07/07
Ik vrees dat vandaag de zwaarste dag en nacht van al mijn reizen gaat worden. Gisterenavond om 10 uur check ik mijn mail nog even voor alle zekerheid. En mijn voorgevoel werkt nog steeds feilloos: ik krijg bericht dat in Zaventem erg veel vluchten geschrapt zijn, waaronder mijn vlucht van Frankfurt naar Brussel. Ze bieden met een treinticket aan. Hoe laat en hoe lang de rit zal duren zal ik pas in Frankfurt vernemen. Lap, hier gaan we weer denk ik en zet mijn pc af. Ik kan er toch niets aan veranderen. Dus kruip ik in mijn kingsize bed met mijn dikke winter pyjama én sokken aan. Ik ril van de kou want het is hier maar 20 graden. Dat is bijna 50 % minder dan wat ik intussen goed gewend ben.
Op mijn laatste dag heb ik nog twee punten af te handelen. Vooreerst een bezoek gaan brengen aan Jacques (hier spreken ze zijn naam uit als Djakkes) Pestieaux. (Voor Ruth en Griet: zijn vrouw is de zus van Edilma Quintana, de vrouw van Vincent Pestieaux, de broer van Jacques). Ik wil hem persoonlijk danken want hij heeft me in contact gebracht met het piepkleine reisbureau Turismo en Casas en Fincas. Zonder hem was er geen reis naar Colombia geweest. Hij woont aan de Noordkant van Bogotá. Die 10 miljoen inwoners van de stad moet men ergens onder brengen. De rit is dus weer een avontuur. Ik beslis om toch eens de snelle busdienst te nemen. Die hebben namelijk een eigen bedding en zetter er een flinke vaart achter. Het zijn gelede bussen, bestaande uit drie secties. In totaal dus goed voor een lengte van ik schat 30m. En ze zitten eivol. Net rijdende sardienenblikken. Ik troost me, want de bussen rijden tenminste en de autos houden zich in hun baanvakken vooral bezig met het organiseren van stilstaand verkeer. Maar simpel is wat anders. Om bij Djakkes te raken moet ik twee overstappen doen. Het lukt me zonder me te vergissen en na 2 uur kan ik aanbellen bij hem. Het geeft een goed idee van de omvang van de stad en van de efficiëntie van het openbaar vervoer. Hij woont er met zijn Colombiaanse vrouw in een ruim en smaakvol ingericht appartement met bovendien een wijds groen uitzicht.
Vandaar langs het kantoor van Casas y Fincas om afscheid te nemen van Monica. Ik nodig haar uit om iets te gaan eten op haar puik werk: tweemaand en een half in één hap organiseren en plannen is een huzarenstuk in Colombia. Ik eet voor de laatste maal Ajiaco soep en drink er een beker vers geperst en niet aangelengd Lulo fruitsap bij. Een betere smaakherinnering kan ik me niet inbeelden. IMijn vlucht is om 20:55u en ik moet me drie uur vooraf presenteren zoals ze dat hier noemen (hay que presentarse 3 horas antés). Een taxirit naar de internationale luchthaven El Dorado vergt normaal 1 uur. Even rekenen: yep ik zit midden in de spits van de miljoenenstad. Met het beeld van het stilstaand verkeer van deze morgen zal ik bij er maar een uur bij doen als reserve. Niettegeloven: alle verkeersellende is verdwenen en om 16:30 sta ik al in de luchthaven. Ik troost me: beter zo dan omgekeerd. En zo kan ik het verslag van vandaag nog uittijpen!
06/04
Het voelt onwezenlijk aan: enerzijds ontbijten bij 3O-35 graden en een luchtvochtigheid van 80-85 procent (alles is hier vochtig en ruikt muf) met een ara papegaai naast mij die in een fractie van onoplettendheid van mij (moet niet vragen hoe nauwkeurig HIJ mij in de gaten houdt!) een de haal gaat met zo een klein aluminium potje met confituur (daarvoor moet hij op één poot- want zwaar gehandicapt nietwaar- een halve meter op de tafel overbruggen, met zijn bek een rond containertje grijpen uit een mandje met een tiental van die potjes en dan weg vliegen), en anderzijds goed weten dat de droom voorbij is. Het is om triestig van te worden. Door mijn hoofd klinkt een aangepaste versie van het Nederlandse popliedje uit de jaren zestig: ik heb geen zin om op te staan/ ik heb geen zin om nu naar huis te gaan/ en moet mijn grote blote voeten tegen het warme zeil/ ik heb geen zin om nu naar huis te gaan.
Maar het helpt niet. Om zeven uur scheer ik in een rtotvaar met zo een typische ranke kano over de Amazone weg. Definitief. Eén uur varen door het immer groene gordijn om aan te komen in Atalaia do Norte. Dan met die vuile pick-up door de modderweg. Ik ben speciaal een uur vroeger vertrokken omdat ik vrees dat met de regen van gisterenmorgen de modderpoel doorploeteren nog meer tijd zou vergen. Maar tot mijn grote verwondering was één dag brandende zon echter voldoende om al die modder te laten opdrogen en te laten verharden. Het traject ging dus veel vlotter dan op de heenrit. Aangekomen in Benjamin Constant moet ik wachten op de veerpont om me naar de andere kant van de Amazone te brengen. Ik ben namelijk de eerste klant en de boot vertrekt slechts als ie vol is (naar Europese maatstaven té vol). Ik heb dus even tijd om wat rond te neuzen in dit god verlaten oord aan de Amazone. Ik zie een hele wijk met houten kotjes en kratjes met kunst- en vliegwerk op getrokken op houten palen. Daaronder drijft een stilstaande smurrie: iets wat vroeger ooit water geweest is, maar nu helemaal vervuild is met afval, afvalwater en toiletwater van duizenden mensen. Bij zo een hitte is de stank echt stuitend. Dit zijn echt middeleeuwse toestanden. Alle voorwaarden zijn hier vervuld voor een pest of cholera uitbraak. Ik durf mijn fototoestel niet boven te halen. Ik vlucht als een bange haas weg.
De speedboot heeft dertig minuten nodig voor de overtocht van de Rio Amazone van Benjamin Constant naar Tabatinga. Het geeft een goed idee over de breedte van de enorme, bruine watermassa. Ik merk dat ik net als de lokalen de afstanden uitdruk in uren tijd om er via het water te geraken. Ze kunnen niet anders, want er zijn geen wegen. Eén uren met een speedkano varen is goed voor pakweg dertig kilometer. Die afstand overbruggen over land, vergt gemiddeld 2-3 dagen een weg banen over berg en dal en rivieren en waterplassen. Want er is niets anders dan wilde natuur en heeeel veeel mosquitos.
In Tabatinga neem ik een taxi naar het politiekantoor om te laten noteren dat ik Brazilië op de voorziene dag verlaten heb. Stempel, stempel en klaar is kees. Dan verder naar Leticia. Door alle meevallers ben ik er 2,5 uur te vroeg. De verleiding is groot om me naar de Aquamundo te laten voeren om de vissen van de Amazone te kunnen bewonderen. Maar 2,5u is nét te nipt. Ik heb 30-45 minuten nodig om er te geraken. Eén uur voor een versneld bezoek lijkt me toch wel een minimum en dan minimum 1 uur terug ook (want ik heb geen idee hoe lang ik zal moeten wachten op een taxi). Dat lijkt me net iets te kort dag en ik mag dat vliegtuig naar Bogotá onder geen beding missen, want anders riskeer ik morgen ook mijn trans-Atlantische vlucht te missen. Lufthansa zal geen genade kennen. Niet doen dus Er is niets beter voor de gemoedsrust dan wachten in de luchthaven. Ik check in en dan zegt de lieve dame van Avianca dat ik eerst nog even langs de immigratiedienst van Colombia moet. Slik, dat wist ik niet. Die administratieve omweg vergt me een half uur. En de bijbehorende stempel in mijn paspoort is vereist omdat ik het land even verlaten heb en Colombia moet laten weten dat de verloren zoon terug is. Al goed dat ik de vissen gelaten heb waar ze thuis horen: in het water! Die vergetelheid had me door te staan kunnen komen.
On Bogotá is het amper 20 graden en het motregent. Voor mij is het een dipevriesssss. In mijn hotel neem ik onmiddellijk een lange hete douche. Zo kan ik Amazone vuil af weken en tegelijk mijn lichaamstemperatuur terug naar boven krijgen. Dat lukt maar half. Ik zit hier met twee truien aan!
05/05
Gisterenavond, na de nodige discussies en tussenkomsten van de beheerder van de Lodge daagt mijn gids in extremis om half negen toch op voor een nachtwandeling van 1 uur in de Amazone. Ik wil het per sé mee maken omdat ik weet dat de Amazone overdag en de Amazone s nachts twee verschillende werelden zijn.
En het in inderdaad zo. Uit schrik voor nog meeeer agressieve insecten, trek ik over mijn hemd, mijn gore-tex regenjas aan en knoop alle gaten dicht. Het helpt tot op zekere hoogte: nu focussen ze zich met vernieuwd enthousiasme om mijn handen. En mijn winterhandschoenen aandoen vind ik er toch wat over. Het voel het zweet nu al langs mijn rug parelen en ik heb nog geen stap verzet! Mijn handen zullen het dus ontgelden. Terwijl die ellendige rotbeestjes zich wellustig volzuigen met mijn exotisch bloed, probeer ik mijn aandacht bij de les te houden. En dat is niet zo moeilijk: sprinkhanen, spinnen, kekels in alle modellen maar steevast buitensporig groot. Voor wie wil googlen: Avicularia avicularia, Panoploscelis specularis, Cupiennius, Acrocinus longimanus, lichtgevende schimmels op rottende bladeren. Ik stop want ik ken mensen die anders vannacht niet goed zullen slapen. Terug in mijn hut van Oom Tom kan ik mijn hemd uitwringen en mijn gore-tex is van binnen kloddernat. Ik dacht dat gore-tex ademt, niet? Ik zal ook eens met die mensen een proefondervindelijk onderhoud in de Amazone moeten organiseren. Ademen? Mijn longen, ja: stikken! Ik denk dat ik meer cvocht verloren ben dan in een sauna van een uur. Maar ik ben gelukkig dat ik het heb kunnen mee maken. Maar één keer is wel genoeg.
Vanmorgen tijdens de douche meet ik de schade op aan mijn handen: op elke hand een tiental van die blaasjes muggenbeten. De meest venijnige en de langst durende. Ik lijk net een jungleleven van een week overleefd te hebben. Nu begrijp ik waarom ze enkele weke geleden een soldaat met alle eer en roem overlaadden omdat hij zonder enige uitrusting 14 dagen Amazone overleefd had. Als ik het goed begrepen heb was hij tijdens manoeuvres verdwaald geraakt en zijn makkers vonden hem niet. Moet die man afgezien hebben, jandorie!
Er zijn drie soorten Amazone: terra firme (het droge woud), várzea (het woud dat in het regenseizoen onderloopt, dus voor een half jaar) en het igapó (het woud dat altijd onder water staat). De laatste twee heb ik eergisteren en gisteren per kano bezocht. Vandaag ga ik naar de derde soort, het droge woud. Dus geen boottocht vandaag, maar een wandeling. Interessant om te zien hoe dit soort woud, stukje bij beetje, wordt neergehaald en ontgonnen. Ik denk dat het bij ons in de vroege middeleeuwen ook zo gegaan is. Eerst een padje naar de volgende nederzetting van zeven man en een paardenkop. Daarlangs kan proviand makkelijker en goedkoper aangevoerd worden, waardoor de nederzetting een dorpje wordt en het padje een weg. En dan moet het stuk natuur tussen de twee dorpen progressief wijken voor landbouw. Hier werkt hetzelfde mechanisme maar met andere middelen. De enige verbindingsweg is de rivier. Daarom worden afstanden hier uitgedrukt in uren varen (ze komt 3 uur varen vaak overeen met 2 dagen een weg banen door het woud). Langs het water komen de mensen en het proviand. De nederzettingen blijven erg bescheiden totdat Luz para todos beslist om één elektriciteitskabel door te trekken naar de volgende nederzetting. Het effect is duidelijk merkbaar: de huizen worden groter en beter enz. Om de kabel te trekken banen volquetas (zware bulldozers) een weg van 20 meter breed dwars door het oerwoud. Achter de volquetas komen de hijskranen die met heel veel lawaai de pilonen plaatsen. Dan trekken ze de kabel (één kabel één). De nederzetting wordt groter, de druk op landbouwgrond neemt toe en daar gaat het oerwoud beetje bij beetje.
Even tussen haakjes: ik ben een voorval vergeten te vertellen van 1 april. Onderweg naar Leticia kruis ik een verschrikkelijk verroest metalen schip, klaar om te zinken of om in een Zuid Amerikaanse boevenfilm te figureren. Het drijvende wrak intrigeert me zo dat ik er een foto van maak. De professor Spaans naast mij vertelt dat het de boot is die de Amazone van Iquitos in Noord-Perú tot Manaus in Brazilië afvaart. Dat is dus de boot én het traject waarvan ik in mijn jonge jaren droomde om ooit eens te kunnen doen. Totdat ik een tiental jaar geleden een TV uitzetting gezien heb van een journalist die de tocht in opdracht van de BBC gemaakt heeft. Het was een verschrikking zei hij. Het ergste wat ie ooit had mee gemaakt en nooit meer wilde mee maken. Doordat de boot helemaal van metaal is en altijd overvol zit, loopt de temperatuur binnen namelijk hoog op (meer dan 50 graden, want buiten is het rond en om de 40 graden). Verluchting is er niet voorzien en de natuurlijke verluchting stelt amper iets voor. Dus iedereen zit daar opgepropt hete dieseldampen in te ademen. De hele constructie is vergeven van de insecten en de kakkerlakken. Kortom een hel om daar 3 dagen en nachten te moeten op doorbrengen. Ik heb die droom wijselijk opgeborgen. En nu heb ik die drijvende nachtmerrie in levende lijve gezien! Die journalist overdreef helemaal niet.
Dan terug naar de wandeling van vandaag. Het eerste dorpje heet Palmarí. Daar woont mijn gids Joël met zijn familie en zijn ouders. Met zevenen in één houten staketsel. Maar Joël is een handige jongen en hij is bezig met een flinke uitbreiding. Ik krijg een welkomdrank aangeboden, gemaakt van het sap van de rode vruchten van een bepaalde soort palmboom. Eigenlijk wil ik niet omdat ik bevreesd ben voor een voedselvergiftiging of zoiets. Maar weigeren met 7 paar ogen hoopvol op mij gericht, kan ik ook niet. Ik nip er dus aan en zeg dan dat ik het echt niet lekker vind. Ze dringen aan en zeggen dat het zonder suiker veel te bitter is. Ze kieperen er een berg suiker in en dan kan ik naar waarheid zeggen dat ik veel te zoet vind. Dan geven ze het op. Het volgende dorp is San Pedro. Hier staan ze duidelijk al wat verder, maar er is niets speciaals te zien.
Deze namiddag de laatste wandeling gemaakt (ik kan het niet geloven) in het deel Terra firme van het Amazonewoud. Een fikse wandeling, een stevige klimpartij bij een gezegende temperatuur van een niveau dat men in België vanaf dag 1 als de meest moordende hittegolf sinds het KMI cijfers bijhoudt. En ik leer weer wat bij. Er staan in het woud onder meer enorme cederbomen. Kathedralen zijn het als je aan hun voetstuk naar boven kijkt. En toch hebben ze een geduchte vijand die hen neer haalt: de houttermiet. Die beestjes lusten cederhout vermengd met termietenspeeksel. Ze beginnen aan hun titanenwerk onder de wortels en ze knagen ze langzaam maar zeker een weg naar de kern van de boom. Ze zijn verzot op het kernhout en ze knagen zich langzaam maar zeker naar de top soms 50 meter hoog. Als de kernhout allemaal opgegeten is, beginnen ze aan de wortels en na vele jaren eten valt de kathedraal om. Morsdood. Ik heb er een bezocht De holte in het midden van stam heeft een diameter van 1,60. Mijn gids staat er rechtop in. Ik heb ook een palmsoort gezien, waarvan de jonge bladeren een rood/bruine kleur hebben. Pas later worden ze groen.
Als ik terug kom, druipt mijn hemd van het zweet. Ik neem een douche en hoor dat de avond valt. Horen is het juiste woord want de brulkikkers (bufo marinus) maken flink van hun oren. Net een bende hooligans. Ik pak in, want morgenvroeg moet ik de hele kalvarieweg terug (kano, auto, boot) en de deadline is 12 uur. Want dan sluit het politiekantoor van Brazilië en ik heb een stempel nodig van die mannen om Colombia terug binnen te geraken. Het kantoor gaat pas terug open om 14 uur, maar mijn vlucht naar Bogotá vertrekt om 14 uur. Best dus goed op tijd vertrekken!
03/04
Om vijf uur opgestaan om vogels te gaan bewonderen. Enne mijn darmflora heeft de veldslag weer gewonnen.
Terwijl ik ontbijt fladdert hier met veel gedruis een ara (je weet wel de heel grote kleurrijke papegaaiensoort) voorbij en landt nogal onhandig (zoals een vliegtuig op één wiel) naast mij op de tafel. Ik zie dat zij op zoek is aar iets dat zij kan pikken (zoals een losliggend uurwerk of een bril of zo). Zij doet namelijk niet liever dan ermee gaan vliegen. Recht naar de Rio Yavarí om het daar in de stroom te laten vallen. Intussen roept zij in alle toonaarden haar naam : laurAAAAAA, lAUra, laurA, LAURA, LAUAUAURRAAA. Zij herhaalt gewoon het wanhopig geroep van de mensen van wie zij zonet iets geleend heeft om mee te spelen. Laura is grotendeels gedomesticeerd omdat zij gehandicapt is. Als jonge ara is zij ergens met één klauw in verstrikt geraakt en om zich te bevrijden heeft zij haar eigen klauw afgebeten. Zij was ten dode opgeschreven maar de mensen van het reservaat hebben haar tijdig gevonden en verzorgd. Zij is als een huisdier. Iedereen praat tgen haar. En ze loopt al mankend achter het personeel aan, pikt in de vlucht eten uit de keuken enz. Dat laatste kan zij omdat de keuken gewoon een onderdeel is van de maloka. Die grote open hut van de indianen; in feite een afdak van 20 op 30 meter. Laura vliegt er gewoon doorheen.
We hebben geluk. Het is een mooie dag met open weer en veel zon. Ideaal om natuurfotos te maken. Ik zit dan ook een hele dag in een kano, totdat mijn bekkenringen pijn doen. Maar als ik weer een prachtige vogel kan bewonderen, vergeet ik het ongemak. Mijn camera is merkbaar van een superieure kwalitet. De successcore ligt zeker dubbel zo hoog. Grosso modo is nu 1 op 2 shoots (van elk wel 10 fotos) raak. Uit de losse hand met de beestjes op gemiddeld 20, 30 en 40 meter. De score zou nog beter zijn, mocht ik het autofocus systeem wat beter kunnen doorgronden. Maar ja, dat zal dan voor de volgende reis zijn (Iran misschien?).
s Avonds met smaak vers gevangen pirañas gegeten. En ik denk, voilà, nu ondervind je zelf wat het is om opgegeten te worden! Daarna een caiperiña of twee gedronken om de woeste aanvallen van mosquitos wat te vergeten. Ondanks de vochtige hitte ben ik volledig ingepakt: lange broek, broekspijpen in de sokken, hemd met lange mouwen, kraag omhoog en de blote deeltjes (mijn gezicht, hals en handen nat gespoten met mosquito verdrijver). Netto resultaat : 6 extra beten. Van die venijnige die opzwellen tot een blaasje van 3-4 mm diameter. Ze jeuken behoorlijk en moet eraf blijven, want anders scheurt het blaasje open net als blaar. En open wonden vermijd ik hier best.
02/04
Vannacht regende het zo hard dat ik er wakker van werd. Het moet wreed gedaan hebben, want vanmorgen stond alles nog blank. Ik heb tijd om te denken aan de wateroverlast, want om 8:30u komen ze me halen voor de laatste trip van mijn reis: Reserva Natural Palmari. Dat reservaat ligt westelijk van Benjamin Constant, aan de oever van de Rio Yavarí. Die stroom is tevens de grens tussen Perú en Brazil. Het wordt een hele toer om daar te geraken.
Eerst mijn visum voor Brazilië regelen. Ze doen moeilijk omdat er in mijn paspoort lege bladzijden zitten tussen de verschillende stempels. Ik haal mijn schouders op en zeg in het Spaans: ik heb dat niet gedaan; het zijn collegas van u. Na flink wat gezucht komt de verlossende klop van de stempel en kan ik nog eens op Braziliaanse bodem staan en rijden we verder tot in Tabatinga. Daar moet ik de Ria Amazona oversteken tot in Benjamin Constant (waar die rare naam vandaan komt is me een raadsel). Bij het instappen gebeurt het onvermijdelijke. Een vrouw staat niet mooi in het midden van de boot, de boot wiebelt, de vrouw kantelt en grijpt naar mijn beschadigde knie op zich overeind te houden. Ik gil. De vrouw verontschuldigt zich en klopt nog eens zachtjes op de wonde. Ik gil opnieuw. Ik laat haar de foto zien van de wonde en dat realiseert ze zich wat ze gedaan heeft. En ik, ik voel dat de korst terug is open gescheurd. Ai, ai dat is een serieuze tegenslag.
Een met modder overdekte pick-up komt me daar ophalen en rijdt dan naar het plaatselijke benzinestation. Dat betekent hier een houten krat met op de toog een reeks 2 liter plastic flessen met benzine. Een kotje staat te wachten om te ontploffen. Ik ben heel blij dat we weg kunnen vooraleer het spel en de omgeving in brand vliegt. De weg naar Atalaia do Norte is geen asfaltweg, ook geen verharde zandweg, het is niet meer dan een kilometers lange grote roodbruine modderpoel waar de auto zich traag door ploegt. Zo een weg heb ik nog nooit in mijn leven gezien. De bandensporen gaan makkelijk 10-15 cm diep in de modderbrij en op sommige plaatsen zitten er bovendien putten van enkele vierkante meter die erg diep zijn. De chauffeur schuift en glijdt er voorzichtig om heen, om te vermijden dat zijn motor onder water zou lopen. Het lijkt alsof ik een heel vettig parcours veldrijden zit. De modderpartij duurt 1 uur tot we zonder accidenten Atalaia do Norte bereiken.
Atalaia is heel vies dorp (opnieuw : met veel negers en halfbloeden). Ik heb de boel daar nog wat smeriger gemaakt, want blijkbaar was er gisteren toch iets niet koosjer met het avondeten. Ben benieuwd hoe mijn darmflora dat varkentje gaat wassen.. Dan stap ik over in een kano van het reservaat Yavarí, die me daar komt ophalen, en scheren we nog een uur over de Rio Yavarí tot ik in het reservaat aankom. Het beeld van de oneindige lichtbruine watermassa afgezoomd met een oneindig doorlopende 20 tot 30 meter hoge groene oerwoudmuur, blijft voor altijd in mijn geheugen geprent. Het contrast met Atalaia kan niet groter zijn.
De eigenaar van de lodge is een Colombiaanse Duitser: Axel Antoine Feill. Die heeft hier een Instituto de Desenvolvimiento Socioambiental do Vale do Javarí opgericht om de samenwerking met indigenas gemeenschappen te bevorderen. Ik merk het, want alle personeel zijn indigenas. Op de zoon van Axel na. Die zit hier in opdracht van zijn vader voor een stage, zoals hij het zelf noemt. De voertaal is dus nu weer Duits, want Portugees (remember ik zit momenteel aan de Braziliaanse kant van de Rio Yavarí) ben ik niet machtig. De Duitser heeft het reservaat overgekocht van de lokale overheid, want voordien was het plek waar men wetenschappelijk onderzoek deed naar de fauna en flora hier.
Ik krijg een goede vogelgids toegewezen en dezelfde namiddag maken we al een eerste kanovaart. Met peddel uiteraard om de vogeltjes niet af te schrikken. Ik bespaar jullie de lijst van de mooie dieren die ik gezien heb. Het gaat bv om Ceryle torquata, Chloroceryle amazona, Dryocopus lineatus, Morpho deidamia enz, enz. Neem het maar aan: ik heb er flink gezien en ongeveer de helft kunnen fotograferen. Wat volgens de ervaringen vn mijn gids een heel goed resultaat is. De meesten raken niet verder dan iets horen maar niets zien. Eén keer versla ik zelfs de gids: een knoert van een uil. Die zat duidelijk niet op de, met de gids, afgesproken plaats.
De cabañas zien er van ver mooi en idyllisch uit. Van dichtbij zijn ze wel erg basic om niet te zeggen rudimentair. Een vloer bestaande uit enkele planken met grote spleten tussen (dus best niets laten vallen!) en vier houten wanden met evenveel spleten tussen. Een dak van palmbladeren, een beddenbak en een plastic buis als douche. Elektriciteit is in de hut niet aanwezig. Dus ook geen licht of stopcontact. Eigenlijk is dat wel handig: zo merk ik niet welke beestjes over de vloer en de wanden kruipen. Gelukkig heb ik een degelijk muskietennet!
s Avonds even krokodilletjes gaan ambeteren: de gids vist de babys van a 40 cm uit het water, wij mogen ze dan even vasthouden (liefst één hand rond hun bekje). Ik voel haar hartje wild te keer van de grote schrik. Dus zet ik haar terug in het water en je ziet het diertje in paniek weg zwemmen, recht naar haar moeder om daar met grote krokodillentranen te gaan uithuilen: ma, ze hebben het wééér gedaan. Waarom altijd met mij? En de moeder kroko die dan troostend antwoordt: wacht tot je groot en sterk zal wezen meiske, dan kan je hen dat dubbel en dik betaald zetten. Je zal wel zien!
1/04
Ik word wakker door het vele lawaai in het dorp Puerto Nariña. Blijkt vandaag feest te zijn. Ze vieren het 32 jaar bestaan van het dorp. Een grote optocht waaraan alle organisaties en kleine bedrijfjes deel nemen. Ideaal om wat fotos te nemen van mensen. Ze kunnen niet neen zeggen of gaan lopen. Dan de publieke bootbus terug naar Leticia. Op de boot maak ik kennis met een prof Spaans aan de lokale universiteit. Ik vraag hem of Spaans nu echt zó moeilijk is dat men het, net als Chinees en Japans, ook aan de unief nog op het leerprogramma staat. Het antwoord van de prof slaat me met verstomming. Hier lokaal kennen de mensen alleen hun dialect. Dat is een mengeling van slecht en slordig Spaans vermengd met de lokale indianentalen. Jij, zegt hij tegen mij, beheerst de Spaanse grammatica beter dan zij. Hier is dus duidelijk nog veel werk aan de winkel, want mijn Spaans is voldoende om te overleven en te discussiëren en gelijk te halen. Telefoongesprekken lukken ook al, maar niet altijd.
In Leticia eet ik snel wat, koop nieuwe mosquito verdrijver en bezoek het kleine lokale museum. Prachtige dingen hebben ze daar. Zo bv een pluimentooi van de cacique van de lokale Ticunas. Vijftig jaar oud. En erg mooie dansmaskers. Vervolgens vertrek dan terug naar het Natuurreservaat Tinamboca. De tijd die ik eergisteren had was te kort en het was bovendien al te laat om nog fatsoenlijke fotos te kunnen maken. En er gebeurt wat ik hoop: de zon schijnt en ik krijg een andere gids en een andere route. Prima. Allerlei beesten en beestjes gezien, onder andere zo een rups met heel lange haren die vreselijke jeuk veroorzaken. Ik heb ook die fameuze fluo blauwe reuzenvlinder zien fladderen. Met zijn opengeslagen vleugels gaat het om 7 bij 1O cm. Een gifkikker is ook de revue gepasseerd. Dan terug naar het Aquapark met de meeste vissen van de Amazone rivier. Maar daar vis ik achter het net. Ik kom er net aan als de boel sluit. Dat is pech.
s Avonds ga ik eten in Tierra Amazonica. Ze serveren daar Dorade. Ik besluit om er een feestmaal van te maken, want de volgende dagen zal het maar magertjes zijn. Ik begin met een Caperinha met mora en dan een Dorade filet gegaard in bananenbladeren. Het is een blok vis van 7-8 cm lang, 3-4 cm dik en 5-6 cm breed. Heerlijk. Zo fijn, dat ik er een tweede bestel, ditmaal gegaard in cocosmelk. Zeker zo lekkkkkkker. En dat alles doorgespoeld met twee lokale biertjes (Club Colombia dorada).
30/03
Lekker lang genoten van een duur luxekamer, maar om half zeven kan ik niet meer blijven liggen. Na een erg uitgebreid ontbijt (want het wordt weer een moeilijke dag wat het eten betreft) wordt ik naar de luchthaven gevoerd. Met dezelfde shuttle waarmee de piloten naar hun werk worden gebracht. Want dat is me intussen duidelijk: piloten slapen in luxe hotels.
Om 14 uur land ik eindelijk op de luchthaven van Leticia. In alle reisgidsen staat dat het niet evident is om hier te raken. Ze hebben gelijk. Eigenlijk ben ik onderweg van gisterenmorgen 4uur, met alle vereiste documenten en reservaties op zak. Maar zoals meestal: de volhouder wint! Tijdens de landing meldt de piloot dat het daar een gezellige 35 graden is en dat het lichtjes regent. In de luchthaven word ik tegen gehouden omdat ik geen invoerrecht heb betaald. Blijkbaar is Letiticia zo ver weg van Bogotá dat zij zelf belastingen en invoerrechten vast leggen en heffen. Met 20.000 pesos (iets minder dan 7 euro) is dat ook weeral opgelost. Ik kom buiten en er is een wolkbreuk bezig. Het water stroomt bij beken uit de lucht. Warm water! In mijn hotel word ik verwelkomd met een nieuwe jugo. Ditmaal van arazá. Nog nooit van gehoord. Ik kan de vrucht dan ook nog niet beschrijven. Maar de smaak is heel fijn en geraffineerd. Ik krijg een kamer met een kingsize bed en tegelijk wordt er al gevraagd of ik zin heb in Peruaanse ceviche. Ik zeg niet neen. En tien minuten later tuf ik met een tuktuk 5 cuadras verder (meer is het echt niet). Ja dat zal wel. Na 5 cuadras kom ik aan een aanlegsteiger ( deMalecon noemen ze dat hier een beetje eufemistisch) en daar moet ik een gammele houten kano op. Hij koerst naar het midden van de stroom, ter breedte van de Schelde en och arme maar een zijriviertje van de Amazone). Dan wijst de schipper naar bakboord en zegt daar begint Brazilië, dan naar stuurboord en zegt daar begint Perù en achter ons ligt Colombia. Het fameuze drielandenpunt. We steken de grens over met Perú en gaan in een restaurant nog eens echte ceviche eten: een torenhoge schotel. Echt waar, ik heb er een foto van genomen. Uitstekend van smaak. Ben benieuwd wat mijn darmen er zullen van vinden. Dan terug naar Colombia, naar de serpentaria (het slangenhuis) van het Tanimboca reservaat. Ik kom daar aan om 17 uur. Eigenlijk weer een uur te laat. Maar ja, ik kan niet toveren. Ik sta daar vol bewondering te kijken naar zo een gigantische hut van bamboe en bladeren, wel 20 meter hoog. Op de achtergrond hoor ik ze zeggen dat het serpentarium niet meer bestaat: de slangen zijn ontsnapt! Maar ze hebben een alternatief: een boswandeling. Ik heb geen ander alternatief en stem in. De gids en ik zijn geen 20 meter verder of ik realiseer me dat het oerwoud zich rond mij sluit en opslokt. Ik kan het gevoel niet anders omschrijven. Ik sta hier even voor valavond onvoorbereid in een short (omwille van mijn kniewonde), en een t-shirt met korte mouwen. Het enige wapen dat ik bij heb is een lokaal muskietenverdrijver (un repelente). Ik sproei me goed in en ploeter moedig door de grote modderpoel (want dat is de Amazone), goed oplettend of er geen mug op mijn blote armen of benen neer strijkt. Ik heb de wandeling van een uur zonder grote schade doorstaan. Ondanks drie sproeibeurten heb ik toch nog een tiental muggen naar het muskietenparadijs moeten sturen. Die hadden allicht een verstropte neus. Ondanks de invallende duisternis toch nog t een en t ander gezien: een klein bruinrode kikker van 1,5 cm en een gele gifkikker ( die beestjes zijn amper 2-3 cm lang maar springen makkelijk 1 meter ver. Ik sprong bijna mee van het schrikken. En de gids houdt halt bij een schril boompje. De naam is Caponero. Van de schors maken de indianen een brij tegen allergieën. De gids zegt dat zij hem hiermee van een piña allergie hebben afgeholpen. De schors schilfert in dunne velletjes af en ze heeft een licht bruin/oker kleur. Alhoewel de wandeling te laat en te kort was, ben ik er erg mee opgezet: de wonde aan mijn knie is dicht en ze is dicht gebleven. Dat is een hele opluchting! En ik heb geen muggenbeet op de korst gekregen. Dat is ook mooi mee genomen.
s Avonds ga ik in de buurt een pizza eten. Ik neem een vegetarisch exemplaar, kwestie van eens wat groenten te eten. De Colombianen blijken zelfs suiker bij de groetenpizza te doen, verdorie!. En nog niet een klein beetje!
31/03
Vandaag staat een excursie op de Amazone rivier op het programma: van Letitia westwaarts tot in Punto Nariño. Met enkele tussenstops onderweg. Veelbelovend, alleen over het vertrekuur is er nog wat onenigheid: 6:30u, 7 u, 7:30, 8u en 8:30. Ik sta voor alle zekerheid maar op om 6 uur, mijn gewoon uur. Ik pak alles in, ontbijt met een beker met weer een nieuw fruitsap. Nu is het Camocamo. De vrucht lijkt op kleine druifjes en ze geven een rosé sap af, maar met meer smaakt dan de Franse rosé. Om half acht gaat de dueña van de bed en breakfast naar de Malecon van Leticia. Een legendarisch begrip in La Havana, maar een groezelige buurt in Leticia. Na een half uur wachten moet ik formulieren invullen (dat is een goed teken) en ik word naar een veredelde metalen kano geleid. Ik zat daar helemaal alleen. Verdacht, want ik weet dat in een georganiseerde tour stap voor één dag. Maar uit de palavers (ze denken allemaal dat ik geen woord Spaans versta maar ze dwalen!) verneem ik dat de groep heeft afgehaakt wegens al te enthousiaste algemene buikloop. Ze willen de tour daarom afgelasten. Ik protesteer en met het argument dat de diarree mensen hun tour vooruit betaald hebben (ik gok uiteraard) en dat het bijgevolg voor het bedrijf geen punt is of ze fysisch nu deelnemen of niet, gaan ze overstag. Maar ik moet wel overstappen naar een kleinere boot. Lijkt me logisch, dus aanvaard ik het compromis.
Maar dan begint het. De reispapieren kloppen niet meer en moeten helemaal van vooraf aan vernieuwd worden. En daarmee moeten ze naar een kantoor dat aan de andere kant van het stadje ligt. Goed om half negen is de administratieve rompslomp in orde en we vertrekken. Maar dan moet ie - echt niet te voorzien- benzine gaan kopen. We zijn geen 500 m op de Yacuaracaca (want een naam ik ben drie maal moeten herbeginnen met hem te noteren), een bijrivier van de Amazone of de motor valt uit. De diagnose luidt dat er een onverlaat water in de benzine tank gegooid heeft. Terug en dan gebeurt er iets raars. Ze hevelen de tank van het bootje over naar een vat en herhalen dat proces twee maal. Hoe ze daarmee water kunnen scheiden van olie is me niet duidelijk. Maar ja ik ben geen chemicus en bovendien geen Colombiaan. Maar wonder boven wonder de motor start opnieuw! We vertrekken opnieuw, maar niet inde goede richting. Hij moet nu eerst nog een lading goederen oppikken voor de haltes onderweg. Dan mot ie nog eens terug voor zijn gsm! Het effectieve vertrekuur is half tien! Stalen zenuwen moet ne mens hier hebben.
Eerste stop is Porto Algería. Eeen indianengemeenschap, zoals ze dat hier noemen, met flink wat half gedomesticeerde wilde dieren. Een mico perosa ( een mini-luiaard), twee soorten aapjes (churuco en mico titi), een chiquiro (een waterzwijn), een anaconda van twee meter, een nutria (een soort fret), en een tigrillo (een mini tijger).
Tweede stop is Isla Micos. Het apeneiland. Er wonen daar naar het schijnt meer dan 200 soorten. Maar op het traject waar de toeristen mogen komen, wemelt het van één enkele soort. Een vrijpostige soort mico titi. Maar een andere familie van die van de eerste stop. Deze zijn vingervlug en doen niet liever dan hoeden, brillen, fototoestellen ed te stelen. Ik neem mijn voorzorgen, maar die beestjes van amper 20cm hoog springen gewoon op mijn hoofd, mijn schouders, mijn rug en zo voort. Ik schud ze van me af, vooraleer ze iets kunnen pikken. Plezant voor eventjes, maar niet direct mijn ding.
Derde halte is een ander indianendorp: Macedonia van de Ticuna stam. Om hun koopwaar aan te bieden hebben ze een enorme hut gebouwd. Een maloka, waar ze vroeger hun algemene vergaderingen dan de stam hielden. Helemaal opgetrokken in hout en met een dak van palmbladeren. Enkele vrouwen in namaak traditionele kledij , zingen en dansen een welkomlied in hun taal. Lijkt erg veel op chinees verdorie! Als begeleiding hebben ze een mono-trom en gerammel van schelpen.
Aan de rio Roleto Yaku krijg ik een middagmaal voorgeschoteld van Pirarucu vis. Een Amazone vis die naar het schijnt 2-3 meter lang kan worden. Goed maar niets speciaal. Lijkt op kabeljauw. Dan varen we verder naar het Lago Tarapoto op zoek naar roze dolfijnen. In de Amazone leven namelijk twee zoetwater dolfijnsoorten: roze en grijze. De roze wordt makkelijk 7 meter lang. De grijze is kleiner en minder beweeglijk. Hij kan bijvoorbeeld zijn hoofd niet afzonderlijk bewegen. De grotere roze kan dat wel en bij overstromingen waagt de roze zich dan ook in ondiep water in de ondergelopen bossen. Dolfijnen bekijken is een tijdrovende bezigheid. Het duurt een half uur vooraleer ik er een zie. In alle vorige gevallen keek ik net even niet in de juiste richting. En dan zag ik alleen nog veel luchtbellen en opspattend water.
Degene die zie is een grote roze die half uit het water wipt. Een ferm beest zeg! Iets later zie ik ook een grijze. Fotograferen is er niet bij. Als je er een ziet boven komen, kom je te laat want de volgende seconde is ie terug verdwenen. En ik weet maar één ding met zekerheid: in de buurt van de dezelfde plaats waar hij boven kwam, komt ie niet terug. Hij kan intussen makkelijk 100 meter verder zitten. En dan kom je weer te laat, want de waterplas is erg groot.
Dan breekt een onweer los en de motor valt opnieuw uit. In het midden van een meer. Al goed dat het niet op de Amazone gebeurt. De stroming is hier erg sterk en in enkele minuten ben je al honderden meters mee gesleurd. Te midden van allerlei pijn van het woud §(takken en hele bomen zen). Kortom gevaarlijk om de kapseizen. Tegen ik goed doorweekt ben, krijgt ie de motor terug aan de praat. Hij zet me af aan mijn hotel vertrekt. Ik loop achter hem en vraag hoe ik begot moet terug geraken. Hij weet echter van niets. Dat ziet er niet goed ui; helemaal alleen op de Amazone en op 2-3 uur varen naar Leticia.
Ik probeer te bellen naar de bootmaatschappij, maar de dekking van Mobystar blijkt hier geen dekking te hebben. Dus bel ik bel met de gsm van de uitbaatster van mijn hotel. Ik moet blijkbaar de bootbus terug nemen. Het ticket is al betaald aan AlbertOOOO. Laat ons hopen dat het werkt, want ik heb geen enkel papiertje.
s Avonds kan ik kiezen voor vlees of vis. Het vlees is hier echt niet te pruimen en we zitten boven op de Amazone. Dus kies ik ondanks de35° en de 85 % luchtvochtigheid (gecheckt) voor vis. Ik krijg me daar een filet van wel 300gr op mijn bord met een doorsnee van een zwaardvis. Dorade blijkt hier een wel erg grote vis te zijn: één a twee meter!. Het vlees van de vis met een oranje limoen erbij smaakt heerlijk! En dan twee maatbekers lulo sap. Waw.
29/03
Voor de verandering nog eens vroeg opgestaan: 4:20u. Mijn vlucht van Pasto naar Bogotá is pas om 8 uur, maar ik moet me 2 uur vooraf aanbieden (de administratie voor de check in en de after check is enorm) en de rit naar de luchthaven vergt 1 uur. Dan nog wat extra ruimte voor de taxi en zo kom ik uit op dit ontiegelijk uur. Ik ben gisterenavond dan ook om 9 uur gaan slapen. Door het vroege uur heb ik niet alleen mijn ontbijt in het hotel gemist, maar ook een cuy maaltijd gisterenavond. Ik had gisteren een restaurant gevonden dat reclame maakte voor platos tipicos. Ik stapte vol verwachting het restaurant binnen onmiddellijk na het openingsuur. Dat wil zeggen om half acht in plaats van 7 uur. Ik was de eerste klant. Op de menukaart staat inderdaad cuy met een hele uitleg hoe goed dat beestje heeft mogen leven, welk lekker eten het allemaal gekregen heeft en dat het een snelle dood gestorven is. Na de hele litanie staat er in nog kleinere lettertjes bij cocinos 40 min). En ja, het wordt langzaam gegaard ook nog. Ik roep de oberin en vraag haar of er enige kans bestaat dat ik dat lief beestje vóór 8 uur op mijn bord krijgt. Geen dus. Vermits ik om 9 uur in mijn bed wil, vraag ik naar een andere regionale gerecht dat ze me kan aanraden. Allemaal OK tot het bord verschijnt: drie stukjes hééééél goed doorbakken vlees met langachos en popcorn. Dit is de eerste maal in twee maand dat ik rommel op mijn bord krijg. Dat valt eigenlijk nog mee. De cuy kan er maar gelukkig om zijn.
Mijn taxi verschijnt te vroeg op het appél. Waar gaan we dat schrijven! Bovendien verloopt de rit naar de luchthaven veel sneller dan de heen rit. Niet alleen door het vroege uur, maar vooral omdat de chauffeur als een gek door de vele bochten scheurt. Ik ben dan ook de eerste op de luchthaven. Een vreemd gevoel, net alsof ik op een verkeerde luchthaven sta. Na een half uur verschijnt het personeel en kan ik inchecken. Een exit stoel wegens mijn knie kan ik ditmaal niet versieren. De man achter de balie vindt het geen afdoende reden. Ik berust er in, verzamel nog wat stempels voor de after check door de politie en wacht af. Plots wordt mijn naam omgeroepen. Ik voel de bodem onder mijn voeten weg zinken. Bij de herhaling hoor ik dat ik me niet bij de politie maar aan de incheck moet aanmelden. Daar vertellen ze me dat mijn vliegtuig nog in Bogota staat met technische problemen en dat ik daardoor mijn aansluitende vlucht naar Leticia zal missen. Ik heb nochtans 4 uur (!) speling. Ze bieden me een hotelkamer aan in Bogota en een overboeking van mijn ticket van Bogota naar Leticia naar de volgende dag. Al mijn pogingen om een uitweg te vinden stranden op een zucht: neen er is geen latere vlucht naar Leticia; neen een overboeking van mijn ticket van Pasto naar Bogotá naar de andere luchtvaartmaatschappij gaat niet want de twee maatschappijen hebben geen conventie hieromtrent. Ditmaal strand ik tot aan mijn nek in de Colombiaanse bureaucratie.
Daarmee is aangetoond dat ik een denkfout heb gemaakt met naar Pasto te komen. Op de landkaart lijkt het allemaal erg logisch: ik vertrek vanuit Villaveija naar Pasto (Zuidwest). Dat ik daarvoor een tussenlanding moet maken in Bogotá neem ik er voor lief bij. En twee dagen later vlieg ik van Pasto naar Leticia (nog meer naar het Zuiden, maar dan Zuidoost). In het uitgewerkte programma van mijn Agentschap staat dat ook zo uitgelegd. Tot ik de tickets in handen krijg. Dan blijkt dat Bogotá geen tussenlanding is, maar de hub voor ALLE vluchten. Ik vlieg met andere woorden van Bogotá naar Pasto en twee dagen daarna van Pasto terug naar Bogotá en vandaar naar Leticia. Je kan het niet complexer indenken. Zelfs met een speling van 4 uur is dat in een land als Colombia om problemen smeken. Als ik het op voorhand geweten had, zou ik de uitstap naar Pasto geschrapt hebben van het programma. Maar ja, als als als, als mijn koe een kat was kon ik ze melken aan de stoof.
Tegen 14 uur sta ik terug in Bogotá. Daar zoek ik de klachtendienst van Avianca (de luchtvaartmaatschappij met de defecte Boeing). Ik leg de zaak op mijn gemak in het Spaans uit en ze komen met een voorstel af: ze bieden me een gratis overnachting met middag- en avondmaal en ontbijt aan. En het transport van de luchthaven naar het hotel en de volgende dag terug. Ik stem in en een uur later word ik afgezet in een poepchique hotel van de Movich keten. Ik neem onmiddellijk mijn middagmaal (twee keer want ik heb grote honger) en spring dan in een taxi om de twee musea die ik in het begin van mijn reis niet (Museo de Trajes regionales) of maar half (Museo Nacional) hebben kunnen bezichtigen, met een bezoekje te vereren. Het eerste is een moeilijk geval. In de eerste dagen van mijn verlof heb ik twee maal voor gesloten deuren gestaan. Ook nu moet ik rap zijn want om 16:30 sluiten ze weer en het is al 15 uur en de taxi moet zich nog door het verkeer van een miljoenenstad wringen. Maar het lukt omdat minder en kortere files zijn, want zo dadelijk begint de voetbalmatch Colombia tegen Ecuador. Om half vier geraak ik in het museum. Om kwart over vier komen ze aan mijn mouw trekken. Ik moet buiten want ze willen stoppen om 16:30 uur. Het is een klein maar wel heel mooi museum. Ik ben net op tijd klaar. Tot slot nog een taxirit van een half uur naar het Museo Nacional in het Noordoosten van de stad. Daar had ik in januari de goudkluis en de afdeling pre-colombiaanse kunst gemist. Allebei wondermooi. Blij dat ik ben terug gekeerd. En zo luk ik erin om de eerste ernstige tegenslag op deze reis in extremis nog om te buigen tot een positieve ervaring.
Het enige wat ondanks al mijn inspanningen niet lukt is de genezing van mijn kniewonde. Het genezingsproces gaat tergend langzaam en de wonder is nog steeds niet helemaal dicht. Het is me een raadsel, want wonden genezen bij mij altijd erg snel en zonder veel hinder. Nu niet, amaai. De heel dosis antibiotica heb ik opgegeten (volgens mij nutteloos want de wonde was en is ondanks het vreselijke uitzicht- nooit ontstoken geweest) en ik dek ze dagelijks af met een ontsmettende spray die de wonde ook afschermt. Maar eigenlijk kan de wonde nog steeds geen wrijving van een broekspijp verdragen. Ik zal goed moeten opletten in de Amazonas. Ik denk dat ik overdag de short gaan aandoen en s avonds als de musquitos komen, de lange.
28/03
Vandaag staat het bezoek aan de laatste Laguna op het programma. Ik weet dat het eigenlijk het noodlot tarten is (want al 2 x heb ik een meer gemist ofwel omdat het te weinig geregend had en er dus brandgevaar was ofwel omdat het zo hard regende dat ik het water van onder en van boven nog amper kon onderscheiden. Intussen weet ik dat, vermits die lagunas altijd oog in de bergen gelegen zijn (dus boven de 2500 meter) de kans op mist en regen erg groot is. Ik probeer het toch, want anders heeft het hele bezoek aan Pasto niet veel zin gehad. Maar daarover straks meer, eerst het meer. Ik kom er rond 9 uur aan. Geen ziel te bespeuren en over de vulkaanflanken (Vulcan Galeras 4276 m en nog steeds actief) kruipen dikke mistwolken als een massa grijze slangen snel naar beneden. Dat belooft niet veel goeds. Toch bestel ik een plancha (een platbodem bootje) om het meer op te gaan. Ik ben nog geen kwartier aan het varen en plots gebeurt er een wonder. De grijze mistslangen lossen op en de zon verschijnt! In het meer ligt een eiland met tropisch regenwoud, Isla de la Corota. Het eiland staat vol wwardevolle bomen (allemaal met namen die ik niet kan thuis brengen) die bedekt zijn met bromelieas. Prachtig. Het meer is ook bekend voor zijn forel kwekerijen. Ik bezoek er een. De forellen zien er stevig en gezond en roos uit. De beslissing is dan ook direct genomen: ik blijf hier rondhangen tot de middag om roze forel te eten. Na de boottocht maak ik daarom nog een wandelingetje door het dorpje aan de rand van het meer. Het valt me op dat de houten huizen niet gebouwd zijn op een stenen, betonnen of houten fundament. De houten steunpalen van de huizen steunen op iets harig bruins. Het blijken de onderste stukken en de wortels van het riet te zijn dat aan de oevers van het meer overvloedig groeit. Als ze het uit het water halen, is de bruine vezelig/harige stronk van een meter lang. Onderaan een diameter van 50 cm en bovenaan een 20tal centimeter. Na het drogen ziet het zwart en voelt het hard aan als hout. En het is er waterbestendig, nogal wiedes, zou ik denken. En die stronken worden in de grond gestoken als fundament/vochtbarrière. Ze gebruiken de kleinere stronken ook als balkjes om drassige plekken grond begaanbaar te maken.
In het restaurant opteer ik voor de pikante bereiding (trucha a la creola). De roze forel heeft me goed gesmaakt.
In de rammelbus terug naar Pasto zit ik naast een gewezen politieagent. Ingevolge de recente moord op klaarlichte dag op drie politieagenten, hebben we het uiteraard over de veiligheid. Hij zegt dat de grondoorzaak de extreme en uitzichtloze armoede is van een hele groep mensen. Zij hebben maar een weg meer om te overleven: drugs en geweld. Drugs en geweld bestrijden zonder de oorzaak aan te pakken, is dweilen met de kraan open. Ik denk dat hij gelijk heeft. Hij waarschuwt me ook voor Pasto: na Medellin en Manizales is Pasto nu het drugscentrum aan het worden. Overdag gaat het nog, maar s avonds kom ik best niet buiten. Dat ga ik dan ook niet doen. Nu, in de vroege namiddag ga ik nog wel twee musea bezoeken: het lokale goudmuseum en het museo Alfonso Zambrano. Naar Colombiaanse gewoonte is het eerste gesloten wegens renovatiewerken. Het tweede is weinig bekend. Mijn taxichauffeur heeft twee maal de weg moeten vragen. Het blijkt een privé verzameling te zijn van ene mijnheer Zambrano, een beroemd beeldsnijder van de stad. Zijn huis steekt vol met erg waardevolle voorwerpen van de lokale indianenstammen. Ik heb voor de eerste maal de originele mallen gezien (waarmee de indianen hun devotie beeldjes in serie produceerden), maskers en kleigebakken schalen in drie kleuren beschilderd. In de koloniale afdeling staat een set van antieke stoelen met een rugleuning beschilderd met landelijke taferelen. In zijn atelier is onze Zambrano nog steeds aan het werk met houtsnijwerk. Achter zijn rug zie ik een pre-industriële wipzaag staan: aangedreven door trappers. Het zaagblad lijkt sterk op het blad van een ijzerzaag.
27/03
Het wordt tijd dat Semana Santa voorbij is. Iedereen loopt hier zot en/of zat (het verschil is niet altijd zo duidelijk) rond. Niets functioneert nog of loopt op zijn minst mank. En Paaszondag moet ik van Villaveija naar Pasto geraken. Gisteren in de namiddag werd het me duidelijk dat er geen busvervoer zou zijn. Ik zal dus een taxi moeten nemen. Het zij zo, ik mis immers best mijn vlucht niet. De taxichaffeur belooft me op zijn eerste én plechtige communiezieltje dat hij de afspraak zou nakomen en mij om 9 uur zou oppikken om naar het vliegveld van Neiva te rijden. Vandaar neem ik de vlucht naar Pasto. Hij raakte zelfs wat geïrriteerd als ik nog een tweede keer om bevestiging vroeg. Ik heb de afspraak op 9 uur gezet, met een buffer van 2 uur.
Het is dus van dadde. Om 9 uur is die taxi in geen verte te bespeuren en zijn telefoon wordt niet opgenomen. Samen met de hotelbalie zoeken we op Paaszondag een alternatief. En er gebeurt weer een wonder. De balie vindt een aftandse campesino die met zijn nog oudere jeep naar Neiva tsjokt. Het doet me denken aan het liedje van Oerend Hard Guus kom naar huus, want de koeien staan op springen, waarbij Guus naar de stad rijdt voor een nieuwe tractor. Het verschil is dat Guus alleen reed en dat in mijn jeep al 12 man opgestapeld ligt en ik moet er met mijn bagage nog bij. Het is half tien als dat wrak zich op gang trekt. Tergend langzaam en onderweg nog meermaals stoppend om uitvoerig te vertellen dat zijn laadbak nu echt wel overvol zit. Zo een rammelbak vol mensenvlees is natuurlijk een gedroomd controle-object van de militairen langs de weg. Driemaal doen ze ons stoppen. Dat is wel verdacht veel. Soit, na veel nagelbijten haalt die kar zonder noemenswaardige accidenten de luchthaven op tijd.
In de wachthall kijk ik naar het nieuws. In Cartagena zijn 3 politieagenten op klaarlichte dag vermoord geworden. In Cauca ook nog één. Twee zaken zijn duidelijk. Het verklaart die opmerkelijk strenge controles op de baan en het toont aan dat het drugsprobleem nog niet helemaal van de baan is. De inspanningen die de regering levert zijn nochtans niet mis. De willekeurige wegcontroles missen hun doel niet. Zelfs in dit uitgestrekte land met zoveel wouden en bijna ontoegankelijke gebieden, is de bewegingsvrijheid van de guerilla ernstig verstoord en beknopt. Ze kijken hier dan ook een beetje meewarig neer op het knoeiwerk van de Belgische politie.
In de luchthaven raak ik in gesprek met een Madrileen. Hij lucht zijn hart over de problemen die het land heeft met de moslimgemeenschap die zich niet WIL integreren.
In de late namiddag land ik op de luchthaven van Pasto. De landingsbaan ligt boven op een (afgeplatte) bergtop. Dat heeft tot gevolg dat men, op het moment dat het landingsstel de grond raakt, langs links en rechts alleen bergflanken en ravijnen ziet. Als het afremmen van de snelheid dan ook erg abrupt verloopt, krijgt men de indruk dat zelfs bij een mislukte landing, de landingsbaan altijd vrij blijft. Het vliegtuig valt immers langs de ene of de andere kant de afgrond in. Volautomatisch.
26/03
Als ik opsta is er over de kniewonde een vliesje gegroeid. De schaafwonde is dus dicht. Wat een opluchting. De medische hulp van het hotel spuit er nog eens spray over en dan moet ik wachten om die te laten opdrogen. Intussen geniet ik van een lekker ontbijt met tamales. Dat is een gerecht bereid in een kom die langs de binnenkant belegd wordt met bananenbladeren. In de resterende holte wordt een bereiding op basis van rijst, aardappelen, kip, vlees, spek, wortelen, ei en nog wat dingen, waarvan ik de naam niet verstond, gedeponeerd. Dat gaat zo de oven in. Pesado noemen ze dat hier (zwaar). Ik vind het wreed lekker en echt een ontbijt voor een Dillen. Darbij wordt een groot glas Chulupa geserveerd. Zalig.
Intussen wat info over het stadje Villaveija zelf. Op de plaats waar nu het dorpje ligt, heeft in 1550 de Conquistador Juan Alonso de nederzetting San Juan Nepomuceno gesticht. Zo eventjes tussendoor in zijn zoektocht naar El Dorado. Nadat hij verder getrokken is, hebben de indianen die het duidelijk niet met hem eens waren, de nederzetting met de grond gelijk gemaakt. Wat er met de Spanjaarden gebeurd is die zich hier hadden genesteld, wordt nergens verteld. Vermits de geschiedenis steeds door, en alleen door, de overwinnaar geschreven wordt, vermoed ik dat ze gedood en smakelijk opgepeuzeld werden met een pikante saus erbij. In 1562 wil ene Diego de Ospina y de Medellina hier overnachten. Vermits dat niet meer ging, heeft hij het dorpje herop gebouwd en hij noemde het kortweg Villaveija. Voilà, meer is er hier niet te zien, tenzij dat het erg warm is. Gisterenavond om 20 uur was het warmer dan bij ons op de middag tijdens een hittegolf. Alles is relatief.
Intussen is de spray op de kniewonde gedroogd en de verpleegster overtuigt me dat een trip in een short door de woestijn bij 45° Celsius geen goed idee is. Ze overhaalt me om toch een gaasje over de wonde te leggen als bescherming tegen de continue wrijving met de pijp van mijn lange broek. We zullen zien. De woestijngids verschijnt exact op Colombiaanse tijd: een half uur te laat. Op zich niet erg, we zijn dat gewend. Maar hij zit op een mini moto en hij wil dat ik achterop kruip. Ik weiger, niet alleen omwille van mijn knie, maar ook omdat het fysisch gewoon niet gaat. Ik sleep dan met mijn onderbenen onder de grond. Het heeft nogal wat voeten in de aarde alvorens hij dat wil inzien. Eigenlijk totdat ik zeg dat ik een auto wil als transportmiddel en dat ik ook bereid ben er meer voor te betalen. Dat helpt. Goed, met een uur vertraging (en dus weer een paar graden warmer!) vertrekken we. Het zicht van deze woestijn is enig: zand/rotsformaties die staan te trillen in de hitte van de ochtendzon. Ik voel dat mijn zonnecrème 50+ niet opgewassen is tegen deze intense zonnestraling. Ik voel de straling gewoon door de protectiebarrière branden. Ik smeer dus een nieuwe laag en ook die houdt amper een half uur stand. Ik beslis om niet dieper de woestijn in te rijden naar een oase met een vijver waarin men kan zwemmen. De idee is wel verleidelijk maar met mijn kniewonde heb ik er eigenlijk niet veel te zoeken. Ik besluit dat het genoeg geweest is en ik ga schuilen.
Tegen de middag eet ik een maaltijd van soep met geitenvlees, terwijl de bewoners van de hut een spel spelen dat een variante is op pétanque. Ze hebben een houten bak gemaakt met een opstaande wand van 50 op 50 cm en een bodem van dezelfde afmetingen. De binnenruimte wordt opgevuld met nat zand, zodat een opstaande ruimte ontstaat. In die ruimte stekken ze een bommetje met daarop een rood vlaggetje. Vanaf 5 m gooien ze met een ijzeren dop van een kilo naar dat bommetje. Alles wat het doelmist blijft, blijft mooi in het nat zand steken. Eén keer heb ik het mee gemaakt dat iemand zijn dop recht op het bommetje laat neerkomen. Een knal, zoals ze dat alleen in Zuid Amerika kunnen produceren. Ik had die houten bakken al meermaals opgemerkt, ik wist dat het een gooispel was, maar ik had nooit zien spelen.
Terug in mijn hotel inspecteer ik het verband. Mijn vrees wordt opnieuw bewaarheid. Het verband plakt weer in de wonde. Als ik het gaas eraf haal (jandorie, nog even en ik kan opera zingen) , sta ik terug aan af. Om moedeloos van te worden. Het was dus een wijze beslissing om terug te keren. En nu luister ik naar niemand meer. Ik maak de wonde proper en spuit de spray erop (weer een aria). En ik laat de wonde gewoon open en bloot. Vanavond ga ik dus ook in short naar het Observatorium in de woestijn om naar de sterren te kijken. Normaal neemt de agressiviteit van de zon vanaf 5 uur als maar meer af. En morgen ga ik in short het vliegtuig op. Als er iemand een opmerking durft maken, zeg ik dat ik op paasdag voor Jezus aan het oefenen ben.
De nachturen in het Observatorium in de woestijn van Tatacoa zijn indrukwekkend. De astronoom van het observatorium heeft dikke plastic zeilen op de hete woestijngrond gelegd. De honderd geïnteresseerden gaan gewoon op de grond liggen om naar de sterren kijken zonder een stijve nek te krijgen. Want de uitleg van de man duurt twee uur. Hij gebruikt een groen laserlicht om de ster of de nevel aan te wijzen waarover hij het heeft en hij kent blijkbaar alle sterren en nevels bij naam. Zo een encyclopedische kennis heb ik nog nooit ontmoet. Wreed interessant. En plots realiseer ik me dat het de laatste keer in mijn leven is dat ik het Zuiderkruis gezien heb! Tegen negen uur keer ik terug, want er zijn muggen in de woestijn (dat wist ik niet) en de temperatuur begint voelbaar te zakken. Ik schat dat het nog amper 20 graden is. Dat is al de helft eraf. En zo daalt dat verder tot tegen het vriespunt in de vroege ochtend. Dan begint de kooktijd opnieuw. En zeggen dat ik in de woestijn veel tentjes zie staan van jeugd die hier de nacht door brengen. Ja wadde: eerst braden en dan bevriezen.
Om half tien ben ik terug bij mijn hotelletje. De uitbater zit met zijn familie rustig buiten een lokale specialiteit te verorberen: lechona (rijst met groenten en een soort stoofvlees van varken) met insulo (geplette banaan met kruiden in bananenbladeren verhit. Lekker!
25/05
Ik ben gisteren om half tien gaan slapen, te midden van het hels lawaai van Semana Santa. Mijn wekker loopt af om 4 uur en ik bestudeer mijn kniewonde. Er staat eindelijk een korst op. Ik voel me opgelucht en ik denk terug aan gisterenavond. Toen kruiste ik een uitgelaten familie Colombianen die mijn kniewonde vanop afstand luid becommentariëren. Het is inderdaad Semana Santa roept iemand van hen me toe. Ik antwoord hem: ja ik ben aan het oefenen voor morgen (Goede Vrijdag). Gebulder.
Mijn wonde is dicht. Om te vermijden dat mijn broekspijp door de wrijving en het gewring in de bussen opnieuw zou openscheuren, leg er heel losjes een gaas over en kleef de hoekjes vast met mijn knie gebogen. Zo vermijd ik druk op de wonde en is ze tegelijk toch nog een beetje beschermd. Oef. Dan het cruciale punt: zal mijn taxi wel op tijd verschijnen. Half zes midden in Semana Santa is eigenlijk om problemen vragen. Ik heb voor alle zekerheid maar een half uur extra speling ingecalculeerd. Maar niet te geloven mijn taxi is op tijd én mijn bus vertrekt punctueel op tijd. Waar gaan we dat schrijven! Om half elf sta ik Neiva. Daar moet ik overstappen op een andere bus. Maar die zal effen moeten wachten. Ik wil eerst ontbijten. Ik ben immers al meer dan zes uur ingespannen (sinds 4 uur) zonder eten. Eens de honger gestild koop ik een ticket voor de bus naar Villaveija en op de parking van het busstation staat één aftandse jeep, die achteraan al helemaal volgestouwd is met zwetende klanten. We zijn op weg naar de woestijn nietwaar. Mijn trolley wordt op het dak gegooid en ik word verzocht achteraan bij in die mierenhoop te kruipen. Ik denk er niet aan, want dan scheurt mijn kniewonde gegarandeerd opnieuw open. Ik wil in de jeep op een stoel zitten. De discussie loopt op. Ze zijn het duidelijk niet gewend dat een buitenlander, zoals ze me noemen, van zijn oren maakt. Het eindigt met een scène waarbij mijn bagage terug wordt afgeladen. Vanuit het hoofdkwartier zien ze het tumult. De directeur komt af en ik krijg mijn zin: vooraan naast de chauffeur met nog twee andere passagiers. En dan nog twee uurtjes rijden en zweten. Ik merk hoe met de kilometer de dichte groene begroeiing plaats maakt voor wat schrale plantjes en veel heet zand. Ik raak in mijn hotel vooraleer ik helemaal gesmolten ben.
Terwijl ik daar op adem kom met een glas lekkere guabaya zie ik de poetsvrouw van het hotel een emmer poetswater op straat leeg gooien. Ik zie het water onmiddellijk verdampen in wolkjes! Dat heb ik nog nooit gezien. Ik vraag me hoe heet dat zand (want het gaat om een zandstraat) wel moet wezen.
Op mijn kamer komt het uur van de waarheid. Ik controleer het losse verband en stel vast dat de wonde opnieuw is open gegaan en het gaas in het lymfenvocht plakt. Weer tanden bijten om dat gaas uit de wonde te krijgen. Ne mens went verdorie op de duur aan de pijn. Erger is dat ik terug aan af sta. Verrekt nog aan toe zeg. Als ik hier geen afdekspray vind, zal ik morgen noodgedwongen in een short in de woestijn moeten rondlopen. Dat zal smeren worden! Ontmoedigd laat ik me op bed vallen en slaap twee uur. Ik raak daarna eindelijk aan een spray om de wonde af te dekken. Een laatste keer op de tanden bijten, hoop ik. Want dat spul is goed maar pikt nog beter. Ik herinner het mee van de grote schaafwonde die Nicole op haar dij had tijdens haar verlof in Nederland.
24/04
Mijn privé gids staat op tijd paraat. Dee hele voormiddag rotsen we rond van de ene begrafenissite naar de andere: La Pelote, Purtal, a Chaquira en El Tablon. Op de eerste site zie ik graven (en dus ook de beelden ervoor) die nog maar een tiental jaren geleden opgemaakt zijn. De beelden hebben inderdaad nog hun originele intense kleuren. Zij zijn beschilderd met geel, rood, zwart en bruin. Men weet waar de Indianen de kleurstof vandaan haalden: geel en rood uit het sap van een soort dennenboom. Mijn gids Carlos laat me de bewuste bomen zien. En effectief, het hars (wel meer lopend dan het kleverige goedje bij ons) heeft een zachte gele en een rode kleur. Maar eens uitgesmeerd op mijn handpalm, krijgt het plots een intense gele en rode kleur. Dat is ook zo iets dat me bij blijft: in alle antieke culturen, waar ook ter wereld, werden de beelden en dikwijls ook de zuilen en hele monumenten beschilderd in heel felle kleuren. Geen idee waarom.
Mijn gids doet zijn best om me over van alles en nog wat in te lichten. Hij heeft wel een beetje pech. Want de meeste zaken ken ik al. Behalve twee. Het eerste is Guaba, nog maar eens een andere vrucht. Aan de boom ziet ze er uit als een klein appeltje, maar geel als een citroen. Je kan het met schil en al opeten. Ik nijp erop en de vrucht barst op. Het vruchtvlees zit roze en kleine donkere pitjes. Het heeft de textuur van een vijg en ook qua smaak heeft het veel weg van een vijg. Gewoon lekker. Heb je het ook vastgesteld: het woord begint waar met de gua klank. Het tweede is de Fique vetplant. De grote groene vetplant met van die dikke bladeren/takken met erg venijnige punten en doornen. Uit een afgebroken tak pitst hij met zijn nagel een paar vezels los en wrijft ze in zijn hand verder los. De substantie valt uiteen in twee delen: heel fijne groene slierten en een klein stukje witte kern. De kern verspreidt een speciale indringende geur. Volgens Carlos is de geur onweerstaanbaar voor vissen. Indianen gebruiken het als lokaas. Erg doeltreffend naar het schijnt. De groene vezels worden gewassen en gedroogd. Dan zij ze klaar voor allerlei vlechtwerk: kledij, manden, zeven, hangmaten, fixatiemateriaal in de bouw, enz. IJzersterk. Als ik in La Chaquira aankom, passeer ik eerst de parking. Maar door de barslechte wegeltjes kan hier alleen maar geraken te voet of te paard. Vermits de meeste toeristen de bezoeken afleggen te paard (cabalgata noemen ze dat), is het dan ook een echte paardenparking. Heel fotogeniek.
Als laatste site staat een bezoek aan de petrogliefen op het programma. Het staat op geen enkel tour programma. Maar vermits ik een privé gids heb, zet ik het er wel op. Een hobbelweg van meer dan een uur. Een dan 100 m gaan, zegt mijn gids. Het is een klim- en daalpartij geworden van één uur! De gids vond ze niet direct. Als we er dan eindelijk over struikelen, blijkt dat een rotsblokblok te zijn die op de grond ligt te liggen en waarin wat tekeningen gebeiteld zijn. Omdat de steen helemaal met dik mos overgroeid is, zie ik eerst niets. Carlos verwijdert wat mos en dan komen de figuren duidelijk tevoorschijn. Dat petrogliefen noemen is er wel wat over. En nu begrijp ik waarom het in geen enkel tour programma is opgenomen en waarom Carlos zo moest zoeken. Ik ben er wel van overtuigd dat als een Duitse archeoloog hier even langs komt er een hele extra site tevoorschijn zal komen. Opvallend veel archeologische sites In Zuid Amerika zijn opgegraven en in ere hersteld door Duitsers. Ook weer zo een vraag van mij: waarom zijn dat zo vaak Duitsers? Ik herinner me de gids in Ciudad Perdida (ps Franstaligen vertikken het halsstarrig zo te noemen, zij hebben het eigenzinnig over la ville perdue; iemand die hen over Ciudad Perdida spreekt die kijken ze aan alsof ie Chinees spreekt non, jamais entendu de cette ville - net alsof Fransen ze gevonden hebben). Die gids vroeg toen of iemand een idee had wie de stad ontdekt en opgegraven heeft. Niemand. Dus gok ik en bingo boenk erop.
Als mijn privé tour erop zit, vraagt Carlos of ik bij hem thuis kom eten. Ik wil zo een kans niet laten voorbij gaan en hoop dat de keuken van zijn moeder de hygiëne een minimum niveau bereikt. Hij leidt me rond in een afschuwelijk rommelkot, alles pikzwart, zandvloer en een keuken waar in mijn verbeelding allerlei voedingswaren vanzelf bewegen. Het koken gebeurt op een houtvuur, zonder schouw. Vandaar dat alles een roetgeur en kleur heeft.
Ik mag mijn handen gaan wassen in een arduinen waterbak van 1 m³ met inktzwart water en de zeep komt hij in zijn beide handen aanbieden. Vooral dat laatste treft mij. De familie probeert ook een graantje mee te pikken van de toeristische boom in dit land. Dus ik blijf. Ik krijg de traditionele sancoche soep en daarna aardappelen in de schil, yukka, rijst en 2 gebakken vissen. Rauwe groenten worden in een schoteltje apart geserveerd. Op de groenten na, lijkt me alles zonder levensgevaar eetbaar want klaargemaakt en onmiddellijk verorberd. Zelfs in zo een vieze vuile onhygiënische aandoende keuken. En het was een heerlijke maaltijd. Maar ik wel de groeten ongeroerd gelaten en het glas water ook. En . Geen enkel probleem met mijn ingewanden.
De rest van de namiddag breng ik door met de voorbereiding van de dag van morgen. Morgen is het Goede Vrijdag. Dat wil zeggen dat ik in volle Semana Santa een bus moet nemen om in Villaveija te geraken, een paar honderd kilometer naar het Noorden. Mijn voorgevoel bedriegt me niet. Het duurt tot 9 uur s avonds eer het duidelijk wordt dat er in wezen maar één bus is: die van 5:30! Het zij zo. Ook het enige zwakke punt in de hotelreservatie valt op zijn pootjes. De reservatie voor een verblijf van 1 nacht in de Tatacoa woestijn is een heikel punt sinds begin janauri. En het raakt niet opgelost. Dus heeft Monica van het reisbureau een alternatief geregeld en ik ben er ook tevreden mee. Het is een hotel op 10 minuten rijden van de woestijn.
23/03
Vanmorgen is het eerste wat ik doe mijn knie bekijken. De wonde is droog, niet meer dan dat. Maar daar ben ik blij. Er is dus vooruitgang. Om het dunne vliesje te beschermen tegen het over en weer schuren van mijn broekspijp, besluit ik er nog één keer een gaasje over te leggen en het alleen op de hoekjes wat vast te kleven. Zo kan het voldoende bewegen bij het stappen. En dat is nodig want vanmorgen staat het bezoek aan het Archeologisch Park van Sanagustin (zo schrijven ze dat hier). Het park gaat open vanaf 8 uur. Ik probeer er zo vroeg mogelijk te zijn, want met het verlend weekend van Semana Santa verwachten ze hier veel volk. Ik kan ontbijten vanaf 7 uur. Dat is de theorie. Nu de praktijk.
Ik sta paraat om 7 uur. In de keuken wordt men wakker. Dat proces duurt tot half acht. Dan komen ze vragen wat ik als ontbijt wil (alsof er keus is). Om 8 uur is mijn ontbijt binnen en ik vraag om een taxi. Een Colombiaans koppel aan de ontbijttafel biedt aan dat ik met hen mee rij. Binnen 5 minuten vertrekken ze. Maar ja, dat loopt even uit, want ze moeten nog inpakken (dat is zo klaar) en dan nog afrekenen (un momentito). Om 9 uur, een uur later dan gepland sta ik aan de ingang. Ik ben bij de tien eerste klanten. Zo komt alles nog op zijn pootjes terecht. En ik kan alles rustig bekijken en fotograferen. Zalig.
Terug op mijn kamer kontroleer ik de status van het verband, want dit is het laatste moment dat ik de 4,5 uur durende rit te paard kan afzeggen. Het verband plakt weer in de wonde en het lymfenvocht drupt eruit.Verrekt. Dat kan zo niet verder. Ik zeg de paardenrit af en in de plaats ga ik naar het plaatselijke hospitaal. De arts vraagt of ik antibiotica genomen heb. Ik antwoord van neen. Waarop zijn reactie is: dan heb je een goede weerstand en heb je de wonde goed ontsmet. Het zal wel zijn, denk ik, ik jankte bijna van de pijn al ik de iso betadine erop deed.. Zijn diagnose luidt: alles is ok, je hebt alleen te weinig geduld. Met de trip in de Amazone in het vooruitzicht, raadt hij me toch aan om een kuur antibiotica te nemen en voor de rest vitamine C binnen nemen omdat het het genezingsproces verbetert/versnelt. Dat is enerzijds een opluchting, maar langs de andere zijde ook niet. Want daarmee is mijn probleem van het lymfenvocht niet opgelost. Daarvoor is er meer één afdoende remedie: de openlucht. Ik heb al twee lange broeken moeten Afdanken wegens al te veel gaten Dus . Ik heb eer nog twee over en die wil niet verknippen. Dus rest me maar een alternatief. De synthetische short die ik op de trip naar Ciudad Perdida gekregen heb. Het is nogal een zicht hoor. iedereen kijkt om.
Vanavond ga ik eten in het restaurant Altos de yerba buena. Knal erop. Een sterrenmaaltijd tegen Colombiaanse prijzen.
22/03
Om mijn gehavende knie wat te sparen kies ik vandaag voor een dag tour met een jeep. Ik zie veel en ik hoef maar een beetje te wandelen. Alleen het in- en uitstappen uit de wagen is pijnlijk. Om mezelf wat moed in te spreken, probeer ik me wijs te maken dat het vooral het kleefverband is dat me pijn doet en niet de wonde. En zo waar dat helpt een beetje.
Eerste stop is El Estrecho, de plaats waar de Rio Magdalena op zijn smalst is, amper 10 meter breed. Het gaat er wel wild aan toe. Het is moeilijk te geloven dat een paar duizend kilometer verder dit riviertje één van de machtigste stromen van Colombia is. Dan naar Obando, de eerste pit stop met enkele beelden, maar niet indrukwekkend. Net goed als aperitief. Maar er is wel een klein erg interessant museum. Het geeft de parallelle tijdslijnen weer in Amerika, Europa en Azië. De graftomben die ik vandaag ga bezoeken dateren van 700 voor Christus tot aan de komst van de Spanjaarden in de 15de eeuw na Christus. Ofte DC zoals zij hier zeggen: después de Christo. De Yalcones indianen, want het gaat over hun cultuur, hadden twee manieren om een belangrijk persoon te begraven. Ofwel het hele lichaam in 1 maal (en lieten hem/haar dan met rust) ofwel 2 maal. Als het lichaam volledig vergaan was, werden de beenderen herop gegraven en op een andere plaats een tweede maal in een urne begraven. Van het hoe en waarom weten we niet veel, omdat de Spanjaarden het niet genoteerd hebben voor het nageslacht.
Met die kennis gaan we over naar het serieuze werk: Alto de Los Idolos. Het begrafenisterrein is hier wel indrukwekkend. Het ligt verspreid over het dal tussen twee tegenover elkaar liggende bergtoppen. Dat dal is door de Yalcones aangelegd met het materiaal dat zij van de pieken van de twee bergtoppen hebben gehaald. Ze hebben met andere woorden de twee pieken afgeplat en het ravijn ertussen met het afbraakmateriaal opgevuld. Het resultaat is een licht glooiend terrein, net een duur exclusief Engels golfterrein. Het opvullen van het dal is ook goed overwogen uitgevoerd. De rotsen die ze van de bergtoppen haalden werden geschrankt en in piramide vorm opgestapeld. Het resultaat mag gezien worden: het opgevulde dal ligt er na meer dan een millennium nog steeds mooi bij. Niet weggespoeld of geërodeerd of zo. Die mannen wisten duidelijk wat ze deden.
In de vulkanische grond kapten ze voor elk graf een reeks kamers uit met een ingang. De wanden van de muren werden afgezet met kleine monolietjes. In de eigenlijke grafkamer stond een tonnen zware stenen sarcofaag, langs alle zijden (dus ook va boven en vanonder) omringd door enorme stenen platen. Net kleine menhirs. Vooraan de ingang stond dan een beeld. De opgravingen zijn van vrij recente datum (de jaren 70 en 80 van vorige eeuw). En wat ik kan zien zijn de beelden, de grafruimtes en de menhirtjes. De beelden waren bij hun ontdekking fel gekleurd. Die kleuren zijn intussen al verdwenen. Daarom laat de vele andere graven die er nog op een opgraving zitten te wachten, mooi onder het zand zitten. Voor de rest weet men tot op heden van hun cultuur nagenoeg niets.
Volgende stop is suikerriet verwerking. Het riet wordt geplet. Ht sap wordt in verschillende stappen verhit om de onzuiverheden eruit te halen. Dat gebeurt op een natuurlijke wijze door toevoeging van Echa mateca. Het sap van een plant dat de onzuiverheden laten boven drijven. Na vier stappen is het goedje zuiver, is het al flink ingedikt en heef het de karakteristieke kleur. Het suikerriet zelf is een plant die niet veel eisen stelt en snel groeit. Hij kan dus meerdere jaren achter elkaar op dezelfde plaats gecultiveerd worden.
Dan nog een kleinere begraafplaats: Alto de la Piedras. Daar staan één speciale steen met twee hoofden. In het Spaans noemen ze hem Doble Yo. Tot slot nog twee watervallen (Salto de Bordones en Salto del Mortiño). Tja, ik ben verwend, ik weet heet. Alles wat kleiner is dan Iguaçu vind ik voor loosers. Erg maar zo is het.
Vanavond haal ik de pleister opnieuw van de wonde, want ik voel dat het verband langs de binnenkant nat is van het lymfen vocht. Het was weer een pijnlijke zaak, want ook nu plakte de drie verbandjes (want zo een grote vlaai heb ik niet bij en hebben ze hier niet in de apotheek) in de wonde. Maar het ging langs de randen van de wonde al wat vlotter. Die stukjes zijn intussen dicht geraakt. Rest nog een oppervlakte van twee keer 2 bij 3 cm. Ik giet er voor alle zekerheid nog een flesje iso betadine op. Het pikt van jewelste. Nu laat ik het zo opdrogen en ik ga slapen zonder verband. Ik denk dat het sneller zal genezen. Laat ons hopen. Ik heb een troost; vandaag een Colombiaanse toerist ontmoet die met zijn paard gevallen is. Het dier heeft een poot gebroken en zijn heup (die van de man) doet flink fijn en zijn nek (ook die van de man) is vervaarlijk gezwollen. Je ziet er bestaan grotere gevaren dan Medellin of Manizales.
21/03
Volgende archeologische site: San Agustin. Ik heb, op aanraden van Monica, een hele dag voorzien voor het op het eerste zicht- simpele en relatief korte traject van San Andrés de Pisimbalá naar San Agustin. Maar ik luister naar wijze raad. Om 7:15u sta ik paraat. Ik heb tot 8:45u moeten wachten voor de bus passeerde: een aftandse jeep die me meeneemt in zijn laadbak. Goed voor een schikkende rit van een dik uur naar het bergstadje La Plata. Vervolgens overstappen op een mini bus naar Gazón. Hier bereik ik wel een dieptepunt. Er zijn zeven zitplaatsen voor zien. Er kruipen 13 mensen in met al hun bagage (groenten, fruit, kartonnen dozen, een rol prikkeldraad enz), tesamen met 3 honden, een haan en één vechthaan. In dit kluwen merk Ik dat ik over hobbelige bergpaadjes naar het Zuidoosten rij in plaats van naar het Zuidwesten. Bij elke overstap check ik nochtans of dit wel degelijk de bus is om in San Agustin te raken. En telkens zeggen ze van ja. Het is intussen al 12:30u. Dan weer overstappen op weer een ander busje. Dat brengt me naar Pitalito. Het betert. Ik rij nu al pal Zuid en we verlaten het hooggebergte. De weg is geen hobbelige zand- en steenroute meer, maar een vlakke asfalt. De gemiddelde snelheid springt dan ook van 30 km per uur naar 60-70 km. Mij bekruipt het gevoel dat ik in de maling wordt genomen en dat ze mij even half Colombia laten omrijden. Maar in Pitalito verschijnt voor het eerst de naam van mijn bestemming op het busje dat ik nu moet nemen. Daar aangekomen moet ik een taxi nemen, want eco-lodge Casa de François (wordt uitgesproken als Casa de Frankois) ligt helemaal boven op de heuveltop en met mijn danig geschaafde knie (het lymfenfvocht drupt door het verbandgaas verdorie) en mijn 23 kg trolley ga ik dat niet te voet doen. Het is 4:30 als ik in de eco-lodge aankom. Zoveel uren voor zo een kleine afstand in vogelvlucht. Daar hangt een detailkaart van de streek aan de muur en in één oogopslag begrijp ik alles. Er ligt weer een gebergte tussen beide locaties en er loopt geen enkele weg door die door een auto kan benut worden. Alleen een wandel/trektocht pad. Vandaar die uuuuren duuuurende omweg.
Maar het leed is geleden, mijn ingewanden zitten allemaal terug op hn plaats en de eco-lodge is weer een schot in de roos. Midden in een natuurparkje met zicht over het stadje San Agustin. Prachtig. Eens op de kamer is het hoog tijd om mijn knutselverband te inspecteren. Het ziet er niet goed uit. Het is nat van het lymfenvocht en van bloeddruppels. Niets aan te doen, dat verband moet vernieuwd worden. Dan blijkt dat ik het er langs de verkeerde kant op gelegd heb. Het plakt in de schaafwonde. Dat is dus even tandenbijten. Ik heb hier meer licht in de badkamer dan in mijn vorige kamer, dus inspecteer ik de wonde grondiger. Het is een oppervlakkige schaafwonde van 3 op 5 cm gelardeerd met een vijftal diepere krassen. Die zijn nog niet dicht. Ik spuit over het geheel voor alle zekerheid maar een heel flaconnetje iso betadine leeg. Het pikt flink. Dat is een goed teken vind ik. Want dat wil zeggen dat de open stukjes opnieuw ontsmet worden. Ik heb nog enkele grote gaasstrookjes mee en nu let ik goed op dat ik de gladde kant op de wonde leg. Ik plak de hele boel dicht. Ben benieuwd hoe het er morgen uit ziet. Als ik geen substantiële verbetering zie, ga ik naar een dokter.
20/03
Een hoogdag. Ik ga de graftombes van Tierradentro bezoeken. In de voormiddag de gemakkelijke tour met drie sites met graven, na het middageten de tweede moeilijkere (want veel steiler) ronde met 2 sites. De gids heeft duidelijk niet veel zin om de 2 tours te doen. Hij spreekt altijd in de voorwaardelijke wijs over de namiddag tour (als we daar nog tijd en energie voor hebben) en hij doet er alles aan om s morgens niet op tijd te vertrekken. Als we dan eindelijk op pad zijn, zet ik er een flinke pas in. Heel de weg heeft ie gezucht en gehijgd. Maar het helpt niet. Ik blijf doorduwen en tegen de middag hebben we de eerste tour mooi afgewerkt. s Namiddags hetzelfde liedje. Maar nu is het steil 200 m naar boven. Voor mij zal dat wel gaan: we zitten slechts op 1800 meter en de temperatuur is een aangename 20 graden en de luchtvochtigheid is normaal. Je gaat me niet geloven, maar tot mijn grote verrassing loop ik de hele klim voorop. Om de haverklap moet ik wachten want de gids hijgt en zweet als een natiepaard en hinkt hopeloos achterop. Ik betrap me erop dat ik net hetzelfde doe als de anderen tijdens de trektocht naar Ciudad Perdida. Ik wacht tot de gids me eindelijk inhaalt en stap ik, goed uitgerust, verder. Als ik er geen aandacht aan schenk krijgt hij gewoon geen kans om op adem te komen. Dit is de wereld op zijn kop. Als we boven op de top op zo een 2200 meter aankomen, gaat ie languit op de grond liggen. Ik kruip die putten een voor een in.
Nu de graven. Het gaat over de sites Segovia, El Duende, El Tablon, Alto de San Andres en El Aguacate. Overal vindt men graven, een vijf meter diep onder de grond in de vulkanische rots uitgehakt. Eerst een put van 1,5 meter diameter en vijf meterdiep. Met een uitgehouwen wenteltrap met treden van 50 cm hoogteverschil kan je recht naar beneden. Op de bodem is dan horizontaal de echte grafkelder uitgehouwen. In vele gevallen zijn de wanden met geometrische tekeningen en figuren versierd in witte, zwarte en rode kleuren. De sites liggen op de kam van bergketens. Erg hoogs dus en de vergezichten zijn natuurlijk in verhouding.
Als ik alles bezocht heb wat ik wil, dalen we terug af. Ik heb wat schrik wat de hellingsgraad is erg steil. Op een gegeven moment komt het stukje rots waarop ik mijn voet neer zet los en ik struikel/val voorover. Ik val op mijn knie en met mijn linkerhand kan ik mijn val naar links afblokken. Want daar wacht een steile diepe helling (om het woord ravijn niet te gebruiken). Ik krabbel danig geschrokken overeind en bekijk de schade: mijn oude stapbroek is ter hoogte van mijn knie rats door gescheurd en door het gat zie ik een schaafwonde bloeden. Het pikt stevig, maar er is niets meer aan de hand. Camera is intact en lijf en leden zijn van een vrije val gevrijwaard. Oef, dat was even echt gevaarlijk. Met knikkende, pikkende en bloedende knie daal ik verder af.
Als ik daarna een douche neem zie ik dat twee krassen wel iets dieper zijn dan een gewone schaafwonde. Dat is allicht ook de reden waarom mij broek zo beschadigd is. Ik heb er een reistube iso betadine over gespoten en het afgedekt met een steriel verband. Het pikt verrekt stevig. Tijdens het avondeten is de gids in geuren en kleuren aan het vertellen, aan al wie het horen en ook aan zij die het niet horen willen, hoe hij heeft afgezien met mij. Dat zo een tocht normaal over twee dagen gedaan wordt maar dat ik dat met mijn lange benen in één dag gedaan heb en dat ik naar zijn normen veel te snel stapte. Tijdens het avondeten was de man er duidelijk nog niet van bekomen.
Daarmee laat ik op de reis al mijn tweede broek achter. Mijn goede oude jeans die mij al 15 jaar trouw vergezeld op al mijn reizen, heb ik Popayan moeten achter gelaten. De gaten in de broekspijpen werden echt te groot. Ik bleef er met mijn tenen in haken.
19/09
Vandaag is het gedaan met de grand chique. Ik trek op avontuur naar Tierradentro, San Andrea de Pisimbalá. Een busrit van 4-5 uur vanuit Popayan. Footprints omschrijft de rit als rough. Er zal dus weer wat afgebotst en geklotst worden. Maar ik weet dat het de ellende waard is. Tierradentro is immers één van de grote pre-Colombiaanse archeologische sites (de andere volgt binnen enkele dagen). Er liggen hier, achteloos verspreid in het berglandschap, talloze mooi beschilderde graven die dateren van de 500 900 na Christus. Met een grote korrel zout kan je een beetje vergelijken met de Vallei der Koningen in Luxor.
Aan het loket benadrukt men mij dat het een directe verbinding is. Rare formulering vind ik, want een rit van 4-5 uur lijkt me toch wel in aanmerking te komen voor de definitie van een lange-afstandstraject en dito bus. Ik voel nattigheid maar ik weet nog niet vanwaar het water komt. Totdat de bus verschijnt. Een rammelkar vol krassen en deuken van ik schat 50 jaar oud. Ze lijkt recht uit een oorlogsgebied te komen. De schrik slaat me om het hart, want tot voor enkele jaren zwaaide het FARC hier nog te plak, goed verscholen in de wouden op de erg moeilijk toegankelijke berghellingen. Maar neen, men bevestigt me dat het FARC hier voorgoed verdwenen is. Goed, dat stelt me al wat meer op mijn gemak. Zoals altijd ga ik met mijn trolley naar de achterkant van de bus, want bij de oudere bussen bevindt zich daar de laadklep voor de grote bagage. Hier niets. Bij de nóg oudere bussen moet de bagage op het dak. Heb je al eens geprobeerd om een trolley van 23 kg boven je hoofd te steken (zodat de man boven het dak van de bus ze kan aanpakken) met mijn rugzakje van 5 kg (met alle reisdocumenten ed) op je rug en een fototas met 1,5 kg fotomateriaal rond je nek? Ik kan je verzekeren dat het niet makkelijk is. Ik hef me bijna een breuk. Ik ben er niet gerust in en wacht tot ik mijn trolley op het dak onder een groot dekzeil die verdwijnen. Daardoor sta ik als laatste in de rij op. Maar daar is geen denken aan. Het is een doodskist met 7 rijen stoeltjes, 2 links en 2 rechts van de middengang. Goed voor 28 zitplaatsen + 1 in het midden op de achterste rij en . 20 staan- en hangplaatsen. En die zijn allemaal bezet. De stoeltjes staan zo dicht tegen elkaar dat ik er gewoon niet tussen kan. Het plafond is 1,80 hoog. Ik kan dus ook niet recht staan. Geen paniek in de gelederen. Neen heel het mensenkluwen lacht. Al wie recht staat in de middengang moet er eerst terug uit. Dan moet de dame met de korte beentjes die achteraan op de middenstoel zit opschuiven. Dat kost wel wat overredingskracht, maar zoals altijd in Zuid Amerika het lukt. Dan kan ik zitten met mijn rugzak en mijn fototas op mijn knieën. Ik voel me nog goed ook, want nu hebben mijn benen al iets meer plaats op de middengang, tussen allerlei zakken en rommel. Dan kruipt de hele bende van de middengang terug de bus op. De temperatuur loopt serieus op en de zuurstofgraad daalt serieus snel. En zo vertrekken we voor een ritje van 4-5 uur. Na een uurtje hotsen en botsen op het smalle bergpad (zand en keien, geen asfalt) vertraagt de doodskist abnormaal. Blijkt dat een flink stuk van de weg (el banco noemen ze dat hier) door een aardverschuiving te zijn weggeveegd. We kruipen langzaam door de modder en de keien. Veel merk ik er niet van want overal kijk ik op volupteuse vrouwenlijven. Even later opnieuw zo een derrumbe en dan bega ik de fout om mijn hoofd om te draaien en achterom te kijken. Dan zie ik wat voor ravage die aardverschuiving heeft aangerecht. Nog meer nieuwgierig steek mijn hoofd tussen wat zachte vrouwenisolatie door en dan merk ik dat het stuk van de weg waarover de aftandse bus voort gromt en kreunt, amper breder is dan haar wielbasis. Ik kijk immers recht in de afgerond. Slik. Dat lijkt erg op de Himalaya bergrit tussen Afghanistan en Tibet. Daar heb ik op tv de bloedstollende beelden van gezien. Het verschil dat het hier droog en warm is en ginder nat en koud. Maar alles wordt me nu duidelijk: de staat waarin de bus verkeert, de ruime marge in de duurtijd van de rit, het feit dat het een directe bus (we moeten tussen twee aardverschuivingen in niet uit de ene bus klauteren om dan over de ravage naar de volgende bus te kruipen. Als ik geweten had dat de weg zó gevaarlijk was, had ik de rit afgezegd. Maar ja, ik zit hier nu in die doodskist. Ik kan er niet uit en de bus kan ook niet rechtsomkeer maken. Ik kan alleen maar verder schokken. Ik hoor het metaal van de schokdempers op de as van de bus bonken. Een akelig geluid en ook een raar gevoel, want op dat eigenste moment voel ik heel goed dat er geen demping meer gebeurt. Ik heb geen keus en koester de gedachte dat als de bus hier omkantelt (en ze dreigt dat regelmatig te doen hoor), ik de klap zonder al te veem schade wel zal overbleven. Ik ben immers heel ruim omringd door vrouwelijke schokdempers van formaat. Maar doemt plots de nare ervaring van mijn auto-ongeluk in het Noorden van Spanje terug op. Ik kwam toen terug bij bewustzijn met het gevoel niet meer te kunnen ademen. Dat kwam omdat Nicole boven op mij lag en ik, door de gekneusde ribben, geen macht had om mezelf ademruimte te geven. Ik kijk om mij heen en denk: de klap overleef ik hier wel, maar ik ga stikken in die Boteriaanse vleesmassas rond en boven mij.
Op een gegeven moment stopt het busje 30 cm achter een vrachtwagen die zich heeft vastgereden. Na flink wat luchtverplaatsing is iedereen het erover eens dat de vrachtwagen wat achteruit moet. Dus ook de bus. Maar intussen heeft een ruiter zijn paard achter de bus geparkeerd. Gelukkig moeten we maar een paar minuten wachten tot de ruiter zonder een krimp te geven, zijn paard komt halen. Iedereen springt, na wat extra Spaanse palavers over het onwaarschijnlijke gebeuren, achter zijn respectief stuur. En dan wordt er geroepen dat een kwibus zijn moto achter de bus geparkeerd heeft. Weer wachten tot die onverlaat opdaagt. In dus bus wordt ondanks de hitte, het plaatsgebrek, het zweet dat over alles en iedereen parelt, goed gelachen. Dat is Colombia.
En zo raak ik na 5 Faulty Towers uren zonder ongelukken op mijn bestemming. De guadua (bamboo weet je nog) hut biedt alles wat ik moet hebben, maar het is wel een beetje wennen aan de downgrade, na de luxe van de vorige dagen. En het warm water van de douche is gewoon iets minder koud dan het koud water. Na de douche meldt ik het aan de uitbater. En die zegt: ja ik weet het ik moet dat bimetaaltje een klein beetje bijstellen. Maar ja ik ben geen elektricien hé.
Tijdens het avondeten maak ik kennis met een hele Colombiaanse familie die ook naar de graven komt kijken. Het was een heel gezellige avond. Het duurt niet lang of het blijkt (opnieuw) dat ik al meer ken en gezien heb van hun land dan zijzelf. Eén van de leden van de familie is een historica en ze wist bijvoorbeeld niet van het bestaan af van het huis van de Markies van Valdehoyos in Cartagena, laat staan dat je er met flink wat aandringen ook binnen geraakt.
18/03
Vanmorgen hangen er niet alleen boven de bergen wolken. De hemel is helemaal bewolkt. Ik besluit om geen tweede maal naar het natuurpark op en rond de vulkaan Puracé te gaan. Ik opteer voor een bezoekje aan het bergdorpje Silvia. Een klein niemendalletje 50 km Noordoost van Popayan. Vooral bekend om zijn dinsdagmarkt, waar flink wat indianen van het Ecuadoriaanse Otovalo (tiens, tiens, jaren geleden ben ik naar de markt in Otovalo geweest ik reis te veel dat is duidelijk). Ik lig er dan ook niet van wakker dat het vandaag vrijdag is. We zien wel.
Silvia ligt een stuk hoger in de bergen. Tijdens de rit voel ik de temperatuur zakken. We zitten duidelijk weer boven de 3.000 meter. Dat is de enige maatstaf die ik heb, want van de hoogte op zich heb ik eigenlijk geen enkele last: ik kan snel stappen, trappen vormen geen probleem en een beetje klimmen gaat ook ongemerkt. Pas boven de 4.000 meter trap ik op mijn adem. Niet slecht voor nen ouwen pé, al zeg ik het zelf.
In het busstation zoek ik even naar de juiste bus (remember: het gaat altijd over tientallen verschillende bussen en busjes [busetas noemen ze die hier]). Een indiaan (un indígeno wordt zo iemand hier ietwat denigrerend genoemd) maakt me duidelijk dat ik weer te ongeduldig ben: busje komt zo. Onderweg raken we aan de praat. Hij noemt zich chabier (xavier voor ons) en hij nodigt me uit om naar zijn dorpje Misak te komen, een eindje buiten Silvia. Ik hap direct toe, want tot op heden heb ik nog geen enkel dorp van indígenas kunnen bezoeken. Ze sluiten zichzelf doelbewust sterk af. Ik hap onmiddellijk toe.
Op de Plaza Mayor van Silvia zie ik dat de lokale Guambianos wel een heel typische en opvallende kledij dragen. De mannen lopen rond in een zwart hemd met overlangs een fuchsia bies ter hoogte van hun borstkas en een lange rok (ja ja) in diepblauw met een fuchsia boordje. De vrouwen dragen nagenoeg het spiegelbeeld: een blauwe cape met fuchsia bies en een fuchsia rok of een zwarte rok met een fuchsia bies en een platte strooien hoed.
We nemen een Willie (zo een afgedankte jeep) waar ik met een 5 vrouwen, twee babys en mijn gids vriendelijk maar onverbiddelijk wordt ingeperst. Een kwartier later stappen we uit, maar ik zie geen dorp. Enkel een paar kleine heel propere huisjes en in de velden, ver van elkaar, nog wat huisjes. Wat me opvalt is dat alles vrij proper en net is. Ik word binnen geleid in een grote houten hal met een diameter van ca 40 meter met allemaal plastic stoeltjes rond een brandend kampvuur. Rechts van het grote voor (balken van 15 cm diameter gaan in rook op) zitten de notabelen van d stam. Duidelijk herkenbaar aan hun houten staf met zilveren knop. Er gaat een politieke meeting beginnen over de verdediging van de belangen van de indianen. Iemand komt naar mij en vraagt hoe ik hier geraakt ben. Ik vertel hem het verhaal en de indiaan kijkt me recht in de ogen en zegt: jij hebt moed en durf. Wees welkom. Hier ben je veilig en hij biedt me een kop maissoep aan. Slik.
De moderator spreekt in de lokale taal (het Wampiaans of zoiets). Het lijkt op Chinees. Dan volgt de nationale indianenhymne. Ik versta er niets van, maar iedereen staat recht en de typische ritmische trom is prominent aanwezig. Dan komt de eerste spreker. Het is een doorwinterde politica. Het valt me onmiddellijk op omdat ze traag spreekt en duidelijk articuleert en af en toe een cruciale zin herhaalt. Ik kan verdorie haar hele speech goed volgen. Haar stelling is dat zowel kapitalisme als communisme voor de indianengemeenschap een pest is omdat geen van beide systemen eerbied tonen voor Pacha Mama (moeder aarde). Wie wel eerbied toont voor de natuur, heeft eerbied voor zijn evenmens en leeft in vrede en geluk. Die zit wel goed raak zeg. Dan gaat ze verder over de corruptie en het kwaad waartegen de indianen een strategie moeten ontwikkelen. Want de toekomst wordt een gevecht om water en wij (de indianen) hebben in ons grondgebied de páramo (die spons die het nationaal waterreservoir van Colombia is). Maar de federale regering heeft een deel van de watervoorraad van onze páramo verkocht aan Coca Cola. Dat kan niet. Daar moeten we iets aan doen, enz. Ik schrik me een hoedje.Want een koude douche. Dan komt spreker nummer twee met de uitleg over de vooruitgang in de vredesonderhandelingen tussen de regering en het Farc. Blijkbaar zijn ze het al over een hele reeks heikele punten eens: het Farc mag een politieke partij worden die aan de verkiezingen deelneemt en die verkozen in het Parlement kan brengen, de FARC-jeugd moet een gedegen opleiding en vorming krijgen om het re-integratieproces te bevorderen; zware FARC bandieten (moordenaars bv) moeten be- en eventueel veroordeeld worden door een Waarheidscommissie (Zuid Afrika is erg dichtbij hier). Over de vergoeding voor de schade en de moorden die het FARC begaan heeft is er nog geen oplossing. Ze zijn er duidelijk nog niet uit, zo te horen. Ja wadde. Ik zit hier midden in een politieke meeting over de meest heikele themas binnen Colombia. En ze weten van wanten. Want in de speech van onze politica haalt ze twee maal aan dat er zelfs een delegatie van België aanwezig is. Ik zie de hele gemeenschap naar mij kijken. Nogal wiedes. Ik ben de enige die niet in het blauw gekleed is. Ik besluit dat het tijd wordt om de meeting te verlaten. Maar verdorie, dat is wel wat anders dan op een condor te zitten wachten!
Eens buiten besef ik dat ik daar helemaal alleen sta, enkele bergkilometers van de bewoonde wereld in een onooglijk door god vergeten dorpje van enkele honderden inwoners. Ik begin de weg af te stappen die ik op de heenrit met een Willie gedaan heb (een goed geheugen is op reis altijd heel praktisch). Nog geen twintig meter en een aftandse auto stopt en een blauwgerokte indiaan vraagt me of ik naar Silvia moet. Ik stap in en een kwartier later sta ik terug in de bewoonde wereld. Kostprijs: 1.000 pesos ofte 30 cent. Voor 7000 pesos wil hij me ook in een trek naar Popayan rijden. Maar ja, waar gaat ie me droppen in die miljoenstad. Ik verkies dus bus die me naar de terminal in Popayan voert en vandaar ken ik de weg naar mijn hotel.
Terug in Popayan merk ik dat de sfeer voor Semana Santa aan het opborrelen is. Het is hoog tijd dat ik hier vertrek. Want naar het schijnt vergaat horen en zien hier dan, zeker voor de mensen die hier wonen en slapen!