02/04
Vannacht regende het zo hard dat ik er wakker van werd. Het moet wreed gedaan hebben, want vanmorgen stond alles nog blank. Ik heb tijd om te denken aan de wateroverlast, want om 8:30u komen ze me halen voor de laatste trip van mijn reis: Reserva Natural Palmari. Dat reservaat ligt westelijk van Benjamin Constant, aan de oever van de Rio Yavarí. Die stroom is tevens de grens tussen Perú en Brazil. Het wordt een hele toer om daar te geraken.
Eerst mijn visum voor Brazilië regelen. Ze doen moeilijk omdat er in mijn paspoort lege bladzijden zitten tussen de verschillende stempels. Ik haal mijn schouders op en zeg in het Spaans: ik heb dat niet gedaan; het zijn collegas van u. Na flink wat gezucht komt de verlossende klop van de stempel en kan ik nog eens op Braziliaanse bodem staan en rijden we verder tot in Tabatinga. Daar moet ik de Ria Amazona oversteken tot in Benjamin Constant (waar die rare naam vandaan komt is me een raadsel). Bij het instappen gebeurt het onvermijdelijke. Een vrouw staat niet mooi in het midden van de boot, de boot wiebelt, de vrouw kantelt en grijpt naar mijn beschadigde knie op zich overeind te houden. Ik gil. De vrouw verontschuldigt zich en klopt nog eens zachtjes op de wonde. Ik gil opnieuw. Ik laat haar de foto zien van de wonde en dat realiseert ze zich wat ze gedaan heeft. En ik, ik voel dat de korst terug is open gescheurd. Ai, ai dat is een serieuze tegenslag.
Een met modder overdekte pick-up komt me daar ophalen en rijdt dan naar het plaatselijke benzinestation. Dat betekent hier een houten krat met op de toog een reeks 2 liter plastic flessen met benzine. Een kotje staat te wachten om te ontploffen. Ik ben heel blij dat we weg kunnen vooraleer het spel en de omgeving in brand vliegt. De weg naar Atalaia do Norte is geen asfaltweg, ook geen verharde zandweg, het is niet meer dan een kilometers lange grote roodbruine modderpoel waar de auto zich traag door ploegt. Zo een weg heb ik nog nooit in mijn leven gezien. De bandensporen gaan makkelijk 10-15 cm diep in de modderbrij en op sommige plaatsen zitten er bovendien putten van enkele vierkante meter die erg diep zijn. De chauffeur schuift en glijdt er voorzichtig om heen, om te vermijden dat zijn motor onder water zou lopen. Het lijkt alsof ik een heel vettig parcours veldrijden zit. De modderpartij duurt 1 uur tot we zonder accidenten Atalaia do Norte bereiken.
Atalaia is heel vies dorp (opnieuw : met veel negers en halfbloeden). Ik heb de boel daar nog wat smeriger gemaakt, want blijkbaar was er gisteren toch iets niet koosjer met het avondeten. Ben benieuwd hoe mijn darmflora dat varkentje gaat wassen.. Dan stap ik over in een kano van het reservaat Yavarí, die me daar komt ophalen, en scheren we nog een uur over de Rio Yavarí tot ik in het reservaat aankom. Het beeld van de oneindige lichtbruine watermassa afgezoomd met een oneindig doorlopende 20 tot 30 meter hoge groene oerwoudmuur, blijft voor altijd in mijn geheugen geprent. Het contrast met Atalaia kan niet groter zijn.
De eigenaar van de lodge is een Colombiaanse Duitser: Axel Antoine Feill. Die heeft hier een Instituto de Desenvolvimiento Socioambiental do Vale do Javarí opgericht om de samenwerking met indigenas gemeenschappen te bevorderen. Ik merk het, want alle personeel zijn indigenas. Op de zoon van Axel na. Die zit hier in opdracht van zijn vader voor een stage, zoals hij het zelf noemt. De voertaal is dus nu weer Duits, want Portugees (remember ik zit momenteel aan de Braziliaanse kant van de Rio Yavarí) ben ik niet machtig. De Duitser heeft het reservaat overgekocht van de lokale overheid, want voordien was het plek waar men wetenschappelijk onderzoek deed naar de fauna en flora hier.
Ik krijg een goede vogelgids toegewezen en dezelfde namiddag maken we al een eerste kanovaart. Met peddel uiteraard om de vogeltjes niet af te schrikken. Ik bespaar jullie de lijst van de mooie dieren die ik gezien heb. Het gaat bv om Ceryle torquata, Chloroceryle amazona, Dryocopus lineatus, Morpho deidamia enz, enz. Neem het maar aan: ik heb er flink gezien en ongeveer de helft kunnen fotograferen. Wat volgens de ervaringen vn mijn gids een heel goed resultaat is. De meesten raken niet verder dan iets horen maar niets zien. Eén keer versla ik zelfs de gids: een knoert van een uil. Die zat duidelijk niet op de, met de gids, afgesproken plaats.
De cabañas zien er van ver mooi en idyllisch uit. Van dichtbij zijn ze wel erg basic om niet te zeggen rudimentair. Een vloer bestaande uit enkele planken met grote spleten tussen (dus best niets laten vallen!) en vier houten wanden met evenveel spleten tussen. Een dak van palmbladeren, een beddenbak en een plastic buis als douche. Elektriciteit is in de hut niet aanwezig. Dus ook geen licht of stopcontact. Eigenlijk is dat wel handig: zo merk ik niet welke beestjes over de vloer en de wanden kruipen. Gelukkig heb ik een degelijk muskietennet!
s Avonds even krokodilletjes gaan ambeteren: de gids vist de babys van a 40 cm uit het water, wij mogen ze dan even vasthouden (liefst één hand rond hun bekje). Ik voel haar hartje wild te keer van de grote schrik. Dus zet ik haar terug in het water en je ziet het diertje in paniek weg zwemmen, recht naar haar moeder om daar met grote krokodillentranen te gaan uithuilen: ma, ze hebben het wééér gedaan. Waarom altijd met mij? En de moeder kroko die dan troostend antwoordt: wacht tot je groot en sterk zal wezen meiske, dan kan je hen dat dubbel en dik betaald zetten. Je zal wel zien!