Zoeken in blog

Beoordeel dit blog
  Zeer goed
  Goed
  Voldoende
  Nog wat bijwerken
  Nog veel werk aan
 
Rondvraag / Poll
Welk dier wil jij hier zien?
Een kolibri
Een hond
Een boa constrictor
Een kikker
Een leeuwaapje
Een eend
Een papegaai
Een konijn
Een hagedis
Een salamander
Een pingiun
Bekijk resultaat

Inhoud blog
  • Van dezelfde makers...
  • De eend
  • De hagedis
  • De salamander
  • De vlinder
  • De papegaai
  • De aap
  • De pinguïn
  • De slang
  • De hamster
  • De tijger
  • De leeuw
  • De schildpad
  • De giraf
  • De kanarie
  • De neushoorn
    Willekeurig Bloggen.be Blogs
    mydi
    www.bloggen.be/mydi
    Willekeurig Bloggen.be Blogs
    hertenman
    www.bloggen.be/hertenm
    Willekeurig Bloggen.be Blogs
    tom_in_maleisie
    www.bloggen.be/tom_in_
    Willekeurig Bloggen.be Blogs
    ziekenhuizen
    www.bloggen.be/ziekenh
    Willekeurig Bloggen.be Blogs
    muntenverzamelen
    www.bloggen.be/muntenv
    Willekeurig Bloggen.be Blogs
    7mijl_stappers
    www.bloggen.be/7mijl_s
    Dierplezier

    Welkom op onze blog!
    14-12-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De aap

    Apen (Simiiformes, ook wel Simiae of Anthropoidea) zijn een infraorde uit de orde der primaten (Primates). Alle primaten die niet tot de infraorde van de apen behoren worden halfapen genoemd. Een groep halfapen, de spookdiertjes, wordt beschouwd als de nauwste verwant van de apen en samen worden ze geplaatst in de onderorde Haplorrhini.

    De apen zijn verdeeld in twee groepen ("parvordes"), de breedneusapen (Platyrrhini) uit Midden- en Zuid-Amerika en de smalneusapen (Catarrhini) uit Afrika en Azië. Deze parvordes worden soms als aparte infraordes gezien. Tot de smalneusapen behoren ook de mensapen en de mensen. In verscheidene talen wordt een onderscheid gemaakt tussen apen en mensapen (bijvoorbeeld het Engels: monkey (aap) en ape (mensaap)). Het Nederlands maakt dit onderscheid niet, en mensapen worden ook apen genoemd.

    Apen leven voornamelijk in warmere streken, die veelal begroeid zijn met bomen. In de tropische regenwouden komen de meeste soorten voor. De meeste apen zijn dan ook goede klimmers, die een groot gedeelte van de dag in bomen doorbrengen. Slechts enkele soorten wagen zich op de open vlakte (bijvoorbeeld de huzaaraap) of in rotsachtige streken (verscheidene bavianen en makaken) of leven in koudere streken (bijvoorbeeld de Japanse makaak die in Japan tot boven de sneeuwgrens kan worden aangetroffen, of de stompneusapen uit de Himalaya). De gelada, een aan de bavianen verwante apensoort, leeft op de hogergelegen grasvlakten van het Ethiopisch Hoogland. Apen zijn over het algemene herbivoor, die voornamelijk van vruchten, noten, bladeren, stengels en boomsappen leven. Sommige soorten eten ook dierlijk materiaal, als insecten en vogeleieren. Vooral kleinere apensoorten als de klauwaapjes leven voor een groot gedeelte van insecten. De meeste apen zijn groepsdieren, die leven in grote troepen. Solitaire soorten, als de orang-oetans, zijn ver in de minderheid.

    Apen zijn over het algemeen middelgrote boombewonende dieren. Bij veel soorten is de staart langer dan de rest van het lichaam. Bij enkele apen van de Nieuwe Wereld heeft deze staart zich ontwikkeld tot een grijpstaart. Bij mensapen ontbreekt de staart geheel. De benen zijn langer dan de armen. Apen hebben relatief grote hersenen en een grote, bolvormige hersenkas, waarmee ze zich onderscheiden van de halfapen. Veel soorten worden als vrij intelligent beschouwd: ze zijn vindingrijk, speels en passen zich gemakkelijk aan veranderende omstandigheden aan. Ook zijn apen meer op hun zicht aangewezen dan de halfapen, die een beter ontwikkeld gehoor en reukzin hebben. de ogen staan recht naar voren gericht.

    De kleinste apensoort is het dwergzijdeaapje (Cebuella pygmaea), de grootste de oostelijke gorilla (Gorilla beringei).

    Inhoud

    [verbergen]

    [bewerk] Smalneusapen

    De smalneusapen (Catarrhini) zijn de apen die voorkomen in de Oude Wereld, voornamelijk in Afrika en Azië. In het Europese Gibraltar leeft een (mogelijk verwilderde) kolonie berberapen. Hoewel ze bijna allemaal goed kunnen klimmen, brengen veel apen van de Oude Wereld minstens een deel van hun tijd op de grond door. Over het algemeen zijn ze groter dan de apen van de Nieuwe Wereld, en allemaal hebben ze platte nagels aan vingers en tenen. De huid op de billen is bij de meeste soorten verdikt, zodat ze er op kunnen zitten. De neus is smaller en de neusgaten zijn dicht bij elkaar geplaatst en voorwaarts of omlaag gericht. Grijpstaarten hebben ze niet.

    Ze worden verder onderverdeeld in de mensapen en de apen van de Oude Wereld. Tot de eerste groep behoren onder andere de gibbons, chimpansees, gorilla's en orang-oetans, tot de tweede groep behoren onder andere de bavianen, mangabeys, makaken, meerkatten en slankapen.

    Slankapen hebben een gespecialiseerde maag, waardoor ze van moeilijk verteerbare bladeren en onrijpe vruchten kunnen leven. Tot de slankapen behoren onder andere de franjeapen of colobusapen, de langoeren en de neusaap.

    Bavianen en makaken leven veel op de grond. Ze hebben wangzakken waarin ze voedsel kunnen wegstoppen als ze op handen en voeten lopen. Meerkatten leven doorgaans hoog in de bomen, hoewel er ook soorten zijn die de voorkeur geven aan de savanne. Er zijn ongeveer twintig verschillende soorten die allen leven in Afrika. Ze verschillen onderling sterk in kleur, maar komen overeen in lichaamsbouw. Meerkatten zijn tussen de 70 en 175 cm. lang en hebben een staart die eenderde tot de helft van hun totale lichaamslengte inneemt. Ze hebben een korte snuit, en zeer handige grijphanden en -voeten. De grote kleurverscheidenheid dient waarschijnlijk om de apen in staat te stellen hun soortgenoten snel te herkennen.

    [bewerk] Breedneusapen

    Mantelbrulaap (Alouatta palliata)
    Mantelbrulaap (Alouatta palliata)

    Tot de breedneusapen van Midden- en Zuid-Amerika (Platyrrhini) behoren onder andere de brulapen, spinapen, slingerapen, oeakari's, springaapjes, kapucijnapen, doodshoofdaapjes en klauwaapjes: de oeistiti's, leeuwaapjes en de tamarins. Ook de enige nachtactieve apen behoren tot deze groep. Dit zijn de nachtaapjes, ook wel doeroecoeli's of uilaapjes genoemd. Er bestaan nog wel andere nachtactieve primatensoorten, maar dit zijn allen halfapen. Breedneusapen hebben verder uit elkaar staande en wijdere neusgaten, die zijwaarts gericht zijn. Anders dan bij de smalneusapen hebben breedneusapen geen huidverdikkingen op de kont. Enkele soorten hebben een grijpstaart.

    De afkomst van deze groep is voor de wetenschappers een raadsel. DNA-onderzoek bevestigt dat ze allemaal nauw verwant zijn en voortkomen uit een gemeenschappelijke voorouder, maar onduidelijk is hoe deze voorouder in Zuid-Amerika terechtkwam, dat al 100 miljoen jaar geleden was losgeraakt van de andere continenten.

    [bewerk] Apen in Nederland en België

    In Nederland en België zijn apen te bewonderen in diverse dierentuinen. De Apenheul in Apeldoorn is gespecialiseerd in apen. Veel apensoorten leven daar niet opgesloten, maar lopen vrij tussen het publiek.

    [bewerk] Zie ook

    :Afbeelding:Nl-Apen-article.ogg
    Door op bovenstaande afspeelknop te klikken kunt u dit artikel beluisteren. Na het opnemen kan het artikel gewijzigd zijn, waardoor de tekst van de opname wellicht verouderd is. Zie verder info over deze opname of download de opname direct (meer info over gesproken Wikipedia)
     

    14-12-2007 om 21:22 geschreven door Thiebout  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 1/5 - (2 Stemmen)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De pinguïn

    Pinguïns

    Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

    Ga naar: navigatie, zoeken

    Pinguïns zijn een orde van niet-vliegende vogels die alleen voorkomen op het zuidelijk halfrond. De pinguïns behoren tot de familie van de Spheniscidae, orde Sphenisciformes, klasse Aves (vogels). De naam "pinguïn", die waarschijnlijk komt van het Keltische pen gwyn (witte kop), werd oorspronkelijk gebruikt voor de reuzenalk, de nu uitgestorven tegenhanger van de pinguïn op het noordelijk halfrond.

    Inhoud

    [verbergen]

    [bewerk] Voorkomen

    Een veelvoorkomend misverstand is dat pinguïns alleen op de Zuidpool zouden voorkomen. Zij worden echter ook in Zuid-Afrika, Zuid-Amerika, Australië, Nieuw-Zeeland en op de Galápagoseilanden aangetroffen.

    [bewerk] Voedsel

    Ze vangen hun voedsel, voornamelijk vissen en schaaldieren, onder water. Hiertoe zijn hun vleugels zwemorganen geworden en ze vliegen als het ware in het water. Daarbij kunnen zij lang onder water blijven.

    [bewerk] Broeden en huizen

    De meeste pinguïnsoorten nestelen in gaten of holen om zich zo in enige mate tegen de zon te beschermen en verbeteren dit met takjes en ander restmateriaal (Spheniscus en Eudyptula) of bouwen een nest van stenen (Pygoscelis) die ze in hun omgeving vinden en ze leggen meestal 2 (maximaal 3) eieren. De beide ouders lossen elkaar af bij het broeden. Terwijl de ene het ei bebroedt, trekt de andere naar zee om zich te voeden. Zodra het jong is uitgekomen, lossen de ouders elkaar op dezelfde manier af om het jong te voeden.

    Enkel de grootste soort (Aptenodytes) maakt geen nest maar broedt het enige ei uit op hun poten onder een beschermende huidplooi van de buik. Bij de keizerspinguïn broedt alleen het mannetje het ei uit, tijdens de ijzige zuidelijke winter (juli-aug) bij temperaturen van -70 °C en kouder terwijl het vrouwtje naar zee teruggaat om te eten.

    De waggelende loop van een pinguïn wordt veroorzaakt door het feit dat het dier eigenlijk op zijn hurken loopt. Het heupgewricht bevindt zich laag bij de grond en het kniegewricht een stuk hoger.

    [bewerk] Natuurlijke vijanden

    De voornaamste natuurlijke vijanden zijn de reuzenstormvogel, roofmeeuwen of jagers vanuit de lucht, zeeluipaarden, walvissen (voornamelijk orka's) en pelsrobben in het water en ingevoerde landroofdieren zoals katten, honden en ratten op het land. Ook de mens vormt een grote bedreiging door o.a. olievervuiling, overbevissing, jacht omwille van eieren en guano (vogelmest), invoer van andere dieren en zelfs toerisme.

    De gemiddelde levensverwachting van een pinguïn schommelt rond de 20 jaar, hoewel ze in gevangenschap aanzienlijk ouder kunnen worden.

    De meest noordelijke pinguïnsoort is de Galapagospinguïn die op de nabij de evenaar liggende Galápagos-eilanden leven. Waarschijnlijk zijn voorouders daar gekomen via de Humboldtstroom die koud water uit het Zuidpoolgebied aanvoert.

    [bewerk] Gallerie

    [bewerk] Soorten

    [bewerk] Bekende pinguïns

    Een pinguïn wordt vaak gezien als een grappig dier, vanwege hun vreemde manier bij het lopen, ze waggelen. Het zal dan ook niet vreemd zijn dat men een pinguïn als logo kiest. Ook zijn er enkele tekenfilms met pinguïns verschenen.

    Biologie – Zoölogie – Lijst van vogels

    14-12-2007 om 21:21 geschreven door Thiebout  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (10 Stemmen)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De slang

    Slangen

    Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

    Ga naar: navigatie, zoeken

    Slangen (Serpentes) zijn een onderorde van reptielen die samen met de hagedissen tot de orde schubreptielen (Squamata) behoort. Slangen hebben zonder uitzondering een naar verhouding zeer lang en dun lichaam zonder ledematen en bewegen zich voort op de buik. Er zijn ongeveer 2700 verschillende soorten beschreven, waarvan er ongeveer 450 giftig zijn en zo'n 250 soorten kunnen in principe een mens doden. Slangen zijn over de hele wereld verspreid, met uitzondering van Ierland, IJsland, Nieuw-Zeeland en een aantal eilanden in de Grote Oceaan.

    Omdat ze koudbloedig zijn, leven de meeste soorten in warmere streken. Een aantal soorten is aangepast op het leven in extreem droge omgevingen, zoals woestijnen. Er zijn echter ook slangen die ondergronds leven en veel graven of juist aangepast zijn op een leven in water zoals in rivieren en meren en zelfs in de zee.

    Het lange dunne lichaam heeft als voordeel dat een slang sneller op kan warmen en af kan koelen, wat wel thermoregulatie wordt genoemd. Ook kan een slang door zijn lenige en vaak gespierde lichaam vrijwel overal in, tussen en onder kruipen om te schuilen of op prooien te jagen. Wurgslangen zijn sterk gespierd om de prooi te kunnen wurgen.

    De meeste slangen leven op of dicht bij de bodem, maar vrijwel alle slangen kunnen goed zwemmen en klimmen. In tropische bossen komen meer boombewonende slangen voor, die overdag rusten in bomen en 's nachts op jacht gaan. In woestijnen zijn de slangen bodembewonend en graven zich vaak in.

    Inhoud

    [verbergen]

    [bewerk] Slangen in Nederland en België

    Van de ongeveer 35 soorten slangen in Europa leven er drie in Nederland en België; de adder (Vipera berus), de ringslang (Natrix natrix) en de gladde slang (Coronella austriaca). Over het algemeen zijn de drie inheemse soorten niet moeilijk uit elkaar te houden, maar er zijn verschillende kleurvariaties en soms komen geheel zwarte (melanische) exemplaren voor die lastiger op naam zijn te brengen. Van deze soorten is alleen de giftige beet van de adder gevaarlijk; ringslangen zijn niet-giftig en bijten niet; ze houden zich liever dood, ook gladde slangen zijn niet giftig.

    De kans dat wandelaars slangen tegenkomen is vrij klein. Alleen de ringslang wordt regelmatig gezien, omdat deze slang ook in cultuurgebied voorkomt en veel bij water te vinden is. De overige twee soorten leven bijna allemaal in wat grotere en beschermde natuurgebieden. Ze zijn ook wat honkvaster dan de ringslang. Het is het best om slangen met rust te laten, ringslangen scheiden een stinkende vloeistof uit als ze worden opgepakt, adders zijn giftig en alle soorten worden niet graag verstoord en zijn zeldzaam.

    [bewerk] Gladde slang

    De gladde slang (Coronella austriaca) is een slanke vrij trage en rustige slang. De kleur is bruin tot grijzig en heeft een typische vloeiende donkere kopsteep vanaf de snuit over het oog naar achteren. Achter de kop zitten vaak zandlopervormige vlekken. Hij wordt niet al te groot en uitschieters zijn hooguit 80 centimer lang. Hij dankt zijn naam aan de schubben zonder lengtekieltjes. Hij wordt wel eens verward met de adder, maar verschilt daarvan door de ronde pupil, de slankere bouw en een langere staart. De gladde slang is levendbarend.

    De gladde slang komt voor in heidegebied, hoogveen en stuwwallen en heeft een duidelijke voorkeur voor zandgronden. Ze komen voor in Brabant, Limburg, de Veluwe, Drenthe en Friesland, in kleine populaties. De gladde slang is lastig waar te nemen omdat ze een groot gedeelte van de tijd ondergronds doorbrengen. Er is zo weinig bekend over de leefwijze van deze slang, dat het niet bekend is hoe de slang zijn prooi vangt. Sommigen denken dat hij ze wurgt, sommigen denken dat hij ze levend opeet. Gladde slangen met prooien worden zelden gezien.

    [bewerk] Adder

    De adder (Vipera berus) is giftig, wordt 60 tot 80 cm lang en heeft een kenmerkende zigzag-tekening op de rug en een verticale pupil. Het lichaam is kort en stevig en de adder heeft een korte staart. Beten van adder zijn zelden dodelijk, maar wel ernstig. Een antiserum kan nodig zijn, maar is bij minder ernstige beten af te raden vanwege de vele bijwerkingen. De adder is levendbarend.

    De adder komt voor in heide- en hoogveengebieden en soms ook op open plekken in bossen. Het verspreidingsgebied is erg klein en beperkt zich tot de Drentse en Friese hoogveengebieden, de Veluwe en de Meinweg. In België komt de adder veel voor in de Hoge Venen.

    [bewerk] Ringslang

    De niet-giftige ringslang (Natrix natrix) heeft een donker vlekjespatroon, en meestal een felgele band rond zijn hals. De slang is olijfgroen tot bijna zwart van kleur, lang en beweeglijk, het is de langste slang van nederland en kan tot 140 cm lang worden. Hij jaagt vrijwel uitsluitend op kikkers en wordt dan ook vaak in de buurt van water aangetroffen, maar hij kan ook in heidegebieden worden aangetroffen op aanzienlijke afstand van water.

    In het westen van het land is dit de enige wilde slang. Rondom Amsterdam en het Gooi komt hij vrij algemeen voor en ook rond Gouda is een populatie. Ook in de IJsselmeerpolders komen ringslangen voor. De ringslang komt ook veel voor op de Veluwe, op de Weerribben en in de Friese en Drentse natuurgebieden. In Zuid-Limburg is een kleine populatie.

    [bewerk] Andere soorten

    De hazelworm is een pootloze hagedis.
    De hazelworm is een pootloze hagedis.

    Soms wordt een in de dierenhandel aangeschafte slang gedumpt door zijn eigenaar, dit kan de meest uiteenlopende soorten betreffen. Het is aan te raden slangen altijd met rust te laten en afwijkende slangen (zoals exemplaren met felle kleuren die in de Benelux niet voorkomen) te melden. Een enkele soort is bewust uitgezet, zoals de russische rattenslang in de gemeente Tynaarlo. In 2006 werden ook enkele exemplaren van de aspisadder, een Zuid-Europese soort, die vrij veel op de gewone adder lijkt bij Portugaal gevonden.

    Ook de hazelworm en een op het land vertoevende paling lijken wat op een slang, maar de eerste is een hagedis en de tweede is een vis. Bovendien heeft de hazelworm een hagedis-achtige kop met oogleden, in tegenstelling tot een slang. In het veld is een hazelworm makkelijk te herkennen aan zijn glanzend gladde huid en wormachtig voorkomen. Hazelwormen zijn ook erg stijf. Paling mist de voor slangen typische schubbenhuid.

    [bewerk] Ontstaan

    Een rotstekening van een slang.
    Een rotstekening van een slang.

    Hoe de slangen zijn ontstaan is niet precies bekend, maar dat ze van de hagedissen afstammen wordt algemeen aangenomen. Slangen zijn in wezen hagedissen die de pootjes gedurende de evolutie hebben verloren. Slechts enkele primitieve soorten hebben nog resten van een bekken en soms sporen die als kleine nageltjes of soms zelfs kleine, flap-achtige pootjes zichtbaar zijn. Ook bij veel andere slangen is nog te zien dat er ooit pootjes aanwezig waren vanwege de daar wat afwijkende schubben. Sommige hagedissen, zoals hazelwormen en sommige skinken lijken op slangen doordat ze geen of zeer korte pootjes hebben. Maar er zijn meer verschillen, zo hebben slangen geen bekkengordel meer, honderden en honderden wervels en gefuseerde oogleden. Er is dus meer gebeurd met de slangen dan alleen het verdwijnen van de pootjes, maar wanneer of hoe precies is nog niet duidelijk.

    Van welke groep de slangen nu precies afstammen is daarom niet bekend, maar een aantal vermoedens zijn er wel. Een theorie is dat de slangen afstammen van de varaanachtigen, met name de voorouders van de dove varaan (Lanthanotus borneensis). Deze halfblinde en -dove varaan is een meer gravende en ondergronds levende hagedis. Vermoed wordt dat alle moderne slangen zijn ontstaan uit deze varaanachtigen, en door hun gravende levenswijze de pootjes hebben verloren, net als sommige hagedissen als skinken en hazelwormen. De fossiele slang Najash rionegrina ondersteunt deze theorie; het was een gravende slangachtige met twee achterpootjes.
    Een andere theorie is dat slangen afstammen van grote, lange en in zee levende reptielen als de Mosasaurus. Hierdoor zijn de pootjes verdwenen omdat deze bij het zwemmen niet meer werden gebruikt. Ook de gefuseerde oogleden, waardoor slangen een transparante 'bril' hebben zouden zijn ontstaan om in zee te kunnen overleven, evenals het verdwijnen van uitwendige ooropeningen die alleen maar zouden vollopen met zeewater. Later gingen deze voorouders van de moderne slangen weer op het land leven waarna ze hun huidige vormenrijkdom ontwikkelden.

    Het grote probleem bij het achterhalen van de ontstaansgeschiedenis is het feit dat slangen een erg fragiel skelet hebben dat maar moeilijk fossiliseert, waardoor er niets van overblijft. Hierdoor zijn er maar weinig fossielen aangetroffen die belangrijke informatie kunnen geven over de ontwikkeling van de slangen. De oudst gevonden slang, de eerder genoemde Najash rionegrina, komt uit het late Krijt, 'slechts' 65 tot 100 miljoen jaar geleden, en leek al sterk op de moderne slangen.

    [bewerk] Kenmerken

    De schubben van Bungarus fasciatus.
    De schubben van Bungarus fasciatus.

    Slangen hebben altijd dezelfde lichaamsvorm, maar verschillen wel iets in de bouw. Met name de grootte is variabel, sommige soorten blijven rond de 15 centimeter, er zijn ook slangen die meer dan 7 meter lang kunnen worden. Ook zijn er zowel relatief zeer lange en dunne slangen als slangen die niet zo lang worden maar zo dik zijn als een vuist. De dwarsdoorsnede varieert van rond tot ovaal of driehoekig, veel soorten platten het lichaam af bij de voortbeweging of om te zonnen.

    Slangen hebben een schubbenhuid die er soms glibberig uitziet maar altijd droog is. De vorm en functie van de schubben kan sterk afwijken. Soorten die veel graven of zwemmen hebben platte, gladde schubben om minder last te ondervinden van de wrijving. Andere soorten hebben gekielde, Λ-vormige schubben om een betere grip te hebben als ze in bomen klimmen. Tenslotte zijn er ook soorten met wrat-achtige bulterige schubben, zoals de Javaanse wrattenslang. Vrijwel alle slangen hebben op de buik grovere schubben om de kwetsbare buik te beschermen, de buikschubben spelen ook een rol in de voortbeweging. Als een slang vervelt, doet het dier dat in één keer, in tegenstelling tot alle andere reptielen waarvan de huid afbladdert (hagedissen) of de beenplaten één voor een loslaten (schildpadden, krokodilachtigen).

    De vervellingshuiden zijn een belangrijk hulpmiddel bij het onderzoek naar slangen. De huiden die we vinden zijn binnenste buiten gekeerd omdat de slang zijn huid afstroopt. Ook is de vervellingshuid ongeveer 10% langer dan de slang. Vlak voordat de slang moet vervellen krijgt de slang typisch grijzige ogen, doordat er zich wat vocht tussen de oude en nieuwe huid bevindt en ziet hij erg slecht.

    De ratel van de diamantratelslang.
    De ratel van de diamantratelslang.

    In tegenstelling tot een hagedis heeft een slang gefuseerde, doorzichtige oogleden. Als een slang vervelt lijkt het alsof de ogen mee-vervellen. Een slang heeft hier veel gemak bij omdat hij vaak op de bodem leeft en er zo geen zand in de ogen kan komen. Bovendien wordt periodiek zijn 'bril' vernieuwd, die bij het graven bekrast wordt. Er zijn ook uitzonderingen die wel beweegbare oogleden hebben, zoals de schildstaartslangen (familie Uropeltidae).

    De kleuren van slangen dienen verschillende doeleinden, de meeste soorten zijn gecamoufleerd en hebben bruine tot groene kleuren. Sommige giftige soorten hebben juist felle kleuren zodat vijanden weten dat ze op moeten passen. Er zijn ook onschuldige soorten die gevaarlijke soorten in kleur en vorm imiteren, dit wordt mimicry genoemd. Dit verschijnsel gaat ver; er zijn zelfs hagedissen die slangen imiteren, zoals de zwartkopschubpoothagedis, die de Australische taipan imiteert, een zeer gevaarlijke gifslang.

    Sommige slangen hebben afwijkende kenmerken, zoals de tentakelslang, die twee baarddraden heeft. Cobra's hebben vaak typische flappen aan weerszijden van de kop die getoond worden bij verstoring. Enkele soorten hebben hoorntjes, zoals de wipneusadder en de hoornadder. De ratelslangen staan bekend om hun verhoornde, uit schijfjes bestaande staartpunt.

    [bewerk] Anatomie

    De anatomie van een slang: 1=slokdarm,  2=luchtpijp, 3=tracheale long, 4=rudimentair linkerlong,  5=rechterlong, 6=hart, 7=lever, 8=maag, 9=luchtzak, 10=galblaas, 11=pancreas, 12=milt, 13=darmen, 14=testikels, 15=nieren
    De anatomie van een slang: 1=slokdarm, 2=luchtpijp,
    3=tracheale long,
    4=rudimentair linkerlong, 5=rechterlong, 6=hart, 7=lever, 8=maag, 9=luchtzak, 10=galblaas, 11=pancreas, 12=milt, 13=darmen, 14=testikels, 15=nieren

    De organen van slangen zijn net als het lichaam zeer langwerpig van vorm. Sommige gepaarde organen, zoals de nieren en de testikels, liggen niet naast elkaar maar boven elkaar om de lichaamsruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Met name de spijsverteringsorganen beslaan bijna het hele lichaam, het voedsel komt via de slokdarm in de maag, en begint daarna een lange reis door de darmen. Omdat slangen de prooi in een keer doorslikken en vaak behaarde, gevederde of geschubde prooien eten, is de spijsvertering zeer goed ontwikkeld.

    Een slang gebruikt bij de ademhaling maar één ontwikkelde long, dit is altijd de rechterlong. De linkerlong is sterk onderontwikkeld en ontbreekt bij een aantal soorten zelfs volledig. Ook deze aanpassing dient waarschijnlijk om ruimte te besparen en is een belangrijk verschil met de hagedissen, die altijd twee ontwikkelde longen hebben. Een aantal soorten slangen heeft tracheale longen, eigenlijk een onderdeel van de luchtpijp, die zuurstof opnemen. De ademhaling geschiedt door de lichaamsspieren en de bewegingen van de ribben. Slangen hebben een luchtzak, maar deze dient voornamelijk om de druk in het lichaam te regelen. Slangen hebben een orgaan van Jacobson (niet afgebeeld), net als sommige hagedissen zoals skinken en varanen. Met dit orgaan kan de slang goed ruiken, en voor een grotere efficiëntie kwispelt de slang met de tong om meer geurdeeltjes op te vangen. Omdat de tong gespleten is kan de slang 'in stereo' ruiken.

    [bewerk] Skelet

    Slangen hebben zeer veel wervels, ongeveer 160 tot meer dan 400, afhankelijk van de soort. Dit is de reden dat slangen zo lenig zijn, een borstbeen ontbreekt. Iedere wervel is steeds voorzien van twee ribben, die in verbinding staan met de buikschubben, waardoor de slang zich voort kan bewegen.

    Slangen hebben verschillende schedelvormen; soorten die grote prooien verzwelgen zullen een brede kop met veel kaakmassa en kaakspieren hebben, gravende soorten hebben meer baat bij een platte, wigvormige kop. De schedel van slangen is bij de eerste groep duidelijk te onderscheiden van het lichaam, bij de laatste groep is een insnoering niet of nauwelijks zichtbaar.

    De kaakdelen van slangen die grotere prooien eten zijn aangepast, en kunnen extreem ver worden opengesperd zonder dat het dier daar last van heeft. Hierdoor kan de slang prooien eten met een grotere diameter dan het lichaam. De linker- en rechterhelft van de kaken zijn niet met elkaar vergroeid, en de kaakdelen zijn met pezen verbonden, de kaken zijn hierdoor flexibeler.

    Slangen zijn te onderscheiden aan het type gebit, dat bestaat uit rijen vele kleine scherpe tanden om de prooi vast te houden, gifslangen hebben daarnaast giftanden. Een groot aantal soorten giftige slangen is ongevaarlijk voor de mens. Dit komt omdat de tanden te ver achter in de bek staan, het gif te zwak is, er te weinig wordt toegediend of het gif simpelweg niet werkt op mensen. Het gif van een aantal soorten bevat stoffen die gebruikt worden in de medische wereld om medicijnen van te maken. Een voorbeeld is het cardiotoxine sarafotoxine, afkomstig van soorten uit de relatief onbekende familie Atractaspididae.

    Het gebit van slangen is onder te verdelen in vier groepen; één voor de niet-giftige slangen (aglyf), en drie voor de giftige slangen (opisthoglyf, proteroglyf en solenoglyf). De wetenschappelijke namen geven enigszins al aan hoe het zit, want;

    • A- glyf betekent letterlijk geen-tand
    • Opistho betekent achter,
    • Protero betekent voor,
    • Soleno betekent buisvormig.

    Soms worden de slangen wel ingedeeld naar gebitstype, en worden meer wetenschappelijke termen gebruikt, respectievelijk Aglypha, Opisthoglypha, Proteroglypha en Solenoglypha

    Aglyf wil zeggen dat een slang geen gespecialiseerde giftanden heeft. De meeste soorten slangen zijn aglyf en hebben geen giftanden, gifklieren of groeven waar gif doorheen stroomt. Voorbeelden zijn wurgslangen als pythons en boa's, die geen gif nodig hebben omdat ze de prooi wurgen. Alle slangen hebben massieve, naar achteren gerichte tanden om de prooi beter vast te kunnen houden bij het doorslikken. Met name soorten die amfibieën of vissen eten is dit handig omdat veel prooien slijm produceren als ze worden aangevallen. Giftige slangen zijn te verdelen in drie groepen;

    Opisthoglyfe slangen hebben twee iets vergrote giftanden die meer achterin de bek staan. Een prooi zit al in de bek als deze er mee in aanraking komt en het gif heeft een werking die voornamelijk de spijsvertering ondersteunt. De slangensoorten met dergelijke giftanden komen ook voor in families van over het algemeen niet-giftige slangen, zoals de familie gladde slangen (Colubridae). Sommige soorten kunnen echter, als men er al in slaagt om zich aan de achter in de bek staande giftanden te prikken, levensgevaarlijk zijn.

    Proteroglyfe slangen hebben wel giftanden, maar deze zijn relatief kort en onbeweeglijk. De giftanden zijn gegroefd en staan voor in de bek in de bovenkaak. Het gif stroomt door de groef in de giftand naar de wond, om de efficiëntie te vergroten moet de slang kauwbewegingen maken. Slangen met dergelijke giftanden vindt men in de familie gifslangen (Elapidae), voorbeelden zijn cobra's, koraalslangen, mamba's en zeeslangen.

    Solenoglyf zijn slangen die het best ontwikkelde gifapparaat hebben en bezitten juist heel grote giftanden die als ze niet worden gebruikt naar achteren tegen het gehemelte geklapt zitten. Pas bij een beet worden de tanden automatisch opengeklapt, klaar om toe te slaan. Vanwege het vermogen de giftanden in te klappen zijn deze veel langer zodat het gif dieper in de prooi wordt geïnjecteerd, wat de efficiëntie sterk vergroot. Sommige soorten hebben giftanden van enkele centimeters lang. De tanden zijn hol en staan in directe verbinding met de gifklieren. Omdat solenoglyfe slangen niet eerst een kauwbeweging hoeven te maken maar het gif direct injecteren zijn veel soorten erg gevaarlijk. Voorbeelden van solenoglyfe slangen zijn de soorten uit de familie adders, met als bekende groepen de groefkopadders en de pofadders.

    [bewerk] Giftige slangen

    Zie ook het artikel Slangengif

    Giftige slangen zijn geen aparte groep van slangen: soorten uit verschillende slangenfamilies zijn giftig. De bekendste familie van giftige slangen zijn de adders (Viperidae), waartoe ook alle groefkopadders en ratelslangen behoren. Tot de familie gifslangen (Elapidae) worden alle mambas, koraalslangen en cobra's gerekend. Van de gladde slangen (Colubridae) zijn wel enkele soorten giftig, maar ze zijn niet gevaarlijk voor de mens. De zeeslangen leven in kuststreken in zee, een groot aantal soorten is giftig.

    Over giftige slangen en hun giftigheid bestaan veel fabeltjes, zoals het 'feit' dat alleen felgekleurde soorten gevaarlijk zouden zijn. Ook de lengte van een slang heeft geen enkele invloed op de giftigheid: giftige slangen zijn direct uit het ei al even gevaarlijk als volwassen exemplaren. Over het algemeen zijn in Europa de giftigste slangen (adders) juist relatief klein, zo'n 70 tot 80 centimeter.

    Giftige slangen hebben gifklieren, die zijn ontstaan uit de speekselklieren. Het eigenlijke gif van slangen bestaat uit verschillende soorten giffen en de spijsvertering ondersteunende enzymen, zoals gif dat levend weefsel doodt (cytotoxine), gif wat op het hart werkt (cardiotoxine) of dat zenuwstelsel platlegt (neurotoxine). Met name de laatste twee zijn gevaarlijk omdat het hart en/of de ademhaling kan stoppen. Cytotoxisch gif veroorzaakt weefselafsterving zodat soms amputatie van een vinger of ledemaat noodzakelijk is. Naast gifstoffen bevat slangengif ook stoffen die de bloeddruk verlagen en stoffen die dienen voor de voorvertering van de prooi. Ook ATPases en poteases worden geinjecteerd, deze laatste breken eiwitten af, ATPases verstoren de energiehuishouding.

    In Nederland en België zijn slangenbeten zeldzaam, zeker van de enige giftige soort, de adder. Dodelijke beten zijn in Nederland in de moderne geschiedenis niet bekend, ook niet van gedumpte of ontsnapte soorten. In warmere streken echter zijn giftige slangen soms heel algemeen, en is de kans dat men er een tegenkomt in meer tropische gebieden zeker aanwezig. Vrijwel alle slangen kennen verdedigingsgedrag, er worden sissende geluiden gemaakt en schijnaanvallen uitgevoerd. Sommige giftige soorten hebben daarnaast een ratel (Crotalus) of schuren de zaag-achtige schubben tegen elkaar (Echis of zaagschubadders) waarbij een soortgelijk geluid wordt geproduceerd. Alleen bij deze soorten weet men zeker dat het gaat om een giftige slang.

    Giftige slangen zijn niet over één kam te scheren, slechts een handvol heeft felle kleuren ter afschrikking, maar dit geeft geen uitsluitsel omdat niet-giftige slangen de kleuren en patronen imiteren om er zelf voordeel bij te hebben. De meeste soorten giftige slangen, zoals alle adders en de mamba's, hebben camouflagekleuren en zijn moeilijk te zien.

    [bewerk] Voeding

    De hagedisslang (Malpolon monspessulanus) eet vrijwel uitsluitend hagedissen.
    De hagedisslang (Malpolon monspessulanus) eet vrijwel uitsluitend hagedissen.

    Alle slangen zijn carnivoor, dus vleesetend, de meeste slangen blijven klein en eten kleinere prooien als insecten. Sommige soorten zijn insectivoor omdat ze uitsluitend insecten eten, of leven juist geheel van (naakt)slakken. Soorten als de hagedisslang en de katslang eten enkel en alleen hagedissen. Van sommige soorten, waaronder wurgslangen, is bekend dat ze wel eens bessen of vruchten eten. Ook zijn er soorten die uitsluitend leven van eieren. Een aantal soorten, zoals de koningsslang, is zelfs gespecialiseerd in giftige slangen, en wordt hierdoor zeer gewaardeerd door de lokale bevolking. Grotere soorten eten ook grotere prooien als knaagdieren. Deze hebben vaak scherpe tanden en zullen zich verdedigen en de slang aanvreten. De meeste grotere slangen zijn daarom giftig of kunnen de prooi wurgen waardoor deze snel sterft door verstikking. Een prooi met beharing of veren wordt eerst onderzocht op de groeirichting van de haren of veren, omdat een grote prooi vast kan komen te zitten in de keel als deze verkeerd wordt ingeschat dan kan de slang kan stikken.

    Gifslangen bijten hun prooi en wachten af tot deze dood is, wurgslangen grijpen de prooi met de bek, die voorzien is van vele, naar achter gekromde tandjes, en wikkelen zich om de prooi tot deze gewurgd is.

    Soms kiezen slangen een erg grote prooi uit, er zijn gevallen bekend die een volwassen krokodil hebben verzwolgen. Een slang doet er weken over om een dergelijk grote prooi te verteren. Gedurende deze tijd moet de slang zijn prooi meezeulen, en is veel zwaarder dan normaal. Slangen kunnen de prooi echter ook weer uitbraken als deze te veel last veroorzaakt.

    [bewerk] Vijanden

    Slangen hebben vele vijanden, zoals andere slangen, vogels, zoogdieren en zelfs vissen en amfibieën zijn een gevaar voor slangen. Niet altijd omdat ze de slang opeten, sommige kikkersoorten dragen een voor slangen dodelijk gif.

    Zoogdieren die slangen eten zijn vooral marterachtigen als de wezel, maar ook mangoesten, jakhalzen, dassen, grote katachtigen, primaten en zwijnen eten slangen. Kleine gravende slangen worden ook belaagd door mollen en spitsmuizen. Hoefdieren vertrappen slangen om zichzelf en het kroost te beschermen.

    Reptielen als krokodillen en grote schildpadden grijpen slangen die in het water komen, op het land hebben slangen alleen grote hagedissen als varanen als vijand. Naast eerder genoemde koningsslang is ook de in Europa veel voorkomende gladde slang (Coronella austriaca) een geduchte slangenjager. Slangen die andere soorten eten worden overigens niet gezien als kannibalistisch, omdat het gaat om verschillende soorten.

    Vogels die slangen eten zijn altijd grotere roofvogels. De slangenarend is een voorbeeld van een soort die zich heeft gespecialiseerd in het vangen van slangen.

    De belangrijkste vijand is de mens, doordat grote delen van het leefgebied van slangen zijn aangetast. Vele slangen worden ieder jaar gedood omdat ze gevaarlijk zouden zijn, maar slangen helpen met hun dieet van voornamelijk knaagdieren juist actief de opbrengst van oogsten te verhogen.

    [bewerk] Voortbeweging

    Slangen bewegen zich voort met behulp van de de buikspieren en de ribben. Er zijn verschillende manieren van voortbeweging, afhankelijk van de ondergrond en de steilheid van het terrein. Slangen die over een stevige ondergrond kruipen, bewegen zich vaak met de typische kronkelbeweging waarbij de slang zijn lichaam naar beneden afzet om vooruit te komen.

    Om in bomen te klimmen en in nauwe holletjes te kruipen, gebruikt de slang voornamelijk zijn buikspieren omdat hij niet kan kronkelen. Als de slang kruipt valt op dat het lichaam in dezelfde bocht blijft liggen en de voorliggende kronkels precies volgt.

    Slangen die over rul zand of modder kruipen, maken meer zig-zaggende bewegingen omdat ze het lichaam afzetten tegen de ondergrond. Hierbij moet echter zo veel mogelijk gewicht op zo min mogelijk ondergrond worden gebrukt, omdat de slang anders wegglijdt, een bekend voorbeeld is de sidewinder.

    Enkele slangen zijn in staat om stukjes te zweven, door hun lichaam sterk af te platten en een gekrulde, wokkel-achtige lichaamshouding aan te nemen. Zo kunnen ze zich gecontroleerd van boom naar boom laten zweven.

    [bewerk] Voortplanting

    De meeste slangen zijn eierleggend, maar niet allemaal; een aantal soorten is eierlevendbarend; de jongen komen direct ter wereld, zoals bij de boa's (Boidae). De pythons, die vroeger ook tot de boa's werden gerekend, zijn juist eierleggend. Pythons hebben als bijzonderheid dat de vrouwtjes de eieren 'uitbroeden' door zich eromheen te kronkelen en door te rillen met het lichaam de temperatuur verhogen. Er zijn zelfs soorten die een placenta ontwikkelen, waardoor er sprake is van 'echte' levendbarendheid, een grote uitzondering binnen de reptielen. Het voordeel van (eier)levendbarendheid is dat de soort ook in koelere omgevingen kan overleven. Van de inheemse slangen zijn dan ook twee van de drie soorten slangen levendbarend, de adder en de gladde slang. De ringslang gebruikt de warmte van broeihopen om de eieren tijdig te laten ontwikkelen.

    Alle slangen kennen een inwendige bevruchting, en de mannetjes hebben een hemipenis. Dit is een gepaarde of gevorkte penis zodat ze langs beide zijden contact kunnen maken. Vrouwtjes zijn over het algemeen langer en zwaarder bij de slangen.

    [bewerk] Soorten slangen

    De kop van Ahaetulla nasuta.
    De kop van Ahaetulla nasuta.

    De slangen zijn een onderorde van reptielen en vormen samen met de onderorde hagedissen (Sauria) de orde schubreptielen (Squamata). Net als alle dieren zijn de slangen verdeeld in verschillende groepen, zoals families, superfamilies, onderfamilies en geslachten. Net als bij andere reptielen zijn sommige families veel bekender dan andere. In totaal zijn er 17 families, met als bekendere de boa's, adders, zeeslangen, gifslangen en de in Europa bekende gladde slangen, waartoe de inheemse gladde slang en de ringslang behoren. Families hebben vaak onderfamilies, bekende groepen van bijvoorbeeld de familie adders zijn de ratelslangen (geslacht Crotalus) en de groefkopadders (onderfamilie Crotalinae). Soms veranderen wetenschappers de indeling van de slangen omdat recente ontdekkingen tot nieuwe inzichten leiden over de verwantschappen binnen de onderorde.

    De grootte van de families verschilt sterk, sommige tellen meer dan duizend soorten, twee families tellen slechts een enkele soort. De families zijn weer verdeeld in drie groepen die superfamilies worden genoemd. De eerste groep wordt Typhlopoidea genoemd en omvat drie families van relatief kleine, dunne slangetjes die meestal ondergronds leven en niet giftig zijn. De tweede groep heet Henophidia en bevat 7 families, waaronder de boa's en de pythons. Alle overige Henophidia-families zijn vrij onbekend en bestaan zowel uit op boa's gelijkende soorten als soorten die een totaal andere fysiologie en levenswijze hebben. Sommige families zijn giftig.

    De derde groep wordt met Xenophidia aangeduid en bevat 'de rest'; de zeeslangen, de adders, de wrattenslangen, de gladde slangen en de familie Elapidae, die gifslangen wordt genoemd. Er zijn drie andere slangenfamilies met giftige soorten, de Elapidae worden echter als de gevaarlijkste giftige slangen gezien, voorbeelden zijn de mamba's, de koraalslangen en de cobra's.

    Enkele bekendere groepen slangen zijn onderstaand beschreven.

    [bewerk] Adders

    De adder (Vipera berus) is een giftige slang.
    De adder (Vipera berus) is een giftige slang.

    De adders (Viperidae) zijn zonder uitzondering giftig. Ook de ratelslangen (geslacht Crotalus) en de lanspuntslangen (geslacht Bothrops) behoren tot de adders. Een wat meer ontwikkelde groep zijn de groefkopadders, die een eigen onderfamilie hebben gekregen. Deze adders hebben een groef aan weerszijden van de kop, waarmee zeer nauwkeurig temperatuursverschillen kunnen worden waargenomen, zodat ze in het donker toch kunnen 'zien'.

    [bewerk] Gifslangen

    De gifslangen of Elapidae zijn zonder uitzondering giftig, en omvat onder andere de zeeslangen, cobra's, mamba's en de kraits. Alle gifslangen hebben gifklieren en holle tanden waarmee het gif wordt toegediend.

    [bewerk] Boa's

    Een groene boompython (Morelia viridis) is een wurgslang.
    Een groene boompython (Morelia viridis) is een wurgslang.

    De boa's kunnen erg groot worden, al blijft een aantal soorten klein. Het vaak zijn boombewoners, sommige soorten leven meer in het water. De bekendste voorbeelden hiervan zijn de boa constrictor en de anaconda.

    [bewerk] Zeeslangen

    Zeeslangen (Hydrophiidae) zijn giftig en leven grotendeels in zee, veel soorten hebben een afgeplatte, peddel-achtige staart. Van de zestig soorten leven er twee in zoet water, de rest in zee. Zeeslangen leggen geen eitjes maar zijn eierlevendbarend, en komen levend ter wereld.

    [bewerk] 14-12-2007 om 21:18 geschreven door Thiebout  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (3 Stemmen)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De hamster

    Hamsters

    Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

    Hamsters (Cricetinae) zijn een onderfamilie van de Cricetidae die voorkomt in Azië en Europa waarvan er een aantal als huisdier kan worden gehouden. Hoewel ze soms wel eens hamster worden genoemd, horen cavia's tot een heel andere groep. De hamsters zijn het nauwste verwant aan de Noord-Amerikaanse Neotominae. De bekendste soorten zijn de gewone hamster (Cricetus cricetus), die ook in Nederland en België voorkomt, en de goudhamster (Mesocricetus auratus), die veel als huisdier wordt gehouden.

    Hamsters als huisdier

    Er zijn 5 soorten hamsters die als huisdier worden gehouden. Ten eerste is er de wat grotere Syrische hamster (Mesocricetus auratus), ook wel goudhamster genoemd. De naam goudhamster stamt uit de tijd dat ze slechts in de oorspronkelijke gouden wildkleur voorkwamen. Tegenwoordig bestaan er veel kleurvarianten, waardoor de term Syrische hamster gepaster is. Verder zijn er 4 dwerghamstersoorten: de Russische of Siberische dwerghamster (Phodopus sungorus sungorus), de Campbells dwerghamster (Phodopus sungorus campbelli), de Roborovskihamster (Phodopus roborovskii) en de Chinese dwerghamster (Cricetulus griseus). Laatstgenoemde is een beetje een vreemde eend in de bijt, aangezien deze tot de familie van de ratachtige hamsters behoort. In dierenwinkels treft men voornamelijk Syrische hamsters en Russische dwerghamsters aan, maar Campbells en Roborovski-dwerghamsters winnen aan populariteit. Dwerghamsters zijn zo groot als een fikse muis, erg rond gebouwd, met korte, nauwelijks waarneembare staartjes (m.u.v. de Chinese dwerghamster, die een duidelijk waarneembaar staartje heeft van ongeveer een centimeter) en meestal gemakkelijk te hanteren. Ze leven vooral op steppen, maar ook op landbouwgrond, met name op leemgronden. Een hamster wordt gemiddeld maar anderhalf tot twee jaar oud.

    De meeste hamsters zijn solitaire dieren. Syrische hamsters en Chinese dwerghamsters zijn solitair, dus ook in gevangenschap moeten ze absoluut alleen in een kooi gehouden worden. Meerdere dieren in één kooi leidt tot conflicten met ernstige gevolgen, namelijk de dood van één van beide hamsters. Roborovski dwerghamsters zijn wel groepsdieren en kunnen ook in gevangenschap met meerdere bij elkaar gehouden worden. Toch zijn niet alle Roborovskihamsters gesteld op gezelschap en kan het voorkomen dat ook bij deze soort de hamsters afzonderlijk gehouden moeten worden. Russische dwerghamsters en Campbells dwerghamsters zitten qua gedrag tussen de solitaire en groepsgebonden hamsters in. Soms verdragen ze gezelschap, soms niet. Voor de veiligheid is het aangewezen ze daarom apart te houden. Verschillende soorten kunnen onderling niet samenleven en zullen elkaar proberen uit te moorden.

    Het onderscheiden van hamsters is niet eenvoudig, waardoor verwarring van de geslachten makkelijk optreedt in bv. dierenwinkels. Hamsters geven weinig geur af en in gevangenschap is het aangewezen de kooi wekelijks schoon te maken. Vrouwelijke Syrische hamsters kunnen een wat sterkere geur afscheiden als ze in hun vruchtbare periode zitten, eens in de vier dagen.

    De minimum afmetingen van een hamsterkooi voor een Syrische hamster zijn 60 cm bij 30 cm. Voor een dwerghamster zijn de minumum maten voor een kooi 50 cm bij 30 cm. Grotere afmetingen zijn echter te verkiezen.

    De in dierenwinkels verkrijgbare hamsterwatten, hamsterbed of katoenwatten zijn ongeschikt voor hamsters aangezien de dieren hierin verstrikt kunnen raken en een ledemaat kunnen verliezen of er in kunnen stikken. Een veiliger alternatief voor warme bekleding van het slaapplekje zijn WC-papier of zakdoekjes.

    Voedsel

    Hamsters eten vooral zaden en andere plantaardige voedingsstoffen, maar ook dierlijke eiwitten zijn zeer belangrijk aangezien ze in de natuur ook insecten eten. In de dierenwinkel is hamstervoer verkrijgbaar, maar let daarbij op het eiwitgehalte. Tussen de 15 en 20 procent, meer neigend naar de 20 procent, is ideaal. Ze eten meer bepaald de volgende: pindanoten, zonnebloempitten, af en toe verse sla, bonen, erwten, appels, krenten, noten. Maar het blijft belangrijk om het hoofdvoedsel te geven en niet alleen de vorige opgenoemde zaken. Coprofagie (het eten van eigen ontlasting) komt ook voor bij deze knaagdieren en dient om voedingsstoffen op te nemen die door de microbiële organismen in de dikke darm zijn gemaakt. In de natuur worden hamsters vaak door de vos opgegeten en door de uil.

    Gedrag in gevangenschap

    Hamsters zijn nachtdieren en brengen de dag grotendeels slapend door in een holletje of nestje dat ze in hun kooi van krantensnippers, wc-papier of houtvezel zullen proberen te bouwen, vaak gevoerd met haar. Er zijn ook watten van puur katoen te koop,deze zijn verteerbaar en dus niet schadelijk.

    Hamsters hebben genoeg lichaamsbeweging nodig; hierin kan worden voorzien door een veilig loopwiel. Een veilig loopwiel is aan één zijkant gesloten. Aan deze zijde bevindt zich het draaipunt van het wiel, waarmee het wiel bevestigd is aan de kooi of aan een steun. De andere zijde van een veilig loopwiel is geheel open en kent geen draaipunt. Een onveilig loopwiel heeft aan beide zijden een draaipunt en een spaak. Als een hamster tijdens het hardlopen in een onveilige wiel naar opzij beweegt, krijgt hij een klap van de spaak, soms met de dood tot gevolg. Het loop-oppervlak mag geen spijlen bevatten, maar moet dicht zijn. Dit om te voorkomen dat de hamster uitglijdt en hierdoor klem komt te zitten tussen de spijlen.

    Het begrip hamsteren is waarschijnlijk ontstaan doordat hamsters voorraadjes aanleggen, vaak zelfs al gedurende het eten in hun wangzakken. Dat voedsel brengen ze dan naar hun slaapplaats, waar ze het begraven en later opeten. Je kan ook voorkomen dat ze gaan hamsteren door te wachten met hun eten te vernieuwen totdat ze alles op hebben. Anders eten ze al het lekkere er eerst uit en gaan dan de stukjes voer die ze niet lusten "verstoppen".

    Geslachten

    De onderfamilie omvat de volgende geslachten:


    Wikibooks Wikibooks heeft een huisdierengids over dit onderwerp: Hamster

    lichaam

    Op deze pagina vind je allerlei informatie over het lichaam. Zoals het gebit, de wangzakken en meer. Als je meer wilt weten over de zintuigen, kijk hier

    Het gebit
    Het gebit is erg krachtig en bestaat uit 16 tanden. 6 kiezen en 2 snijtanden per 'wang'. De snijtanden zijn nooit uitgegroeid en het is daarom erg belangrijk om te zorgen dat ze voldoende afslijten. Kijk daarbij hier .
    De wangzakken
    De wangzakken zijn een soort huidzakken die bij de lippen beginnen en tot de schouders doorlopen. Ze zijn erg belangrijk voor de hamster, omdat de wangzakken als transport dienen voor het voedsel. Ze zijn erg groot. Er kan ongeveer 18 gram in. Met strijkende bewegingen haalt de hamster het eten er weer uit.
    De wangzakken hebben ook een andere functie. Als een hamster zich bedreigt voelt en groot wil lijken kan hij zijn wangzakken vol met lucht blazen. Daardoor lijkt hij dan veel groter.
    een hamster
    De tenen en poten
    De (voor)poten van een hamster zijn erg krachtig. De voorpoten hebben vier tenen en een klein duimpje. De achterpoten hebben vijf tenen.
    De maag
    De maag van de hamster bestaat uit twee 'kamers'. De voormaag en de hoofd- of kliermaag. In de voormaag wordt het voedsel voorverteerd en daarna in de andere maag volledig verteerd.
    De vacht
    De vacht is erg belangrijk voor de hamster. De Syrische hamster is een woestijn- of steppedier en de vacht zorgt voor de isolatie tegen kou en hitte.
    Wist je dat?
    • De hersenen van een hamster nog geen 1,5 gram wegen?
    • Hoe sneller de biologische klok, hoe langer de hamster leeft? Lees meer
    • Op deze website je 2 interessante plaatjes kunt vinden over de anatomie van de hamster?
    Enkele gegevens
    Polsfrequentie 250-500
    Ademhalingsfreq./min 33-135
    Levensduur 2-2,5


    een hamster

    14-12-2007 om 21:14 geschreven door Thiebout  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (7 Stemmen)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De tijger

    Tijger

    Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

    Ga naar: navigatie, zoeken
     zie tijger (astrologie) voor het teken van de Chinese dierenriem.

    De tijger (Panthera tigris) is een zoogdier dat tot de familie der katachtigen (Felidae) behoort, een van de vier 'grote katten' die tot het geslacht Panthera behoren. Tijgers zijn jagende roofdieren.

    De meeste tijgers wonen in het bos (waarvoor hun camouflagestrepen geschikt zijn) en in grasland. Van de grote katten zijn de tijger en de jaguar goede zwemmers; tijgers kunnen vaak badend in vijvers, meren en rivieren worden aangetroffen.

    Tijgers jagen solitair. Hun dieet bestaat voornamelijk uit middelgrote planteneters, vooral hoefdieren, maar als de omstandigheden dat voorschrijven, jagen ze ook op grotere prooien. Het is geen sociaal dier: de enige groepen bestaan uit moeder en welpen.

    De tijger is een bedreigde diersoort die verspreid over Azië voorkomt. De enorme teruggang in aantal moet worden toegeschreven aan het steeds verder oprukken van de mens. Veel rustige natuurgebieden zijn daardoor verloren gegaan, terwijl de tijger een groot leefgebied nodig heeft. Verder is steeds minder groot wild voorhanden. En bovendien is de tijger vanwege zijn fraaie huid al meedogenloos vervolgd.Ook zijn botten worden gebruikt. Andere doelen zijn lichaamsdelen voor medicijnen.

    [bewerk] Ondersoorten

    Tegenwoordig leven er nog zes verschillende ondersoorten:

    Drie ondersoorten zijn recent uitgestorven:

    Er zijn nog veel geruchten dat de Javaanse tijger nog steeds voorkomt op Java. Tijdens de bosbranden van 1997 zouden er vier zijn gezien, maar dat is niet bevestigd.

    Er zijn ook enkele fossiele ondersoorten bekend.

    Deze indeling is op basis van uiterlijke en morfometrische kenmerken en verspreidingsgebied. Volgens DNA-onderzoek zijn de Kaspische tijger (P. t. virgata) en Javaanse tijger (P. t. sondaica) geen aparte ondersoorten. Volgens analyse van het mitochondriaal DNA van tijgers blijkt dat alle ondersoorten afstammen van een gemeenschappelijke voorouder die 72.000 tot 108.000 jaar geleden leefde. In 2006 werden de Sumatraanse en de Javaanse tijger (met de Balinese tijger als een ondersoort) tot aparte soorten verklaard op basis van sterke verschillen in de vorm en de verhoudingen van de schedel. Het is echter nog niet duidelijk of andere specialisten dit zullen volgen.

    [bewerk] Gebrul en gehoor

    Tijgers blijken infrageluid te produceren om rivalen uit hun territorium te verdrijven en om partners aan te trekken. Deze ontdekking, van Ed Walsh en een aantal collega's, uit Omaha (Nebraska) in 2003, verklaart wellicht hoe tijgers een groot territorium voor zichzelf in stand houden om te jagen. Tijgers produceren een veelheid aan geluiden, diep gebrul en gegrom, maar ook een schraapgeluid (soort van spinnen) dat ze gebruiken om elkaar te begroeten. Een brul gevolgd door een grom wordt schijnbaar gebruikt om rivalen af te schrikken.

    Uit het onderzoek blijkt dat het geluid dat tijgers produceren veel lage frequenties bevat. Lage frequenties dragen in de buitenlucht veel verder dan hoge frequenties, zelfs in de dichte bosgebieden waar de tijgers leven. Men beweert, maar dit is volgens Walsh niet bewezen, dat het geluid tot 8 kilometer ver hoorbaar kan zijn.

    De meeste geluidsenergie wordt door tijgers gemaakt rond 300 Hz, met componenten daaronder tot zelfs onder 20 Hz. Dat de tijgers dit lage geluid ook zelf kunnen horen is door Walsh aangetoond. Hij bracht Siberische, Sumatraanse en Bengaalse tijgers onder narcose. Door het meten van de hersenactiviteit bleek dat tijgers het gevoeligst zijn voor geluid bij 500 Hz. (Bij mensen ligt de maximale gevoeligheid van het oor tussen 1000 en 2000 Hz).

    De onderzoekers willen nu proberen of er van het geluid van de tijgers in het wild een akoestische vingerafdruk gemaakt kan worden, waarmee individuele tijgers gevolgd kunnen worden. Dit zou zinvol zijn voor het tellen van deze bedreigde dieren in het wild. Dierenoppassers uit dierentuinen kunnen hun tijgers aan het geluid dat ze maken herkennen.

    [bewerk] Tijgers in de literatuur

    Tiger! Tiger! Burning bright
    In the forests of the night,
    What immortal hand or eye
    Could frame thy fearful symmetry?
    William Blake, The Tiger, Songs of Experience

    De tijger heeft vaak tot de menselijke verbeelding weten te spreken. Rudyard Kipling in The Jungle Books en William Blake in zijn Songs of Experience schilderden de tijger als een wild, angstaanjagend beest af. In The Jungle Books is Shere Khan de grootste, maar ook de gevaarlijkste vijand van Mowgli, de ongekroonde koning van de jungle. Ook in het grotendeels schattige Casper en Hobbes van Bill Watterson ontsnapt Hobbes soms aan zijn rol van knuffelbeest. Aan de andere kant van de schaal heb je Teigetje, uit A.A. Milne's Winnie de Poeh, die nooit angst aanjaagt en altijd vrolijk is.

    14-12-2007 om 17:56 geschreven door Thiebout  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (8 Stemmen)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De leeuw

    Leeuw (dier)

    Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

    Ga naar: navigatie, zoeken

    De leeuw (Panthera leo) is een groot roofdier uit de familie der katachtigen (Felidae). Van alle katachtigen is enkel de tijger groter. De grootte en de manen van het mannetje geven het dier een imposant uiterlijk, waardoor de leeuw in grote delen van de wereld bekend staat als de koning der dieren. In Europa heeft hij deze rol overigens pas in de loop van de Middeleeuwen overgenomen van de bruine beer.

    De leeuw is vaak onderwerp van folklore en symboliek geweest. Zo staat de leeuw afgebeeld in de wapens van verscheidene landen, streken en steden, waaronder Nederland en Vlaanderen. De leeuw in het wapen van Nederland is een afbeelding van de Kaapse leeuw, een uitgestorven ondersoort van de leeuw. Een opgezet exemplaar van deze opmerkelijk slanke leeuwensoort wordt bewaard in de schatkamer van het Leidse museum Naturalis.

    De leeuw komt nog in bepaalde delen van Afrika voor en in een klein stukje van India, maar vroeger was hij ook algemeen in het Midden-Oosten en in Zuidoost-Europa. Hoewel het mannetje er met zijn manen heel indrukwekkend uitziet doen de vrouwtjes het meeste werk bij de jacht. Leeuwen leven in groepsverband (de enige katachtige die voornamelijk in sociale groepen leeft) en leeuwinnen gaan in de regel samen op jacht.

    Inhoud

    [verbergen]

    [bewerk] Taxonomie

    Over het algemeen worden er twee ondersoorten onderscheiden:

    • Afrikaanse leeuw (Panthera leo leo)
    • Perzische leeuw of Aziatische leeuw (Panthera leo persica)

    De Afrikaanse leeuw wordt soms gesplitst in meerdere ondersoorten. Aangenomen wordt dat twee van deze ondersoorten zijn uitgestorven, namelijk de Berberleeuw (Panthera leo leo) uit Marokko en Noord-Algerije en de Kaapse leeuw (Panthera leo melanochaita) uit Zuid-Afrika. In dierentuinen, zoals de Port Lympne Zoo, werden echter leeuwen ontdekt die vermoedelijk berberleeuwen zijn. De manen van het mannetje liepen door tot ver onder hun buik, en de koppen van de leeuwen waren vierkanter dan andere leeuwen. Dit zijn specifieke kenmerken van berberleeuwen.

    [bewerk] Kenmerken

    De leeuw is een grote katachtige met een brede kop, een korte snuit en relatief kleine, ronde oren. Hij heeft een kortharige asgrijze of zandgele vacht (maar variërend van okerbruin tot bijna wit) en een donker kwastje aan het puntje van de staart. Over de vacht verspreid liggen vage vlekken, die vooral bij jongere dieren goed te zien zijn. De vlekken vervagen naarmate het dier ouder wordt en zullen meestal uiteindelijk verdwijnen. De meeste mannetjes hebben dichte zwarte, bruine of gele manen met een variërende lengte op de kop, hals en schouders. Bij de nu uitgestorven ondersoorten uit Noord-Afrika en de Kaap liep de maan als een franje over de buik. Het duurt meestal een jaar of zes eer de maan goed ontwikkeld is. Wijfjes zijn kleiner en hebben geen manen.

    De staart is tussen de 60 en 100 cm lang en de schouderhoogte is 100 tot 128 cm. Mannetjes zijn groter dan vrouwtjes. Het mannetje heeft een kop-romplengte van 172 tot 300 cm en een lichaamsgewicht van 150 tot 280 kg, het vrouwtje een kop-romplengte van 140 tot 192 cm en een lichaamsgewicht van 100 tot 182 kg. De leeuw lijkt anatomisch sterk op de tijger, hoewel de vacht, leefomgeving en manier van leven anders is.

    [bewerk] Leefwijze

    De leeuw is de enige katachtige die een sociale in plaats van een solitaire leefwijze heeft. Hij leeft gewoonlijk in groepen met een variërende samenstelling, maar bestaat meestal uit gemiddeld vijf volwassen vrouwtjes (twee tot twintig), één of twee volwassen mannetjes (tot acht) en hun jongen en onvolwassen nakomelingen. Soms bestaat een groep uit meer dan 30 leeuwen. Meestal bewegen de dieren zich los van elkaar of in kleinere groepen. Als dieren uit dezelfde groep elkaar tegenkomen, volgt een ritueel van wrijven, likken en spinnen. Vreemde leeuwen, zowel mannetjes als vrouwtjes, worden meestal weggejaagd. Leeuwinnen blijven hun hele leven bij dezelfde groep, mannetjes meestal niet meer dan drie of vier jaar. Mannetjes die niet bij een groep horen, leven een zwervend bestaan, alleen of met andere mannetjes. Door dit zwervende bestaan worden mannetjes in de regel minder oud dan vrouwtjes.

    De groep heeft meestal een vast territorium. In de Serengeti volgen ze echter meestal de grote trekkende kudden gnoes, zebra's en gazellen.

    Leeuwen rusten een groot deel van de dag
    Leeuwen rusten een groot deel van de dag

    De leeuw is het grootste deel van de dag inactief. Soms ligt hij tot twintig uur per dag te rusten in de schaduw, en is hij enkel actief om te jagen. De leeuw voedt zich voornamelijk met prooidieren tussen de 50 en 300 kg, maar als deze niet in de buurt zijn gaat hij af op kleinere en grotere dieren, tussen de vijftien en duizend kg. Het zijn vooral de vrouwtjes die jagen; 80% van al het voedsel binnen een groep is gevangen door vrouwtjes. Mannetjes zijn echter ook in staat om een prooi te doden.

    De leeuw jaagt alleen, in paartjes of in grotere groepen. Hoe groter de jachtgroep, hoe groter het gevangen dier. Een groep leeuwen jaagt voornamelijk op antilopen, zebra's, kafferbuffels, herten (in India) en andere grote herbivoren. Ze lokken de prooi in een val door deze op te jagen naar een plek waar een aantal andere leeuwinnen klaar staan om de prooi te vangen. De prooi wordt eerst beslopen, waarna het dier met een snelle sprint aanvalt. Bij de aanval kan de leeuw snelheden bereiken van 60 km/u. Grotere prooidieren worden gewurgd, terwijl kleinere dieren worden gedood door te bijten in de kop, nek of borst.

    Leewin met een buffel
    Leewin met een buffel

    Als een grote prooi gevangen is, wordt de hiërarchie binnen een leeuwengroep zichtbaar. De volwassen mannetjes mogen eerst eten. Als hij is uitgegeten mogen de leeuwinnen en de welpen de resten. Een leeuw eet ook aas en steelt soms voedsel van andere dieren, als hyena's, luipaarden en jachtluipaarden. De leeuw valt normaal gesproken geen mensen aan. Zieke of gewonde dieren nemen genoegen met vrij kleine prooidieren, als ratten, hagedissen, vissen of zelfs noten.

    Als de leider(s) van een groep wordt uitgedaagd door een of meerdere rondzwervend mannetjes, gaat hij het gevecht aan om de leider te blijven. Soms gebeurt dit ook door mannelijke welpen die groot zijn geworden. Dominante leeuwen en uitdagers zijn meestal tussen de vijf en tien jaar oud. De verliezer moet de groep verlaten en de winnaar wordt of blijft de leider. Als er een nieuwe leider is, zal deze eerst alle welpen die op dat moment leven, doden. Zo zorgt hij ervoor dat de vrouwtjes weer vruchtbaar worden (vrouwtjes zijn vruchtbaar zolang ze geen jongen hebben) en kan hij zich voortplanten.

    Er is geen vaste paartijd. Het komt wel geregeld voor dat leeuwinnen binnen een groep gelijktijdig in oestrus raken, waardoor meestal meerdere jongen tegelijkertijd worden geboren. Vrouwtjes zogen ook de welpen van andere vrouwtjes. De sterfte onder welpen is vrij groot, mede doordat nieuwe mannetjes welpen doden en doordat zwakkere welpen meestal aan hun lot worden overgelaten.

    Na een draagtijd van honderd dagen worden twee tot zes jongen geboren op een schuilplaats tussen lang gras, in dicht struikgewas of tussen rotsen. De welpen zijn bij de geboorte blind: de ogen gaan na drie tot elf dagen open. Na een maand gaan ze zich meer bewegen en na twee maanden vergezellen ze volwassen dieren tijdens de jacht. De zoogtijd duurt ongeveer acht maanden. Na 18 maanden zijn ze onafhankelijk en na vijf jaar volgroeid.

    De leeuw heeft een luide brul. De brul van het mannetje is luider dan die van het vrouwtje. Vooral 's nachts laten ze een luide brul horen, die soms tot op een afstand van acht km te horen is. Met de brul houdt de leeuw contact met andere groepsgenoten: hij geeft zijn aanwezigheid en positie aan, en mogelijk ook zijn status binnen de groep.

    [bewerk] Verspreiding en leefgebied

    Leeuwen wonen in de open savannen, grasvlakten, struikgebieden, halfwoestijnen en licht beboste streken van Afrika ten zuiden van de Sahara. Het is hier het grootste roofdier. Een geïsoleerde populatie van Perzische leeuwen leeft in het Gir Forest National Park in India.

    In vroege historische tijden strekte het leefgebied van de leeuw zich uit over Eurazië van Oost-Europa tot India en kwamen ze voor in geheel Afrika, met uitzondering van de dichte wouden en droge woestijnen. Vanaf de 2e eeuw na Christus zijn de dieren uit Europa verdwenen en rond 1900 werd de leeuw uitgeroeid in Noordwest-Afrika en de Kaap. Zij zijn nu slechts talrijk in Centraal- en Oost-Afrika, hoewel hun aantal zelfs daar sterk achteruitgaat. De leeuw heeft vooral te lijden onder de jacht: doordat leeuwen ook vee doden, worden ze als schadelijk beschouwd. In het begin van de 20e eeuw werden een paar leeuwenparen in India gesignaleerd. Ze werden daar beschermd en gebruikt als toeristische attractie. Deze groep bestond in 1955 uit 270 leeuwen, en staat sinds die tijd onder bescherming. Tegenwoordig leven er nog ongeveer 350 Aziatische leeuwen in het Gir Nationaal Park en zijn er plannen een tweede populatie op te bouwen in het Palpur-Kuno reservaat.

    [bewerk] Fotogalerij

    14-12-2007 om 17:55 geschreven door Thiebout  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (5 Stemmen)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De schildpad

    Schildpadden

    Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

     

    Schildpadden (Testudines) zijn een orde van reptielen. Schildpadden komen over de hele wereld voor, behalve in al te koude streken zoals de Noord- en Zuidpool. Ook in zeer hete woestijnen zonder schuilplaatsen en begroeiing komen geen schildpadden voor. Schildpadden zijn zoals alle reptielen koudbloedig, dus afhankelijk van de omgevingstemperatuur. De meeste soorten leven in Azië en Afrika, maar ook in Noord- en Zuid-Amerika en in Europa leven veel soorten. Ze zijn te vinden in vrijwel alle mogelijke biotopen, van schrale gebieden als savannen en halfwoestijnen tot in bossen, graslanden en moerassen. Er zijn ongeveer 275 verschillende soorten schildpadden, waarvan er vele tientallen zeer ernstig bedreigd zijn.

    De meeste soorten leven in zoetwater in moerassige gebieden, en komen regelmatig op het land om te eten en te zonnen, maar blijven bij water in de buurt om er in te vluchten bij gevaar en om te rusten. De zeeschildpadden leven permanent in de wereldzeeën, ook sommige moerasschildpadden komen wel eens in brakwater voor, maar alleen langs de kust en in mangrovebossen, niet op open zee. Veel schildpadden zijn goede zwemmers die oppervlaktewater als schuilplaats hebben. Sommige soorten, zoals de weekschildpadden, zijn zo sterk op water aangepast dat ze zelden het land betreden. Er zijn echter ook soorten die direct verdrinken in te diep water, met name landschildpadden.

    In Nederland leefde ooit de Europese moerasschildpad (Emys orbicularis), maar deze is al lange tijd verdwenen. Tegenwoordig komen in Nederland geen schildpadden voor behalve enkele losgelaten of ontsnapte ex-huisdieren. Deze exemplaren kunnen zich wel in leven houden maar zich niet in te noordelijk gelegen landen voortplanten. Dat komt omdat de omdat de temperaturen te laag zijn om de eitjes te laten uitkomen. Ook is er gebleken dat deze exoten geen groot gevaar voor de inheemse flora en fauna zijn. Veel van deze dieren zullen namelijk vroegtijdig sterven door omstandigheden die afwijken van die in het natuurlijke leefgebied, zoals de in Nederland relatief strenge winters. Soorten die in Nederland zijn aangetroffen zijn de roodwang(sier)schildpad, de zaagrugschildpad, de geelwangschildpad en de bijtschildpad.

    Ontstaan van de schildpadden

    Schildpadden zijn vermoedelijk 200 tot 300 miljoen jaar geleden ontstaan, maar wanneer precies is niet geheel duidelijk. Ze ontstonden vermoedelijk in het vroeg-Trias en leefden al toen er nog dinosauriërs rondliepen. Schildpadden stammen waarschijnlijk af van de Anapsida, grote en logge reptielen met een grote schedel en een bepantserde rug. Deze reptielen zagen er monsterlijk uit, maar leefden waarschijnlijk vegetarisch en waren slome grazers. De groep heeft zich al vroeg van de andere reptielen afgesplitst, waardoor schildpadden niet verwant zijn aan moderne groepen van reptielen, dit uit zich ook in de totaal andere bouw en levenswijze van de schildpadden.
    De reden van de vermeende afstamming is het feit dat ze een gelijkende schedel hebben, zonder openingen achter de ogen. Sommige biologen menen dat schildpadden afstammen van de Diapsida, die echter meestal twee openingen hebben.

    Bouw

    Schildpadden hebben een stevig schild, bestaande uit een platte onderzijde, buikschild of plastron genoemd, en een meestal bolle bovenzijde, het rugschild of carapax. Deze twee delen staan in verbinding met een benen brug. Het schild bestaat uit de vergroeide ribben van de schildpad en is verstevigd met hoornplaten die tegen elkaar aan liggen. Een schildpad heeft dus zowel een inwendig als een uitwendig skelet. Bij schildpadden is de vorm en kleur van het schild, en met name de hoornplaten, een belangrijk kenmerk omdat deze bij iedere soort anders zijn. Een landbewonende schildpad heeft een bolvormig schild, en een aan water gebonden schildpad heeft een plat schild om beter te kunnen zwemmen.

    Onderdelen van het carapax (scutum, mv. scuta).
    Onderdelen van het carapax (scutum, mv. scuta).

    Een schildpad heeft ook vier poten, meestal met scherpe nagels om zich op het land te hijsen. De poten zijn bij waterminnende soorten sterk peddel-achtig afgeplat en bij landbewonende soorten juist rond om stevig op te kunnen staan. Grotere soorten landschildpadden kunnen namelijk honderden kilo's wegen en slepen zich langzaam voort op de buik.

    De kop van schildpadden is relatief groot en kan meestal worden teruggetrokken onder het schild. Dit is niet bij alle soorten het geval, en de schildpadden zijn zelfs verdeeld in twee groepen. Schildpadden die de kop direct onder het schild terugtrekken, behoren tot de Cryptodira of halsbergers. Een uitzondering is de familie bijtschildpadden; deze hebben een te grote kop om terug te trekken. De andere groep schildpadden heeft een lange nek en vouwt deze samen met de kop letterlijk onder de schildrand, deze families behoren tot de Pleurodira of halswenders. De lange nek van de laatste groep heeft als voordeel dat de schildpad in wat dieper water kan leven.

    Tenslotte heeft een schildpad ook een staart, zij het niet een hele grote. De staart heeft namelijk geen echte functie meer; een schildpad kan niet snel rennen als een hagedis, die de staart gebruikt als balans. Ook bij het zwemmen is de staart nutteloos, in tegenstelling tot een krokodil die zijn staart als peddel en roer gebruikt.

    Mannetjes en vrouwtjes hebben vaak wat afwijkende kenmerken die echter niet altijd goed te zien zijn. Mannelijke schildpadden blijven over het algemeen kleiner dan vrouwtjes, hoewel dat niet voor alle soorten opgaat. Andere geslachtsonderscheidende kenmerken die voor veruit de meeste soorten gelden zijn;

    • Mannetjes hebben een dikkere en langere staart, sommige soorten hebben sporen.
    • Mannetjes hebben een soort kuil in het buikschild, vrouwtjes een plat buikschild; zo kan het mannetje op het vrouwtje klimmen bij de paring, met een plat buikschild zou hij eraf glijden.
    • Mannetjes hebben langere nagels; ook dit dient om beter op een vrouwtje te klimmen bij de paring.

    Voedsel, vijanden en verdediging

    Vrijwel alle schildpadden eten voor een belangrijk deel planten en soms ook aas, een aantal soorten jaagt actief op prooien. Vooral jongere exemplaren leven vaak van slakken en kleine kreeftachtigen omdat ze nog moeten groeien. Schildpadden hebben een zeer goed ontwikkeld spijsverteringsstelsel, waardoor sommige soorten alleen van gedroogde grassen kunnen leven.

    Jonge schildpadden hebben nog niet zo'n hard schild en worden door van alles belaagd: slangen, hagedissen, en zelfs niet-rovende vogels als meeuwen pikken er graag eentje uit het water. Vijanden van volwassen schildpadden zijn met name krokodilachtigen, grote rovende vissen en sommige roofvogels. Omdat roofvogels met hun klauwen het schild niet kunnen openbreken pakken ze het dier op en laten de schildpad van grote hoogte vallen zodat deze te pletter slaat. De Griekse dichter Aischylos zou aan zijn einde zijn gekomen door een vallende schildpad.

    Schildpadden zijn niet snel maar wel creatief als het gaat om verdediging; vrijwel alle soorten kunnen de kop, poten en staart terugtrekken onder het schild. De doosschildpadden uit de geslachten Cuora en Terrapene (overigens geen familie van elkaar), hebben een scharnierend buikschild dat ingeklapt kan worden en zo de openingen in het schild zowel aan de voor- als achterzijde afsluit; de schildpad zit er helemaal in. Ook de klepschildpadden kennen een dergelijk trucje, bij deze soorten kan echter de achterzijde van het rugschild omlaag worden geklapt en worden de staart en achterpoten beschermd, zoals de getande klepschildpad (Kinixys erosa).

    Een aantal schildpadden heeft een klier bij de anus die een smerig ruikende, muskus-achtige stof produceert, die wordt uitgescheiden als de schildpad wordt opgepakt. Naast scharnierende kleppen en smerige geuren hebben de meeste soorten schildpadden ook nog een scherpe bek (schildpadden hebben geen tanden) en stevige kaakspieren waarmee een beet kan worden uitgedeeld die men nog lang zal heugen.

    Uitklappen
    Afbeeldingen: voedsel, vijanden en verdediging

    Voortplanting

    Paring van de helmschildpad (Testudo marginata)
    Paring van de helmschildpad (Testudo marginata)
    Een net uit het ei gekropen schildpad; de buikplaten zijn nog niet vergroeid en de eitand is nog te zien.
    Een net uit het ei gekropen schildpad; de buikplaten zijn nog niet vergroeid en de eitand is nog te zien.

    Schildpadden zijn zonder uitzondering ovipaar, ofwel eierleggend. Grotere soorten hebben meer ronde eieren, kleinere soorten meer langwerpige, en alle eieren zijn wit tot witgeel van kleur. Opmerkelijk is dat veel soorten schildpadden geen geslachtschromosomen hebben; het geslacht wordt bepaald door de omgevingstemperatuur. Een lagere temperatuur zorgt voor een mannetje, een hogere voor een vrouwtje, dit wordt TSD (Temperature Sex Determination) genoemd. Schildpaddeneitjes worden meestal op het land gelegd omdat de embryo's zuurstof nodig hebben en dit niet uit het water kunnen onttrekken. Er zijn echter uitzonderingen hierop, zo legt Chelodina rugosa de eieren onder water van uitdrogende waterpoelen. Andere eieren komen juist uit onder water. Een voorbeeld hiervan is de Guinese tweeklauw (Carettochelys insculpta). Hierdoor komen de eieren uit tijdens de regentijd.

    Veel soorten zeeschildpadden trekken ieder jaar naar bepaalde stranden om daar de eitjes af te zetten. Dit wordt ook wel arribada genoemd. Dit zijn altijd dezelfde stranden, en omdat de dieren erg strikt zijn is goed te voorspellen wanneer ze weer aan land komen. In sommige streken worden de eitjes gezien als een delicatesse en worden ze geraapt voor consumptie. De eitjes van schildpadden zijn wel eetbaar, maar worden van binnen niet hard na het koken, zoals bij een kippenei. Dit komt omdat er andere eiwitten in het ei zitten dan bij vogeleieren. Ook de schaal van het ei is minder hard dan die van een vogelei. De meeste soorten schildpadden hebben een zogenaamde eitand, die alleen dient om het ei te openen en daarna afbreekt. Eieren kunnen zowel hard als zachtschalig zijn, dit is afhankelijk van de soort. Bij zeeschildpadden verlaten de jonge dieren gelijktijdig het nest om zo de overlevingskansen te vergroten, dit is echter niet bij alle soorten zo. Ook is bekend dat de juvenielen van Chrysemys picta in het ei kunnen overwinteren.

    Schildpadden doen er erg lang over om volwassen te worden en zich voort te planten. Hierdoor zijn schildpadden relatief kwetsbaar. Zeeschildpadden hebben grote legsels terwijl andere soorten (bijvoorbeeld Homopus, Pyxis) maar een ei per keer leggen. Beide tactieken dienen om het jong zoveel mogelijk overlevingskansen te bieden.

     Ademhaling

    Schildpadden hebben longen en moeten regelmatig ademhalen, veel soorten hebben hiertoe een lange nek of verlengde neus. Hoewel vrijwel alle soorten goed kunnen zwemmen, houden maar weinig schildpadden dat lang vol; in te diep water kan een schildpad verdrinken. Enkele Australische soorten hebben openingen bij de cloaca die zuurstofopnemende cellen bevatten, maar de efficiëntie daarvan is niet geheel duidelijk.

    Soorten schildpadden

    Er zijn ongeveer 300 verschillende soorten schildpadden, en meer dan 450 ondersoorten. Zie ook de lijst van schildpadden voor de verschillende soorten. Van sommige soorten zijn de ondersoorten juist bekender, de roodwangschildpad en de geelwangschildpad bijvoorbeeld zijn twee ondersoorten van dezelfde soort. De verschillende soorten zijn weer ingedeeld in families, die uiterlijk sterk in vorm, grootte en kleuren verschillen, maar allemaal wel als schildpad herkenbaar zijn. Een aantal families is relatief onbekend, sommige families zijn wel wat bekender zoals de weekschildpadden met hun zachte schild en de landschildpadden die soms heel groot worden. Enkele families zijn:

     Moerasschildpadden

    De bekendste soorten schildpadden zijn de moerasschildpadden (Emydidae), omdat ze zo algemeen zijn en vrijwel overal voorkomen. Vrijwel alle in de normale dierenwinkel verkochte soorten zijn moerasschildpadden. De meeste soorten eten zowel planten als kleine dieren en ook aas.

    Landschildpadden

    De soorten uit de familie Testudinidae of landschildpadden spreken het meest tot de verbeelding. Zo kunnen ze honderden kilo's wegen, en meer dan 100 jaar oud worden. Er zijn exemplaren geweest die minstens 150 jaar oud waren en de recordhouder is Adwaitya, een Aldabra-reuzenschildpad die 255 jaar oud werd. Deze overleed in 2006 en volgens sommige onbevestigde bronnen was deze schildpad in 1706 geboren en zou daarom een leeftijd van 300 hebben bereikt. Een 175 jaar oud exemplaar werd Harriet genoemd, en was een Galápagosreuzenschildpad (Geochelone nigra). Een landschildpad kan niet meer dan 4,57 meter per minuut (0,27km/uur) afleggen.

    Zeeschildpadden

    De zeeschildpadden of Cheloniidae leven in zee, en voeden zich met kreeftachtigen, kwallen en andere zeedieren en -planten. Veel soorten worden gevangen om het vlees, de soepschildpad was ooit zelfs bijna uitgestorven. Ook de lederschildpad is een in zee levende schildpad, maar vanwege onder andere een totaal andere bouw behoort deze soort tot een andere familie, de lederschildpadden. Ook de eileg is een hele toer; de eitjes worden door mensen vaak illegaal geraapt. Ook als dat niet gebeurt, zijn de jonge zeeschildpadjes niet veilig. Ieder jaar rond dezelfde tijd, als de eitjes uitkomen, verzamelen allerlei dieren zich bij het strand om de naar de zee rennende jonge schildpadjes te 'verwelkomen'; veruit het grootste deel overleeft de eerste 24 uur niet. Aan de andere kant betekent de jaarlijkse massale schildpaddeninvasie een belangrijke voedselbron voor andere diersoorten.

    Bedreigingen door de mens

    Er zijn tegenwoordig ongeveer 300 soorten schildpadden. Met een aantal daarvan gaat het niet zo goed, voornamelijk door toedoen van de mens. Veel schildpadsoorten worden zelfs met uitsterven bedreigd vanwege hun smakelijke vlees (bijvoorbeeld de soepschildpad), vervuiling, habitatvernietiging en klimaatsverandering. Een groot probleem is de Chinese voedselmarkt en het rotsvaste geloof in alternatieve medicijnen. Schildpadden zoals de driestreep waterdoosschildpad (Cuora trifasciata) worden door de Chinezen een heilzame werking toebedeeld, mogelijk zelfs tegen kanker en potentieverhogend. Uit onderzoek is gebleken dat deze veronderstellingen onjuist zijn. Desondanks worden er vanuit de hele wereld dieren in grote hoeveelheden gevangen en verscheept naar de Chinese voedselmarkten om aan de vraag te voldoen. Helaas gaat dit ook gepaard met illegale vangst en handel, omdat juist de zeldzaamste (illegaalste) dieren het duurst zijn. Door de prijs en de opkomende Chinese economie zijn schildpadden een luxe artikel geworden en worden meer en meer gegeten als delicatesse in plaats van uit voedselgebrek. Deze problematiek wordt ook wel de Asian Turtle Crisis genoemd. Het grootste probleem is dat wanneer de import van een schildpadsoort verboden wordt, deze soort enorm in prijs omhoog schiet, en bovendien andere soorten er de dupe van worden omdat deze nu als alternatief worden gezien. Het feit dat de driestreep waterdoosschildpad nu in de problemen zit, is waarschijnlijk het gevolg van het langzaam verdwijnen van een andere soort, de Ambonese doosschildpad (Cuora amboinensis).

     Schildpadden in gevangenschap

    De roodwangschildpad was tot voor kort een populair huisdier.
    De roodwangschildpad was tot voor kort een populair huisdier.

    Aan de andere kant worden er steeds meer schildpadden in gevangenschap gekweekt en succesvol gehouden. De particuliere sector wordt soms gezien als een grote bedreiging voor schildpadden. Inmiddels blijkt dat deze sector een grote bijdrage levert aan het behoud van diersoorten en er een ex-situ backup populatie ontstaat. De handel in schildpadden wordt internationaal geregeld door afspraken, welke staan in de CITES (Convention on International Trade in Endangered Species of Wild Flora and Fauna).

    Taxonomie

    De orde schildpadden bestaat uit twee onderorde's en verschillende families. Niet alle families worden als zodanig erkend en soms worden juist onderfamilies als familie beschouwd. Onderstaand de families, in de uitklapbox onderaan staan ook de hogere en lagere groepen tot op geslachtsniveau.

    Zie voor een meer volledige indeling ook de taxonomie van de schildpadden.

    14-12-2007 om 17:47 geschreven door Mathias  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (3 Stemmen)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De giraf

    Giraffe (dier)

    Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

    (Doorverwezen vanaf Giraf)
    Ga naar: navigatie, zoeken

    De giraffe of giraf (Giraffa camelopardalis) is een opvallend zoogdier, met een zeer lange nek en lange en slanke poten. Het is het hoogste dier ter wereld: een volwassen giraffe kan een hoogte van rond de vijf meter bereiken. De giraffe is nauw verwant aan de okapi. Samen vormen ze de familie Giraffidae.

    Inhoud

     Kenmerken

    De giraffe is onmiskenbaar door de lange nek, het schuin aflopende lichaam en de lange poten. Ondanks de lange nek heeft de giraf, evenals de meeste andere zoogdieren, slechts zeven, zeer lange halswervels. Om deze nek overeind te kunnen houden heeft een giraffe stevige, gespierde schouders. Om de bloeddruk naar de kop te controleren, heeft de giraffe in zijn nek zeer elastische bloedvaten en kleppen in de vaten. Over de nek tot de schouders lopen korte, stijve manen. Aan het einde van de lange poten zitten brede, afgeronde hoeven. De staart is lang en dun. Aan de staartpunt heeft de giraffe een pluim van lange, zwarte haren.

    Op de kop heeft een giraf drie of vijf kleine hoorns die bedekt zijn met behaarde huid. Jonge dieren en sommige vrouwtjes hebben een bosje haren op de toppen van de hoorntjes. De achterste hoorntjes, hoog op het voorhoofd, zijn over het algemeen veel groter dan die lager op het voorhoofd. Bij veel dieren ontbreken deze voorste hoorntjes. In het midden van het voorhoofd zit ook één knobbelvormige hoorn.

    Een ander opvallend kenmerk is de gelige vacht met daarop onregelmatige bruine vlekken. Dit vlekkenpatroon zorgt voor een afdoende camouflage tussen de bomen. Het vlekkenpatroon op de vacht is uniek voor elke giraffe en verschilt per ondersoort. De vlekken van mannetjes worden vaak donkerder als de dieren ouder worden.

    Een volwassen giraffe heeft een kop-romplengte van 3,5 tot 4,8 meter en een staartlengte van 76 tot 110 centimeter. Mannetjes worden over het algemeen groter dan vrouwtjes. Vrouwtjes zijn over het algemeen 3,5 tot 4,7 meter hoog en 450 tot 1180 kilogram zwaar, mannetjes zijn 3,9 tot 5,2 meter hoog en 1800 tot 1930 kilogram zwaar. Bij uitzondering kan een mannetje 5,3 tot 5,5 meter hoog worden.

    Verspreiding en leefgebied

    De giraffe leeft op de beboste savannen en andere licht beboste streken van Afrika ten zuiden van de Sahara. De giraffe heeft een voorkeur voor gebieden met lage of middelhoge struiken en andere houtige planten. De giraffe kan tot op 2000 meter hoogte aangetroffen worden, maar meestal begeeft hij zich op vlak land. Vroeger kwam de giraffe veel noordelijker voor, tot aan het Atlasgebergte, maar hier is hij al zo'n zevenduizend jaar geleden uitgestorven, toen het gebied verdroogde en de Sahara ontstond.

     Parken waar giraffen in het wild leven

    Giraffen komen onder andere voor in deze parken:

     Leefwijze

    Enkele giraffen
    Enkele giraffen

    De giraffe leeft in losse kuddes van zes tot twaalf dieren. Volwassen mannetjes dulden meestal geen andere volwassen mannetjes in hun vaste territorium. Vrouwtjes leven niet in een vast woongebied, en de woongebieden tussen kuddes overlappen meestal. In de droge tijd, als voedsel en water schaars zijn, leven dieren in grotere groepen.

    Mannetjes bepalen een hiërarchie door met hun nekken tegen elkaar aan te slaan. Ze staan dan schouder aan schouder tegenover elkaar, waarna ze met enkele krachtige slagen met de nek elkaar proberen te laten wankelen. Dit kan met veel letsel gepaard gaan: het komt voor dat een onderkaak of een nekwervel breekt in deze gevechten.

    Giraffes zijn telgangers. Dit betekent dat hij beide poten aan één zijde tegelijkertijd optilt bij het lopen. Eerst zet hij de twee linkerpoten, dan de twee rechterpoten. Deze gang is vrij zeldzaam onder dieren. Hij kan zich op deze manier vrij snel uit de voeten maken: al galopperend kan een giraf een snelheid van 60 km per uur bereiken.

    De kop van een giraffe van dichtbij
    De kop van een giraffe van dichtbij
    Parende Angolagiraffen
    Parende Angolagiraffen
    Giraffen - Aalborg Zoo
    Giraffen - Aalborg Zoo

    De giraffe is een herkauwer. Hij eet vooral bladeren, scheuten, vruchten en knoppen, met name van mimosa, Commiphora, Terminalia en de stekelige acacia, maar ook andere struiken en bomen. Bladeren grijpt hij met de 45 centimeter lange tong en de beweeglijke lippen. Vanwege zijn ruwe, geharde tong heeft de giraffe geen last van de scherpe acaciadoorns. Ook in droge tijden, als er op de savanne nauwelijks water te vinden is, kan de giraffe overleven. In de bladeren zit veel vocht en een volwassen giraffe eet hiervan zo'n 60 à 65 kg per dag. Dankzij zijn hoogte kan de giraffe bij bladeren die voor de meeste herbivoren onbereikbaar zijn.

    De giraffe is de gehele dag door actief. Een half uur kort en diep slapen per nacht volstaat voor de giraffe: hij legt zich neer, draait zijn hals in een lus naar achter en laat zijn kop rusten op z'n romp. Op het heetst van de dag rusten de giraffen in de schaduw.

    Vijanden heeft de giraffe nauwelijks. Het dier wordt beschermd door zijn snelheid en hoogte. Eventuele predatoren (voornamelijk leeuwen) worden op een afstand gehouden met ferme trappen. Met deze trappen kan hij zware schade toebrengen aan een eventuele aanvaller. Het loeiende en snuivende geluid van een giraffe in gevaar is dan ook zelden te horen. Toch sterft de helft tot driekwart van de pasgeboren giraffen voortijdig door roofdieren als gevlekte hyena's, leeuwen, luipaarden, krokodillen, Afrikaanse wilde honden en mensen.

    De giraffe is het meest kwetsbaar als hij drinkt. Als een giraffe drinkt uit een poel moet hij zijn voorpoten (die langer zijn dan zijn achterpoten) spreiden in een spagaat. Omdat een giraffe langer dan een maand zonder water kan, hoeft hij echter zelden te drinken. Ze zullen echter iedere drie dagen drinken als er water in de buurt is, en in de droge tijd zal hij zelden ver van een waterbron te vinden zijn.

    Een bronstig vrouwtje trekt de aandacht van meerdere mannetjes. Ze zal enkel paren met één of enkele grote mannetjes. Een vrouwtje heeft een vaste plaats waar al haar jongen worden geboren. Ze zal hier naar blijven terugkeren om te kalven. Een jonge giraffe wordt geboren na een draagtijd van 14 à 15 maanden. Een pasgeboren giraffe is al bijna 2 meter hoog en weegt 45 à 50 kg. Het giraffejong kan binnen vijf minuten staan. Na een week voegt het vrouwtje zich met het jong bij een kudde. Het jong zal worden opgenomen in een "crèche", bestaande uit tot negen andere pasgeboren giraffes. Vrouwtjes laten deze crèche enkel alleen op het heetst van de dag, als de meeste roofdieren rusten. Na drie tot vier maanden zal het jong de crèche verlaten om de moeder te vergezellen. De zoogtijd neemt een half jaar tot een jaar in beslag. Na zes maanden zal het zich meer onafhankelijk van de rest gaan bewegen. Pas na 10 jaar is de giraffe volwassen.

    Ondersoorten

    De giraffe kent verscheidene ondersoorten. De volgende ondersoorten worden over het algemeen erkend:

    14-12-2007 om 17:41 geschreven door Thiebout  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (24 Stemmen)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De kanarie
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Kanarie

    Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

    Ga naar: navigatie, zoeken

    De kanarie (Serinus canarius) is een zangvogel die oorspronkelijk van de Canarische Eilanden afkomstig is, waar hij ook naar genoemd is. Thans komt deze kanariesoort nog altijd in het wild voor op de Canarische Eilanden, de Azoren en Madeira. Vroeger werd hij gebruikt door de mijnwerkers om hen te waarschuwen als er giftige stoffen in de mijn aanwezig waren. Mogelijk komt hier ook de uitdrukking 'van je stokje gaan' vandaan.

    De kanarie leeft voornamelijk van kleine zaden, bladknoppen en groene scheuten terwijl tijdens de opfok van de jongen ook graag kleine insecten worden genuttigd. Hij heeft een kleine stevige snavel waarmee hij zaden kan pellen. Het eten van bijvoorbeeld grit helpt bij de vertering hiervan. Ook heeft hij mineralen nodig voor zijn kalkhuishouding.

    De in het wild levende soort is wat grauwer dan de meeste gekweekte soorten. Kwekers kweken onder andere op kleur, vorm en op zangkwaliteit. Hierdoor kan men kanaries in vele kleuren aantreffen: rode, gele, witte, bonte, enz. Helderblauwe kanaries bestaan echter niet en een dieprode kleur moet door middel van kleurvoeding op peil worden gehouden. Verder zijn er gekuifde kanaries en kanaries met een afwijkende bouw. Bij de kanaries spreekt men van vier hoofdgroepen die elk weer onderverdeeld zijn in aparte rassen:

    Deze soorten worden gefokt om hun kwaliteiten te behouden of juist te kruisen.

    De zang van de kanarie kan zeer gevarieerd zijn. Het zijn meestal de mannetjes die uitgebreid zingen, vrouwtjes zingen slechts bij hoge uitzondering. De kanarie kan de zang van andere vogels leren. De zang van het mannetje dient met name ter afbakening van het territorium.

    In de volksmond wordt de kanarie wel kanariepiet of kanarievogel genoemd. Veel kanaries in het Nederlandse taalgebied krijgen dan ook de naam Piet of een naam die hiervan is afgeleid.

    Het kanarievrouwtje wordt vaak een popje genoemd. Vooral in het voorjaar is het zeer ijverig in de weer met nestmateriaal verzamelen en het bouwen van een nestje. Het zal doorgaans zo'n drie tot vijf eitjes leggen. Op de afbeelding heeft een popje bij gebrek aan beter een nestje in een voederbakje gemaakt, waar het op broedt.

    De kanarie wordt al eeuwen als huisdier gehouden. Vaak voelt het beestje zich juist in een kooi en op een hoge plek het veiligst. Deze kooi is bij voorkeur niet rond maar rechthoekig.

    Tijdens de rui is het goed om de vogel extra krachtvoer/eivoer te geven.

    Een binnenhuis-kanarie kan onder goede omstandigheden ongeveer 12 jaar oud worden.

    14-12-2007 om 17:36 geschreven door Mathias  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (6 Stemmen)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De neushoorn

    Neushoorns

     

    Neushoorns (Rhinocerotidae) zijn familie van vijf soorten grote zoogdieren*, die voorkomen in Afrika en Azië en worden gekarakteriseerd door de hoorn (een of twee, naar gelang de soort) op zijn kop.

    Er zijn nog vijf soorten neushoorns, waarvan de meeste in meerdere of mindere mate bedreigd worden in hun voortbestaan. De hoorn is namelijk in China *zeer gewild als medicijn met potentieversterkende eigenschappen. Ook in Jemen* maakt men graag mesheften uit het materiaal. De hoorn bestaat uit keratine* net als onze nagels en haren en is dus niet van been.

    De volgende soorten bestaan nog steeds (daarnaast zijn er nog meer dan 200 fossiele soorten bekend):

    Als je op het woord voor * klikt krijg je info van Wikipedia
    Bron: www.wikipedia.be *

    14-12-2007 om 17:35 geschreven door Thiebout  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (19 Stemmen)


    Nieuw op dierplezier: De eend!
    Gastenboek

    Druk op onderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek


    Blog als favoriet !


    Willekeurig Bloggen.be Blogs
    starsite
    www.bloggen.be/starsit
    Willekeurig Bloggen.be Blogs
    movie
    www.bloggen.be/movie
    Willekeurig Bloggen.be Blogs
    heiligerita
    www.bloggen.be/heilige
    Willekeurig Bloggen.be Blogs
    tilloenk
    www.bloggen.be/tilloen
    Willekeurig Bloggen.be Blogs
    joggingmario
    www.bloggen.be/jogging
    Willekeurig Bloggen.be Blogs
    werken
    www.bloggen.be/werken
    Willekeurig Bloggen.be Blogs
    exel
    www.bloggen.be/exel
    Willekeurig Bloggen.be Blogs
    muntenverzamelen
    www.bloggen.be/muntenv
    Willekeurig Bloggen.be Blogs
    eric_claudia
    www.bloggen.be/eric_cl
    Willekeurig Bloggen.be Blogs
    cullinair
    www.bloggen.be/cullina
    Willekeurig Bloggen.be Blogs
    liefdenetwerk
    www.bloggen.be/liefden
    Willekeurig Bloggen.be Blogs
    walterdebock
    www.bloggen.be/walterd
    Willekeurig Bloggen.be Blogs
    lolxd
    www.bloggen.be/lolxd
    Willekeurig Bloggen.be Blogs
    joggingclubmelsen
    www.bloggen.be/jogging
    Willekeurig Bloggen.be Blogs
    flandriennico
    www.bloggen.be/flandri
    Willekeurig Bloggen.be Blogs
    kurt1957
    www.bloggen.be/kurt195
    Willekeurig Bloggen.be Blogs
    jennyenwill
    www.bloggen.be/jennyen
    Willekeurig Bloggen.be Blogs
    werken
    www.bloggen.be/werken
    Willekeurig Bloggen.be Blogs
    joskeshobbynest
    www.bloggen.be/joskesh
    Willekeurig Bloggen.be Blogs
    shining_lightstar
    www.bloggen.be/shining

    Blog tegen de wet? Klik hier.
    Gratis blog op https://www.bloggen.be - Bloggen.be, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!