Colombia2016
Inhoud blog
  • Vrijdag 8 april
  • Donderdag 7 april
  • Woensdag 6 april
  • Dinsdag 5 april
  • Zondag 3 april
    Zoeken in blog

    Beoordeel dit blog
      Zeer goed
      Goed
      Voldoende
      Nog wat bijwerken
      Nog veel werk aan
     
    30-03-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Dinsdag 29 maart
    29/03 Voor de verandering nog eens vroeg opgestaan: 4:20u. Mijn vlucht van Pasto naar Bogotá is pas om 8 uur, maar ik moet me 2 uur vooraf aanbieden (de administratie voor de check in en de ‘after check’ is enorm) en de rit naar de luchthaven vergt 1 uur. Dan nog wat extra ruimte voor de taxi en zo kom ik uit op dit ontiegelijk uur. Ik ben gisterenavond dan ook om 9 uur gaan slapen. Door het vroege uur heb ik niet alleen mijn ontbijt in het hotel gemist, maar ook een cuy maaltijd gisterenavond. Ik had gisteren een restaurant gevonden dat reclame maakte voor ‘platos tipicos’. Ik stapte vol verwachting het restaurant binnen onmiddellijk na het openingsuur. Dat wil zeggen om half acht in plaats van 7 uur. Ik was de eerste klant. Op de menukaart staat inderdaad cuy met een hele uitleg hoe goed dat beestje heeft mogen leven, welk lekker eten het allemaal gekregen heeft en dat het een snelle dood gestorven is. Na de hele litanie staat er in nog kleinere lettertjes bij ‘cocinos 40 min). En ja, het wordt langzaam gegaard ook nog. Ik roep de oberin en vraag haar of er enige kans bestaat dat ik dat lief beestje vóór 8 uur op mijn bord krijgt. Geen dus. Vermits ik om 9 uur in mijn bed wil, vraag ik naar een andere regionale gerecht dat ze me kan aanraden. Allemaal OK tot het bord verschijnt: drie stukjes hééééél goed doorbakken vlees met langachos en… popcorn. Dit is de eerste maal in twee maand dat ik rommel op mijn bord krijg. Dat valt eigenlijk nog mee. De cuy kan er maar gelukkig om zijn. Mijn taxi verschijnt te vroeg op het appél. Waar gaan we dat schrijven! Bovendien verloopt de rit naar de luchthaven veel sneller dan de heen rit. Niet alleen door het vroege uur, maar vooral omdat de chauffeur als een gek door de vele bochten scheurt. Ik ben dan ook de eerste op de luchthaven. Een vreemd gevoel, net alsof ik op een verkeerde luchthaven sta. Na een half uur verschijnt het personeel en kan ik inchecken. Een exit stoel wegens mijn knie kan ik ditmaal niet versieren. De man achter de balie vindt het geen afdoende reden. Ik berust er in, verzamel nog wat stempels voor de ‘after check’ door de politie en wacht af. Plots wordt mijn naam omgeroepen. Ik voel de bodem onder mijn voeten weg zinken. Bij de herhaling hoor ik dat ik me niet bij de politie maar aan de incheck moet aanmelden. Daar vertellen ze me dat mijn vliegtuig nog in Bogota staat met technische problemen en dat ik daardoor mijn aansluitende vlucht naar Leticia zal missen. Ik heb nochtans 4 uur (!) speling. Ze bieden me een hotelkamer aan in Bogota en een overboeking van mijn ticket van Bogota naar Leticia naar de volgende dag. Al mijn pogingen om een uitweg te vinden stranden op een zucht: neen er is geen latere vlucht naar Leticia; neen een overboeking van mijn ticket van Pasto naar Bogotá naar de andere luchtvaartmaatschappij gaat niet want de twee maatschappijen hebben geen conventie hieromtrent. Ditmaal strand ik tot aan mijn nek in de Colombiaanse bureaucratie. Daarmee is aangetoond dat ik een denkfout heb gemaakt met naar Pasto te komen. Op de landkaart lijkt het allemaal erg logisch: ik vertrek vanuit Villaveija naar Pasto (Zuidwest). Dat ik daarvoor een tussenlanding moet maken in Bogotá neem ik er voor lief bij. En twee dagen later vlieg ik van Pasto naar Leticia (nog meer naar het Zuiden, maar dan Zuidoost). In het uitgewerkte programma van mijn Agentschap staat dat ook zo uitgelegd. Tot ik de tickets in handen krijg. Dan blijkt dat Bogotá geen tussenlanding is, maar de hub voor ALLE vluchten. Ik vlieg met andere woorden van Bogotá naar Pasto en twee dagen daarna van Pasto terug naar Bogotá en vandaar naar Leticia. Je kan het niet complexer indenken. Zelfs met een speling van 4 uur is dat in een land als Colombia om problemen smeken. Als ik het op voorhand geweten had, zou ik de uitstap naar Pasto geschrapt hebben van het programma. Maar ja, als als als, als mijn koe een kat was kon ik ze melken aan de stoof. Tegen 14 uur sta ik terug in Bogotá. Daar zoek ik de klachtendienst van Avianca (de luchtvaartmaatschappij met de defecte Boeing). Ik leg de zaak op mijn gemak in het Spaans uit en ze komen met een voorstel af: ze bieden me een gratis overnachting met middag- en avondmaal en ontbijt aan. En het transport van de luchthaven naar het hotel en de volgende dag terug. Ik stem in en een uur later word ik afgezet in een poepchique hotel van de Movich keten. Ik neem onmiddellijk mijn middagmaal (twee keer want ik heb grote honger) en spring dan in een taxi om de twee musea die ik in het begin van mijn reis niet (Museo de Trajes regionales) of maar half (Museo Nacional) hebben kunnen bezichtigen, met een bezoekje te vereren. Het eerste is een moeilijk geval. In de eerste dagen van mijn verlof heb ik twee maal voor gesloten deuren gestaan. Ook nu moet ik rap zijn want om 16:30 sluiten ze weer en het is al 15 uur en de taxi moet zich nog door het verkeer van een miljoenenstad wringen. Maar het lukt omdat minder en kortere files zijn, want zo dadelijk begint de voetbalmatch Colombia tegen Ecuador. Om half vier geraak ik in het museum. Om kwart over vier komen ze aan mijn mouw trekken. Ik moet buiten want ze willen stoppen om 16:30 uur. Het is een klein maar wel heel mooi museum. Ik ben net op tijd klaar. Tot slot nog een taxirit van een half uur naar het Museo Nacional in het Noordoosten van de stad. Daar had ik in januari de goudkluis en de afdeling pre-colombiaanse kunst gemist. Allebei wondermooi. Blij dat ik ben terug gekeerd. En zo luk ik erin om de eerste ernstige tegenslag op deze reis in extremis nog om te buigen tot een positieve ervaring. Het enige wat ondanks al mijn inspanningen niet lukt is de genezing van mijn kniewonde. Het genezingsproces gaat tergend langzaam en de wonder is nog steeds niet helemaal dicht. Het is me een raadsel, want wonden genezen bij mij altijd erg snel en zonder veel hinder. Nu niet, amaai. De heel dosis antibiotica heb ik opgegeten (volgens mij nutteloos want de wonde was en is –ondanks het vreselijke uitzicht- nooit ontstoken geweest) en ik dek ze dagelijks af met een ontsmettende spray die de wonde ook afschermt. Maar eigenlijk kan de wonde nog steeds geen wrijving van een broekspijp verdragen. Ik zal goed moeten opletten in de Amazonas. Ik denk dat ik overdag de short gaan aandoen en ’s avonds als de musquitos komen, de lange.
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    30-03-2016, 04:03 geschreven door Mark  
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Maandag 28 maart
    28/03 Vandaag staat het bezoek aan de laatste Laguna op het programma. Ik weet dat het eigenlijk het noodlot tarten is (want al 2 x heb ik een meer gemist ofwel omdat het te weinig geregend had en er dus brandgevaar was ofwel omdat het zo hard regende dat ik het water van onder en van boven nog amper kon onderscheiden. Intussen weet ik dat, vermits die lagunas altijd oog in de bergen gelegen zijn (dus boven de 2500 meter) de kans op mist en regen erg groot is. Ik probeer het toch, want anders heeft het hele bezoek aan Pasto niet veel zin gehad. Maar daarover straks meer, eerst het meer. Ik kom er rond 9 uur aan. Geen ziel te bespeuren en over de vulkaanflanken (Vulcan Galeras 4276 m en nog steeds actief) kruipen dikke mistwolken als een massa grijze slangen snel naar beneden. Dat belooft niet veel goeds. Toch bestel ik een ‘plancha’ (een platbodem bootje) om het meer op te gaan. Ik ben nog geen kwartier aan het varen en plots gebeurt er een wonder. De grijze mistslangen lossen op en de zon verschijnt! In het meer ligt een eiland met tropisch regenwoud, Isla de la Corota. Het eiland staat vol wwardevolle bomen (allemaal met namen die ik niet kan thuis brengen) die bedekt zijn met bromeliea’s. Prachtig. Het meer is ook bekend voor zijn forel kwekerijen. Ik bezoek er een. De forellen zien er stevig en gezond en roos uit. De beslissing is dan ook direct genomen: ik blijf hier rondhangen tot de middag om roze forel te eten. Na de boottocht maak ik daarom nog een wandelingetje door het dorpje aan de rand van het meer. Het valt me op dat de houten huizen niet gebouwd zijn op een stenen, betonnen of houten fundament. De houten steunpalen van de huizen steunen op iets harig bruins. Het blijken de onderste stukken en de wortels van het riet te zijn dat aan de oevers van het meer overvloedig groeit. Als ze het uit het water halen, is de bruine vezelig/harige stronk van een meter lang. Onderaan een diameter van 50 cm en bovenaan een 20tal centimeter. Na het drogen ziet het zwart en voelt het hard aan als hout. En het is er waterbestendig, nogal wiedes, zou ik denken. En die stronken worden in de grond gestoken als fundament/vochtbarrière. Ze gebruiken de kleinere stronken ook als balkjes om drassige plekken grond begaanbaar te maken. In het restaurant opteer ik voor de pikante bereiding (‘trucha a la creola’). De roze forel heeft me goed gesmaakt. In de rammelbus terug naar Pasto zit ik naast een gewezen politieagent. Ingevolge de recente moord op klaarlichte dag op drie politieagenten, hebben we het uiteraard over de veiligheid. Hij zegt dat de grondoorzaak de extreme en uitzichtloze armoede is van een hele groep mensen. Zij hebben maar een weg meer om te overleven: drugs en geweld. Drugs en geweld bestrijden zonder de oorzaak aan te pakken, is dweilen met de kraan open. Ik denk dat hij gelijk heeft. Hij waarschuwt me ook voor Pasto: na Medellin en Manizales is Pasto nu het drugscentrum aan het worden. Overdag gaat het nog, maar ’s avonds kom ik best niet buiten. Dat ga ik dan ook niet doen. Nu, in de vroege namiddag ga ik nog wel twee musea bezoeken: het lokale goudmuseum en het museo Alfonso Zambrano. Naar Colombiaanse gewoonte is het eerste gesloten wegens renovatiewerken. Het tweede is weinig bekend. Mijn taxichauffeur heeft twee maal de weg moeten vragen. Het blijkt een privé verzameling te zijn van ene mijnheer Zambrano, een beroemd beeldsnijder van de stad. Zijn huis steekt vol met erg waardevolle voorwerpen van de lokale indianenstammen. Ik heb voor de eerste maal de originele mallen gezien (waarmee de indianen hun devotie beeldjes in serie produceerden), maskers en kleigebakken schalen in drie kleuren beschilderd. In de koloniale afdeling staat een set van antieke stoelen met een rugleuning beschilderd met landelijke taferelen. In zijn atelier is onze Zambrano nog steeds aan het werk met houtsnijwerk. Achter zijn rug zie ik een pre-industriële wipzaag staan: aangedreven door trappers. Het zaagblad lijkt sterk op het blad van een ijzerzaag.
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    30-03-2016, 03:20 geschreven door Mark  
    Reacties (0)
    28-03-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Zondag 27 maart
    27/03 Het wordt tijd dat Semana Santa voorbij is. Iedereen loopt hier zot en/of zat (het verschil is niet altijd zo duidelijk) rond. Niets functioneert nog of loopt op zijn minst mank. En Paaszondag moet ik van Villaveija naar Pasto geraken. Gisteren in de namiddag werd het me duidelijk dat er geen busvervoer zou zijn. Ik zal dus een taxi moeten nemen. Het zij zo, ik mis immers best mijn vlucht niet. De taxichaffeur belooft me op zijn eerste én plechtige communiezieltje dat hij de afspraak zou nakomen en mij om 9 uur zou oppikken om naar het vliegveld van Neiva te rijden. Vandaar neem ik de vlucht naar Pasto. Hij raakte zelfs wat geïrriteerd als ik nog een tweede keer om bevestiging vroeg. Ik heb de afspraak op 9 uur gezet, met een buffer van 2 uur. Het is dus van dadde. Om 9 uur is die taxi in geen verte te bespeuren en zijn telefoon wordt niet opgenomen. Samen met de hotelbalie zoeken we op Paaszondag een alternatief. En er gebeurt weer een wonder. De balie vindt een aftandse campesino die met zijn nog oudere jeep naar Neiva tsjokt. Het doet me denken aan het liedje van Oerend Hard ‘Guus kom naar huus, want de koeien staan op springen’, waarbij Guus naar de stad rijdt voor een nieuwe tractor. Het verschil is dat Guus alleen reed en dat in mijn jeep al 12 man opgestapeld ligt en ik moet er met mijn bagage nog bij. Het is half tien als dat wrak zich op gang trekt. Tergend langzaam en onderweg nog meermaals stoppend om uitvoerig te vertellen dat zijn laadbak nu echt wel overvol zit. Zo een rammelbak vol mensenvlees is natuurlijk een gedroomd controle-object van de militairen langs de weg. Driemaal doen ze ons stoppen. Dat is wel verdacht veel. Soit, na veel nagelbijten haalt die kar zonder noemenswaardige accidenten de luchthaven op tijd. In de wachthall kijk ik naar het nieuws. In Cartagena zijn 3 politieagenten op klaarlichte dag vermoord geworden. In Cauca ook nog één. Twee zaken zijn duidelijk. Het verklaart die opmerkelijk strenge controles op de baan en het toont aan dat het drugsprobleem nog niet helemaal van de baan is. De inspanningen die de regering levert zijn nochtans niet mis. De willekeurige wegcontroles missen hun doel niet. Zelfs in dit uitgestrekte land met zoveel wouden en bijna ontoegankelijke gebieden, is de bewegingsvrijheid van de guerilla ernstig verstoord en beknopt. Ze kijken hier dan ook een beetje meewarig neer op het knoeiwerk van de Belgische politie. In de luchthaven raak ik in gesprek met een Madrileen. Hij lucht zijn hart over de problemen die het land heeft met de moslimgemeenschap die zich niet WIL integreren. In de late namiddag land ik op de luchthaven van Pasto. De landingsbaan ligt boven op een (afgeplatte) bergtop. Dat heeft tot gevolg dat men, op het moment dat het landingsstel de grond raakt, langs links en rechts alleen bergflanken en ravijnen ziet. Als het afremmen van de snelheid dan ook erg abrupt verloopt, krijgt men de indruk dat zelfs bij een mislukte landing, de landingsbaan altijd vrij blijft. Het vliegtuig valt immers langs de ene of de andere kant de afgrond in. Volautomatisch.
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    28-03-2016, 04:53 geschreven door Mark  
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Zaterdag 26 maart
    26/03 Als ik opsta is er over de kniewonde een vliesje gegroeid. De schaafwonde is dus dicht. Wat een opluchting. De medische hulp van het hotel spuit er nog eens spray over en dan moet ik wachten om die te laten opdrogen. Intussen geniet ik van een lekker ontbijt met tamales. Dat is een gerecht bereid in een kom die langs de binnenkant belegd wordt met bananenbladeren. In de resterende holte wordt een bereiding op basis van rijst, aardappelen, kip, vlees, spek, wortelen, ei en nog wat dingen, waarvan ik de naam niet verstond, gedeponeerd. Dat gaat zo de oven in. Pesado noemen ze dat hier (zwaar). Ik vind het wreed lekker en echt een ontbijt voor een Dillen. Darbij wordt een groot glas Chulupa geserveerd. Zalig. Intussen wat info over het stadje Villaveija zelf. Op de plaats waar nu het dorpje ligt, heeft in 1550 de Conquistador Juan Alonso de nederzetting San Juan Nepomuceno gesticht. Zo eventjes tussendoor in zijn zoektocht naar El Dorado. Nadat hij verder getrokken is, hebben de indianen die het duidelijk niet met hem eens waren, de nederzetting met de grond gelijk gemaakt. Wat er met de Spanjaarden gebeurd is die zich hier hadden genesteld, wordt nergens verteld. Vermits de geschiedenis steeds door, en alleen door, de overwinnaar geschreven wordt, vermoed ik dat ze gedood en smakelijk opgepeuzeld werden met een pikante saus erbij. In 1562 wil ene Diego de Ospina y de Medellina hier overnachten. Vermits dat niet meer ging, heeft hij het dorpje herop gebouwd en hij noemde het kortweg Villaveija. Voilà, meer is er hier niet te zien, tenzij dat het erg warm is. Gisterenavond om 20 uur was het warmer dan bij ons op de middag tijdens een ‘hittegolf’. Alles is relatief. Intussen is de spray op de kniewonde gedroogd en de verpleegster overtuigt me dat een trip in een short door de woestijn bij 45° Celsius geen goed idee is. Ze overhaalt me om toch een gaasje over de wonde te leggen als bescherming tegen de continue wrijving met de pijp van mijn lange broek. We zullen zien. De woestijngids verschijnt exact op Colombiaanse tijd: een half uur te laat. Op zich niet erg, we zijn dat gewend. Maar… hij zit op een mini moto en hij wil dat ik achterop kruip. Ik weiger, niet alleen omwille van mijn knie, maar ook omdat het fysisch gewoon niet gaat. Ik sleep dan met mijn onderbenen onder de grond. Het heeft nogal wat voeten in de aarde alvorens hij dat wil inzien. Eigenlijk totdat ik zeg dat ik een auto wil als transportmiddel en dat ik ook bereid ben er meer voor te betalen. Dat helpt. Goed, met een uur vertraging (en dus weer een paar graden warmer!) vertrekken we. Het zicht van deze woestijn is enig: zand/rotsformaties die staan te trillen in de hitte van de ochtendzon. Ik voel dat mijn zonnecrème 50+ niet opgewassen is tegen deze intense zonnestraling. Ik voel de straling gewoon door de protectiebarrière branden. Ik smeer dus een nieuwe laag en ook die houdt amper een half uur stand. Ik beslis om niet dieper de woestijn in te rijden naar een oase met een vijver waarin men kan zwemmen. De idee is wel verleidelijk maar met mijn kniewonde heb ik er eigenlijk niet veel te zoeken. Ik besluit dat het genoeg geweest is en ik ga schuilen. Tegen de middag eet ik een maaltijd van soep met geitenvlees, terwijl de bewoners van de hut een spel spelen dat een variante is op pétanque. Ze hebben een houten bak gemaakt met een opstaande wand van 50 op 50 cm en een bodem van dezelfde afmetingen. De binnenruimte wordt opgevuld met nat zand, zodat een opstaande ruimte ontstaat. In die ruimte stekken ze een bommetje met daarop een rood vlaggetje. Vanaf 5 m gooien ze met een ijzeren dop van een kilo naar dat bommetje. Alles wat het doelmist blijft, blijft mooi in het nat zand steken. Eén keer heb ik het mee gemaakt dat iemand zijn dop recht op het bommetje laat neerkomen. Een knal, zoals ze dat alleen in Zuid Amerika kunnen produceren. Ik had die houten bakken al meermaals opgemerkt, ik wist dat het een gooispel was, maar ik had nooit zien spelen. Terug in mijn hotel inspecteer ik het verband. Mijn vrees wordt opnieuw bewaarheid. Het verband plakt weer in de wonde. Als ik het gaas eraf haal (jandorie, nog even en ik kan opera zingen) , sta ik terug aan af. Om moedeloos van te worden. Het was dus een wijze beslissing om terug te keren. En nu luister ik naar niemand meer. Ik maak de wonde proper en spuit de spray erop (weer een aria). En ik laat de wonde gewoon open en bloot. Vanavond ga ik dus ook in short naar het Observatorium in de woestijn om naar de sterren te kijken. Normaal neemt de agressiviteit van de zon vanaf 5 uur als maar meer af. En morgen ga ik in short het vliegtuig op. Als er iemand een opmerking durft maken, zeg ik dat ik op paasdag voor Jezus aan het oefenen ben. De nachturen in het Observatorium in de woestijn van Tatacoa zijn indrukwekkend. De astronoom van het observatorium heeft dikke plastic zeilen op de hete woestijngrond gelegd. De honderd geïnteresseerden gaan gewoon op de grond liggen om naar de sterren kijken zonder een stijve nek te krijgen. Want de uitleg van de man duurt twee uur. Hij gebruikt een groen laserlicht om de ster of de nevel aan te wijzen waarover hij het heeft en hij kent blijkbaar alle sterren en nevels bij naam. Zo een encyclopedische kennis heb ik nog nooit ontmoet. Wreed interessant. En plots realiseer ik me dat het de laatste keer in mijn leven is dat ik het Zuiderkruis gezien heb! Tegen negen uur keer ik terug, want er zijn muggen in de woestijn (dat wist ik niet) en de temperatuur begint voelbaar te zakken. Ik schat dat het nog amper 20 graden is. Dat is al de helft eraf. En zo daalt dat verder tot tegen het vriespunt in de vroege ochtend. Dan begint de kooktijd opnieuw. En zeggen dat ik in de woestijn veel tentjes zie staan van jeugd die hier de nacht door brengen. Ja wadde: eerst braden en dan bevriezen. Om half tien ben ik terug bij mijn hotelletje. De uitbater zit met zijn familie rustig buiten een lokale specialiteit te verorberen: lechona (rijst met groenten en een soort stoofvlees van varken) met insulo (geplette banaan met kruiden in bananenbladeren verhit. Lekker!
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    28-03-2016, 01:33 geschreven door Mark  
    Reacties (0)
    26-03-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Vrijdag 25 maart
    25/05 Ik ben gisteren om half tien gaan slapen, te midden van het hels lawaai van Semana Santa. Mijn wekker loopt af om 4 uur en ik bestudeer mijn kniewonde. Er staat eindelijk een korst op. Ik voel me opgelucht en ik denk terug aan gisterenavond. Toen kruiste ik een uitgelaten familie Colombianen die mijn kniewonde vanop afstand luid becommentariëren. ‘Het is inderdaad Semana Santa’ roept iemand van hen me toe. Ik antwoord hem: ja ik ben aan het oefenen voor morgen (Goede Vrijdag). Gebulder. Mijn wonde is dicht. Om te vermijden dat mijn broekspijp door de wrijving en het gewring in de bussen opnieuw zou openscheuren, leg er heel losjes een gaas over en kleef de hoekjes vast met mijn knie gebogen. Zo vermijd ik druk op de wonde en is ze tegelijk toch nog een beetje beschermd. Oef. Dan het cruciale punt: zal mijn taxi wel op tijd verschijnen. Half zes midden in Semana Santa is eigenlijk om problemen vragen. Ik heb voor alle zekerheid maar een half uur extra speling ingecalculeerd. Maar niet te geloven mijn taxi is op tijd én mijn bus vertrekt punctueel op tijd. Waar gaan we dat schrijven! Om half elf sta ik Neiva. Daar moet ik overstappen op een andere bus. Maar die zal effen moeten wachten. Ik wil eerst ontbijten. Ik ben immers al meer dan zes uur ingespannen (sinds 4 uur) zonder eten. Eens de honger gestild koop ik een ticket voor de bus naar Villaveija en op de parking van het busstation staat één aftandse jeep, die achteraan al helemaal volgestouwd is met zwetende klanten. We zijn op weg naar de woestijn nietwaar. Mijn trolley wordt op het dak gegooid en ik word verzocht achteraan bij in die mierenhoop te kruipen. Ik denk er niet aan, want dan scheurt mijn kniewonde gegarandeerd opnieuw open. Ik wil in de jeep op een stoel zitten. De discussie loopt op. Ze zijn het duidelijk niet gewend dat een ‘buitenlander’, zoals ze me noemen, van zijn oren maakt. Het eindigt met een scène waarbij mijn bagage terug wordt afgeladen. Vanuit het ‘hoofdkwartier’ zien ze het tumult. De directeur komt af en ik krijg mijn zin: vooraan naast de chauffeur met nog twee andere passagiers. En dan nog twee uurtjes rijden en zweten. Ik merk hoe met de kilometer de dichte groene begroeiing plaats maakt voor wat schrale plantjes en veel heet zand. Ik raak in mijn hotel vooraleer ik helemaal gesmolten ben. Terwijl ik daar op adem kom met een glas lekkere guabaya zie ik de poetsvrouw van het hotel een emmer poetswater op straat leeg gooien. Ik zie het water onmiddellijk verdampen in wolkjes! Dat heb ik nog nooit gezien. Ik vraag me hoe heet dat zand (want het gaat om een zandstraat) wel moet wezen. Op mijn kamer komt het uur van de waarheid. Ik controleer het losse verband en stel vast dat de wonde opnieuw is open gegaan en het gaas in het lymfenvocht plakt. Weer tanden bijten om dat gaas uit de wonde te krijgen. Ne mens went verdorie op de duur aan de pijn. Erger is dat ik terug aan af sta. Verrekt nog aan toe zeg. Als ik hier geen afdekspray vind, zal ik morgen noodgedwongen in een short in de woestijn moeten rondlopen. Dat zal smeren worden! Ontmoedigd laat ik me op bed vallen en slaap twee uur. Ik raak daarna eindelijk aan een spray om de wonde af te dekken. Een laatste keer op de tanden bijten, hoop ik. Want dat spul is goed maar pikt nog beter. Ik herinner het mee van de grote schaafwonde die Nicole op haar dij had tijdens haar verlof in Nederland.
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    26-03-2016, 22:54 geschreven door Mark  
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Donderdag 24 maart
    24/04 Mijn privé gids staat op tijd paraat. Dee hele voormiddag rotsen we rond van de ene begrafenissite naar de andere: La Pelote, Purtal, a Chaquira en El Tablon. Op de eerste site zie ik graven (en dus ook de beelden ervoor) die nog maar een tiental jaren geleden opgemaakt zijn. De beelden hebben inderdaad nog hun originele intense kleuren. Zij zijn beschilderd met geel, rood, zwart en bruin. Men weet waar de Indianen de kleurstof vandaan haalden: geel en rood uit het sap van een soort dennenboom. Mijn gids Carlos laat me de bewuste bomen zien. En effectief, het hars (wel meer lopend dan het kleverige goedje bij ons) heeft een zachte gele en een rode kleur. Maar eens uitgesmeerd op mijn handpalm, krijgt het plots een intense gele en rode kleur. Dat is ook zo iets dat me bij blijft: in alle antieke culturen, waar ook ter wereld, werden de beelden en dikwijls ook de zuilen en hele monumenten beschilderd in heel felle kleuren. Geen idee waarom. Mijn gids doet zijn best om me over van alles en nog wat in te lichten. Hij heeft wel een beetje pech. Want de meeste zaken ken ik al. Behalve twee. Het eerste is Guaba, nog maar eens een andere vrucht. Aan de boom ziet ze er uit als een klein appeltje, maar geel als een citroen. Je kan het met schil en al opeten. Ik nijp erop en de vrucht barst op. Het vruchtvlees zit roze en kleine donkere pitjes. Het heeft de textuur van een vijg en ook qua smaak heeft het veel weg van een vijg. Gewoon lekker. Heb je het ook vastgesteld: het woord begint waar met de ‘gua’ klank. Het tweede is de Fique vetplant. De grote groene vetplant met van die dikke bladeren/takken met erg venijnige punten en doornen. Uit een afgebroken tak pitst hij met zijn nagel een paar vezels los en wrijft ze in zijn hand verder los. De substantie valt uiteen in twee delen: heel fijne groene slierten en een klein stukje witte kern. De kern verspreidt een speciale indringende geur. Volgens Carlos is de geur onweerstaanbaar voor vissen. Indianen gebruiken het als lokaas. Erg doeltreffend naar het schijnt. De groene vezels worden gewassen en gedroogd. Dan zij ze klaar voor allerlei vlechtwerk: kledij, manden, zeven, hangmaten, fixatiemateriaal in de bouw, enz. IJzersterk. Als ik in La Chaquira aankom, passeer ik eerst de parking. Maar door de barslechte wegeltjes kan hier alleen maar geraken te voet of te paard. Vermits de meeste toeristen de bezoeken afleggen te paard (cabalgata noemen ze dat), is het dan ook een echte paardenparking. Heel fotogeniek. Als laatste site staat een bezoek aan de petrogliefen op het programma. Het staat op geen enkel tour programma. Maar vermits ik een privé gids heb, zet ik het er wel op. Een hobbelweg van meer dan een uur. Een dan ‘100 m gaan’, zegt mijn gids. Het is een klim- en daalpartij geworden van één uur! De gids vond ze niet direct. Als we er dan eindelijk over struikelen, blijkt dat een rotsblokblok te zijn die op de grond ligt te liggen en waarin wat tekeningen gebeiteld zijn. Omdat de steen helemaal met dik mos overgroeid is, zie ik eerst niets. Carlos verwijdert wat mos en dan komen de figuren duidelijk tevoorschijn. Dat petrogliefen noemen is er wel wat over. En nu begrijp ik waarom het in geen enkel tour programma is opgenomen en waarom Carlos zo moest zoeken. Ik ben er wel van overtuigd dat als een Duitse archeoloog hier even langs komt er een hele extra site tevoorschijn zal komen. Opvallend veel archeologische sites In Zuid Amerika zijn opgegraven en in ere hersteld door Duitsers. Ook weer zo een vraag van mij: waarom zijn dat zo vaak Duitsers? Ik herinner me de gids in Ciudad Perdida (ps Franstaligen vertikken het halsstarrig zo te noemen, zij hebben het eigenzinnig over ‘la ville perdue’; iemand die hen over Ciudad Perdida spreekt die kijken ze aan alsof ie Chinees spreekt ‘non, jamais entendu de cette ville’ - net alsof Fransen ze gevonden hebben). Die gids vroeg toen of iemand een idee had wie de stad ontdekt en opgegraven heeft. Niemand. Dus gok ik en bingo boenk erop. Als mijn privé tour erop zit, vraagt Carlos of ik bij hem thuis kom eten. Ik wil zo een kans niet laten voorbij gaan en hoop dat de keuken van zijn moeder de hygiëne een minimum niveau bereikt. Hij leidt me rond in een afschuwelijk rommelkot, alles pikzwart, zandvloer en een keuken waar in mijn verbeelding allerlei voedingswaren vanzelf bewegen. Het koken gebeurt op een houtvuur, zonder schouw. Vandaar dat alles een roetgeur en –kleur heeft. Ik mag mijn handen gaan wassen in een arduinen waterbak van 1 m³ met inktzwart water en de zeep komt hij in zijn beide handen aanbieden. Vooral dat laatste treft mij. De familie probeert ook een graantje mee te pikken van de toeristische boom in dit land. Dus ik blijf. Ik krijg de traditionele sancoche soep en daarna aardappelen in de schil, yukka, rijst en 2 gebakken vissen. Rauwe groenten worden in een schoteltje apart geserveerd. Op de groenten na, lijkt me alles zonder levensgevaar eetbaar want klaargemaakt en onmiddellijk verorberd. Zelfs in zo een vieze vuile onhygiënische aandoende keuken. En het was een heerlijke maaltijd. Maar ik wel de groeten ongeroerd gelaten en het glas water ook. En…. Geen enkel probleem met mijn ingewanden. De rest van de namiddag breng ik door met de voorbereiding van de dag van morgen. Morgen is het Goede Vrijdag. Dat wil zeggen dat ik in volle Semana Santa een bus moet nemen om in Villaveija te geraken, een paar honderd kilometer naar het Noorden. Mijn voorgevoel bedriegt me niet. Het duurt tot 9 uur ’s avonds eer het duidelijk wordt dat er in wezen maar één bus is: die van 5:30! Het zij zo. Ook het enige zwakke punt in de hotelreservatie valt op zijn pootjes. De reservatie voor een verblijf van 1 nacht in de Tatacoa woestijn is een heikel punt sinds begin janauri. En het raakt niet opgelost. Dus heeft Monica van het reisbureau een alternatief geregeld en ik ben er ook tevreden mee. Het is een hotel op 10 minuten rijden van de woestijn.
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    26-03-2016, 22:53 geschreven door Mark  
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Woensdag 23 maart
    23/03 Vanmorgen is het eerste wat ik doe mijn knie bekijken. De wonde is droog, niet meer dan dat. Maar daar ben ik blij. Er is dus vooruitgang. Om het dunne vliesje te beschermen tegen het over en weer schuren van mijn broekspijp, besluit ik er nog één keer een gaasje over te leggen en het alleen op de hoekjes wat vast te kleven. Zo kan het voldoende bewegen bij het stappen. En dat is nodig want vanmorgen staat het bezoek aan het Archeologisch Park van Sanagustin (zo schrijven ze dat hier). Het park gaat open vanaf 8 uur. Ik probeer er zo vroeg mogelijk te zijn, want met het verlend weekend van Semana Santa verwachten ze hier veel volk. Ik kan ontbijten vanaf 7 uur. Dat is de theorie. Nu de praktijk. Ik sta paraat om 7 uur. In de keuken wordt men wakker. Dat proces duurt tot half acht. Dan komen ze vragen wat ik als ontbijt wil (alsof er keus is). Om 8 uur is mijn ontbijt binnen en ik vraag om een taxi. Een Colombiaans koppel aan de ontbijttafel biedt aan dat ik met hen mee rij. Binnen 5 minuten vertrekken ze. Maar ja, dat loopt even uit, want ze moeten nog inpakken (‘dat is zo klaar’) en dan nog afrekenen (‘un momentito’). Om 9 uur, een uur later dan gepland sta ik aan de ingang. Ik ben bij de tien eerste klanten. Zo komt alles nog op zijn pootjes terecht. En ik kan alles rustig bekijken en fotograferen. Zalig. Terug op mijn kamer kontroleer ik de status van het verband, want dit is het laatste moment dat ik de 4,5 uur durende rit te paard kan afzeggen. Het verband plakt weer in de wonde en het lymfenvocht drupt eruit.Verrekt. Dat kan zo niet verder. Ik zeg de paardenrit af en in de plaats ga ik naar het plaatselijke hospitaal. De arts vraagt of ik antibiotica genomen heb. Ik antwoord van neen. Waarop zijn reactie is: dan heb je een goede weerstand en heb je de wonde goed ontsmet. Het zal wel zijn, denk ik, ik jankte bijna van de pijn al ik de iso betadine erop deed.. Zijn diagnose luidt: alles is ok, je hebt alleen te weinig geduld. Met de trip in de Amazone in het vooruitzicht, raadt hij me toch aan om een kuur antibiotica te nemen en voor de rest vitamine C binnen nemen omdat het het genezingsproces verbetert/versnelt. Dat is enerzijds een opluchting, maar langs de andere zijde ook niet. Want daarmee is mijn probleem van het lymfenvocht niet opgelost. Daarvoor is er meer één afdoende remedie: de openlucht. Ik heb al twee lange broeken moeten Afdanken wegens al te veel gaten Dus . Ik heb eer nog twee over en die wil niet verknippen. Dus rest me maar een alternatief. De synthetische short die ik op de trip naar Ciudad Perdida gekregen heb. Het is nogal een zicht hoor. iedereen kijkt om. Vanavond ga ik eten in het restaurant Altos de yerba buena. Knal erop. Een sterrenmaaltijd tegen Colombiaanse prijzen.
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    26-03-2016, 22:52 geschreven door Mark  
    Reacties (0)
    23-03-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Dinsdag 22 maart
    22/03 Om mijn gehavende knie wat te sparen kies ik vandaag voor een dag tour met een jeep. Ik zie veel en ik hoef maar een beetje te wandelen. Alleen het in- en uitstappen uit de wagen is pijnlijk. Om mezelf wat moed in te spreken, probeer ik me wijs te maken dat het vooral het kleefverband is dat me pijn doet en niet de wonde. En zo waar dat helpt een beetje. Eerste stop is El Estrecho, de plaats waar de Rio Magdalena op zijn smalst is, amper 10 meter breed. Het gaat er wel wild aan toe. Het is moeilijk te geloven dat een paar duizend kilometer verder dit riviertje één van de machtigste stromen van Colombia is. Dan naar Obando, de eerste pit stop met enkele beelden, maar niet indrukwekkend. Net goed als aperitief. Maar er is wel een klein erg interessant museum. Het geeft de parallelle tijdslijnen weer in Amerika, Europa en Azië. De graftomben die ik vandaag ga bezoeken dateren van 700 voor Christus tot aan de komst van de Spanjaarden in de 15de eeuw na Christus. Ofte DC zoals zij hier zeggen: después de Christo. De Yalcones indianen, want het gaat over hun cultuur, hadden twee manieren om een belangrijk persoon te begraven. Ofwel het hele lichaam in 1 maal (en lieten hem/haar dan met rust) ofwel 2 maal. Als het lichaam volledig vergaan was, werden de beenderen herop gegraven en op een andere plaats een tweede maal in een urne begraven. Van het hoe en waarom weten we niet veel, omdat de Spanjaarden het niet genoteerd hebben voor het nageslacht. Met die kennis gaan we over naar het serieuze werk: Alto de Los Idolos. Het begrafenisterrein is hier wel indrukwekkend. Het ligt verspreid over het dal tussen twee tegenover elkaar liggende bergtoppen. Dat dal is door de Yalcones aangelegd met het materiaal dat zij van de pieken van de twee bergtoppen hebben gehaald. Ze hebben met andere woorden de twee pieken afgeplat en het ravijn ertussen met het afbraakmateriaal opgevuld. Het resultaat is een licht glooiend terrein, net een duur exclusief Engels golfterrein. Het opvullen van het dal is ook goed overwogen uitgevoerd. De rotsen die ze van de bergtoppen haalden werden geschrankt en in piramide vorm opgestapeld. Het resultaat mag gezien worden: het opgevulde dal ligt er na meer dan een millennium nog steeds mooi bij. Niet weggespoeld of geërodeerd of zo. Die mannen wisten duidelijk wat ze deden. In de vulkanische grond kapten ze voor elk graf een reeks kamers uit met een ingang. De wanden van de muren werden afgezet met kleine monolietjes. In de eigenlijke grafkamer stond een tonnen zware stenen sarcofaag, langs alle zijden (dus ook va boven en vanonder) omringd door enorme stenen platen. Net kleine menhirs. Vooraan de ingang stond dan een beeld. De opgravingen zijn van vrij recente datum (de jaren 70 en 80 van vorige eeuw). En wat ik kan zien zijn de beelden, de grafruimtes en de menhirtjes. De beelden waren bij hun ontdekking fel gekleurd. Die kleuren zijn intussen al verdwenen. Daarom laat de vele andere graven die er nog op een opgraving zitten te wachten, mooi onder het zand zitten. Voor de rest weet men tot op heden van hun cultuur nagenoeg niets. Volgende stop is suikerriet verwerking. Het riet wordt geplet. Ht sap wordt in verschillende stappen verhit om de onzuiverheden eruit te halen. Dat gebeurt op een natuurlijke wijze door toevoeging van Echa mateca. Het sap van een plant dat de onzuiverheden laten boven drijven. Na vier stappen is het goedje zuiver, is het al flink ingedikt en heef het de karakteristieke kleur. Het suikerriet zelf is een plant die niet veel eisen stelt en snel groeit. Hij kan dus meerdere jaren achter elkaar op dezelfde plaats gecultiveerd worden. Dan nog een kleinere begraafplaats: Alto de la Piedras. Daar staan één speciale steen met twee hoofden. In het Spaans noemen ze hem ‘Doble Yo’. Tot slot nog twee watervallen (Salto de Bordones en Salto del Mortiño). Tja, ik ben verwend, ik weet heet. Alles wat kleiner is dan Iguaçu vind ik voor loosers. Erg maar zo is het. Vanavond haal ik de pleister opnieuw van de wonde, want ik voel dat het verband langs de binnenkant nat is van het lymfen vocht. Het was weer een pijnlijke zaak, want ook nu plakte de drie verbandjes (want zo een grote vlaai heb ik niet bij en hebben ze hier niet in de apotheek) in de wonde. Maar het ging langs de randen van de wonde al wat vlotter. Die stukjes zijn intussen dicht geraakt. Rest nog een oppervlakte van twee keer 2 bij 3 cm. Ik giet er voor alle zekerheid nog een flesje iso betadine op. Het pikt van jewelste. Nu laat ik het zo opdrogen en ik ga slapen zonder verband. Ik denk dat het sneller zal genezen. Laat ons hopen. Ik heb een troost; vandaag een Colombiaanse toerist ontmoet die met zijn paard gevallen is. Het dier heeft een poot gebroken en zijn heup (die van de man) doet flink fijn en zijn nek (ook die van de man) is vervaarlijk gezwollen. Je ziet er bestaan grotere gevaren dan Medellin of Manizales.
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    23-03-2016, 22:54 geschreven door Mark  
    Reacties (0)
    22-03-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Maandag 21 maart
    21/03 Volgende archeologische site: San Agustin. Ik heb, op aanraden van Monica, een hele dag voorzien voor het – op het eerste zicht- simpele en relatief korte traject van San Andrés de Pisimbalá naar San Agustin. Maar ik luister naar wijze raad. Om 7:15u sta ik paraat. Ik heb tot 8:45u moeten wachten voor de bus passeerde: een aftandse jeep die me meeneemt in zijn laadbak. Goed voor een schikkende rit van een dik uur naar het bergstadje La Plata. Vervolgens overstappen op een mini bus naar Gazón. Hier bereik ik wel een dieptepunt. Er zijn zeven zitplaatsen voor zien. Er kruipen 13 mensen in met al hun bagage (groenten, fruit, kartonnen dozen, een rol prikkeldraad enz), tesamen met 3 honden, een haan en één vechthaan. In dit kluwen merk Ik dat ik over hobbelige bergpaadjes naar het Zuidoosten rij in plaats van naar het Zuidwesten. Bij elke overstap check ik nochtans of dit wel degelijk de bus is om in San Agustin te raken. En telkens zeggen ze van ja. Het is intussen al 12:30u. Dan weer overstappen op weer een ander busje. Dat brengt me naar Pitalito. Het betert. Ik rij nu al pal Zuid en we verlaten het hooggebergte. De weg is geen hobbelige zand- en steenroute meer, maar een vlakke asfalt. De gemiddelde snelheid springt dan ook van 30 km per uur naar 60-70 km. Mij bekruipt het gevoel dat ik in de maling wordt genomen en dat ze mij even half Colombia laten omrijden. Maar in Pitalito verschijnt voor het eerst de naam van mijn bestemming op het busje dat ik nu moet nemen. Daar aangekomen moet ik een taxi nemen, want eco-lodge ‘Casa de François’ (wordt uitgesproken als ‘Casa de Frankois’) ligt helemaal boven op de heuveltop en met mijn danig geschaafde knie (het lymfenfvocht drupt door het verbandgaas verdorie) en mijn 23 kg trolley ga ik dat niet te voet doen. Het is 4:30 als ik in de eco-lodge aankom. Zoveel uren voor zo een kleine afstand in vogelvlucht. Daar hangt een detailkaart van de streek aan de muur en in één oogopslag begrijp ik alles. Er ligt weer een gebergte tussen beide locaties en er loopt geen enkele weg door die door een auto kan benut worden. Alleen een wandel/trektocht pad. Vandaar die uuuuren duuuurende omweg. Maar het leed is geleden, mijn ingewanden zitten allemaal terug op hn plaats en de eco-lodge is weer een schot in de roos. Midden in een natuurparkje met zicht over het stadje San Agustin. Prachtig. Eens op de kamer is het hoog tijd om mijn knutselverband te inspecteren. Het ziet er niet goed uit. Het is nat van het lymfenvocht en van bloeddruppels. Niets aan te doen, dat verband moet vernieuwd worden. Dan blijkt dat ik het er langs de verkeerde kant op gelegd heb. Het plakt in de schaafwonde. Dat is dus even tandenbijten. Ik heb hier meer licht in de badkamer dan in mijn vorige kamer, dus inspecteer ik de wonde grondiger. Het is een oppervlakkige schaafwonde van 3 op 5 cm gelardeerd met een vijftal diepere krassen. Die zijn nog niet dicht. Ik spuit over het geheel voor alle zekerheid maar een heel flaconnetje iso betadine leeg. Het pikt flink. Dat is een goed teken vind ik. Want dat wil zeggen dat de open stukjes opnieuw ontsmet worden. Ik heb nog enkele grote gaasstrookjes mee en nu let ik goed op dat ik de gladde kant op de wonde leg. Ik plak de hele boel dicht. Ben benieuwd hoe het er morgen uit ziet. Als ik geen substantiële verbetering zie, ga ik naar een dokter.
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    22-03-2016, 13:20 geschreven door Mark  
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Zondag 20 maart
    20/03 Een hoogdag. Ik ga de graftombes van Tierradentro bezoeken. In de voormiddag de gemakkelijke tour met drie sites met graven, na het middageten de tweede moeilijkere (want veel steiler) ronde met 2 sites. De gids heeft duidelijk niet veel zin om de 2 tours te doen. Hij spreekt altijd in de voorwaardelijke wijs over de namiddag tour (‘als we daar nog tijd en energie voor hebben’) en hij doet er alles aan om ’s morgens niet op tijd te vertrekken. Als we dan eindelijk op pad zijn, zet ik er een flinke pas in. Heel de weg heeft ie gezucht en gehijgd. Maar het helpt niet. Ik blijf doorduwen en tegen de middag hebben we de eerste tour mooi afgewerkt. ’s Namiddags hetzelfde liedje. Maar nu is het steil 200 m naar boven. Voor mij zal dat wel gaan: we zitten ‘slechts’ op 1800 meter en de temperatuur is een aangename 20 graden en de luchtvochtigheid is normaal. Je gaat me niet geloven, maar tot mijn grote verrassing loop ik de hele klim voorop. Om de haverklap moet ik wachten want de gids hijgt en zweet als een natiepaard en hinkt hopeloos achterop. Ik betrap me erop dat ik net hetzelfde doe als de anderen tijdens de trektocht naar Ciudad Perdida. Ik wacht tot de gids me eindelijk inhaalt en stap ik, goed uitgerust, verder. Als ik er geen aandacht aan schenk krijgt hij gewoon geen kans om op adem te komen. Dit is de wereld op zijn kop. Als we boven op de top op zo een 2200 meter aankomen, gaat ie languit op de grond liggen. Ik kruip die putten een voor een in. Nu de graven. Het gaat over de sites Segovia, El Duende, El Tablon, Alto de San Andres en El Aguacate. Overal vindt men graven, een vijf meter diep onder de grond in de vulkanische rots uitgehakt. Eerst een put van 1,5 meter diameter en vijf meterdiep. Met een uitgehouwen wenteltrap met treden van 50 cm hoogteverschil kan je recht naar beneden. Op de bodem is dan horizontaal de echte grafkelder uitgehouwen. In vele gevallen zijn de wanden met geometrische tekeningen en figuren versierd in witte, zwarte en rode kleuren. De sites liggen op de kam van bergketens. Erg hoogs dus en de vergezichten zijn natuurlijk in verhouding. Als ik alles bezocht heb wat ik wil, dalen we terug af. Ik heb wat schrik wat de hellingsgraad is erg steil. Op een gegeven moment komt het stukje rots waarop ik mijn voet neer zet los en ik struikel/val voorover. Ik val op mijn knie en met mijn linkerhand kan ik mijn val naar links afblokken. Want daar wacht een steile diepe helling (om het woord ravijn niet te gebruiken). Ik krabbel danig geschrokken overeind en bekijk de schade: mijn oude stapbroek is ter hoogte van mijn knie rats door gescheurd en door het gat zie ik een schaafwonde bloeden. Het pikt stevig, maar er is niets meer aan de hand. Camera is intact en lijf en leden zijn van een vrije val gevrijwaard. Oef, dat was even echt gevaarlijk. Met knikkende, pikkende en bloedende knie daal ik verder af. Als ik daarna een douche neem zie ik dat twee ‘krassen’ wel iets dieper zijn dan een gewone schaafwonde. Dat is allicht ook de reden waarom mij broek zo beschadigd is. Ik heb er een reistube iso betadine over gespoten en het afgedekt met een steriel verband. Het pikt verrekt stevig. Tijdens het avondeten is de gids in geuren en kleuren aan het vertellen, aan al wie het horen en ook aan zij die het niet horen willen, hoe hij heeft afgezien met mij. Dat zo een tocht normaal over twee dagen gedaan wordt maar dat ik dat met mijn lange benen in één dag gedaan heb en dat ik naar zijn normen veel te snel stapte. Tijdens het avondeten was de man er duidelijk nog niet van bekomen. Daarmee laat ik op de reis al mijn tweede broek achter. Mijn goede oude jeans die mij al 15 jaar trouw vergezeld op al mijn reizen, heb ik Popayan moeten achter gelaten. De gaten in de broekspijpen werden echt te groot. Ik bleef er met mijn tenen in haken.
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    22-03-2016, 03:49 geschreven door Mark  
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Zaterdag 19 maart
    19/09 Vandaag is het gedaan met de grand chique. Ik trek op avontuur naar Tierradentro, San Andrea de Pisimbalá. Een busrit van 4-5 uur vanuit Popayan. Footprints omschrijft de rit als ‘rough’. Er zal dus weer wat afgebotst en geklotst worden. Maar ik weet dat het de ellende waard is. Tierradentro is immers één van de grote pre-Colombiaanse archeologische sites (de andere volgt binnen enkele dagen). Er liggen hier, achteloos verspreid in het berglandschap, talloze mooi beschilderde graven die dateren van de 500 – 900 na Christus. Met een grote korrel zout kan je een beetje vergelijken met de Vallei der Koningen in Luxor. Aan het loket benadrukt men mij dat het een directe verbinding is. Rare formulering vind ik, want een rit van 4-5 uur lijkt me toch wel in aanmerking te komen voor de definitie van een lange-afstandstraject en dito bus. Ik voel nattigheid maar ik weet nog niet vanwaar het water komt. Totdat de bus verschijnt. Een rammelkar vol krassen en deuken van ik schat 50 jaar oud. Ze lijkt recht uit een oorlogsgebied te komen. De schrik slaat me om het hart, want tot voor enkele jaren zwaaide het FARC hier nog te plak, goed verscholen in de wouden op de erg moeilijk toegankelijke berghellingen. Maar neen, men bevestigt me dat het FARC hier voorgoed verdwenen is. Goed, dat stelt me al wat meer op mijn gemak. Zoals altijd ga ik met mijn trolley naar de achterkant van de bus, want bij de oudere bussen bevindt zich daar de laadklep voor de grote bagage. Hier niets. Bij de nóg oudere bussen moet de bagage op het dak. Heb je al eens geprobeerd om een trolley van 23 kg boven je hoofd te steken (zodat de man boven het dak van de bus ze kan aanpakken) met mijn rugzakje van 5 kg (met alle reisdocumenten ed) op je rug en een fototas met 1,5 kg fotomateriaal rond je nek? Ik kan je verzekeren dat het niet makkelijk is. Ik hef me bijna een breuk. Ik ben er niet gerust in en wacht tot ik mijn trolley op het dak onder een groot dekzeil die verdwijnen. Daardoor sta ik als laatste in de rij op. Maar daar is geen denken aan. Het is een doodskist met 7 rijen stoeltjes, 2 links en 2 rechts van de middengang. Goed voor 28 zitplaatsen + 1 in het midden op de achterste rij en …. 20 staan- en hangplaatsen. En die zijn allemaal bezet. De stoeltjes staan zo dicht tegen elkaar dat ik er gewoon niet tussen kan. Het plafond is 1,80 hoog. Ik kan dus ook niet recht staan. Geen paniek in de gelederen. Neen heel het mensenkluwen lacht. Al wie recht staat in de middengang moet er eerst terug uit. Dan moet de dame met de korte beentjes die achteraan op de middenstoel zit opschuiven. Dat kost wel wat overredingskracht, maar zoals altijd in Zuid Amerika het lukt. Dan kan ik zitten met mijn rugzak en mijn fototas op mijn knieën. Ik voel me nog goed ook, want nu hebben mijn benen al iets meer plaats op de middengang, tussen allerlei zakken en rommel. Dan kruipt de hele bende van de middengang terug de bus op. De temperatuur loopt serieus op en de zuurstofgraad daalt serieus snel. En zo vertrekken we voor een ritje van 4-5 uur. Na een uurtje hotsen en botsen op het smalle bergpad (zand en keien, geen asfalt) vertraagt de doodskist abnormaal. Blijkt dat een flink stuk van de weg (el banco noemen ze dat hier) door een aardverschuiving te zijn weggeveegd. We kruipen langzaam door de modder en de keien. Veel merk ik er niet van want overal kijk ik op volupteuse vrouwenlijven. Even later opnieuw zo een derrumbe en dan bega ik de fout om mijn hoofd om te draaien en achterom te kijken. Dan zie ik wat voor ravage die aardverschuiving heeft aangerecht. Nog meer nieuwgierig steek mijn hoofd tussen wat zachte ‘vrouwenisolatie’ door en dan merk ik dat het stuk van de weg waarover de aftandse bus voort gromt en kreunt, amper breder is dan haar wielbasis. Ik kijk immers recht in de afgerond. Slik. Dat lijkt erg op de Himalaya bergrit tussen Afghanistan en Tibet. Daar heb ik op tv de bloedstollende beelden van gezien. Het verschil dat het hier droog en warm is en ginder nat en koud. Maar alles wordt me nu duidelijk: de staat waarin de bus verkeert, de ruime marge in de duurtijd van de rit, het feit dat het een directe bus (we moeten tussen twee aardverschuivingen in niet uit de ene bus klauteren om dan over de ravage naar de volgende bus te kruipen. Als ik geweten had dat de weg zó gevaarlijk was, had ik de rit afgezegd. Maar ja, ik zit hier nu in die doodskist. Ik kan er niet uit en de bus kan ook niet rechtsomkeer maken. Ik kan alleen maar verder schokken. Ik hoor het metaal van de schokdempers op de as van de bus ‘bonken’. Een akelig geluid en ook een raar gevoel, want op dat eigenste moment voel ik heel goed dat er geen demping meer gebeurt. Ik heb geen keus en koester de gedachte dat als de bus hier omkantelt (en ze dreigt dat regelmatig te doen hoor), ik de klap zonder al te veem schade wel zal overbleven. Ik ben immers heel ruim omringd door vrouwelijke schokdempers van formaat. Maar doemt plots de nare ervaring van mijn auto-ongeluk in het Noorden van Spanje terug op. Ik kwam toen terug bij bewustzijn met het gevoel niet meer te kunnen ademen. Dat kwam omdat Nicole boven op mij lag en ik, door de gekneusde ribben, geen macht had om mezelf ademruimte te geven. Ik kijk om mij heen en denk: de klap overleef ik hier wel, maar ik ga stikken in die Boteriaanse vleesmassa’s rond en boven mij. Op een gegeven moment stopt het busje 30 cm achter een vrachtwagen die zich heeft vastgereden. Na flink wat luchtverplaatsing is iedereen het erover eens dat de vrachtwagen wat achteruit moet. Dus ook de bus. Maar… intussen heeft een ruiter zijn paard achter de bus ‘geparkeerd’. Gelukkig moeten we maar een paar minuten wachten tot de ruiter zonder een krimp te geven, zijn paard komt halen. Iedereen springt, na wat extra Spaanse palavers over het onwaarschijnlijke gebeuren, achter zijn respectief stuur. En dan wordt er geroepen dat een kwibus zijn moto achter de bus geparkeerd heeft. Weer wachten tot die onverlaat opdaagt. In dus bus wordt ondanks de hitte, het plaatsgebrek, het zweet dat over alles en iedereen parelt, goed gelachen. Dat is Colombia. En zo raak ik na 5 Faulty Towers uren zonder ongelukken op mijn bestemming. De guadua (bamboo weet je nog) hut biedt alles wat ik moet hebben, maar het is wel een beetje wennen aan de downgrade, na de luxe van de vorige dagen. En het warm water van de douche is gewoon iets minder koud dan het koud water. Na de douche meldt ik het aan de uitbater. En die zegt: ja ik weet het ik moet dat bimetaaltje een klein beetje bijstellen. Maar ja ik ben geen elektricien hé. Tijdens het avondeten maak ik kennis met een hele Colombiaanse familie die ook naar de graven komt kijken. Het was een heel gezellige avond. Het duurt niet lang of het blijkt (opnieuw) dat ik al meer ken en gezien heb van hun land dan zijzelf. Eén van de leden van de familie is een historica en ze wist bijvoorbeeld niet van het bestaan af van het huis van de Markies van Valdehoyos in Cartagena, laat staan dat je er met flink wat aandringen ook binnen geraakt.
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    22-03-2016, 03:47 geschreven door Mark  
    Reacties (0)
    19-03-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Vrijdag 18 maart
    18/03 Vanmorgen hangen er niet alleen boven de bergen wolken. De hemel is helemaal bewolkt. Ik besluit om geen tweede maal naar het natuurpark op en rond de vulkaan Puracé te gaan. Ik opteer voor een bezoekje aan het bergdorpje Silvia. Een klein niemendalletje 50 km Noordoost van Popayan. Vooral bekend om zijn dinsdagmarkt, waar flink wat indianen van het Ecuadoriaanse Otovalo (tiens, tiens, jaren geleden ben ik naar de markt in Otovalo geweest – ik reis te veel dat is duidelijk). Ik lig er dan ook niet van wakker dat het vandaag vrijdag is. We zien wel. Silvia ligt een stuk hoger in de bergen. Tijdens de rit voel ik de temperatuur zakken. We zitten duidelijk weer boven de 3.000 meter. Dat is de enige maatstaf die ik heb, want van de hoogte op zich heb ik eigenlijk geen enkele last: ik kan snel stappen, trappen vormen geen probleem en een beetje klimmen gaat ook ongemerkt. Pas boven de 4.000 meter trap ik op mijn adem. Niet slecht voor nen ouwen pé, al zeg ik het zelf. In het busstation zoek ik even naar de juiste bus (remember: het gaat altijd over tientallen verschillende bussen en busjes [busetas noemen ze die hier]). Een indiaan (un indígeno wordt zo iemand hier ietwat denigrerend genoemd) maakt me duidelijk dat ik weer te ongeduldig ben: busje komt zo. Onderweg raken we aan de praat. Hij noemt zich ‘chabier’ (xavier voor ons) en hij nodigt me uit om naar zijn dorpje Misak te komen, een eindje buiten Silvia. Ik hap direct toe, want tot op heden heb ik nog geen enkel dorp van indígenas kunnen bezoeken. Ze sluiten zichzelf doelbewust sterk af. Ik hap onmiddellijk toe. Op de Plaza Mayor van Silvia zie ik dat de lokale Guambianos wel een heel typische en opvallende kledij dragen. De mannen lopen rond in een zwart hemd met overlangs een fuchsia bies ter hoogte van hun borstkas en een lange rok (ja ja) in diepblauw met een fuchsia boordje. De vrouwen dragen nagenoeg het spiegelbeeld: een blauwe cape met fuchsia bies en een fuchsia rok of een zwarte rok met een fuchsia bies en een platte strooien hoed. We nemen een Willie (zo een afgedankte jeep) waar ik met een 5 vrouwen, twee baby’s en mijn ‘gids’ vriendelijk maar onverbiddelijk wordt ingeperst. Een kwartier later stappen we uit, maar ik zie geen dorp. Enkel een paar kleine heel propere huisjes en in de velden, ver van elkaar, nog wat huisjes. Wat me opvalt is dat alles vrij proper en net is. Ik word binnen geleid in een grote houten hal met een diameter van ca 40 meter met allemaal plastic stoeltjes rond een brandend kampvuur. Rechts van het grote voor (balken van 15 cm diameter gaan in rook op) zitten de notabelen van d stam. Duidelijk herkenbaar aan hun houten staf met zilveren knop. Er gaat een politieke meeting beginnen over de verdediging van de belangen van de indianen. Iemand komt naar mij en vraagt hoe ik hier geraakt ben. Ik vertel hem het verhaal en de indiaan kijkt me recht in de ogen en zegt: jij hebt moed en durf. Wees welkom. Hier ben je veilig en hij biedt me een kop maissoep aan. Slik. De moderator spreekt in de lokale taal (het Wampiaans of zoiets). Het lijkt op Chinees. Dan volgt de nationale indianenhymne. Ik versta er niets van, maar iedereen staat recht en de typische ritmische trom is prominent aanwezig. Dan komt de eerste spreker. Het is een doorwinterde politica. Het valt me onmiddellijk op omdat ze traag spreekt en duidelijk articuleert en af en toe een cruciale zin herhaalt. Ik kan verdorie haar hele speech goed volgen. Haar stelling is dat zowel kapitalisme als communisme voor de indianengemeenschap een pest is omdat geen van beide systemen eerbied tonen voor Pacha Mama (moeder aarde). Wie wel eerbied toont voor de natuur, heeft eerbied voor zijn evenmens en leeft in vrede en geluk. Die zit wel goed raak zeg. Dan gaat ze verder over de corruptie en het kwaad waartegen de indianen een strategie moeten ontwikkelen. Want de toekomst wordt een gevecht om water en wij (de indianen) hebben in ons grondgebied de páramo (die spons die het nationaal waterreservoir van Colombia is). Maar de federale regering heeft een deel van de watervoorraad van onze páramo verkocht aan Coca Cola. Dat kan niet. Daar moeten we iets aan doen, enz. Ik schrik me een hoedje.Want een koude douche. Dan komt spreker nummer twee met de uitleg over de vooruitgang in de vredesonderhandelingen tussen de regering en het Farc. Blijkbaar zijn ze het al over een hele reeks heikele punten eens: het Farc mag een politieke partij worden die aan de verkiezingen deelneemt en die verkozen in het Parlement kan brengen, de FARC-jeugd moet een gedegen opleiding en vorming krijgen om het re-integratieproces te bevorderen; zware FARC bandieten (moordenaars bv) moeten be- en eventueel veroordeeld worden door een Waarheidscommissie (Zuid Afrika is erg dichtbij hier). Over de vergoeding voor de schade en de moorden die het FARC begaan heeft is er nog geen oplossing. Ze zijn er duidelijk nog niet uit, zo te horen. Ja wadde. Ik zit hier midden in een politieke meeting over de meest heikele thema’s binnen Colombia. En ze weten van wanten. Want in de speech van onze politica haalt ze twee maal aan dat er zelfs een delegatie van België aanwezig is. Ik zie de hele gemeenschap naar mij kijken. Nogal wiedes. Ik ben de enige die niet in het blauw gekleed is. Ik besluit dat het tijd wordt om de meeting te verlaten. Maar verdorie, dat is wel wat anders dan op een condor te zitten wachten! Eens buiten besef ik dat ik daar helemaal alleen sta, enkele bergkilometers van de bewoonde wereld in een onooglijk door god vergeten dorpje van enkele honderden inwoners. Ik begin de weg af te stappen die ik op de heenrit met een Willie gedaan heb (een goed geheugen is op reis altijd heel praktisch). Nog geen twintig meter en een aftandse auto stopt en een blauwgerokte indiaan vraagt me of ik naar Silvia moet. Ik stap in en een kwartier later sta ik terug in de bewoonde wereld. Kostprijs: 1.000 pesos ofte 30 cent. Voor 7000 pesos wil hij me ook in een trek naar Popayan rijden. Maar ja, waar gaat ie me droppen in die miljoenstad. Ik verkies dus bus die me naar de terminal in Popayan voert en vandaar ken ik de weg naar mijn hotel. Terug in Popayan merk ik dat de sfeer voor Semana Santa aan het opborrelen is. Het is hoog tijd dat ik hier vertrek. Want naar het schijnt vergaat horen en zien hier dan, zeker voor de mensen die hier wonen en slapen!
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    19-03-2016, 03:33 geschreven door Mark  
    Reacties (0)
    18-03-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Donderdag 17 maart
    17/03 Vulkaandag vandaag. Om 6:30u komt een ingehuurde gids me oppikken. En verdorie die man is op tijd! Die moet een beetje ziek zijn, dat kan niet anders verklaard worden. Samen met een free lance fotograaf (die onder andere ook voor National Geographic reportages heeft gemaakt en dus een full frame gebruikt) rijden we naar het zoveelste natuurpark. Als ik me niet vergis heeft Colombia er meer dan 60! Dit exemplaar heet Puracé, naar de naam van de vulkaan (4646 m hoog en nog steeds actief) in het gebied. Het parkje omvat 86.600 hectares en dat zit vol met waterhoudende planten en mossen. Dat heet dus… páramo. Dat die planten water vasthouden is duidelijk. Als ik er op duw, stroomt het water eruit net als bij een spons. We zitten 3.200m hoogte. Het is dan ook niet te verwonderen dat dit hét waterreservoir is van gans Colombia. Bewijs: hier ontspringen de 4 grootste rivieren van het land: Magdalena, Cauca, Caquetá en Patia. Elk is een paar Scheldestromen waard. Het hele park wordt bewaakt door indianen. Er komt geen politieagent of guerillero binnen. Zij weten allebei dat ze hun leven riskeren. En je verstoppen in die wildernis heeft geen enkele zin. Die indianen kennen elk plekje waar je je kan verschuilen. Niemand maakt geen schijn van kans. Het gebied is dan volkomen veilig is. En de overheid vindt dit een goed compromis. Je kan er alleen grenzeloos in verloren lopen. Mijn eerste taak als ik opsta is naar de bergen kijken. En daar hangt niebla en neblado (mist en bewolkt), dus beslis ik wijselijk mijn zware camera ditmaal niet mee te nemen. De stress om dat toestel in de gutsende regen droog te houden is te groot. Ik heb al twee keer zo een natte frats mee gemaakt met mijn camera in een plastic gewikkeld, omdat mijn rugzakje en regenhoes samen niet bestand blijken te zijn tegen Colombiaanse zondvloeden. Ik wil dat geen derde keer mee maken. Ik neem dus mijn klein panasonicske mee, een trui en mijn regenjas. Naarmate we klimmen wordt de mist dikker en de regen harder. Wel speciaal moet ik toegeven en ik kan mooie sfeerfoto’s maken. Het valt me onmiddellijk op dat zowel de prof als ik foto’s nemen van dezelfde dingen ongeveer vanop dezelfde plaats. Straf hé. Maar daar eindigt het parallellisme. Van elk onderwerp neemt ie makkelijk 10 verschillende foto’s (dus met andere instellingen), met statief en met speciale filters. Het verschil is verbluffend. Ik besef nu dat ik aan een maximum zit. Als ik me wil verbeteren, moet ik een grens overschrijden die ik niet wil oversteken). Het zal dus blijven wat het nu is. Vermits hij ook een Nikon heeft, vraag ik hem of hij geen problemen heeft met de scherpstelling. Zijn antwoord is bevestigend. Maar voegt hij er aan toe, als de focus faalt wordt dat negen kansen op tien veroorzaakt door te weinig licht. Met full frame lenzen is het probleem veel kleiner. Dat klopt want ik heb intussen ook al opgemerkt dat met het gebruik van de flits het focusprobleem beduidend kleiner wordt. Eerste stopplaats is een rots punt die over een ravijn uitsteekt. De gids legt er lokaas en strooit bloed kwistig rond. En dan hoeven we maar op de condors die hier enkele jaren geleden teug zijn uitgezet en het blijkbaar goed naar hun zin hebben want ze nesten. Na een half uur zegt de gids dat er teveel mist en teveel regen is, kortom geen weer om een condor door te jagen. Volgende stop is een zicht op een cañon. Maar ja, met dat weer zie je daar niets van. Volgende stop is wel een succes. Het stopt met regenen en het klaart pop. Op de flanken van de Puracé vulkaan zijn er verschillende bronnen van solferhoudend water. Sommigen warm, andere koud. De kleur van het water verschilt van beek tot beek: oranje, groen, wil, geel en blauw. En stinken man, adembenemend. En dat moet letterlijk opgevat worden. Bij de grootste en warmste bron (32°) staat vermeld dat je er niet mag in baden. Vorig jaar is er een volwassen man in verdronken. Hij was er op zijn eentje gaan in baden en raakte bedwelmd door de giftige solferdampen. Hij is kopje onder gegaan zonder het te beseffen. In die barre klimaatomstandigheden groeien er verdorie nog planten die bloeien. Eén is speciaal. Het heeft rode Guayavilla besjes die eetbaar zijn. Ik heb ze geproefd. Ze smaken nog lekker ook. Op de terugweg houden we nog eens halt bij de stopplaats naar de cañon. Die kloof is nog anderhalve kilometer kletteren door modder en natte plantengroei. Alvorens er aan te beginnen, klimt de indiaan aan de overzijde van de baan even de helling op. En hij komt onmiddellijk terug. Het loont de moeite niet want de cañon zelf zit nog steeds in de dikke mist. Dan naar de condor eetplaats. Want met het mooie open weer is de kans veel groter om condors te zien. Na een uur wachten geven we het op. Het is duidelijk dat ze elders ergens een smakelijk dierenlijk gevonden hebben. En dat is natuurlijk te verkiezen boven wat armtierig lokhaas. Maar door al dat wachten hebben we wel de kleinere broer van de condors gezien: de gallinaso en de caracara. Geen condors ditmaal dus. Maar dat is niet zo erg, ik heb ze in Perú kunnen bewonderen en het beeld van een klein zweefvlegtuig met een spanwijdte van 3 meter dat met een zoevend geluid razendsnel voorbij zweeft, vergeet ik nooit. Je mag niet vergeten dat het lichaam van een volwassen condor rond en om de 15 kg kan wegen. Terug in Popayan ben ik mijn wasgoed gaan ophalen: 15.000 pesos. Nog minder dan eerst gezegd. Eén tiende van wat ze in het hotel vragen! Ik heb vanavond weer avocado gegeten. Eigenlijk gemiddeld om de twee dagen. En elke keer neem ik een tikkeltje meer. Ik zit nu al een soeplepel. Ze smaken overheerlijk en tot op heden protesteert mijn lichaam niet. Gisterenavond bij de Mexicaan ook aguacate gegeten. Geen probleem. Curieus hé.
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    18-03-2016, 02:30 geschreven door Mark  
    Reacties (0)
    17-03-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Woensdag 16 maart
    16/06 Op zoek naar een restaurant sta ik gisterenavond even stil bij een opmerkelijk gebouw met heel hoge ramen en een heel hoge deur (zeker 4 m). Blijkt een combinatie van kunstgalerij en restaurant. Ik ben zo getroffen door de combinatie dat ik gewoon uit nieuwsgierigheid binnen stap. Ik val van de ene verbazing in de andere. Ik kan het best omschrijven als Axel Vervoort gecombineerd met A. Van Dijck. Schijnbaar achteloos in het rond achtergelaten botst ik een antieke Indische voordeur van 2 bij 3 meter, prachtige antieke juwelen enz. Spijtig dat ik mijn klein fototoestelletje maar bij heb (’s avonds ga ik nooit op wandel met mijn groot toestel – dat is om problemen roepen), maar ik neem toch enkele foto’s en uiteindelijk beslis ik –ondanks de Belgische prijzen hier te blijven eten. Het lukt me nog net. Bijna alle tafels blijken gereserveerd te zijn. Als voorgerecht opteer ik voor een carpaccio van pulpo. Dat was een schot in de roos: de flinterdunne schijfjes inktvis worden geserveerd met enkele zwarte olijven, fijne ui (die met een rode schil – de naam schiet me niet te binnen), pico de gallo (snap ik niet wat het is : ‘puntjes van de haan??), olijfolie, veel peper, koriander en limoensap. Schitterend. Dan zalm met sesamzaadjes in de oven gegaard en licht gele puree. Opnieuw overheerlijk. En dat allemaal te midden van kostebare antiek en een oorverdovend gesjirp van exotische krekels. Vanmorgen om half acht de bus naar Popayan. Goed voor 2 uur. Maar alles loopt in het honderd. De bus vertrekt te laat, in Cali zitten we vast in kilometers lange files. Na een uur is de bus zich nog steeds uit Cali aan het wringen. Als we eindelijk buiten de stad geraken rijden we amper op volle snelheid als we op een wegblokkade botsen. De studenten protesteren omdat de overheid onvoldoende proffen voorziet én.. onvoldoende maaltijden. Blijkbaar verwacht men hier dat de overheid de studenten niet alleen geestelijk maar ook lichamelijk voedt! Na een half uur roepen en gillen maakt het leger de baan terg vrij. Het is middag als ik in Popayan aankom. Bij de hotelkeuze heeft Monica (van het Colombiaans reisbureau) zich even laten gaan. Ze heeft voor het Dann Monasterio gekozen. Een vijfsterren hotel in een 17de eeuws voormalig Franciskanen klooster. Prachtige binnenplaats, mooie ruime kamers (die paters zagen het wel groots zeg) en een zwembad. Bij de check in maakt de balie al onmiddellijk reclame voor een tour naar de Puracé vulkaan. De prijs bedraagt 365.000 pesos. Tiens, denk ik, in de reisdocumentatie van Monica staat bij diezelfde tour een som van 135.000 pesos. Ik moet hier op mijn tellen en mijn centen passen. Ik zeg tegen de balie dat hun prijzen niet kloppen en dat ik sofort mijn reisbureau opbel. Monica bevestigt me dat zij een tour geboekt heeft voor de lage prijs en dat ze in het hotel afzetters zijn. Zij gebruikt het woord ‘ladrones’ (dieven). Ik denk: wacht maar jullie zullen me wel rap leren kennen. Ik vraag vervolgens een formulier voor mijn wasgoed (dat gisteren in Cali niet gewassen geraakt was). Ik tel rap de sommen even na, want met het voorval van de tour vertrouw ik de balie hier voor geen meter. En inderdaad dat spelleke zou me hier 120.000 pesos kosten (normaal 15.000-20.000). Ik bedank haar feestelijk en vraag of zij een lokale lavanderia kent. Dat wicht achter de toog antwoordt me, zo een beetje hautain, dat er in Popayan geen wasserettes zijn. Ik vraag haar lachend of het hotelpersoneel hier misschien de was dan zelf doet. Geen antwoord. Ik ga de straat op en in de eerste de beste tienda (klein winkeltje) vertel ik het verhaal van de exorbitante prijzen van het Monasterio hotel en vraag of zij misschien een wasserette kent. Ja, antwoordt ze, één blok verder is er een. Het hotel laat daar ook zijn was doen. Bingo! Ik heb mijn was daar afgegeven en het zal me 19.000 kosten. Terug aan de balie van het hotel heb ik dat wicht gezegd dat ik intussen weet waar het hotel zijn was laat doen en dat ik de mijne daar ook laat doen. Doodse stilte. Ik sla mijn Footprints open om te bepalen wat ik in welke volgorde ga bezoeken in functie van de openingsuren en-dagen. Wat lees ik bij de commentaar over het Monasterio hotel? Staff can be a bit snooty. Curieus, dat zij dat ook vinden. Zouden de schrijvers van Footprints daar ook hun was willen hebben laten doen? Onze Sebastián Belalcázar (luitenant in Pizarro’s leger) verschijnt terug ten tonele. Vooraleer die man in 1536 Cali stichtte, stichtte hij in hetzelfde jaar ook Popayan. Moet een taai manneke geweest zijn. Quito (Noordelijke hoofdstad van de Inca’s – nu hoofdstad van Ecuador) verlaten, zich door het oerwoud een weg naar het Noorden hakken en onderweg hier en daar een indianenstam decimeren, een plaats vinden om Popayan te stichtten en dan verder trekken door het oerwoud om in hetzelfde jaar een plek te vinden om Cali te stichten. Ieder zijn specialiteit zou ik zo zeggen. Terug naar Popayan. Nadat hij de plaatselijke indianenstam, de Pijao, vakkundig had uitgeroeid, kwam de nederzetting (een huis voor hemzelf en een kapel) onder het toezicht van Quito. Dat is zo gebleven tot het in 1717 onder het bewind van Bogotá kwam. Het is eigenlijk een aangename plek om te verblijven. Het is minder broeïerig heet dan Cali bijvoorbeeld. De koloniale binnenstad is al die eeuwen goed bewaard gebleven tot de aardbeving van maart 1983 de oude binnenstad grotendeels vernielde. Maar… ze hebben met internationale hulp alles weer min of meer historisch correct heropgebouwd, de kasseien straten incluis.. De mensen hier beweren dat, mochten de koloniale Spanjaarden terug komen, zij de stad onmiddellijk zouden herkennen. Veel nieuws vind ik er niet. Maar… in het Natuurmuseum is er een afdeling vogels van Colombia en daar kom ik mijn raadselachtige vogel tegen. Weliswaar in opgezette vorm, maar ik herken mijn maat onmiddellijk. Het blijkt een Burhinus bistratius vocifer te zijn. Lokaal bekend als een Alcaván. Voor de rest valt vooral op dat ALLE huizen wit geschilderd zijn. De deurstijlen en de raamkozijn zijn zwart of donkerbruin. Mooi, proper maar het geeft na verloop van tijd wel een monotoon straatbeeld. Daarna toch even het zwembad gaan uitproberen. AL drijvend denk ik: Monica je hebt dat goed gedaan. Na enkele harde weken (zoals de wel harde tocht naar Ciudad Perdida en andere erg ascetische overnachtingsplaatsen) is een paar dagen in een luxehotel wel een aangename en deugddoende afwisseling. Ne mens kikkert er echt van op. Vanavond eens Mexicaans gaan eten. Niet slecht, maar teveel naast fast food gelegen. De uitbater komt mijn mening vragen. Ik geef ze hem en hij geeft me gelijk. Maar ja zegt ie, dat is wat de jeugd vraagt hé. Hij zal wel gelijk hebben.
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    17-03-2016, 02:32 geschreven door Mark  
    Reacties (0)
    16-03-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Dinsdag 15 maart
    15/05 Vandaag wordt het nog eens een avontuurdag. In Lonely Planet omschrijven ze het als ‘the journey is the destination’. En dat is ook zo. Om 7 uur stap ik in de taxi om mij naar het Westelijk busstation te voeren. Daar neem ik de bus naar San Cipriano. Een rit van 100 km door 2 bergketens: ik rij de uitlopers van de Cordillera Central uit en die van de Cordillera Occidental in. Dat betekent 2,5 slingerende bergwegen, van een aangename 30 graden, over een koele 15 graden om te eindigen op 20 km van de kust van de Stille Oceaan in een broeierig hete Córdoba. Daar stap ik van de bus (die verder rijdt naar Buenaventura) en na wat zoeken vind ik mijn brujita die mij naar San Cipriano zal brengen. San Cipriano is pas in de 18de eeuw ontstaan als nederzetting voor jagers, boomhakkers en goudzoekers. Je ziet de stijl al: een dampend dorpje met allemaal vieze vuile houten krochten, stinkend naar schimmel en vocht. Het dorpje is alleen bereikbaar via een goederenspoor tussen Cali en Buenaventura. Er is geen enkele weg. De lokale mensen verplaatsen zich met een zelf gemaakt transportmiddel, zoals alleen negers dat kunnen. Twee metalen assen met op elk uiteinde een stalen wieltje, een miniversie van een spoorwegwiel , van max 5 cm diameter. En dat pas perfect op de treinrails. Die twee assen zijn bevestigd onder wat houten planken. Daarop staan 2 zaken gemonteerd: een houten zitbankje en een motorfiets. Die moto staat schuin gemonteerd zodat het achterwiel (met een volledig versleten rubberen band) op één spoorrail staat. Als de bestuurder de motor start, draait het achterwiel en dat wiel drijft de hele constructie aan. Dat is een brujita. In een rotvaart en met een oorverdovend lawaai van staal op staal dendert dat monstertje over de ongelijke spoorstaven door de jungle van Córdoba. Merk op: dat ding heeft geen afdoende remmen. Ze kunnen alleen vertragen door gas te minderen. En af en toe komen we op de 10minuten durende dodenrit een tegenligger tegen op hetzelfde spoor. Want er is maar één spoor. Telkenmale lukken de ‘tegenliggers’ erin om op tijd te stoppen en hun discussie (over wie zijn brujita van de rails moet halen) zonder bloedvergieten te beslechten. Ik heb de rit héén en terug overleefd zonder brokken. Madremia! In het dorp pak ik de schrik van mijn leven. Hier wonen 1200 negers in de meest erbarmelijke omstandigheden en ik moet zien dat ik niet overvallen of beroofd wordt. Maar ze zijn eigenlijk erg vriendelijk en ik vind zelfs een gids (of toch iemand die zich daar voor uitgeeft) voor een trektochtje van 1 uur heen en 1 uur terug in de jungle. Bestemming is een waterval. Zoals altijd begint de wandeling aangenaam en zacht. Dan moeten we een rivier doorwaden. Het water is zo een 30 cm diep en de gids stapt daar gewoon door met zijn schoenen aan. Ik doe mijn trekschoenen uit want ik wil geen doorweekte trekschoenen. De keien in de rivierbedding kunnen soms verrekt scherp zijn voor tere Europese voetzooltjes. Dat grapje heeft zich drie maal herhaald, afgewisseld met (weer!) helse klimpartijen in vettige geelbruine modderaarde. Het zweet druipt weer langs mijn dijen naar beneden. Ik kan geen moment genieten van de overweldigende natuur. Vogels of dieren zie ik helemaal niet. Ik heb dan wijselijk beslist dat het welletjes was en ik ben terug gekeerd. Terug in het dorp, biedt de gids me aan om bij zijn moeder te komen middageten. Mijn darmeen krimpen ineen van de schrik, maar ik durf niet neen zeggen en het komt me bovendien inzake timing wel uit. Anders zal ik moet versterving plegen tot makkelijk 17 uur. Ik krijg sancoche soep. Dat valt (voor wat de hygiëne betreft) goed mee. Gloeiend heet. Ik eet ze met smaak op, maar gutst het zweet letterlijk uit al mijn poriën. Net alsof ik in een sauna zit. Intussen zijn een paar klein meisjes met mijn hoed aan het paraderen. Mooi om zien. Op de bus terug naar Cali had ik wel beziens. Ik was druipnat van het zweet en mijn hemd en broek en schoenen hingen vol met geelbruine modder. Maar ik mocht toch mee. Als de bus de stad Cali binnen rijdt, herken ik plots de wijk waar ik gisteren gewandeld heb. Ik vraag om te stoppen en de chauffeur vraagt me met schrikogen of ik mijn weg naar mijn hotel wel ga vinden. Ik knik van ja, stap af en 5 minuten later sta ik aan mijn hotel. Was ik niet afgestapt dan had de bus me naar de terminal gereden (nog 30 minuten gewring door het verkeer) en dan had ik een taxi naar mijn hotel moeten nemen (ook 30 minuten gewring door het verkeer, maar in omgekeerde richting). In het hotel kijken ze verwonderd op: de enkele toeristen die deze trip ondernemen komen uren later aan. Maar ja, dan zijn dan ook geen twee maand op reis door Colombia (en allicht zijn zij wél tot bij de waterval geklommen). De balie vertelt me zo fier als een gieter dat de ws die ik gisterenavond heb afgegeven, al op mijn kamer staat. Zoveel efficiëntie wekt bij mij argwaan op. Ik vind op mijn kamer inderdaad het zakje met vuil goed terug. Het is NIET naar de wasserij geweest. Het is gewoon van de ene balie-ploeg naar de andere gegaan. Dit is Colombia. Morgenvroeg gegarandeerd heisa over de factuur van de wasserij die ze niet terug vinden.
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    16-03-2016, 00:11 geschreven door Mark  
    Reacties (0)
    15-03-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Zondag 13 maart
    13/03 Gisterenavond laat krijg ik een sms dat de vlottentocht van 13 maart niet doorgaat. Officieel omdat er onvoldoende klanten ingeschreven hebben. Volgens de uitbater van mijn hotel omdat er de laatste dagen zoveel hemelwater in de rivier terecht gekomen is, dat een vlottentocht te riskant wordt. En één ding staat vast. Als een Zuid Amerikaan iets niet laat doorgaan wegens te gevaarlijk, dan is het effectief serieus gevaarlijk. Dat is dan de eerste maal dat er iets van mijn programma niet doorgaat. Dat valt nog mee. Ik blijf dan gewoon wat langer in mijn hotel. Enne, anderhalve liter cola met nog wat Imodium werken! Om 10 uur vertrek ik naar Alcalá. Eerst een taxi rit van drie kwartier, dan een eerste bus en tot slot een tweede bus. Mijn trolley is met geen tang meer aan te raken. Van de hardrubberen bodem hangen er flardjes rubber los. Hij lijkt alsof die koffer regelrecht uit oorlogsgebied komt. In Alsalá moet ik een ‘Willy’ nemen. Een aftandse jeep. Ze lukken er opnieuw in om er 13 man in en op te stouwen, waaronder ik. Als grootste van de bende moet ik, samen met nog 4 (!) anderen op de neergeklapte laadklep gaan staan. Vasthouden doen we aan de ijzeren staaf waarover normaal het dekzeil kan gespannen worden. Vooraan naast de chauffeur nemen 2 personen plaats en in de laadbak langs elke kant 3. De kleine bagage wordt tussen en over de benen van 6 ‘zitters’ gekieperd, de grotere stukken (zoals mijn trolley) word op het dak gesjord. Zo hotsen en botsen we zonder ongelukken een half uur lang. Mijn bagage en ik komen ongeschonden ter bestemming aan: Bosque del Saman. Saman is een boomsoort De obligate koffietour (we zitten immers nog steeds in het koffiegebied) regent compleet uit. Ja Armenia. En iedereen maar vertellen hoe mooi de natuur hier wel is. Ik zie alleen een dichtwatergordijn. Vanavond nog eens een ander fruitsapje gekregen: tomate de arbol. Het gaat om gekookt sap van een boomtomaat. Die tomatensoort ziet oranje/geel en is wat ovaalvormig. Het sap heeft dezelfde kleur en het sap dat men eruit haalt is heel lekker. De rest van de maaltijd trekt op niet veel. Spijtig dat ik gisteren de uitgelezen 4-gangen maaltijd heb voorbij moeten laten gaan. Ik moest mijn ingewanden wat rust gunnen. Dat was pech, wreed pech.
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    15-03-2016, 00:57 geschreven door Mark  
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Zaterdag 12 maart
    12/03 Als ik opsta stel ik vast dat ik gisterenavond iets gegeten heb dat niet koosjer was. Binnen het uur al drie toiletbezoeken moeten organiseren. Het moest er eens van komen: 6-7 weken in Zuid Amerika rond trekken een geen buikloop krijgen is bijna ondenkbaar. Enfin ik heb al drie Imodiums binnen. Bij het uitchecken doet het hotel Mirador del Cócora een beetje moeilijk. Ik heb via mijn reisbureau in Bogotá de reservatie gemaakt en het juiste bedrag betaald. Maar mijn reisbureau heeft het hotel viraal ( ‘virtuel’ noemen ze dat hier) betaald. En dan wordt een extra kost van 10% aangerekend. En die 10% ontbreekt. Ik zeg hen dat ik cash betaald heb ( ‘en effectivo’) en dat het hotel mij dus niets kan verwijten en dat zij hun zotte bedoening om extra kosten aan te rekenen voor giraal geld tussen de twee bedrijven maar moeten oplossen. En ik ben vertrokken. Ben benieuwd of dit nog een staartje zal krijgen. De eerste bus brengt me van Salento naar Armenia. Na elke busrit ziet mijn trolley er vuiler en meer gehavend uit. Dan een taxirit naar mijn volgend hoofdkwartier: Hacienda Bambusa. Onderweg realiseer ik me dat Bambusa wel tot de stad Armenia behoort, maar al erg ver op de weg naar Calcedonia ligt. We doen er drie kwartier over. Dat betekent dat ik, om het stadje Armenia te bezoeken, de hele weg terug moet. Een inschattingsfout van mij. Het zij zo. De hacienda is weer een droomhotel in koloniale stijl. Schitterend en helemaal gebouwd in guadua bamboe. Bij de les blijven hé, guadua is de bamboe soort die niet alleen zeer snel groeit (tot 10 cm PER DAG), maar bovendien ijzersterk is. Zo sterk dat men er niet alleen huizen mee kan bouwen, maar ook grote overkoepelingen. Ik heb intussen al overdekte ruimtes gezien met een diameter van 50 meter zonder ook maar één steunpilaar in het midden. Aan het woord (het begint zoals vele indiaanse woorden met ‘gua’ (en die letter g wordt amper uitgesproken) en ergens onderweg op zijn minst nog eens die ‘ua’ klank kan je al afleiden dat ook de indianen de bouwtechnische eigenschappen van deze merkwaardige plant/boom kenden en wisten te appreciëren. Tijdens de welkomceremonie komen de krampen plots terug opzetten. Razendsnel. Ik heb gelukkig een toilet binnen handbereik (letterlijk). Maar ik moet het lichtknopje nog vinden, mijn geldbeugel loskoppelen en één broeksknoop los maken. Dat laatste was er teveel aan. Een drama dat ik zelfs de producent van Deet niet toewens. Samengevat: een hele toiletrol verder en met mijn onderbroek als poetsdoek begin ik er zicht op te krijgen. Tegen ik alles wat op gekuist heb, ben ik het accident gaan opbiechten aan de balie. De geur bleef immers penetrant hangen. Nogal wiedes als men toiletpapier in een emmertje moet deponeren in plaats van door te spoelen. Niet leuk, ik kan het je verzekeren. Maar …plots lijkt mijn inschattingsfout (over de afstanden) heel wat kleiner te worden. Ik zie de horrorscène voor mij, waarbij mij dit zou overkomen zijn op straat, in het midden van een vreemde stad waar ik nog maar een uur ben. De voorzienigheid heeft me een nachtmerrie bespaard. Het geeft me terug moed(t) en ik laat een taxi komen. Het hotel moet vele taxi-maatschappijen opbellen alvorens er een wil komen. En dan duurt het nog een uur voor de auto effectief voor de inrijpoort staat. Hij rijdt me eerst naar de vlindertuin in de Jardin botánico del Quindio. Inkom is 10.000 pesos. Maar dan komt de aap uit de mouw: ik mag niet alleen rondwandelen. Ik moet wachten op de tour van de gids. Als ik niet wil wachten, kan ik een privé gids nemen voor 20.000 pesos extra. Ik begin te discussiëren en na enkele minuten win ik: voor 10.000 pesos mag ik binnen en ik krijg een privé gids, als ik die een fooi geef wel te verstaan. Ik ga akkoord. Het meisje aan de taquila sluit haar venstertje, kruipt onder de toog door, strijkt haar klederen mooi en presenteert zich met een glimlach tot privé gidse. Op en top Zuid-Amerika. Zotte toeren, één grote komedie, maar er komt altijd een oplossing uit de bus. En het bezoek loont de moeite. Heel mooie vlinders. En mijn gidse ratelt als een bandopnemer de meest onmogelijke namen af. Wat vind je bijvoorbeeld van ‘achocolatada’? Ik moet drie keer opnieuw beginnen vooraleer ik dat woord kan distilleren uit de klanken die ze produceert. Vandaar naar het goudmuseum van Armenia. Ook mooi. Net voor ik het museum verlaat, komt de aandrangplots weer opzetten. Ik ren naar het toilet, onderweg alles al losknopend. Ik ben ditmaal net op tijd. Jumenas! Nog meer cola en nog een Imodium. De taximan die me terug naar mijn Hacienda moet voeren, kent de weg niet en moet eerst nog gas gaan tanken. Dankzij mij goed geheugen kan ik me de rit van drie kwartier nog goed herinneren. De omgekeerde wereld: een toerist van de andere kant van de wereld wijst een lokale taximan de weg! En ik moet hem zeggen hoeveel de rit kost, want zijn meter viel onderweg uit.
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    15-03-2016, 00:56 geschreven door Mark  
    Reacties (0)
    12-03-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Vrijdag 11 maart
    11/03 Gisterenavond kom ik terug naar Manizales en in het hotel waar ik voor twee dagen overnacht heb. Ik had toen wasgoed afgegeven en gevraagd om het tegen 10 maart ’s avonds klaar te hebben. Aan de balie wordt me gezegd dat mijn wasgoed op de kamer ligt. Noppes. Ik terug naar beneden. Antwoord twee:’ het komt wat later vanavond’. Ik moet nog eten en nog douchen; dus doe ik dat eerst; Maar als dan blijkt dat mijn wasgoed er nog niet is, krijg ik de ‘webbe’. De dame aan de balie kruipt onder har toog als ze voor de derde maal ziet aankomen; Het is overduidelijk dat ze geen inspiratie meer heeft voor een derde uitvlucht. Vermits zij geen status update kan geven, begin ik tegen haar luidop te denken. Stap 1: we kunnen ervan uit gaan dat de wasserij dit soorten fouten niet maakt; dat kunnen ze zich niet permitteren. Stap 2: het wasgoed slingert waarschijnlijk ergens in dit hotel rond. Stap 3: de meest voor de hand liggende plaats is –volgens mij- in het was klassement van het hotel onder de kamernummer waar ik voordien verbleef. Stap 4: ik denk dat dir numme 404 was. Stap 5: Fräulein, schiet eens uit je sloffen en in actie. En effectief van enkele minuten verschijnt met wasgoed. Iedereen met een triomfantelijke blik van ‘dat hebben we eventjes proper en efficiënt opgelsot. Ze kunnen er maar deugd van hebben. Ik heb mijn wasgoed proper terug gekregen. Inpakken en wegwezen naar Salento. Hiervoor neem ik eerst een taxi (30 min), dan een bus naar Armenia en dan een lokale bus naar Salento. Dat lukt wonderwel en onder een stralende zon stap in Salento van de bus. Mijn hotel heet ‘Mirador de Cocora. Vermis in het dorp geen taxis worden toegestaan, moet ik met al mijn rommel naar boven sleuren. Om 12u staat mijn gids klaar voor een wandeling door het Cocora park. In het eerste stuk van de wandeling wijst hij mij in een boom naar een speciale vogel. Groen op de rug, met gele staartvinnen en een wit nekbandje. Een kanjer van 25 cm groot. Er weg en goed verstopt tussen de takken van de bomen. Ik probeer er het beste van te maken, maar de klik van mijn toestel is voor hem al voldoende om weg te vliegen. Die vlucht heb ik ook, maar wel van wreed ver. Daar heb ik een 500mm telelens nodig. En dat ben ik niet bereid om mee te sleuren. De naam weet de gids ook niet meer. Hij gaat het me laten weten. We zullen zien. Even later komen de dikke wolken weer van de bergen naar beneden gegleden. Een mooizicht: cederplambomen in de mist. Heel fotogeniek. En dan begint het te druppelen, en te regenen en tot slot te gieten. Pijpestelen en cats and dogs allemaal tegelijk. De gids blijft koppig doorklimmen tot 2860 m hoogte want daar staat de Finca de la Montana hut met bloemen waar kolibri’s op af komen. Het is me weer wat: wij klimmen naar boven en het water stroomt langs het klimpad naar beneden. Met flink wat vertraging (de hellingspercentage liggen weer hoger dan goed voor mij is – maar ik voel niets, dus doe ik langzaam voort) kom ik boven aan. Nat als een vis, maar de zondvloed is gestopt.. En dan maar foto’s van hype kinetische kolibries proberen te trekken. Mijn bril zit vol watersteppen en –druppels, mijn hart bontst te veel en te hard, enz. Na een uurtje dalen we terug af met nog twee gratis douches er boven op. Voor het laatste stuk van de terugweg staat een jeep klaar. Daar worden zo maar eventjes 11 man en een ‘Duitse scheper’ volgestouwd. Allemaal kloddernat en volmodder. Spijtig van het weer, want het park is wereldberoemd voor zijn enorme variëteit aan vogels. Ik heb alleen een enorme afwisseling gezien in regendruppels. Uit navraag weet ik intussen dat het weer hier totvoor 14 dagen snikheet was en dat het nu plots omgeslagen is en veel frisser. Het zal wel, ik zit hier met een dikke wintertrui aan.
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    12-03-2016, 03:39 geschreven door Mark  
    Reacties (0)
    11-03-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Donderdag 10 maart
    10/03 Om 6 uur was ik klaar wakker. Ik kan het ook niet helpen. Van de nood maar een deugd gemaakt en naar de vogels gaan kijken. Want zijn aan hun ochtendconcert bezig. Het loont de moeite. Ik heb de Baranquillero (die grote kleurrijke vogel met een verlenging aan zijn staart, zodat het lijkt alsof hij een dubbele staart heeft) in al zijn glorie kunnen bewonderen en fotograferen. Bij het ontbijt krijg ik een granadilla. Een vrucht terug grootte van een eendenei met een oranje schil. Ze snijden het kopje eraf en binnenin zitten kleine lekkere pitjes. Zoals bij een granaatappel maar el fijner van vorm én van smaak. De Hacienda Venecia, waar ik verblijf, bestaat al meer dan 100 jaar. En het is nog steeds een koffieplantage. Toerisme is een bijverdienste. Ze organiseren voor de hotelgasteen dan ook een koffietour. Die neemt 2,5 uur in beslag. De gidse begint uiteraard met het gekende (maar ik was wel de enige die het kende) verhaaltje van de geitenherder in Ethiopië (het land waar de koffieplant vandaan komt), over het monopolie van de Arabieren van Yemen (ze verkochten in Europa alleen de gebrande koffiebonen – zodat de Europeanen geen eigen plantages konden opstarten tot de verspreiding van de koffieplanten over de hele wereld. Blijkt dat Brazilië nog steeds ’s werelds grootste producent is (ik was weer de enige die dat wist), gevolgd door Vietnam en pas op de derde plaats Colombia. Ik wist echter helemaal niet dat het houden van een plantage zo een arbeidsintensief een tijdrovend werk was. De bonen worden één voor één manueel geplant in een plastic containertje onder gecontroleerde omstandigheden. Als de scheut een echt plantje wordt, verpotten ze hem. Maar nog steeds onder gecontroleerde omstandigheden. Pas na een jaar is de plant voldoende sterk om buiten uitgeplant te worden. Dan is het een jaar wachten tot hij bloeit (met kleine witte jasmijngeurige bloempjes. Na enkele dagen vallen die af en aan de voet van de bloemstengel groeit een bes. Eerst groen en als de bes rijp is (na 9 maand) vuurrood. Dan wordt de bes geplukt en gedroogd, ontdaan van de schil om uiteindelijk de 2 koffiebonen binnenin te ‘oogsten’. Die bonen ondergaan opnieuw een proces van drogen en pellen, totdat uiteindelijk grijs/groene koffiebonen overblijven. De eerste keus (zonder afval, of stengeltjes enz) wordt afgezonderd en verkocht als premiumkoffie. Het branden gebeurt in het land van bestemming omdat de voorkeursmaak van elk land verschilt. De tweede keus (met nogal wat afval ertussen) wordt verkocht aan de producenten van oploskoffie.Dat verklaart meteen de rare smaak van oploskoffie. Het hele kweekproces (met de keuze van de grond, het vijfjaarlijks terug snoeien, enz) lijkt sterk op het kweekproces in wijngaarden. Naast die parameters beïnvloeden ook de manier van drogen (door de zon of in een oven), de duur van het fermentatieproces en het roosteren (temperatuur en duurtijd) de finale smaak van de koffie substantieel. Ik heb de verschillen duidelijk geproefd. Terug in de tuin van de Hacienda kan ik mijn gisteren opgelopen vlinderschade ruimschoots ophalen. Het wemelt hier van de vlinders. Tijdens het middagmaal nog eens mijn favoriete fruitdrank: lulo! Vermits ik al over de helft zit (ai, ai), kan ik nu al wat uit eigen ervaring vertellen over het eten in Colombia. Elke regio heeft uiteraard zijn eigen specialiteiten en accenten, maar in grote lijnen gaat het om een boerenkeuken: eerlijk, voedzaam, lekker maar niet verfijnd. En op de accentverschillen na, zit er niet veel variatie in. De helft van het land dat ik intussen doorkruist heb, maakt echte lekkere, hartige soepen (sancoche genoemd). Naar gelang hun keukenvoorraad wordt dat dan een dikke groentesoep, met bonen, alle groenteoverschotjes, een ei en kip; of idem maar met varkensvlees; of … bedenk het zelf maar. Hoofdgerecht voor de grote eters (want de meeste Colombianen stoppen al bij de soep) kunnen dan kiezen voor vis of kip of varken of rund met een weinig rauwe groenten (enkele blaadjes sla, enkele schijfjes tomaat en wat ui ringen. Daarbij yucca, één aardappel en altijd arepa. Arepa is een maiskoek. Dezelfde substantie en smaak als een tortilla in Mexico (nvdr voor niet mexico-kenners: nagenoeg geen dus) , maar kleiner en een pinkje dik. Naargelang de streek verschilt de smaak een heel klein beetje, maar niet veel. Kortom alleen voor kenners. De meeste toeristen lusten het niet. Ik eet het wel, want ik weet dat het een voedzaam goedje is. Aan zee hebben ze lekkere vis stoofpotjes, kleine kreeften (langoustinas noemen zij ze) en allerlei vissoorten. Slechts één herken ik direct: catfish. Hun vissen maken ze klaar zoals wij in West Europa. Erg zacht van smaak dus. Eerlijk, ik mis de Chinese bereidingen van vis. Eigenlijk vind ik de Chinese visbereidingen de beste en de meest logische: vis op zich heeft meestal niet zo veel smaak. Een sterke, maar wel evenwichtige, dosering van kruiden doet wonderen. Tot daar de goede dingen. Nu het minder goede. Colombianen zijn geen zoetebekjes. Neen, ze zijn echt verslaafd aan suiker, in surrealistische hoeveelheden. Onder alle gerechten draaien ze grote hoeveelheden suiker. Dus ook onder vlees, vleessauzen, in verse fruitsappen, zelfs een keer in een vissoep enz. Als ik koffie vraag, moet ik telkenmale duidelijk en nadrukkelijk vragen naar koffie zonder suiker. Bij hen is een standaard koffie al mierenzoet. ‘Tinto’ noemen ze dat. Ook de pistolets zijn zoet (de confituur zit er in een laagje mee ingebakken). Hun nagerechten staan stijf van de suiker en ze zijn er allemaal dol op. Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat suikerziekte een nationale kwaal is en overgewicht een enorm probleem. In één zin samengevat. Ik dacht vroeger dat Botero in zijn jeugd tegen een deur gelopen was en dat hij daarom van extreem corpulente mensen zijn schilder- en beeldhouwmerk gemaakt had. Ik weet nu beter: hij werkte gewoon naar de natuur. De Columbianen spreken vol lof over hun vlees. Ik niet. Wat op je bord verschijnt hangt aan elkaar van de pezen, het is erg dun (3-4 mm) en wordt bovendien nog goed doorbakken. Naar onze normen erg taai en alle smaak is eruit. Ik heb al eens gespecifieerd dat het ‘azul’ moest gebakken worden. Tot mijn grote verrassing was mijn intuïtieve vertaalgok nog correct ook. Het lapje werd door de ober vol afgrijzen op mijn bord gelegd. Toen ik het doorsneed, was het naar Europese normen net iets meer doorbakken dan ‘saignant’. Je hebt het al begrepen, ik heb hier al flink wat vis gegeten.
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    11-03-2016, 03:04 geschreven door Mark  
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Woensdag 9 maart
    9/03 Met het Reserva Ecologica Rio Blanc, Fundación Ecológica Gabriel Arango Restrepo (geef toe, ze hebben er een handje van weg om een klinkende naam uit te denken) had ik gisteren afgesproken dat zij ook voor het transport heen en terug zouden zorgen. En het gebeurt ook zo. Met slechts 10 minuten vertraging –naar Colombiaanse normen is dat eigenlijk té vroeg- verschijnt mijn privé chauffeur. Om 9uur heb ik aan de ingang van het reservaat een afspraak met een gids. En die man is ook te vroeg (dus 9:15u). De tocht door het subtropisch regenwoud van het park is weer betoverend. Zelfs al klimmen we opnieuw naar 2500 meter. Want de zonnestralen die door het dichte bladerdek worden gefilterd, doen me de inspanning vergeten. Ik zie het vochtige woud dampend wakker worden (letterlijk hoor). Het is even fascinerend als langs koraalriffen snorkelen. Ik zie een reeks vogels, maar allemaal exemplaren die ik al ken. Gelukkig dat ik ze in het aviario in Playa Barù in Cartagena in optimale omstandigheden heb kunnen fotograferen, want door het dichte bladerdek is dat eigenlijk onbegonnen werk. Want ik ben niet bereid om mij, zoals David Attenbrough, onder een rieten afdakje gedurende enkele dagen te laten opvreten door dol geworden insecten. Ik ben er intussen vast van overtuigd dat er in Deet suiker zit. Hij of zij die mij niet gelooft, heeft hier nooit 5 minuten stil gezeten. Wat ik met die man of vrouw wil doen, heb ik al verteld. Ik kan alleen maar bevestigen dat de aandrang om mijn wens in daden om te zetten bij elke beet exponentieel groeit. Interessant is wel dat ik het nest van een Baranquilo gezien heb. Het is een vogel die zijn nest uitgraaft IN de grond. Een gang van naar het schijnt twee meter lang. Straf hé. Ik kom ook de varenboom tegen. We kennen hem al heel lang, want ze vinden hem terug bij de fossielen van dino’s. Mijn privé taxi komt met lichte vertraging me oppikken (15 minuten te laat) en hij rijdt me naar de Maniposário. Een vlindertuin in een ‘Recinto del Pensimiento’ (een plaats voor bezinning). Ik kom er om 11:30u aan. Goed op tijd want ik weet dat het boeltje om 14u sluit. Fernando mag weten waarom, maar zo is het. Het duurt niet lang of ik kan aan een Zen-oefening beginnen. Ik mag wel binnen, maar het bezoek kan alleen onder begeleiding van een gids en die man gidst één maal per dag, om 12 uur. Ik ken die streken al langer. Dus draai ik mijn programma om en beslis om eerst iets te gaan eten. Om 12u pünktlich sta ik op de afspraakplaats en we starten met een hele uitleg over alle mogelijke soorten kruidenplanten die ze kweken. De meeste ken ik, dus dwalen mijn gedachten af en plots merk ik –net als gisteren donkere wolken samentrekken in de bergen. Ik maak de gids attent op het naderend onheil, maar die man gaat onverstoord verder met zijn geleuter. Ik zit intussen mijn hart en de rest op te vreten, want gegarandeerd komen we aan de vlindertuin als het pijpenstelen giet en dan vindt je in heel het mariposário geen vlinder. Die houden net als ik alleen van de zon. Van de kruiden gaan we de bloemmetjes en vervolgens stappen we in een stoeltjeslift om de tuin vanuit de lucht te kunnen bewonderen. Ik heb alleen oog voor de wolken die alsmaar dichter komen. Dan komen we in een (namaak) Japanse tuin met veel en (ik geef het ruiterijk toe) erg mooie bonzaï’s, gemaakt van inheemse bomen. Intussen wordt mijn vrees bewaarheid: het giet. Die gids draait, zonder een krimp te geven, zijn plaat verder af. Ik roep in het Nederlands ‘zet die ploat af’, maar het helpt niet. Hij denkt duidelijk dat ik een of andere bonzaï verkeerd benoem. En dan, dan gaan we naar de vlindertuin. De enige attractie die maar zin heeft als de zon schijnt. Hawel, dat is ook Colombia: geen splinter of vonkje tijdsbesef. Tot zijn grote ergernis ben ik daar vééél te lang binnen gebleven. Hij komt me twee keer vragen waarom ik daar blijf. Steevast antwoord ik, met stiff upperlip: ik ben op zoek naar vlinders; want daar voor kom ik naar hier. Mijn koppigheid loont, uiteindelijk gaat ie met mij op zoek naar een vlinder die niet ondergedoken is. En hij vindt er ene met doorzichtige vleugels. Heel mooi. Ik vind het een goed compromis en samen stappen we verder in de gietende regen. Gelukkig zakt de temperatuur dit maal niet. Terug naar mijn hotel om mijn bagage op te pikken. Onderweg vraagt hij mij of ik al transport heb naar mijn volgende bestemming: Hacienda Venecia (een gerenoveerde koffieplantage). Ik vertel hem dat Monica (de bazin van mijn reisbureau) mij heeft aangeraden dat traject met een privé chauffeur te doen, wegens te gecompliceerd (zeker met mijn bagage). Blijkt nu dat ik precies die man mij naar mijn hotel voert. Wat een meevaller zeg! Ik spreek een prijs af om me naar de Hacienda te voeren en morgenmiddag terug naar Manizales. Oeps allemaal geregeld in minuten. Ook dat is Colombia! Als we het domein binnen rijden, valt mijn mond open. Monica heeft weer goed gekozen. In een pracht van een domein staat een volledig gerenoveerde koffie hacienda in koloniale stijl, met voor de veranda een zwembad. In het domeinen lopen 7 pauwen vrij rond. De vogeltjes kwetteren rond mijn oren. Schitterend. Het bevalt me hier zo goed, dat ik met mijn chauffeur de afspraak wijzig. Hij moet me niet ’s middags maar ’s avonds komen halen. Dat is het bijkomend voordeel van een (uiteraard flink wat duurdere) privé chauffeur in plaats van een lokale bus. En het rendeert! Een kwartier later zwem ik rustig wat rond bij een aangename 30 graden met een pauw die me vanop twee meter in het oog houdt. Zalig.
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    11-03-2016, 03:03 geschreven door Mark  
    Reacties (0)
    Archief per week
  • 11/04-17/04 2016
  • 04/04-10/04 2016
  • 28/03-03/04 2016
  • 21/03-27/03 2016
  • 14/03-20/03 2016
  • 07/03-13/03 2016
  • 29/02-06/03 2016
  • 22/02-28/02 2016
  • 15/02-21/02 2016
  • 08/02-14/02 2016
  • 01/02-07/02 2016
  • 25/01-31/01 2016
  • 18/01-24/01 2016
  • 29/11-05/12 -0001
    E-mail mij

    Druk op onderstaande knop om mij te e-mailen.

    Gastenboek

    Druk op onderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek

    Blog als favoriet !

    Blog tegen de wet? Klik hier.
    Gratis blog op https://www.bloggen.be - Meer blogs