Zoeken in blog

Beoordeel dit blog
  Zeer goed
  Goed
  Voldoende
  Nog wat bijwerken
  Nog veel werk aan
 
Rondvraag / Poll
Welk dier wil jij hier zien?
Een kolibri
Een hond
Een boa constrictor
Een kikker
Een leeuwaapje
Een eend
Een papegaai
Een konijn
Een hagedis
Een salamander
Een pingiun
Bekijk resultaat

Inhoud blog
  • Van dezelfde makers...
  • De eend
  • De hagedis
  • De salamander
  • De vlinder
  • De papegaai
  • De aap
  • De pinguïn
  • De slang
  • De hamster
  • De tijger
  • De leeuw
  • De schildpad
  • De giraf
  • De kanarie
  • De neushoorn
    Willekeurig Bloggen.be Blogs
    gamr
    www.bloggen.be/gamr
    Willekeurig Bloggen.be Blogs
    letsdurme
    www.bloggen.be/letsdur
    Willekeurig Bloggen.be Blogs
    joggingclubmelsen
    www.bloggen.be/jogging
    Willekeurig Bloggen.be Blogs
    willibrord
    www.bloggen.be/willibr
    Willekeurig Bloggen.be Blogs
    flandriennico
    www.bloggen.be/flandri
    Willekeurig Bloggen.be Blogs
    liefdenetwerk
    www.bloggen.be/liefden
    Dierplezier

    Welkom op onze blog!
    14-12-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De eend

    Eenden

    Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

    (Doorverwezen vanaf Eend)
    Ga naar: navigatie, zoeken
    Eenden

    Vliegende wilde eend (vrouwtje)
    Taxonomische indeling
    Rijk: Animalia (Dieren)
    Stam: Chordata (Chordadieren)
    Klasse: Aves (Vogels)
    Orde: Anseriformes (Eendvogels)
    Familie: Anatidae (Eendachtigen)
    Onderfamilie
    Anatinae
    Tadorninae
    Merginae
    Oxyurinae
    Stictonettinae

    Eend is de algemene naam voor een aantal soorten vogels uit de familie van eendachtigen (Anatidae). Alle soorten uit de Anatidae worden "eenden" genoemd, behalve de soorten uit de onderfamilie Anserinae, de ganzen en zwanen. Eenden zijn hoofdzakelijk aquatische vogels, meestal kleiner dan hun verwanten, de zwanen en de ganzen, met een kortere nek, en kunnen in zowel zoet als zout water worden gevonden. De Tadorninae, waartoe onder andere de bergeend behoort, houden het midden tussen de ganzen en zwanen.

    Eenden worden soms verward met verscheidene soorten niet verwante vogels met gelijkaardige vormen, zoals duikers, futen en rallen als meerkoet en waterhoen. Soms wordt met "eend" alleen vrouwtjeseenden bedoeld. Een mannetjeseend heet een "woerd". Een jonge eend wordt een "pulletje" genoemd. Een woerd is naast de kleur ook te herkennen aan een krulletje in de staart (dit is niet altijd zichtbaar).

    Inhoud

    [verbergen]

    [bewerk] Eigenschappen

    Eenden zijn watervogels. Ze hebben zwemvliezen en waterafstotende veren. De vrouwtjes bekleden het nest meestal met dons dat ze uit hun borst plukken. De jongen zijn nestvlieders. Ze verlaten het nest spoedig na het uitkomen. Eenden ruien hun slag- en staartpennen tegelijkertijd. Ze kunnen daardoor ongeveer 1 maand niet vliegen. Deze rui vindt plaats meteen na het broedseizoen. Bij de meeste soorten hebben de mannetjes een kleurig broedkleed, de vrouwtjes daarentegen schutkleuren. Alleen tijdens die korte ruiperiode hebben de mannetjes ook een camouflerend verenkleed (eclipskleed).

    Eenden eten verschillende soorten voedsel, waaronder grassen, waterplanten, vissen, insecten, enz. Het geluid dat door eenden wordt gemaakt wordt "kwaken" genoemd.

    Mannetjes van noordelijke soorten hebben vaak opvallend gevederte.

    Sommige soorten eenden, hoofdzakelijk die in de gematigde en noordpoolgebieden, migreren; andere soorten doen dit niet en blijven het hele jaar in hetzelfde gebied. Weer andere soorten, in het bijzonder in Australië waar de regenval fragmentarisch en onregelmatig is, zijn nomadisch en zoeken tijdelijke meren en poeltjes op die zich na zware regen vormen.

    [bewerk] Gebruik

    Eenden in de samenleving.
    Eenden in de samenleving.

    In vele gebieden wordt op wilde eenden gejaagd voor het vlees of voor het vermaak. Meestal gebeurt dit door de dieren te schieten; vroeger werden daarnaast (eendenkooien) gebruikt. Eendenvlees en -eieren worden in veel landen geconsumeerd. Donzen dekbedden bestaan uit de onderveren van de eidereend. Het wordt bijeengezocht uit hun nesten in voortplantingsgebieden waar de eenden de veren gebruiken om hun nesten te bedekken. Naast de mens zijn ratten de grootste vijanden van eenden.

    Tegenwoordig leven eenden vaak juist dicht in de buurt van mensen, zoals bij water in de bebouwdekom van dorpen en steden en worden de eenden niet meer gejaagd maar gezien als leuke aanvulling op de leefomgeving. Zo wordt het bijvoorbeeld door sommigen als aardig tijdverdrijf gezien om "de eendjes te voeren" met overgebleven oud brood.

    [bewerk] Fictieve eenden

    Eidereend (mannetje)
    Eidereend (mannetje)

    De eend is al lang een dier dat veel gebruikt wordt in verhalen, in het bijzonder voor kinderen. Enkele voorbeelden:

    [bewerk] Taxonomie

    De eenden zijn ingedeeld in verschillende onderfamilies van de eendachtigen en vertegenwoordigen dus niet een vaste taxonomische groep. Hier volgt de indeling van de vogels die als eenden bekendstaan:

    Familie Eendachtigen (Anatidae)

    • Onderfamilie: Anatinae
      • Geslachten: Salvadorina, Malacorhynchus, Aix, Pteronetta, Cairina, Chenonetta, Nettapus, Amazonetta, Callonetta, Anas, Marmaronetta, Netta, Aythya, Polysticta, Somateria (eidereenden), Histrionicus, Melanitta, Clangula, Mergellus, Bucephala, Lophodytes, Mergus, Heteronetta, Biziura, Oxyura
    • Onderfamilie: Tadorninae
      • Geslachten: Hymenolaimus, Merganetta, Tachyeres, Sarkidiornis, Tadorna
    • Onderfamilie: Stictonettinae
      • Geslacht: Stictonetta

    [bewerk] Soorten

    Enkele bekende eendensoorten zijn:

    14-12-2007 om 21:29 geschreven door Thiebout  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (5 Stemmen)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De hagedis

    Hagedissen

    Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

    (Doorverwezen vanaf Hagedis)
    Ga naar: navigatie, zoeken

    De hagedissen (Sauria) zijn een onderorde van de orde schubreptielen (Squamata), die tot de klasse reptielen behoort. De enige andere onderorde van de schubreptielen zijn de slangen (Serpentes), die sterker aan hagedissen zijn verwant dan aan andere reptielen zoals schildpadden en krokodilachtigen. Naast de wetenschappelijke naam Sauria wordt ook de naam Lacertilia gebruikt voor de hagedissen, en dat slangen als aparte groep moeten worden beschouwd is tegenwoordig eveneens omstreden, zie ook het kopje Indeling van de hagedissen.

    Net als andere dieren zijn de hagedissen verdeeld in verschillende groepen, zoals families, onderfamilies en geslachten. Enkele wat bekendere families zijn kameleons, leguanen, varanen, anolissen, gekko's, agamen, skinken en de in Europa veel voorkomende echte hagedissen. De andere 36 families zijn vrij onbekend en staan onder het kopje taxonomie.

    Er zijn ruim 3000 verschillende soorten hagedissen, die meestal hetzelfde bouwplan volgen: een lange staart, vier gebogen poten, waardoor de buik over de grond sleept, en een kenmerkende schedel. De vorm en de plaatsing van de neusgaten, gehoororganen en ogen is onmiskenbaar en makkelijk te onderscheiden van krokodilachtigen en schildpadden. Met brughagedissen ligt het wat moeilijker.

    Soms worden de wormhagedissen tot de onderorde van de hagedissen gerekend, maar door hun totaal andere fysiologie worden ze vaak ingedeeld als een derde onderorde van de Squamata.

    Inhoud

    [verbergen]

    [bewerk] Leefgebied

    Hagedissen leven in zowel droge als vochtige tropische en subtropische gebieden, maar er zijn ook soorten die zich hebben gespecialiseerd in woestijnen en gematigde gebieden. In Nederland en België komen enkele soorten voor; de zandhagedis, de muurhagedis en in België vooral de levendbarende hagedis. Ook de hazelworm behoort tot de hagedissen, hoewel deze soort geen pootjes heeft en sterk lijkt op een slang. Het verspreidingsgebied hangt eveneens af van de familie, agamen bijvoorbeeld komen wereldwijd voor, anolissen in Zuid- en Midden-Amerika en korsthagedissen alleen in de woestijn van Mexico.
    Het precieze leefgebied en habitat verschilt sterk, zowel qua altitude, vegetatietype, luchtvochtigheid en temperatuur. Sommige hagedissen leiden een gravend bestaan onder de grond, andere leven op de bodem tussen rotsblokken, of klimmen meer in bomen en struiken. Deze verschillende levenswijzen kunnen weer verder worden onderverdeeld; een voorbeeld zijn hagedissen die in bomen leven. Deze soorten hebben vaak een meer specifiek deel als habitat. Zo zijn er soorten die meer in lage takken leven, of hoger in de kruin of soorten die juist meer op de stam te vinden zijn. Vrijwel alle hagedissen kunnen goed zwemmen, maar slechts een zeer beperkt aantal soorten neemt vrijwillig een bad of legt langere afstanden af in het water. Enkele soorten zijn hoog in de bomen te vinden en kunnen stukjes door de lucht zweven met de huidvliezen, soms verstevigd met de ribben.

    [bewerk] Voeding

    Een anolis eet een vlieg
    Een anolis eet een vlieg

    Vrijwel alle hagedissen eten levende prooidieren (carnivoor) en pakken alles wat beweegt, niet als smerig of gevaarlijk wordt gezien, er eetbaar uitziet en in de bek past. Omdat veel soorten niet zo groot worden eten de meeste hagedissen voornamelijk insecten en andere kleine ongewervelden. Grotere soorten pakken ook wel andere dieren als muizen, slakken of andere hagedissen. Ook kleine soortgenoten worden niet gespaard, veel hagedissen zijn zeer kannibalistisch. Heel grote soorten, zoals varanen en korsthagedissen jagen actief op grotere prooien zoals wat grotere knaagdieren of vogels.

    Enkele bijzonderheden zijn de groene leguaan, die als jong op prooien jaagt maar als volwassene alleen planten eet en omnivoor is. Het komt wel meer voor bij een aantal grotere leguaanachtigen dat de dieren naarmate ze ouder worden meer vegetarisch leven en eten voornamelijk planten of de vruchten ervan. Hierdoor gaat ook hun groei langzamer. De zeeleguaan eet bijna alleen zeewier, en duikt naar de bodem van de zee om het van de rotsen te schrapen. De komodovaraan heeft wel eens mensen aangevallen en jaagt soms op hoefdieren. Kaaimanteju's hebben zich gespecialiseerd in slakken, en enkele soorten hagedissen leven van mieren en termieten en zijn formicivoor. Alleen viseters (piscivoor) zijn onbekend bij de hagedissen,
    met uitzondering van bepaalde uitgestorven zeereptielen zoals de maashagedissen.

    Hagedissen zijn over het algemeen nuttige dieren die enorme hoeveelheden insecten wegwerken, waaronder door de mens als schadelijk beschouwde groepen als krekels, kevers en sprinkhanen, soms zelfs schorpioenen.
    Een aantal soorten vlees-etende vogels en slangen zijn sterk afhankelijk van hagedissen als voedselbron, bijvoorbeeld de katslang, die alleen giftig is voor hagedissen, andere dieren zijn niet gevoelig voor het gif.

    [bewerk] Verdediging

    Anolis vs poes. Veel soorten hagedissen zijn uitgestorven of worden bedreigd door de introductie van dieren als honden, katten en varkens in hun leefgebied.
    Anolis vs poes. Veel soorten hagedissen zijn uitgestorven of worden bedreigd door de introductie van dieren als honden, katten en varkens in hun leefgebied.

    Lange tijd werden maar twee soorten hagedissen als giftig beschouwd; de korsthagedis en het sterk gelijkende en nauw verwante gilamonster. Onlangs is ontdekt dat er wel meer soorten zijn, zoals leguanen, die een gif produceren, maar dit net als eerder genoemde soorten niet injecteren middels giftanden zoals slangen. Het loopt in groeven langs de bek en komt in de prooi terecht door kauwbewegingen, het is ongevaarlijk voor mensen. Grotere hagedissen, met name varanen, hebben permanent rottingsbacteriën in de bek die als ze in het bloed terechtkomen levensgevaarlijk kunnen zijn. De komodovaraan gebruikt dit om zijn prooi te vangen; hoewel de prooi vrijwel altijd ontsnapt, bezwijkt deze later alsnog aan de bloedvergiftiging en het lijk wordt door de varaan opgespoord met het goed ontwikkelde reukvermogen.

    Veel soorten hagedissen met felle kleuren worden soms ook als giftig beschouwd door de plaatselijke bevolking en onterecht doodgemaakt. De kleuren spelen alleen een rol bij de balts en hebben niets met gevaar of giftigheid te maken, in tegenstelling tot sommige giftige slangen. Tevens zijn er soorten die sprekend lijken op slangen, zoals de inheemse hazelworm, en daardoor als gevaarlijk worden beschouwd. De zwartkopschubpoothagedis imiteert zelfs de Australische taipan, vanwege de bruine kleur en zwarte kop, net zoals de taipan. Het verschil is hierdoor zeer moeilijk te zien, dit wordt ook wel mimicry genoemd.

    De meeste hagedissen worden niet erg groot (15-25 cm totale lengte) en een beet zal hooguit resulteren in een 'vinger-met-een-hagedis-eraan', veel soorten zijn vasthoudend maar komen met de kleine tanden niet door de huid heen en kunnen makkelijk worden losgemaakt. Wat grotere soorten (25-100 cm) hebben vaak ook krachtigere kaken en kunnen met de tanden oppervlakkige verwondingen aanrichten of zeer pijnlijk bijten, berucht zijn de tokeh en het gilamonster. Bij heel grote soorten, langer dan een meter, kunnen wel vleeswonden worden toegebracht, maar alleen varanen zijn als echt gevaarlijk aan te merken, en zoals vermeld meer door hun bacteriën dan de beet. Bij veel soorten die de huid kunnen beschadigen moet men rekening houden met tetanus.

    Om aan vijanden te ontkomen kennen de hagedissen verschillende trucjes, de bekendste hiervan is autotomie, het afwerpen van de staart. Deze staart blijft na het afbreken een tijdje kronkelen zodat de vijand wordt afgeleid en wat te eten heeft, want hagedissen slaan hun vetreserves op in de staart. De staart groeit later weer aan maar blijft kleiner en is donkerder van kleur. Bij een aantal soorten, zoals de skinken uit het geslacht Eumeces hebben de juvenielen zelfs een felle blauwe of rode staartkleur om de aandacht op de staart te vestigen. Bij enkele gekko's en skinken lijkt de kop sprekend op de staart zodat een vijand wordt misleid en de verkeerde kant aanvalt. Ook andere methoden als zich met lucht op te blazen in het hol en zich met de stekels vast te zetten, of het gebruiken van een opblaasbare keelzak om de kop groter te laten lijken zijn bekend bij de hagedissen.

    Enkele agamen hebben een ongebruikelijke manier om vijanden af te schrikken; ze voeren de druk in adertjes onder de ogen op tot deze knappen en mikken met het bloedstraaltje op het gelaat. De kraaghagedis dankt de naam aan de kraag die wordt opgezet bij zowel concurrentie als gevaar. Deze soort kan op de achterpoten wegrennen, maar dat kunnen wel meer soorten als basilisken en sommige leguanen. De basilisken staan bekend om hun wonderbaarlijke vermogen om met de achterpoten over water te kunnen rennen, waaraan de naam Jesus Christushagedis te danken is. Hierdoor kunnen ze razendsnel rivieren oversteken en ontsnappen ze aan de vijand.

    [bewerk] Voortplanting

    Paring van de zandhagedis, de man is groen.
    Paring van de zandhagedis, de man is groen.

    Bij de paring moet het mannetje contact maken met de cloaca van het vrouwtje, wat bemoeilijkt wordt door de staart. Daarom hebben mannelijke hagedissen een soort van 'dubbele', eigenlijk gesplitste penis. Het geheel noemt men een hemipenis, hemi betekent 'half'. Deze zitten meer naar de zijkanten en maken het paren wat makkelijker omdat het mannetje zowel van links als rechts contact kan maken. De paring gaat vaak gepaard met beten van de man in de nek van de vrouw. Het kan er soms behoorlijk heftig aan toe gaan waarbij het eerder lijkt of de dieren vechten, verwondingen zijn niet zeldzaam bij veel soorten.

    De meeste hagedissen leggen eieren en zijn ovipaar, enkele zijn eierlevendbarend of ovovivipaar. Dit betekent dat de eieren geen harde schaal hebben maar een dun vliesje en dat de jongen al in het moederdier uitkomen waarna ze worden geboren.

    Hagedissen hebben zoals alle reptielen geen geslachtschromosomen; het geslacht wordt in het ei bepaald door de omgevingstemperatuur. Bij een bepaalde ideale temperatuur, die per soort verschilt, kruipen er voornamelijk mannetjes uit het ei. Bij een hogere óf een lagere temperatuur ontstaan vrouwtjes. De eitjes mogen na het afzetten niet gekeerd worden omdat het embryo hierdoor kan sterven.

    Bij de meeste soorten hebben de jongen een sterk afwijkend kleurenpatroon om te voorkomen dat de mannetjes ze als concurrent zien. Slechts enkele soorten vertonen een vorm van broedzorg waarbij juvenielen worden een tijdje beschermd door de moeder, zoals bij sommige skinken.

    Opmerkelijk is dat bij veel soorten die in groepen leven de minst dominante mannetjes meer op vrouwtjes gaan lijken; ze blijven kleiner en typische mannelijke kenmerken als een dikkere staart en grotere kop worden minder goed ontwikkeld. Dit komt door de stress waaraan ze onderhevig zijn maar ze hebben hierdoor minder te duchten van de dominante mannetjes. Andersom gaat het ook op, dominante vrouwtjes lijken meer op mannetjes. Geen enkele soort hagedis kan overigens van geslacht veranderen. Wel kennen sommige soorten maagdelijke voortplanting, wat betekent dat er geen mannetjes bestaan, enkel en alleen vrouwtjes. Een voorbeeld is de Europese hagedis Darevskia armeniaca, en dit verschijnsel komt ook voor bij onder andere amfibieën en insecten.

    [bewerk] Geschiedenis

    De moderne hagedissen ontstonden ongeveer 200 miljoen jaar geleden en hebben geen erg belangrijke rollen gespeeld in de prehistorie. Hoogstens in het Pleistoceen, toen was de 8 m lange varaan Megalania het toproofdier van Australië.

    Het feit dat de eerste reptielen al hetzelfde bouwplan hadden, kan iemand doen denken dat dat ook hagedissen waren, maar kenmerken van het skelet, vooral de schedel, tonen aan dat dat niet zo is.

    Ongeveer 150 miljoen jaar geleden begon een evolutieproces dat leidde naar de slangen in het Krijt.

    [bewerk] Indeling van de hagedissen

    Kroonbasilisk (Basiliscus plumifrons).
    Kroonbasilisk (Basiliscus plumifrons).

    De indeling van de hagedissen is altijd aan verandering onderhevig geweest door de constante aanvoer van nieuwe inzichten. Met name het verschil in de verwantschap op basis van morfologische kenmerken, waarop de vroegere indeling grotendeels was gebaseerd, en de huidige inzichten van verwantschap gebaseerd op de mitochondriale verschillen, die erg nauwkeurig de genetische verwantschap kunnen aantonen, heeft vele soorten van geslacht of zelfs familie doen veranderen. Ook het ontdekken van een enkele soort met een bepaalde combinatie van eigenschappen kan de boel in de war brengen en er worden nog steeds nieuwe soorten ontdekt.

    Lange tijd werden de slangen als aparte groep naast de hagedissen gezien, maar ze stammen af van gravende hagedissen, waarschijnlijk varaanachtigen. Slangen zijn dus geen aparte groep van reptielen, maar zijn ontstaan uit de hagedissen. Ook is ontdekt dat bepaalde hagedissen zoals leguanen, die overigens niet tot de varaanachtigen behoren, gifstoffen produceren die altijd alleen bij de slangen bekend waren, naast enkele nieuwe stoffen. Dergelijke nieuwe inzichten zullen weer veranderingen in de indeling van de hagedissen teweegbrengen.

    Hierdoor is de literatuur niet blindelings te vertrouwen, dat is de reden dat bij een correcte taxografie vaak vele namen en data staan, en er vele referenties vernoemd moeten worden. Hierdoor lijkt de indeling van reptielen soms een netwerk van verwijzingen en lopen de diverse indelingen nog al eens door elkaar heen. Tegenwoordig wordt de taxonomie volgens EMBL (European Molecular Biology Laboratory, zie externe links) voor de reptielen het meest als autoriteit beschouwd.

    Lange tijd bestond de suborde hagedissen uit 'losse' families; agamen, echte hagedissen, gekko's, kameleons, leguanen, skinken, varanen, wormhagedissen en het aparte geval, de brughagedis. Tegenwoordig zijn deze groepen gerangschikt naar voorouder, en zijn de groepen opgesplitst in infra-orden. Een voorbeeld van deze verandering zijn de leguanen, welke vroeger een groot aantal onderfamilies kende, die tegenwoordig allemaal als aparte families worden gezien. Voorbeelden zijn de maskerleguanen, kielstaartleguanen en de aardleguanen. De infra-orde Iguania bevat naast leguanen de kameleons en de agamen.

    [bewerk] Hagedissen in Nederland en België

    Er leven vier soorten hagedissen in Nederland, waarvan één pootloze soort; de hazelworm (Anguis fragilis). Deze lijkt oppervlakkig op een slang maar blijft kleiner tot 50 cm, heeft in tegenstelling tot een slang oogleden en is glanzend egaal bruin of grijs van kleur. Het lichaam is ook veel stijver dan dat van een slang. De duinhagedis of zandhagedis (Lacerta agilis) leeft op zandgronden als verstuivingen en duinen, mannetjes zijn in het voorjaar fel groen van kleur, vrouwtjes bruin. De muurhagedis (Podarcis muralis) leeft op steenhopen en muren, in Nederland alleen in Limburg. Tenslotte de levendbarende hagedis (Zootoca vivipara), die zich evenals de hazelworm heeft aangepast door de eitjes in het lichaam uit te broeden. Hierdoor profiteren ze van de lichaamswamte van de moeder waardoor de soort in meer gematigde streken, waar de omgevingstemperatuur te laag is voor de ontwikkeling van eitjes, toch kan overleven.

    [bewerk] Taxonomie

    Ameiva fuscata
    Ameiva fuscata
    Nucras caesicaudata
    Nucras caesicaudata
    De gekko Uroplatus sikorae heeft een bizar uiterlijk, dit is een vrouwtje (kop rechtsonder).
    De gekko Uroplatus sikorae heeft een bizar uiterlijk, dit is een vrouwtje (kop rechtsonder).
    De Chinese krokodilstaarthagedis (Shinisaurus crocodilurus) lijkt op een krokodil.
    De Chinese krokodilstaarthagedis (Shinisaurus crocodilurus) lijkt op een krokodil.

    Onderstaande indeling wordt tegenwoordig algemeen aanvaard. Zie voor de soorten hagedissen ook de lijst van reptielen.

    Onderorde Sauria (Lacertilia)

    En twee uitgestorven families:

    14-12-2007 om 21:27 geschreven door Thiebout  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (8 Stemmen)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De salamander

    Salamanders

    Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

    Ga naar: navigatie, zoeken

    Salamanders (Caudata) zijn een orde van de amfibieën. Vroeger werd ook wel de naam Urodela gebruikt, maar deze is verouderd. Salamanders hebben een aantal gemeenschappelijke kenmerken. Alle soorten hebben een langwerpig lichaam, relatief kleine pootjes en een staart die minstens een derde van de lichaamslengte beslaat. Er bestaan zowel landbewonende als in het water levende salamanders. In Europa komen ongeveer 20 soorten voor, waarvan de meeste behoren tot de familie Salamandridae of echte salamanders.

    Veel soorten salamanders zoeken voor de voortplanting het water op, maar verder zijn het grotendeels landdieren. Vrijwel alle soorten komen in oppervlaktewater uit het ei als larve en metamorfoseren ook in het water, slechts enkele soorten zijn eierlevendbarend. Alle salamanders leven op vochtige plekken en ze zijn ook het meest actief bij vochtig weer. In tegenstelling tot hagedissen, waar salamanders morfologisch op lijken en er soms mee verward worden, hebben ze geen schubbenhuid en zijn vaak zeer gevoelig voor uitdroging.

    Inhoud

    [verbergen]

    [bewerk] Voortplanting

    De voortplanting van salamanders is meestal uitwendig; het mannetje produceert een spermapakketje (spermatolofoor), dat door het vrouwtje in de cloaca wordt opgenomen. Van watersalamanders is bekend dat er voor de paring een balts plaatsvindt. Op enkele uitzonderingen na worden de eitjes stuk voor stuk in het water gelegd en aan planten of stenen bevestigd, soms in kleine groepjes. De larven uit de eitjes lijken niet op kikkervisjes: het zijn vleeseters en lijken qua bouw al meteen op hun ouders. Vaak zijn de achterpootjes echter onderontwikkeld bij pasgeboren larven en ook is de kleur vaak anders, de larven hebben veel minder pigmenten. Ook hebben ze uitwendige kieuwen, die bij de meeste soorten weer verdwijnen. De metamorfose is minder ingrijpend dan bij de kikkers en padden (Anura).

    Het verschijnsel neotenie is bij de salamanders echter niet ongewoon, hierbij verliest een volwassen exemplaar niet de kenmerken van de larve. Zo blijft het lichaam visachtig afgeplat en ook de uitwendige kieuwen blijven behouden, zo is het dier beter aangepast aan een leven onder water. Een aantal soorten salamanders ontwikkelt longen, maar de leden uit de grootste familie, Plethodontidae of longloze salamanders hebben deze niet en omvat meer dan 65% van alle soorten.

    [bewerk] Salamanders in Nederland en België

    In Nederland komen 5 soorten salamanders voor die allemaal wettelijk beschermd zijn. Enkele soorten staan op de Rode lijst. Het meest algemeen is de kleine watersalamander die in heel Nederland voorkomt. De soorten uit de geslachten Lissotriton en Mesotriton werden lange tijd beschouwd als soorten uit het geslacht Triturus.

    Larve van de alpenwatersalamander (Mesotriton alpestris).
    Larve van de alpenwatersalamander (Mesotriton alpestris).

    [bewerk] Taxonomie

    Leven -> Animalia -> Chordata -> Vertebrata -> Tetrapoda -> Amphibia -> Caudata

    14-12-2007 om 21:26 geschreven door Thiebout  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 1/5 - (6 Stemmen)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De vlinder

    Vlinders

    Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

    (Doorverwezen vanaf Vlinder)
    Ga naar: navigatie, zoeken
     Zie voor het tijdschrift Vlinders het artikel Vlinderstichting.

    Vlinders of schubvleugeligen (Lepidoptera) zijn een kleurrijke orde van insecten.

    Vlinders vormen de grootste insectenorde na de ordes kevers (Coleoptera), vliegen en muggen (Diptera), en vliesvleugeligen (Hymenoptera). Er zijn inmiddels ongeveer 160.000 verschillende soorten vlinders beschreven.

    De vlinders worden volgens de gangbare biologische systematiek onderverdeeld in achtereenvolgens families, geslachten en soorten. De belangrijkste onderscheidende kenmerken zijn het kleurpatroon en de vleugeladering, maar ook de larven (rupsen) van veel soorten zijn goed te onderscheiden.

    Inhoud

    [verbergen]

    [bewerk] Dag- en nachtvlinders

    Er wordt vaak een onderscheid gemaakt tussen dag- en nachtvlinders, dit wordt in het geheel niet door de taxonomie ondersteund maar is algemeen ingeburgerd. Zo zijn er schemeractieve dagvlinders en dagactieve nachtvlinders. Wel is het zo, dat bepaalde families in het algemeen als nachtvlinders worden beschouwd en andere families als dagvlinders.

    Dagpauwoog: een typische dagvlinder.
    Dagpauwoog: een typische dagvlinder.

    Het onderscheid baseert zich voornamelijk op uiterlijke kenmerken van de vlinders. Een ander verschil is zichtbaar tijdens de metamorfose. Over het algemeen zijn er verschillen tussen de twee groepen waaraan de meeste soorten makkelijk te herkennen zijn, maar er zijn ook vele uitzonderingen. De belangrijkste verschillen zijn:

    • Dagvlinders hebben dunne voelsprieten met een verdikt, knopvormige uiteinde. Dagvlinders vouwen hun vleugels recht boven het lichaam, uitzondering hierop zijn de dikkopjes. De vier vleugels kunnen onafhankelijk van elkaar bewogen worden, wat leidt tot een elegantere vlucht. Dagvlinders hebben over het algemeen felle kleuren, hoewel veel soorten deze alleen aan de boven-(binnen-)kant van de vleugels hebben. Een voorbeeld is de dagpauwoog, die schutkleuren aan de buitenzijde heeft in rust, maar zijn felgekleurde ocelli (oogvlekken) toont bij verstoring. Bij de verpopping verhardt de huid tot een cocon.


    Oranje iepentakvlinder: een typische nachtvlinder.
    Oranje iepentakvlinder: een typische nachtvlinder.
    • Nachtvlinders hebben verschillende soorten voelsprieten: veervormig, borstelig enz. Ze hebben een verbinding tussen de voor- en achtervleugels waardoor deze niet onafhankelijk van elkaar kunnen worden bewogen en vouwen hun vleugels als dakpannetjes boven het lichaam of vlak uitgespreid en ook hier zijn er weer uitzonderingen, zoals sommige spanners en de wespvlinders. Nachtvlinders hebben over het algemeen camouflagekleuren, maar dit geldt niet voor alle soorten, zoals de dagactieve nachtvlinders. De meeste soorten hebben wel degelijk felle kleuren, maar laten deze alleen zien bij verstoring. Bij de verpopping spint een nachtvlinder zijn cocon rond de pop, in plaats van alleen uit te harden zoals bij de dagvlinder.

    [bewerk] Bestuderen van nachtvlinders

    Een nachtvlinderval met speciale lamp.
    Een nachtvlinderval met speciale lamp.

    Door hun nachtelijke voorkomen is het vrij moeilijk om verspreiding te bestuderen van nachtvlinders die niet dagactief zijn. Er zijn verschillende manieren om nachtvlinders te vangen:

    • Overdag rustende nachtvlinders proberen te vinden, bijvoorbeeld door ze uit hun rust te verstoren.
    • Zoeken naar de rupsen.
    • Gebruik maken van een lichtbron, bijvoorbeeld in een nachtvlinderval of bij een laken. Vooral wanneer veel UV-licht wordt uitgezonden worden nachtvlinders aangetrokken.
    • Stroop smeren, meestal gemaakt van een combinatie van fruit(-stroop) en alcohol, en daarmee vlinders lokken. Of de nachtvlinders in de schemer op bloeiwijzen proberen te spotten.
    • Lokken met feromoon.

    [bewerk] Ecologie

    Vlinders zijn een belangrijke schakel in de natuur, niet alleen werken de rupsen enorme hoeveelheden planten weg maar ook vormen zij een belangrijke voedselbron voor veel andere dieren. Ook spelen vlinders een rol in de bestuiving van planten, sommige plantensoorten bloeien 's nachts om o.a. nachtvlinders te lokken. Er zijn zowel soorten met een groot aanpassingsvermogen die een grote variëteit van biotopen kunnen overleven, als zeer gespecialiseerde vlinders die zich bij de geringste veranderingen niet meer kunnen handhaven.

    De favoriete leefomgeving is voor iedere soort specifiek, er zijn vlinders die zich hebben aangepast op bossen, heidevelden, graslanden, moerassen en meer duinachtige gebieden. Waar de vlinder voorkomt, hangt nauw samen met de waardplant van de rupsen, maar er zijn ook wel uitgesproken trekkende soorten. Daarnaast zijn ook lichtintensiteit, temperatuur en luchtvochtigheid van grote invloed op de overlevingskansen van de soort. Vooral de warmtebehoefte verschilt per soort; voor de meeste soorten ligt de ideale temperatuur tussen 20 en 25 graden Celsius.

    De lichtintensiteit en de veranderingen van het dag- en nachtritme zijn van grote invloed op vlinders. Zoals alle insecten zijn vlinders sneller als ze door de zon zijn opgewarmd. Ook hebben vlinders een biologische klok die ze vertelt welk seizoen het is. Trekkende vlinders maken waarschijnlijk gebruik van gepolariseerd licht om hun route te bepalen.

    [bewerk] Anatomie

    De schubben op de vleugel van een vlinder
    De schubben op de vleugel van een vlinder

    De vlinder vertoont de meeste algemene kenmerken van het insect, zoals zes gelede poten met kleefklauwtjes, vier relatief grote vleugels, kop met twee antennes (met goed ontwikkeld reukorgaan), facetogen, palpen, smalle nek, borststuk (thorax) in drie segmenten, kleurloos bloed, darmen en uitscheidingsorganen. Een vlinder heeft echter geen kaken, althans die zijn bij de nectardrinkende soorten omgevormd tot een lange roltong.

    [bewerk] Vleugels

    De vleugels van een vlinder zijn over het algemeen zeer groot, vergeleken met andere insectensoorten. De afmetingen variëren van enkele millimeters tot wel 30 cm, zoals bij de atlasvlinder, een Aziatische nachtvlinder. Deze grote soorten lijken in vlucht eerder op een vleermuis dan op een vlinder. Soms zijn de vleugels behaard; het lichaam vertoont verschillende behaarde delen. Beharing heeft niet alleen een isolerende functie, maar maakt nachtvlinders ook minder 'zichtbaar' voor de echolocatie van vleermuizen. De beharing absorbeert het geluid waardoor de vlinder moeilijker te lokaliseren is. De glasvlinders, waartoe de wespvlinders behoren, hebben juist deels doorzichtige vleugels.

    De kleuren en patronen die veel vlinders tot een prachtige verschijning maken, worden veroorzaakt door heel kleine, holle schubben, die dakpansgewijs over elkaar de vleugels en het lichaam bedekken. Het pigment in die schubben geeft de vlinder zijn kleur. Soms creëert de manier waarop de schubben gerangschikt zijn, in combinatie met de lichtinval en lichtbreking, een prachtige metaalglans. Binnen een soort zijn vaak vele kleurvariaties te vinden. De beide seksen zijn in de meeste gevallen onderling verschillend van kleur en tekening (seksueel dimorfisme), soms is bij het vrouwtje de vleugel gedegenereerd of zelfs ontbrekend, waardoor die niet kan vliegen. Een bijzondere variant is de laterale gynandromorfie, wanneer een vlinder een vleugel met het mannelijke en een met het vrouwelijke kleurpatroon heeft.

    [bewerk] Tong

    SEM-opname van de tong van een vlinder uit de Pyralidae familie.
    SEM-opname van de tong van een vlinder uit de Pyralidae familie.
    De tong van de kolibrievlinder
    De tong van de kolibrievlinder

    Een vlinder heeft een buisvormige roltong die ook wel proboscis wordt genoemd. Met de tong wordt nectar uit de bloem opgezogen, of ander vloeibaar voedsel, zoals sap van zacht rottend fruit, urine, mest of vocht van dode dieren. De lengte van de tong varieert van 1 centimeter tot wel 15 centimeter bij de Windepijlstaart. Uitzonderingen zijn enkele nachtvlinderfamilies zoals de nachtpauwogigen. Deze hebben helemaal geen tong en nemen als vlinder geen voedsel meer op. Ze halen hun energie uit de als rups opgebouwde reserves en leven meestal slechts een paar dagen. Er zijn enkele soorten vlinders die de tong hebben omgevormd tot steeksnuit; deze leven van bloed van andere dieren[1][2], al is niet bekend of ze dit alleen doen voor de ontwikkeling van de eitjes (zoals vrouwelijke muggen), of dat ze enkel en alleen van bloed leven.

    [bewerk] Achterlichaam

    Het achterlichaam telt 10 segmenten met op elk segment aan beide zijden een ademopening. De laatste segmenten vormen de geslachtsorganen, een belangrijk identificatiekenmerk voor alle insecten maar zeker bij vlinders. Bij de mannetjes vormen de laatste 2 segmenten uitwendige organen, bij de vrouwtjes vormen de laatste 3 segmenten een soort inwendige legbuizen. Het leven van het imago is geheel gericht op de voortplanting, maar sommige soorten leggen eerst enorme afstanden af voor ze hieraan beginnen. Het onbevruchte vrouwtje scheidt een lokstof (feromoon) af om mannetjes aan te trekken.

    [bewerk] Voortplanting

    Vlinders kennen, net zoals kevers en vliegen en muggen, een volledige gedaanteverwisseling, en behoren tot de hoofdorde Endopterygota of Holometabola. Er zijn vier stadia, bestaande uit twee actieve en twee inactieve stadia die elkaar afwisselen. Het eerste stadium is het ei, daaruit kruipt de larve die na een tijdje verandert in een pop. Uit de pop komt ten slotte de volwassen vlinder of imago, die bij veel soorten een levensduur heeft die slechts een fractie is van het larvale stadium. Bovendien verandert een vlinder niet meer, de rups groeit ongeveer 20 keer zo lang en wordt duizenden keren zwaarder. De rups vervelt bovendien, de verschillende stadia zien er vaak iets anders uit. Bij de laatste vervelling wordt de huid hard, en vindt verpopping plaats. Na enige tijd in de pop te hebben gezeten - de duur verschilt sterk per soort - kruipt de volwassen vlinder uit zijn pop, laat zijn vleugels oppompen en vliegt weg. De manier waarop een ei en een larve zich ontwikkelt in een imago (volledig ontwikkeld insect): Eitje-rups-pop-vlinder, noemt men metamorfose, in het geval van vlinders een volledige gedaanteverwisseling. Andere insecten als sprinkhanen en wantsen hebben geen larvestadium en kennen een onvolledige gedaanteverwisseling.

    [bewerk] Paring

    Vlinders overwinteren vaak als volwassen vlinder of als pop, en komen in het begin van de lente tevoorschijn, waarna de mannetjes en vrouwtjes elkaar opzoeken voor het produceren van nageslacht. In tropische streken is er geen sprake van een echte winter en gaat de ontwikkeling van vlinders het hele jaar door. Omdat de omstandigheden constanter zijn, kunnen de rupsen meerdere jaren leven, en ook de pop komt pas na meerdere jaren uit, waardoor de soorten veel groter worden. Soms produceren vrouwtjes, verborgen in de begroeiing, met hun achterlijf geurstoffen (feromonen) die de mannetjes aanlokken. Elke vlindersoort heeft zijn specifieke geur. Sommige mannetjes, zoals de Nachtpauwoog, zijn in staat de geur van een soortgenote op kilometers afstand te ruiken. Bij andere soorten gaat het mannetje ergens zitten waar het vrouwtje hem niet kán missen.

    Hebben man en vrouw elkaar gevonden, dan zijn er baltsvluchten nodig om het vrouwtje over te halen te paren. De paring duurt lang, van 1 tot meerdere uren. In de tijd zijn hun achterlijven met elkaar verbonden. Vliegen is dan geen eenvoudige zaak, dus tijdens de paring lopen de vlinders gevaar. Een enkele keer kun je opgeschrikte parende vlinders, nog met elkaar verbonden, zien vliegen.

    [bewerk] Ei

    De eitjes van de nachtpauwoog (Eudia pavonia) worden als een band om een plantenstengel afgezet.
    De eitjes van de nachtpauwoog (Eudia pavonia) worden als een band om een plantenstengel afgezet.

    De eitjes van vlinders zijn meestal glad, maar soms zijn het ware kunstwerkjes met regelmatige patronen van ribbels, putjes en groeven die door elkaar heen lopen. Ook zijn alle mogelijke vormen mogelijk; van bolvormig tot flesvormig, plat, tonvormig of cilindrisch. In ieder eitje zit echter een gaatje om het sperma door te laten, de micropyle. De eitjes van vlinders worden namelijk pas bevrucht bij het afzetten ervan.

    Sommige nachtvlinders en soorten uit de familie spinners leggen eitjes met een opvallende kleur en zijn ondanks de geringe lengte van soms 0,3 millimeter makkelijk te zien. Deze felle kleuren dienen bij veel soorten om aan te geven dat er al eitjes zijn afgezet op een voedselplant. Een tweede vrouwtje dat op de plant landt, ziet de felgekleurde eitjes en weet zo dat haar nageslacht zal moeten concurreren en kiest meestal voor een andere plant.

    De meeste vlinders hebben witte tot grijze tot soms zwarte eitjes. Het is niet ongebruikelijk dat de kleur van het ei verandert tijdens de ontwikkeling en bij eitjes met een doorzichtige schaal is de rups al te zien.

    De afzet van eitjes verschilt enigszins per soort: sommige soorten leggen hun eitjes een voor een, andere in kleine of grote groepjes, weer andere in keurige rijtjes of in rommelige hoopjes. De eitjes worden afgezet op bladeren, twijgen, tussen boomschors, tegen bloem- of bladknoppen, of in bloemen - en vrijwel altijd op de voedselplant die de uitkomende rupsen voor hun groei nodig hebben. Afhankelijk van de temperatuur ontwikkelt het embryo zich in 1 tot 3 weken tot een rups en eet zich een weg uit het eitje om zich vervolgens te goed te doen aan de waardplant. Bij veel soorten is het ei het eerste wat de net uitgekomen rups eet, dit wist gelijk de sporen uit van de geboorte van de rupsen. Bij een aantal soorten sterft de rups zelfs als hij zijn ei niet opeet.

    [bewerk] Rups

    Zie ook het hoofdartikel rups
    De rups van Papilio polytes lijkt de eerste tijd op een vogelpoepje, maar wordt later groen.
    De rups van Papilio polytes lijkt de eerste tijd op een vogelpoepje, maar wordt later groen.

    Als de rups het ei heeft opgegeten, begint hij direct met het eten van planten, veel soorten eten liefst jonge, frisse blaadjes. Vrijwel alle vlinders eten als rups planten, maar sommige soorten leven van dood dierlijk materiaal. Enkele soorten vangen zelfs slakjes of andere dieren die ze vervolgens opeten, soms door met hun spinsel te vangen, en zijn carnivoor. Een voorbeeld is het geslacht Eupithecia, dat onder andere voorkomt op Hawaï. Deze rupsen hebben grote pseudopoten aan de achterzijde om zich op te richten en grote poten aan de voorzijde om prooien te grijpen.

    De meeste vlinders hebben een waardplant, een plantsensoort of groep planten waarvan de rups afhankelijk is; andere soorten lust hij niet. Koolwitjes bijvoorbeeld leven van verschillende kruisbloemigen, maar de Sint-Jakobsvlinder eet alleen soorten uit het geslacht kruiskruid (Senecio). Naast specifiek voedsel is de ontwikkeling van de rups afhankelijk van de omgevingstemperatuur, deze mag niet te laag maar zeker niet te hoog zijn en verschilt per groep. Een rups vervelt in de regel 5 of 6 keer, soms nog meer, en de perioden tussen de vervellingen worden instars genoemd.

    Deze rups van de eekhoorn lijkt sprekend op een roofwants door zijn bizar lange voorpoten en wants-achtige kleuren en vormen.
    Deze rups van de eekhoorn lijkt sprekend op een roofwants door zijn bizar lange voorpoten en wants-achtige kleuren en vormen.

    Rupsen zijn er in alle vormen en maten, sommige zijn zo klein dat ze in een blad gangenstelsels graven, de rups van sommige soorten kan ruim 10 cm bereiken. Er zijn zowel harige als kale rupsen, en een aantal soorten heeft bizarre uitsteeksels of oogvlekken om vijanden te misleiden. Ook brandharen, smerige stoffen of zelfs imitatie van gevaarlijke of giftige soorten zijn verdedigingsmechanismen van rupsen. Enkele soorten zijn zelfs giftig. Net zoals spinnen hebben veel rupsen een klier die een zijde-achtig spinsel aanmaakt. Deze zit echter bij de kop en niet aan de achterzijde zoals bij spinnen. Hiermee kunnen zekeringsdraden worden gemaakt zodat de rups niet valt of zich uit planten kan laten zakken. Veel soorten gebruiken het spinsel ook voor het maken van een cocon om de pop te beschermen, of om zich, net als spinnen, met de wind te laten meezweven en zich zo te verspreiden.

    Deze pijlstaartrups is ten prooi gevallen aan sluipwesplarven.
    Deze pijlstaartrups is ten prooi gevallen aan sluipwesplarven.

    Het leven van een rups is een hachelijke zaak, hij heeft een scala aan vijanden; vogels, muizen, reptielen en amfibieën, andere insecten en zelfs soortgenoten eten elkaar soms op. Deze vorm van kannibalisme is soms noodzakelijk voor de rupsen, omdat een voedselplant soms te weinig voedsel bevat voor alle exemplaren. Een bekende vijand is de sluipwesp, die de rups verlamt en de eitjes afzet in het rupsenlichaam. Nadat de larven zijn uitgekomen eten ze de rups levend en van binnenuit op. Er zijn echter soorten die een trucje hebben ontwikkeld en de eitjes van de sluipwesp inkapselen waarna deze niet meer uitkomen en de rups ontsnapt aan een langzame dood.

    Bij een aantal soorten vlinders leven de rupsen in groepen. De bekendste soort is wellicht de eikenprocessierups, die er zelfs zijn naam aan heeft te danken. De rupsen volgen elkaar in een lange colonne, of vormen een soort mat van rupsen. Er zijn ook soorten waarbij de rupsen een soort nest maken in een plant met spinsel om het vijanden moeilijker te maken ze op te eten. Een plant waarop al te veel van deze 'kolonies' leven wordt niet zelden volledig kaal gevreten.

    [bewerk] Pop

    De pop van de monarchvlinder lijkt op een eikel.
    De pop van de monarchvlinder lijkt op een eikel.

    Als de rups zich heeft volgevreten vindt de verpopping plaats. De rups spint meestal een cocon om zich heen, kruipt uit zijn laatste rupsenhuid waarna de pophuid overblijft. De pop hangt aan een draad, uiteinde of haakjes op een beschut plekje, en de metamorfose voltrekt zich binnen in de pop, en is niet zichtbaar. De pop wordt niet meteen een vlinder, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de libellen, die een soort verkort popstadium hebben, de libel kruipt echter binnen enkele minuten uit zijn larvehuid.

    De pop van het oranjetipje lijkt op een doorn.
    De pop van het oranjetipje lijkt op een doorn.

    De pop van vlinders kan zich niet bewegen en is dus kwetsbaar, daarom lijken de poppen van vlinders vaak op takjes, dode bladeren of doorns. Zelfs bij soorten die als rups en vlinder felle kleuren hebben is de pop vaak zo onopvallend mogelijk gekleurd of gevormd. De zakrupsvlinders maken als rups een soort huisje van plantendelen en ander materiaal, en verpoppen hierin.

    Bij vlinders kan het popstadium acht dagen duren, maar soms ook wel vier jaar. Als de pop uiteindelijk openbarst (langs een voorgevormde breuklijn) komt er een vlinder uit, aanvankelijk week en met nog opgevouwen, verfrommelde vleugels. Dan worden de vleugels hard, door ze voorzichtig te bewegen, dit wordt oppompen genoemd. Pas daarna vliegt de vlinder de wereld in.

    [bewerk] Imago

    De snuitvlinder lijkt op een houtsplinter.
    De snuitvlinder lijkt op een houtsplinter.
    Automeris io met oogvlekken
    Automeris io met oogvlekken

    De volwassen vlinder krijgt zijn typische uiterlijk; een behaard, rupsachtig lichaam met gelede poten en meestal relatief grote vleugels. Er zijn soorten die een uitstekende camouflage kennen, het hele lichaam is aangepast. Ook zijn er soorten die juist felle kleuren hebben of zelfs andere dieren imiteren om vijanden te misleiden. Voorbeelden zijn de wespvlinders, die meer lijken op wespen en horzels. Een aantal vedermotten lijkt nog het meest op een langpootmug, maar dit is slechts een toevallige gelijkenis.

    Veel vlinders, vooral nachtvlinders, zijn uitstekend gecamoufleerd en vrijwel onzichtbaar op boomschors. Sommige soorten lijken sprekend op een dor blad, takje of houtsplinter. Veel van deze soorten hebben onder de onopvallende voorvleugels echter felle schrikkleuren op de achtervleugels of op het achterlijf. Bij verstoring worden de voorvleugels gespreid en komen de schrikkleuren tevoorschijn. Bij vlinders komen vaak oogvlekken of ocelli voor, die de vlinder pas laat zien bij aanstormend gevaar. In rust zijn deze vlekken niet te zien, wat het schrikeffect verhoogt.

    Vlinders worden wel verzameld, en alleen als volwassen exemplaar want een rups kan alleen worden bewaard in conserveringsvloeistoffen en zal al snel verkleuren. Vlinders echter blijven, in tegenstelling tot de meeste insecten, in zeer goede conditie. Zolang de schubben niet worden beschadigd, blijven de kleuren van de vleugels behouden als bij een levend exemplaar.

    [bewerk] Symboliek

    In de iconografie is een vlinder die uit de pop kruipt het symbool van de ziel die het lichaam veraat.[3] In de christelijke iconografie is een vlinder op de hand van Christus een symbool voor de opgestane menselijke ziel.[3]
    De levenscyclus van de vlinder: rups, pop en vlinder symboliseert leven, dood en opstanding.[3] Op oude begraafplaatsen kan daarom op grafmonumenten een vlinder worden aangetroffen.

    [bewerk] Galerij: Vlinders die op andere insecten lijken

    [bewerk] Trivia

    • 's Werelds grootste dagvlinder is de vogelvlinder (Ornithoptera alexandrae, 28 cm spanwijdte) afkomstig uit Guinea, de grootste nachtvlinder van de wereld is een atlasvlinder (Attacus caesar, spanwijdte 32 cm). Voorheen was men erg onduidelijk en noemde simpelweg atlasvlinder wat in principe een genus is en geen soort.
    • Een door de mens gecultiveerde vlinder is de zijdevlinder (omwille van de zijde die de rups spint), die de witte moerbei als waardplant heeft. Hier worden o.a. kledingstukken van geweven. Het millennia lang kweken van deze soort heeft ertoe geleid dat de exemplaren uit de kweek niet meer onder natuurlijke omstandigheden kunnen leven (domesticatie).
    • De zakrupsvlinders kennen soms ongeslachtelijke voortplanting, ook hebben de vrouwtjes niet altijd vleugels.

    [bewerk] Indeling en benaming

    Zie ook: Lijst van vlinders

    Entomologen veranderen regelmatig van mening over het juiste aantal families. Het aantal ligt in de orde van 130 families.

    [bewerk] Vlinderfamilies die in Nederland en België voorkomen

    Het eikenblad (Gastropacha quercifolia) lijkt op een blad
    Het eikenblad (Gastropacha quercifolia) lijkt op een blad
    Rups van de pijlstaartvlinder Pseudosphinx tetrio.
    Rups van de pijlstaartvlinder Pseudosphinx tetrio.
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De papegaai

    Papegaaien

    Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

    (Doorverwezen vanaf Papegaai)
    Ga naar: navigatie, zoeken
    Papegaai
    Papegaai
    Geelvleugelara
    Taxonomische indeling
    Rijk: Animalia (Dieren)
    Stam: Chordata (Gewervelden)
    Klasse: Aves (Vogels)
    Orde: Psittaciformes (Papegaai-achtigen)
    Familie
    Psittacidae

    Papegaaien, Kaketoes en Lori's zijn drie families van vogels uit de orde van Psittaciformes (papegaaiachtigen). Vaak worden met het woord papegaai de grotere, ongekuifde vogels uit deze familie aangeduid. Kleine papegaaiachtigen zijn onder meer parkieten en agapornissen. Er bestaan ongeveer 330 soorten papegaaien die overwegend in tropische gebieden leven, hoewel er verschillende in subtropische, gematigde en zelfs subantarctische klimaten te vinden zijn. Het woord "papegaai" is afkomstig van het Spaanse woord papagayo, dat op zijn beurt waarschijnlijk afgeleid is van het Arabische babagha en het Perzische babgha.

    Inhoud

    [verbergen]

    [bewerk] Kenmerken

    Kenmerkend aan papegaaiachtigen is een sterke korte kromme snavel die zeer geschikt is voor het kraken van harde zaden en noten. De ondersnavel kan onafhankelijk van de bovensnavel worden bewogen. Papegaaien hebben een korte hals en vier tenen, waarbij twee tenen naar voren staan en twee naar achteren. Dit maakt de vogels tot zeer behendige klimmers. Bij het klimmen wordt ook de snavel gebruikt. In tegenstelling tot andere vogels hebben papegaaien geen vetproducerende stuitklier waarmee ze hun verenkleed in conditie kunnen houden. In plaats daarvan gebruiken papegaaien hun donsveren, die verpulveren tot een poeder.

    Papegaaien zijn meestal kleurrijke vogels. Er zijn vaak geen uiterlijke verschillen tussen mannetje en vrouwtje, hoewel dit bij verschillende soorten wel het geval is. De vogels zijn beroemd om het imiteren van menselijke geluiden. Wilde papegaaien doen dit overigens niet, ook al leven ze in de buurt van menselijke nederzettingen.

    [bewerk] Leefwijze

    Papegaaien leven in groepen en hebben binnen de groep een vaste partner. In het papegaaienhuwelijk domineert het vrouwtje, dat 'pop' wordt genoemd. De vogels versterken hun band steeds weer door elkaar aandachtig te beknabbelen. Er heerst in de papegaaiensamenleving een duidelijke rangorde. Conflicten worden uitgevochten door te dreigen, in een later stadium grijpen de vogels met de poten naar elkaar en echt ernstige ruzies worden beslecht met de krachtige snavel. Omdat ze elkaar op die wijze ernstige verwondingen kunnen toebrengen zullen papegaaien snavelgevechten zoveel mogelijk vermijden.

    Papegaaien brengen de meeste tijd door in bomen. Ze klauteren meer dan ze vliegen en vertonen zich zelden op de grond, hoewel er soorten zijn die zich overwegend of zelfs uitsluitend daar op houden. Papegaaien communiceren met elkaar door rauwe kreten die voor de mens hetzelfde klinken maar waarin de vogels allerlei nuances kunnen onderscheiden.

    [bewerk] Voedsel

    Papegaaien eten een gevarieerd dieet. Zaden en vruchten zijn belangrijk, maar ook nectar, stuifmeel en ongewervelde dieren worden gegeten. Een klein aantal soorten voedt zich bovendien met aas of jaagt zelf. Van de kea is bijvoorbeeld bekend dat hij jonge stormvogels en schapen aanvalt en kan doden. De zeer kleine spechtpapegaaien zijn ook een uitzondering en kunnen zich met korstmossen kunnen voeden. Om het gif in sommige vruchtensoorten te neutraliseren eten sommige papegaaiensoorten klei. Daartoe bezoeken ze groepsgewijs (meestal) vaste plaatsen. Het is onmogelijk het dieet van papegaaien in de natuur voor huiskamervogels exact na te bootsen. Er zijn diverse uitgebalanceerde voedingen op de markt die voor een groot deel in de behoeften van de vogel kunnen voorzien, dit kan een pelletvoer zijn maar ook een uitgebalanceerde mengeling van zaden, noten, gedroogde groenten en gedroogde vruchten. Uiteraard is het belangrijk dat vruchten en groenten waar mogelijk vers gegeven worden. Ook de palmnoot is een heel belangrijke noot in de voeding van bijvoorbeeld Ara, grijze roodstaart, palmkaketoe en diverse andere papegaaiensoorten. Van de grijze roodstaart is bekend dat zijn natuurlijke dieet voor 80 procent uit de palmnoot bestaat. Ook deze palmnoot is tegenwoordig bij gespecialiseerde dierenwinkels te verkrijgen.

    [bewerk] Papegaaien als huisdier

    Papegaaien werden in de oudheid al door de Grieken gehouden die de vogels 'bittakos' noemden. Verder waren ze veel geziene gasten aan boord van schepen, waardoor ze in allerlei landen werden geïntroduceerd. Soorten die thans veel als huisdier worden gehouden zijn de amazonepapegaaien en de grijze roodstaart.

    Papegaaien in gevangenschap accepteren de mens als partner en zullen diens aandacht proberen te trekken door zijn of haar stem na te bootsen. Omdat het zeer sociale vogels zijn, hebben ze veel aandacht nodig. Gebrek aan aandacht en verveling kunnen leiden tot onophoudelijk krijsen en verenplukken. In een papegaaiensamenleving geldt een strikte rangorde. Dominante vogels zitten meestal op hogere plaatsen dan ondergeschikte vogels. Een papegaai die regelmatig op het hoofd van zijn baas of op andere hoge plekken mag zitten kan zich snel dominant gaan voelen en zich ontwikkelen tot een bijtend en krijsend probleemdier. Papegaaien hebben ongeveer de intelligentie van een peuter. Ongewenst gedrag is snel aangeleerd en kan het meest effectief bestreden worden door de vogel totaal te negeren.

    Papegaaien kunnen uitstekend leren praten maar het is niet onomstotelijk bewezen dat de vogel ook daadwerkelijk begrijpt wat hij zegt. Wel is uit onderzoek gebleken dat papegaaien woorden kunnen verbinden aan bepaalde voorwerpen en situaties. Grijze roodstaarten worden over het algemeen beschouwd als de beste praters.

    Papegaaien kunnen een hoge leeftijd bereiken (50 jaar of meer) en het gebeurt dus nogal eens dat ze in gevangenschap hun eigenaar overleven.

    Het is in Nederland (nog) toegestaan om van sommige soorten in het wild gevangen papegaaien als huisdier te houden. Deze vogels komen goedkoop in de handel maar lopen vaak trauma's op waardoor ze als huiskamervogel minder geschikt zijn en allerlei vormen van neurotisch gedrag gaan vertonen zoals het uittrekken van de veren en onophoudelijk krijsen.

    [bewerk] Papegaaiachtigen met een kuif

    Dubbele Geelkopamazone (Amazona oratrix)
    Dubbele Geelkopamazone (Amazona oratrix)

    Een bijzondere groep binnen de papegaaiachtigen vormen de kaketoes (Cacatuidae). Ze komen voor in Australië, Nieuw-Guinea en de Filipijnen. Hun naam is afkomstig van het woord cacatua dat in Maleisië nijptang betekent. Dit slaat op hun bijzonder sterke kromme snavel.

    Alle kaketoesoorten zijn in het bezit van een kuif die bij agressie, angst en opwinding overeind wordt gezet. Hierdoor krijgt de vogel een meer imponerend uiterlijk. Dit wordt versterkt door wild heen en weer te bewegen en vleugels en staartveren uit te spreiden. De kuif heeft soms een andere kleur dan het lichaam. Zo heeft de rozeachtige Molukkenkaketoe een oranje kuif en de witte Cacatua galerita een gele kuif.

    Het lichaam van vrijwel alle kaketoesoorten is effen gekleurd (meestal wit) en er is geen verschil te zien tussen het verenkleed van mannetjes en vrouwtjes. Vrouwelijke kaketoes hebben soms lichter gekleurde ogen (roodbruin) dan de mannetjes (donkerbruin). De valkparkiet is de kleinste kaketoe.

    Kaketoes zijn speelse en zeer aanhankelijke vogels die zich, in tegenstelling tot andere papegaaiachtigen, hechten aan meerdere personen. De meeste soorten zijn behoorlijk vernielzuchtig en zeer luidruchtig. Het geluid van een Molukkenkaketoe kan oplopen tot 130 decibel.

    [bewerk] Afbeeldingen

    [bewerk] Soorten

    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De aap

    Apen (Simiiformes, ook wel Simiae of Anthropoidea) zijn een infraorde uit de orde der primaten (Primates). Alle primaten die niet tot de infraorde van de apen behoren worden halfapen genoemd. Een groep halfapen, de spookdiertjes, wordt beschouwd als de nauwste verwant van de apen en samen worden ze geplaatst in de onderorde Haplorrhini.

    De apen zijn verdeeld in twee groepen ("parvordes"), de breedneusapen (Platyrrhini) uit Midden- en Zuid-Amerika en de smalneusapen (Catarrhini) uit Afrika en Azië. Deze parvordes worden soms als aparte infraordes gezien. Tot de smalneusapen behoren ook de mensapen en de mensen. In verscheidene talen wordt een onderscheid gemaakt tussen apen en mensapen (bijvoorbeeld het Engels: monkey (aap) en ape (mensaap)). Het Nederlands maakt dit onderscheid niet, en mensapen worden ook apen genoemd.

    Apen leven voornamelijk in warmere streken, die veelal begroeid zijn met bomen. In de tropische regenwouden komen de meeste soorten voor. De meeste apen zijn dan ook goede klimmers, die een groot gedeelte van de dag in bomen doorbrengen. Slechts enkele soorten wagen zich op de open vlakte (bijvoorbeeld de huzaaraap) of in rotsachtige streken (verscheidene bavianen en makaken) of leven in koudere streken (bijvoorbeeld de Japanse makaak die in Japan tot boven de sneeuwgrens kan worden aangetroffen, of de stompneusapen uit de Himalaya). De gelada, een aan de bavianen verwante apensoort, leeft op de hogergelegen grasvlakten van het Ethiopisch Hoogland. Apen zijn over het algemene herbivoor, die voornamelijk van vruchten, noten, bladeren, stengels en boomsappen leven. Sommige soorten eten ook dierlijk materiaal, als insecten en vogeleieren. Vooral kleinere apensoorten als de klauwaapjes leven voor een groot gedeelte van insecten. De meeste apen zijn groepsdieren, die leven in grote troepen. Solitaire soorten, als de orang-oetans, zijn ver in de minderheid.

    Apen zijn over het algemeen middelgrote boombewonende dieren. Bij veel soorten is de staart langer dan de rest van het lichaam. Bij enkele apen van de Nieuwe Wereld heeft deze staart zich ontwikkeld tot een grijpstaart. Bij mensapen ontbreekt de staart geheel. De benen zijn langer dan de armen. Apen hebben relatief grote hersenen en een grote, bolvormige hersenkas, waarmee ze zich onderscheiden van de halfapen. Veel soorten worden als vrij intelligent beschouwd: ze zijn vindingrijk, speels en passen zich gemakkelijk aan veranderende omstandigheden aan. Ook zijn apen meer op hun zicht aangewezen dan de halfapen, die een beter ontwikkeld gehoor en reukzin hebben. de ogen staan recht naar voren gericht.

    De kleinste apensoort is het dwergzijdeaapje (Cebuella pygmaea), de grootste de oostelijke gorilla (Gorilla beringei).

    Inhoud

    [verbergen]

    [bewerk] Smalneusapen

    De smalneusapen (Catarrhini) zijn de apen die voorkomen in de Oude Wereld, voornamelijk in Afrika en Azië. In het Europese Gibraltar leeft een (mogelijk verwilderde) kolonie berberapen. Hoewel ze bijna allemaal goed kunnen klimmen, brengen veel apen van de Oude Wereld minstens een deel van hun tijd op de grond door. Over het algemeen zijn ze groter dan de apen van de Nieuwe Wereld, en allemaal hebben ze platte nagels aan vingers en tenen. De huid op de billen is bij de meeste soorten verdikt, zodat ze er op kunnen zitten. De neus is smaller en de neusgaten zijn dicht bij elkaar geplaatst en voorwaarts of omlaag gericht. Grijpstaarten hebben ze niet.

    Ze worden verder onderverdeeld in de mensapen en de apen van de Oude Wereld. Tot de eerste groep behoren onder andere de gibbons, chimpansees, gorilla's en orang-oetans, tot de tweede groep behoren onder andere de bavianen, mangabeys, makaken, meerkatten en slankapen.

    Slankapen hebben een gespecialiseerde maag, waardoor ze van moeilijk verteerbare bladeren en onrijpe vruchten kunnen leven. Tot de slankapen behoren onder andere de franjeapen of colobusapen, de langoeren en de neusaap.

    Bavianen en makaken leven veel op de grond. Ze hebben wangzakken waarin ze voedsel kunnen wegstoppen als ze op handen en voeten lopen. Meerkatten leven doorgaans hoog in de bomen, hoewel er ook soorten zijn die de voorkeur geven aan de savanne. Er zijn ongeveer twintig verschillende soorten die allen leven in Afrika. Ze verschillen onderling sterk in kleur, maar komen overeen in lichaamsbouw. Meerkatten zijn tussen de 70 en 175 cm. lang en hebben een staart die eenderde tot de helft van hun totale lichaamslengte inneemt. Ze hebben een korte snuit, en zeer handige grijphanden en -voeten. De grote kleurverscheidenheid dient waarschijnlijk om de apen in staat te stellen hun soortgenoten snel te herkennen.

    [bewerk] Breedneusapen

    Mantelbrulaap (Alouatta palliata)
    Mantelbrulaap (Alouatta palliata)

    Tot de breedneusapen van Midden- en Zuid-Amerika (Platyrrhini) behoren onder andere de brulapen, spinapen, slingerapen, oeakari's, springaapjes, kapucijnapen, doodshoofdaapjes en klauwaapjes: de oeistiti's, leeuwaapjes en de tamarins. Ook de enige nachtactieve apen behoren tot deze groep. Dit zijn de nachtaapjes, ook wel doeroecoeli's of uilaapjes genoemd. Er bestaan nog wel andere nachtactieve primatensoorten, maar dit zijn allen halfapen. Breedneusapen hebben verder uit elkaar staande en wijdere neusgaten, die zijwaarts gericht zijn. Anders dan bij de smalneusapen hebben breedneusapen geen huidverdikkingen op de kont. Enkele soorten hebben een grijpstaart.

    De afkomst van deze groep is voor de wetenschappers een raadsel. DNA-onderzoek bevestigt dat ze allemaal nauw verwant zijn en voortkomen uit een gemeenschappelijke voorouder, maar onduidelijk is hoe deze voorouder in Zuid-Amerika terechtkwam, dat al 100 miljoen jaar geleden was losgeraakt van de andere continenten.

    [bewerk] Apen in Nederland en België

    In Nederland en België zijn apen te bewonderen in diverse dierentuinen. De Apenheul in Apeldoorn is gespecialiseerd in apen. Veel apensoorten leven daar niet opgesloten, maar lopen vrij tussen het publiek.

    [bewerk] Zie ook

    :Afbeelding:Nl-Apen-article.ogg
    Door op bovenstaande afspeelknop te klikken kunt u dit artikel beluisteren. Na het opnemen kan het artikel gewijzigd zijn, waardoor de tekst van de opname wellicht verouderd is. Zie verder info over deze opname of download de opname direct (meer info over gesproken Wikipedia)
     

    14-12-2007 om 21:22 geschreven door Thiebout  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 1/5 - (2 Stemmen)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De pinguïn

    Pinguïns

    Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

    Ga naar: navigatie, zoeken

    Pinguïns zijn een orde van niet-vliegende vogels die alleen voorkomen op het zuidelijk halfrond. De pinguïns behoren tot de familie van de Spheniscidae, orde Sphenisciformes, klasse Aves (vogels). De naam "pinguïn", die waarschijnlijk komt van het Keltische pen gwyn (witte kop), werd oorspronkelijk gebruikt voor de reuzenalk, de nu uitgestorven tegenhanger van de pinguïn op het noordelijk halfrond.

    Inhoud

    [verbergen]

    [bewerk] Voorkomen

    Een veelvoorkomend misverstand is dat pinguïns alleen op de Zuidpool zouden voorkomen. Zij worden echter ook in Zuid-Afrika, Zuid-Amerika, Australië, Nieuw-Zeeland en op de Galápagoseilanden aangetroffen.

    [bewerk] Voedsel

    Ze vangen hun voedsel, voornamelijk vissen en schaaldieren, onder water. Hiertoe zijn hun vleugels zwemorganen geworden en ze vliegen als het ware in het water. Daarbij kunnen zij lang onder water blijven.

    [bewerk] Broeden en huizen

    De meeste pinguïnsoorten nestelen in gaten of holen om zich zo in enige mate tegen de zon te beschermen en verbeteren dit met takjes en ander restmateriaal (Spheniscus en Eudyptula) of bouwen een nest van stenen (Pygoscelis) die ze in hun omgeving vinden en ze leggen meestal 2 (maximaal 3) eieren. De beide ouders lossen elkaar af bij het broeden. Terwijl de ene het ei bebroedt, trekt de andere naar zee om zich te voeden. Zodra het jong is uitgekomen, lossen de ouders elkaar op dezelfde manier af om het jong te voeden.

    Enkel de grootste soort (Aptenodytes) maakt geen nest maar broedt het enige ei uit op hun poten onder een beschermende huidplooi van de buik. Bij de keizerspinguïn broedt alleen het mannetje het ei uit, tijdens de ijzige zuidelijke winter (juli-aug) bij temperaturen van -70 °C en kouder terwijl het vrouwtje naar zee teruggaat om te eten.

    De waggelende loop van een pinguïn wordt veroorzaakt door het feit dat het dier eigenlijk op zijn hurken loopt. Het heupgewricht bevindt zich laag bij de grond en het kniegewricht een stuk hoger.

    [bewerk] Natuurlijke vijanden

    De voornaamste natuurlijke vijanden zijn de reuzenstormvogel, roofmeeuwen of jagers vanuit de lucht, zeeluipaarden, walvissen (voornamelijk orka's) en pelsrobben in het water en ingevoerde landroofdieren zoals katten, honden en ratten op het land. Ook de mens vormt een grote bedreiging door o.a. olievervuiling, overbevissing, jacht omwille van eieren en guano (vogelmest), invoer van andere dieren en zelfs toerisme.

    De gemiddelde levensverwachting van een pinguïn schommelt rond de 20 jaar, hoewel ze in gevangenschap aanzienlijk ouder kunnen worden.

    De meest noordelijke pinguïnsoort is de Galapagospinguïn die op de nabij de evenaar liggende Galápagos-eilanden leven. Waarschijnlijk zijn voorouders daar gekomen via de Humboldtstroom die koud water uit het Zuidpoolgebied aanvoert.

    [bewerk] Gallerie

    [bewerk] Soorten

    [bewerk] Bekende pinguïns

    Een pinguïn wordt vaak gezien als een grappig dier, vanwege hun vreemde manier bij het lopen, ze waggelen. Het zal dan ook niet vreemd zijn dat men een pinguïn als logo kiest. Ook zijn er enkele tekenfilms met pinguïns verschenen.

    Biologie – Zoölogie – Lijst van vogels

    14-12-2007 om 21:21 geschreven door Thiebout  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (10 Stemmen)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De slang

    Slangen

    Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

    Ga naar: navigatie, zoeken

    Slangen (Serpentes) zijn een onderorde van reptielen die samen met de hagedissen tot de orde schubreptielen (Squamata) behoort. Slangen hebben zonder uitzondering een naar verhouding zeer lang en dun lichaam zonder ledematen en bewegen zich voort op de buik. Er zijn ongeveer 2700 verschillende soorten beschreven, waarvan er ongeveer 450 giftig zijn en zo'n 250 soorten kunnen in principe een mens doden. Slangen zijn over de hele wereld verspreid, met uitzondering van Ierland, IJsland, Nieuw-Zeeland en een aantal eilanden in de Grote Oceaan.

    Omdat ze koudbloedig zijn, leven de meeste soorten in warmere streken. Een aantal soorten is aangepast op het leven in extreem droge omgevingen, zoals woestijnen. Er zijn echter ook slangen die ondergronds leven en veel graven of juist aangepast zijn op een leven in water zoals in rivieren en meren en zelfs in de zee.

    Het lange dunne lichaam heeft als voordeel dat een slang sneller op kan warmen en af kan koelen, wat wel thermoregulatie wordt genoemd. Ook kan een slang door zijn lenige en vaak gespierde lichaam vrijwel overal in, tussen en onder kruipen om te schuilen of op prooien te jagen. Wurgslangen zijn sterk gespierd om de prooi te kunnen wurgen.

    De meeste slangen leven op of dicht bij de bodem, maar vrijwel alle slangen kunnen goed zwemmen en klimmen. In tropische bossen komen meer boombewonende slangen voor, die overdag rusten in bomen en 's nachts op jacht gaan. In woestijnen zijn de slangen bodembewonend en graven zich vaak in.

    Inhoud

    [verbergen]

    [bewerk] Slangen in Nederland en België

    Van de ongeveer 35 soorten slangen in Europa leven er drie in Nederland en België; de adder (Vipera berus), de ringslang (Natrix natrix) en de gladde slang (Coronella austriaca). Over het algemeen zijn de drie inheemse soorten niet moeilijk uit elkaar te houden, maar er zijn verschillende kleurvariaties en soms komen geheel zwarte (melanische) exemplaren voor die lastiger op naam zijn te brengen. Van deze soorten is alleen de giftige beet van de adder gevaarlijk; ringslangen zijn niet-giftig en bijten niet; ze houden zich liever dood, ook gladde slangen zijn niet giftig.

    De kans dat wandelaars slangen tegenkomen is vrij klein. Alleen de ringslang wordt regelmatig gezien, omdat deze slang ook in cultuurgebied voorkomt en veel bij water te vinden is. De overige twee soorten leven bijna allemaal in wat grotere en beschermde natuurgebieden. Ze zijn ook wat honkvaster dan de ringslang. Het is het best om slangen met rust te laten, ringslangen scheiden een stinkende vloeistof uit als ze worden opgepakt, adders zijn giftig en alle soorten worden niet graag verstoord en zijn zeldzaam.

    [bewerk] Gladde slang

    De gladde slang (Coronella austriaca) is een slanke vrij trage en rustige slang. De kleur is bruin tot grijzig en heeft een typische vloeiende donkere kopsteep vanaf de snuit over het oog naar achteren. Achter de kop zitten vaak zandlopervormige vlekken. Hij wordt niet al te groot en uitschieters zijn hooguit 80 centimer lang. Hij dankt zijn naam aan de schubben zonder lengtekieltjes. Hij wordt wel eens verward met de adder, maar verschilt daarvan door de ronde pupil, de slankere bouw en een langere staart. De gladde slang is levendbarend.

    De gladde slang komt voor in heidegebied, hoogveen en stuwwallen en heeft een duidelijke voorkeur voor zandgronden. Ze komen voor in Brabant, Limburg, de Veluwe, Drenthe en Friesland, in kleine populaties. De gladde slang is lastig waar te nemen omdat ze een groot gedeelte van de tijd ondergronds doorbrengen. Er is zo weinig bekend over de leefwijze van deze slang, dat het niet bekend is hoe de slang zijn prooi vangt. Sommigen denken dat hij ze wurgt, sommigen denken dat hij ze levend opeet. Gladde slangen met prooien worden zelden gezien.

    [bewerk] Adder

    De adder (Vipera berus) is giftig, wordt 60 tot 80 cm lang en heeft een kenmerkende zigzag-tekening op de rug en een verticale pupil. Het lichaam is kort en stevig en de adder heeft een korte staart. Beten van adder zijn zelden dodelijk, maar wel ernstig. Een antiserum kan nodig zijn, maar is bij minder ernstige beten af te raden vanwege de vele bijwerkingen. De adder is levendbarend.

    De adder komt voor in heide- en hoogveengebieden en soms ook op open plekken in bossen. Het verspreidingsgebied is erg klein en beperkt zich tot de Drentse en Friese hoogveengebieden, de Veluwe en de Meinweg. In België komt de adder veel voor in de Hoge Venen.

    [bewerk] Ringslang

    De niet-giftige ringslang (Natrix natrix) heeft een donker vlekjespatroon, en meestal een felgele band rond zijn hals. De slang is olijfgroen tot bijna zwart van kleur, lang en beweeglijk, het is de langste slang van nederland en kan tot 140 cm lang worden. Hij jaagt vrijwel uitsluitend op kikkers en wordt dan ook vaak in de buurt van water aangetroffen, maar hij kan ook in heidegebieden worden aangetroffen op aanzienlijke afstand van water.

    In het westen van het land is dit de enige wilde slang. Rondom Amsterdam en het Gooi komt hij vrij algemeen voor en ook rond Gouda is een populatie. Ook in de IJsselmeerpolders komen ringslangen voor. De ringslang komt ook veel voor op de Veluwe, op de Weerribben en in de Friese en Drentse natuurgebieden. In Zuid-Limburg is een kleine populatie.

    [bewerk] Andere soorten

    De hazelworm is een pootloze hagedis.
    De hazelworm is een pootloze hagedis.

    Soms wordt een in de dierenhandel aangeschafte slang gedumpt door zijn eigenaar, dit kan de meest uiteenlopende soorten betreffen. Het is aan te raden slangen altijd met rust te laten en afwijkende slangen (zoals exemplaren met felle kleuren die in de Benelux niet voorkomen) te melden. Een enkele soort is bewust uitgezet, zoals de russische rattenslang in de gemeente Tynaarlo. In 2006 werden ook enkele exemplaren van de aspisadder, een Zuid-Europese soort, die vrij veel op de gewone adder lijkt bij Portugaal gevonden.

    Ook de hazelworm en een op het land vertoevende paling lijken wat op een slang, maar de eerste is een hagedis en de tweede is een vis. Bovendien heeft de hazelworm een hagedis-achtige kop met oogleden, in tegenstelling tot een slang. In het veld is een hazelworm makkelijk te herkennen aan zijn glanzend gladde huid en wormachtig voorkomen. Hazelwormen zijn ook erg stijf. Paling mist de voor slangen typische schubbenhuid.

    [bewerk] Ontstaan

    Een rotstekening van een slang.
    Een rotstekening van een slang.

    Hoe de slangen zijn ontstaan is niet precies bekend, maar dat ze van de hagedissen afstammen wordt algemeen aangenomen. Slangen zijn in wezen hagedissen die de pootjes gedurende de evolutie hebben verloren. Slechts enkele primitieve soorten hebben nog resten van een bekken en soms sporen die als kleine nageltjes of soms zelfs kleine, flap-achtige pootjes zichtbaar zijn. Ook bij veel andere slangen is nog te zien dat er ooit pootjes aanwezig waren vanwege de daar wat afwijkende schubben. Sommige hagedissen, zoals hazelwormen en sommige skinken lijken op slangen doordat ze geen of zeer korte pootjes hebben. Maar er zijn meer verschillen, zo hebben slangen geen bekkengordel meer, honderden en honderden wervels en gefuseerde oogleden. Er is dus meer gebeurd met de slangen dan alleen het verdwijnen van de pootjes, maar wanneer of hoe precies is nog niet duidelijk.

    Van welke groep de slangen nu precies afstammen is daarom niet bekend, maar een aantal vermoedens zijn er wel. Een theorie is dat de slangen afstammen van de varaanachtigen, met name de voorouders van de dove varaan (Lanthanotus borneensis). Deze halfblinde en -dove varaan is een meer gravende en ondergronds levende hagedis. Vermoed wordt dat alle moderne slangen zijn ontstaan uit deze varaanachtigen, en door hun gravende levenswijze de pootjes hebben verloren, net als sommige hagedissen als skinken en hazelwormen. De fossiele slang Najash rionegrina ondersteunt deze theorie; het was een gravende slangachtige met twee achterpootjes.
    Een andere theorie is dat slangen afstammen van grote, lange en in zee levende reptielen als de Mosasaurus. Hierdoor zijn de pootjes verdwenen omdat deze bij het zwemmen niet meer werden gebruikt. Ook de gefuseerde oogleden, waardoor slangen een transparante 'bril' hebben zouden zijn ontstaan om in zee te kunnen overleven, evenals het verdwijnen van uitwendige ooropeningen die alleen maar zouden vollopen met zeewater. Later gingen deze voorouders van de moderne slangen weer op het land leven waarna ze hun huidige vormenrijkdom ontwikkelden.

    Het grote probleem bij het achterhalen van de ontstaansgeschiedenis is het feit dat slangen een erg fragiel skelet hebben dat maar moeilijk fossiliseert, waardoor er niets van overblijft. Hierdoor zijn er maar weinig fossielen aangetroffen die belangrijke informatie kunnen geven over de ontwikkeling van de slangen. De oudst gevonden slang, de eerder genoemde Najash rionegrina, komt uit het late Krijt, 'slechts' 65 tot 100 miljoen jaar geleden, en leek al sterk op de moderne slangen.

    [bewerk] Kenmerken

    De schubben van Bungarus fasciatus.
    De schubben van Bungarus fasciatus.

    Slangen hebben altijd dezelfde lichaamsvorm, maar verschillen wel iets in de bouw. Met name de grootte is variabel, sommige soorten blijven rond de 15 centimeter, er zijn ook slangen die meer dan 7 meter lang kunnen worden. Ook zijn er zowel relatief zeer lange en dunne slangen als slangen die niet zo lang worden maar zo dik zijn als een vuist. De dwarsdoorsnede varieert van rond tot ovaal of driehoekig, veel soorten platten het lichaam af bij de voortbeweging of om te zonnen.

    Slangen hebben een schubbenhuid die er soms glibberig uitziet maar altijd droog is. De vorm en functie van de schubben kan sterk afwijken. Soorten die veel graven of zwemmen hebben platte, gladde schubben om minder last te ondervinden van de wrijving. Andere soorten hebben gekielde, Λ-vormige schubben om een betere grip te hebben als ze in bomen klimmen. Tenslotte zijn er ook soorten met wrat-achtige bulterige schubben, zoals de Javaanse wrattenslang. Vrijwel alle slangen hebben op de buik grovere schubben om de kwetsbare buik te beschermen, de buikschubben spelen ook een rol in de voortbeweging. Als een slang vervelt, doet het dier dat in één keer, in tegenstelling tot alle andere reptielen waarvan de huid afbladdert (hagedissen) of de beenplaten één voor een loslaten (schildpadden, krokodilachtigen).

    De vervellingshuiden zijn een belangrijk hulpmiddel bij het onderzoek naar slangen. De huiden die we vinden zijn binnenste buiten gekeerd omdat de slang zijn huid afstroopt. Ook is de vervellingshuid ongeveer 10% langer dan de slang. Vlak voordat de slang moet vervellen krijgt de slang typisch grijzige ogen, doordat er zich wat vocht tussen de oude en nieuwe huid bevindt en ziet hij erg slecht.

    De ratel van de diamantratelslang.
    De ratel van de diamantratelslang.

    In tegenstelling tot een hagedis heeft een slang gefuseerde, doorzichtige oogleden. Als een slang vervelt lijkt het alsof de ogen mee-vervellen. Een slang heeft hier veel gemak bij omdat hij vaak op de bodem leeft en er zo geen zand in de ogen kan komen. Bovendien wordt periodiek zijn 'bril' vernieuwd, die bij het graven bekrast wordt. Er zijn ook uitzonderingen die wel beweegbare oogleden hebben, zoals de schildstaartslangen (familie Uropeltidae).

    De kleuren van slangen dienen verschillende doeleinden, de meeste soorten zijn gecamoufleerd en hebben bruine tot groene kleuren. Sommige giftige soorten hebben juist felle kleuren zodat vijanden weten dat ze op moeten passen. Er zijn ook onschuldige soorten die gevaarlijke soorten in kleur en vorm imiteren, dit wordt mimicry genoemd. Dit verschijnsel gaat ver; er zijn zelfs hagedissen die slangen imiteren, zoals de zwartkopschubpoothagedis, die de Australische taipan imiteert, een zeer gevaarlijke gifslang.

    Sommige slangen hebben afwijkende kenmerken, zoals de tentakelslang, die twee baarddraden heeft. Cobra's hebben vaak typische flappen aan weerszijden van de kop die getoond worden bij verstoring. Enkele soorten hebben hoorntjes, zoals de wipneusadder en de hoornadder. De ratelslangen staan bekend om hun verhoornde, uit schijfjes bestaande staartpunt.

    [bewerk] Anatomie

    De anatomie van een slang: 1=slokdarm,  2=luchtpijp, 3=tracheale long, 4=rudimentair linkerlong,  5=rechterlong, 6=hart, 7=lever, 8=maag, 9=luchtzak, 10=galblaas, 11=pancreas, 12=milt, 13=darmen, 14=testikels, 15=nieren
    De anatomie van een slang: 1=slokdarm, 2=luchtpijp,
    3=tracheale long,
    4=rudimentair linkerlong, 5=rechterlong, 6=hart, 7=lever, 8=maag, 9=luchtzak, 10=galblaas, 11=pancreas, 12=milt, 13=darmen, 14=testikels, 15=nieren

    De organen van slangen zijn net als het lichaam zeer langwerpig van vorm. Sommige gepaarde organen, zoals de nieren en de testikels, liggen niet naast elkaar maar boven elkaar om de lichaamsruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Met name de spijsverteringsorganen beslaan bijna het hele lichaam, het voedsel komt via de slokdarm in de maag, en begint daarna een lange reis door de darmen. Omdat slangen de prooi in een keer doorslikken en vaak behaarde, gevederde of geschubde prooien eten, is de spijsvertering zeer goed ontwikkeld.

    Een slang gebruikt bij de ademhaling maar één ontwikkelde long, dit is altijd de rechterlong. De linkerlong is sterk onderontwikkeld en ontbreekt bij een aantal soorten zelfs volledig. Ook deze aanpassing dient waarschijnlijk om ruimte te besparen en is een belangrijk verschil met de hagedissen, die altijd twee ontwikkelde longen hebben. Een aantal soorten slangen heeft tracheale longen, eigenlijk een onderdeel van de luchtpijp, die zuurstof opnemen. De ademhaling geschiedt door de lichaamsspieren en de bewegingen van de ribben. Slangen hebben een luchtzak, maar deze dient voornamelijk om de druk in het lichaam te regelen. Slangen hebben een orgaan van Jacobson (niet afgebeeld), net als sommige hagedissen zoals skinken en varanen. Met dit orgaan kan de slang goed ruiken, en voor een grotere efficiëntie kwispelt de slang met de tong om meer geurdeeltjes op te vangen. Omdat de tong gespleten is kan de slang 'in stereo' ruiken.

    [bewerk] Skelet

    Slangen hebben zeer veel wervels, ongeveer 160 tot meer dan 400, afhankelijk van de soort. Dit is de reden dat slangen zo lenig zijn, een borstbeen ontbreekt. Iedere wervel is steeds voorzien van twee ribben, die in verbinding staan met de buikschubben, waardoor de slang zich voort kan bewegen.

    Slangen hebben verschillende schedelvormen; soorten die grote prooien verzwelgen zullen een brede kop met veel kaakmassa en kaakspieren hebben, gravende soorten hebben meer baat bij een platte, wigvormige kop. De schedel van slangen is bij de eerste groep duidelijk te onderscheiden van het lichaam, bij de laatste groep is een insnoering niet of nauwelijks zichtbaar.

    De kaakdelen van slangen die grotere prooien eten zijn aangepast, en kunnen extreem ver worden opengesperd zonder dat het dier daar last van heeft. Hierdoor kan de slang prooien eten met een grotere diameter dan het lichaam. De linker- en rechterhelft van de kaken zijn niet met elkaar vergroeid, en de kaakdelen zijn met pezen verbonden, de kaken zijn hierdoor flexibeler.

    Slangen zijn te onderscheiden aan het type gebit, dat bestaat uit rijen vele kleine scherpe tanden om de prooi vast te houden, gifslangen hebben daarnaast giftanden. Een groot aantal soorten giftige slangen is ongevaarlijk voor de mens. Dit komt omdat de tanden te ver achter in de bek staan, het gif te zwak is, er te weinig wordt toegediend of het gif simpelweg niet werkt op mensen. Het gif van een aantal soorten bevat stoffen die gebruikt worden in de medische wereld om medicijnen van te maken. Een voorbeeld is het cardiotoxine sarafotoxine, afkomstig van soorten uit de relatief onbekende familie Atractaspididae.

    Het gebit van slangen is onder te verdelen in vier groepen; één voor de niet-giftige slangen (aglyf), en drie voor de giftige slangen (opisthoglyf, proteroglyf en solenoglyf). De wetenschappelijke namen geven enigszins al aan hoe het zit, want;

    • A- glyf betekent letterlijk geen-tand
    • Opistho betekent achter,
    • Protero betekent voor,
    • Soleno betekent buisvormig.

    Soms worden de slangen wel ingedeeld naar gebitstype, en worden meer wetenschappelijke termen gebruikt, respectievelijk Aglypha, Opisthoglypha, Proteroglypha en Solenoglypha

    Aglyf wil zeggen dat een slang geen gespecialiseerde giftanden heeft. De meeste soorten slangen zijn aglyf en hebben geen giftanden, gifklieren of groeven waar gif doorheen stroomt. Voorbeelden zijn wurgslangen als pythons en boa's, die geen gif nodig hebben omdat ze de prooi wurgen. Alle slangen hebben massieve, naar achteren gerichte tanden om de prooi beter vast te kunnen houden bij het doorslikken. Met name soorten die amfibieën of vissen eten is dit handig omdat veel prooien slijm produceren als ze worden aangevallen. Giftige slangen zijn te verdelen in drie groepen;

    Opisthoglyfe slangen hebben twee iets vergrote giftanden die meer achterin de bek staan. Een prooi zit al in de bek als deze er mee in aanraking komt en het gif heeft een werking die voornamelijk de spijsvertering ondersteunt. De slangensoorten met dergelijke giftanden komen ook voor in families van over het algemeen niet-giftige slangen, zoals de familie gladde slangen (Colubridae). Sommige soorten kunnen echter, als men er al in slaagt om zich aan de achter in de bek staande giftanden te prikken, levensgevaarlijk zijn.

    Proteroglyfe slangen hebben wel giftanden, maar deze zijn relatief kort en onbeweeglijk. De giftanden zijn gegroefd en staan voor in de bek in de bovenkaak. Het gif stroomt door de groef in de giftand naar de wond, om de efficiëntie te vergroten moet de slang kauwbewegingen maken. Slangen met dergelijke giftanden vindt men in de familie gifslangen (Elapidae), voorbeelden zijn cobra's, koraalslangen, mamba's en zeeslangen.

    Solenoglyf zijn slangen die het best ontwikkelde gifapparaat hebben en bezitten juist heel grote giftanden die als ze niet worden gebruikt naar achteren tegen het gehemelte geklapt zitten. Pas bij een beet worden de tanden automatisch opengeklapt, klaar om toe te slaan. Vanwege het vermogen de giftanden in te klappen zijn deze veel langer zodat het gif dieper in de prooi wordt geïnjecteerd, wat de efficiëntie sterk vergroot. Sommige soorten hebben giftanden van enkele centimeters lang. De tanden zijn hol en staan in directe verbinding met de gifklieren. Omdat solenoglyfe slangen niet eerst een kauwbeweging hoeven te maken maar het gif direct injecteren zijn veel soorten erg gevaarlijk. Voorbeelden van solenoglyfe slangen zijn de soorten uit de familie adders, met als bekende groepen de groefkopadders en de pofadders.

    [bewerk] Giftige slangen

    Zie ook het artikel Slangengif

    Giftige slangen zijn geen aparte groep van slangen: soorten uit verschillende slangenfamilies zijn giftig. De bekendste familie van giftige slangen zijn de adders (Viperidae), waartoe ook alle groefkopadders en ratelslangen behoren. Tot de familie gifslangen (Elapidae) worden alle mambas, koraalslangen en cobra's gerekend. Van de gladde slangen (Colubridae) zijn wel enkele soorten giftig, maar ze zijn niet gevaarlijk voor de mens. De zeeslangen leven in kuststreken in zee, een groot aantal soorten is giftig.

    Over giftige slangen en hun giftigheid bestaan veel fabeltjes, zoals het 'feit' dat alleen felgekleurde soorten gevaarlijk zouden zijn. Ook de lengte van een slang heeft geen enkele invloed op de giftigheid: giftige slangen zijn direct uit het ei al even gevaarlijk als volwassen exemplaren. Over het algemeen zijn in Europa de giftigste slangen (adders) juist relatief klein, zo'n 70 tot 80 centimeter.

    Giftige slangen hebben gifklieren, die zijn ontstaan uit de speekselklieren. Het eigenlijke gif van slangen bestaat uit verschillende soorten giffen en de spijsvertering ondersteunende enzymen, zoals gif dat levend weefsel doodt (cytotoxine), gif wat op het hart werkt (cardiotoxine) of dat zenuwstelsel platlegt (neurotoxine). Met name de laatste twee zijn gevaarlijk omdat het hart en/of de ademhaling kan stoppen. Cytotoxisch gif veroorzaakt weefselafsterving zodat soms amputatie van een vinger of ledemaat noodzakelijk is. Naast gifstoffen bevat slangengif ook stoffen die de bloeddruk verlagen en stoffen die dienen voor de voorvertering van de prooi. Ook ATPases en poteases worden geinjecteerd, deze laatste breken eiwitten af, ATPases verstoren de energiehuishouding.

    In Nederland en België zijn slangenbeten zeldzaam, zeker van de enige giftige soort, de adder. Dodelijke beten zijn in Nederland in de moderne geschiedenis niet bekend, ook niet van gedumpte of ontsnapte soorten. In warmere streken echter zijn giftige slangen soms heel algemeen, en is de kans dat men er een tegenkomt in meer tropische gebieden zeker aanwezig. Vrijwel alle slangen kennen verdedigingsgedrag, er worden sissende geluiden gemaakt en schijnaanvallen uitgevoerd. Sommige giftige soorten hebben daarnaast een ratel (Crotalus) of schuren de zaag-achtige schubben tegen elkaar (Echis of zaagschubadders) waarbij een soortgelijk geluid wordt geproduceerd. Alleen bij deze soorten weet men zeker dat het gaat om een giftige slang.

    Giftige slangen zijn niet over één kam te scheren, slechts een handvol heeft felle kleuren ter afschrikking, maar dit geeft geen uitsluitsel omdat niet-giftige slangen de kleuren en patronen imiteren om er zelf voordeel bij te hebben. De meeste soorten giftige slangen, zoals alle adders en de mamba's, hebben camouflagekleuren en zijn moeilijk te zien.

    [bewerk] Voeding

    De hagedisslang (Malpolon monspessulanus) eet vrijwel uitsluitend hagedissen.
    De hagedisslang (Malpolon monspessulanus) eet vrijwel uitsluitend hagedissen.

    Alle slangen zijn carnivoor, dus vleesetend, de meeste slangen blijven klein en eten kleinere prooien als insecten. Sommige soorten zijn insectivoor omdat ze uitsluitend insecten eten, of leven juist geheel van (naakt)slakken. Soorten als de hagedisslang en de katslang eten enkel en alleen hagedissen. Van sommige soorten, waaronder wurgslangen, is bekend dat ze wel eens bessen of vruchten eten. Ook zijn er soorten die uitsluitend leven van eieren. Een aantal soorten, zoals de koningsslang, is zelfs gespecialiseerd in giftige slangen, en wordt hierdoor zeer gewaardeerd door de lokale bevolking. Grotere soorten eten ook grotere prooien als knaagdieren. Deze hebben vaak scherpe tanden en zullen zich verdedigen en de slang aanvreten. De meeste grotere slangen zijn daarom giftig of kunnen de prooi wurgen waardoor deze snel sterft door verstikking. Een prooi met beharing of veren wordt eerst onderzocht op de groeirichting van de haren of veren, omdat een grote prooi vast kan komen te zitten in de keel als deze verkeerd wordt ingeschat dan kan de slang kan stikken.

    Gifslangen bijten hun prooi en wachten af tot deze dood is, wurgslangen grijpen de prooi met de bek, die voorzien is van vele, naar achter gekromde tandjes, en wikkelen zich om de prooi tot deze gewurgd is.

    Soms kiezen slangen een erg grote prooi uit, er zijn gevallen bekend die een volwassen krokodil hebben verzwolgen. Een slang doet er weken over om een dergelijk grote prooi te verteren. Gedurende deze tijd moet de slang zijn prooi meezeulen, en is veel zwaarder dan normaal. Slangen kunnen de prooi echter ook weer uitbraken als deze te veel last veroorzaakt.

    [bewerk] Vijanden

    Slangen hebben vele vijanden, zoals andere slangen, vogels, zoogdieren en zelfs vissen en amfibieën zijn een gevaar voor slangen. Niet altijd omdat ze de slang opeten, sommige kikkersoorten dragen een voor slangen dodelijk gif.

    Zoogdieren die slangen eten zijn vooral marterachtigen als de wezel, maar ook mangoesten, jakhalzen, dassen, grote katachtigen, primaten en zwijnen eten slangen. Kleine gravende slangen worden ook belaagd door mollen en spitsmuizen. Hoefdieren vertrappen slangen om zichzelf en het kroost te beschermen.

    Reptielen als krokodillen en grote schildpadden grijpen slangen die in het water komen, op het land hebben slangen alleen grote hagedissen als varanen als vijand. Naast eerder genoemde koningsslang is ook de in Europa veel voorkomende gladde slang (Coronella austriaca) een geduchte slangenjager. Slangen die andere soorten eten worden overigens niet gezien als kannibalistisch, omdat het gaat om verschillende soorten.

    Vogels die slangen eten zijn altijd grotere roofvogels. De slangenarend is een voorbeeld van een soort die zich heeft gespecialiseerd in het vangen van slangen.

    De belangrijkste vijand is de mens, doordat grote delen van het leefgebied van slangen zijn aangetast. Vele slangen worden ieder jaar gedood omdat ze gevaarlijk zouden zijn, maar slangen helpen met hun dieet van voornamelijk knaagdieren juist actief de opbrengst van oogsten te verhogen.

    [bewerk] Voortbeweging

    Slangen bewegen zich voort met behulp van de de buikspieren en de ribben. Er zijn verschillende manieren van voortbeweging, afhankelijk van de ondergrond en de steilheid van het terrein. Slangen die over een stevige ondergrond kruipen, bewegen zich vaak met de typische kronkelbeweging waarbij de slang zijn lichaam naar beneden afzet om vooruit te komen.

    Om in bomen te klimmen en in nauwe holletjes te kruipen, gebruikt de slang voornamelijk zijn buikspieren omdat hij niet kan kronkelen. Als de slang kruipt valt op dat het lichaam in dezelfde bocht blijft liggen en de voorliggende kronkels precies volgt.

    Slangen die over rul zand of modder kruipen, maken meer zig-zaggende bewegingen omdat ze het lichaam afzetten tegen de ondergrond. Hierbij moet echter zo veel mogelijk gewicht op zo min mogelijk ondergrond worden gebrukt, omdat de slang anders wegglijdt, een bekend voorbeeld is de sidewinder.

    Enkele slangen zijn in staat om stukjes te zweven, door hun lichaam sterk af te platten en een gekrulde, wokkel-achtige lichaamshouding aan te nemen. Zo kunnen ze zich gecontroleerd van boom naar boom laten zweven.

    [bewerk] Voortplanting

    De meeste slangen zijn eierleggend, maar niet allemaal; een aantal soorten is eierlevendbarend; de jongen komen direct ter wereld, zoals bij de boa's (Boidae). De pythons, die vroeger ook tot de boa's werden gerekend, zijn juist eierleggend. Pythons hebben als bijzonderheid dat de vrouwtjes de eieren 'uitbroeden' door zich eromheen te kronkelen en door te rillen met het lichaam de temperatuur verhogen. Er zijn zelfs soorten die een placenta ontwikkelen, waardoor er sprake is van 'echte' levendbarendheid, een grote uitzondering binnen de reptielen. Het voordeel van (eier)levendbarendheid is dat de soort ook in koelere omgevingen kan overleven. Van de inheemse slangen zijn dan ook twee van de drie soorten slangen levendbarend, de adder en de gladde slang. De ringslang gebruikt de warmte van broeihopen om de eieren tijdig te laten ontwikkelen.

    Alle slangen kennen een inwendige bevruchting, en de mannetjes hebben een hemipenis. Dit is een gepaarde of gevorkte penis zodat ze langs beide zijden contact kunnen maken. Vrouwtjes zijn over het algemeen langer en zwaarder bij de slangen.

    [bewerk] Soorten slangen

    De kop van Ahaetulla nasuta.
    De kop van Ahaetulla nasuta.

    De slangen zijn een onderorde van reptielen en vormen samen met de onderorde hagedissen (Sauria) de orde schubreptielen (Squamata). Net als alle dieren zijn de slangen verdeeld in verschillende groepen, zoals families, superfamilies, onderfamilies en geslachten. Net als bij andere reptielen zijn sommige families veel bekender dan andere. In totaal zijn er 17 families, met als bekendere de boa's, adders, zeeslangen, gifslangen en de in Europa bekende gladde slangen, waartoe de inheemse gladde slang en de ringslang behoren. Families hebben vaak onderfamilies, bekende groepen van bijvoorbeeld de familie adders zijn de ratelslangen (geslacht Crotalus) en de groefkopadders (onderfamilie Crotalinae). Soms veranderen wetenschappers de indeling van de slangen omdat recente ontdekkingen tot nieuwe inzichten leiden over de verwantschappen binnen de onderorde.

    De grootte van de families verschilt sterk, sommige tellen meer dan duizend soorten, twee families tellen slechts een enkele soort. De families zijn weer verdeeld in drie groepen die superfamilies worden genoemd. De eerste groep wordt Typhlopoidea genoemd en omvat drie families van relatief kleine, dunne slangetjes die meestal ondergronds leven en niet giftig zijn. De tweede groep heet Henophidia en bevat 7 families, waaronder de boa's en de pythons. Alle overige Henophidia-families zijn vrij onbekend en bestaan zowel uit op boa's gelijkende soorten als soorten die een totaal andere fysiologie en levenswijze hebben. Sommige families zijn giftig.

    De derde groep wordt met Xenophidia aangeduid en bevat 'de rest'; de zeeslangen, de adders, de wrattenslangen, de gladde slangen en de familie Elapidae, die gifslangen wordt genoemd. Er zijn drie andere slangenfamilies met giftige soorten, de Elapidae worden echter als de gevaarlijkste giftige slangen gezien, voorbeelden zijn de mamba's, de koraalslangen en de cobra's.

    Enkele bekendere groepen slangen zijn onderstaand beschreven.

    [bewerk] Adders

    De adder (Vipera berus) is een giftige slang.
    De adder (Vipera berus) is een giftige slang.

    De adders (Viperidae) zijn zonder uitzondering giftig. Ook de ratelslangen (geslacht Crotalus) en de lanspuntslangen (geslacht Bothrops) behoren tot de adders. Een wat meer ontwikkelde groep zijn de groefkopadders, die een eigen onderfamilie hebben gekregen. Deze adders hebben een groef aan weerszijden van de kop, waarmee zeer nauwkeurig temperatuursverschillen kunnen worden waargenomen, zodat ze in het donker toch kunnen 'zien'.

    [bewerk] Gifslangen

    De gifslangen of Elapidae zijn zonder uitzondering giftig, en omvat onder andere de zeeslangen, cobra's, mamba's en de kraits. Alle gifslangen hebben gifklieren en holle tanden waarmee het gif wordt toegediend.

    [bewerk] Boa's

    Een groene boompython (Morelia viridis) is een wurgslang.
    Een groene boompython (Morelia viridis) is een wurgslang.

    De boa's kunnen erg groot worden, al blijft een aantal soorten klein. Het vaak zijn boombewoners, sommige soorten leven meer in het water. De bekendste voorbeelden hiervan zijn de boa constrictor en de anaconda.

    [bewerk] Zeeslangen

    Zeeslangen (Hydrophiidae) zijn giftig en leven grotendeels in zee, veel soorten hebben een afgeplatte, peddel-achtige staart. Van de zestig soorten leven er twee in zoet water, de rest in zee. Zeeslangen leggen geen eitjes maar zijn eierlevendbarend, en komen levend ter wereld.

    [bewerk] 14-12-2007 om 21:18 geschreven door Thiebout  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (3 Stemmen)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De hamster

    Hamsters

    Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

    Hamsters (Cricetinae) zijn een onderfamilie van de Cricetidae die voorkomt in Azië en Europa waarvan er een aantal als huisdier kan worden gehouden. Hoewel ze soms wel eens hamster worden genoemd, horen cavia's tot een heel andere groep. De hamsters zijn het nauwste verwant aan de Noord-Amerikaanse Neotominae. De bekendste soorten zijn de gewone hamster (Cricetus cricetus), die ook in Nederland en België voorkomt, en de goudhamster (Mesocricetus auratus), die veel als huisdier wordt gehouden.

    Hamsters als huisdier

    Er zijn 5 soorten hamsters die als huisdier worden gehouden. Ten eerste is er de wat grotere Syrische hamster (Mesocricetus auratus), ook wel goudhamster genoemd. De naam goudhamster stamt uit de tijd dat ze slechts in de oorspronkelijke gouden wildkleur voorkwamen. Tegenwoordig bestaan er veel kleurvarianten, waardoor de term Syrische hamster gepaster is. Verder zijn er 4 dwerghamstersoorten: de Russische of Siberische dwerghamster (Phodopus sungorus sungorus), de Campbells dwerghamster (Phodopus sungorus campbelli), de Roborovskihamster (Phodopus roborovskii) en de Chinese dwerghamster (Cricetulus griseus). Laatstgenoemde is een beetje een vreemde eend in de bijt, aangezien deze tot de familie van de ratachtige hamsters behoort. In dierenwinkels treft men voornamelijk Syrische hamsters en Russische dwerghamsters aan, maar Campbells en Roborovski-dwerghamsters winnen aan populariteit. Dwerghamsters zijn zo groot als een fikse muis, erg rond gebouwd, met korte, nauwelijks waarneembare staartjes (m.u.v. de Chinese dwerghamster, die een duidelijk waarneembaar staartje heeft van ongeveer een centimeter) en meestal gemakkelijk te hanteren. Ze leven vooral op steppen, maar ook op landbouwgrond, met name op leemgronden. Een hamster wordt gemiddeld maar anderhalf tot twee jaar oud.

    De meeste hamsters zijn solitaire dieren. Syrische hamsters en Chinese dwerghamsters zijn solitair, dus ook in gevangenschap moeten ze absoluut alleen in een kooi gehouden worden. Meerdere dieren in één kooi leidt tot conflicten met ernstige gevolgen, namelijk de dood van één van beide hamsters. Roborovski dwerghamsters zijn wel groepsdieren en kunnen ook in gevangenschap met meerdere bij elkaar gehouden worden. Toch zijn niet alle Roborovskihamsters gesteld op gezelschap en kan het voorkomen dat ook bij deze soort de hamsters afzonderlijk gehouden moeten worden. Russische dwerghamsters en Campbells dwerghamsters zitten qua gedrag tussen de solitaire en groepsgebonden hamsters in. Soms verdragen ze gezelschap, soms niet. Voor de veiligheid is het aangewezen ze daarom apart te houden. Verschillende soorten kunnen onderling niet samenleven en zullen elkaar proberen uit te moorden.

    Het onderscheiden van hamsters is niet eenvoudig, waardoor verwarring van de geslachten makkelijk optreedt in bv. dierenwinkels. Hamsters geven weinig geur af en in gevangenschap is het aangewezen de kooi wekelijks schoon te maken. Vrouwelijke Syrische hamsters kunnen een wat sterkere geur afscheiden als ze in hun vruchtbare periode zitten, eens in de vier dagen.

    De minimum afmetingen van een hamsterkooi voor een Syrische hamster zijn 60 cm bij 30 cm. Voor een dwerghamster zijn de minumum maten voor een kooi 50 cm bij 30 cm. Grotere afmetingen zijn echter te verkiezen.

    De in dierenwinkels verkrijgbare hamsterwatten, hamsterbed of katoenwatten zijn ongeschikt voor hamsters aangezien de dieren hierin verstrikt kunnen raken en een ledemaat kunnen verliezen of er in kunnen stikken. Een veiliger alternatief voor warme bekleding van het slaapplekje zijn WC-papier of zakdoekjes.

    Voedsel

    Hamsters eten vooral zaden en andere plantaardige voedingsstoffen, maar ook dierlijke eiwitten zijn zeer belangrijk aangezien ze in de natuur ook insecten eten. In de dierenwinkel is hamstervoer verkrijgbaar, maar let daarbij op het eiwitgehalte. Tussen de 15 en 20 procent, meer neigend naar de 20 procent, is ideaal. Ze eten meer bepaald de volgende: pindanoten, zonnebloempitten, af en toe verse sla, bonen, erwten, appels, krenten, noten. Maar het blijft belangrijk om het hoofdvoedsel te geven en niet alleen de vorige opgenoemde zaken. Coprofagie (het eten van eigen ontlasting) komt ook voor bij deze knaagdieren en dient om voedingsstoffen op te nemen die door de microbiële organismen in de dikke darm zijn gemaakt. In de natuur worden hamsters vaak door de vos opgegeten en door de uil.

    Gedrag in gevangenschap

    Hamsters zijn nachtdieren en brengen de dag grotendeels slapend door in een holletje of nestje dat ze in hun kooi van krantensnippers, wc-papier of houtvezel zullen proberen te bouwen, vaak gevoerd met haar. Er zijn ook watten van puur katoen te koop,deze zijn verteerbaar en dus niet schadelijk.

    Hamsters hebben genoeg lichaamsbeweging nodig; hierin kan worden voorzien door een veilig loopwiel. Een veilig loopwiel is aan één zijkant gesloten. Aan deze zijde bevindt zich het draaipunt van het wiel, waarmee het wiel bevestigd is aan de kooi of aan een steun. De andere zijde van een veilig loopwiel is geheel open en kent geen draaipunt. Een onveilig loopwiel heeft aan beide zijden een draaipunt en een spaak. Als een hamster tijdens het hardlopen in een onveilige wiel naar opzij beweegt, krijgt hij een klap van de spaak, soms met de dood tot gevolg. Het loop-oppervlak mag geen spijlen bevatten, maar moet dicht zijn. Dit om te voorkomen dat de hamster uitglijdt en hierdoor klem komt te zitten tussen de spijlen.

    Het begrip hamsteren is waarschijnlijk ontstaan doordat hamsters voorraadjes aanleggen, vaak zelfs al gedurende het eten in hun wangzakken. Dat voedsel brengen ze dan naar hun slaapplaats, waar ze het begraven en later opeten. Je kan ook voorkomen dat ze gaan hamsteren door te wachten met hun eten te vernieuwen totdat ze alles op hebben. Anders eten ze al het lekkere er eerst uit en gaan dan de stukjes voer die ze niet lusten "verstoppen".

    Geslachten

    De onderfamilie omvat de volgende geslachten:


    Wikibooks Wikibooks heeft een huisdierengids over dit onderwerp: Hamster

    lichaam

    Op deze pagina vind je allerlei informatie over het lichaam. Zoals het gebit, de wangzakken en meer. Als je meer wilt weten over de zintuigen, kijk hier

    Het gebit
    Het gebit is erg krachtig en bestaat uit 16 tanden. 6 kiezen en 2 snijtanden per 'wang'. De snijtanden zijn nooit uitgegroeid en het is daarom erg belangrijk om te zorgen dat ze voldoende afslijten. Kijk daarbij hier .
    De wangzakken
    De wangzakken zijn een soort huidzakken die bij de lippen beginnen en tot de schouders doorlopen. Ze zijn erg belangrijk voor de hamster, omdat de wangzakken als transport dienen voor het voedsel. Ze zijn erg groot. Er kan ongeveer 18 gram in. Met strijkende bewegingen haalt de hamster het eten er weer uit.
    De wangzakken hebben ook een andere functie. Als een hamster zich bedreigt voelt en groot wil lijken kan hij zijn wangzakken vol met lucht blazen. Daardoor lijkt hij dan veel groter.
    een hamster
    De tenen en poten
    De (voor)poten van een hamster zijn erg krachtig. De voorpoten hebben vier tenen en een klein duimpje. De achterpoten hebben vijf tenen.
    De maag
    De maag van de hamster bestaat uit twee 'kamers'. De voormaag en de hoofd- of kliermaag. In de voormaag wordt het voedsel voorverteerd en daarna in de andere maag volledig verteerd.
    De vacht
    De vacht is erg belangrijk voor de hamster. De Syrische hamster is een woestijn- of steppedier en de vacht zorgt voor de isolatie tegen kou en hitte.
    Wist je dat?
    • De hersenen van een hamster nog geen 1,5 gram wegen?
    • Hoe sneller de biologische klok, hoe langer de hamster leeft? Lees meer
    • Op deze website je 2 interessante plaatjes kunt vinden over de anatomie van de hamster?
    Enkele gegevens
    Polsfrequentie 250-500
    Ademhalingsfreq./min 33-135
    Levensduur 2-2,5


    een hamster

    14-12-2007 om 21:14 geschreven door Thiebout  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (7 Stemmen)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De tijger

    Tijger

    Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

    Ga naar: navigatie, zoeken
     zie tijger (astrologie) voor het teken van de Chinese dierenriem.

    De tijger (Panthera tigris) is een zoogdier dat tot de familie der katachtigen (Felidae) behoort, een van de vier 'grote katten' die tot het geslacht Panthera behoren. Tijgers zijn jagende roofdieren.

    De meeste tijgers wonen in het bos (waarvoor hun camouflagestrepen geschikt zijn) en in grasland. Van de grote katten zijn de tijger en de jaguar goede zwemmers; tijgers kunnen vaak badend in vijvers, meren en rivieren worden aangetroffen.

    Tijgers jagen solitair. Hun dieet bestaat voornamelijk uit middelgrote planteneters, vooral hoefdieren, maar als de omstandigheden dat voorschrijven, jagen ze ook op grotere prooien. Het is geen sociaal dier: de enige groepen bestaan uit moeder en welpen.

    De tijger is een bedreigde diersoort die verspreid over Azië voorkomt. De enorme teruggang in aantal moet worden toegeschreven aan het steeds verder oprukken van de mens. Veel rustige natuurgebieden zijn daardoor verloren gegaan, terwijl de tijger een groot leefgebied nodig heeft. Verder is steeds minder groot wild voorhanden. En bovendien is de tijger vanwege zijn fraaie huid al meedogenloos vervolgd.Ook zijn botten worden gebruikt. Andere doelen zijn lichaamsdelen voor medicijnen.

    [bewerk] Ondersoorten

    Tegenwoordig leven er nog zes verschillende ondersoorten:

    Drie ondersoorten zijn recent uitgestorven:

    Er zijn nog veel geruchten dat de Javaanse tijger nog steeds voorkomt op Java. Tijdens de bosbranden van 1997 zouden er vier zijn gezien, maar dat is niet bevestigd.

    Er zijn ook enkele fossiele ondersoorten bekend.

    Deze indeling is op basis van uiterlijke en morfometrische kenmerken en verspreidingsgebied. Volgens DNA-onderzoek zijn de Kaspische tijger (P. t. virgata) en Javaanse tijger (P. t. sondaica) geen aparte ondersoorten. Volgens analyse van het mitochondriaal DNA van tijgers blijkt dat alle ondersoorten afstammen van een gemeenschappelijke voorouder die 72.000 tot 108.000 jaar geleden leefde. In 2006 werden de Sumatraanse en de Javaanse tijger (met de Balinese tijger als een ondersoort) tot aparte soorten verklaard op basis van sterke verschillen in de vorm en de verhoudingen van de schedel. Het is echter nog niet duidelijk of andere specialisten dit zullen volgen.

    [bewerk] Gebrul en gehoor

    Tijgers blijken infrageluid te produceren om rivalen uit hun territorium te verdrijven en om partners aan te trekken. Deze ontdekking, van Ed Walsh en een aantal collega's, uit Omaha (Nebraska) in 2003, verklaart wellicht hoe tijgers een groot territorium voor zichzelf in stand houden om te jagen. Tijgers produceren een veelheid aan geluiden, diep gebrul en gegrom, maar ook een schraapgeluid (soort van spinnen) dat ze gebruiken om elkaar te begroeten. Een brul gevolgd door een grom wordt schijnbaar gebruikt om rivalen af te schrikken.

    Uit het onderzoek blijkt dat het geluid dat tijgers produceren veel lage frequenties bevat. Lage frequenties dragen in de buitenlucht veel verder dan hoge frequenties, zelfs in de dichte bosgebieden waar de tijgers leven. Men beweert, maar dit is volgens Walsh niet bewezen, dat het geluid tot 8 kilometer ver hoorbaar kan zijn.

    De meeste geluidsenergie wordt door tijgers gemaakt rond 300 Hz, met componenten daaronder tot zelfs onder 20 Hz. Dat de tijgers dit lage geluid ook zelf kunnen horen is door Walsh aangetoond. Hij bracht Siberische, Sumatraanse en Bengaalse tijgers onder narcose. Door het meten van de hersenactiviteit bleek dat tijgers het gevoeligst zijn voor geluid bij 500 Hz. (Bij mensen ligt de maximale gevoeligheid van het oor tussen 1000 en 2000 Hz).

    De onderzoekers willen nu proberen of er van het geluid van de tijgers in het wild een akoestische vingerafdruk gemaakt kan worden, waarmee individuele tijgers gevolgd kunnen worden. Dit zou zinvol zijn voor het tellen van deze bedreigde dieren in het wild. Dierenoppassers uit dierentuinen kunnen hun tijgers aan het geluid dat ze maken herkennen.

    [bewerk] Tijgers in de literatuur

    Tiger! Tiger! Burning bright
    In the forests of the night,
    What immortal hand or eye
    Could frame thy fearful symmetry?
    William Blake, The Tiger, Songs of Experience

    De tijger heeft vaak tot de menselijke verbeelding weten te spreken. Rudyard Kipling in The Jungle Books en William Blake in zijn Songs of Experience schilderden de tijger als een wild, angstaanjagend beest af. In The Jungle Books is Shere Khan de grootste, maar ook de gevaarlijkste vijand van Mowgli, de ongekroonde koning van de jungle. Ook in het grotendeels schattige Casper en Hobbes van Bill Watterson ontsnapt Hobbes soms aan zijn rol van knuffelbeest. Aan de andere kant van de schaal heb je Teigetje, uit A.A. Milne's Winnie de Poeh, die nooit angst aanjaagt en altijd vrolijk is.

    14-12-2007 om 17:56 geschreven door Thiebout  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (8 Stemmen)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De leeuw

    Leeuw (dier)

    Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

    Ga naar: navigatie, zoeken

    De leeuw (Panthera leo) is een groot roofdier uit de familie der katachtigen (Felidae). Van alle katachtigen is enkel de tijger groter. De grootte en de manen van het mannetje geven het dier een imposant uiterlijk, waardoor de leeuw in grote delen van de wereld bekend staat als de koning der dieren. In Europa heeft hij deze rol overigens pas in de loop van de Middeleeuwen overgenomen van de bruine beer.

    De leeuw is vaak onderwerp van folklore en symboliek geweest. Zo staat de leeuw afgebeeld in de wapens van verscheidene landen, streken en steden, waaronder Nederland en Vlaanderen. De leeuw in het wapen van Nederland is een afbeelding van de Kaapse leeuw, een uitgestorven ondersoort van de leeuw. Een opgezet exemplaar van deze opmerkelijk slanke leeuwensoort wordt bewaard in de schatkamer van het Leidse museum Naturalis.

    De leeuw komt nog in bepaalde delen van Afrika voor en in een klein stukje van India, maar vroeger was hij ook algemeen in het Midden-Oosten en in Zuidoost-Europa. Hoewel het mannetje er met zijn manen heel indrukwekkend uitziet doen de vrouwtjes het meeste werk bij de jacht. Leeuwen leven in groepsverband (de enige katachtige die voornamelijk in sociale groepen leeft) en leeuwinnen gaan in de regel samen op jacht.

    Inhoud

    [verbergen]

    [bewerk] Taxonomie

    Over het algemeen worden er twee ondersoorten onderscheiden:

    • Afrikaanse leeuw (Panthera leo leo)
    • Perzische leeuw of Aziatische leeuw (Panthera leo persica)

    De Afrikaanse leeuw wordt soms gesplitst in meerdere ondersoorten. Aangenomen wordt dat twee van deze ondersoorten zijn uitgestorven, namelijk de Berberleeuw (Panthera leo leo) uit Marokko en Noord-Algerije en de Kaapse leeuw (Panthera leo melanochaita) uit Zuid-Afrika. In dierentuinen, zoals de Port Lympne Zoo, werden echter leeuwen ontdekt die vermoedelijk berberleeuwen zijn. De manen van het mannetje liepen door tot ver onder hun buik, en de koppen van de leeuwen waren vierkanter dan andere leeuwen. Dit zijn specifieke kenmerken van berberleeuwen.

    [bewerk] Kenmerken

    De leeuw is een grote katachtige met een brede kop, een korte snuit en relatief kleine, ronde oren. Hij heeft een kortharige asgrijze of zandgele vacht (maar variërend van okerbruin tot bijna wit) en een donker kwastje aan het puntje van de staart. Over de vacht verspreid liggen vage vlekken, die vooral bij jongere dieren goed te zien zijn. De vlekken vervagen naarmate het dier ouder wordt en zullen meestal uiteindelijk verdwijnen. De meeste mannetjes hebben dichte zwarte, bruine of gele manen met een variërende lengte op de kop, hals en schouders. Bij de nu uitgestorven ondersoorten uit Noord-Afrika en de Kaap liep de maan als een franje over de buik. Het duurt meestal een jaar of zes eer de maan goed ontwikkeld is. Wijfjes zijn kleiner en hebben geen manen.

    De staart is tussen de 60 en 100 cm lang en de schouderhoogte is 100 tot 128 cm. Mannetjes zijn groter dan vrouwtjes. Het mannetje heeft een kop-romplengte van 172 tot 300 cm en een lichaamsgewicht van 150 tot 280 kg, het vrouwtje een kop-romplengte van 140 tot 192 cm en een lichaamsgewicht van 100 tot 182 kg. De leeuw lijkt anatomisch sterk op de tijger, hoewel de vacht, leefomgeving en manier van leven anders is.

    [bewerk] Leefwijze

    De leeuw is de enige katachtige die een sociale in plaats van een solitaire leefwijze heeft. Hij leeft gewoonlijk in groepen met een variërende samenstelling, maar bestaat meestal uit gemiddeld vijf volwassen vrouwtjes (twee tot twintig), één of twee volwassen mannetjes (tot acht) en hun jongen en onvolwassen nakomelingen. Soms bestaat een groep uit meer dan 30 leeuwen. Meestal bewegen de dieren zich los van elkaar of in kleinere groepen. Als dieren uit dezelfde groep elkaar tegenkomen, volgt een ritueel van wrijven, likken en spinnen. Vreemde leeuwen, zowel mannetjes als vrouwtjes, worden meestal weggejaagd. Leeuwinnen blijven hun hele leven bij dezelfde groep, mannetjes meestal niet meer dan drie of vier jaar. Mannetjes die niet bij een groep horen, leven een zwervend bestaan, alleen of met andere mannetjes. Door dit zwervende bestaan worden mannetjes in de regel minder oud dan vrouwtjes.

    De groep heeft meestal een vast territorium. In de Serengeti volgen ze echter meestal de grote trekkende kudden gnoes, zebra's en gazellen.

    Leeuwen rusten een groot deel van de dag
    Leeuwen rusten een groot deel van de dag

    De leeuw is het grootste deel van de dag inactief. Soms ligt hij tot twintig uur per dag te rusten in de schaduw, en is hij enkel actief om te jagen. De leeuw voedt zich voornamelijk met prooidieren tussen de 50 en 300 kg, maar als deze niet in de buurt zijn gaat hij af op kleinere en grotere dieren, tussen de vijftien en duizend kg. Het zijn vooral de vrouwtjes die jagen; 80% van al het voedsel binnen een groep is gevangen door vrouwtjes. Mannetjes zijn echter ook in staat om een prooi te doden.

    De leeuw jaagt alleen, in paartjes of in grotere groepen. Hoe groter de jachtgroep, hoe groter het gevangen dier. Een groep leeuwen jaagt voornamelijk op antilopen, zebra's, kafferbuffels, herten (in India) en andere grote herbivoren. Ze lokken de prooi in een val door deze op te jagen naar een plek waar een aantal andere leeuwinnen klaar staan om de prooi te vangen. De prooi wordt eerst beslopen, waarna het dier met een snelle sprint aanvalt. Bij de aanval kan de leeuw snelheden bereiken van 60 km/u. Grotere prooidieren worden gewurgd, terwijl kleinere dieren worden gedood door te bijten in de kop, nek of borst.

    Leewin met een buffel
    Leewin met een buffel

    Als een grote prooi gevangen is, wordt de hiërarchie binnen een leeuwengroep zichtbaar. De volwassen mannetjes mogen eerst eten. Als hij is uitgegeten mogen de leeuwinnen en de welpen de resten. Een leeuw eet ook aas en steelt soms voedsel van andere dieren, als hyena's, luipaarden en jachtluipaarden. De leeuw valt normaal gesproken geen mensen aan. Zieke of gewonde dieren nemen genoegen met vrij kleine prooidieren, als ratten, hagedissen, vissen of zelfs noten.

    Als de leider(s) van een groep wordt uitgedaagd door een of meerdere rondzwervend mannetjes, gaat hij het gevecht aan om de leider te blijven. Soms gebeurt dit ook door mannelijke welpen die groot zijn geworden. Dominante leeuwen en uitdagers zijn meestal tussen de vijf en tien jaar oud. De verliezer moet de groep verlaten en de winnaar wordt of blijft de leider. Als er een nieuwe leider is, zal deze eerst alle welpen die op dat moment leven, doden. Zo zorgt hij ervoor dat de vrouwtjes weer vruchtbaar worden (vrouwtjes zijn vruchtbaar zolang ze geen jongen hebben) en kan hij zich voortplanten.

    Er is geen vaste paartijd. Het komt wel geregeld voor dat leeuwinnen binnen een groep gelijktijdig in oestrus raken, waardoor meestal meerdere jongen tegelijkertijd worden geboren. Vrouwtjes zogen ook de welpen van andere vrouwtjes. De sterfte onder welpen is vrij groot, mede doordat nieuwe mannetjes welpen doden en doordat zwakkere welpen meestal aan hun lot worden overgelaten.

    Na een draagtijd van honderd dagen worden twee tot zes jongen geboren op een schuilplaats tussen lang gras, in dicht struikgewas of tussen rotsen. De welpen zijn bij de geboorte blind: de ogen gaan na drie tot elf dagen open. Na een maand gaan ze zich meer bewegen en na twee maanden vergezellen ze volwassen dieren tijdens de jacht. De zoogtijd duurt ongeveer acht maanden. Na 18 maanden zijn ze onafhankelijk en na vijf jaar volgroeid.

    De leeuw heeft een luide brul. De brul van het mannetje is luider dan die van het vrouwtje. Vooral 's nachts laten ze een luide brul horen, die soms tot op een afstand van acht km te horen is. Met de brul houdt de leeuw contact met andere groepsgenoten: hij geeft zijn aanwezigheid en positie aan, en mogelijk ook zijn status binnen de groep.

    [bewerk] Verspreiding en leefgebied

    Leeuwen wonen in de open savannen, grasvlakten, struikgebieden, halfwoestijnen en licht beboste streken van Afrika ten zuiden van de Sahara. Het is hier het grootste roofdier. Een geïsoleerde populatie van Perzische leeuwen leeft in het Gir Forest National Park in India.

    In vroege historische tijden strekte het leefgebied van de leeuw zich uit over Eurazië van Oost-Europa tot India en kwamen ze voor in geheel Afrika, met uitzondering van de dichte wouden en droge woestijnen. Vanaf de 2e eeuw na Christus zijn de dieren uit Europa verdwenen en rond 1900 werd de leeuw uitgeroeid in Noordwest-Afrika en de Kaap. Zij zijn nu slechts talrijk in Centraal- en Oost-Afrika, hoewel hun aantal zelfs daar sterk achteruitgaat. De leeuw heeft vooral te lijden onder de jacht: doordat leeuwen ook vee doden, worden ze als schadelijk beschouwd. In het begin van de 20e eeuw werden een paar leeuwenparen in India gesignaleerd. Ze werden daar beschermd en gebruikt als toeristische attractie. Deze groep bestond in 1955 uit 270 leeuwen, en staat sinds die tijd onder bescherming. Tegenwoordig leven er nog ongeveer 350 Aziatische leeuwen in het Gir Nationaal Park en zijn er plannen een tweede populatie op te bouwen in het Palpur-Kuno reservaat.

    [bewerk] Fotogalerij

    14-12-2007 om 17:55 geschreven door Thiebout  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (5 Stemmen)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De schildpad

    Schildpadden

    Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

     

    Schildpadden (Testudines) zijn een orde van reptielen. Schildpadden komen over de hele wereld voor, behalve in al te koude streken zoals de Noord- en Zuidpool. Ook in zeer hete woestijnen zonder schuilplaatsen en begroeiing komen geen schildpadden voor. Schildpadden zijn zoals alle reptielen koudbloedig, dus afhankelijk van de omgevingstemperatuur. De meeste soorten leven in Azië en Afrika, maar ook in Noord- en Zuid-Amerika en in Europa leven veel soorten. Ze zijn te vinden in vrijwel alle mogelijke biotopen, van schrale gebieden als savannen en halfwoestijnen tot in bossen, graslanden en moerassen. Er zijn ongeveer 275 verschillende soorten schildpadden, waarvan er vele tientallen zeer ernstig bedreigd zijn.

    De meeste soorten leven in zoetwater in moerassige gebieden, en komen regelmatig op het land om te eten en te zonnen, maar blijven bij water in de buurt om er in te vluchten bij gevaar en om te rusten. De zeeschildpadden leven permanent in de wereldzeeën, ook sommige moerasschildpadden komen wel eens in brakwater voor, maar alleen langs de kust en in mangrovebossen, niet op open zee. Veel schildpadden zijn goede zwemmers die oppervlaktewater als schuilplaats hebben. Sommige soorten, zoals de weekschildpadden, zijn zo sterk op water aangepast dat ze zelden het land betreden. Er zijn echter ook soorten die direct verdrinken in te diep water, met name landschildpadden.

    In Nederland leefde ooit de Europese moerasschildpad (Emys orbicularis), maar deze is al lange tijd verdwenen. Tegenwoordig komen in Nederland geen schildpadden voor behalve enkele losgelaten of ontsnapte ex-huisdieren. Deze exemplaren kunnen zich wel in leven houden maar zich niet in te noordelijk gelegen landen voortplanten. Dat komt omdat de omdat de temperaturen te laag zijn om de eitjes te laten uitkomen. Ook is er gebleken dat deze exoten geen groot gevaar voor de inheemse flora en fauna zijn. Veel van deze dieren zullen namelijk vroegtijdig sterven door omstandigheden die afwijken van die in het natuurlijke leefgebied, zoals de in Nederland relatief strenge winters. Soorten die in Nederland zijn aangetroffen zijn de roodwang(sier)schildpad, de zaagrugschildpad, de geelwangschildpad en de bijtschildpad.

    Ontstaan van de schildpadden

    Schildpadden zijn vermoedelijk 200 tot 300 miljoen jaar geleden ontstaan, maar wanneer precies is niet geheel duidelijk. Ze ontstonden vermoedelijk in het vroeg-Trias en leefden al toen er nog dinosauriërs rondliepen. Schildpadden stammen waarschijnlijk af van de Anapsida, grote en logge reptielen met een grote schedel en een bepantserde rug. Deze reptielen zagen er monsterlijk uit, maar leefden waarschijnlijk vegetarisch en waren slome grazers. De groep heeft zich al vroeg van de andere reptielen afgesplitst, waardoor schildpadden niet verwant zijn aan moderne groepen van reptielen, dit uit zich ook in de totaal andere bouw en levenswijze van de schildpadden.
    De reden van de vermeende afstamming is het feit dat ze een gelijkende schedel hebben, zonder openingen achter de ogen. Sommige biologen menen dat schildpadden afstammen van de Diapsida, die echter meestal twee openingen hebben.

    Bouw

    Schildpadden hebben een stevig schild, bestaande uit een platte onderzijde, buikschild of plastron genoemd, en een meestal bolle bovenzijde, het rugschild of carapax. Deze twee delen staan in verbinding met een benen brug. Het schild bestaat uit de vergroeide ribben van de schildpad en is verstevigd met hoornplaten die tegen elkaar aan liggen. Een schildpad heeft dus zowel een inwendig als een uitwendig skelet. Bij schildpadden is de vorm en kleur van het schild, en met name de hoornplaten, een belangrijk kenmerk omdat deze bij iedere soort anders zijn. Een landbewonende schildpad heeft een bolvormig schild, en een aan water gebonden schildpad heeft een plat schild om beter te kunnen zwemmen.

    Onderdelen van het carapax (scutum, mv. scuta).
    Onderdelen van het carapax (scutum, mv. scuta).

    Een schildpad heeft ook vier poten, meestal met scherpe nagels om zich op het land te hijsen. De poten zijn bij waterminnende soorten sterk peddel-achtig afgeplat en bij landbewonende soorten juist rond om stevig op te kunnen staan. Grotere soorten landschildpadden kunnen namelijk honderden kilo's wegen en slepen zich langzaam voort op de buik.

    De kop van schildpadden is relatief groot en kan meestal worden teruggetrokken onder het schild. Dit is niet bij alle soorten het geval, en de schildpadden zijn zelfs verdeeld in twee groepen. Schildpadden die de kop direct onder het schild terugtrekken, behoren tot de Cryptodira of halsbergers. Een uitzondering is de familie bijtschildpadden; deze hebben een te grote kop om terug te trekken. De andere groep schildpadden heeft een lange nek en vouwt deze samen met de kop letterlijk onder de schildrand, deze families behoren tot de Pleurodira of halswenders. De lange nek van de laatste groep heeft als voordeel dat de schildpad in wat dieper water kan leven.

    Tenslotte heeft een schildpad ook een staart, zij het niet een hele grote. De staart heeft namelijk geen echte functie meer; een schildpad kan niet snel rennen als een hagedis, die de staart gebruikt als balans. Ook bij het zwemmen is de staart nutteloos, in tegenstelling tot een krokodil die zijn staart als peddel en roer gebruikt.

    Mannetjes en vrouwtjes hebben vaak wat afwijkende kenmerken die echter niet altijd goed te zien zijn. Mannelijke schildpadden blijven over het algemeen kleiner dan vrouwtjes, hoewel dat niet voor alle soorten opgaat. Andere geslachtsonderscheidende kenmerken die voor veruit de meeste soorten gelden zijn;

    • Mannetjes hebben een dikkere en langere staart, sommige soorten hebben sporen.
    • Mannetjes hebben een soort kuil in het buikschild, vrouwtjes een plat buikschild; zo kan het mannetje op het vrouwtje klimmen bij de paring, met een plat buikschild zou hij eraf glijden.
    • Mannetjes hebben langere nagels; ook dit dient om beter op een vrouwtje te klimmen bij de paring.

    Voedsel, vijanden en verdediging

    Vrijwel alle schildpadden eten voor een belangrijk deel planten en soms ook aas, een aantal soorten jaagt actief op prooien. Vooral jongere exemplaren leven vaak van slakken en kleine kreeftachtigen omdat ze nog moeten groeien. Schildpadden hebben een zeer goed ontwikkeld spijsverteringsstelsel, waardoor sommige soorten alleen van gedroogde grassen kunnen leven.

    Jonge schildpadden hebben nog niet zo'n hard schild en worden door van alles belaagd: slangen, hagedissen, en zelfs niet-rovende vogels als meeuwen pikken er graag eentje uit het water. Vijanden van volwassen schildpadden zijn met name krokodilachtigen, grote rovende vissen en sommige roofvogels. Omdat roofvogels met hun klauwen het schild niet kunnen openbreken pakken ze het dier op en laten de schildpad van grote hoogte vallen zodat deze te pletter slaat. De Griekse dichter Aischylos zou aan zijn einde zijn gekomen door een vallende schildpad.

    Schildpadden zijn niet snel maar wel creatief als het gaat om verdediging; vrijwel alle soorten kunnen de kop, poten en staart terugtrekken onder het schild. De doosschildpadden uit de geslachten Cuora en Terrapene (overigens geen familie van elkaar), hebben een scharnierend buikschild dat ingeklapt kan worden en zo de openingen in het schild zowel aan de voor- als achterzijde afsluit; de schildpad zit er helemaal in. Ook de klepschildpadden kennen een dergelijk trucje, bij deze soorten kan echter de achterzijde van het rugschild omlaag worden geklapt en worden de staart en achterpoten beschermd, zoals de getande klepschildpad (Kinixys erosa).

    Een aantal schildpadden heeft een klier bij de anus die een smerig ruikende, muskus-achtige stof produceert, die wordt uitgescheiden als de schildpad wordt opgepakt. Naast scharnierende kleppen en smerige geuren hebben de meeste soorten schildpadden ook nog een scherpe bek (schildpadden hebben geen tanden) en stevige kaakspieren waarmee een beet kan worden uitgedeeld die men nog lang zal heugen.

    Uitklappen
    Afbeeldingen: voedsel, vijanden en verdediging

    Voortplanting

    Paring van de helmschildpad (Testudo marginata)
    Paring van de helmschildpad (Testudo marginata)
    Een net uit het ei gekropen schildpad; de buikplaten zijn nog niet vergroeid en de eitand is nog te zien.
    Een net uit het ei gekropen schildpad; de buikplaten zijn nog niet vergroeid en de eitand is nog te zien.

    Schildpadden zijn zonder uitzondering ovipaar, ofwel eierleggend. Grotere soorten hebben meer ronde eieren, kleinere soorten meer langwerpige, en alle eieren zijn wit tot witgeel van kleur. Opmerkelijk is dat veel soorten schildpadden geen geslachtschromosomen hebben; het geslacht wordt bepaald door de omgevingstemperatuur. Een lagere temperatuur zorgt voor een mannetje, een hogere voor een vrouwtje, dit wordt TSD (Temperature Sex Determination) genoemd. Schildpaddeneitjes worden meestal op het land gelegd omdat de embryo's zuurstof nodig hebben en dit niet uit het water kunnen onttrekken. Er zijn echter uitzonderingen hierop, zo legt Chelodina rugosa de eieren onder water van uitdrogende waterpoelen. Andere eieren komen juist uit onder water. Een voorbeeld hiervan is de Guinese tweeklauw (Carettochelys insculpta). Hierdoor komen de eieren uit tijdens de regentijd.

    Veel soorten zeeschildpadden trekken ieder jaar naar bepaalde stranden om daar de eitjes af te zetten. Dit wordt ook wel arribada genoemd. Dit zijn altijd dezelfde stranden, en omdat de dieren erg strikt zijn is goed te voorspellen wanneer ze weer aan land komen. In sommige streken worden de eitjes gezien als een delicatesse en worden ze geraapt voor consumptie. De eitjes van schildpadden zijn wel eetbaar, maar worden van binnen niet hard na het koken, zoals bij een kippenei. Dit komt omdat er andere eiwitten in het ei zitten dan bij vogeleieren. Ook de schaal van het ei is minder hard dan die van een vogelei. De meeste soorten schildpadden hebben een zogenaamde eitand, die alleen dient om het ei te openen en daarna afbreekt. Eieren kunnen zowel hard als zachtschalig zijn, dit is afhankelijk van de soort. Bij zeeschildpadden verlaten de jonge dieren gelijktijdig het nest om zo de overlevingskansen te vergroten, dit is echter niet bij alle soorten zo. Ook is bekend dat de juvenielen van Chrysemys picta in het ei kunnen overwinteren.

    Schildpadden doen er erg lang over om volwassen te worden en zich voort te planten. Hierdoor zijn schildpadden relatief kwetsbaar. Zeeschildpadden hebben grote legsels terwijl andere soorten (bijvoorbeeld Homopus, Pyxis) maar een ei per keer leggen. Beide tactieken dienen om het jong zoveel mogelijk overlevingskansen te bieden.

     Ademhaling

    Schildpadden hebben longen en moeten regelmatig ademhalen, veel soorten hebben hiertoe een lange nek of verlengde neus. Hoewel vrijwel alle soorten goed kunnen zwemmen, houden maar weinig schildpadden dat lang vol; in te diep water kan een schildpad verdrinken. Enkele Australische soorten hebben openingen bij de cloaca die zuurstofopnemende cellen bevatten, maar de efficiëntie daarvan is niet geheel duidelijk.

    Soorten schildpadden

    Er zijn ongeveer 300 verschillende soorten schildpadden, en meer dan 450 ondersoorten. Zie ook de lijst van schildpadden voor de verschillende soorten. Van sommige soorten zijn de ondersoorten juist bekender, de roodwangschildpad en de geelwangschildpad bijvoorbeeld zijn twee ondersoorten van dezelfde soort. De verschillende soorten zijn weer ingedeeld in families, die uiterlijk sterk in vorm, grootte en kleuren verschillen, maar allemaal wel als schildpad herkenbaar zijn. Een aantal families is relatief onbekend, sommige families zijn wel wat bekender zoals de weekschildpadden met hun zachte schild en de landschildpadden die soms heel groot worden. Enkele families zijn:

     Moerasschildpadden

    De bekendste soorten schildpadden zijn de moerasschildpadden (Emydidae), omdat ze zo algemeen zijn en vrijwel overal voorkomen. Vrijwel alle in de normale dierenwinkel verkochte soorten zijn moerasschildpadden. De meeste soorten eten zowel planten als kleine dieren en ook aas.

    Landschildpadden

    De soorten uit de familie Testudinidae of landschildpadden spreken het meest tot de verbeelding. Zo kunnen ze honderden kilo's wegen, en meer dan 100 jaar oud worden. Er zijn exemplaren geweest die minstens 150 jaar oud waren en de recordhouder is Adwaitya, een Aldabra-reuzenschildpad die 255 jaar oud werd. Deze overleed in 2006 en volgens sommige onbevestigde bronnen was deze schildpad in 1706 geboren en zou daarom een leeftijd van 300 hebben bereikt. Een 175 jaar oud exemplaar werd Harriet genoemd, en was een Galápagosreuzenschildpad (Geochelone nigra). Een landschildpad kan niet meer dan 4,57 meter per minuut (0,27km/uur) afleggen.

    Zeeschildpadden

    De zeeschildpadden of Cheloniidae leven in zee, en voeden zich met kreeftachtigen, kwallen en andere zeedieren en -planten. Veel soorten worden gevangen om het vlees, de soepschildpad was ooit zelfs bijna uitgestorven. Ook de lederschildpad is een in zee levende schildpad, maar vanwege onder andere een totaal andere bouw behoort deze soort tot een andere familie, de lederschildpadden. Ook de eileg is een hele toer; de eitjes worden door mensen vaak illegaal geraapt. Ook als dat niet gebeurt, zijn de jonge zeeschildpadjes niet veilig. Ieder jaar rond dezelfde tijd, als de eitjes uitkomen, verzamelen allerlei dieren zich bij het strand om de naar de zee rennende jonge schildpadjes te 'verwelkomen'; veruit het grootste deel overleeft de eerste 24 uur niet. Aan de andere kant betekent de jaarlijkse massale schildpaddeninvasie een belangrijke voedselbron voor andere diersoorten.

    Bedreigingen door de mens

    Er zijn tegenwoordig ongeveer 300 soorten schildpadden. Met een aantal daarvan gaat het niet zo goed, voornamelijk door toedoen van de mens. Veel schildpadsoorten worden zelfs met uitsterven bedreigd vanwege hun smakelijke vlees (bijvoorbeeld de soepschildpad), vervuiling, habitatvernietiging en klimaatsverandering. Een groot probleem is de Chinese voedselmarkt en het rotsvaste geloof in alternatieve medicijnen. Schildpadden zoals de driestreep waterdoosschildpad (Cuora trifasciata) worden door de Chinezen een heilzame werking toebedeeld, mogelijk zelfs tegen kanker en potentieverhogend. Uit onderzoek is gebleken dat deze veronderstellingen onjuist zijn. Desondanks worden er vanuit de hele wereld dieren in grote hoeveelheden gevangen en verscheept naar de Chinese voedselmarkten om aan de vraag te voldoen. Helaas gaat dit ook gepaard met illegale vangst en handel, omdat juist de zeldzaamste (illegaalste) dieren het duurst zijn. Door de prijs en de opkomende Chinese economie zijn schildpadden een luxe artikel geworden en worden meer en meer gegeten als delicatesse in plaats van uit voedselgebrek. Deze problematiek wordt ook wel de Asian Turtle Crisis genoemd. Het grootste probleem is dat wanneer de import van een schildpadsoort verboden wordt, deze soort enorm in prijs omhoog schiet, en bovendien andere soorten er de dupe van worden omdat deze nu als alternatief worden gezien. Het feit dat de driestreep waterdoosschildpad nu in de problemen zit, is waarschijnlijk het gevolg van het langzaam verdwijnen van een andere soort, de Ambonese doosschildpad (Cuora amboinensis).

     Schildpadden in gevangenschap

    De roodwangschildpad was tot voor kort een populair huisdier.
    De roodwangschildpad was tot voor kort een populair huisdier.

    Aan de andere kant worden er steeds meer schildpadden in gevangenschap gekweekt en succesvol gehouden. De particuliere sector wordt soms gezien als een grote bedreiging voor schildpadden. Inmiddels blijkt dat deze sector een grote bijdrage levert aan het behoud van diersoorten en er een ex-situ backup populatie ontstaat. De handel in schildpadden wordt internationaal geregeld door afspraken, welke staan in de CITES (Convention on International Trade in Endangered Species of Wild Flora and Fauna).

    Taxonomie

    De orde schildpadden bestaat uit twee onderorde's en verschillende families. Niet alle families worden als zodanig erkend en soms worden juist onderfamilies als familie beschouwd. Onderstaand de families, in de uitklapbox onderaan staan ook de hogere en lagere groepen tot op geslachtsniveau.

    Zie voor een meer volledige indeling ook de taxonomie van de schildpadden.

    14-12-2007 om 17:47 geschreven door Mathias  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (3 Stemmen)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De giraf

    Giraffe (dier)

    Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

    (Doorverwezen vanaf Giraf)
    Ga naar: navigatie, zoeken

    De giraffe of giraf (Giraffa camelopardalis) is een opvallend zoogdier, met een zeer lange nek en lange en slanke poten. Het is het hoogste dier ter wereld: een volwassen giraffe kan een hoogte van rond de vijf meter bereiken. De giraffe is nauw verwant aan de okapi. Samen vormen ze de familie Giraffidae.

    Inhoud

     Kenmerken

    De giraffe is onmiskenbaar door de lange nek, het schuin aflopende lichaam en de lange poten. Ondanks de lange nek heeft de giraf, evenals de meeste andere zoogdieren, slechts zeven, zeer lange halswervels. Om deze nek overeind te kunnen houden heeft een giraffe stevige, gespierde schouders. Om de bloeddruk naar de kop te controleren, heeft de giraffe in zijn nek zeer elastische bloedvaten en kleppen in de vaten. Over de nek tot de schouders lopen korte, stijve manen. Aan het einde van de lange poten zitten brede, afgeronde hoeven. De staart is lang en dun. Aan de staartpunt heeft de giraffe een pluim van lange, zwarte haren.

    Op de kop heeft een giraf drie of vijf kleine hoorns die bedekt zijn met behaarde huid. Jonge dieren en sommige vrouwtjes hebben een bosje haren op de toppen van de hoorntjes. De achterste hoorntjes, hoog op het voorhoofd, zijn over het algemeen veel groter dan die lager op het voorhoofd. Bij veel dieren ontbreken deze voorste hoorntjes. In het midden van het voorhoofd zit ook één knobbelvormige hoorn.

    Een ander opvallend kenmerk is de gelige vacht met daarop onregelmatige bruine vlekken. Dit vlekkenpatroon zorgt voor een afdoende camouflage tussen de bomen. Het vlekkenpatroon op de vacht is uniek voor elke giraffe en verschilt per ondersoort. De vlekken van mannetjes worden vaak donkerder als de dieren ouder worden.

    Een volwassen giraffe heeft een kop-romplengte van 3,5 tot 4,8 meter en een staartlengte van 76 tot 110 centimeter. Mannetjes worden over het algemeen groter dan vrouwtjes. Vrouwtjes zijn over het algemeen 3,5 tot 4,7 meter hoog en 450 tot 1180 kilogram zwaar, mannetjes zijn 3,9 tot 5,2 meter hoog en 1800 tot 1930 kilogram zwaar. Bij uitzondering kan een mannetje 5,3 tot 5,5 meter hoog worden.

    Verspreiding en leefgebied

    De giraffe leeft op de beboste savannen en andere licht beboste streken van Afrika ten zuiden van de Sahara. De giraffe heeft een voorkeur voor gebieden met lage of middelhoge struiken en andere houtige planten. De giraffe kan tot op 2000 meter hoogte aangetroffen worden, maar meestal begeeft hij zich op vlak land. Vroeger kwam de giraffe veel noordelijker voor, tot aan het Atlasgebergte, maar hier is hij al zo'n zevenduizend jaar geleden uitgestorven, toen het gebied verdroogde en de Sahara ontstond.

     Parken waar giraffen in het wild leven

    Giraffen komen onder andere voor in deze parken:

     Leefwijze

    Enkele giraffen
    Enkele giraffen

    De giraffe leeft in losse kuddes van zes tot twaalf dieren. Volwassen mannetjes dulden meestal geen andere volwassen mannetjes in hun vaste territorium. Vrouwtjes leven niet in een vast woongebied, en de woongebieden tussen kuddes overlappen meestal. In de droge tijd, als voedsel en water schaars zijn, leven dieren in grotere groepen.

    Mannetjes bepalen een hiërarchie door met hun nekken tegen elkaar aan te slaan. Ze staan dan schouder aan schouder tegenover elkaar, waarna ze met enkele krachtige slagen met de nek elkaar proberen te laten wankelen. Dit kan met veel letsel gepaard gaan: het komt voor dat een onderkaak of een nekwervel breekt in deze gevechten.

    Giraffes zijn telgangers. Dit betekent dat hij beide poten aan één zijde tegelijkertijd optilt bij het lopen. Eerst zet hij de twee linkerpoten, dan de twee rechterpoten. Deze gang is vrij zeldzaam onder dieren. Hij kan zich op deze manier vrij snel uit de voeten maken: al galopperend kan een giraf een snelheid van 60 km per uur bereiken.

    De kop van een giraffe van dichtbij
    De kop van een giraffe van dichtbij
    Parende Angolagiraffen
    Parende Angolagiraffen
    Giraffen - Aalborg Zoo
    Giraffen - Aalborg Zoo

    De giraffe is een herkauwer. Hij eet vooral bladeren, scheuten, vruchten en knoppen, met name van mimosa, Commiphora, Terminalia en de stekelige acacia, maar ook andere struiken en bomen. Bladeren grijpt hij met de 45 centimeter lange tong en de beweeglijke lippen. Vanwege zijn ruwe, geharde tong heeft de giraffe geen last van de scherpe acaciadoorns. Ook in droge tijden, als er op de savanne nauwelijks water te vinden is, kan de giraffe overleven. In de bladeren zit veel vocht en een volwassen giraffe eet hiervan zo'n 60 à 65 kg per dag. Dankzij zijn hoogte kan de giraffe bij bladeren die voor de meeste herbivoren onbereikbaar zijn.

    De giraffe is de gehele dag door actief. Een half uur kort en diep slapen per nacht volstaat voor de giraffe: hij legt zich neer, draait zijn hals in een lus naar achter en laat zijn kop rusten op z'n romp. Op het heetst van de dag rusten de giraffen in de schaduw.

    Vijanden heeft de giraffe nauwelijks. Het dier wordt beschermd door zijn snelheid en hoogte. Eventuele predatoren (voornamelijk leeuwen) worden op een afstand gehouden met ferme trappen. Met deze trappen kan hij zware schade toebrengen aan een eventuele aanvaller. Het loeiende en snuivende geluid van een giraffe in gevaar is dan ook zelden te horen. Toch sterft de helft tot driekwart van de pasgeboren giraffen voortijdig door roofdieren als gevlekte hyena's, leeuwen, luipaarden, krokodillen, Afrikaanse wilde honden en mensen.

    De giraffe is het meest kwetsbaar als hij drinkt. Als een giraffe drinkt uit een poel moet hij zijn voorpoten (die langer zijn dan zijn achterpoten) spreiden in een spagaat. Omdat een giraffe langer dan een maand zonder water kan, hoeft hij echter zelden te drinken. Ze zullen echter iedere drie dagen drinken als er water in de buurt is, en in de droge tijd zal hij zelden ver van een waterbron te vinden zijn.

    Een bronstig vrouwtje trekt de aandacht van meerdere mannetjes. Ze zal enkel paren met één of enkele grote mannetjes. Een vrouwtje heeft een vaste plaats waar al haar jongen worden geboren. Ze zal hier naar blijven terugkeren om te kalven. Een jonge giraffe wordt geboren na een draagtijd van 14 à 15 maanden. Een pasgeboren giraffe is al bijna 2 meter hoog en weegt 45 à 50 kg. Het giraffejong kan binnen vijf minuten staan. Na een week voegt het vrouwtje zich met het jong bij een kudde. Het jong zal worden opgenomen in een "crèche", bestaande uit tot negen andere pasgeboren giraffes. Vrouwtjes laten deze crèche enkel alleen op het heetst van de dag, als de meeste roofdieren rusten. Na drie tot vier maanden zal het jong de crèche verlaten om de moeder te vergezellen. De zoogtijd neemt een half jaar tot een jaar in beslag. Na zes maanden zal het zich meer onafhankelijk van de rest gaan bewegen. Pas na 10 jaar is de giraffe volwassen.

    Ondersoorten

    De giraffe kent verscheidene ondersoorten. De volgende ondersoorten worden over het algemeen erkend:

    14-12-2007 om 17:41 geschreven door Thiebout  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (24 Stemmen)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De kanarie
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Kanarie

    Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

    Ga naar: navigatie, zoeken

    De kanarie (Serinus canarius) is een zangvogel die oorspronkelijk van de Canarische Eilanden afkomstig is, waar hij ook naar genoemd is. Thans komt deze kanariesoort nog altijd in het wild voor op de Canarische Eilanden, de Azoren en Madeira. Vroeger werd hij gebruikt door de mijnwerkers om hen te waarschuwen als er giftige stoffen in de mijn aanwezig waren. Mogelijk komt hier ook de uitdrukking 'van je stokje gaan' vandaan.

    De kanarie leeft voornamelijk van kleine zaden, bladknoppen en groene scheuten terwijl tijdens de opfok van de jongen ook graag kleine insecten worden genuttigd. Hij heeft een kleine stevige snavel waarmee hij zaden kan pellen. Het eten van bijvoorbeeld grit helpt bij de vertering hiervan. Ook heeft hij mineralen nodig voor zijn kalkhuishouding.

    De in het wild levende soort is wat grauwer dan de meeste gekweekte soorten. Kwekers kweken onder andere op kleur, vorm en op zangkwaliteit. Hierdoor kan men kanaries in vele kleuren aantreffen: rode, gele, witte, bonte, enz. Helderblauwe kanaries bestaan echter niet en een dieprode kleur moet door middel van kleurvoeding op peil worden gehouden. Verder zijn er gekuifde kanaries en kanaries met een afwijkende bouw. Bij de kanaries spreekt men van vier hoofdgroepen die elk weer onderverdeeld zijn in aparte rassen:

    Deze soorten worden gefokt om hun kwaliteiten te behouden of juist te kruisen.

    De zang van de kanarie kan zeer gevarieerd zijn. Het zijn meestal de mannetjes die uitgebreid zingen, vrouwtjes zingen slechts bij hoge uitzondering. De kanarie kan de zang van andere vogels leren. De zang van het mannetje dient met name ter afbakening van het territorium.

    In de volksmond wordt de kanarie wel kanariepiet of kanarievogel genoemd. Veel kanaries in het Nederlandse taalgebied krijgen dan ook de naam Piet of een naam die hiervan is afgeleid.

    Het kanarievrouwtje wordt vaak een popje genoemd. Vooral in het voorjaar is het zeer ijverig in de weer met nestmateriaal verzamelen en het bouwen van een nestje. Het zal doorgaans zo'n drie tot vijf eitjes leggen. Op de afbeelding heeft een popje bij gebrek aan beter een nestje in een voederbakje gemaakt, waar het op broedt.

    De kanarie wordt al eeuwen als huisdier gehouden. Vaak voelt het beestje zich juist in een kooi en op een hoge plek het veiligst. Deze kooi is bij voorkeur niet rond maar rechthoekig.

    Tijdens de rui is het goed om de vogel extra krachtvoer/eivoer te geven.

    Een binnenhuis-kanarie kan onder goede omstandigheden ongeveer 12 jaar oud worden.

    14-12-2007 om 17:36 geschreven door Mathias  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (6 Stemmen)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De neushoorn

    Neushoorns

     

    Neushoorns (Rhinocerotidae) zijn familie van vijf soorten grote zoogdieren*, die voorkomen in Afrika en Azië en worden gekarakteriseerd door de hoorn (een of twee, naar gelang de soort) op zijn kop.

    Er zijn nog vijf soorten neushoorns, waarvan de meeste in meerdere of mindere mate bedreigd worden in hun voortbestaan. De hoorn is namelijk in China *zeer gewild als medicijn met potentieversterkende eigenschappen. Ook in Jemen* maakt men graag mesheften uit het materiaal. De hoorn bestaat uit keratine* net als onze nagels en haren en is dus niet van been.

    De volgende soorten bestaan nog steeds (daarnaast zijn er nog meer dan 200 fossiele soorten bekend):

    Als je op het woord voor * klikt krijg je info van Wikipedia
    Bron: www.wikipedia.be *

    14-12-2007 om 17:35 geschreven door Thiebout  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (19 Stemmen)


    Nieuw op dierplezier: De eend!
    Gastenboek

    Druk op onderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek


    Blog als favoriet !


    Willekeurig Bloggen.be Blogs
    silliebillie
    www.bloggen.be/sillieb
    Willekeurig Bloggen.be Blogs
    tilloenk
    www.bloggen.be/tilloen
    Willekeurig Bloggen.be Blogs
    lissiebritteke
    www.bloggen.be/lissieb
    Willekeurig Bloggen.be Blogs
    jonasbrothers2
    www.bloggen.be/jonasbr
    Willekeurig Bloggen.be Blogs
    leuke_meidendingen
    www.bloggen.be/leuke_m
    Willekeurig Bloggen.be Blogs
    fforward
    www.bloggen.be/fforwar
    Willekeurig Bloggen.be Blogs
    computerthuiswerken
    www.bloggen.be/compute
    Willekeurig Bloggen.be Blogs
    wendyalaise
    www.bloggen.be/wendyal
    Willekeurig Bloggen.be Blogs
    salenes_kijk_op_de_wereld
    www.bloggen.be/salenes
    Willekeurig Bloggen.be Blogs
    ritart
    www.bloggen.be/ritart
    Willekeurig Bloggen.be Blogs
    heiligerita
    www.bloggen.be/heilige
    Willekeurig Bloggen.be Blogs
    lucvanlaecke
    www.bloggen.be/lucvanl
    Willekeurig Bloggen.be Blogs
    foei
    www.bloggen.be/foei
    Willekeurig Bloggen.be Blogs
    joggingmario
    www.bloggen.be/jogging
    Willekeurig Bloggen.be Blogs
    aantwaarrepe
    www.bloggen.be/aantwaa
    Willekeurig Bloggen.be Blogs
    eric_claudia
    www.bloggen.be/eric_cl
    Willekeurig Bloggen.be Blogs
    blogbert
    www.bloggen.be/blogber
    Willekeurig Bloggen.be Blogs
    werken
    www.bloggen.be/werken
    Willekeurig Bloggen.be Blogs
    frankloopt
    www.bloggen.be/franklo
    Willekeurig Bloggen.be Blogs
    letsdurme
    www.bloggen.be/letsdur

    Blog tegen de wet? Klik hier.
    Gratis blog op https://www.bloggen.be - Bloggen.be, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!