Inhoud blog
  • Te mooi om waar te zijn
  • De afstand wordt overbrugd/2
  • De afstand wordt overbrugd.
  • Hoofdstuk I - De ontmoeting/2
    Zoeken in blog

    Beoordeel dit blog
      Zeer goed
      Goed
      Voldoende
      Nog wat bijwerken
      Nog veel werk aan
     
    Mr.V.
    Les memoires du Roi des Damnées et ses Princes des Morts.
    04-05-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De afstand wordt overbrugd.


    De profundis! klonk de bede,
    De profundis! zuchtte 't huis,
    't huis, en al die knielden mede,
    in godvruchtig stemgedruis.

    (Kerkhofblommen, Guido Gezelle 1858)

     

    2 De afstand wordt overbrugd

    Calder: ‘Spreken we af volgend weekend?’

    Ik: ‘Neen helaas, volgende week heb ik de plechtige communie van mijn neefje. Maar het weekend nadien kan perfect.’

    Calder: ‘Ik wil je echt beter leren kennen en ik wil gerust naar Brugge komen. Ik geloof niet sterk in lange afstandsrelaties, maar nu wel. We zien wel waar we uit komen.’

    Ik: ‘Dat klopt. Volgende week heb ik een eerste communie van een dochter van een kennis van mij. Ik ga naar de communie in de kerk, want dat heb ik beloofd. Daarna is er een glaasje op de receptie, dan blijf je maar een uurtje of twee in mijn huis en kom ik nadien weer bij jou. Anders ik zal het eens bekijken en houd je op de hoogte.’

    Calder: ‘Ja, lijkt me prima, dan kan ik zaterdag naar je toe komen. Na je examen.’

    Calder en ik spreken elkaar vaker die dagen via de verschillende media. Het contact loopt vlotjes, we stemmen de snaren op verschillende vlakken en is veelbelovend. Natuurlijk wil ik hem ook terug zien, maar helaas is het nu niet mogelijk. Er staan andere katten op de agenda die gegeseld moeten worden. Wachten is de boodschap.

    Ik moet het zien te regelen bij madame Sjeremetjev, de vrouw van Dr Sjeremetjev. Hem ken ik al een paar decennia en reken ik tot mijn beste vrienden. Madame is een Spaanse, maar ik spreek altijd Frans met haar. Ze heeft zo’n leuk accent. Ze beschikt over een passionele vurigheid en humor zoals we die van Spaanse furies kunnen verwachten. Madame Sjeremetjev is een en al positieve energie en heb ik in die vijftien jaar dat ik haar ken nog nooit een kwaad woord over iemand horen vertellen. Ze houdt van bloemen en decors, en heeft een mooie zelf ingerichte tuinkamer waar ze haar gasten ontvangt. Zo ben ik vandaag gevraagd voor een dinertje in de Le Hameau de Madame, zoals ik haar tuinkamer bewierook.

    -          ‘Monsieur Jean-Baptiste, ben je klaar voor de eerste communie van Isabella?’

    -          ‘Jawel, madame Sjeremetjev, ik kom naar de communie en daarna zal ik ook een uurtje blijven op de receptie.’

    -          ‘Kom je niet eten nadien op het kasteel van haar dooppeter?’

    -          ‘Ja graag, madame, maar het zit zo. Ik heb bezoek volgend weekend en die jongen komt van ver, dus wil ik hem ook niet lang alleen laten.’

    -          ‘Oooh, monsieur Jean-Baptiste, voel ik iets?’ Ze kijkt me ondervragend aan met een deugdelijke glans in haar ogen: ‘Wie is het? Heb je een foto?’

    -          Ik glimlach: ‘Kijk, hier heb ik een foto van hem.’

    -          Oooh, dat is een mooie jongen! Een eendagsvlieg of denk je aan meer? Madame Hortensiaaa!’ roept ze door de kamers. ‘Madame Hortensia! Kom eens kijken wie monsieur Jean-Baptiste heeft leren kennen.’

    -          Madame Hortensia komt uit de keuken met een voorschoot aan. Ze vertoont net als altijd een brede lach op haar gezicht en kijkt naar de foto. ‘Oooh monsieur Jean-Baptiste, dat is een knappe jongen. Komt hij mee volgende week naar de communie van Isabella? We zetten voor hem graag een bordje bij.’

    -          ‘Ja, dat zou mooi zijn, maar ik wil me zeker niet opdringen. Het is inderdaad nog pril, maar ik voel wel dat het iets kan worden. Hij heet Calder.’

    -          ‘Calder? Mooi, neem hem maar mee. Hij is blond en knap, en we willen hem zeker leren kennen!’

    -          ‘Ok, dan zal ik hem dat meedelen. Bedankt in elk geval, dames!’

    Het weekend breekt aan. Uitzonderlijk moet ik niet werken op zaterdag omdat mijn ouders een uitje maken met vrienden naar Frankrijk. Calder komt ongeveer tegen twee uur in de namiddag aan in het station van Brugge. Ik sta hem op te wachten. Daar is hij. Gepakt en gezakt. Zijn haren staan wat wild door elkaar. Hij draagt een geruit hemd en een korte grijze broek. De tattoo op zijn linkerbeen komt even vanonder de zoom.

    -          ‘Ja, mijn haren zien er niet uit, want ik heb me snel moeten klaarmaken om hier op tijd te raken. De trein zat vol met toeristen voor de kust en al die kinderen. Ik ben bekaf! steekt hij van wal.

    -          Ik geef hem een zoen: ‘Ik ben gelukkig dat je er bent. Je haar is leuk zo, lekker speels. Kom, mijn auto staat daar. Gaan we een ritje maken naar zee? Zeebrugge is een makkelijke badplaats en best dichtbij. We raken er hopelijk ook gemakkelijk de auto kwijt. Laat me je spullen maar in de kofferbak laden.’

    -          ‘Je hebt een mooie auto.’

    -          ‘Ja, een Mercedes, hij is veertig jaar oud en heeft amper 160.000 km op de teller. Ik wil met niets anders rijden.’

    Ik doe voor hem de deur open, laad alles in en neem plaats om te rijden. Ik geef hem een knipoog en wrijf even over zijn bil. Hij haalt diep adem, zucht en kijkt me met voldoening aan. We rijden richting Zeebrugge. Ondertussen vertel ik hem een beetje over de geschiedenis en de bestuursinrichting van Brugge en leg hem uit dat Zeebrugge ook onder het stadsbestuur van Brugge valt. We vinden inderdaad snel parking en lopen een eindje langs het strand. Nog best veel wind, maar wel een mooie zonnige dag. Op een terrasje op de dijk:

    -          ‘Wat mag het zijn voor de heren?’ vraagt een zwarte ober.

    -          Ik voer de bestelling: ‘Twee limonades en twee banana splits met slagroom.’

    -          ‘De limonade met een strootje voor mij alstublieft.’ valt Calder in. ‘Want in limonade zitten zo veel suikers dat het slecht is voor de tanden als je die drinkt aan het glas. En mijn tanden zijn mijn handelsmerk.’

    De naoorlogse Belgische kust is een van de lelijkste en meest onaangename van de wereld denk ik. Ze staat vol met flatgebouwen waarbij het motto luidt: ‘Elke centimeter brengt geld op!’ Die flatgebouwen zijn danig hoog dat je op de dijk in de namiddag altijd in de schaduw loopt. Op de koudere dagen drijft de wind het zand zo op dat het eigenlijk meer een worsteling is om je tegen de noorderwind te verzetten dan een deugddoende wandeling en een frisse neus te halen. Wat een contrast met een kleine honderd jaar geleden. Toen de art-nouveau nog zegevierde en de Belgische kust een internationale grandeur genoot. Toen spraken we bijvoorbeeld nog van Oostende, ‘de koningin der badsteden’. Met de staart tussen de benen heeft Oostende zijn eretitel moeten veranderen naar ‘stad aan zee’. Wat een achteruitgang. Nu staan enkel nog minieme restanten van dat roemrijke verleden gedrongen tussen afschuwelijke flats in glas en beton. Duinen of natuurgebied heb je bijna niet meer en in tegenstelling tot de buurlanden Frankrijk en Nederland is de Belgische kust een letterlijk trekgat geworden voor de inlanders. In het Maritiem Museum van Zeebrugge verwoorden ze het als volgt: ‘Na 1960 komt het massatoerisme op volle toeren en trekt de elite zich terug in Knocke-le-Zoute. Ver weg van het gepeupel.’

    -          ‘Wat een decoratief huis! Woon je hier alleen? Het is wel apart ingericht. Niet meteen hoe ik het zou inrichten, maar wel heel mooi.

    -          ‘Dank je. Ik woon hier alleen.’

    -          ‘Mooie schilderijen heb je hier hangen. Is dat een zelfportret dat je geschilderd hebt van toen je jong was?’

    -          ‘Neen, dat is Adelmo, maar over hem vertel ik je later wel. Laten we eerst een douche nemen en je spullen uitpakken. Kom je mee naar boven? Ik geef je een korte rondleiding, zo weet je alles zijn in huis en kan je je op je gemak nestelen.’

    -          ‘Is goed.’

    -          ‘Dit is de kleedkamer, laten we hier je koffers plaatsen. Is deze hoek voldoende voor je?’

    -          ‘Ja hoor.’

    -          ‘We gaan het gezellig maar niet te laat maken. Morgen hebben we het communiefeest van Isabella en we worden om tien uur ’s morgens verwacht.’ 

    Zondag. Om acht uur gaat de wekker. Calder wrijft zijn ogen uit. Hij straalt en ziet er zo knap uit. We nemen elk een douche en hij is even in paniek over wat hij aan zal trekken.

    -          ‘Jij ziet er zo mooi uit met die officiersjas en ik heb maar een zwart hemd en een zwart jasje. Is deze jas echt?’

    -          ‘Ja, het is een echte zomerjas van de Belgische officieren uit de periode van koningen Leopold III en Boudewijn I. Kijk naar het statieportret hier van koning Leopold III. Zie je zijn jas? Het is dezelfde. Maar Calder, je zult schitteren, kijk eens naar je engelengezichtje!’ Hij lacht.

    -          ‘Jij hebt duidelijk smaak.’

    -          ‘Jij hebt ook smaak, anders was je hier niet. Maar als ik je een tip mag geven ... De regel zegt: het onderste knopje van je jas altijd open laten. Als je gaat zitten, doe je alle knopjes open en als je recht gaat staan, doe je ze weer dicht, maar het onderste laat je altijd open. Daaraan herken je iemand met stijl. Net zoals aan tafelmanieren.’

    -          ‘Ik vind het mooier als ze allemaal dicht zijn.’ besluit Calder.

    Hij had immers zich al volledig op mijn adviezen gekleed en zag er beeldig uit. Misschien was dit knopje nog het enige dat hij als symbool van zijn persoonlijkheid kon vasthouden.

    Te voet gaan we naar de kerk. Madame Sjeremetjev en madame Hortensia zien ons binnen komen en wenken ons dat ze een plaatsje hebben gereserveerd. We groeten en volgen de mis. Isabella is flink, zoals elke eerste communicant. Calder neemt zachtjes mijn hand vast. Ik voel mij hierdoor een klein beetje ongemakkelijk, want ik doe dat normaal niet. Zo ben ik niet opgevoed. Maar het is discreet en ik neem er vrede mee. Ik moet toch ook leren dat tijden evolueren en dat ik het best mee evolueer. Madame Sjeremetjev neemt de rol van fotograaf op zich.

    -          ‘Niemand moet foto’s nemen, want anders is iedereen bezig met zijn gsm en dat heeft geen stijl. Ik neem de foto’s van de dag.’ Legt ze ons uit in een gebroken Nederlands. Madame Sjeremetjev is een Spaanse.

    Na de mis is er een kleine receptie in de school en genieten we van een zonovergoten speelplaats tussen oude strenge gebouwen. Dr Sjeremetjev, mijn goede inspirerende, maar uiterst eigenzinnige vriend en de echtgenoot van de veel jongere madame Sjeremetjev, hadden we al gezien in de kerk. Hij is een afstammeling van graaf Sjeremetjev, de familie die de burgemeesters van Moskou heeft geleverd tot de Russische revolutie. Dr Sjeremetjev heeft lak aan bestuur door dummy’s. Zo meet hij zich maar al te graag met het stadsbestuur en wint dan ook elke veldslag met glans. Op die manier geeft hij gestalte aan zijn nobele afkomst. Hij is immers doctor in de kunstwetenschappen en beschikt over een klare kijk op de dingen. Noem het, zo je wil, gezond boerenverstand. Doordat hij het leven zo nuchter doorziet zien velen in hem ook een excentriekeling. In een opzicht is hij dat ook. Hij houdt niet van het banale en heeft een uitgesproken respect voor tradities, normen en waarden. Drie noodzakelijke componenten die en masse worden uitgeroeid en met de voeten getreden in de huidige maatschappij. Hervormingen en vernieuwen, daar zijn onze beleidsmakers mee bezig, terwijl de oplossingen in de tradities liggen. Daar keert men altijd op terug. Dr Sjeremetjev is mijn eminence grise, mijn leraar en mijn voorbeeld. Als wandelende encyclopedie kan Dr Sjeremetjev die toch ondertussen wel meer dan vijfenzeventig lentes telt als een ware meesterverteller, met een knappe Franse ‘-r’ en het nodige theater, mensen boeien met verhalen uit zijn levenswandel, kunst, poëzie en muziek.

    Zoals we van hem kunnen verwachten, is Dr Sjeremetjev iets later aangekomen en zit hij achteraan. Hij loopt eerst statig door de middengang tot vooraan in de kerk. Zijn illustere verschijning en zijn aristocratische profiel stralen een zelfverzekerdheid uit. Hij draagt een zwart kostuum met een lange negentiende-eeuwse overjas. Zijn zwarte haren zijn achteruit gekamd. Iedereen heeft gezien hoe hij cryptisch de kerk binnenschuift en de rijen mensen afspeurt. Tijdens de receptie stel ik hem Calder voor. Dr Sjeremetjev spreekt een poosje met Calder en zo te zien hebben ze een goed contact. Madame Sjeremetjev neemt foto’s van het hele gebeuren en even later beslissen we door te gaan naar het kasteel van Isabella’s dooppeter.

    Het kasteel ligt net buiten de Smedenpoort aan de Singel. De toegangspoort gaat open en we komen in een grote jardin met oude loofbomen. Iets verderop staat het kasteel, lichtjes in de hoogte.

    -          ‘Welkom monsieur Jean-Baptiste en je bevallige vriend, die ik nog niet eerder heb mogen ontmoeten,’ zegt de gastheer.

    -          ‘Monsieur, bedankt voor de uitnodiging. Dit is Calder. Is hij mijn nieuwe vlam, mijn bosbrand, ik weet het nog niet goed, maar de tijd zal het wel vertellen.’ antwoord ik eerder bescheiden. ‘In elk geval monsieur, hij is hier nu en daar gaan we op verder bouwen.’

    -          ‘Dat geloof ik best, monsieur Jean-Baptiste. Ik heb de tafels buiten gezet, want het is zo’n mooi weer dat we gek zouden zijn binnen te kruipen. Vind je niet?’

    -          ‘Helemaal akkoord, waar mogen we plaats nemen?’

    Calder en ik schuiven aan tafel en Calder knijpt zijn snoet helemaal samen. Het is precies een tic nerveus die hij uitvoert wanneer hij verlegen raakt door intens geluk. Als hij die tic heeft dan maakt het hem zo superschattig en smelt mijn hart. Dr Sjeremetjev zit naast me aan tafel. Hij stelt een aantal vragen en vind Calder, die hij wel al meermaals Adelmo heeft genoemd, een leuke partij. Calder valt duidelijk in de smaak. Madame Sjeremetjev neemt plaats recht tegenover ons. Met haar mooie hoed heeft ze, de uitstraling van de koningin van Engeland, vind ik.

    Toch, een paar uur later en waarschijnlijk door de zon slaat de alcohol in bij madame Sjeremetjev. Dr Sjeremetjev is dan al vertrokken naar zijn stadskasteel en we brengen haar naar huis samen met een vriendin.

    Calder en ik gaan even binnen met madame Sjeremetjev in het grote mysterieuze stadskasteel van Dr Sjeremetjev. Ze wil even haar neus poederen en duwt haar camera in de handen van Calder. We horen een bonk. Calder en ik gaan kijken wat er gebeurd is. Madame Sjeremetjev had haar evenwicht verloren en grabbelt weer recht. Haar hoed staat scheef, maar ze verzekert ons dat het haar lukt. Best een grappig zicht. De chique madame Sjeremetjev, die daar eerst zo plechtig aan tafel zat, ligt nu tussen de toiletten. We wachten even in de binnenhof en Calder maakt met de camera van madame Sjeremetjev een selfie van ons twee. Hij wil kijken of de foto gelukt is en drukt op een knop. “Borrar todas las imágenes” verschijnt er op de display en Calder drukt nog een keer.

    -          ‘Calder, neen! Wat doe je?’

    -          Calder haalt zijn schouders op en zegt: ‘Ik versta geen Spaans.’

    Nu zijn alle foto’s uit de camera gewist van Isabella haar communie. Hopelijk is het geen waar, anders heeft dat kind geen enkel document van deze wondermooie dag. Madame Sjeremetjev is nu niet in staat om te controleren wat er effectief met die foto’s is gebeurd en was al in haar bed gedoken. Calder en ik gaan richting huis, waar we ons even rustig verfrissen.

    We gaan nog een glas gaan drinken bij Dr Sjeremetjev. De pianist Joseph is er ook. Ik zing samen met hem een lied. 'Laat me – vivre', Calder zit in een hoekje en luistert. Hij vindt het mooi en krijgt tranen in zijn ogen – een kippenvelmoment zegt hij. Dr Sjeremetjev vertrouwt me toe dat hij Calder een goede partij vindt.

    -          ‘Jong, knap, toegankelijk, sociaal, maar, monsieur Jean-Baptiste, neem me niet kwalijk dat ik het zeg, het is een meisje hé.’ lacht mijn goede vriend Dr Sjeremetjev.

    We gaan vroeg naar huis, want morgen moet ik twee presentaties geven, eentje om acht uur dertig en eentje om één uur dertig. Calder kan rustig uitslapen.

    -          ‘Jij moet wel van het koningshuis houden, dat je bijna in elke ruimte van je huis een portret van een koning hangen hebt.’

    -          ‘Klopt Calder. Ik ben een echte royalist!’

    -          ‘Ik niet hoor. Voor mijn part mogen ze alle leden van de koninklijke familie tegen de muur zetten en afknallen. Die bende leeft op ons geld en wij maar betalen…’

    -          ‘Calder, ik wil niet dat er zo’n taal in mijn huis gesproken wordt. Je moet binnen enkele ogenblikken je trein halen. Ik breng je wel naar het station.’

    -          ‘Ja, het is toch waar? Waarom zou je nu voor het koningshuis zijn? Die doen niets en kosten handen vol geld.’

    -          ‘Calder! Waarop baseer jij je om zo’n uitspraken te doen?’

    -          ‘Gewoon, dat is toch zo? Dat weet ik.’

    -          ‘Calder, dit slaat nergens op en kan niet dienen als een mooie afsluiter van een prachtig weekend! Je moet vooraleer je zulke uitspraken doet ook weten waarom je zo iets zegt. Als ik zeg dat ik een royalist ben, dan fundeer ik grondig mijn mening.’

    -          ‘Jij mag zeggen wat je wilt, maar ook ik heb recht op mijn mening.’

    -          ‘Calder, hou op! Binnen vijf minuten heb je je trein.’

    Hij zit op de trein, voor een reis van ongeveer drie uur tot hij weer thuis is. Ik vind dat een waardevolle prestatie. Adelmo deed dat ook. Bijzonder.

    Maar het koningshuis tegen de muur zetten en afknallen, dat zou Adelmo nooit hebben gezegd. Hij was zelf een royalist en als hij ergens geen mening over had of niet over had gestudeerd, dan schaarde hij zich voor honderd procent achter mijn mening. Ik mis hem.

    Wat een rotgevoel geeft Calder mij nu. Zo’n mooi weekend en eindigen in mineur. Het koningshuis uitroeien. Hoe plebejisch kan je denken? De koning, is zijn hele leven opgeleid om het land naar best vermogen te besturen. Een president wordt doorgaans om de vier jaar met veel rompslomp en peperdure campagnes en verkiezingsrondes verkozen. Nooit door een meerderheid, maar door een minderheid. Koning Albert II zat bijvoorbeeld twintig jaar op de Belgische troon. Dus zijn er vijf presidentiële verkiezingen uitgespaard. De koning is, in tegenstelling tot een president, niet politiek gekleurd en vertegenwoordigd een volledige natie. Ongeveer vijfenzeventig procent van de Belgen staat achter hun koning, daar kan een president slechts van dromen. De koning wordt ontvangen door alle staatshoofden, zelfs bij de communistische Chinese president. De minister-president van Vlaanderen raakte niet verder dan de burgemeester van Peking. Als een prins op handelsmissie vertrekt dan rijft hij contracten binnen en wordt met alle royalty’s ontvangen. Koningen hebben allure en in het buitenland kan dat tellen! Ze geven het land een bijzonder imago en stabiliteit. Dat is nodig in een wereld die steeds in verandering is. Zelfs Poetin, de Russische president heeft voorgesteld om de keizerlijke familie opnieuw te installeren, wel zonder politieke macht, om het imago van Rusland opnieuw op te krikken.

    Het hangt ook weer af van de media. In Nederland bijvoorbeeld bestaat er iets als positieve communicatie over het koningshuis. Nederlanders vieren dan ook uitbundig de koninklijke feestdagen zoals Koningsdag. Geheel Nederland kleurt dan oranje en er ontstaat ook een hecht volksfeest. Als je Nederlanders vraagt of hun koning veel geld kost, dan zeggen ze ‘misschien, maar hij brengt ook tien keer meer geld in de schatkist!’

    In België ligt dat anders. Hier hebben we de soort van misnoegde separatisten, die volgens mij nog steeds verstokt zitten in een soort sociale revolutie van de jaren vijfig. Omdat de rijkere Vlaamse burgerij Franstalig was, ervaarde ze alles wat Franstalig is als de onderdrukkers, de bazen. Sommige politici pinnen zich daarop vast en proberen daar politiek garen uit te spinnen. Wat uiteindelijk symbool staat voor zowel de Franstaligen, de rijken en de eenheid van België is het koningshuis. En dat is dan hun natuurlijke vijand terwijl niets van dat alles te maken heeft met goed bestuur. Het Nederlands staat in België immers al lang gelijk aan het Frans en dus zijn de beginselverklaringen van de Vlaamse beweging al lang ingevuld en is die Vlaamse beweging bijgevolg, volledig achterhaald. Enkel een aantal bijters gaan voor een onafhankelijke Vlaamse staat, uit schrik dat ze anders geen inkomsten zouden genieten van de Belgische staat. Of Vlaanderen beter zal boeren dan België, kan hen worst wezen. Het gaat erom dat ze ooit met een strijd zijn begonnen en die willen verder zetten. Extremisten zijn het.

    Anderzijds is het nu meer dan duidelijk geworden dat de roep naar federalisering van België in zes peperdure regeringen inefficiënt is en dat dat ons land volledig belachelijk maakt. Niet alleen belachelijk, maar ook ontzettend duur. Dat beginnen de Belgen goed te voelen in hun portemonnee. Het is dan nog erger te weten dat zo’n vaudeville alleen opgezet kan worden in een rijk land. Dit land dat zijn grootste rijkdommen te danken heeft aan de Congopolitiek van koning Leopold II.

    Een constitutionele monarchie zou volgens mij iedereen gelukkig moeten maken. De royalisten hebben een koning en de republikeinen hebben hun premier. Al wordt de premier in België niet door het volk verkozen, maar door de partijen aangeduid. Dit is geen democratie, dit is een particratie. Daarbij is het steeds voor een helft van de kiezers onmogelijk om op de premier te stemmen omdat er niet iets bestaat als een federale kieskring, wat totaal onlogisch en ondemocratisch is.

    Dan nog het argument van het geboorterecht. Wanneer je wordt geboren in een koninklijke wieg, is de kans groot dat je zelf koning wordt. Alleen door geboorte. Ja, daar zal onze Kimberly Verkest van kunnen meespreken. Het begint toch allemaal met waar onze wieg staat? Voor de een is het een wieg met veel erfenissen die staan te wachten van familie en voor de ander is het een wieg die niets te bieden heeft. De een zal zijn vader opvolgen als fabrieksdirecteur of zal mogelijkheden krijgen van zijn ouders om te studeren, anderen die bij voorbaat gedoemd te werken voor een hongerloon, net als hun ouders. Ik spreek dan nog niet van de verschillen in landen waar je wieg staat. Je kunt maar beter geboren worden in België dan in Zimbabwe. Wat dan met de nieuwe dynastieën die in de schoot van de zogenaamde democratie zijn geboren? Zonen en dochters met namen als Coens, Tobback, De Croo, De Gught, De Clercq, Michel, Van den Bossche. Het zijn toch allemaal kinderen voor wie vader of grootvader de weg heeft geplaveid. En daar neemt het volk dan plots wel genoegen mee. Door iemand geboorterecht toe te kennen en te laten erkennen, sluit je andere kemphaantjes uit van machtshonger. Het is een geolied systeem dat in vele culturen voorkomt en werkt. Het gaat in deze niet om meer of minder te zijn, dat zou ons leiden tot democratisch denken en zo middenklasse mogen we niet zijn. Het gaat er om dat elk uurwerk pas werkt wanneer alle radartjes aanwezig zijn en ook ten volle gewaardeerd en gerespecteerd worden. De kennis van dat laatste zit in het koninklijk geboorterecht ingebakken. Daarom hield Louis XVI ook zo van uurwerken maken. Argmentum ad populum.

    Ik kan me daar nu zo druk in maken. Wanneer ik ’s avonds in bed kruip, zie ik bij het openslaan van de deken op mijn hoofdkussen een treinbiljet liggen met opschrift:

                    “Het was zalig, ik mis je nu al. XXX - Calder”

    Hij scoort!

    04-05-2016 om 00:00 geschreven door Rubèn Cottenjé de Dauphin  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (3 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    06-04-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Hoofdstuk I - De ontmoeting/2

    Hij geeft me een kus en stelt mij voor aan vrienden van wie ik de naam niet meer kan herinneren. Ik heb die mensen na die nacht dan ook nooit meer gezien. We staan wat te dansen, want een diepzinnig gesprek is precies niet zo aangewezen op deze plaats. Hij neemt mijn hand vast en neemt me mee naar de bar.

    -          ‘Wens je nog iets te drinken?’

    -          ‘Een biertje, dank.’

    -          ‘Een biértje? Drink je een biértje? Oh, ik had van jou wel iets sjieker verwacht hoor.’ Zegt hij met een intonatie, als die van een schooljuf die tegen haar leerlingen spreekt.

    -          ‘Neen, een biertje’ hou ik vol. ‘Wat drink jij misschien?’

    -          ‘Ik drink een frisdrankje. Straks ga ik iets nemen en daarbij is alcohol niet zo’n beste combinatie. Wil je dan ook wat?’

    -          Ik stem toe: ‘Ja, zolang het maar gezellig wordt.’

    Hij gaat terug naar zijn vrienden. Die doen inderdaad een geut van iets dat in een kleine flacon zit in het frisdrankje en geven het door. Ik geef hem mijn frisdrankje en nadat hetzelfde ritueel zich voltrok zuigen we elk ons drankje gelijktijdig op.

    -          ‘Wil je nog een drankje?’ stel ik hem voor.

    -          ‘Ja, graag!’ glimlacht hij me vriendelijk toe.

    -          ‘Prima, blijf jij maar hier. Ik ga het bij de bar halen.’

    Ik voel me na een twintigtal minuten helemaal licht worden in mijn hoofd. Het feest wordt plezierig en Calder kust hartstochtelijk. Hij kust vertrouwd, net alsof wij elkaar al jaren kennen. Ik kijk om me heen en zie horden jongens die donkere kamers binnen en buiten lopen. De een al meer bezweet als de ander. Niemand lijkt nuchter. Het is heus niet van de alcohol dat ze bekken trekken en hun ogen wijd staren. Maar, ik amuseer me. Het hoogfeest van L’Opéra!

    Hier en daar een gekende. Gesprekken als: ‘Wat zie je er weer goed uit’, ‘Lang geleden’, ‘Is dat je vriendje?’ zijn schering en inslag. Maar verder dan dat vlot geen gesprek. Calder heeft ondertussen mijn hand vast.

    -          ‘Hey Calder! Lang geleden, is dat je nieuw vriendje?’ vraagt een knul die er toch flink bedwelmd uit ziet.

    -          ‘Ja, ik weet het niet, want ik ken hem nog maar pas. Maar laat ons zeggen voor vannacht, van wel.’ Hij geeft me een knipoog en vraagt: ‘Niet?’

    -          Ik zeg niets, geef hem een zwoele kus, hij glundert.

    Ik zie Calder ondertussen ook wel veranderen door de inhoud van het drankje. Hij trekt mij mee de donkere kamers binnen. Het is er snikheet. Jongens hoor je zuchten, kermen, neuken en kussen. De kamers zijn inderdaad pikdonker. Enkel een klein rood waaklicht geeft een kleine indicatie van waar de muur zich bevindt. Verder voel je bezwete naakte lichamen van de jongens, het klef tegen elkaar klotsen van billen en konten. Ik word betast door god-weet-wie maar Calder houdt stevig mijn hand vast terwijl we ons door de massa wurmen. We worden doorheen de hele ommegang betast aan borst, billen, kont en in ons kruis. Ik weer de handen van me af tot Calder me mee trekt in een rustig hoekje van dit duistere labyrint.

    Calder begint me hevig en passioneel te kussen. Zijn handen voelen over mijn lijf. Ik tast met mijn handen over zijn fijn uitgehouwen gezicht. Het verlangen naar elkaar voltrekt zich. Zijn adem ruikt fris naar pepermunt, want hij heeft een kauwgom in zijn mond en dat vind ik nog zo lekker. Bevlogen genieten we van de mannenliefde alsof we elkaar al jaren kennen.

    -          ‘Je hebt niet gelogen!’

    -          ‘Probeer ik nooit te doen.’ zeg ik.

    Nadat Calder en ik uitvoerig met elkaar hebben kennis gemaakt in deze vunzige kamers en daarbij op geen enkel obstakel zijn gebotst, komen we terug bij de vrienden.

    -          ‘Jullie zien er zo heerlijk bezweet uit!’ merkt een van hen op.

    -          ‘Ja, je zou voor minder met zo’n beest bij je,’ repliceert Calder fier.

    -          ‘Willen jullie nog wat spul?’ vraagt een andere.

    -          ‘Wij zeggen geen neen.’

    We worden allen redelijk stoned en hitsig. Het feest draaft in volle galop. Calder vertelt plots honderduit met zijn diepe mooie stem en zijn eigenzinnige verhaalstijl. Hij herhaalt woorden die hij kracht wil bijzetten inderdaad altijd meerdere keren en ik vind dat zo heerlijk. Wim komt voorbij met zijn nieuwe vriend uit Amsterdam.

    -          ‘Hey Jean-Baptiste, alles goed? Je ziet er weer lekker uit en wie is die jongeling naast je?’ Wil Wim weten.

    -          ‘Dat is Calder. Knap hé? Wie weet zit er toekomst in deze wilde nacht!’

    -          ‘Ja inderdaad. Jij weet ze ook telkens weer uit te kiezen. Weet je eigenlijk al meer over wat gebeurd is met Adelmo?’

    -          ‘Neen, momenteel geen doorbraak.’

    De Amsterdammer laat Calder niet koud.

    -          ‘Wie is die wulpse knul die bij jouw vriend is die daarnet tegen je sprak?’

    -          ‘Och, die ken ik niet. Dat is de nieuwe vriend van Wim.’

    -          ‘Kom we gaan ze volgen in de donkere kamers’.

    We gaan terug naar binnen. Wim en zijn vriend zijn met nog een paar jongens aan het zoenen. Calder mengt zich en neemt die Amsterdammer goed voor zijn rekening. Ondertussen is er andere jongen die zijn zinnen op mij zet en ik laat me, onder invloed van het extract, gaan.

    Een goede vriend Herman, heteroseksueel vroeg me ooit: ‘Maar wat jullie daar beleven in L’Opéra, dat is toch alle waardigheid voorbij? Ik kan me niet voorstellen dat ik ooit zoiets zou doen. Het lijkt me ook vies om zo met iedereen seks te hebben.’ Ik stelde hem de volgende situatie voor: ‘Kijk Herman, jij gaat naar een club waar drieduizend knappe vrouwen, topless rondlopen. Geen andere man in de buurt, alleen jij. Die vrouwen hebben allemaal zin in seks met een man. In die club zijn er ruimtes voorzien waar je met de vrouwen, die doorgaans heel open van geest zijn en het ook met meerdere vrouwen doen, seks kan hebben. Wat ga je doen?’ Herman zijn ogen blinken: ‘Ja, ik begrijp het. Ik zou het ook doen! Ik zou de mooiste meisjes uitkiezen en daar voluit seks mee hebben. Zeker wanneer ik een beetje tipsy zou zijn.’ ‘Wel Herman, technisch gezien kan je dat voor jou slechts uitzonderlijk organiseren, maar voor mannen die graag met mannen seks hebben, is dat dus perfect mogelijk.’

    Het is acht uur ’s morgens. Calder en ik staan aan de vestiaire om onze rugzakken op te halen. Tijdens het wachten geeft hij me een kus. Ik bedenk dat het welletjes is geweest, we hebben gedanst, seks gehad, met elkaar en met andere jongens. Hier loopt het voor mij op zijn einde. Straks rustig terug naar Brugge. Calder praat nog even met een jongen die in een rij naast ons staat te wachten.

    -          ‘Ga je nog mee naar een afterparty?’ vraagt hij met uitnodigende stem.

    -          ‘Waar is die?’ wil ik weten en hij vraagt het even.

    -          ‘Bij Kurt, hier in Brussel, ik ben daar ooit al eens geweest. Alles is er lekker voor handen en er zijn daar normaal gezien ook veel zwartjes. Ik heb een zwak voor zwartjes. Kom, ga mee!’

    -          ‘Hoe gaan we daarheen?’

    -          ‘Kijk, we gaan met een taxi en die jongens gaan ook. We kunnen de onkosten delen.’

    Ik heb het eerlijk gezegd wel gehad. Anderzijds, denk ik dan, ik ben nu hier in Brussel, morgen kan ik ook uitrusten en als het me daar niet aanstaat, kan ik van daaruit ook nog altijd vertrekken. Ik ben aan niemand iets verplicht. Calder gaat en ik wil weten wie hij is. Dus de beste manier om dat te weten te komen is mee gaan. Ik stem in. We krijgen onze rugzakken terug. Trekken onze kleren aan en wachten op de andere jongens. Ik bekijk die jongens goed. In elk geval zijn ze mijn type niet. Het zijn Nederlanders die wel wat gewoon lijken te zijn. Die een is zelfs een beetje aan de mollige kant. Naast Calder is ook iedereen wel een beetje mollig.

    We gaan naar buiten, nog een euro voor de portiers en we nemen een taxi die voor L’Opéra staat te wachten. Aangekomen. De gastheer is wat ouder, ik schat hem vijftig. Ja, voor dat soort ontmoetingen spreek ik van ouder.

    -          ‘Calder, wat een mooi exemplaar heb je mee.’

    -          ‘Ja, dat is Jean-Baptiste, hij is ook een aristocraat!’ Ik knik bevestigend, bedenkend dat ik daar sta in trainingspak en er een beetje slordig uit zie. De kalende gastheer staat er in een shortje met bijhorende voetbalsokken aan, dus ik hoef me echt niet te generen.

    -          ‘Van welke familie?’ vraagt hij, waarop hij zijn aristocratische familienaam bekent maakt en zegt: ‘Dan heb ik coke, voor ons alleen, in die speciale lade daar verborgen. Je neemt maar wat je wilt. De anderen nemen wat hier voor handen is.’

    In het appartement zijn een paar zwarten aanwezig, een Zuid-Amerikaan en twee blanke jongens. Ik herken iemand van vroeger, maar ook hij is duidelijk bijgekomen. Het appartement is niet zo groot. Een slaapkamer die connecteert met het salon met en grote sofa en een tafeltje met vier ijzeren stoeltjes, een aparte keuken waar gerookt mag worden en een kleine badkamer met toilet en douche.

    Calder ligt ondertussen al te vozen met die twee zwarte en roept me toe dat het zijn favorieten zijn. Hij krijgt nog wat extract en vraagt of ik ook wil. Ik wacht liever nog wat. Jongens komen en gaan het appartement binnen en buiten. Het lijkt wel een duiventil. Calder amuseert zich en gooit zich letterlijk en figuurlijk in de groep. Ik ben wat teruggetrokken en aanschouw het seksspektakel dat me wordt opgevoerd. Het daglicht vult de ruimte en bederft wat de intieme sfeer. De jongens zien er afgeleefd en vaal uit. Ze vertellen over hun wilde nacht in L’Opéra en liggen omfloerst aan elkaar te frunniken.

    De bel gaat, de deur gaat open. Een knappe jongen van een jaar of veertig komt binnen. Hij draagt een grijze skinny jeans met daarop een lichte grijs-oker gespikkelde trui. Calder kent hem en stelt me voor. Even later liggen Calder en hem te stoeien in bed, naast een ander paartje dat hetzelfde uitvoert. Calder neemt nog wat van het extract dat voor hem was geprepareerd in de keuken. Ik kom bij hem staan en zie hoe zijn ogen beginnen weg te draaien. Ik hou me alert. Hij heeft duidelijk te veel genomen. Hij slaat zijn armen om me heen en knikt af en toe door zijn knieën. Hij krast met zijn vingernagels in mijn rug. Stoer als ik wil overkomen geef ik geen krimp. Hij zakt in en ik vang hem op. Calder weegt amper zestig kilo en ik gooi hem over mijn schouder en leg hem op bed. Ik ga naast hem liggen. Hij slaapt vredig en ik controleer zijn ademhaling. Ondertussen bestudeer ik zijn gezicht. Zo mooi, zijn fijne neus, die prachtige mond en zijn mooi afgelijnde baardlijn. Zelfs zijn ‘baard van drie dagen’ is egaal begroeid. Ik streel hem zachtjes door zijn haar terwijl hij even zacht in mijn richting blaast. Ik droom. Calder is weg van deze wereld. Hij is in een soort roes, noem het een coma. Dat gevaarlijke extract. Adelmo! Zou jij deze ziel kunnen overnemen? Zou het dan toch lukken? Is dat het moment? Dan zal hij de zin ooit uitspreken.

    Ongeveer vier uur later komt er weer leven in Calder. Ondertussen was een ander aan zijn andere zijde komen liggen en begon die hem lichtjes met zijn hand te betasten. Calder slaat, half verdwaasd de hand van zich weg en grijpt mijn hand vast. Hij ontwaakt en opent zijn ogen. Hij kijkt verliefd naar mij en zegt: ‘Waar ben ik? Ach, ja.’ Het komt hem voor de geest. ‘Jij bent hier ook nog?’ Hij staat op en gaat naar het toilet. Hij wankelt. Ik hou hem vast en ga met hem mee naar de badkamer. Ik keur mezelf in de spiegel boven de lavabo en Calder zit ondertussen op het toilet. Ik neem een korte douche. Ik grijp naar een handdoek en droog me af. Hij komt bij, kijkt me aan en zegt: ‘Neen! Die handdoek niet, daar heeft iemand anders zich al mee afgedroogd. Neem een verse handdoek. Je weet nooit welke bacteriën mensen hebben.’ Ik gebruik nooit iemand anders handdoek.’ Hij staat op, staat naast mij en kijkt zichzelf ook aan in de spiegel. ‘Kijk naar mijn haar. Ik zie er niet uit. Mijn ogen, ik heb wallen.’ Hij inspecteert zijn tanden en zegt: ‘Kijk, door die zooi trekt mijn tandvlees terug.’ Ik kijk mee maar zie niets opmerkelijks. ‘Is dat nu een barstje in mijn tand? Ja, kijk ik moet dat laten herstellen. Hier ook op mijn arm heb ik een kleine wonde, die maar niet wil genezen. De plastische chirurg heeft er al drie injecties met cortison in gezet, maar het wil maar niet weggaan.’

    We gaan terug bij de jongens. Hij hangt nog steeds aan mijn schouder en zegt dat ik een stevige en knappe man ben. Hij bijt fijntjes in mijn oor.

    -          ‘Wil er iemand een broodje?’ vraagt de gastheer.

    -          ‘Ja ik,’ zegt Calder

    -          ‘Wat mag er dan op? Vleessla?’

    -          ‘Neen, ik ben vegetariër en ik eet geen vlees. Mijn moeder is ook vegetarisch en we houden van dieren. Daarom eet ik nooit vlees.’

    -          ‘Kaas dan?’

    -          ‘Neen, geen kaas, want ik heb ergens gelezen dat je daar snel van verdikt. Heb je geen choco?’

    -          ‘Ja choco dan.’

    -          ‘Ja fijn! Dan moet ik wel nadien mijn tanden poetsen want je ziet dat zo gemakkelijk dat je choco hebt gegeten hé.’

    -          ‘Straks komen die twee uit Aalst Calder, je kent ze wel nog.’

    -          ‘O ja, die twee lieve jongens. Ik zal blij zijn ze terug te zien.’

    De deur gaat open. Daar zijn die twee ‘lieve jongens’ uit Aalst. Een dikke vijftiger met een duidelijk afgeleefde toy-boy van een jaar of vijfendertig.

    Ik hou het voor bekeken en zeg: ‘Nu heb ik het allemaal gezien. Ik ga naar Brugge!’

    Calder zegt op een hoerige toon: ‘Jij hebt nog niet gepresteerd, knapperd! Jij gaat nergens heen.’

    -          ‘Ok, wat je wil. Ik zal je bedienen.’

    -          ‘Met die zooi kan niemand presteren.’

    -          ‘Ik wel!’

    Ik ga bovenop Calder zitten. Ik focus me op Calder zijn ten-pack en zijn uitdagende blik. Hij bijt lichtjes op zijn lip en ja, daar is het! Het meest egoïstische moment dat een man in de vrijpartij beleeft is voor mij aangebroken en kwakt in zijn gezicht. Calder kijkt me verzadigd aan. Ik trek mijn training aan. Bedank de gastheer voor de goede zorgen. Ik vraag hem of er een bijdrage geleverd moet worden. Hij bedankt en zegt dat het zijn plezier was mij te mogen ontvangen.

    Op mijn gemak loop ik richting station Brussel-Zuid. Ongeveer een klein kwartiertje wandelen, reken ik uit. Het is vijf uur in de namiddag en een licht lentezonnetje kleurt deze maandag. Calder, … Wat een avontuur. Calder lijkt me zo’n platluis die zijn dagelijkse gezondheidsbrouwsels met een rietje uit een regenboogglas opslurpt. Als dat zijn leven is, dan pas ik daarvoor. Dat wil ik echt niet. Het is een knappe jongen en hij heeft wel iets, maar hij is ook een zeurpiet. Hij heeft seks met allerhande jongens en mannen, en daarna gaat hij piekeren over een handdoek die al eens zou gebruikt zijn door iemand en waar bacteriën in kunnen zitten. Ik brei het verhaal aan elkaar en krijg geen logische draad aan de oppervlakte. Hij is knap, dat wel, maar hij is zo fijn en zo vrouwelijk ook. Eigenaardig en tegelijk grappig inspirerend. Ik weet het niet. Adelmo, wat heb ik gedaan. Gelukkig is het voor mij slechts een avontuur dat mijn leven niet kan bepalen. Ik leg de bal in zijn kamp. Ik ga niets meer van me laten horen. Hij moet het initiatief nemen. Hoor ik niets, dan is het zo en laat ik het hierbij en als hij me de moeite vindt, dan zal hij wel contact zoeken en zien we wel verder. Mijn gsm krijgt een melding.

    -          Calder: ‘Geloof jij in liefde op het eerste gezicht?’

    -          Ik: ‘Neen, normaal niet.’

    -          Calder: ‘Ik ook niet, maar nu ik jou heb gezien, wel!’

    -          Ik: ‘Mooi is dat!’

    -          Calder: ‘Zo sec.’

    Ik kom aan het station. Neem de trein naar Brugge. Nu heb ik rustig de tijd om even alles op een rijtje te zetten. Ten gepaste en misschien vanavond, als ik thuis ben gekomen, zal ik Calder wel contacteren. Hij heeft het nu nog druk waarschijnlijk.

    Adelmo, wat zeg jij?

    06-04-2016 om 00:00 geschreven door Rubèn Cottenjé de Dauphin  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (11 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Hoofdstuk I - De ontmoeting
    Klik op de afbeelding om de link te volgen


    ‘En een jonge man, die een laken om het naakte lichaam geslagen had, liep mede, Hem achterna, en zij grepen hem.

    Maar hij liet het laken in hun handen en nam naakt de vlucht.’

    (Marcus 14, 51-52)

    1 De ontmoeting

    De kapper straalt. Het is een man van zo rond de vijftig, een Libanees die al enkele jaren in Brugge woont en er zijn kleine haarstudio heeft. Hij is vrolijk en opgewekt. Zijn medewerkster is een Zuid-Aziatische vrouw. Ze gebiedt me om plaats te nemen in de stoel voor de wastafel.

    -          ‘Sjieke meneer’, zegt ze.

    Ik bedien haar van een vriendelijk lachje. Terwijl ze mij klaarmaakt met handdoeken en dergelijke om mijn kledij te beschermen tijdens het wassen, zink ik even in gedachten. Vindt ze me nu werkelijk sjiek? Misschien wel. Ik draag een klassieke grijze broek, wit hemd en gilet en een blauw strikje met bijbehorende pochet in mijn vestzak en een brede sjaal in grijs-zwarte banden.

    -          ‘Is het water niet te koud?’ vraagt ze me in een gebroken Nederlands. Ik moet even de klanken aan elkaar knopen en ontwar haar vraag.

    -          ‘Neen hoor, het is perfect!’ – Al was het vorige keer niet te koud maar wel te warm. Nu was het goed.

    Ik neem plaats op de stoel uiterst links. De kapper gaat even een slok koffie nemen in zijn salon. Die koffie bleek wel een sigaretje merkte ik al snel op aan het parfum tijdens het volgende kwartiertje. De kapper komt tevoorschijn en fatsoeneert zijn broek. Hij legt zijn materiaal klaar. Ik groet.

    -          ‘Achteraan mooi kort en voor de rest heb ik vertrouwen in jouw kapperskunsten.’

    -          ‘Ik zal van jou een mooie meneer maken zoals altijd.’

    -          ‘Ja, de vorige keer was het ook goed, dus een tevreden klant …’

    Hij lacht en gooit me een vriendelijke knipoog via de spiegel. Hij begint met de tondeuse aan de achterzijde mijn haar te bewerken. Het gaat heel snel. De ervaring zit hem in de hand en hij heeft er duidelijk plezier in. Het fascineert me hoe mensen toch een baan graag doen en daar elke dag opnieuw weer, plezier in beleven. Ik heb dat gehad. Vroeger, in een ver verleden.

    Ik zat op de architectuurschool en ik was gebeten van de projecten die we daar uittekenden. In pen, inkt en aquarel. Ongelooflijk boeiende en mooie kunstwerkjes maakte ik. Ik leverde wel het dubbele werk dan wat in de opdracht stond. Maar goed, nu tekenen ze met AutoCAD en levert het uren tekenwerk geen stuiver op. Tijden veranderen.

    -      ‘Kijk eens aan meneer!’ zegt de kapper me en ondertussen staat hij met een spiegel om mijn hoofd te zwaaien zodat ik de achterkant kan inspecteren.

    -          ‘Jij maakt mensen gelukkig!’

    Hij lacht vriendelijk. Misschien zit daar ook die kleine oprechte deugd in verborgen die zijn passie laat zien. Ik drapeer mijn sjaal, neem mijn wandelstok en volg hem naar de kassa. Elke maand ongeveer kom ik bij de kapper langs. Aan de kassa spreekt hij geen prijs uit voor deze braspartij. Ik betaal.

    -          ‘Hou de rest maar!’

    -          ‘Dank u wel, meneer.’

    -          ‘Tot binnenkort! Het zal wel volgende maand zijn!’

    Hij glimlacht. Ik knik nog even naar de vriendelijke medewerkster en zij knikt bevallig naar me terug. Ik ben er weer klaar mee voor een maandje. Zou ik een pakje sigaretten kopen? Neen, ik ben aan het stoppen. Ja, je weet nooit of je trek krijgt. Neen, ik hou het wel uit voor vandaag en in een of andere lade thuis heb ik vast nog wel eentje verstopt.

    Ik kijk nog even in de reflecties van de winkelruiten in de Vlamingstraat en denk bij mezelf: ‘Knappe jongen – maar ik lijk toch zo op Adelmo.’ Ach, mijn mooie lieve Adelmo. Ik slik, krijg een koude rilling en ga naar huis. Het leven is meer dan de kapper bezoeken.

    Op Facebook zie ik vorig jaar op zeventien mei een foto passeren. Een niet zo’n knappe kennis van zo ongeveer mijn leeftijd zit op de bank met een jonge kerel. Ze drinken een glas wijn en trekken een selfie die ze op Facebook plaatsen. Die jonge kerel heeft iets in zijn ogen die mijn aandacht trekt. Hij lijkt zo’n beetje op Kurt Cobain van Nirvana in zijn gloriejaren. Daarbij en ik weet niet hoe, maar zijn T-shirt met veel te brede hals, hangt zo half over zijn blote rechterschouder en geeft hem iets uitdagends. Daar hou ik van! Ik schuif mijn muis over de tag en er verschijnt: Calder Van Eyck.

    Ik hoef mijn stoute schoenen niet aan te trekken om die leuke Calder een berichtje te sturen.

    -          ‘Wat een knappe verschijning!’

    -          ‘Thx mister. Jij hebt anders ook geen klagen’

    -          ‘Mon Dieu, jij hebt een uitzonderlijk lieve uitstraling’

    -          ‘Dank je wel, wat lief. Maar wie ben jij eigenlijk?’

    Het gesprek was gestart. Calder … een mooie naam. Het betekent, koude beek. Maar goed, dat is de keuze van zijn ouders denk ik dan. Mensen stelen hun naam niet.

    Plots herinner ik mij een uitspraak van een heel goede vriendin. Ze is net als ik nooit verlegen om een treffende uitspraak te doen die dan nog eens grondig gefundeerd is. We hadden het over namen die sommige mensen tegenwoordig aan hun kinderen geven.

    -          ‘Je naam zegt toch waar je wieg stond, hé? Kimberly Verkest, bijvoorbeeld. Die zal nooit een boek schrijven!’

    -          ‘Klopt!’ zeg ik: ‘Je krijgt de genen en je naam van je ouders en natuurlijk ook de grootste basis van je opvoeding. Al zijn er natuurlijk talenten die dan de uitzondering bevestigen.’

    Het gesprek met Calder gaat verder:

    -          ‘Haha, de rien. Ik ben dus Jean-Baptiste, uit Brugge’

    -          ‘Ohwwww uit Brugge dan nog wel.’

    -          ‘Ja, weet je dat zijn?’

    -          ‘Ja, ik ben er al paar keer geweest hoor. Iedere Belg kent Brugge denk ik wel.’

    -          ‘Voilà, ik woon in de historische stad.’

    -          ‘Nice’

    -          ‘Als je nog eens komt, geef je me een seintje hé.’

    -          ‘Hèhè, vorige week wel nog doorgereden.’

    Hij klinkt fris en optimistisch. Duidelijk een contact, maar ik hou mijn beide voeten op de grond. Maaseik, hij woont immers een slordige 170 kilometer verder. Benieuwd hoe dat zal aflopen. Ik grasduin even verder op zijn Facebookpagina en zie dat we toch een aantal gemeenschappelijke vrienden hebben. Vrienden waarvan ik weet dat ze niet de monogame brave zetelpartners zijn maar die toch in ‘het milieu’ bekend staan voor seksuele escapades, waar ik me sinds een paar aardverschuivingen tijdens mijn leven ook aan waagde. Ik heb de smaak te pakken en ben er dan ook rotsvast van overtuigd die ik iemand met een open vizier aan mijn zijde beter kan smaken dan iemand dat nog steeds in bloemen en bijtjes gelooft. Ik ga dus op mijn gevoel af en ga in hogere versnelling.

    -          ‘We hebben blijkbaar een schare aan gemeenschappelijke vrienden.’

    -          ‘En is dat positief of …?’

    -          ‘Dat is positief!’

    -          ‘Oh ja ik zie het. De wildere types.’

    -          ‘Houden we van!’

    -          ‘Hèhè.’

    -          ‘En hoe ken jij ze dan?’

    -          ‘Sommigen zijn al in de loop van tijd bij mij thuis geweest. Willem, Stefaan en Jonathan’

    -          ‘Heb je net gevonden op PlanetRomeo ook’

    PlanetRomeo is een datingsite voor mannen die op mannen vallen. Daar kunnen ze een profiel aanmaken en dan net als op Facebook enkele foto’s posten en hun voorkeuren presenteren. Ik bedenk me dat daar toch zo veel tijd in kruipt en het toch nog altijd beter is om de liefde te vinden bij een persoonlijk contact in plaats van op een site. Maar goed, we doen het bijna allemaal. Uit de kast of incognito. Met veel of weinig informatie. Je kunt daar ook een beperkt aantal mensen als vriend aanduiden maar als niet-betalende leden van deze site kan het zijn dat deze lijst vol zit en dan …

    -          ‘Oei, maar ook daar kijk ik heel braaf op de foto's!’ zegt Calder.

    -          ‘Iets meer sexy ja, haha!’

    -          ‘Ik heb een standaard profiel en kan voorlopig niemand meer accepteren. Ik ga binnenkort zo’n betalend ding kopen.’

    -          ‘Haha, ik gooi er de losers uit.’

    -          ‘Zo! Iemand eruit, jij erin.’

    -          ‘Zeg, snoep, ik moet even een kleine boodschap doen. Straks terug.’

    Iets zegt me dat het goed zit. We hebben onze nummers uitgewisseld en dan ook contact gemaakt via WhatsApp waar de mogelijkheid ook bestaat om foto’s, tekst audioberichten door te sturen. Die moderne technologie van vandaag steekt me toch tegen het hart, maar soms en zeker in zulke situaties lijkt het op een geschenk van de Almachtige.

    -          ‘Wat denk je? Rij ik naar je toe? Kan je me ontvangen?’ Ik ben vastberaden. Ik wil die leuke Calder zo snel mogelijk zien!

    -          ‘Neen! Ik kan je niet ontvangen hier bij mij thuis, want rondom mij wonen allemaal moslims en die tolereren dat niet. Ik heb al een aanvaring gehad en durf in mijn buurt echt geen mannelijk schoon te ontvangen. Daarbij, er is hier ook niets te beleven!’

    -          ‘We kunnen elkaar wel al als partner van elkaar linken op PlanetRomeo. Laat ons eens gek doen!’

    -          ‘Ja, dat kunnen we, we hebben elkaar dan wel nog niet in het echt ontmoet, maar we doen al lekker gek!’

    Prima, ik leg me erbij neer dat ik niet nu naar hem toe kan komen. Het maakt me blij dat hij, net als ik in staat is om eens gek te doen en ons al als partners te profileren op PlanetRomeo. Hij durft! Toch dring ik aan op een ontmoeting tot er van Calder een voorstel komt.

    -          ‘Kijk, volgende week is er in Brussel het maandelijkse hoogfeest van Gay-Europa in L’Opéra. Als we elkaar daar kunnen ontmoeten, dan is het voor elk ongeveer de helft van de rit. Jij komt naar het oosten en ik ga naar het westen en daar ontmoeten we elkaar.’

    -          ‘Ja, dan lijkt me dat inderdaad, gezien de omstandigheden, de beste oplossing.’ repliceer ik wel een klein beetje teleurgesteld. Maar goed, ik heb begrip voor de afstand en leg me erbij neer.

    -          ‘Prima, dan spreken we daar af.’

    -          ‘Welke outfit moeten we dan aan?’

    -          ‘I want the red pants.’ Zegt hij met diepe, sensuele, uitdagende, licht krakende stem over WhatsApp. ‘I want the red pants!’ herhaalt hij. ‘I want the red pants’.

    Ik krijg het er warm van! Die herhalingen van zijn woorden roeren mij. Hij heeft iets speels. Zoals hij die woorden in cadans zegt, als een tamboer die het ritme aangeeft in de voorbereiding op een uitdagende veldslag. Hij heeft volgens mij iets heel speciaals en het raakt me op de een of andere manier. Die jongen weet van aanpakken. Hij kan me zelfs uitdagen en dat boeit me enorm! Ik hou van zijn heldere Nederlandse accent en het je-m’en-foutisme dat uit zijn klankkleur spreekt. Maar toch, die ‘red pants’. Is dat niet een beetje té uitdagend en zeker voor een eerste ontmoeting?

    ‘The red pants’ was een van mijn foto’s die ik hem in een privé-bericht had doorgestuurd en waar ik een klein rood glanzend broekje aanhad waar alles netjes gepast in kon worden opgeborgen. Zeker met mijn wasbordje dat daarboven prijkt en een paar stevige billen die het ophouden kan het voor een sexy-gehalte zeker scoren. Alleen loop ik er zo wel bijna naakt bij. Nu goed, L’Opéra is nu wel de plaats waar deze exhibitionistisch nijgende daad ook wel toegelaten, dan niet gewenst is. Misschien zal het mijn eer aantasten, maar dan zou de eer van iedereen die daar aanwezig is, op de een of andere manier wel aangetast zijn. Wie daar aanwezig is heeft in elk geval een andere kijk op de zaken. Het hoogfeest in L’Opéra staat immers niet in het teken van leren breien op grootmoeders wijze. Dus als ik Calder hiermee kan bekoren, waarom zou ik het dan niet doen? Net als de voor mij helse tocht naar Brussel waarbij ik me een weg moet banen door allerlei lugubere buurten. Van moslims gesproken.

    Neen, ik laat me niet misleiden. Het contact dat ik heb met Calder jaagt me om op ontdekking te gaan en daarvoor moet ik naar Brussel, in the red pants!

    Boven the red pants trek ik nog een short en een T-shirt aan en dan nog eens een gemakkelijke training. Ik lijk wel een clochard, maar praktisch gezien moet het zo. Niemand zal mij herkennen in het station van Brussel en ik besluit een taxi te nemen om mij naar L’Opéra te brengen. Zo is er het minste risico op ongewenste omstandigheden in Brussel lijkt me. Hoe kan ik toch ook van het ene in het andere uiterste tuimelen? Het is een deel van mijn wil om de wereld ten volle te exploiteren. Uitbuiten van het leven en daar ook alle gelegenheden voor aangrijpen. Misschien ben ik diep in mezelf wel die netjes opgevoede jongen, toch woedt er ook iets ondeugends, iets sensueel in mij. En dat haalt Calder perfect naar boven. Ik heb hem nog niet ontmoet, maar voor wat ik van hem gezien en gehoord heb. Ik zou voor geen hond naar Brussel sporen.

    Ik parkeer mijn oldtimer Mercedes in de parking aan het station van Brugge. De kostprijs om er een dag te stationeren valt reuze mee en ondertussen staat mijn wagen ook nog eens in het droge. Het miezelt. Wat een droeve dag met grootse vooruitzichten, denk ik bij mezelf.

    In het station kies ik een weekendbiljet, want dat is geldig op het pinksterweekend tot en met morgen, maandag. Dat zal wel voldoende zijn.

    Op de trein stuur ik in een WhatsApp-bericht naar Calder dat ik ben vertrokken. Ik kijk door het raam naar buiten. Ik zie langzaam ‘Brugges gouden kroon’ met de drie belichte middeleeuwse torens, die van het Belfort, de Sint-Salvatorskathedraal en de Onze-Lieve-Vrouwekerk. Ze verkleinen in het perspectief. De reis is begonnen. Welk avontuur staat er me nu te wachten? Ik tuur verder door het raam. Ik denk aan Adelmo. Zou er een einde kunnen komen aan deze zwarte dagen van mijn leven? Zal eindelijk het mysterie worden opgelost? De avond valt definitief en ik ontdek de reflectie van mijn hoofd in het glas. ‘Hmmm, je ziet er goed uit,’ denk ik bij mezelf. Ik geef mezelf een knipoog. Calder zal aan mij wel niet kunnen weerstaan. Als hij het toch doet, je weet nooit, dan heeft hij ongelijk en zijn er nog steeds andere vissen die kunnen happen op deze hoogmis van L’Opéra. We zijn daar immers met een paar duizend gelijkgestemden, voor zover het over de seksuele voorkeur gaat zucht ik even diep. Jah, c’est la vie!

    Ik ben vroeg. Gemakkelijk kom ik zonder aanschuiven aan de vestiaire en trek daar training, shortje en T-shirt uit. Ik rommel alles netjes in mijn rugzakje, steek mijn geld in mijn schoenen, sigaretten in mijn rode voetbalkousen en een aansteker? Die vraag ik wel aan een andere partyganger als ik die nodig heb.

    Naast me staat een flinke kerel van ongeveer mijn leeftijd me al aan te gapen.

    -          ‘Nice abs! Love it hunk!’

    -          ‘I know!’ repliceer ik droogjes met enige vriendelijkheid in mijn ogen. Ik weet heus hoe ik iemand een charmante blik moet toewerpen.

    Ik kom de benedenzaal binnen. Het is nog maar elf uur ’s avonds. Beetje te vroeg en ook nog een beetje te koud in de zaal om zo rond te lopen. Toch schuift het volk binnen. Nog een half uurtje, een uurtje en het zal hier al dik vol zitten.

    Ik bestel me een biertje aan de bar en bedenk me dat het eigenlijk bijna precies een jaar geleden is dat ik hier ben geweest. Het was ook met Pinksteren. De leerlingen van Jezus krijgen op dat feest het bezoek van de Heilige Geest en verkondigen sinds dan het evangelie in verschillende talen. Mooie gedachte aan het begin van een nieuw verhaal. Vorig jaar had Alexander me gezegd,

    -          ‘Komaan! Jij moet buiten komen, buiten Brugge! Wij gaan naar L’ Opéra!’

    Alexander had gelijk. Ik had me al een groot jaar opgesloten in mijn vertrouwde Brugge. Veilig achter de poorten en mij getroost en opgetrokken aan mijn vrienden. Toch had ik het die keer niet zo naar mijn zin, maar toch, ik was er eens uit. Voor Alexander kon het een eerste ervaring betekenen, want als kuikentje-net-uit-het-ei van 23 jaar jong, was hij nog nooit in deze op seks gerichte tempel geweest. Zo was het voor Alexander een avontuur en voor mij een verstrooiing en deden we aan een verstandelijke win-winsituatie. Alexander was een verstandige jongen die een doctoraat aan het afleggen was en waarmee ik heel interessante gesprekken kon voeren. Ik voelde geen verliefdheid voor hem, al wist ik dat het van zijn kant wel helemaal zo was. Ik was daar duidelijk over. Mijn hart was niet vrij. Adelmo was nog te prominent aanwezig. Toch, we genoten elk in ons eigen hoofd en hart op een andere manier van seks en samen zijn.

    -          ‘Hoe laat heb je het?’

    -          ‘Twaalf uur dertig ongeveer.’

    -          ‘Dank je.’

    De techno-muziek galmt door de boxen. Boem, boem, boem, dreunen de bassen. Het doet me denken aan Dr Jasper Verguts van het Universitair Ziekenhuis Leuven, die had ontdekt dat de baarmoeder van vrouwen het meest vruchtbaar is wanneer deze zich verhoudt volgens de gulden snede. Een foetus wordt negen lange maanden in de baarmoeder gevormd tot baby. Daarbij hoort die baby dicht bij zich het kloppen van het moederhart. Dat moederhart, dat klopt volgens een bepaald ritme, jongeren net daardoor die boem, boem, boem gedreun in dat soort muziek zo leuk en vertrouwd vinden. Die kennis stelde dat de jongeren, die zich daaraan vergapen, het foetus-stadium nog niet zijn ontgroeid. Volgens mij kon deze stelling zeker tellen. Maar soit, hier was ik dan. Klaar om geboren te worden en klaar om de vurige tongen van de Heilige Geest te ontvangen.

    Ik loop even rond. Ondertussen is L’Opéra al goed vol gelopen. Blote mannenlijven van allerlei leeftijden en allerlei slag, gespierd en slank, mager en buikjes, behaard, onthaard en glad met sportshortjes, zwembroeken, jockstraps, jeans en allerhande accessoires van kettingen, armbanden, boots, polsbanden, etc. De markt loopt hier vol, je hebt ze hier allemaal. Wie hier een T-shirt draagt, die heeft geen knap lijf en wil het verbergen.

    Rond één uur had ik afgesproken met Calder. Op de tweede verdieping. Dat is een klein en overzichtelijk danszaaltje dicht bij de donkere kamers. Je kunt zeggen, daar gebeurt het. De muziek is in dat zaaltje ook het meest te pruimen. Het is een mix van dance en popmuziek. De Dj – een ietwat slonzig uitziende artiest van wie het vrouwelijke gehalte toch hoge torens scheert – is wel een kunstenaar in zijn vak. Van Calder is nog geen glimp te bespeuren. Ik heb mijn gsm dan ook niet bij om even contact te maken en kan niet anders dan wachten.

    Ik krijg oogcontact met een goed gebouwde jongen, met een knap gezicht met van die uitgetekende jukbeenderen. Hij moet ongeveer een jaar of tweeëntwintig zijn. Ik lach vriendelijk terug. Ik bestel nog een biertje. Hij volgt me met zijn blik. Ik ga opnieuw in zijn buurt staan. Hij glimacht nog eens en ik ga naar hem toe.

    -          ‘Vanwaar ben je?’

    -          ‘Ik ben van Parijs.’ klinkt het.

    -          ‘Leuk! Wat doe je daar zo in Parijs?’

    -          ‘Ik ben model en loop de catwalk voor modehuizen.’

    -          ‘Knap, en nu ben je hier in L’Opéra?’

    -          ‘Ja, voor de eerste keer, en jij?’

    -          ‘Ik ben hier momenteel alleen, ik wacht op iemand.’

    Het gesprek loopt redelijk vlot en er is wel een bepaalde klik. Het lijkt me een nette verstandige jongen die wel lichtelijk een klaagzang begint op te voeren over de seksuele sfeer die toch in L’Opéra hangt.

    Toch ietwat vreemd, want we staan bijna aan de ingang van de donkere kamers waar alle seksuele fantasieën net worden overtroffen. Waarom staat onze knappe Parijzenaar dan niet in de hoofdzaal op de benedenverdieping? Überhaupt staat hij nu wel met mij te praten ook en ik vind nu niet van mezelf dat ik er als een heilig boontje uit zie. Geilig ja! Misschien houdt hij van deze eerder zwoele muziek en niet van die techno beneden. Dan heb je nog altijd de zachtere lounge techno op de middelste verdieping.

    Waar blijft Calder nu eigenlijk? Het is zeker al één uur geweest. Mijn Parijse vriend vertelt me dat het één uur dertig gepasseerd is.

    Ik was een twijfel van me weg. Calder komt wel, maar ik ga eerst even naar de rokersruimte om er een sigaretje te roken. Ik vraag de knappe Parijzenaar mee naar de benedenverdieping. Ik daal de ijzeren trap af en de Parijzenaar volgt. Door het trapgat zie ik een reeks jongens staan wachten die naar boven willen. In de hoek! Dat is hem, met een flesje drank, dat hij met twee handen vasthoudt en een rietje. Hij lijkt me uitzonderlijk mager. Magerder dan ik me had voorgesteld. Hij had me een duidelijk arsenaal aan foto’s laten zien, maar toch. De tattoos lijken ook sterker uit te komen dan verwacht. Maar één ding is zeker, daar staat Calder. Met niets anders aan dan sokken, schoenen en een jockstrap. Zijn haar is ietwat warrig, blond en duidelijk geverfd. Niets van dat alles kan het feit dat hij er lief, knap en een beetje sullig, maar daardoor ook zo gek sexy uit ziet, bederven.

    Ik kom beneden aan de trap. Hij heeft me niet gezien. Ik sla mijn arm rond zijn zijde en geef hem een kus op de wang. Hij kijkt me even verdwaasd aan. Ik geef hem een knipoog en loop door richting rookkamer. De Parijzenaar volgt.

    -          ‘Kom je niet mee in de rookkamer?’

    -          ‘Neen, doe maar, ik kan niet tegen de rook. Ik ga hier op je wachten.’

    -          ‘Ok, tot straks!’

    De rookkamer heeft twee ingangen en ook twee uitgangen. Die Parijzenaar mag dan zo knap zijn als hij wil, het is een zeurpiet. Hij kan de soep niet drinken, maar hij zit er van kop tot staart in. Wat een hypocriet. Van die extra uitgang ga ik hier gebruikmaken. De Parijzenaar zal zijn tocht wel zonder mij verder zetten. Calder is boven, wel een uur later dan verwacht, de deugniet. Ik ga hem nu eens deftig begroeten. Voor hem ben ik immers naar hier gekomen. Daar staat hij, opnieuw in het hoekje. Niet een six-pack tel ik maar een ten-pack. Ggrrrraaaaaw! Dat is nu toch wel de droom van iedere gezonde man! Het komt natuurlijk omdat hij zo mager is. Je zou wel een rietje in zijn kont moeten steken en blazen voordat zijn buik van zijn ruggengraat komt schiet het door mijn hoofd.

    -          ‘Jij bent Calder.’

    -          Hij kijkt op, zuigt nog even van zijn drankje en knikt: ‘Ja en jij bent Jean-Baptiste. Was jij het die me daarnet een kus gaf en weer verdween met een knappe jongen achter je?’

    -          ‘Klopt, een Parijzenaar, die ik hier net had leren kennen. Een zeurpiet niets van aan trekken.’

    06-04-2016 om 00:00 geschreven door Rubèn Cottenjé de Dauphin  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (10 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    29-03-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Voorblad
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Boek 'Mr. V.' thuis geleverd aan € 24.50 incl. verzendingskosten (België) te storten op reknr. BE27 0012 2711 5573. Na ontvangst wordt het boek opgestuurd. Vermeld naam + adres, mogelijkheid tot gesigneerd exemplaar.

    Boek 'Mr. V.' te verkrijgen aan € 19.99 (255 p.) rechtstreeks of bij de verkooppunten in Brugge. 
    (Abbeloos - van den Boomen Antiques, Hoogstraat 31, B-8000 Brugge / Lucifernum, Twijnstraat 6-8, B-8000 Brugge / Fine&Fun Arts, Ezelstraat 98, B-8000 Brugge / VredeHof, Dorpsstraat 1, B-8340 Sysele).

    Boek 'Mr. V.' met Chesterfieldzeteltje van Olivier&Co aan € 99 (ter waarde van € 170) incl. verzendingskosten (België) te storten op reknr. BE27 0012 2711 5573. Na ontvangst wordt dit cadeaupakket opgestuurd. Vermeld naam + adres, mogelijkheid tot gesigneerd exemplaar.

     

     

     

     

    Mr. V.

    gebaseerd op een waargebeurd verhaal

    Les Mémoires du Roi des Damnés

    et ses Princes des Morts

    Vive ut Vivas

     

     

     

    Opgedragen aan mijn vriend

    Andy Dix

    1989-2013

     

    Rubèn Cottenjé

     

    Schrijver: Rubèn Cottenjé

    Coverontwerp: Kristoffer Ryckaert

    ISBN: 978 94 021 5387 3

    © Rubèn Cottenjé

     

    Elke gelijkenis met bestaande personen, gebeurtenissen, activiteiten, aangehaalde voorbeelden of namen van personen berust op louter toeval.


    29-03-2016 om 00:00 geschreven door Rubèn Cottenjé de Dauphin  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (31 Stemmen)
    >> Reageer (0)


    Archief per week
  • 29/08-04/09 2016
  • 01/08-07/08 2016
  • 02/05-08/05 2016
  • 04/04-10/04 2016
  • 28/03-03/04 2016

    E-mail mij

    Druk op onderstaande knop om mij te e-mailen.


    Gastenboek

    Druk op onderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek


    Blog als favoriet !

    Foto


    Blog tegen de wet? Klik hier.
    Gratis blog op https://www.bloggen.be - Meer blogs