18/03
Vanmorgen hangen er niet alleen boven de bergen wolken. De hemel is helemaal bewolkt. Ik besluit om geen tweede maal naar het natuurpark op en rond de vulkaan Puracé te gaan. Ik opteer voor een bezoekje aan het bergdorpje Silvia. Een klein niemendalletje 50 km Noordoost van Popayan. Vooral bekend om zijn dinsdagmarkt, waar flink wat indianen van het Ecuadoriaanse Otovalo (tiens, tiens, jaren geleden ben ik naar de markt in Otovalo geweest ik reis te veel dat is duidelijk). Ik lig er dan ook niet van wakker dat het vandaag vrijdag is. We zien wel.
Silvia ligt een stuk hoger in de bergen. Tijdens de rit voel ik de temperatuur zakken. We zitten duidelijk weer boven de 3.000 meter. Dat is de enige maatstaf die ik heb, want van de hoogte op zich heb ik eigenlijk geen enkele last: ik kan snel stappen, trappen vormen geen probleem en een beetje klimmen gaat ook ongemerkt. Pas boven de 4.000 meter trap ik op mijn adem. Niet slecht voor nen ouwen pé, al zeg ik het zelf.
In het busstation zoek ik even naar de juiste bus (remember: het gaat altijd over tientallen verschillende bussen en busjes [busetas noemen ze die hier]). Een indiaan (un indígeno wordt zo iemand hier ietwat denigrerend genoemd) maakt me duidelijk dat ik weer te ongeduldig ben: busje komt zo. Onderweg raken we aan de praat. Hij noemt zich chabier (xavier voor ons) en hij nodigt me uit om naar zijn dorpje Misak te komen, een eindje buiten Silvia. Ik hap direct toe, want tot op heden heb ik nog geen enkel dorp van indígenas kunnen bezoeken. Ze sluiten zichzelf doelbewust sterk af. Ik hap onmiddellijk toe.
Op de Plaza Mayor van Silvia zie ik dat de lokale Guambianos wel een heel typische en opvallende kledij dragen. De mannen lopen rond in een zwart hemd met overlangs een fuchsia bies ter hoogte van hun borstkas en een lange rok (ja ja) in diepblauw met een fuchsia boordje. De vrouwen dragen nagenoeg het spiegelbeeld: een blauwe cape met fuchsia bies en een fuchsia rok of een zwarte rok met een fuchsia bies en een platte strooien hoed.
We nemen een Willie (zo een afgedankte jeep) waar ik met een 5 vrouwen, twee babys en mijn gids vriendelijk maar onverbiddelijk wordt ingeperst. Een kwartier later stappen we uit, maar ik zie geen dorp. Enkel een paar kleine heel propere huisjes en in de velden, ver van elkaar, nog wat huisjes. Wat me opvalt is dat alles vrij proper en net is. Ik word binnen geleid in een grote houten hal met een diameter van ca 40 meter met allemaal plastic stoeltjes rond een brandend kampvuur. Rechts van het grote voor (balken van 15 cm diameter gaan in rook op) zitten de notabelen van d stam. Duidelijk herkenbaar aan hun houten staf met zilveren knop. Er gaat een politieke meeting beginnen over de verdediging van de belangen van de indianen. Iemand komt naar mij en vraagt hoe ik hier geraakt ben. Ik vertel hem het verhaal en de indiaan kijkt me recht in de ogen en zegt: jij hebt moed en durf. Wees welkom. Hier ben je veilig en hij biedt me een kop maissoep aan. Slik.
De moderator spreekt in de lokale taal (het Wampiaans of zoiets). Het lijkt op Chinees. Dan volgt de nationale indianenhymne. Ik versta er niets van, maar iedereen staat recht en de typische ritmische trom is prominent aanwezig. Dan komt de eerste spreker. Het is een doorwinterde politica. Het valt me onmiddellijk op omdat ze traag spreekt en duidelijk articuleert en af en toe een cruciale zin herhaalt. Ik kan verdorie haar hele speech goed volgen. Haar stelling is dat zowel kapitalisme als communisme voor de indianengemeenschap een pest is omdat geen van beide systemen eerbied tonen voor Pacha Mama (moeder aarde). Wie wel eerbied toont voor de natuur, heeft eerbied voor zijn evenmens en leeft in vrede en geluk. Die zit wel goed raak zeg. Dan gaat ze verder over de corruptie en het kwaad waartegen de indianen een strategie moeten ontwikkelen. Want de toekomst wordt een gevecht om water en wij (de indianen) hebben in ons grondgebied de páramo (die spons die het nationaal waterreservoir van Colombia is). Maar de federale regering heeft een deel van de watervoorraad van onze páramo verkocht aan Coca Cola. Dat kan niet. Daar moeten we iets aan doen, enz. Ik schrik me een hoedje.Want een koude douche. Dan komt spreker nummer twee met de uitleg over de vooruitgang in de vredesonderhandelingen tussen de regering en het Farc. Blijkbaar zijn ze het al over een hele reeks heikele punten eens: het Farc mag een politieke partij worden die aan de verkiezingen deelneemt en die verkozen in het Parlement kan brengen, de FARC-jeugd moet een gedegen opleiding en vorming krijgen om het re-integratieproces te bevorderen; zware FARC bandieten (moordenaars bv) moeten be- en eventueel veroordeeld worden door een Waarheidscommissie (Zuid Afrika is erg dichtbij hier). Over de vergoeding voor de schade en de moorden die het FARC begaan heeft is er nog geen oplossing. Ze zijn er duidelijk nog niet uit, zo te horen. Ja wadde. Ik zit hier midden in een politieke meeting over de meest heikele themas binnen Colombia. En ze weten van wanten. Want in de speech van onze politica haalt ze twee maal aan dat er zelfs een delegatie van België aanwezig is. Ik zie de hele gemeenschap naar mij kijken. Nogal wiedes. Ik ben de enige die niet in het blauw gekleed is. Ik besluit dat het tijd wordt om de meeting te verlaten. Maar verdorie, dat is wel wat anders dan op een condor te zitten wachten!
Eens buiten besef ik dat ik daar helemaal alleen sta, enkele bergkilometers van de bewoonde wereld in een onooglijk door god vergeten dorpje van enkele honderden inwoners. Ik begin de weg af te stappen die ik op de heenrit met een Willie gedaan heb (een goed geheugen is op reis altijd heel praktisch). Nog geen twintig meter en een aftandse auto stopt en een blauwgerokte indiaan vraagt me of ik naar Silvia moet. Ik stap in en een kwartier later sta ik terug in de bewoonde wereld. Kostprijs: 1.000 pesos ofte 30 cent. Voor 7000 pesos wil hij me ook in een trek naar Popayan rijden. Maar ja, waar gaat ie me droppen in die miljoenstad. Ik verkies dus bus die me naar de terminal in Popayan voert en vandaar ken ik de weg naar mijn hotel.
Terug in Popayan merk ik dat de sfeer voor Semana Santa aan het opborrelen is. Het is hoog tijd dat ik hier vertrek. Want naar het schijnt vergaat horen en zien hier dan, zeker voor de mensen die hier wonen en slapen!
17/03
Vulkaandag vandaag. Om 6:30u komt een ingehuurde gids me oppikken. En verdorie die man is op tijd! Die moet een beetje ziek zijn, dat kan niet anders verklaard worden. Samen met een free lance fotograaf (die onder andere ook voor National Geographic reportages heeft gemaakt en dus een full frame gebruikt) rijden we naar het zoveelste natuurpark. Als ik me niet vergis heeft Colombia er meer dan 60! Dit exemplaar heet Puracé, naar de naam van de vulkaan (4646 m hoog en nog steeds actief) in het gebied. Het parkje omvat 86.600 hectares en dat zit vol met waterhoudende planten en mossen. Dat heet dus páramo. Dat die planten water vasthouden is duidelijk. Als ik er op duw, stroomt het water eruit net als bij een spons. We zitten 3.200m hoogte. Het is dan ook niet te verwonderen dat dit hét waterreservoir is van gans Colombia. Bewijs: hier ontspringen de 4 grootste rivieren van het land: Magdalena, Cauca, Caquetá en Patia. Elk is een paar Scheldestromen waard. Het hele park wordt bewaakt door indianen. Er komt geen politieagent of guerillero binnen. Zij weten allebei dat ze hun leven riskeren. En je verstoppen in die wildernis heeft geen enkele zin. Die indianen kennen elk plekje waar je je kan verschuilen. Niemand maakt geen schijn van kans. Het gebied is dan volkomen veilig is. En de overheid vindt dit een goed compromis. Je kan er alleen grenzeloos in verloren lopen.
Mijn eerste taak als ik opsta is naar de bergen kijken. En daar hangt niebla en neblado (mist en bewolkt), dus beslis ik wijselijk mijn zware camera ditmaal niet mee te nemen. De stress om dat toestel in de gutsende regen droog te houden is te groot. Ik heb al twee keer zo een natte frats mee gemaakt met mijn camera in een plastic gewikkeld, omdat mijn rugzakje en regenhoes samen niet bestand blijken te zijn tegen Colombiaanse zondvloeden. Ik wil dat geen derde keer mee maken. Ik neem dus mijn klein panasonicske mee, een trui en mijn regenjas. Naarmate we klimmen wordt de mist dikker en de regen harder. Wel speciaal moet ik toegeven en ik kan mooie sfeerfotos maken. Het valt me onmiddellijk op dat zowel de prof als ik fotos nemen van dezelfde dingen ongeveer vanop dezelfde plaats. Straf hé. Maar daar eindigt het parallellisme. Van elk onderwerp neemt ie makkelijk 10 verschillende fotos (dus met andere instellingen), met statief en met speciale filters. Het verschil is verbluffend. Ik besef nu dat ik aan een maximum zit. Als ik me wil verbeteren, moet ik een grens overschrijden die ik niet wil oversteken). Het zal dus blijven wat het nu is.
Vermits hij ook een Nikon heeft, vraag ik hem of hij geen problemen heeft met de scherpstelling. Zijn antwoord is bevestigend. Maar voegt hij er aan toe, als de focus faalt wordt dat negen kansen op tien veroorzaakt door te weinig licht. Met full frame lenzen is het probleem veel kleiner. Dat klopt want ik heb intussen ook al opgemerkt dat met het gebruik van de flits het focusprobleem beduidend kleiner wordt.
Eerste stopplaats is een rots punt die over een ravijn uitsteekt. De gids legt er lokaas en strooit bloed kwistig rond. En dan hoeven we maar op de condors die hier enkele jaren geleden teug zijn uitgezet en het blijkbaar goed naar hun zin hebben want ze nesten. Na een half uur zegt de gids dat er teveel mist en teveel regen is, kortom geen weer om een condor door te jagen. Volgende stop is een zicht op een cañon. Maar ja, met dat weer zie je daar niets van. Volgende stop is wel een succes. Het stopt met regenen en het klaart pop. Op de flanken van de Puracé vulkaan zijn er verschillende bronnen van solferhoudend water. Sommigen warm, andere koud. De kleur van het water verschilt van beek tot beek: oranje, groen, wil, geel en blauw. En stinken man, adembenemend. En dat moet letterlijk opgevat worden. Bij de grootste en warmste bron (32°) staat vermeld dat je er niet mag in baden. Vorig jaar is er een volwassen man in verdronken. Hij was er op zijn eentje gaan in baden en raakte bedwelmd door de giftige solferdampen. Hij is kopje onder gegaan zonder het te beseffen. In die barre klimaatomstandigheden groeien er verdorie nog planten die bloeien. Eén is speciaal. Het heeft rode Guayavilla besjes die eetbaar zijn. Ik heb ze geproefd. Ze smaken nog lekker ook.
Op de terugweg houden we nog eens halt bij de stopplaats naar de cañon. Die kloof is nog anderhalve kilometer kletteren door modder en natte plantengroei. Alvorens er aan te beginnen, klimt de indiaan aan de overzijde van de baan even de helling op. En hij komt onmiddellijk terug. Het loont de moeite niet want de cañon zelf zit nog steeds in de dikke mist. Dan naar de condor eetplaats. Want met het mooie open weer is de kans veel groter om condors te zien. Na een uur wachten geven we het op. Het is duidelijk dat ze elders ergens een smakelijk dierenlijk gevonden hebben. En dat is natuurlijk te verkiezen boven wat armtierig lokhaas. Maar door al dat wachten hebben we wel de kleinere broer van de condors gezien: de gallinaso en de caracara. Geen condors ditmaal dus. Maar dat is niet zo erg, ik heb ze in Perú kunnen bewonderen en het beeld van een klein zweefvlegtuig met een spanwijdte van 3 meter dat met een zoevend geluid razendsnel voorbij zweeft, vergeet ik nooit. Je mag niet vergeten dat het lichaam van een volwassen condor rond en om de 15 kg kan wegen.
Terug in Popayan ben ik mijn wasgoed gaan ophalen: 15.000 pesos. Nog minder dan eerst gezegd. Eén tiende van wat ze in het hotel vragen!
Ik heb vanavond weer avocado gegeten. Eigenlijk gemiddeld om de twee dagen. En elke keer neem ik een tikkeltje meer. Ik zit nu al een soeplepel. Ze smaken overheerlijk en tot op heden protesteert mijn lichaam niet. Gisterenavond bij de Mexicaan ook aguacate gegeten. Geen probleem. Curieus hé.
16/06
Op zoek naar een restaurant sta ik gisterenavond even stil bij een opmerkelijk gebouw met heel hoge ramen en een heel hoge deur (zeker 4 m). Blijkt een combinatie van kunstgalerij en restaurant. Ik ben zo getroffen door de combinatie dat ik gewoon uit nieuwsgierigheid binnen stap. Ik val van de ene verbazing in de andere. Ik kan het best omschrijven als Axel Vervoort gecombineerd met A. Van Dijck. Schijnbaar achteloos in het rond achtergelaten botst ik een antieke Indische voordeur van 2 bij 3 meter, prachtige antieke juwelen enz. Spijtig dat ik mijn klein fototoestelletje maar bij heb (s avonds ga ik nooit op wandel met mijn groot toestel dat is om problemen roepen), maar ik neem toch enkele fotos en uiteindelijk beslis ik ondanks de Belgische prijzen hier te blijven eten. Het lukt me nog net. Bijna alle tafels blijken gereserveerd te zijn. Als voorgerecht opteer ik voor een carpaccio van pulpo. Dat was een schot in de roos: de flinterdunne schijfjes inktvis worden geserveerd met enkele zwarte olijven, fijne ui (die met een rode schil de naam schiet me niet te binnen), pico de gallo (snap ik niet wat het is : puntjes van de haan??), olijfolie, veel peper, koriander en limoensap. Schitterend. Dan zalm met sesamzaadjes in de oven gegaard en licht gele puree. Opnieuw overheerlijk. En dat allemaal te midden van kostebare antiek en een oorverdovend gesjirp van exotische krekels.
Vanmorgen om half acht de bus naar Popayan. Goed voor 2 uur. Maar alles loopt in het honderd. De bus vertrekt te laat, in Cali zitten we vast in kilometers lange files. Na een uur is de bus zich nog steeds uit Cali aan het wringen. Als we eindelijk buiten de stad geraken rijden we amper op volle snelheid als we op een wegblokkade botsen. De studenten protesteren omdat de overheid onvoldoende proffen voorziet én.. onvoldoende maaltijden. Blijkbaar verwacht men hier dat de overheid de studenten niet alleen geestelijk maar ook lichamelijk voedt! Na een half uur roepen en gillen maakt het leger de baan terg vrij. Het is middag als ik in Popayan aankom. Bij de hotelkeuze heeft Monica (van het Colombiaans reisbureau) zich even laten gaan. Ze heeft voor het Dann Monasterio gekozen. Een vijfsterren hotel in een 17de eeuws voormalig Franciskanen klooster. Prachtige binnenplaats, mooie ruime kamers (die paters zagen het wel groots zeg) en een zwembad.
Bij de check in maakt de balie al onmiddellijk reclame voor een tour naar de Puracé vulkaan. De prijs bedraagt 365.000 pesos. Tiens, denk ik, in de reisdocumentatie van Monica staat bij diezelfde tour een som van 135.000 pesos. Ik moet hier op mijn tellen en mijn centen passen. Ik zeg tegen de balie dat hun prijzen niet kloppen en dat ik sofort mijn reisbureau opbel. Monica bevestigt me dat zij een tour geboekt heeft voor de lage prijs en dat ze in het hotel afzetters zijn. Zij gebruikt het woord ladrones (dieven). Ik denk: wacht maar jullie zullen me wel rap leren kennen. Ik vraag vervolgens een formulier voor mijn wasgoed (dat gisteren in Cali niet gewassen geraakt was). Ik tel rap de sommen even na, want met het voorval van de tour vertrouw ik de balie hier voor geen meter. En inderdaad dat spelleke zou me hier 120.000 pesos kosten (normaal 15.000-20.000). Ik bedank haar feestelijk en vraag of zij een lokale lavanderia kent. Dat wicht achter de toog antwoordt me, zo een beetje hautain, dat er in Popayan geen wasserettes zijn. Ik vraag haar lachend of het hotelpersoneel hier misschien de was dan zelf doet. Geen antwoord. Ik ga de straat op en in de eerste de beste tienda (klein winkeltje) vertel ik het verhaal van de exorbitante prijzen van het Monasterio hotel en vraag of zij misschien een wasserette kent. Ja, antwoordt ze, één blok verder is er een. Het hotel laat daar ook zijn was doen. Bingo! Ik heb mijn was daar afgegeven en het zal me 19.000 kosten. Terug aan de balie van het hotel heb ik dat wicht gezegd dat ik intussen weet waar het hotel zijn was laat doen en dat ik de mijne daar ook laat doen. Doodse stilte.
Ik sla mijn Footprints open om te bepalen wat ik in welke volgorde ga bezoeken in functie van de openingsuren en-dagen. Wat lees ik bij de commentaar over het Monasterio hotel? Staff can be a bit snooty. Curieus, dat zij dat ook vinden. Zouden de schrijvers van Footprints daar ook hun was willen hebben laten doen?
Onze Sebastián Belalcázar (luitenant in Pizarros leger) verschijnt terug ten tonele. Vooraleer die man in 1536 Cali stichtte, stichtte hij in hetzelfde jaar ook Popayan. Moet een taai manneke geweest zijn. Quito (Noordelijke hoofdstad van de Incas nu hoofdstad van Ecuador) verlaten, zich door het oerwoud een weg naar het Noorden hakken en onderweg hier en daar een indianenstam decimeren, een plaats vinden om Popayan te stichtten en dan verder trekken door het oerwoud om in hetzelfde jaar een plek te vinden om Cali te stichten. Ieder zijn specialiteit zou ik zo zeggen.
Terug naar Popayan. Nadat hij de plaatselijke indianenstam, de Pijao, vakkundig had uitgeroeid, kwam de nederzetting (een huis voor hemzelf en een kapel) onder het toezicht van Quito. Dat is zo gebleven tot het in 1717 onder het bewind van Bogotá kwam. Het is eigenlijk een aangename plek om te verblijven. Het is minder broeïerig heet dan Cali bijvoorbeeld. De koloniale binnenstad is al die eeuwen goed bewaard gebleven tot de aardbeving van maart 1983 de oude binnenstad grotendeels vernielde. Maar ze hebben met internationale hulp alles weer min of meer historisch correct heropgebouwd, de kasseien straten incluis.. De mensen hier beweren dat, mochten de koloniale Spanjaarden terug komen, zij de stad onmiddellijk zouden herkennen. Veel nieuws vind ik er niet. Maar in het Natuurmuseum is er een afdeling vogels van Colombia en daar kom ik mijn raadselachtige vogel tegen. Weliswaar in opgezette vorm, maar ik herken mijn maat onmiddellijk. Het blijkt een Burhinus bistratius vocifer te zijn. Lokaal bekend als een Alcaván. Voor de rest valt vooral op dat ALLE huizen wit geschilderd zijn. De deurstijlen en de raamkozijn zijn zwart of donkerbruin. Mooi, proper maar het geeft na verloop van tijd wel een monotoon straatbeeld.
Daarna toch even het zwembad gaan uitproberen. AL drijvend denk ik: Monica je hebt dat goed gedaan. Na enkele harde weken (zoals de wel harde tocht naar Ciudad Perdida en andere erg ascetische overnachtingsplaatsen) is een paar dagen in een luxehotel wel een aangename en deugddoende afwisseling. Ne mens kikkert er echt van op. Vanavond eens Mexicaans gaan eten. Niet slecht, maar teveel naast fast food gelegen. De uitbater komt mijn mening vragen. Ik geef ze hem en hij geeft me gelijk. Maar ja zegt ie, dat is wat de jeugd vraagt hé. Hij zal wel gelijk hebben.
15/05
Vandaag wordt het nog eens een avontuurdag. In Lonely Planet omschrijven ze het als the journey is the destination. En dat is ook zo.
Om 7 uur stap ik in de taxi om mij naar het Westelijk busstation te voeren. Daar neem ik de bus naar San Cipriano. Een rit van 100 km door 2 bergketens: ik rij de uitlopers van de Cordillera Central uit en die van de Cordillera Occidental in. Dat betekent 2,5 slingerende bergwegen, van een aangename 30 graden, over een koele 15 graden om te eindigen op 20 km van de kust van de Stille Oceaan in een broeierig hete Córdoba. Daar stap ik van de bus (die verder rijdt naar Buenaventura) en na wat zoeken vind ik mijn brujita die mij naar San Cipriano zal brengen.
San Cipriano is pas in de 18de eeuw ontstaan als nederzetting voor jagers, boomhakkers en goudzoekers. Je ziet de stijl al: een dampend dorpje met allemaal vieze vuile houten krochten, stinkend naar schimmel en vocht. Het dorpje is alleen bereikbaar via een goederenspoor tussen Cali en Buenaventura. Er is geen enkele weg. De lokale mensen verplaatsen zich met een zelf gemaakt transportmiddel, zoals alleen negers dat kunnen. Twee metalen assen met op elk uiteinde een stalen wieltje, een miniversie van een spoorwegwiel , van max 5 cm diameter. En dat pas perfect op de treinrails. Die twee assen zijn bevestigd onder wat houten planken. Daarop staan 2 zaken gemonteerd: een houten zitbankje en een motorfiets. Die moto staat schuin gemonteerd zodat het achterwiel (met een volledig versleten rubberen band) op één spoorrail staat. Als de bestuurder de motor start, draait het achterwiel en dat wiel drijft de hele constructie aan. Dat is een brujita.
In een rotvaart en met een oorverdovend lawaai van staal op staal dendert dat monstertje over de ongelijke spoorstaven door de jungle van Córdoba. Merk op: dat ding heeft geen afdoende remmen. Ze kunnen alleen vertragen door gas te minderen. En af en toe komen we op de 10minuten durende dodenrit een tegenligger tegen op hetzelfde spoor. Want er is maar één spoor. Telkenmale lukken de tegenliggers erin om op tijd te stoppen en hun discussie (over wie zijn brujita van de rails moet halen) zonder bloedvergieten te beslechten. Ik heb de rit héén en terug overleefd zonder brokken. Madremia!
In het dorp pak ik de schrik van mijn leven. Hier wonen 1200 negers in de meest erbarmelijke omstandigheden en ik moet zien dat ik niet overvallen of beroofd wordt. Maar ze zijn eigenlijk erg vriendelijk en ik vind zelfs een gids (of toch iemand die zich daar voor uitgeeft) voor een trektochtje van 1 uur heen en 1 uur terug in de jungle. Bestemming is een waterval. Zoals altijd begint de wandeling aangenaam en zacht. Dan moeten we een rivier doorwaden. Het water is zo een 30 cm diep en de gids stapt daar gewoon door met zijn schoenen aan. Ik doe mijn trekschoenen uit want ik wil geen doorweekte trekschoenen. De keien in de rivierbedding kunnen soms verrekt scherp zijn voor tere Europese voetzooltjes. Dat grapje heeft zich drie maal herhaald, afgewisseld met (weer!) helse klimpartijen in vettige geelbruine modderaarde. Het zweet druipt weer langs mijn dijen naar beneden. Ik kan geen moment genieten van de overweldigende natuur. Vogels of dieren zie ik helemaal niet. Ik heb dan wijselijk beslist dat het welletjes was en ik ben terug gekeerd.
Terug in het dorp, biedt de gids me aan om bij zijn moeder te komen middageten. Mijn darmeen krimpen ineen van de schrik, maar ik durf niet neen zeggen en het komt me bovendien inzake timing wel uit. Anders zal ik moet versterving plegen tot makkelijk 17 uur. Ik krijg sancoche soep. Dat valt (voor wat de hygiëne betreft) goed mee. Gloeiend heet. Ik eet ze met smaak op, maar gutst het zweet letterlijk uit al mijn poriën. Net alsof ik in een sauna zit. Intussen zijn een paar klein meisjes met mijn hoed aan het paraderen. Mooi om zien.
Op de bus terug naar Cali had ik wel beziens. Ik was druipnat van het zweet en mijn hemd en broek en schoenen hingen vol met geelbruine modder. Maar ik mocht toch mee. Als de bus de stad Cali binnen rijdt, herken ik plots de wijk waar ik gisteren gewandeld heb. Ik vraag om te stoppen en de chauffeur vraagt me met schrikogen of ik mijn weg naar mijn hotel wel ga vinden. Ik knik van ja, stap af en 5 minuten later sta ik aan mijn hotel. Was ik niet afgestapt dan had de bus me naar de terminal gereden (nog 30 minuten gewring door het verkeer) en dan had ik een taxi naar mijn hotel moeten nemen (ook 30 minuten gewring door het verkeer, maar in omgekeerde richting). In het hotel kijken ze verwonderd op: de enkele toeristen die deze trip ondernemen komen uren later aan. Maar ja, dan zijn dan ook geen twee maand op reis door Colombia (en allicht zijn zij wél tot bij de waterval geklommen). De balie vertelt me zo fier als een gieter dat de ws die ik gisterenavond heb afgegeven, al op mijn kamer staat. Zoveel efficiëntie wekt bij mij argwaan op. Ik vind op mijn kamer inderdaad het zakje met vuil goed terug. Het is NIET naar de wasserij geweest. Het is gewoon van de ene balie-ploeg naar de andere gegaan. Dit is Colombia. Morgenvroeg gegarandeerd heisa over de factuur van de wasserij die ze niet terug vinden.
13/03
Gisterenavond laat krijg ik een sms dat de vlottentocht van 13 maart niet doorgaat. Officieel omdat er onvoldoende klanten ingeschreven hebben. Volgens de uitbater van mijn hotel omdat er de laatste dagen zoveel hemelwater in de rivier terecht gekomen is, dat een vlottentocht te riskant wordt. En één ding staat vast. Als een Zuid Amerikaan iets niet laat doorgaan wegens te gevaarlijk, dan is het effectief serieus gevaarlijk. Dat is dan de eerste maal dat er iets van mijn programma niet doorgaat. Dat valt nog mee. Ik blijf dan gewoon wat langer in mijn hotel. Enne, anderhalve liter cola met nog wat Imodium werken!
Om 10 uur vertrek ik naar Alcalá. Eerst een taxi rit van drie kwartier, dan een eerste bus en tot slot een tweede bus. Mijn trolley is met geen tang meer aan te raken. Van de hardrubberen bodem hangen er flardjes rubber los. Hij lijkt alsof die koffer regelrecht uit oorlogsgebied komt. In Alsalá moet ik een Willy nemen. Een aftandse jeep. Ze lukken er opnieuw in om er 13 man in en op te stouwen, waaronder ik. Als grootste van de bende moet ik, samen met nog 4 (!) anderen op de neergeklapte laadklep gaan staan. Vasthouden doen we aan de ijzeren staaf waarover normaal het dekzeil kan gespannen worden. Vooraan naast de chauffeur nemen 2 personen plaats en in de laadbak langs elke kant 3. De kleine bagage wordt tussen en over de benen van 6 zitters gekieperd, de grotere stukken (zoals mijn trolley) word op het dak gesjord. Zo hotsen en botsen we zonder ongelukken een half uur lang. Mijn bagage en ik komen ongeschonden ter bestemming aan: Bosque del Saman. Saman is een boomsoort
De obligate koffietour (we zitten immers nog steeds in het koffiegebied) regent compleet uit. Ja Armenia. En iedereen maar vertellen hoe mooi de natuur hier wel is. Ik zie alleen een dichtwatergordijn.
Vanavond nog eens een ander fruitsapje gekregen: tomate de arbol. Het gaat om gekookt sap van een boomtomaat. Die tomatensoort ziet oranje/geel en is wat ovaalvormig. Het sap heeft dezelfde kleur en het sap dat men eruit haalt is heel lekker. De rest van de maaltijd trekt op niet veel. Spijtig dat ik gisteren de uitgelezen 4-gangen maaltijd heb voorbij moeten laten gaan. Ik moest mijn ingewanden wat rust gunnen. Dat was pech, wreed pech.
12/03
Als ik opsta stel ik vast dat ik gisterenavond iets gegeten heb dat niet koosjer was. Binnen het uur al drie toiletbezoeken moeten organiseren. Het moest er eens van komen: 6-7 weken in Zuid Amerika rond trekken een geen buikloop krijgen is bijna ondenkbaar. Enfin ik heb al drie Imodiums binnen.
Bij het uitchecken doet het hotel Mirador del Cócora een beetje moeilijk. Ik heb via mijn reisbureau in Bogotá de reservatie gemaakt en het juiste bedrag betaald. Maar mijn reisbureau heeft het hotel viraal ( virtuel noemen ze dat hier) betaald. En dan wordt een extra kost van 10% aangerekend. En die 10% ontbreekt. Ik zeg hen dat ik cash betaald heb ( en effectivo) en dat het hotel mij dus niets kan verwijten en dat zij hun zotte bedoening om extra kosten aan te rekenen voor giraal geld tussen de twee bedrijven maar moeten oplossen. En ik ben vertrokken. Ben benieuwd of dit nog een staartje zal krijgen.
De eerste bus brengt me van Salento naar Armenia. Na elke busrit ziet mijn trolley er vuiler en meer gehavend uit. Dan een taxirit naar mijn volgend hoofdkwartier: Hacienda Bambusa. Onderweg realiseer ik me dat Bambusa wel tot de stad Armenia behoort, maar al erg ver op de weg naar Calcedonia ligt. We doen er drie kwartier over. Dat betekent dat ik, om het stadje Armenia te bezoeken, de hele weg terug moet. Een inschattingsfout van mij. Het zij zo.
De hacienda is weer een droomhotel in koloniale stijl. Schitterend en helemaal gebouwd in guadua bamboe. Bij de les blijven hé, guadua is de bamboe soort die niet alleen zeer snel groeit (tot 10 cm PER DAG), maar bovendien ijzersterk is. Zo sterk dat men er niet alleen huizen mee kan bouwen, maar ook grote overkoepelingen. Ik heb intussen al overdekte ruimtes gezien met een diameter van 50 meter zonder ook maar één steunpilaar in het midden. Aan het woord (het begint zoals vele indiaanse woorden met gua (en die letter g wordt amper uitgesproken) en ergens onderweg op zijn minst nog eens die ua klank kan je al afleiden dat ook de indianen de bouwtechnische eigenschappen van deze merkwaardige plant/boom kenden en wisten te appreciëren. Tijdens de welkomceremonie komen de krampen plots terug opzetten. Razendsnel. Ik heb gelukkig een toilet binnen handbereik (letterlijk). Maar ik moet het lichtknopje nog vinden, mijn geldbeugel loskoppelen en één broeksknoop los maken. Dat laatste was er teveel aan. Een drama dat ik zelfs de producent van Deet niet toewens. Samengevat: een hele toiletrol verder en met mijn onderbroek als poetsdoek begin ik er zicht op te krijgen. Tegen ik alles wat op gekuist heb, ben ik het accident gaan opbiechten aan de balie. De geur bleef immers penetrant hangen. Nogal wiedes als men toiletpapier in een emmertje moet deponeren in plaats van door te spoelen. Niet leuk, ik kan het je verzekeren. Maar plots lijkt mijn inschattingsfout (over de afstanden) heel wat kleiner te worden. Ik zie de horrorscène voor mij, waarbij mij dit zou overkomen zijn op straat, in het midden van een vreemde stad waar ik nog maar een uur ben. De voorzienigheid heeft me een nachtmerrie bespaard. Het geeft me terug moed(t) en ik laat een taxi komen. Het hotel moet vele taxi-maatschappijen opbellen alvorens er een wil komen. En dan duurt het nog een uur voor de auto effectief voor de inrijpoort staat. Hij rijdt me eerst naar de vlindertuin in de Jardin botánico del Quindio. Inkom is 10.000 pesos. Maar dan komt de aap uit de mouw: ik mag niet alleen rondwandelen. Ik moet wachten op de tour van de gids. Als ik niet wil wachten, kan ik een privé gids nemen voor 20.000 pesos extra. Ik begin te discussiëren en na enkele minuten win ik: voor 10.000 pesos mag ik binnen en ik krijg een privé gids, als ik die een fooi geef wel te verstaan. Ik ga akkoord. Het meisje aan de taquila sluit haar venstertje, kruipt onder de toog door, strijkt haar klederen mooi en presenteert zich met een glimlach tot privé gidse. Op en top Zuid-Amerika. Zotte toeren, één grote komedie, maar er komt altijd een oplossing uit de bus. En het bezoek loont de moeite. Heel mooie vlinders. En mijn gidse ratelt als een bandopnemer de meest onmogelijke namen af. Wat vind je bijvoorbeeld van achocolatada? Ik moet drie keer opnieuw beginnen vooraleer ik dat woord kan distilleren uit de klanken die ze produceert.
Vandaar naar het goudmuseum van Armenia. Ook mooi. Net voor ik het museum verlaat, komt de aandrangplots weer opzetten. Ik ren naar het toilet, onderweg alles al losknopend. Ik ben ditmaal net op tijd. Jumenas! Nog meer cola en nog een Imodium.
De taximan die me terug naar mijn Hacienda moet voeren, kent de weg niet en moet eerst nog gas gaan tanken. Dankzij mij goed geheugen kan ik me de rit van drie kwartier nog goed herinneren. De omgekeerde wereld: een toerist van de andere kant van de wereld wijst een lokale taximan de weg! En ik moet hem zeggen hoeveel de rit kost, want zijn meter viel onderweg uit.
11/03
Gisterenavond kom ik terug naar Manizales en in het hotel waar ik voor twee dagen overnacht heb. Ik had toen wasgoed afgegeven en gevraagd om het tegen 10 maart s avonds klaar te hebben. Aan de balie wordt me gezegd dat mijn wasgoed op de kamer ligt. Noppes. Ik terug naar beneden. Antwoord twee: het komt wat later vanavond. Ik moet nog eten en nog douchen; dus doe ik dat eerst; Maar als dan blijkt dat mijn wasgoed er nog niet is, krijg ik de webbe. De dame aan de balie kruipt onder har toog als ze voor de derde maal ziet aankomen; Het is overduidelijk dat ze geen inspiratie meer heeft voor een derde uitvlucht.
Vermits zij geen status update kan geven, begin ik tegen haar luidop te denken.
Stap 1: we kunnen ervan uit gaan dat de wasserij dit soorten fouten niet maakt; dat kunnen ze zich niet permitteren.
Stap 2: het wasgoed slingert waarschijnlijk ergens in dit hotel rond.
Stap 3: de meest voor de hand liggende plaats is volgens mij- in het was klassement van het hotel onder de kamernummer waar ik voordien verbleef.
Stap 4: ik denk dat dir numme 404 was.
Stap 5: Fräulein, schiet eens uit je sloffen en in actie. En effectief van enkele minuten verschijnt met wasgoed. Iedereen met een triomfantelijke blik van dat hebben we eventjes proper en efficiënt opgelsot. Ze kunnen er maar deugd van hebben. Ik heb mijn wasgoed proper terug gekregen.
Inpakken en wegwezen naar Salento. Hiervoor neem ik eerst een taxi (30 min), dan een bus naar Armenia en dan een lokale bus naar Salento. Dat lukt wonderwel en onder een stralende zon stap in Salento van de bus. Mijn hotel heet Mirador de Cocora. Vermis in het dorp geen taxis worden toegestaan, moet ik met al mijn rommel naar boven sleuren.
Om 12u staat mijn gids klaar voor een wandeling door het Cocora park. In het eerste stuk van de wandeling wijst hij mij in een boom naar een speciale vogel. Groen op de rug, met gele staartvinnen en een wit nekbandje. Een kanjer van 25 cm groot. Er weg en goed verstopt tussen de takken van de bomen. Ik probeer er het beste van te maken, maar de klik van mijn toestel is voor hem al voldoende om weg te vliegen. Die vlucht heb ik ook, maar wel van wreed ver. Daar heb ik een 500mm telelens nodig. En dat ben ik niet bereid om mee te sleuren. De naam weet de gids ook niet meer. Hij gaat het me laten weten. We zullen zien.
Even later komen de dikke wolken weer van de bergen naar beneden gegleden. Een mooizicht: cederplambomen in de mist. Heel fotogeniek. En dan begint het te druppelen, en te regenen en tot slot te gieten. Pijpestelen en cats and dogs allemaal tegelijk. De gids blijft koppig doorklimmen tot 2860 m hoogte want daar staat de Finca de la Montana hut met bloemen waar kolibris op af komen. Het is me weer wat: wij klimmen naar boven en het water stroomt langs het klimpad naar beneden. Met flink wat vertraging (de hellingspercentage liggen weer hoger dan goed voor mij is maar ik voel niets, dus doe ik langzaam voort) kom ik boven aan. Nat als een vis, maar de zondvloed is gestopt.. En dan maar fotos van hype kinetische kolibries proberen te trekken. Mijn bril zit vol watersteppen en druppels, mijn hart bontst te veel en te hard, enz. Na een uurtje dalen we terug af met nog twee gratis douches er boven op. Voor het laatste stuk van de terugweg staat een jeep klaar. Daar worden zo maar eventjes 11 man en een Duitse scheper volgestouwd. Allemaal kloddernat en volmodder. Spijtig van het weer, want het park is wereldberoemd voor zijn enorme variëteit aan vogels. Ik heb alleen een enorme afwisseling gezien in regendruppels. Uit navraag weet ik intussen dat het weer hier totvoor 14 dagen snikheet was en dat het nu plots omgeslagen is en veel frisser. Het zal wel, ik zit hier met een dikke wintertrui aan.
10/03
Om 6 uur was ik klaar wakker. Ik kan het ook niet helpen. Van de nood maar een deugd gemaakt en naar de vogels gaan kijken. Want zijn aan hun ochtendconcert bezig. Het loont de moeite. Ik heb de Baranquillero (die grote kleurrijke vogel met een verlenging aan zijn staart, zodat het lijkt alsof hij een dubbele staart heeft) in al zijn glorie kunnen bewonderen en fotograferen.
Bij het ontbijt krijg ik een granadilla. Een vrucht terug grootte van een eendenei met een oranje schil. Ze snijden het kopje eraf en binnenin zitten kleine lekkere pitjes. Zoals bij een granaatappel maar el fijner van vorm én van smaak.
De Hacienda Venecia, waar ik verblijf, bestaat al meer dan 100 jaar. En het is nog steeds een koffieplantage. Toerisme is een bijverdienste. Ze organiseren voor de hotelgasteen dan ook een koffietour. Die neemt 2,5 uur in beslag. De gidse begint uiteraard met het gekende (maar ik was wel de enige die het kende) verhaaltje van de geitenherder in Ethiopië (het land waar de koffieplant vandaan komt), over het monopolie van de Arabieren van Yemen (ze verkochten in Europa alleen de gebrande koffiebonen zodat de Europeanen geen eigen plantages konden opstarten tot de verspreiding van de koffieplanten over de hele wereld. Blijkt dat Brazilië nog steeds s werelds grootste producent is (ik was weer de enige die dat wist), gevolgd door Vietnam en pas op de derde plaats Colombia.
Ik wist echter helemaal niet dat het houden van een plantage zo een arbeidsintensief een tijdrovend werk was. De bonen worden één voor één manueel geplant in een plastic containertje onder gecontroleerde omstandigheden. Als de scheut een echt plantje wordt, verpotten ze hem. Maar nog steeds onder gecontroleerde omstandigheden. Pas na een jaar is de plant voldoende sterk om buiten uitgeplant te worden. Dan is het een jaar wachten tot hij bloeit (met kleine witte jasmijngeurige bloempjes. Na enkele dagen vallen die af en aan de voet van de bloemstengel groeit een bes. Eerst groen en als de bes rijp is (na 9 maand) vuurrood. Dan wordt de bes geplukt en gedroogd, ontdaan van de schil om uiteindelijk de 2 koffiebonen binnenin te oogsten. Die bonen ondergaan opnieuw een proces van drogen en pellen, totdat uiteindelijk grijs/groene koffiebonen overblijven. De eerste keus (zonder afval, of stengeltjes enz) wordt afgezonderd en verkocht als premiumkoffie. Het branden gebeurt in het land van bestemming omdat de voorkeursmaak van elk land verschilt. De tweede keus (met nogal wat afval ertussen) wordt verkocht aan de producenten van oploskoffie.Dat verklaart meteen de rare smaak van oploskoffie.
Het hele kweekproces (met de keuze van de grond, het vijfjaarlijks terug snoeien, enz) lijkt sterk op het kweekproces in wijngaarden. Naast die parameters beïnvloeden ook de manier van drogen (door de zon of in een oven), de duur van het fermentatieproces en het roosteren (temperatuur en duurtijd) de finale smaak van de koffie substantieel. Ik heb de verschillen duidelijk geproefd.
Terug in de tuin van de Hacienda kan ik mijn gisteren opgelopen vlinderschade ruimschoots ophalen. Het wemelt hier van de vlinders. Tijdens het middagmaal nog eens mijn favoriete fruitdrank: lulo!
Vermits ik al over de helft zit (ai, ai), kan ik nu al wat uit eigen ervaring vertellen over het eten in Colombia. Elke regio heeft uiteraard zijn eigen specialiteiten en accenten, maar in grote lijnen gaat het om een boerenkeuken: eerlijk, voedzaam, lekker maar niet verfijnd. En op de accentverschillen na, zit er niet veel variatie in. De helft van het land dat ik intussen doorkruist heb, maakt echte lekkere, hartige soepen (sancoche genoemd). Naar gelang hun keukenvoorraad wordt dat dan een dikke groentesoep, met bonen, alle groenteoverschotjes, een ei en kip; of idem maar met varkensvlees; of bedenk het zelf maar. Hoofdgerecht voor de grote eters (want de meeste Colombianen stoppen al bij de soep) kunnen dan kiezen voor vis of kip of varken of rund met een weinig rauwe groenten (enkele blaadjes sla, enkele schijfjes tomaat en wat ui ringen. Daarbij yucca, één aardappel en altijd arepa. Arepa is een maiskoek. Dezelfde substantie en smaak als een tortilla in Mexico (nvdr voor niet mexico-kenners: nagenoeg geen dus) , maar kleiner en een pinkje dik. Naargelang de streek verschilt de smaak een heel klein beetje, maar niet veel. Kortom alleen voor kenners. De meeste toeristen lusten het niet. Ik eet het wel, want ik weet dat het een voedzaam goedje is.
Aan zee hebben ze lekkere vis stoofpotjes, kleine kreeften (langoustinas noemen zij ze) en allerlei vissoorten. Slechts één herken ik direct: catfish. Hun vissen maken ze klaar zoals wij in West Europa. Erg zacht van smaak dus. Eerlijk, ik mis de Chinese bereidingen van vis. Eigenlijk vind ik de Chinese visbereidingen de beste en de meest logische: vis op zich heeft meestal niet zo veel smaak. Een sterke, maar wel evenwichtige, dosering van kruiden doet wonderen. Tot daar de goede dingen.
Nu het minder goede. Colombianen zijn geen zoetebekjes. Neen, ze zijn echt verslaafd aan suiker, in surrealistische hoeveelheden. Onder alle gerechten draaien ze grote hoeveelheden suiker. Dus ook onder vlees, vleessauzen, in verse fruitsappen, zelfs een keer in een vissoep enz. Als ik koffie vraag, moet ik telkenmale duidelijk en nadrukkelijk vragen naar koffie zonder suiker. Bij hen is een standaard koffie al mierenzoet. Tinto noemen ze dat. Ook de pistolets zijn zoet (de confituur zit er in een laagje mee ingebakken). Hun nagerechten staan stijf van de suiker en ze zijn er allemaal dol op. Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat suikerziekte een nationale kwaal is en overgewicht een enorm probleem. In één zin samengevat. Ik dacht vroeger dat Botero in zijn jeugd tegen een deur gelopen was en dat hij daarom van extreem corpulente mensen zijn schilder- en beeldhouwmerk gemaakt had. Ik weet nu beter: hij werkte gewoon naar de natuur. De Columbianen spreken vol lof over hun vlees. Ik niet. Wat op je bord verschijnt hangt aan elkaar van de pezen, het is erg dun (3-4 mm) en wordt bovendien nog goed doorbakken. Naar onze normen erg taai en alle smaak is eruit. Ik heb al eens gespecifieerd dat het azul moest gebakken worden. Tot mijn grote verrassing was mijn intuïtieve vertaalgok nog correct ook. Het lapje werd door de ober vol afgrijzen op mijn bord gelegd. Toen ik het doorsneed, was het naar Europese normen net iets meer doorbakken dan saignant. Je hebt het al begrepen, ik heb hier al flink wat vis gegeten.
9/03
Met het Reserva Ecologica Rio Blanc, Fundación Ecológica Gabriel Arango Restrepo (geef toe, ze hebben er een handje van weg om een klinkende naam uit te denken) had ik gisteren afgesproken dat zij ook voor het transport heen en terug zouden zorgen. En het gebeurt ook zo. Met slechts 10 minuten vertraging naar Colombiaanse normen is dat eigenlijk té vroeg- verschijnt mijn privé chauffeur. Om 9uur heb ik aan de ingang van het reservaat een afspraak met een gids. En die man is ook te vroeg (dus 9:15u). De tocht door het subtropisch regenwoud van het park is weer betoverend. Zelfs al klimmen we opnieuw naar 2500 meter. Want de zonnestralen die door het dichte bladerdek worden gefilterd, doen me de inspanning vergeten. Ik zie het vochtige woud dampend wakker worden (letterlijk hoor). Het is even fascinerend als langs koraalriffen snorkelen. Ik zie een reeks vogels, maar allemaal exemplaren die ik al ken. Gelukkig dat ik ze in het aviario in Playa Barù in Cartagena in optimale omstandigheden heb kunnen fotograferen, want door het dichte bladerdek is dat eigenlijk onbegonnen werk. Want ik ben niet bereid om mij, zoals David Attenbrough, onder een rieten afdakje gedurende enkele dagen te laten opvreten door dol geworden insecten. Ik ben er intussen vast van overtuigd dat er in Deet suiker zit. Hij of zij die mij niet gelooft, heeft hier nooit 5 minuten stil gezeten. Wat ik met die man of vrouw wil doen, heb ik al verteld. Ik kan alleen maar bevestigen dat de aandrang om mijn wens in daden om te zetten bij elke beet exponentieel groeit. Interessant is wel dat ik het nest van een Baranquilo gezien heb. Het is een vogel die zijn nest uitgraaft IN de grond. Een gang van naar het schijnt twee meter lang. Straf hé. Ik kom ook de varenboom tegen. We kennen hem al heel lang, want ze vinden hem terug bij de fossielen van dinos.
Mijn privé taxi komt met lichte vertraging me oppikken (15 minuten te laat) en hij rijdt me naar de Maniposário. Een vlindertuin in een Recinto del Pensimiento (een plaats voor bezinning). Ik kom er om 11:30u aan. Goed op tijd want ik weet dat het boeltje om 14u sluit. Fernando mag weten waarom, maar zo is het. Het duurt niet lang of ik kan aan een Zen-oefening beginnen. Ik mag wel binnen, maar het bezoek kan alleen onder begeleiding van een gids en die man gidst één maal per dag, om 12 uur. Ik ken die streken al langer. Dus draai ik mijn programma om en beslis om eerst iets te gaan eten. Om 12u pünktlich sta ik op de afspraakplaats en we starten met een hele uitleg over alle mogelijke soorten kruidenplanten die ze kweken. De meeste ken ik, dus dwalen mijn gedachten af en plots merk ik net als gisteren donkere wolken samentrekken in de bergen. Ik maak de gids attent op het naderend onheil, maar die man gaat onverstoord verder met zijn geleuter. Ik zit intussen mijn hart en de rest op te vreten, want gegarandeerd komen we aan de vlindertuin als het pijpenstelen giet en dan vindt je in heel het mariposário geen vlinder. Die houden net als ik alleen van de zon. Van de kruiden gaan we de bloemmetjes en vervolgens stappen we in een stoeltjeslift om de tuin vanuit de lucht te kunnen bewonderen. Ik heb alleen oog voor de wolken die alsmaar dichter komen. Dan komen we in een (namaak) Japanse tuin met veel en (ik geef het ruiterijk toe) erg mooie bonzaïs, gemaakt van inheemse bomen. Intussen wordt mijn vrees bewaarheid: het giet. Die gids draait, zonder een krimp te geven, zijn plaat verder af. Ik roep in het Nederlands zet die ploat af, maar het helpt niet. Hij denkt duidelijk dat ik een of andere bonzaï verkeerd benoem. En dan, dan gaan we naar de vlindertuin. De enige attractie die maar zin heeft als de zon schijnt. Hawel, dat is ook Colombia: geen splinter of vonkje tijdsbesef. Tot zijn grote ergernis ben ik daar vééél te lang binnen gebleven. Hij komt me twee keer vragen waarom ik daar blijf. Steevast antwoord ik, met stiff upperlip: ik ben op zoek naar vlinders; want daar voor kom ik naar hier. Mijn koppigheid loont, uiteindelijk gaat ie met mij op zoek naar een vlinder die niet ondergedoken is. En hij vindt er ene met doorzichtige vleugels. Heel mooi. Ik vind het een goed compromis en samen stappen we verder in de gietende regen. Gelukkig zakt de temperatuur dit maal niet.
Terug naar mijn hotel om mijn bagage op te pikken. Onderweg vraagt hij mij of ik al transport heb naar mijn volgende bestemming: Hacienda Venecia (een gerenoveerde koffieplantage). Ik vertel hem dat Monica (de bazin van mijn reisbureau) mij heeft aangeraden dat traject met een privé chauffeur te doen, wegens te gecompliceerd (zeker met mijn bagage). Blijkt nu dat ik precies die man mij naar mijn hotel voert. Wat een meevaller zeg! Ik spreek een prijs af om me naar de Hacienda te voeren en morgenmiddag terug naar Manizales. Oeps allemaal geregeld in minuten. Ook dat is Colombia!
Als we het domein binnen rijden, valt mijn mond open. Monica heeft weer goed gekozen. In een pracht van een domein staat een volledig gerenoveerde koffie hacienda in koloniale stijl, met voor de veranda een zwembad. In het domeinen lopen 7 pauwen vrij rond. De vogeltjes kwetteren rond mijn oren. Schitterend. Het bevalt me hier zo goed, dat ik met mijn chauffeur de afspraak wijzig. Hij moet me niet s middags maar s avonds komen halen. Dat is het bijkomend voordeel van een (uiteraard flink wat duurdere) privé chauffeur in plaats van een lokale bus. En het rendeert! Een kwartier later zwem ik rustig wat rond bij een aangename 30 graden met een pauw die me vanop twee meter in het oog houdt. Zalig.
08/03
Voor de eerste maal op deze reis heb ik een tafeltje om mijn laptop op te zetten. Alle vorige hotelkamers moest ik het toetel op mijn knieën zetten. Wat een luxe zeg!
Gisteren de hele dag geklommen als berggeit, zonder enig probleem. Gisterenavond in de metro terug naar mijn hotel, voel ik plots de bloeddruk in mijn hart sterk verminderen. Ik weet dat ik dan gewoon even moet gaan zitten en dat gaat het vanzelf over. Maar de metro zit en staat en hangt stamvol. Ik kan niet gaan zitten. In halte Poblano moet ik eruit, maar daar moet ik een 30 treden naar boven. Ik kan mijn ritme niet zelf bepalen, de massa duwt me gewoon voort. En dat belooft niet veel goeds. Als ik boven aankom, breekt het onweer los en val ik ei zo na flauw. Gelukkig vind ik daar in een hoekje een veilig plekje om te gaan zitten. Ik heb er een half uur gewacht, mijmerend hoe dat nu te rijmen valt. Ik begrijp er niets van. Soit, deze morgen was het over.
Vandaag vertrek ik naar Manizales. Maar eerst ga ik nog een poging wagen om het Etnografische Museum van Medellin te bezoeken. Het gaat al om 8 uur open. Ik kan er met wet geluk nog net naar toe alvorens om 10 u mijn hotel definitief te verlaten. En het lukt. Weliswaar naar Colombiaans uur (8:15u en hij vind dat ik hem afjaag), maar het lukt. En het loont de moeite. Er staan mooie originele pluimenkronen, schitterend vaatwerk enz. Ik heb er anderhalf uur rond gelopen. Alhoewel de inkom gratis was (ik had het aan de inkom gevraagd), word ik bij het buiten gaan onderschept en vriendelijk maar met aandrang gevraagd toch een donatie te doen. Niets is wat het lijkt in dit land: een ja kan na enkele minuten een neen worden en omgekeerd.
Nog rap wat over de geschiedenis van Medellin. In 1541 raken de Spanjaarden in de vallei (die ze Valle de Aburrá noemen). Ze ligt op 1500 m hoogte. Maar tot begin de 17 eeuw gebeurt er eigenlijk niets, op enkele sporadische neringdoeners na. De vallei wordt genoemd naar San Larenzo de Aburrá, de stichter van de stad. Op de plaats waar nu de wijk Poblano ligt en waar ik 4 dagen verbleven heb. De nederzetting kreeg de titel van Stad in 1675 van Koningin Maria van Oostenrijk en ze werd genoemd naar Don Pedro Portocarrero y Luna, Count of Medellin. Pas in het begin van de 20ste eeuw kwam er vaart achter de explosieve groei van de stad. Eerst met de koffie, daarna met de textiel en dan de kindjes. Want immigratie komt hier nagenoeg niet voor. Allemaal noeste eigen arbeid.
Ik vind op tijd mijn bus. Als ik instap is het al een bakoven en er is geen airco. En ze vertrekt met een kwartier vertraging om 10:45u. Intussen wordt het binnen warmer en heter. Dat belooft voor een rit van 4 uur en een half (voor 150 km). Het is ook zo. Maar toch zie ik het positie fin. Ik ben erin gelukt om al die dagen niet bestolen, overvallen of beroofd te worden. Niet slecht voor een stad als Medellin!
Onderweg zie ik langs de baan rare verkeersborden. Zoals wij in Europa waarschuwingsborden hebben voor koeien op de baan, heb ik borden gezien met een tapir, een vos en ook een met eekhoorns! Als ik om 16 uur (let op de doorlooptijd!) in Manizales aankom, voel ik me gekookt en gebraden tegelijk. De stad is vrij jong (19de eeuw), ligt op 2150 m hoogte als een lange sliert tegen de erg steile bergenflanken aan. En de stad is in het verleden al meermaals geteisterd door serieuze aardbevingen. Van de oude stad is niets meer te zien en de verkeersinfrastructuur is hier een regelrechte ramp. De straten in de stad zijn enorm steil, sommigen hebben een stijgingspercentage van meer dan 20%, ik heb er zelfs een tegen gekomen, van 30 %. Dat is niet meer klimmen, dan is bijna kruipen!
In mijn hotel moet ik proberen om nog een reservering vast te krijgen voor een bezoek aan het Ecologisch Park van Rio Blanco. De doorlooptijd bedraagt 3 uur, maar rond 8 uur s avonds krijg een telefoon van de lokale gids. En hopla de afspraak is geregeld, transport incluis. En dat is essentieel. Want naar zo een afgelegen plek rijden vormt nooit een probleem. Maar terug geraken is wat anders, want daar zwermen de taxis niet rond als mosquitos. Dat is dus mijn eerst oplossing en reservatie die ik telefonisch in het Spaans voor mekaar heb gekregen. Ruth zal wel verstaan wat ik hiermee precies bedoel.
Intussen is hier een onweer gepasseerd en de temperatuur is voelbaar gezakt. Ik zit duidelijk in een andere klimaatzone: Armenia. Ik besef nu hoe sterk ik intussen geacclimatiseerd ben. De temperatuur is, zo schat ik, gezakt naar 25 graden. En ik heb mijn dikke winterflies aan gedaan (zo doet die ook nog eens dienst, want ik sleur daar nu al de hele reis mee). Ik ril van de kou. Alles is relatief.
07/03
Bij het ontbijt realiseer ik me dat ik gisteren meer dan 300 km Zuidoost heb gereisd en daarvoor taxi, metro en bus heb genomen zonder een stadsplan te raadplegen. Medellin is met zijn 12-13 miljoen inwoners toch niet van de kleinsten.
Ik ga dat vandaag nog eens over doen, maar dan Noordwest. Eerst 2 uur bus naar la Piedra del Peñol. Een granieten rotsblok van dik 200 meter hoog, die daar plomp verloren naast de Rionegro staat of ligt. In de rots is een barst, net breed genoeg om er een trapje van 649 treden in te bouwen. Als ik aan de voet van dat steentje naar boven kijk, zakt de moed in mijn schoenen. Is dit wel verantwoord? Maar als ik de Botero mensen in wording zie, begin ik er ook maar aan. Na 100 treden (ze zijn mooi per 50 genummerd) heb ik de indruk dat de mensen wel bewegen maar niet klimmen. Ze puffen en hijgen vooral. Ik klim ze op mijn gemak voorbij. Tegen dat ik aan trede 300 zit, ben ik (weer) helemaal alleen. Voor mij hoor ik niets of niemand, achter mij alleen gehijg. Als ik boven aan kom, ben ik duidelijk de eerste van de dag: ze zijn de vloer nog aan het vegen! Voor de lol, die ik ook het restant van de treden in de vuurtoren en inderdaad. Hier is geen levende ziel te bespeuren. Ik kijk op mijn uurwerk: 17 minuten heb ik nodig gehad om de 737 treden te nemen. In Footprints zeggen ze dat je er 30 minuten moet voor uit trekken. Blijkbaar heeft die dodentocht naar Ciudad Perdida mijn conditie nog wat aangescherpt!
Dan even naar het dorpje wat verderop: Guatapé. Bekend in Colombia omdat alle huizen hun zocalos mooi beschilderd hebben. In tegenstelling tot Mexico betekent zocalo hier niet Grote Markt, maar wel het 40-50 cm hoog stenen muurtje waarop de (houten) muren van de huizen werden opgetrokken. Sommigen zijn gewoon naïef, anderen zijn kleine kunstwerkjes. Daarna terug 2 uur bus, terug naar Medellin. In het enorme busstation moet ik snel het juiste loket vinden (want elk loket heeft zijn specifieke bestemmingen en er zijn meer dan 40 loketten). Het zit me mee en 10 minuten later zit ik met het juiste ticket op de juiste bus voor een rit van anderhalf uur naar Santa Fe de Antioquia. In 1541 gesticht als eerste goudstadje en het heeft zijn koloniale charmes goed weten te bewaren. Het loont de moeite. Een Colombiaans Brugge zowaar. Ik moet er wel bij vertellen dat het in een nauw dal licht. De temperatuur ligt hier dan ook weer boven de 40 graden. Zweten jongens, jongens toch. Om half zeven s avonds sta ik in Medellin in het metrostation dicht bij mijn hotel. En dan breekt er een regenwolk in twee. Voor de eerste maal maak ik het hier mee: een zondvloed. Gelukkig duurt zo een spektakel niet lang. Maar ik blijf er telkens verwonderd van opkijken dat na zo een onweer de temperatuur NIET zakt. Alles blijft zoals het was: heet.
Enne, het is me weer gelukt. Een hele dag ettelijke honderd kilometers rond gereisd met verschillende transportmiddelen en ik heb geen enkele maal mijn kaart hoeven te raadplegen.
06/03
Vandaag voor de verandering eens extra vroeg opgestaan. Om 5 uur. Want ik wil de bus van 6:30u halen aan de Noordkant van de stad. En dat is, zelfs op een zondagmorgen, makkelijk 40 minuten rijden. Alles klopt en m 9:30u stap ik van de bus aan het natuurreservaat van Rio Claro. Aan dit traject van 3uur rijden (voor 150 km) hangt weer een verhaal vast. Tot begin de jaren 1960 was dit gebied vrij onbekend terrein. In 1964 organiseert een jaguar een serieuze slachtpartij onder het vee van boer Eduardo Betancourt, kilometers hier vandaan. Onze Ward is zo kwaad dat hij die kater eens op zijn bakkes zal gaan slaan. Hij voegt daad bij het woord en gewapend met zijn zevenschot volgt hij het spoor van de jaguar. Zes weken aan een stuk jaagt hij dat beest op, zich een weg banend door onherbergzaam terrein. Tot hij plots aan een voor hem onbekende cañon komt die, naarmate hij erin vordert, steeds maar smaller wordt en waarvan de wanden alsmaar steiler en zelfs overhangend worden, met overal grote grotten. Plots realiseert onze Ward zich dat de jaguar leper is dan hij dacht. Dat beest ziet hem, maar hij ziet de jaguar niet en het dier lokt hem langzaam in de fuik van de cañon naar een plaats waar hij (het beest) hem (onze Ward) vanop een overhangende rots kan overvallen en doden. Met andere woorden, de man wordt bejaagd niet de jaguar! De boer komt tot inzicht zoals men dat pleegt te noemen en besluit dat een strategische terugtocht allicht de beste en zelfs de enige oplossing is om hier levend uit te geraken.
Terug in de bewoonde wereld vertelt de boer aan Juan Guillermo Garcés, zijn baas en grootgrondbezitter, over het bestaan van die cañon. De man vindt het interessant moet wil nadenken. Dat kan in Colombia soms wat tijd in beslag nemen. Ook zo hier. Hij schiet pas in actie na zeven (!) jaar als hij verneemt dat de overheid de bouw van een verbindingsweg plant tussen Medellin en Bogotá. De ingenieur die de infrastructuurwerken moet voorbereiden, overvliegt het gebied met een helikopter op zoek naar een geschikte plaats om de Rio Claro te overbruggen. Ook hij vindt de cañon. Samen met zijn broer en de boer Betancourt trekt hij erop uit om de cañon met eigen ogen te gaan bekijken. Twee dagen lang hakken ze zich een weg door het Tropisch Regenwoud en, zoals meestal in onontgonnen gebied, moeten ze een vlot bouwen om via de Rio Claro de Cañon te bereiken Ze verblijven er meerdere weken en Garcia raakt onder de indruk van de enorme biodiversiteit in de kloof. En als grootgrondbezitter beslist hij, om de rijkdom van de cañon te vrijwaren, er een natuurpark van te maken. Naar men beweert, het eerste in Colombia.
Nu wordt het helemaal schoon. 20 kilometer verder staat de hacienda Nápoles, één van de buitenhuisjes van onze vriend Pablo Escobar. Het was binnen heel Colombia bekend omwille van het wildpark dat hij er had aangelegd (naast een vliegveld met een landingsbaan groot genoeg om een 747 te laten landen en opstijgen). Zijn privé zoo met veel wilde dieren stelde onze Pablito gratis open voor het grote publiek. De wilde dieren werden per vliegtuig aangevoerd en de drugs werden in enorme hoeveelheden per vliegtuig uitgevoerd. Toen Pablos rijk uit was, lag het domein er verwaarloosd en verlaten bij. Sommige wilde dieren werden gedood of gestolen, anderen ontsnapten. Zo wordt beweerd dat de nijlpaarden momenteel vrij en wild rondlopen in de regio en de Rio Claro. Het domein is nu omgevormd tot een pretpark.
Daarom wil ik die cañon bezoeken en er een wandeling in maken. In het begin hebben de wanden van de kloof een erg lage hellingsgraad en is de cañon erg breed. Naarmate men verder gaat, wordt de hellingsgraad inderdaad steiler en wordt de kloof dus nauwer. Het gevolg is dat de temperatuur merkelijk stijgt. Ik wandel er twee uur in. Intussen is het menens geworden: de waden zijn bijna loodrecht, het wandelpad is een klim- en klauterpartij geworden en de temperatuur en de vochtigheidsgraad exploderen weer: boven de 40 graden en meer dan 90 %. Ik zweet als een natiepaard. De keien op de grond worden ook als maar vochtiger en glibberig. Ook al is de natuur fascinerend (een klein vogeltje maakt een lang gerekt geluid, vergelijkbaar met de stoomfluit van de vroegere lokomotieven (chucharra heef het beestje als ik me het nog goed herinner); ik zie toekans vliegen en zingen (een klokgeluid terwijl ze hun snavel loodrecht naar boven richten), kleine vogeltjes en kleurrijke vlinders) toch keer ik wijselijk terug. Ik wandel hier alleen en ik wil voor geen geld een been breken. Eet een hapje en neem dan de eerste bus terug naar Medellin. De terugweg duurt wat langer: 4 uur. En kost ook meer. Ik maak hierover een opmerking en krijg prompt een korting!
Daarmee is voor mij de eerste, de Noordelijke, cirkel van mijn reis rond. Ik ben in Bogotá gestart, naar het noorden gegaan, dan de noordkust oostwaarts afgereisd tot aan de Venezolaanse grens om vervolgens langs de westkust naar het zuiden af te zakken. Ter hoogte van de grens met Panama ben ik meer het binnenland ingetrokken om veiligheidsredenen (in het grensgebied is het FARC nog steeds actief). En sta ik op 300 km van mijn vertrekpunt. Vanaf overmorgen start de tweede cirkel, de Zuidelijke.
05/05
Vannacht weer een nachtmerrie gehad. Raar want ik ben al meerdere dagen (malaria) pil vrij. Ik probeer het zo snel mogelijk te vergeten. En dat zal wel lukken met de agenda voor vandaag.
Ik begin met de metrocable. Daar hangt een heel verhaal aan vast. Footprints vertelt me dat het de eerste kabelbaan in de wereld is die uitsluitend werd ontworpen als openbaar transportsysteem met een sociale bijbedoeling. Het vormt de verbinding tussen de metrolijn in de benedenstad en de slums die langs de berghellingen organisch (en dus chaotisch) gebricoleerd zijn. In de jaren 80 en 90 van de vorige eeuw was deze wijk de meest beruchte van heel Zuid Amerika. Het werkterrein van onze Pablo Escobar en zijn leger van moordenaars (sicarios genoemd).
Ingevolge die eindeloze en onontwarbare knoop van steegjes, achtersteegjes en tussendoortjes, kostte het de inwoners makkelijk 2 uur om de helling af te dalen naar het centrum om werk te zoeken. Bovendien was het hele gebied nog eens opgedeeld in sectoren die ook onderling oorlogje voerden. Samen met het einde van Escobars macht, nam het stadsbestuur de beslissing om over de krotten heen (er was en is immers geen doorkomen aan) een kabellift te bouwen. De tijd nodig om naar de benedenstad te gaan is hiermee gereduceerd tot 45 minuten en heel wat mensen hebben intussen werk in de benedenstad gevonden. Daarnaast heeft de stad ook sociale en culturele initiatieven in de wijk opgezet, zoals bibliotheken, computerlokalen, artistieke activiteiten enz. Het effect is volgens Footprints duidelijk merkbaar. Het aantal moorden is gedaald van 6500 in 1994 naar 350 in 2005. De gemiddelde leefruimte per persoon is gestegen van 0,5 m² naar 3 m³. Als bijkomend pluspunt is de kabelmetro ook nog een toeristisch attractiepunt geworden. Het maakt het Parque Avri veel toegankelijker. En naar dat park ga ik heen om een wandeling te maken en de stad eens van erg hoog te kunnen aanschouwen. Het weer zat mee, het zicht was dan ook prima en het overzichtsbeeld van een stad van 13 miljoen inwoners vergeet ik niet gauw. Het is bovenmenselijk.
Dan naar het kerkhof. El cementerio San Pedro. Berucht omdat hier de meeste van de drugdealers en guerrilleros en ander gewelddadig uitschot in alle rust over hun laatste gevecht kunnen mijmeren. Ik ben er even door gelopen en dan gauw weer vertrokken. Er hangt daar nog steeds een raar sfeertje. Ik heb dus niet gevraagd waar de grafmonumenten van die kwibussen staan. Het interesseert me eigenlijk ook niet. De geschiedenis rond Pablo des te meer. Hij is geboren in 1949 en hij begon zijn carrière als dief van grafstenen en monumenten om ze daarna te verzilveren. Na wat promoties werden het autodiefstallen en het serieuze werk begon met de drugshandel. Zijn tactiek met de overheid was steeds dezelfde: plata o plomo. Ofwel aanvaardde de rechter of een overheidsambtenaar geld (en zat ie vast in het web) ofwel werd ie vermoord. Zijn kartel groeide daardoor uit de het machtigste kartel ter wereld. Hij draaide een omzet van30 miljard dollar per jaar! In 1989 schatte Forbes hem de zevende rijkste mens ter wereld. In Medellin alleen al bezat hij 19 residenties met helihaven; hij had boten en vliegtuigen enz. Hij was wel zo leep om zich tegenover de gewone man voor te doen als een soort Robin Hood. Hij investeerde in elektriciteitsnetwerken, infrastructuur, speelpleinen en huizenbouw voor de armen. Hij raakte zelfs verkozen voor het Congres! Na de moord op de presidentskandidaat Luis Carlos Galán, was de maat voor de President vol. César Gaviria gaf het expliciete bevel hem aan te houden. Maar dat was rapper gezegd dan gedaan. Gedurende jaren vluchtte hij van het ene onderduikadres naar het andere tot hij zich tenslotte zelf over gaf in ruil voor een luxe gevangenisleven. Hij liet op een heuvel buiten de stad een gevangenis als een hotel bouwen. El catedral noemde hij het, met talloze suites, gigantische tv schermen, jacuzzis, sportinfrastructuur. Hij kwam en ging zoals hij wilde, gaf grote party feesten en ging regelmatig naar voetbalmatchen. Op de weg naar en van het stadion genoot hij van een speciale politie-escorte.. Niettegeloven. Maar aan alles komt een end en op een gegeven moment beslist de regering dat ie dan toch eens naar een echte gevangenis moet. Een heel legerbataljon werd uitgestuurd om hem te transporteren. Maar hij ontsnapt en gaat weer op de loop. Dan roept de regering de hulp in van een rivaliserende Cali-kartel. Meer dan 300 van zijn medewerkers worden vermoord. Hiermee droogden zijn financieringsbronnen en zijn ontsnappingsmogelijkheden serieus op en in december 1993 werd ie uiteindelijk gedood terwijl hij probeerde te vluchten over de daken. Wat een outlaw zeg!
Dan een oog gaan werpen op de Catedral Metropolitano. De grootste kerk ter wereld gebouwd met in de zon gedroogde bakstenen. Het zijn wel knoerten van 35 cm bij 10 cm. Ik vind de kerk maar niets. Vervolgens naar de Plaza de las Esculturas met beelden van Botero en El Palacio de la Cultura Rafael Uribe. Een heel raar gebouw van de Belgische architect Augustin Goovaerts van de jaren 1930. Nooit van die man gehoord. Als ik nog eens naar het gebouw kijk, het is me wel duidelijk waarom. Tot slot nog even naar het Parque San Antonio waar nog bronzen beelden van Botero staan. Eén ervan (een dikke vogel) is door een bomaanslag in 1996 vernield (met vele doden erbij). Botero heeft ernaast een nieuw beeld gezet: een enorme vredesvogel. Het Etnografsich museum was een losse flodder. Het museum is s zaterdags in de namiddag gesloten. Het zij zo.
04/03
Om 6:30 de modder- en puttenbaan op, terug naar de luchthaven van Bahia Solano. Of wat er voor moet door gaan. Het gebouw is een houten ranch zoals je dat ziet in oude cowboy filmen: verweerde en door de zon witgrijs geblakerde houten constructie, de houten afrastering van een halve meter hoog incluis. Ik check in en plots hoor ik tumult. Er loopt een koe over de landingsbaan. Het is me niet erg duidelijk waar ze zich nu het meest zorgen om maken: de koe of het naderende toestel. Ik denk eigenlijk het eerste.
Bij het inschepen merk ik dat de passagiersruimte nog kleiner is: een zetel langs elke kant en 8 zetels achter elkaar. Ik ben er in gelukt, zowel op de heen- als de terugvlucht mijn bagagegewicht te laten krimpen van 23 kg naar 12 kilo. Toveren bestaat niet, maar toch. Eerst heb ik alles wat ik in Bahia Solano niet nodig had opzij gelegd en achter gelaten in mijn hotel in Medellin. De rest heb ik verdeeld over mijn rugzakje en mijn trolley. De zwaarste dingen in mijn rugzakje, want dat wegen ze toch niet en de lichtste in mijn trolley. En zo weegt mijn trolley maar 12 kilo en hoef ik niets bij te betalen. Het zal leren verdorie. Ik vind alleen dat het vliegtuig tijdens de vlucht wat verdacht veel langs mijn kant overhelt. Maar dat zal wel mijn verbeelding zijn.
Eens uit de luchthaven moet ik een tai nemen om mijn spullen in het hotel in Medellin neer te gooien. De eerste taxi in de rij (want ze staan mooi gedisciplineerd aan te schuiven) is verdorie dezelfde man die me 5 dagen geleden naar mijn hotel gevoerd heeft. Het was een plezant gesprek en de rit duurde maar half zo lang. Hij wist nu de weg beter zei hij!
Van mijn spullen verlost wil ik asap beginnen met de stad te bezoeken. Want, oh ironie, ik heb niet veel tijd. Ik hou, in een stad van 13 miljoen inwoners, de eerste beste taxi tegen en het is weer prijs. Het is de man die me vier dagen geleden s morgens vroeg naar de luchthaven gevoerd heeft. Het wordt hier hoe langer hoe plezanter. Ik kom al bekend volk tegen!
Eerste bezoek is de botanische tuin. Wereldberoemd in Medellin en een stukje daarbuiten. Maar nu serieus. Mooi, heel mooi. Dan naar de zoo omdat er volgens mijn boek nogal wat dieren zitten die met uitsterven bedreigd zijn. Rommelig, maar ik heb wel een reeks mooie dierenfotos kunnen maken. Zoals bijvoorbeeld van een volledig witte pauw. En vogels die ik nog niet eerder gezien heb.
Terug in mijn hotel, vraag ik waar ik in de buurt het traditionele gerecht bandeja paisa kan eten. Een hele Colombiaanse uitleg dat het eigenlijk een middagmaal is, want te zwaar voor s avonds en dat dit gerecht wat uit de smaak aan het gaan is enz, enz. Ik haal mijn schouders op bij al die uitvluchten om toch maar niet te moeten zeggen kweetnie, wandel de straat een kwadro (één blok) af en op de hoek is er een restaurant met de naam 3 tipicos. Het laatste woord intrigeert me. Ik stap binnen en bekijk de menukaart. Wat ziet mijn lodderoog? Inderdaad: bandeja paisa. Het is wel degelijk stevige kost, met bonen, rijst, arepa (maïskoek zoals torilla), gemalen vlees, een gebakken ei, aguacate en spekjes. Ik heb alles opgesmikkeld en met twee pinten bier doorgespoeld. Een uitstekend avondmaal. Het zijn watjes die dat een zware maaltijd vinden!
03/03
Eerst even een beleefdheidsbezoekje gebracht aan de vlinders. Ditmaal waren ze wel op de afspraak. Dan een wandeling van 30 min. naar een kano voor een kanotochtje van enkele uren op de Tundo rivier. We zijn met zijn drieën (een Nederlands koppel en ik) en we beschikken over een lokale natuurgids. Eerst legt de gids met handen en voeten uit waarom we met een polyester kano varen en niet met een echte houten. Het antwoord is simpel: een houten kano vergt een boom van rond en om 1 meter diameter. Dat impliceert een boom van minstens 100 jaar oud. En een houten kano blijkt hier maar vijf jaar mee te gaan. Zijn agentschapje maakt gebruik van 3 kanos. Dat wil dus zeggen dat hij om de vijf jaar drie kanjers van minstens 100 jaar zou moeten vellen. Dat kan de omgeving onmogelijk produceren. Dus is de polyester boot milieuvriendelijker dan een houten kano. Want die gaat allicht een eeuw mee. Nu gij!. De groenen moesten het horen.
We maken kennis met (ik som even op voor mijn eigen documentatie)de ardea alba (die als knaap spierwit ziet en daarna een blauwe schijn krijgt), de chestnut-oropendula (psarocolius wagleri), de actitus macularius, de trogon chionurus , de butorides stratia , de chloroceryle aenea en de megaceryle trorquata. En ik maar vertalen van Spaans naar Nederlands. De Nederlandse man heeft een Nikon D7000, dus net wat minder recent dan de mijne Hij heeft een hele batterij lezen bij. Zelfs een lichtkanon van 500 mm. Ik hoef u niet te vertellen dat de meeste vogels al gaan vliegen zijn voor hij van lens verwisseld heeft. Maar als ie de juiste lens gemonteerd heeft, zijn de fotos weergaloos. Maar hij klaagt net als ik over die niet erg intelligente autofocus en de gedegradeerde faciliteit van de handmatige scherpstelling. Tiens ik ben dus niet de enige!
In de namiddag nog wat mooie vogeltjes gespot en gefotografeerd en dan beginnen inpakken. Morgenvroeg om 6uur moet ik klaar staan en ik probeer inpakken in het donker te vermijden.
02/03
Ik heb vannacht weer geslapen als een blok. Het heeft blijkbaar tonnen water gegoten. Mijn palmdaken dak heeft niet alle water kunnen tegen houden. Gelukkig zijn de essentiële spullen droog gebleven. Het is intussen gestopt met regenen, maar mijn plan om vanmorgen om 7 uur naar de vlinders te gaan kijken valt letterlijk en figuurlijk in het water: geen zon geen vlinders.
Dan een boot in naar Playa Blanca. Het strand ziet licht grijs: zwart zand van de vulkanische oorsprong en wit zand van het afgestorven koraal. Vandaar een wandeling door een enorm mangrove gebied van het reservaat Utria. Dat is met geen woorden te beschrijven: een heel woud van bomen met makkelijk een meter van hun wortelstelsel boven het wateroppervlak. Het water wemelt van allerlei vissen en kleurrijke krabbetjes; de lucht hangt vol met kleurrijke maar hyperkinetische vogeltjes. De kolibris zoemen me om het hoofd. De gids, Paul - een Amerikaan die vlot Spaans praat en zijn doctoraat over het leven van bepaalde vissoorten in de mangroves voorbereidt, vertelt over de heteropriacanthus cruentatus. Die begint als een klein visjes tussen de wortels van mangrove bomen, als hij daar te groot voor geworden is, verhuist hij naar de overhangende rotsen aan de kust. Als die behuizing ook niet meer volstaat, nestelt hij zich definitief in volle zee. Dan is hij intussen al 3 meter lang en weegt makkelijk 400 kg!. Dan doet hij niets meer dan wat rondzwemmen en als hij honger heeft legt hij neer en hapt naar alles wat voor zijn muil passeert. Hij heeft namelijk een enorm brede en grote schuurdeur. Als hij hem open spert, creeërt hij een klein vacuüm in zijn muil waardoor hij alle water en vissen in de buurt naar binnen zuigt. De gids vertelt dat zijn collega, een harpoenjager, ooit op zo een volwassen exemplaar gebotst was (waauw, zo een kanjer van een vis, die moet ik hebben, want anders gaat niemand mij geloven)en hem wilde doden. De vis had die snode bedoelingen snel door en opende zijn enorme muil. De gast werd tot zijn middel in de muil gezogen. Hij kon zich met veel moeite los wringen, maar de huid van zijn lichaam was door de tanden van de vis helemaal open gekrast en gescheurd. Een volwassen dier heeft blijkbaar vele scherpe tandjes. De revalidatie van de onfortuinlijke harpoenvisser heeft meer dan een jaar geduurd.
Hij wijst ons ook een baai een waarvan de verbinding met de oceaan (de Stille) erg smal en zelfs vrij ondiep is, voor een walvis toch. Maar meer landinwaarts wordt de baai flink wat wijder en vooral erg diep. Een ideale plaats voor walvismoeders om hun pasgeboren jongen fatsoenlijk te leren zwemmen. Hij zegt dat het bij momenten wondermooi is om te zien hoe die enorme beesten zo voorzichtig en attentvol met hun pasgeboren spruiten omspringen/omzwemmen.
Dan begint het te stortregenen, zoals dat alleen in het tropisch regenwoud kan. Kloddernat. Gelukkig dat ik mijn camera tijdig in een waterdicht zak heb kunnen opbergen. Als ik terug bij mijn hut aanland zit een Basilisco, een kleurrijke reuzenhagedis, mij op te wachten. Prachtig. Na het avondeten komt de gids Paul nog eens langs met zijn laptop en toont wat filmpjes die hij met een professionele camera onder water gemaakt heeft. Ik heb daar zo een beest zien passeren van ca 1m lengte. Ik zou me niet gerust voelen in het water.
Dan neemt hij ons mee naar het strand voor een speciaal natuurfenomeen. In deze periode van het jaar wordt hier veel water vanuit de diepere zee vermengd met de bovenste lagen. Het effect ervn is onder meer dat er relatief veel algen in de bovenste waterlaag komen te zitten. Telkens als een serieuze golf in de branding neerslaat, doen de hiermee gepaard gaande turbulenties. En dan geven de algen licht af. Bij de nacht is het een opmerkelijk fenomeen. De zee op zich is inktzwart en de overslaande golf geeft over de ganse lengte en hoogte van de golf een spookachtig licht af. Heel speciaal, een beetje spookachtig zelfs. Want zodra de golf is uitgerold verdwijnt het licht. Bioluminiscentie heet dat fenomeen. Fotograferen lukt niet. Het licht is té zwak voor de camera. Zelfs met een sluitertijd van 4 seconden trekt de camera niet. Een langere sluitingstijd heeft geen zin, want dan is de golf zeker geveegd.
01/03
Gisterenavond voor de eerste maal een lekkere steak gegeten. Met chimichurri saus, iets met veel groene kruiden en een zee van olie. Ik moet toegeven dat het ditmaal fijn vlees was. De vorige malen was dat eerder een minpuntje, om het zacht uit te drukken.
Ik moet om 8 uur in de luchthaven staan voor een lokale vlucht over de Serrania de Baudó, naar Bahia Solano. De toestellen waarmee ik vlieg worden alsmaar kleiner. Het vliegtuig van gisteren was nog een cityhopper, nu is het een mini dingetje met 17 stoelen. Ik word opgewacht door een chauffeur die mij, samen met een koppel uit Roosendaal, door het tropische regenwoud rijdt richting kust. Onderweg worden we twee maal tegen gehouden door een cel zwaar bewapende militairen. Als ik hen vraag naar de toestand hier (we zitten niet zo ver weg van de grens met Panama) antwoorden ze me dat alles nu rustig is. Wat dus betekent dat het daarvoor niet zo was. Slik.
De eco-lodge waar ik verblijf is weer een schot in de roos. Het draagt de naam El Almejal. Prachtig gelegen, aan het strand van de Stille Oceaan. Zoals je weet is dat is een eufemisme. Ik ken geen oceaan die grimmiger is dan de Stille. Whats in a name. Vanuit de raam aan de achterkant van mijn lodge kijk ik naar een muur van zwoel en vochtig groen, 250 meter hoog zegt mijn gids. Ik kom onder de indruk van de overweldigende macht van de natuur. Almejal is een schelpdier dat aan de kust van de Stillen Oceaan leeft, zoiets als een venusschelp of kleine mossel of zo.
Het programma ziet er als volgt uit: deze namiddag een wandeling door het terrein van de lodge met commentaar van de uitbater van de eco-lodge, morgen een dagtrip naar het Nationaal Natuurpark Ensenada de Utria en overmorgen een kanotrip door het tropisch regenwoud. Ne mens zou voor minder ook al in zijn nopjes zijn. Zelfs al zal ik geen walvissen kunnen bewonderen, want dan moet ik hier nog een paar maand blijven (september-oktober) en dat vind ik toch wat overdreven.
Eerst een middagmaal met guayanaba vruchtensap. Opmdat het nogal geconcentreerd sap is lengen ze het baan met water. De uitbater van de lodge zweert op zijn communiezieltje dat zijn bronwater perfect veilig is en legt met handen en voeten de zeven opeenvolgende cycli van zuivering uit. De verleiding is zeeeer groot, dus waag ik het toch voor een paar godzalige slokken. Binnen de 4 uur weet ik het resultaat van MIJN labo-onderzoek.
De wandeling door het domein van de eco-lodge is wreed interessant. De uitbater vertelt ronduit. Over de schildpadden die ze naar zee brengen (meer 100.000 al), over de bloemen (de voortplanting bij orchideeën; sommigen maken met hun nectar de bijen zo dronken dat ze omvallen en door de onderliggende bloemblaadjes mét de meeldraden worden opgevangen), de palma salcona, een boomsoort die zichzelf tot 3 meter ver kan verplaatsen (het begint met een noot , één wortel en één tak; de tak zoekt naar de standplaats om het zonlicht maximaal te kunnen capteren; dan maakt ie wat verder een nieuwe wortel en een nieuwe tak; en zo verder dat hij binnen een straal van 3 meter van de originele noot niet meer zonlicht blijkt te kunnen vangen. Dan stopt het wandelproces en begint hij voor echt te groeien. En een boom die in complete symbiose leeft met mieren. De boom is van binnen hol en daar leven de mieren veilig en voeden zich met de boomsappen. Als compensatie voor deze gratis kost en inwoon, vallen de inwonende mieren elke mogelijke vijand, indringer of aanvaller met zn allen aan. En beiden leven nog lang en gelukkig. Er is ook een Choibá boom waarvan het hout zo hard is dat bij het vellen ervan met een bijl of een kettingzaag de gensters weg springen, net alsof het ijzer is. We stoppen ook bij een Samia, een boomsoort die al 20 miljoen jaar bestaat. Hij groeide met andere woorden toen de dinos nog leefden. Een levend fossiel dus; Speciaal is dat ie de vorm heeft van een palmboom, maar met bladeren. Geen gewone, maar heel dikke en taaie. Zo erg dat geen enkel insect of mier er aan komt. Hij is ook de eerste plant in de geschiedenis van de aarde die zich niet voortplantte met sporen (zoals varens) maar met zaad. En nu sta ik er pal voor.
Onder het gebulder van de Stille Oceaan kruip ik, na een afkoelende douche, onder mijn muskietennet en val in slaap.
Nog een anekdote. Eergisterenavond en gisterenavond heb ik, gezeten
onder een aguacate boom vol avocadovruchten, lekker Italiaans gegeten. Op de
achtergrond speelde Weense walsmuziek. Dat bij 35 graden om 21 uur buiten, gewoon
zalig. De zaak wordt uitgebaat door een Oostenrijker Walter Gürth. Als jongen
gast thuis weggelopen, gaan varen, aangeland in de Caraïben en uiteindelijk tot
rust gekomen in Mompox, Colombia. Ik kom hier nogal wat exotisch volk tegen
hoor.
Tijdens de nacht heb ik mijn eerste nachtmerrie gehad. Ik
schonk er geen aandacht aan. Vannacht echter 2 nachtpaarden tegen gekomen. Na
al mijn reizen weet ik dat het een neveneffect kan zijn van malariapillen.
Gelukkig kan ik vandaag ermee stoppen. Pas als ik naar Laeticia in de Amazone trek, moet ik er opnieuw mee
beginnen.
A day in the life of a Colombian.
Het programma voor vandaag is simpel: ik moet naar de
luchthaven van Corozal om daar een vlucht naar Medellin te nemen. Tijd vereist
voor het transport wordt door Colombianen geschat op ca 1,5 uur. Dat is de
theorie, nu de Colombiaanse realiteit. Ik begin met de duurtijd wat te verhogen:
zes uur in plaats van anderhalf uur. Gisterenavond zet ik mijn wekker op 6 uur
en dan merk ik dat er in kleine lettertjes op mijn A4 vliegticket vermeld staat
dat ik 24u op voorhand mijn vlucht moet herbevestigen. Te laat gezien. De
kantoren van ADA sluiten s zondags om 18u. Het zij zo, we zien wel. No te
preocupes. Ik begin heel mijn bagage uit te laden en te herschikken om alle
zwaar stukken in mijn rugzakje te proppen, want ik moet betalen over
overgewicht (méér dan 15 kg zegt men mij overal). Ik luk er aardig in: mijn
rugzakje weegt naar schatting wel 5 kg. Beter gaat echt niet. Ik krijg de
ritsen nog amper dicht.
Dan ga ik slapen, want morgen vroeg zijn de kantoren van ADA
vanaf 6u terug open. Het is een kleine luchthaven (zoals Deurne), dus dat zit
wel snor. Na de nachtmerries sta ik om 6u op om te telefoneren en het laatste
in te pakken. Als ik met mijn smartphone bel, krijg ik als antwoord dat dit
nummer niet bestaat. Ik probeer meerdere malen, maar telkens hetzelfde
antwoord. Dus vraag ik aan de balie van Casa Amarillo, waar ik verblijf, of zij
voor mij kunnen bellen. Antwoord is ontnuchterend: we willen wel, maar we weten
niet hoe dat hier werkt. Je zal moeten wachten tot 8 uur. Ik moet er mij bij
neer leggen en besluit om dan maar eerst van
een lekker ontbijt te genieten. Het is intussen immers 7 uur voorbij. Aan
tafel doe ik luidop mijn verhaal en een Colombiaans koppel dat op reis is,
stelt me gerust. Het is niet omdat er 24 uur op dat ticket staat, dat je die 24
uur strict moet interpreteren. Je kan herbevestigen tot 2 uur vóór de vlucht
(tiens, tiens!). Maar, zegt de man, ik begrijp uw bezorgdheid, ik zal voor u
eens proberen. Ik zie dat hij maar een deel van het telefoonnummer dat op mijn ticket staat, intikt. Hij laat het eerste cijfer weg, cijfer twee en
drie vervangt hij door 03 en hopla hij heeft onmiddellijk een verbinding. Dat
probleempje is dan opgelost. Je moet het maar weten.
Volgende stap. Nu moet ik een taxi aan mijn hoteldeur
krijgen voor de trip naar Bodégas. Blijkt dat er geen taxis in het stadje
mogen rond rijden (had dat gisteren nochtans gevraagd) , alleen motos met een
aanhangbakje voor 2 of 3 passagiers. Dus moet ik eerst zo een aftands transportmiddel
zien vast te krijgen. Na 15 minuten passeert er dan toch zo een gedrocht en hij
rijdt me naar een soort terminal, maar voor taxis. Het is intussen 8 uur. Mijn
bagage wordt in een taxi geladen en dan gebeurt er niets. Na een kwartier
informeer ik discreet wat het probleem is. Er is geen probleem. De man wacht
gewoon tot zijn wagen vol zit. Eerder vertrekt ie niet. Na 45 minuten wachten
is het zover. Drie vrouwen en ik. Volgende stap: wie van de vrouwen gaat van
vooraan zitten. Mijn twee meter wordt compleet genegeerd. Ik besluit me niet te
mengen in zo een levensbelangrijke discussie tussen drie dames met een verlaagd
zwaartepunt. Maar ik zie wel het uur der waarheid naderen. Voilà, er komt een
compromis uit de bus: de minst dunne gaat van voor zitten. Als beleefde jongen
laat ik de twee andere sumas (wat zo
zien ze er een beetje uit) instappen en dan merken ze dat ik achteraan niet meer
in die sardienendoos raak. Na nog wat discussies onder hun drieën valt alles in
zijn plooi. Ik vooraan en de drie dames achterin. Ik heb de indruk dat ik de
achteras hoor kreunen. Maar het zal mijn verbeelding wel zijn. Zonder oponthoud
(zoals bijvoorbeeld een echt niet te voorziene tankbeurt) bereiken we na een
uur putjes en bultjes rijden de ferry plaats waar we de Rio Magdalena
oversteken. Halsbrekende toeren op een vervaarlijk doorbuigende loopplank, maar
mijn bagage en ik raken na een half uur droog op het gammele bootje. Zoals elke
boot hier, heeft ook dit exemplaar last heeft van fitten in de romp (beneden de
waterlijn hé). Tegen topsnelheid scheert dat gevaar voor de gemeenschap en de
volksgezondheid over het wateroppervlak in een wolk van opspattend water. Het
lijkt alsof ze een afgedankte straalmotor achter de boot gemonteerd hebben. Na
15 minuten watervliegen halen de boot en ik zonder ongelukken de overkant. Dan
een taxi naar de luchthaven Sincelejo in Corozal. Ik vind er één, maar het
verhaal is hetzelfde. Ik ben de eerste
klant en ik moet wachten tot zijn rijdende doodskist afgeladen vol zit
vooraleer hij vertrekt. Weer 30 minuten in de brandende zon wachten. We gaan weer
vrolijk boven de 40 graden Celcius. Zo zweten, man man. Als zijn bak vol zit
rijdt hij amper 100 meter , want daar moet hij allerlei paperassen invullen in
verband met zijn passagiers. Enfin, na 15 minuten is ook die klus geklaard en zijn
we weg voor een ritje van een kleine 2 uur.
Het is intussen al rond 11u. Halverwege blijkt dat zijn gastank ei zo na
leeg is. Hij hoopt dat we het enige tankstation met gas nog halen. Het lukt
hem. Daarna rijdt ie plots véééél sneller door. Op 10 km van Corozal zegt hij
mij dat de luchthaven Las Brujas heet en niet SIncelejo. Dat is de naam van het
stadje 25 km verderop. Nu begin ik stilaan zenuwachtig te worden. Ik wil niet
op het laatste moment in de verkeerde luchthaven staan (La Havana met zijn 5
luchthavens indachtig) en bel mijn reisagentschap op. Er volgt een uitleg die
verdacht lijkt op het grapje met de luchthaven van Brussels South, die niet in
Brussel ligt, ook niet in Chaleroi maar in Gosselies. Het is me nu duidelijk
waren onze Franstalige broeders hun chaosmosterd vandaan halen. Ik kom uiteindelijk
rond 13 uur aan in de Las Brujas van het stadje Corozal nabij Sincelejos.. Dertig
minuten vóór sluitingstijd van de check in!
Ik check in en mijn trolley weegt nog 18 kg (ik kom van 23
kg). Ik moet nog 21.000 pesos extra betalen. Ik probeer nog te argumenteren dat
iemand van 2 meter recht zou moeten hebben op een hoger plafond. Het helpt
niet. Bij de afrekening blijkt dat de limiet 10 kg bedraagt, en niet zoals
iedereen me wil doen geloven 15 kg. Eso es así: dat kost me 6-7 euro.
In de wachtzaal maakt een standje reclame dat ze middageten
serveren. Ik heb twee sneetjes brood met kaas en sla en een stuk chocoladetaart
met een koffietje kunnen bestellen. Dat was het enige waaruit ik kon kiezen. Ik was de enige klant en toch liep de
doorlooptijd van de bestelling op tot 20 minuten. De koffiezet was defect en
haar toastbroodjes waren op. Ik heb dit
verhaaltje eens helemaal uitgeschreven opdat je aan de lijve kan ondervinden
hoe het is om hier te leven en rond te reizen. Elke dag wreed spannend! Maar je
moet er tegen kunnen.
Goed uitgeslapen en lekker ontbijt genomen. Het vruchtensap
is nu een naranja, maar het is een vrucht tussen limoen en appelsien in. Ze is
half zo groot als een gewone appelsien zoals wij ze kennen en ze heeft een
schil en de kleur van een limoen. Het sap is zalig. Een optimale mengeling van
limoen met appelsiensap. Gewoon al voor de fruitsappen zou ik hier willen
blijven wonen. De mensen zeggen me dat 80% van alle fruitsoorten op aarde in
Colombia voorkomen. Ik kan het goed geloven. En dat wil zeggen dat ik er nog
heel veel te proeven heb! Tijdens het ontbijt kennis gemaakt met een koppel van
Essex. Wereldreizigers waarbij ik in het niet zink. Wreed interessante mensen.
Ik heb hen o.m. het verhaal verteld dat de laatste reis met Nicole langs de
zuidkust van Engeland waar er een ober op mijn vraag welke vis een mullet
was, flegmatiek antwoordde: its a fish, it has two eyes and it swims like
this en hij maakt een golfbeweging met zijn hand. De Brit kwam niet meer bij
van het lachen.
Dan heb Mompox bezocht. Mooie straatgezichten. Niet voor
niets dat in dit stadje veel Colombiaanse films gedraaid werden. Onder andere
ook de verfilming van Marqués Kroniek van een aangekondigde dood. Daarnaast niet
veel bijzonders. Uiteraard is Bolivar hier enkele malen gepasseerd. Uiteraard
staat het vol met de obligate koloniale kerkjes, kloosters en hospitaalruimtes
en dergelijke. Maar ook drie interessante dingen. De eerste plaats waar ik halt
hou zijn de Portales de la Marquesa. Daar woonde , allicht eind 18de
eeuw maar ik weet het niet met zekerheid, ene Mijnheer Espalza Marqués de
Santa Coa y de Torre de Hoyos (tiens, die Hoyos ben ik Cartagena ook tegen
gekomen nietwaar), die onder meer zijn rijkdom haalde uit slavenhandel. Hij had
bovendien de gewoonte om eens per jaar een slaaf de vrijheid te schenken, naar
aanleiding van een loopwedstrijd. De uitverkorene was diegene die vertrekkende vanop
het kerkplein als eerste aan het grote kruis aan de gevel van zijn huis
aankwam. Dat kruis staat er nog. Na zijn dood bleef zijn echtgenote Doña Maria
Josefa Isabel de Hoyos y Mier daar nog 50 jaar wonen. Met een andere man, een
officier uit het leger van Don Pablo Morillo. Hier in het stadje wordt die
Morillo pacificador genoemd. In het scheepvaartmuseum had ie de titel wrede
dictator omdat hij begin 19de eeuw zoveel vrijheidsstrijders heeft
laten terecht stellen. Morillo trachtte immers, in opdracht van de Spaanse
Kroon, de onafhankelijkheid van Colombia af te weren. Tevergeefs zoals gebleken
is. Maar ik heb intussen opgemerkt dat
ik af en toe politieke gevoeligheden en tegenstellingen begin te voelen. Ik
begin me hier dus duidelijk thuis te voelen. Terwijl ik een foto neem van de
gevel, vraagt een man mij of hij Engels met mij kan praten om te oefenen. Ik
zeg van ja en er ontspint zich een heel interessant gesprek, waarbij hij de
geschiedenis van het huis uiteenzet. Goed, want ik vind er niets over terug in
de boekjes. Op het einde zegt ie dat hij wil proberen om binnen te raken in het
huis. Dat is uiteindelijk niet gelukt. De eigenaars waren niet thuis. Pech.
Uit de lessen geschiedenis die ik jullie gedebiteerd heb,
hebben jullie vast ok onthouden dat sinds de onafhankelijkheidstrijd het land
politiek in twee kampen verdeeld is: de conservatieven en de liberalen. Ahwel,
die tegenstelling is doorgetrokken tot op in het kerkhof. De liberalen langs de
ene kant en de conservatieven langs de andere kant. In het midden een breed
gaanpad. Voor wie interesse heeft in de politieke verhoudingen:: beide kanten
van de beschikbare begraafruimtes zijn helemaal volzet. Dan op zoek naar de
botanische tuin. Een half uur heb ik gezocht en niet gevonden. Tot iemand me
zegt dat ik een aftandse roestige metalen deur moet kloppen, weer in het midden
van een lange witte muur. Er doet niemand open. Ik merk dat de deur eigenlijk
op een kier staat. Ik stap dus binnen en ik zie in de tuin een oude man zitten.
Lang verhaal kort. Ik ben op het juiste adres en die botanische tuin is zijn
leven. Hij kent elke plant, boom en struik bij naam en de medicinale
toepassingen enz. Het Wikipedia hoofdstuk over planten en struiken en bomen stroomt
over mij, maar blijft niet kleven. De tuin is bovendien, zoals je wil kan
vermoeden, een grote wildernis en bij geen enkele plant of struik of boom staat
een identificatie. Als die man sterft gaat een schat aan natuurkennis in één
vingerknip verloren. Het enige wat ik mij in de hele informatiestroom onthouden
heb, is de stevia plant. Het is een miniscuul plantje dat laag bij de grond
groeit. Bijna een bodembedekker. Terwijl hij staat te drammen, duiken er plots
enkele roofvogels op die luidkeels van hun oren maken. Oei oei zegt hij, ik ben
met al dat gepraat hun eten vergeten. Hij gaat het halen en die vogels vliegen
er letterlijk op af. Heb er enkel schitterende fotos van kunnen maken. De naam
die hij gaf was tutu. Of zo iets, want noch de vogels noch hij hebben tanden.
Vanavond inpakken geblazen. Morgen neer ik het vliegtuig naar
Medellin en ik moet proberen gewicht te besparen. In de prijs van het ticket
zit namelijk maar 15 kg. Dat wordt wat.
Ik ben een vroege vogel, maar 4 u vind ik toch wel erg
vroeg. heb dan ook twee maal geverifieerd of ze het echt menen. Want zo vroeg
opstaan om dan een uur op hen te moeten wachten, dat vind ik erover. Maar neen,
ze pikken me op om 4:30 s morgens.
Zelfs als ik alles s avonds heb ingepakt, betekent dit om vier uur opstaan. Ik
ben gisteren dan ook maar heel vroeg in bed gekropen en gelukkig viel ik
onmiddellijk in slaap.
Niettegeloven: om 4:15 staat mijn auto klaar. En dan op weg
naar Mompox (ze spreken het uit als Mompos). We zijn alle verkeer voor en s
middags sta ik in de braadoven van Mopox. Zijzelf spreken ook van el horno. Het
stadje ligt op de plaats waar de Rio Magdalena in tweeën splitst. Die stroom is
vergelijkbaar met de Nijl. Nu het hier al in geen jaar (!) geregend heeft,
heeft ie nog maar de breedte van zeg maar de Schelde bij laag tij. Maar in het
regenseizoen kan die sterk aanzwellen. Ik zie een paal met de streepjes voor
het hoogste waterstanden ooit gemeten. Die van 2010 spant de kroon: een meter
boven de stoeprand, en die is pakweg 5m boven het waterpeil van vandaag. Dat
betekent dat in die periode de Rio Magdalena enkele malen breder was dan de
Schelde bij hoogtij.
Mompox lag aan de oever van de breedste arm en gold als
laatste stopplaats voor wie met de boot dieper het (toen onherbergzame)
binnenland in trok. Het was dan ook een welvarende stad tot begin 20ste eeuw.
Toen verzandde die arm van de stroom en viel de klok stil. In 1995 erkende de
UNESCO het stadje als werelderfgoed en werd heel veel met respect voor het
verleden gerestaureerd. De inwoners verdienen hun kost met het opkomend
toerisme en met zilverbewerking. Dat laatste is geen toeval. Voor de inval en
de volkerenmoord van de Spanjaarden was deze streek en de indianenstammen die
hier van oudsher woorden- gespecialiseerd in zilverbewerking. Tradities zijn
ongelooflijk taai, nietwaar.
In het hotel hangt er reclame voor een boottocht op de Rio
Magdalena, waarbij er vogels te zien zijn. De start is om 3 uur. Ik boek onmiddellijk.
Het is weer nooit wat het lijkt te zijn. De boottocht is slechts een overzet
naar de andere oever van de rivier. Dan word ik, samen met de andere
geïnteresseerden (gedupeerden was ik al aan het vrezen) op een laadbak achter
een moto geladen/ gestapeld. Enkele kilometers hotsen en botsen we in een
stofwolk (geen regen sinds een jaar nietwaar) over hobbelige zandwegen.
Onderweg worden wij ingehaald en voorbij gestoken door een moto met tussen de bestuurder en die achterop zit een hele
buitenboord motor van zwaar kaliber. Ik schat dat het beest tussen de 50 en 70
kg weegt. Ze vliegen ermee over putten en bulten. Ik neem er een foto van omdat
het zo een waaghalzerij is. En dan komen we aan een immens binnenmeer, een
soort meander van de Rio Magdalena. We klauteren opnieuw in een boot en naar
100 m varen verandert plots alles: duizenden watervogels en roofvogels.
Schitterende boottrip. In het begin duvel ik op mijn camera omdat ie te traag
is. Zelfs op een duizendste van een seconde, zijn de meeste dieren hem te snel
af. Ofwel omdat ie niet rap genoeg kan scherpstellen, of het gewoon vertikt om
scherp te stellen, of omdat de tijd die verloopt tussen in het drukken van de
ontspanknop en het neerklappen van de spiegel in vogeltermen- een eeuwigheid
is. Het aantal wazige fotos of scherpe fotos va een vogelstaart gaat naar de
honderd. Tegen beter weten in blijf ik maar proberen. Na drie uur, komt een
mede reiziger naar mij en vraagt welk toestel dat ik heb, want hij zou zijn
Canon graag in het meer gooien, zo heeft hij zich geërgerd aan de problemen met
de scherpstelling. Hij had maar enkele fotos die min of meer door de beugel
konden. Het verschil met mijn resultaat (ik heb er een 20 tal excellent) is
verbluffend. Besluit: mijn camera is inderdaad stukken beter dan de vorige en
veel beter dan een doorsnee Canon, alhoewel er nog steeds wat schort aan de
scherpstelling. Topprestatie van mijn camera: een kingfisher (ca 5 cm groot, staart inbegrepen) van 20-30
m haarscherp getrokken. Bij 6 x inzoomen is ie nog voldoende scherp. [voor Jan:
herinner je je nog dat ik niet wist hoe het vierkantje voor de scherpstelling
op één punt te kunnen verplaatsen? In het begin kon ik dat probleemloos
verschuiven, dan soms wel en soms niet en sinds een week helemaal niet meer.
Het blijft nu onveranderd op zijn zelfde plaats staan].
Op de terugweg kom ik een boom tegen, bijna zonder bladeren
en aan de naakte takken hangen grote groene vruchten. Niet vergeten: hier
verliezen de bomen hun bladeren 5of toch een deel ervan) in de zomer, wegens de
grote droogte. In het regenseizoen worden de bomen terug groen. De vrucht heet
totume. Ze is zo niet te eten. Maar ze wordt gebruikt voor medicinale
toepassingen (ontsmetting en ademhalingsproblemen) en in soepen (om aan te
sterken na een griep). Tijdens de overzet van de Rio Magdalena hoor ik een
afschuwelijk gekrijs. Een varken wordt heftig aangevallen door een vijftal
honden. Het gaat er hevig aan toe. Op de duur springt het varken in de Rio.
Eerst blijven de honden op de oever vervaarlijk staan blaffen, maar dan
springen ze met zn allen ook in het water en het gevecht gaat verder in het
midden van de stroom. De eigenaar van het varken probeert tevergeefs de meute
van elkaar te scheiden. Maar de lukt verplaatsen zich te snel en hij komt telkens
net iets te laat aan. Terwijl het gekrijs van het varken blijft aanhouden, is
de man op zoek naar een prauw of zo om zijn varken te redden. Ik weet niet wat
vde uitslag geworden is.
Het is donker als ik terug in mijn hotel aankom. Ondanks
mijn 50+ protector en mijn hoed met brede randen voelt mijn aangezicht verhit
aan en het ziet rood. Ik smeer er aftersun aan en hoop het beste. De rest heeft
geen hinder ondervonden, want ik heb een hemd met lange mouwen aan gedaan.
Lekker warm zeg! Ik ga naar de Italiaan op de hoek van de volgende blok.
Schitterend restaurant. Goed voor een ster bij ons. Als ik terug naar mijn
hotel ga loop ik weer door zo een typische donkere straat: een stofferige
zandweg, een witgekalkte gevel met hier en daar een lantaarn met wat schaars
licht. Net zoals het bij ons moet geweest zijn toen vader een kind was. Een
toch heb ik geen gevoel van onveiligheid. Ik merk zelfs het fotogenieke van de
straat op, ik stop en neem een foto. Mooi zeg!. En dan ga ik slapen.