In 480 v.Chr. trok Xerxes met zijn leger richting Griekenland.
De Griekse stadstaten verzamelden zich onder leiding van Sparta, wiens
soldaten beschouwd werden als de best getrainde soldaten ter wereld.
Om politieke en religieuze redenen kon het Griekse leger niet op volledige
sterkte aantreden.
Omdat hij de uitkomst van de veldslag al voorzag, koos koning Leonidas van
Sparta zelf 300 hoplieten uit. Bij de 300 waren ook nog eens soldaten vanuit de
buurt geronseld. In totaal bestond het Griekse leger uit ongeveer 4000 man.
Leonidas koos een nauwe pas in de bergen, bij Thermopylae, als de plaats
waar de Grieken de Perzen op zouden wachten. In die tijd was de pas zo nauw dat
slechts twee strijdwagens met moeite naast elkaar konden rijden. Aan de ene
kant was een steile berghelling, aan de andere kant een steile klif.
Xerxes, die niet kon geloven dat slechts zo weinig soldaten tegenover
zijn leger stonden, gaf de Grieken 4 dagen de tijd om terug te trekken. Toen
zijn leger rusteloos begon te worden, gaf hij het bevel aan te vallen.
De Spartanen hadden zich georganiseerd in een FALANX, een opstelling van
hoplieten met een dichte rij schilden en gevelde lansen van verscheidene rijen
diep.
Deze was voor de minder bewapende Perzische infanteristen vrijwel
ondoordringbaar.
De Perzische numerieke overmacht werd daardoor tenietgedaan. Zelfs de
goed getrainde Perzische Onsterfelijken konden niet door de linies van
de Spartanen breken.
De goed getrainde en zwaar bewapende Spartanen richtten een bloedbad aan
onder de Perzen, die er maar niet in slaagden de rangen van de Spartanen te
doorbreken.
DE FALANX
De Spartaanse falanx is de meest
bekende en bestond uit de hopliet, de infanterist waaruit de formatie bestond.
Alle hoplieten werden normaal
opgesteld in een diepte die varieerde van 4 tot 8 rijen. Achter het grote
schild kon de rechterflank van je buurman gedekt worden.