Om een onderwerp rustig te observeren moet er afstand zijn en verschil in hoogte. Bern voldoet aan die voorwaarden. Het is de perfecte plek om naar politieke poseurs en andere druktemakers in ons landje te kijken. Niet met het vizier op scherp maar mild gesluierd door melkglas. Bern met melk of Berne au lait, what’s in a name…
Hugo Bernolet
klik op de foto's om ze vergroot te bekijken. klik op foto bij vuil Franske voor nieuwe verhalen
28-02-2007
Paal en perk
Vanmorgen zag ik dat er tegen de garagepoort van de buur gereden was. Niet echt tegen de poort, want die stond open, maar wel tegen de horizontale verbinding, zon 2 m boven de grond. Waarschijnlijk zal weer zon grote monsterachtige hybride wagen zonder omzien gekeerd zijn en daarbij die metalen balk geraakt hebben. Wie zon wagen koopt stoort zich niet aan dergelijke details, maar wil zich ongenaakbaar voelen om ongehinderd zijn weg te gaan. Met hun grote wielen rijden ze toch overal over heen. Een stoeprand stelt niks voor. Bijgevolg draaien en keren ze hoe breed het hen uitkomt. Van stoep naar stoep. Zelfs betonblokken, bedoeld om het verkeer te kanaliseren, kunnen hen niet tegenhouden. Iets meer druk op het gaspedaal, de motor kort laten grommen, de betonblok omver duwen en erover. Ze vinden dat ze het verkeer in eigen handen kunnen nemen, volgens het recht van de sterkste. En het zijn niet alleen macho-mannen met compensatiegedrag. Laatst zag ik een vrouw in zon zwarte BMW-tractor rechts uit de file rijden het fietspad op, over het voetpad tot aan de hoek waar ze achter de verkeerslichten door de hoek om reed. En niet stapvoets maar met bekwame spoed, om niet geklist te worden. Kom daar maar als voetganger om die hoek aangewandeld.
Onze chauffeur van vannacht zag het ook heel groot, want in eenzelfde draai moest het verkeersbord met omgekeerde driehoek tegenover die poort er ook aan geloven. Op mijn weg verder lette ik voor de aardigheid eens op de verkeersborden. Ik ging er zowaar bij schuinmarcheren want acht op tien van de verkeersborden stond scheef. Waarschijnlijk niet allemaal aangereden, want soms stonden ze voor autos onbereikbaar achter draadwerk. Ofwel doen de paaltjesputters hun werk maar halfsegats ofwel worden ook voetgangers onweerstaanbaar aangetrokken tot de verkeerspalen, en dan bedoel ik niet op de kunstzinnige wijze van Tania Dexters. Vandalenstreken kom je overal tegen, niettemin hebben chauffeurs een bizarre voorkeur voor verkeerspalen. Het valt nog het meeste op langs de autostrade. Daar is dan een zee van open ruimte, maar er zijn van die chauffeurs die uitgerekend op die smalle lichtpaal vlammen. Je moet al goed kunnen rijden om ze niet te missen. Zijn er magnetische krachten in het spel of is het gewoon dat we die aangereden paal wel zien maar in het voorbijrijden geen sporen zien van de duizenden keren dat er van de baan af gesukkeld werd maar in het niets ernaast werd gereden. Het kan natuurlijk ook dat onze blik zo gefocust is op wat verder afgelegen is dat we de balk voor onze eigen auto niet zien staan.
Zelf ben ik een oplettend chauffeur, er ontgaat me weinig langs de weg, en toch heb ik zelf ook zon paal-verhaal. Jaren geleden ging ik mijn dochtertje afhalen van de scouts. Hun lokaal lag aan de speelplaats van een school en in het weekend reed iedere ouder gewoon die speelplaats op. Ik ook dus. Mijn jongste zoon zat naast mij en voor de grap zei ik: kijk, papa kan basketten vanuit de auto, en reed zigzaggend naar de basket-ring aan het einde van de speelplaats, terwijl ik met mn rechterhand deed alsof ik de bal stuiterde op de versnellingspook. Mijn zoontje keek naar mij en weer naar voor tot zijn wenkbrauwen zich als uitroeptekens rechtop zetten terwijl hij net niks uitriep maar toch zijn handje voor zijn open mond bracht. Aangemoedigd door wat ik dacht zijn stille steile bewondering te zijn deed ik nog een extra schijnbeweging met een draai aan het stuur.
En toen stonden we met een klap stil. Op die speelplaats kon je niet alleen basketten, maar ook volleybal spelen en ik was tegen een volleybal-paal aangereden. Ik had het niet gezien want het net hing er niet aan en ik was gefocust op de basket-ring waarvoor ik mij al dribbelend naar voor moest buigen want het dak van mijn auto zat in de weg.
Nu, vele jaren later, rijd ik mee met mijn zoon in de auto. Als ik nu zeg: heb je dat daar gezien?, antwoordt hij : papa, ik ben aan het rijden, ik let op baan. En dan ben ik fier dat ik hem zo goed heb opgevoed zonder dat hij het gemerkt heeft dat ik hem aan het opvoeden was. Het lijkt nu allemaal uit hemzelf te komen. En zo hoort het toch, niet?
26-02-2007
Een leuke job voor Filip en Mathilde
Ik kan de frustratie van Filip wel begrijpen. Na elke missie naar het buitenland is het tegenwoordig heibel. Jaren aan een stuk heeft hij moeten horen: zal hij het wel ooit kunnen. Ondertussen zegt men: zal hij het wel ooit worden?. Dat moet toch aan je vreten. Al die inzet, al die ingehouden jaren blijken plots voor niets. Je kunt je niet verdedigen want elk woord staat morgen uitvergroot en met de nodige interpretaties in de krant. Hij kan al heel zijn leven geen kant op.
Was hij maar niet uit uit Paola geboren en langs de kanten van Wiekevorst of Tubize uit een simpele werkmansbroek geschud, dan sprak niemand over hem. Hij zou boeren op het land of werk vinden in de fabriek. Op zondag zou hij met die immense houterige handen van hem het doel van de plaatselijke voetbalclub verdedigen. Hij zou wellicht nooit veel verder dan zijn dorp geraken, maar de kans is groot dat hij meer dagen van simpel geluk zou kennen dan hij nu op zijn vingers kan tellen.
Maar het parcours van ons vorstenhuis loopt niet langs het geluk. Voor zover geweten is, heeft Boudewijn nooit kinderen gehad, daarom werd Filip troonopvolger. Met dat vooruitzicht zou Paola hem gek maken. Van het moment dat Filip tot de jaren van verstand komt, hamert Paola dag na dag in op dat al zo vreemde kinderhoofd: Philippeke, een prins=dom, een konink=rijk, wat ga jij dan later worden? Van al dat hameren is zijn hoofd voorgoed beschadigd. Hij zal nooit gezond verstand hebben.
En dan sterft Boudewijn vroeger dan verwacht. Paola ziet haar kans en wordt zelf koningin. Filip moet nu hopen dat zijn vader vlug sterft, maar daar durft hij niet eens aan denken en vegeteert verder in de wachtkamer van Laken. Hij gaat alleen in jaren vooruit. Hij heeft ook voor niks anders geleerd dan voor koning, en daar zijn geen vacatures voor, tenzij voor koning van de Vogelenmarkt of voor koning van de Rock n Roll. Hij heeft bovendien geen vrienden, zelfs zijn broer houdt meer van een hond dan van hem. En hij kan niet op café gaan om zich eens goed te bezatten en aan den toog iedereen lastig te vallen met zijn frustraties.
Ter compensatie wordt hem uiteindelijk Mathilde geserveerd, maar hij heeft schrik van meisjes. Nog altijd. Op eigen initiatief zal hij hen nooit aanraken. De gouvernante heeft hem vroeger verteld dat hij, omdat hij al prins is, in een kikker zal veranderen wanneer hij een meisje kust. Aan Laurent werd dan weer verteld dat hij al een kikker was in een te klein kostuum.
Filip moet altijd ernstig zijn. Hij draagt de toekomst van België op zijn schouders. Vandaar dat hij er zo onzeker en houterig bijloopt. En altijd lopen er leraren, lakeien, bewakers en raadgevers om hem heen. Nooit kan hij eens zijn eventuele geluk in een luchtsprong kwijt, of zijn frustratie in een hard gebrulde klootzakkeuh. Hoe ouder hij wordt hoe moeilijker het wordt, want zijn omgeving wordt steeds kritischer voor hem.
Moet dat eigenlijk wel? Iedereen doet in zijn leven toch wel s een carrièreswitch? En als misdadigers recht hebben op een tweede kans, waarom dan Filip niet? Kunnen we hem niet uit die koningskwestie halen alvorens hij helemaal kierewiet wordt? Hij kan de bevolking wellicht beter in de luwte dienen. Ik weet trouwens al een fantastische job voor hem en ook voor Mathilde. Voor de tweede speelhelft van hun leven. En niet alleen zijzelf maar ook vele landgenoten zullen er gelukkig mee zijn.
Bovendien kan de dotatie flink naar beneden afgerond worden, want ze moeten niet meer naar het buitenland, ze moeten geen dure jurken en hoeden meer dragen of geschenken kopen voor buitenlandse gasten en recepties geven voor 1000 man en meer. Natuurlijk mogen zij nog in het paleis blijven wonen, mettertijd misschien eerder in het koetshuis, maar toch. In hun nieuwe job, stellen ze zich ten dienste van de gewone mensen en dan hebben zij, zoals elke werkende mens, een thuis nodig waar ze in het weekend kunnen uitrusten en met de kinderen spelen.
Ondertussen doet Albert II zijn tijd als koning uit en zien we wel wat we met die royale bedoening aanvangen als het zover is. Wellicht is Filip zo blij met zijn ander leven dat hij geen koning meer wil worden. Want wat ik hem en Mathilde wil voorstellen is echt iets voor hen. Niet alleen omdat het makkelijk is en binnen hun mogelijkheden ligt, omdat ze weinig tekst te onthouden hebben, maar vooral omdat het gedaan zal zijn met de stress van doe ik het wel goed. Ze moeten geen angst meer hebben van de media of van al die potentaten die naar recepties van stichtingen komen die hun naam dragen en waar zij soms teksten moeten voordragen waar ze niet één woord van verstaan. Voortaan moeten ze maar een enkel eenvoudig zinnetje onthouden, dat elke dag hetzelfde mag zijn. Tot aan hun pensioen. Voor Filip is dat nog twintig jaar en dan mag hij er ook mee ophouden. Als koning zou het niet waar zijn geweest. Als zij 250 dagen per jaar werken kunnen zij in die jaren die hen nog resten duizenden Belgen persoonlijk gelukkig maken. Nu is de afstand met de gewone mens te groot en is er niemand echt blij mee.
Laat ons beginnen met Mathilde. Zij zou vooral s morgens werken. Dan heeft ze daarna nog tijd vrij voor haar eigen kinderen. Ik stel voor dat zij zich inzet voor de moeilijke etertjes van ons land. Ik bedoel wel degelijk etertjes en niet ettertjes. Hoeveel kinderen zijn er niet die bij het ontbijt hun boterhammetjes niet willen opeten, die hun brooddoos op school leegkappen en zienderogen vermageren. Ouders met dergelijke probleemkinderen kunnen dan een beroep doen op Mathilde.
Op de dag van afspraak komt Mathilde dan naar de keuken van die mensen, niet in een ensemble van een of andere Belgische ontwerper, maar in een eenvoudige blauw-wit geruite schort. Het slecht etende kindje zit zoals gewoonlijk onderuit gezakt aan tafel, met zijn hand onder zijn kin, en dan stapt Mathilde die keuken binnen en vraagt aan dat kindje: zal ik u een boterhammetje met choco smeren, want ge moet flink eten, hé. Op dat moment zal dat kindje geen hap door zijn keel krijgen, maar de bijna goddelijke verschijning van Mathilde in hun eigenste keuken zal hij van heel zijn leven niet vergeten. Ook de ouders, de familie, de klasgenootjes, iedereen zal er een deeltje geluk aan ontlenen. Later zal die jongen op basis van die verschijning in de keuken makkelijker een lief vinden en een job, want hij heeft altijd gezond zijn boterhammetjes opgegeten. Mathilde zal door die mensen aanbeden worden tot het einde van haar dagen. Ook haar eigen kindjes Elisabeth, Gabriel en Emmanuel zullen flinker worden, want de mama heeft nu een verhaal te vertellen.
De job die ik voor Filip heb is wellicht nog mooier, nog warmer, nog van meer betekenis voor de gemeenschap, want hij kan meerdere huisbezoeken per dag doen. Hij zal zich richten tot de oudere mensjes en de alleenstaanden. Tegenwoordig zijn immers niet minder dan 30 % van alle huishoudens in ons land alleenstaanden. En hij kan die allemaal bezoeken en voor eeuwig gelukkig maken. Want hij alleen geeft terug wat er teloor is gegaan in onze maatschappij: de warmte van het persoonlijk contact. Dat stelde vroeger ook niet veel voor, maar het was er. In zijn alledaagse simpelheid, maar zeker als een rots. De melkboer die langskwam, de kruidenier die de bestellingen aan huis noteerde, de viskar op vrijdag, de kolenboer in de winter, de voddenman, de facteur die een borrel dronk. Het waren als vrienden aan huis voor de thuiswerkende moeder de vrouw. Dat waren korte contacten, maar zo belangrijk voor een goed gevoel en voor, wat men later zou noemen, de sociale cohesie. Nu haal je alles en nog meer in een grootwarenhuis. Aan de kassa kijken ze niet eens op van hun scanner want het moet vooruit gaan.
Stel dat Filip een melktoer zou hebben, kris kras door het land. Niet zomaar op zijn initiatief, maar op aanvraag van familie en buren die iemand de verrassing van zijn leven willen bezorgen.
Die klant voor 1 dag weet van niks en zit een beetje in zijn keuken te dommelen, wanneer er wordt gebeld. Of beter, wanneer er iemand achterom loopt en op de keukendeur klopt. Het eerste ogenblik denken ze dat ze dromen, want de man die langs het venster passeert lijkt helemaal op de prins van België. Maar deze man heeft een blauwe salopette aan en draagt een ijzeren mandje met 6 flessen melk in. Hij waggelt wel zoals de prins, maar op zijn pet staat Inza, Inzahier. En dan zegt Filip, op zijn enige, onnavolgbare manier: Goeiemorgen deze morgen, t is de melkboer. De verbazing van die mensen dat de prins hen, eenzamen van België, heeft uitverkoren om hen melk te brengen. En Filip die dan enkele zinnen over koetjes en kalfjes praat, ook iets zegt over het weer, hoewel dat al moeilijk kan zijn, want het weer wisselt nogal eens en dan kun je niet met een vaste tekst werken, maar dan, op volkomen natuurlijke en relaxte wijze, om helemaal hun vertrouwen te winnen, drinkt hij tot slot het glas van de vriendschap met hen. Een glas melk natuurlijk. De mensen gaan zo gelukkig en dankbaar zijn dat ze bij de volgende verkiezingen allemaal op Filip willen stemmen. Over het koninkrijk wordt niet meer gesproken. Filip for president. Van melkboer tot prins president. (Alleen Jimmy Carter deed beter: van pindaboer tot president, maar Amerika is groter dan België).
23-02-2007
Wie is er borderline ? Bert Anciaux of zijn kostuum?
Wat scheelt er met Bert? Niet zo lang geleden liet hij zich fotograferen in een te krap geworden chiro-uniform. Vorige week verscheen hij op dikke-truiendag in een wit kostuum in het parlement. Waarschijnlijk hetzelfde dat hij droeg bij Debbie en Nancy. Voor wie het niet gezien heeft, het was en ecru-wit pak, met een handbrede zwarte boord. Aan de mouwen, de revers de onderkant van de vest en de onderkant van de broek. In de jaren 60 was het mode bij Chanel. Voor vrouwen. En toen was het biesje hooguit een vinger breed. Bij Bert leek het dat hij eigenhandig zijn plechtige communie-kostuum met een boordje zwart had aangelengd. Het pak zat nochtans te groot, op de rug, aan de schouders, in de nek, aan de mouwen. Je zag dat hij er zich niet makkelijk in voelde. Hij stond heel de tijd zijn mouwen op te stropen en de vest meer naar achter op de schouders te gooien. En dan moest hij nog fietsen ook. Denk je dat hij die stomme vest daarvoor uitdeed? Helemaal niet, het legitimeerde het stropen van de mouwen voor enkele minuten.
Wie heeft hem tot dat kostuum geïnspireerd? Denkt hij daarmee aanvaard te worden door de cultuurboys? Is dat zijn manier om zich 'uit de naad' te werken voor cultuur? Hoe kun je als minister in clownspak nog ernstig genomen worden? Kan Vic, die toch nog altijd dokter is, Bert geen vaderlijke raad geven? Borderline zou de naam van het kostuum kunnen zijn, maar in feite is het een ernstige persoonlijkheidsstoornis, waarbij de stemmingen sterk kunnen wisselen en de gedachten heel zwart-wit zijn, zoals het kostuum van Bert.
Wij weten natuurlijk niet wat er gebeurt bij de Anciauxs thuis. Voelt hij ons Damienne ontglippen na haar avontuur op Stanleys route en moet hij voor haar iets avontuurlijker uit de hoek komen? Is het toch de kolder in de kop? Je zag zo wie er thuis de broek draagt, met of zonder zwarte boord. Op tv spreekt hij wel manmoedig van ons Damienne, maar ik durf wedden dat hij haar thuis ons moeke noemt.
22-02-2007
Mama Clijsters.
Het was me meteen opgevallen. In haar dankwoordje kwamen na de sponsors en organisator van de Diamond Games Bob Verbeeck, papa Clijsters en zusje Els. Geen mama Clijsters. Een lijstje of 2 bedankingen verder schoot haar plots iemand te binnen die ze niet mocht vergeten: dan toch de mama? Nee hoor, Brian Lynch, haar basketter van Bree. Die moest spelen en kon niet aanwezig zijn, vandaar. Gelukkig was Brians mama er wel, helemaal uit New Jersey of toch van ver. I know youre gonna be a wonderful mother in law, zei Kim. Alsof zij iets van mamas af weet. Als je het zelf zo zeker wil worden, vergeet je je mama toch niet.
Uit haar spagaat ben je geboren en met haar spagaat beroemd geworden. In alle bios kreeg zij de credits voor jouw lenigheid, mama Els Vandecaetsbeek, meervoudig Belgisch turnkampioene. Van pa Clijsters heb je hooguit de voetballersbillen en de mimiek wanneer je geconcentreerd de opslag van de tegenspeelster afwachtte. Het zijn geen van beide kwaliteiten om mee op tv te komen. Ik ken niks van honden, dus vraag me het merk niet, maar Lei trekt tegenwoordig toch wel sterk op een of andere gemene kuitenbijter. Vroeger stonden ze in de lagere school op de inktpotten.
Ik heb jouw mama er altijd van verdacht dat zij jouw tennisrokjes zelf stikte, met een stofke van op de markt van Bree, geknipt naar een patroontje van de blauwe rokjes van de chiroleidsters uit de jaren 60. Ik heb het haar voorbije zondag meteen vergeven. Dat er geen Mexicaanse golf van verontwaardiging door het sportpaleis ging begrijp ik nog altijd niet. Wij hebben in Antwerpen een meer dan gewone verering voor onze moeders. Wij vieren moederkensdag nog altijd met O.L.Vrouw Hemelvaart, zoals het hoort. En wij hebben de onze Lieve Vrouwentoren, waarover La Esterella al sinds mensenheugnis zingt. Op je webstek schreef jouw redacteur over de huldiging dat Kim haar ouders dankte, maar dat is een leugen, we hebben het allemaal gehoord. Mama was er niet meer bij. Op haar plaats zit tegenwoordig Marc Hermans in de box. Het is niet omdat jouw mama en papa gescheiden zijn, dat ze niet allebei dit afscheid mochten meemaken. Kijk naar de ouders van Serena en Venus, die zijn ook gescheiden, maar die zie je toch nog op grote momenten allebei in de box zitten. Of is die vergelijking te zwart/wit voor jou?
Ik vind het spijtig, want ik had nog grootse plannen met jou, Kim. Weet je, op de hoek van de Jan Van Rijswijcklaan en de Desguinlei staat een mooi appartementsgebouw te koop. Het plan was dat jij dat zou kopen, dan zou ik, terwijl jij onder het wakende oog van jouw mother in law kindjes zit te breien in New Jersey, de huurgelden innen en iedere dag vriendelijk goedendag zeggen tegen alle huurders. En als er dan toch eens problemen waren zou ik zeggen, weten jullie wel van wie dit gebouw is? Tot vorige week zouden de mensen dan dankbaar achteruit deinzen en hooguit om een handtekening vragen, die ik dan bereidwillig zou geven, maar nu jij je moeder moedwillig vergeet, hoeft het niet meer voor mij.
Wij Antwerpenaren vieren onze moeders nog op 15 augustus en dat kunnen (willen) ze in Bree of New Jersey niet zeggen.
Love game. Set- & matchpunt.
21-02-2007
Als de Chinchilla song op de radio werd gedraaid...
Ik
heb het grapje wel honderden keren gehoord tijdens mijn legerdienst.
Telkens wanneer ik aan t zingen was: spijtig dat jij niet op de
radio zingt, dan kon ik m uitzetten. Ik moet er ook telkens aan
denken wanneer ik Helmut Lotti op de radio hoor. Wat zeg ik ? Aan
denken. Ik zet de radio uit. Niet dat Lotti geen mooie liedjes zingt,
ze zijn alleen niet meer op die manier herkenbaar. Van classics tot
crooners. Het erge is dat de mensen tegenwoordig niet meer de
originelen kennen en werkelijk geloven dat Helmut mooie liedjes
heeft. Van hèm.
Wanneer
illegale kopieën van originele nummers vernietigd worden, waarom
worden de vervalsingen van Lotti dan wel toegestaan? Hij is niet
minder dan er verantwoordelijk voor dat deze generatie moet opgroeien
met een slechte kopie. Lotti blijft tot het einde van zijn dagen een
soundmixshow in feestverpakking zonder bassen. Hij is een van de
Vlaamse mysteries. Samen met Eddy Wally om nog duidelijkere redenen
en Goedele Liekens. Waarom haalt de VRT die zelfbenoemde vakvrouw in
huis? Ik kan nog begrijpen dat politiekers aan haar mouw trekken.
Haar enige eigenschap maakt haar inderdaad geschikt voor de politiek:
ze kan als geen ander een gesprekspartner onderbreken om dan, zonder
adem te halen en steeds luider voortpratend, haar eigen stelling te
poneren. Vervelend zijn zonder te imponeren, zo zou je het kunnen
noemen.
En
dat brengt me feilloos terug naar de Chinchilla song. Voor de fans
van tien om te zien: we hebben het hier over een boek, niet over de
nieuwe hit van de laatste meidengroep.
In
de aanloop naar de boekenbeurs, wanneer anders, werd er nogal wat
drukte rond gecreëerd. De auteur zou in de gevangenis zitten. Kon
hij dan wel komen tekenen op de boekenbeurs? Goed bedacht, maar
minder volgehouden uitgevoerd. Want achter de auteur/moordenaar
gingen 2 vrienden schuil, die stonden te trappelen om in Humo zelf de
hype met een dubbelinterview op te mogen blazen. Niettemin had de
reclamestunt zijn werk gedaan. De chinchilla song was al op het
lijstje nog te lezen geraakt. Naast het het onverwachte
antwoord van Patricia de Marteleire (schitterend), de wereld is
een schouwtoneel van Walter Zinzen (boeiend), De bekoring
van Hans Münstermann (mooi), Moscou is een gekkenhuis van
Peter dHamecourt (nouja), De wandelaar van Adriaan Van Dis
(déjà vu); het derde huwelijk van Tom Lanoye (zijn beste) en
de helaasheid der dingen van Dimitri Verhulst (het beste).
Ik
lees nogal wat en ben een bereidwillige lezer. Ik supporter onderweg,
heb begrip voor sommige beschrijvingen die het verhaal niet vooruit
helpen, maar het boek wel dikker maken, lees vaak tussen de vingers
en geloof Friedl als zij beweert het beste moet nog komen.
Omdat
ik selectief lees heb ik mij nog nooit geërgerd aan een boek. Tot ik
Chinchilla song las. Niet dat het slecht geschreven zou zijn, ook
niet omwille van de inhoud, of het verspringen in de tijd zonder
enige aanduiding is het hoofdpersonnage kind, oud of getrouwd -
ook niet omdat het voelbaar door 2 auteurs geschreven is. De heren
mogen dan wel beweren dat zij niet meer weten wie wat geschreven
heeft, maar dat is dan toch maar omdat zij dat niet meer willen
herinneren. Waar ik mij aan ergerde en bij momenten het boek daarom
wou weggooien, was de domme herhaling van hun stopzinnetje. Je zet de
radio uit, zoals gezegd, wanneer je een vervelend hitje voor de
zoveelste keer moet aanhoren. Wanneer de auteurs een pagina verder
hun geliefkoosde stopzinnetje herhalen, kun je dat niet uit het boek
scheuren. Je wil wel verder lezen, maar dat zinnetje staat je op de
duur voor ogen, waardoor je de rest van de tekst niet meer ziet. Of
je kijkt uit een ooghoek met gruwel al naar de rechterpagina, terwijl
je op de linker leest, onwillekeurig op zoek naar de volgende
herhaling van het stopzinnetje.
Op
de middelbare school hadden we broeder Nestor die elke zin eindigde
met het teloorgegane nietwaar. Als snotneuzen konden wij daar
mee lachen en zetten vlijtig streepjes. Maar nietwaar is
neutraal, past achter elke zin, doet er geen kwaad. Wat je niet kunt
zeggen van de stopzin van de heren: kun je nagaan. Het staat
zowel op het einde van vrolijke als van bittere zinnen. Het is
meestal, zo niet altijd, misplaatst. Ik ga geen voorbeelden geven,
want dan moet ik er terug doorheen en ik twijfel om te zeggen zoek
het zelf maar op.
In
ieder geval, volgens mij kan het niet dat beide heren het eens waren
over hun stoplap. Eén persoon kan zoiets bedenken, maar dat een
tweede dezelfde dwaze inval heeft is vrijwel uitgesloten of het zou
deel van een een-eiige tweeling moeten zijn, en dat is niet het
geval. Alvorens zij dezelfde trein naar Amsterdam namen waren de
heren nog onbekenden voor elkaar. Maar nog voor ze Amsterdam
bereikten hadden ze al aan elkaar ondermeer beloofd van voor altijd
samen door het leven te gaan, enzovoort, enzoverder (om zelf ook eens
een neutrale stoplap te gebruiken).
Ik
denk dat de sterkste van de 2 het idee heeft gehad en dat dan
opgedrongen heeft aan de andere. Daar moet toch over geruzied zijn
geweest. Onder elkaar en met de eindredacteur en de uitgever. Maar
omdat er geen degelijk tegenwerk was kon dit met voorsprong de
slechtste grap uit de Nederlandstalige literatuur worden. Nooit
eerder zag je de pointe van 247 paginas ver aankomen. Ik heb toch
vluchtig gekeken en meen dat het de eerste keer voorkomt op de
achtste pagina, onderaan: Uit deze mensen kom ik voort, kun je
nagaan. 247 paginas en talloze herhalingen verder eindigt
Chinchilla song met, oh gruwel, Kun je nagaan.
Speelt Clijsters dit jaar nog op de Open VLD?
De naam zegt niet alles, maar toch veel. Neem om te beginnen de naam van zijn bedenker: Meneer Slangen. Hij had al ns voor Verhofstadt gewerkt, vervelde en verleende adviezen aan de CD&V van gouwgenoot Jo Vandeurzen. Maar laat dat geen probleem zijn, slangen hebben een gespleten tong, dat is bekend. Het is ook geweten dat ze hun prooi kunnen hypnotiseren en berucht is het venijn in hun staart. Je kunt de naamsverandering van de VLD bekijken met die slangen-eigenschappen in het achterhoofd.
Het leek of iedereen die er iets over zou kunnen vertellen, gehypnotiseerd was. Zonder zich af te vragen of ze die nieuwe naam wel nodig hadden en of er geen addertjes (=kleine Slangen) onder het gras schuilden, waren ze opgetogen als blije kinderen die al wel mogen weten hoe de kleren van de keizer om te pronken bij de kiezer zullen heten.
Open VLD, mochten wij dan ook weten. In de week die vooraf ging mocht Verhofstadt hier en daar zeggen dat hij open een moderne en toegankelijke term vindt. Niemand zijn mond viel open. Iedereen weet dat Verhofstadt geprogrammeerd wordt en daarbij al eens foutjes gebeuren. Vooral in de timing. Al een geluk dat men hem niet liet zeggen: bij ons staat de deur altijd open, want de kans was groot dat daar toch iemand zou op vragen: Van de ingang of de uitgang? Geen partij die zo makkelijk mensen aan de deur zet als de Open VLD. Zou Slangen voor Open VLD gekozen hebben omdat deze partij er niet in slaagt de rangen gesloten te houden? Alles is nog open duidt evenmin op veel beginselvastheid en daar willen ze wel voor staan. In de zin van: Open Vld staat in deze open samenleving voor breeddenkend, modern, sportief, strijdvaardig. Met sportief denken we natuurlijk aan de gelijkenissen met de US open, de Australian Open en andere open tenniskampioenschappen. Net nu Kim Clijsters er mee stopt. Juju past om zovele redenen niet in het beeld van de VLD. Open of niet. In het tennis betekent Open, trouwens dat iedereen mag meedoen, omdat alleen met de aangesloten leden het maar een saaie bedoening dreigt te worden. Slangen maakt daar zeker van: omdat alleen de besten elkaar dan treffen.
Al goed dat ze voor Open VLD gekozen hebben en niet VLD open, wat Slangen misschien ook wel in het vuur hield. Dan zou hij iedereen eens goed laten lachen met de winkeliersmentaliteit van de VLD. Wij middenstanders houden de winkel altijd open. Tenzij kort na de middag, dan duiken we vaak in de chianti en pasta en zijn dan voor de tijd van een dutje gesloten.
VLD open zou je misleidend ook kunnen lezen als Vlaamse dopen. Dan toch venijn in de staart? Want hoe pijnlijk zou het geweest zijn als gezworen papenvreters belachelijk gemaakt worden met een ritueel waar de tsjeven voor eeuwig het patent op hebben? Natuurlijk zou Slangen in een kronkelende beweging de aandacht verleggen naar studentikoze schachtendopen. De hardwerkende Vlaming heeft vooraf gestudeerd, meneer, en weet wel wat van het leven. En de ouderen zullen blauwblauw hun yacht dopen, met een magnum champagne.
Neen, die Vlaamse dopen zit gevaarlijk dicht bij doping. En iedereen weet dat de keurtroepen van Verhofstadt fietsgekken zijn. Denk maar aan Dewaele, Tommelein, Vanhengel, Denys en anderen, die zich graag al fietsend op de mont Ventoux laten fotograferen. Men zou al vlug over de blauw gedopeerden van Verhofstadt spreken. Met uitzondering van André Denys hebben zij er wel de opgezwollen koppen voor. Als je ze bezig hoort lijken ze toch lichtjes aan de pep of minstens opgefokt door te veel gesneden brood.
VLD Blauw had een betere naam geweest.
Omdat je in de politiek kleur moet bekennen. Vld blauw had, mits goed gepositionneerd, een begrip kunnen worden, een keurmerk. Daar staan wij voor. Wij zijn niet langer een deel van paars. Wij zijn blauw. Iets lichter dan tevoren. De mooiste kleur die er is, geassocieerd met alles wat goed is, zalig, hoopvol, positief. Maar bij de VLD open doet Noel Slangen de deur toe en die is van bronsgroen eikenhout.
20-02-2007
Maak van die hoofddoeken toch geen hoofdzaak...
Nu ik bijna geen haar meer heb op mijn hoofd, mag ik zonder badmuts in het zwembad. Vroeger, toen mijn haren nog lang en belangrijk waren voor mijn imago, moest ik ze willens nillens in een idiote badmuts stoppen. Dat waren de spelregels. Zonder muts kwam je niet in het water. Zo werd ik ook een keer naar huis gestuurd omdat ik hippiegewijs op blote voeten naar school kwam. Het was nochtans geen uniformschool, maar het mocht niet. Uitgesloten. Of je werd uitgesloten. Als iedereen gaat doen waar hij of zij zin in heeft, zegden ze, is de samenleving zoek. Wie zijn eigen regels wil maken moet maar op een eiland gaan wonen. In een samenleving moet je de regels en overeenkomsten volgen. Zeker wie er later bij komt. Het is zo oud als Adam en Eva uit het aards paradijs. Ze konden alles hebben, zolang ze maar van die appelen bleven.
Regels komen uit de overlevering of groeien uit een consensus. Meestal zijn regels en overeenkomsten een afspiegeling van hetgeen in dat tijdsgewricht als een consensus over normen en waarden beschouwd kan worden. Voor de goede werking van een maatschappij, om het leefbaar te houden. Het is gezond dat die regels en reglementen voortdurend onder druk staan, dat de nieuwe tijdsgeest ze in vraag stelt en dat ze kunnen evolueren wanneer de algemene mening evolueert. Vroeger droegen de vrouwen hier ook een hoed of sjaal. En niet alleen in de kerk. Nu draagt alleen het koningshuis nog hoeden, met Fabiola op kop, als levende voorbeelden van mensen die niet evolueren.
Vroeger ging men volledig gekleed pootjebaden vanuit een cabine die tot aan de waterlijn werd getrokken. Ooit deed de minirok meer stof opwaaien dan nodig was om er een te naaien en waren hotpants ook in de populaire betekenis hot. Maar zie, in een slingerbeweging wordt de monokini tegenwoordig terug aangekleed.
Kleding heeft met identiteit te maken. Groepsidentiteit veelal. Wie een parka droeg zat in een andere groep dan zij die bomberjasjes droegen. Je had mods en rockers, Johnnys en Marinas, punkers en gothic. Alleen de jeans bereikt alle groepen van de bevolking. Een dress code staat niet alleen op dure uitnodigingen. Er zijn ook nu nog werkgevers die de lengte van het haar, de keuze van de kleding en het vuil onder de nagels van hun personeel controleren. Is dat erg? Een beetje maar.
Je weet dat wie bij Antwerp wil spelen, in rood en wit moet spelen. Zelfs de eerste burger van t stad, Patrick Janssens, zal daar niet in zijn GBA-uniformpje komen aandraven. Daarom blijft zijn slogan t stad is van iedereen overeind, want hij kent de regels van het spel, wat kan en niet kan. Met zijn managerskwaliteiten zal hij waarschijnlijk zeggen: mannen, iedereen krijgt speelkansen en uitzicht op een vast contract en ik ga voor betere speelpremies pleiten en voor betere accommodatie zorgen, maar vergeet niet: de liefdevolle kleuren van Antwerp zijn rood en wit, dus laat die mauve-witte outfit thuis. Wie dat dan niet doet zet zich buiten de club, zoals Laila Ekchouchou van de blijfvanmijnhoofdoek-club die kost wat kost de hoofddoek wil opdringen.
Janssens zou niet democratisch zijn als hij geen hoofddoeken aan zijn loketten wil? Mag een samenleving, een school, een sportvereniging of een bedrijf nog wel zijn spelregels bepalen, alstublieft? Het zijn de enkelingen die daar misbaar over maken die de democratie niet respecteren. Zij zetten de wereld op zn kop wanneer ze als minderheid even hun regels aan de goegemeente gaan opdringen. Wie ergens lid van wil worden respecteert eerst de reglementen alvorens zijn persoonlijke eisen te stellen. Het is de elementaire beleefdheid. Daar hoeft geen verdere uitleg bij.
Een stad besturen is geen sinecure. Zeker wanneer iedereen zijn eigen wetten maakt.
Iedere morgen maak ik met plezier een kleine wereldreis, die al kleur krijgt in de Driekoningenstraat. Ik ben altijd opnieuw gefascineerd door de chassidim Joden, met hun lange baarden, die als bij Tuizenfloot uitwaaieren als ze brommer rijden en zou het fijne willen weten van hun collectieve manie van hun hoeden met zakjes van de Carrefour of de Delhaize in te pakken wanneer er regen dreigt. In de Provinciestraat lopen Joden en Arabieren als mieren door elkaar en dichterbij de Carnotstraat lopen zwarte Afrikanen heupwiegend en vaak zingend door de straat. Zo verschillend van de kleine drukke stapjes van de Chinezen iets verderop in Chinatown. Ik kijk niet meer op van de totaal Noord-Afrikaanse Diepestraat waar het business as usual is, maar dan in slow motion. Ik schrik alleen wanneer ik via de de Plantin Moretus een binnenweg naar de Turnhoutsebaan neem, en de concentratie zwarte hoofddoeken zie van vrouwen die de kinderen naar Sint Agnes, een uniformschool van de nonnekens, brengen. In de blijde inkomstraat zowaar. Het lijkt wel of ze de school gaan overvallen.
Het ligt niet zozeer aan de zakkleding, want de chassidim vrouwen en kinderen lopen er evenmin getailleerd bij en dat vinden we hooguit weinig aantrekkelijk. De hoofddoek, en hoe die gedragen wordt, bepaalt die overweldigende impact. Zon hoofddoek verbergt niet alleen het haar, maar ook de hals, de oren, het voorhoofd. Het maakt de mensen moeilijk herkenbaar en dat ervaren we als onaangenaam in onze open samenleving. Je gezicht verbergen is tegen de regels. Vraag dat maar aan mensen die een baard en snor hebben. Je zou nu zeggen zo iets banaals, maar hoeveel keer wordt er niet gevraagd of je soms iets te verbergen hebt. Voorschriften, gebruiken, gewoonten. In een moskee doen we de schoenen uit, Amerikanen leggen hun linkerhand op de knie bij het eten, Italianen zijn gekrenkt als je met duim en pink naar hen wijst, want zo wijs je de duivel af en wij, wij hebben niet graag dat iemand zijn gezicht verbergt.
Je krijgt geen solidariteit door op de Groenplaats te protesteren. Solidariteit houdt in dat andersdenkenden met jou meedenken en dat was daar niet het geval. Ook de platform-tekst brengt jullie niet verder dan het argument dat wij moeten luisteren omdat jullie gelijk hebben. Met deze verkeerde signalen wordt de hoofddoek belangrijker dan bijvoorbeeld de gedragingen van jongens die meisjes uitschelden voor hoer en lastigvallen omdat zij zich integreren of, wat het ergste blijkt, verliefd worden op een gewone jongen van hier. Die intolerantie en inmenging in het leven van anderen wordt te weinig benadrukt omdat er zon breekpunt wordt gemaakt van die hoofddoeken. De hoofddoek zet een veel belangrijkere problematiek in de schaduw. Begrijpe wie kan.
In het interview met Joël De Ceulaer in het weekblad Knack vertelt de woordvoerster van blijfvanmijnhoofddoek dat ze de eerste 23 jaar van haar nog jonge leven geen hoofddoek heeft gedragen, maar dat ze er nu klaar voor is. Dus moet iedereen haar nù met die late bekering volgen? De jongedame Ekchouchou is dan wel hier geboren, maar is nog lang niet klaar om hier te leven. Het is voor haar uitgesloten dat ze verliefd zou worden op een man van hier. Haar man zal uit Marokko moeten komen. Mochten er kinderen van komen zullen die in het Arabisch opgevoed worden, met de kleding, de cultuur, de muziek en keuken van het thuisland. Dat die eventuele kinderen een leven overeenkomstig het tijdsbeeld zouden mogen kiezen wordt bij voorbaat uitgesloten. Laat staan dat zij mogen hopen op een beetje spontaan geluk. Open staan voor wat het leven te bieden heeft bijvoorbeeld. Met haar 26 jaar heeft Ekchouchou alvast een verzekering afgesloten die haar moet garanderen dat ze in Marokko begraven zal worden. Is het dan zo verwonderlijk dat wie dit allemaal leest zich afvraagt wat zij hier dan zit te doen? Daarnaast zijn er zovele sans papiers die hier in de korte tijd dat ze hier zijn, hun best doen om de taal te leren, werk te vinden en via de kinderen en de school behoorlijk inburgeren, om Belg te kunnen worden onder de Belgen in de hoop op een beter leven. En dan terug gestuurd worden.
Laat ons niet spreken over die verfoeilijke partij, die denkt dat zij over alles en nog wat het debat mogen claimen. Er zijn genoeg mensen, de overgrote meerderheid zelfs, die wel multicultureel kan denken, zonder vreselijke slogans, maar die zonder bijgedachten klaarheid wil. Zoals een ouder zijn kinderen opvoedt met duidelijke afspraken over wat kan en niet kan, moet een samenleving dat doen op een correcte manier op grotere schaal. En laat alstublieft de verlichting over de hoofddoeken en andere verstarringen neerdalen. Draag ze ondertussen thuis, draag ze in het openbaar in een vereenvoudigde vorm als een gewoon sjaaltje, een hoed, een pet, of vindt er een minder stringent alternatief voor zoals joodse vrouwen die geen pruik willen dragen, hun haar in een soort gehaakte lange muts steken, en voorhoofd, oren, nek en keel vrijlaten. Maar maak er vooral geen hoofdzaak van. Leer van elkaar, trouw onder elkaar, feest, lach en leef samen. Doe gewoon. Maar vergeet niet: wie bij Antwerp wil spelen doet dat in hun liefdevolle kleuren: rood en wit. Zo is dat en niet anders.