Ambtenarenbestand in België telt zon 803.000 personen
hetzij zon 5,5%van de totale bevolking op arbeidsleeftijd. De loonmassa dat
dit vertegenwoordigt beloopt zon 46.487,1 miljoen euro per jaar of meer dan
10% van het BBP.
Daarnaast genieten zon
345.000 voormalige overheidsambtenaren van een rustpensioenen en zon 90.00 van
een overlevingspensioen. (cijfers van minister van Pensioenen - Michel Daerden,
PS).
De federale overheid met
een 185.000 gepensioneerden is goed voor een jaarlijkse kost van zon 345
miljoen euro, de Vlaamse Gemeenschap met 11.000 is goed voor een 20 miljoen, de
Waalse Gemeenschap en het Waals Gewest met 9.000 pensioenen voor een 19
miljoen, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest met een duizendtal voor een goede 2
miljoen.
Het netto-uurloon van de werknemers uit de
overheidssector ligt zon 1,7% hoger dan voor gelijkwaardige verantwoordelijkheden
in de privésector. Met het hogere ambtenarenpensioen (levenslang
ondersteund door de perekwatieregeling) en werkzekerheid geniet het
overheidspersoneel bovendien nog eens van een extra voordeel.
De kost van ons overheidsapparaat wordt ondraaglijk voor
dit land, een kost die uiteindelijk wordt gedragen door het bedrijfsleven. De ongelijkheid
in vergoedingen kan nooit in het voordeel van een ambtenaar. Zo wordt de staat
de concurrent van de privé: je moet toch gek zijn, als je met alle voordelen van
een ambtenarenstatuut dan nog meer verdient dan met een onzekere job in het
privé!
Daarom is het meer dan nodig dat deze regering werkt
maakt van echte structurele hervormingen.
Als een ambtenaar evenveel wil verdienen als zijn
evenknie in de privé, dan moet hij of zij er ook de gevolgen bijnemen:
- Gedaan
met het statuut van statutaire tewerkstellingen en enkel nog contractuelen (die
indien niet voldoen kunnen worden ontslagen).
- Stop
met het ter beschikking stellen van overbodige ambtenaren. Zet die in op
andere departementen met openstaande betrekkingen.
- Hervorm
de loonpolitiek voor ambtenaren.
- Hervorm
de pensioenen naar het model van de privé: een geplafonneerde eerste pijler,
een tweede pijler volgens stortingen tegen een vast percentage).
(bron cijfergegevens: Nationale Bank & Alain Mouton in Trends)
|