nederlands kennen we ze als adjectieven maar
in het Arowaka hebben zij eerder de kenmerken van werkwoorden.
2. De stam
De STAM
= het basisdeeltje van het werkwoord. Hieraan worden woorddeeltjes aan
toegevoegd (voorvoegsels, klanken, achtervoegsels,) waardoor de zin vorm en betekenis krijgt. Ook kan men van de stam andere
(nieuwe) zelfstandige naamwoorden maken. De woorddeeltjes (achtervoegsels ) die we zagen bij de actieve werkwoorden zien we ook bij deze toestandswerkwoorden: de betekenis die aldus verkregen wordt kan enigszins verschillen met die van de actieve werkwoorden.
3. Ondergeschikte vorm "stam + n"
Als we de klank "n"
toevoegen aan de stam dan bekom je het werkwoord in de ondergeschikte vorm (
infinitief)
ayomu => ayomu-n (hoog zijn)
balala => balala-n (rond zijn)
Wanneer gebruik je de
ondergeschikte vorm?
Wanneer je ww niet in de
hoofdzin zit dan gebruik je de ondergeschikte vorm. Maar ook bijvoorbeeld wanneer je een hoofdzin
hebt met MIN (weinig) of MIN-KHO (veel) die iets zeggen van een toestands
werkwoord. Zo ook bv wanneer je een bijwoord in de zin hebt, zoals hadiake (veel, erg) of baren (meteen) dan gebruik je de ondergeschikte vorm.
=> min en min-kho zijn
zelf toestandswerkwoorden
ik heb weinig honger = min
fonasha-n de
ik heb erge honger = min-kho
fonasha-n de
ik heb weinig dorst = min
alokosha-n de
ik heb erge dorst = min-kho
alokosha-n de
het licht is te sterk = hadiake th-a tata-n to kalemehe ik ga meteen naar school = bare-da ôsu-n marikota-shikwanro
Ook wanneer je negatieve zinnen maakt dan gebruik je de ondergeschikte vorm. Voorbeeld: "ik weet niet = m-eithin-d-a" (ma+eithin+d+a = ma negatief prefix + eithi-n (weten) + d (ik) + a (leeg werkwoord "a") "hij heeft het niet weggegooid = ma borheidin-l-a da no " "zij gaat niet naar de stad = m-ôsun-th-a fortonro"
Inzamelactie ten voordele van Inheemse dorpen in Suriname
Geachte,
Samen met mijn vriendin Carmelita heb ik een inzamelingsactie opgestart eind juni met de bedoeling de meest kwetsbare gezinnen van de Inheemse gemeenschap in Suriname te ondersteunene met een voedselpakket.
In Suriname zijn de prijzen in de winkels namelijk erg gestegen sinds de lockdown begin juni.
"Mishâkoba ôsun...khen bu-dukhuha aba balalatho waboroko, khen ôsareba koan" - Ga rechtdoor...en je zal een rotonde (lett.ronde weg) zien, en dan ga je rechtdoor (lett.blijven gaan).
Ik heb een kleine wijziging aangebracht in het logo. Het is nu Arowaka Lokonon Dian i.p.v. Lokonon Dian.
Lokonon betekent eigenlijk enkel mens of amerindiaan. De correcte benaming voor het Arowaks is Arowaka Lokonon dian. De taal van de Arowakken.
De naam van het volk is Arowaka en niet Lokonon. Maar dit werd verkeerdelijk aangenomen door taalonderzoekers en zo neergeschreven in boeken.
Vele Arowakken zeggen zelf enkel lokonon dian ( ze laten de specificatie over welk volk het gaat weg) wat eigenlijk niet correct is. En dit is zo in gebruik geraakt.
Met dank aan dhr. Willem Visser van de culturele groep Kayeno uit Frans-Guyana heb ik dit dus bij deze rechtgezet.
Bij het groeten van een bekende persoon
kan je haar of zijn naam zeggen maar meestal gebruik je de aanspreektitel die
van toepassing is op die persoon:
Bî watho Tête? Halika diako ba?
Jij bent het Moeder? Hoe gaat het met je?
of:
Halika diako ba Dathi? Hoe gaat het
(mijn) vader?
Halika diako ba Dayabwâtho? Hoe gaat het
tante? (zus van moeder)
Halika diako ba Dôkitho? Hoe gaat het
zusje? (jongere zus van een vrouw)
Vroeger zeiden de mensen weleens: "da burutuha dabada abo" wat betekent "ik ga schrijven met mijn nagel" ( in het zand) of ik ga schrijven met mijn vinger.
Thoyo wâia tho to [tojjo waaja to to] = zij komt van bij haar moeder thoyo wâia = van bij haar moeder
Loyo wâia thi li[lojjo waaja tsji li] = hij komt
van bij zijn moeder loyo wâia = van bij zijn moeder
Thithi wâia tho
to [tietsjie waaja to
to] = zij komt van bij haar vader
Lithi wâia thi li [lietsjie waaja tsji li] = hij
komt van bij zijn vader
Na-kuthu wâia
thi ne [na ke the waaja
tsjie nè] = zij komen van bij hun oma
Na-dokothi wâia
thi ne [na dokkotsji
waaja tsji nè] = zij komen van bij hun opa
De vorige zinnen bevatten persoonlijke
voornaamwoorden bv. zij (to), maar als je in de
plaats daarvan
zelfstandige naamwoorden (bv het meisje) of een eigennaam (bv Kakarishiro) wil
gebruiken gebruik je de zinsconstructie met "andabo the".
Kakarishiro
andabo the forto waaja [Kakkarri shiero andabotte forto waaja] = Karishiro
komt aan, ze komt van de stad
Kakarishili
andabo the forto waaja [Kakkarri shilli andabotte forto waaja] = Kakarishili
komt aan, hij komt van de stad
Kakarishili
anda forto wâia [Kakkarrishilli anda forto waaja] = Kakarishili is
aangekomen, hij is van de stad gekomen
Li wadili
andabo the lithi wâia [li wadjili andabotte litsji waaja] = de man komt van
bij zijn vader
Na wadilibethi
(wadilibethinon) andabo the forto wâia [na wadjili betsji (wadjili betsjinong] andabotte forto
waaja] = de mannen komen aan van de stad
To iyaro andabo
the loyo wâia [to ijaaro andabotte lojjo waaja] = de vrouw komt van bij haar
moeder
Na iyarobethi (iyarobethinon)
andabo the forto wâia [na ijaaro betsji (iajaaro betsjinon) andabotte forto
waaja] = de vrouwen komen aan van de stad
Dinthinon
andabo the forto wâia [djientsjinong andabotte forto waaja] = (de) ooms komen
aan van de stad
Dayonôthi (dayonôthinon) andabo the kori wâia [dajjo nootsji
andabotte koeri waaja] = de tantes komen van de badplaats
Dayonôthi (dayonôthinon) andabo the kâ waîa [dajjo nootsji
andabotte kaa waaja] = de tantes komen terug van baden
Na ibilinon (ibilibe) andabo the onikha wâia [na ibilinong
andabotte oenika waaja] = de kinderen komen terug van de kreek
Na thoyothinon (thoyothinonbe) andabo the karatakhonale waaja
[na tojjotsjinong andabotte karatakonaale waaja] = de oudere mannen komen van
de begraafplaats
Na thoyothinon (thoyothinonbe) andabo the karata waaja = de
oudere mannen komen van de begrafenis (van begraven)
Darethi andabo the jokha wâia [daretsji andabotte joka waaja]
= mijn man komt terug van het jagen
Darethi andabo the Poaka wâia [daretsji andabotte Pwaka waaja]
= mijn man komt terug van Powaka
na thoyothinon = de ouderen (mannen+vrouwen)
Als je specifiek vrouwen bedoelt kan je ook "thoyothinon
iyarobethi" gebruiken:
Na thoyothinon iyarobethi andabo the bina waaja = de oudere
vrouwen komen terug van feesten (het dansen)
Kakarishiro = een meisjesnaam, betekent krullekop, krullebol
Kakarishili = een jongensnaam, betekent krullekop, krullebol
Daarbij heb ik ook de zin "dôsa barânro" gewijzigd in " dôsa bara ninro". Het eerste bleek niet in gebruik te zijn. Ik had het ook niet afgechecked met m'n moeder vandaar de fout.
In het Nederlands heeft de onvoltooid tegenwoordige tijd (OTT) heeft twee gangbare tijden namelijk:
1. de gewone onvoltooid tegenwoordige tijd (the present simple / de praesens)
=> ik eet (aanduiden van een gewoonte bv) => afkorting OTT => zie lessen 6
2. de voortdurende tegenwoordige tijd (oftwel the present continous)
=> ik ben aan het eten (aanduiden van de voortdurende/ progressieve handeling) => afkorting Voortd.TT => zie lessen 5
Opgelet: in de lessen 5 en 6 waar ik aanvankelijk "OTT" had genoteerd heb ik dit vervangen door "Voortd.TT", want de afkorting OTT zal ik in de lessen 6 gebruiken.
Nog in les 6.1 heb ik toevoegingen gedaan, gelieve hiermee rekening te houden.
In de
hoofdstukken 5 zagen we de vervoeging van enkele werkwoorden van de u- o- a-
en i-stam in een onvoltooid tegenwoordige tijd nl.de present continous of voortdurende tegenwoordige tijd (Voortd.TT).
(bv. Ik eet = > een handeling/actie die nog
niet afgelopen is => dus ik ben aan het eten)
In de komende hoofdstukken
6.x zullen we een tijd zien die het vaakst wordt gebruikt en daarom de gewone tijd (GT) wordt genoemd
(bv. Ik heb gegeten) (bron: Ahrwaka Lokonon Dian)
Deze tijd duidt een actie aan
die net is gebeurd, dus te vergelijken met de nederlandse voltooid
tegenwoordige tijd (VTT).
Nu is het wel zo dat in het Lokonon Dian
deze tijd ook vaak gebruikt om zaken aan te duiden die in het nederlands
kunnen vertaald worden met de OTT present simple oftewel de praesens::
=> de Arowakse spreker gebruikt dus vaker de GT in plaats van
de Voortd.TT.
Eigenlijk gaat het meer om het aanduiden
van een gewoonte of een toestand waarin hij zich bevind. Ook zintuig-gerelateerde zaken die vanzelf komen dus eigenlijk kan je hier niet echt van een handeling spreken.
bv. gewoonte : Hij eet slecht, hij eet elke zondag
bruine bonen met rijst. Hij is wakker geworden = toestand
Op dit moment is het voor mij ook
moeilijk om uit te maken wanneer je best welke tijd kiest: eer ik dit zal
kunnen aanvoelen moet ik nog véél Arowaks horen vrees ik.
Gewone
tijd (GT):
voor de werkwoorden met u- en
o-stam wordt de klinker van de stam vervangen door -a.
voor de werkwoorden met a-stam
wordt de klinker van de stam vervangen door -âka
voor de werkwoorden met i-stam
die in
1. de OTT op -abo eindigen wordt de
klinker van de stam vervangen door -a.
2. de OTT op -ibo eindigen wordt de
klinker van de stam vervangen door -ika.
Vandaag heb ik nog wat woordenschat zitten inoefenen uit de beginlessen (want oefening baart kunst).
Hierbij heb ik nog een fout gevonden in les 3.1 er stond "tilikithi"broer (van een man/jongen) maar het moet "tilikithi", broer van een vrouw/meisje zijn.
Ook heb ik "thi-tilikithi-haar broer" toegevoegd en bijgevolg heb ik "zijn broer" weggehaald (xxxxx gezet).
De vorige keer
zagen we de vervoeging van enkele werkwoorden met een i-stam in de
tegenwoordige tijd.
Blijkbaar zijn er ook werkwoorden met een
i-stam maar die in de Voortd.TT geen vervoeging op "ibo" hebben maar op
"abo" [abbo].
Waarom dit is weet ik (nog) niet, want
het kan dialectgebonden zijn, maar voorlopig beschouw ik ze als
uitzonderingen
(misschien ten onrechte en zijn de
werkwoorden met uitgang "ibo" de uitzondering maar dat zie ik later
dan nog wel).
Ook het werkwoord marhitin (maken) heeft
een vervoeging met "abo" en niet met "ibo" zoals ik in
les 5.4 schreef (ik had het vergeten af te checken met m'n moeder :((kan gebeuren)
Dus dat woord heb ik uit die les
weggehaald en hier toegevoegd.
hier zijn een paar voorbeelden:
werkwoord=>stam=>vervoeging OTT=> voorbeeld
shikin [sjiekieng]
(geven)=>shiki=>shikabo [sjie kabbo] =>li-shikabo [li sjie
kabbo] =>hij geeft (is aan het
geven)
daridin [darridjieng]
(rennen)=>daridi=>daridabo [darri dabbo]=>da-daridabo [da darri
dabbo]=>ik ren (ben aan het rennen)
tikidin [tjikki djieng]
(vallen)=>tikidi=>tikidabo [tjikki dabbo]=>da-tikidabo [da tjikki
dabbo] (ik ben aan het vallen)
timin [tjiemieng]
(zwemmen)=>timi =>timabo [tjimabbo]=>da-timabo [da tjimabbo] (ik ben aan het zwemmen)
marhitin [marritjieng]
(maken)=> marhiti => marhitabo
[marri tabbo] => wa-marhitabo aba amaka [wa marri tabbo abba ammakka] (wij maken een hangmat)
nog een werkwoord in de Voortd.TT met
stam eindigend op -i
kin
= [kieng] = eten => kibo [kiebbo] => wa-kibo hime = wij zijn vis aan het eten
opgelet: het werkwoord kin verschilt met koton
hierin dat koton wordt gebruikt om aan te geven dat men eet zonder in detail
te treden, terwijl bij het gebruik met werkwoord
In de
vorige lessen zagen we de vervoeging van enkele werkwoorden met een u-stam
[e]. Vandaag zien we werkwoorden met een o-stam.
De vervoeging is heel gelijklopend als
die van de werkwoorden met u-stam.
slapen
werkwoord = donkon[dongkong]=> opgelet: de [ng]
wordt altijd heel lichtjes, bijna onhoorbaar uitgesproken (blijft als het
ware achter in de keel steken)
stam = donko [dongko]
laatste klinker van de stam nl. o wordt
"abo"[abbo]
opmerking:
het werkwoord ôsun wordt in Powaka uitgesproken als [oosong] en de
vervoegingen in andere tijden volgen die van de o-stam, waardoor ik de
neiging heb om het als ôson te schrijven.
Maar
dan wijk ik af van de voorgestelde standaardschrijfwijze wat ik juist wil
vermijden.
Aangezien
het verschil in klank met de vervoegingen van de u-stam echter klein is,
schrijf ik het op als ôsun [ooseung] terwijl ik het zal lezen als [oosong].
werkwoord = ôsun [oosong]
stam = ôsu
de
laatste klinker van de stam nl. "u" wordt "abo"
dit geeft ôs-abo=> ôsabo
Deze
vervoeging "ôsabo" begint met een klinker waardoor we in combinatie
met prefixen (persoonlijke voornaamwoorden) hetvolgende zien (zie ook les 3.0
en 4.0)
lange
klinker ô is dominant op alle korte klinkers (prefix verliest zijn klank):
de laatste klinker van de stam
nl. "u" wordt "abo"
u => wordt abo[abbo]
dit geeft burut-abo
burutabo
[berre tabbo]
ik ben aan het schrijven
da-burutabo
[da berre tabbo]
dit is een tijd van de onvoltooid tegenwoordige tijd (OTT) nl. present continous of voortdurende tegenwoordige tijd (Voortd.TT) (= de actie is nog bezig)
Na een korte vakantie is het tijd om verder
te gaan met de werkwoorden en tijden. Hiervoor heb ik ook het boek
"Arhwaka Lokonong Djang" moeten raadplegen.
In
het Arowaks vorm je van een werkwoord een afgeleide =dit is een vervoeging
die dan kan worden gebruikt door álle sprekers ( 1e, 2e of 3e persoon,
ongeacht of ze enkelvoud of meervoud zijn)
Hoe je vervoegt hangt af van:
1. de klinker
waarop de stam van het werkwoord eindigt
2. de tijd
waarin men spreekt (o.a. tegenwoordige tijd - verleden tijd - toekomstige
tijd)
Dag mensen. Ik ben er weer. Nu jullie veel tijd hebben gehad om de geziene leerstof eigen te maken is het hoog tijd om nieuwe leerstof toe te voegen.
We hebben tot nu toe veel woordenschat in verband met familie gezien. Nu is het wel nodig om wat meer uitleg te geven over de bezittelijke voornaamwoorden die ook al aan bod zijn gekomen.
mijn - jouw - haar - zijn - ons (onze) - jullie - hun =
zijn bezittelijke voornaamwoorden (gewone vorm)
dei
- bî - tora - lira - wei - hî - nara=> uitspraak:
3.
te gebruiken wanneer je voor de eerste keer een vermelding van maakt
4.
te gebruiken om de nadruk te leggen
Tot nu toe hebben we deze bezittelijke
voornaamwoorden enkel in de gereduceerde vorm gezien: namelijk als
voorvoegsels die vooraan aan het zelfstandig naamwoord worden geplakt.
da-,
bu-, thu-, lu-, wa-, hu-, na-=>
uitspraak [da, be ,the ,le , wa , he , na ]
In de les 2.2 heb ik de schrijfwijze van de volgende woorden aangepast: "eithi" (zoon) / "dînthi (oom-aanspreektitel) / "dênthi" (oom)/ "dînthi-reitho" (tante) /" ithi-reitho" (tante) / "dathi-reitho" (mijn tante).