10/03
Om 6 uur was ik klaar wakker. Ik kan het ook niet helpen. Van de nood maar een deugd gemaakt en naar de vogels gaan kijken. Want zijn aan hun ochtendconcert bezig. Het loont de moeite. Ik heb de Baranquillero (die grote kleurrijke vogel met een verlenging aan zijn staart, zodat het lijkt alsof hij een dubbele staart heeft) in al zijn glorie kunnen bewonderen en fotograferen.
Bij het ontbijt krijg ik een granadilla. Een vrucht terug grootte van een eendenei met een oranje schil. Ze snijden het kopje eraf en binnenin zitten kleine lekkere pitjes. Zoals bij een granaatappel maar el fijner van vorm én van smaak.
De Hacienda Venecia, waar ik verblijf, bestaat al meer dan 100 jaar. En het is nog steeds een koffieplantage. Toerisme is een bijverdienste. Ze organiseren voor de hotelgasteen dan ook een koffietour. Die neemt 2,5 uur in beslag. De gidse begint uiteraard met het gekende (maar ik was wel de enige die het kende) verhaaltje van de geitenherder in Ethiopië (het land waar de koffieplant vandaan komt), over het monopolie van de Arabieren van Yemen (ze verkochten in Europa alleen de gebrande koffiebonen zodat de Europeanen geen eigen plantages konden opstarten tot de verspreiding van de koffieplanten over de hele wereld. Blijkt dat Brazilië nog steeds s werelds grootste producent is (ik was weer de enige die dat wist), gevolgd door Vietnam en pas op de derde plaats Colombia.
Ik wist echter helemaal niet dat het houden van een plantage zo een arbeidsintensief een tijdrovend werk was. De bonen worden één voor één manueel geplant in een plastic containertje onder gecontroleerde omstandigheden. Als de scheut een echt plantje wordt, verpotten ze hem. Maar nog steeds onder gecontroleerde omstandigheden. Pas na een jaar is de plant voldoende sterk om buiten uitgeplant te worden. Dan is het een jaar wachten tot hij bloeit (met kleine witte jasmijngeurige bloempjes. Na enkele dagen vallen die af en aan de voet van de bloemstengel groeit een bes. Eerst groen en als de bes rijp is (na 9 maand) vuurrood. Dan wordt de bes geplukt en gedroogd, ontdaan van de schil om uiteindelijk de 2 koffiebonen binnenin te oogsten. Die bonen ondergaan opnieuw een proces van drogen en pellen, totdat uiteindelijk grijs/groene koffiebonen overblijven. De eerste keus (zonder afval, of stengeltjes enz) wordt afgezonderd en verkocht als premiumkoffie. Het branden gebeurt in het land van bestemming omdat de voorkeursmaak van elk land verschilt. De tweede keus (met nogal wat afval ertussen) wordt verkocht aan de producenten van oploskoffie.Dat verklaart meteen de rare smaak van oploskoffie.
Het hele kweekproces (met de keuze van de grond, het vijfjaarlijks terug snoeien, enz) lijkt sterk op het kweekproces in wijngaarden. Naast die parameters beïnvloeden ook de manier van drogen (door de zon of in een oven), de duur van het fermentatieproces en het roosteren (temperatuur en duurtijd) de finale smaak van de koffie substantieel. Ik heb de verschillen duidelijk geproefd.
Terug in de tuin van de Hacienda kan ik mijn gisteren opgelopen vlinderschade ruimschoots ophalen. Het wemelt hier van de vlinders. Tijdens het middagmaal nog eens mijn favoriete fruitdrank: lulo!
Vermits ik al over de helft zit (ai, ai), kan ik nu al wat uit eigen ervaring vertellen over het eten in Colombia. Elke regio heeft uiteraard zijn eigen specialiteiten en accenten, maar in grote lijnen gaat het om een boerenkeuken: eerlijk, voedzaam, lekker maar niet verfijnd. En op de accentverschillen na, zit er niet veel variatie in. De helft van het land dat ik intussen doorkruist heb, maakt echte lekkere, hartige soepen (sancoche genoemd). Naar gelang hun keukenvoorraad wordt dat dan een dikke groentesoep, met bonen, alle groenteoverschotjes, een ei en kip; of idem maar met varkensvlees; of bedenk het zelf maar. Hoofdgerecht voor de grote eters (want de meeste Colombianen stoppen al bij de soep) kunnen dan kiezen voor vis of kip of varken of rund met een weinig rauwe groenten (enkele blaadjes sla, enkele schijfjes tomaat en wat ui ringen. Daarbij yucca, één aardappel en altijd arepa. Arepa is een maiskoek. Dezelfde substantie en smaak als een tortilla in Mexico (nvdr voor niet mexico-kenners: nagenoeg geen dus) , maar kleiner en een pinkje dik. Naargelang de streek verschilt de smaak een heel klein beetje, maar niet veel. Kortom alleen voor kenners. De meeste toeristen lusten het niet. Ik eet het wel, want ik weet dat het een voedzaam goedje is.
Aan zee hebben ze lekkere vis stoofpotjes, kleine kreeften (langoustinas noemen zij ze) en allerlei vissoorten. Slechts één herken ik direct: catfish. Hun vissen maken ze klaar zoals wij in West Europa. Erg zacht van smaak dus. Eerlijk, ik mis de Chinese bereidingen van vis. Eigenlijk vind ik de Chinese visbereidingen de beste en de meest logische: vis op zich heeft meestal niet zo veel smaak. Een sterke, maar wel evenwichtige, dosering van kruiden doet wonderen. Tot daar de goede dingen.
Nu het minder goede. Colombianen zijn geen zoetebekjes. Neen, ze zijn echt verslaafd aan suiker, in surrealistische hoeveelheden. Onder alle gerechten draaien ze grote hoeveelheden suiker. Dus ook onder vlees, vleessauzen, in verse fruitsappen, zelfs een keer in een vissoep enz. Als ik koffie vraag, moet ik telkenmale duidelijk en nadrukkelijk vragen naar koffie zonder suiker. Bij hen is een standaard koffie al mierenzoet. Tinto noemen ze dat. Ook de pistolets zijn zoet (de confituur zit er in een laagje mee ingebakken). Hun nagerechten staan stijf van de suiker en ze zijn er allemaal dol op. Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat suikerziekte een nationale kwaal is en overgewicht een enorm probleem. In één zin samengevat. Ik dacht vroeger dat Botero in zijn jeugd tegen een deur gelopen was en dat hij daarom van extreem corpulente mensen zijn schilder- en beeldhouwmerk gemaakt had. Ik weet nu beter: hij werkte gewoon naar de natuur. De Columbianen spreken vol lof over hun vlees. Ik niet. Wat op je bord verschijnt hangt aan elkaar van de pezen, het is erg dun (3-4 mm) en wordt bovendien nog goed doorbakken. Naar onze normen erg taai en alle smaak is eruit. Ik heb al eens gespecifieerd dat het azul moest gebakken worden. Tot mijn grote verrassing was mijn intuïtieve vertaalgok nog correct ook. Het lapje werd door de ober vol afgrijzen op mijn bord gelegd. Toen ik het doorsneed, was het naar Europese normen net iets meer doorbakken dan saignant. Je hebt het al begrepen, ik heb hier al flink wat vis gegeten.
9/03
Met het Reserva Ecologica Rio Blanc, Fundación Ecológica Gabriel Arango Restrepo (geef toe, ze hebben er een handje van weg om een klinkende naam uit te denken) had ik gisteren afgesproken dat zij ook voor het transport heen en terug zouden zorgen. En het gebeurt ook zo. Met slechts 10 minuten vertraging naar Colombiaanse normen is dat eigenlijk té vroeg- verschijnt mijn privé chauffeur. Om 9uur heb ik aan de ingang van het reservaat een afspraak met een gids. En die man is ook te vroeg (dus 9:15u). De tocht door het subtropisch regenwoud van het park is weer betoverend. Zelfs al klimmen we opnieuw naar 2500 meter. Want de zonnestralen die door het dichte bladerdek worden gefilterd, doen me de inspanning vergeten. Ik zie het vochtige woud dampend wakker worden (letterlijk hoor). Het is even fascinerend als langs koraalriffen snorkelen. Ik zie een reeks vogels, maar allemaal exemplaren die ik al ken. Gelukkig dat ik ze in het aviario in Playa Barù in Cartagena in optimale omstandigheden heb kunnen fotograferen, want door het dichte bladerdek is dat eigenlijk onbegonnen werk. Want ik ben niet bereid om mij, zoals David Attenbrough, onder een rieten afdakje gedurende enkele dagen te laten opvreten door dol geworden insecten. Ik ben er intussen vast van overtuigd dat er in Deet suiker zit. Hij of zij die mij niet gelooft, heeft hier nooit 5 minuten stil gezeten. Wat ik met die man of vrouw wil doen, heb ik al verteld. Ik kan alleen maar bevestigen dat de aandrang om mijn wens in daden om te zetten bij elke beet exponentieel groeit. Interessant is wel dat ik het nest van een Baranquilo gezien heb. Het is een vogel die zijn nest uitgraaft IN de grond. Een gang van naar het schijnt twee meter lang. Straf hé. Ik kom ook de varenboom tegen. We kennen hem al heel lang, want ze vinden hem terug bij de fossielen van dinos.
Mijn privé taxi komt met lichte vertraging me oppikken (15 minuten te laat) en hij rijdt me naar de Maniposário. Een vlindertuin in een Recinto del Pensimiento (een plaats voor bezinning). Ik kom er om 11:30u aan. Goed op tijd want ik weet dat het boeltje om 14u sluit. Fernando mag weten waarom, maar zo is het. Het duurt niet lang of ik kan aan een Zen-oefening beginnen. Ik mag wel binnen, maar het bezoek kan alleen onder begeleiding van een gids en die man gidst één maal per dag, om 12 uur. Ik ken die streken al langer. Dus draai ik mijn programma om en beslis om eerst iets te gaan eten. Om 12u pünktlich sta ik op de afspraakplaats en we starten met een hele uitleg over alle mogelijke soorten kruidenplanten die ze kweken. De meeste ken ik, dus dwalen mijn gedachten af en plots merk ik net als gisteren donkere wolken samentrekken in de bergen. Ik maak de gids attent op het naderend onheil, maar die man gaat onverstoord verder met zijn geleuter. Ik zit intussen mijn hart en de rest op te vreten, want gegarandeerd komen we aan de vlindertuin als het pijpenstelen giet en dan vindt je in heel het mariposário geen vlinder. Die houden net als ik alleen van de zon. Van de kruiden gaan we de bloemmetjes en vervolgens stappen we in een stoeltjeslift om de tuin vanuit de lucht te kunnen bewonderen. Ik heb alleen oog voor de wolken die alsmaar dichter komen. Dan komen we in een (namaak) Japanse tuin met veel en (ik geef het ruiterijk toe) erg mooie bonzaïs, gemaakt van inheemse bomen. Intussen wordt mijn vrees bewaarheid: het giet. Die gids draait, zonder een krimp te geven, zijn plaat verder af. Ik roep in het Nederlands zet die ploat af, maar het helpt niet. Hij denkt duidelijk dat ik een of andere bonzaï verkeerd benoem. En dan, dan gaan we naar de vlindertuin. De enige attractie die maar zin heeft als de zon schijnt. Hawel, dat is ook Colombia: geen splinter of vonkje tijdsbesef. Tot zijn grote ergernis ben ik daar vééél te lang binnen gebleven. Hij komt me twee keer vragen waarom ik daar blijf. Steevast antwoord ik, met stiff upperlip: ik ben op zoek naar vlinders; want daar voor kom ik naar hier. Mijn koppigheid loont, uiteindelijk gaat ie met mij op zoek naar een vlinder die niet ondergedoken is. En hij vindt er ene met doorzichtige vleugels. Heel mooi. Ik vind het een goed compromis en samen stappen we verder in de gietende regen. Gelukkig zakt de temperatuur dit maal niet.
Terug naar mijn hotel om mijn bagage op te pikken. Onderweg vraagt hij mij of ik al transport heb naar mijn volgende bestemming: Hacienda Venecia (een gerenoveerde koffieplantage). Ik vertel hem dat Monica (de bazin van mijn reisbureau) mij heeft aangeraden dat traject met een privé chauffeur te doen, wegens te gecompliceerd (zeker met mijn bagage). Blijkt nu dat ik precies die man mij naar mijn hotel voert. Wat een meevaller zeg! Ik spreek een prijs af om me naar de Hacienda te voeren en morgenmiddag terug naar Manizales. Oeps allemaal geregeld in minuten. Ook dat is Colombia!
Als we het domein binnen rijden, valt mijn mond open. Monica heeft weer goed gekozen. In een pracht van een domein staat een volledig gerenoveerde koffie hacienda in koloniale stijl, met voor de veranda een zwembad. In het domeinen lopen 7 pauwen vrij rond. De vogeltjes kwetteren rond mijn oren. Schitterend. Het bevalt me hier zo goed, dat ik met mijn chauffeur de afspraak wijzig. Hij moet me niet s middags maar s avonds komen halen. Dat is het bijkomend voordeel van een (uiteraard flink wat duurdere) privé chauffeur in plaats van een lokale bus. En het rendeert! Een kwartier later zwem ik rustig wat rond bij een aangename 30 graden met een pauw die me vanop twee meter in het oog houdt. Zalig.
08/03
Voor de eerste maal op deze reis heb ik een tafeltje om mijn laptop op te zetten. Alle vorige hotelkamers moest ik het toetel op mijn knieën zetten. Wat een luxe zeg!
Gisteren de hele dag geklommen als berggeit, zonder enig probleem. Gisterenavond in de metro terug naar mijn hotel, voel ik plots de bloeddruk in mijn hart sterk verminderen. Ik weet dat ik dan gewoon even moet gaan zitten en dat gaat het vanzelf over. Maar de metro zit en staat en hangt stamvol. Ik kan niet gaan zitten. In halte Poblano moet ik eruit, maar daar moet ik een 30 treden naar boven. Ik kan mijn ritme niet zelf bepalen, de massa duwt me gewoon voort. En dat belooft niet veel goeds. Als ik boven aankom, breekt het onweer los en val ik ei zo na flauw. Gelukkig vind ik daar in een hoekje een veilig plekje om te gaan zitten. Ik heb er een half uur gewacht, mijmerend hoe dat nu te rijmen valt. Ik begrijp er niets van. Soit, deze morgen was het over.
Vandaag vertrek ik naar Manizales. Maar eerst ga ik nog een poging wagen om het Etnografische Museum van Medellin te bezoeken. Het gaat al om 8 uur open. Ik kan er met wet geluk nog net naar toe alvorens om 10 u mijn hotel definitief te verlaten. En het lukt. Weliswaar naar Colombiaans uur (8:15u en hij vind dat ik hem afjaag), maar het lukt. En het loont de moeite. Er staan mooie originele pluimenkronen, schitterend vaatwerk enz. Ik heb er anderhalf uur rond gelopen. Alhoewel de inkom gratis was (ik had het aan de inkom gevraagd), word ik bij het buiten gaan onderschept en vriendelijk maar met aandrang gevraagd toch een donatie te doen. Niets is wat het lijkt in dit land: een ja kan na enkele minuten een neen worden en omgekeerd.
Nog rap wat over de geschiedenis van Medellin. In 1541 raken de Spanjaarden in de vallei (die ze Valle de Aburrá noemen). Ze ligt op 1500 m hoogte. Maar tot begin de 17 eeuw gebeurt er eigenlijk niets, op enkele sporadische neringdoeners na. De vallei wordt genoemd naar San Larenzo de Aburrá, de stichter van de stad. Op de plaats waar nu de wijk Poblano ligt en waar ik 4 dagen verbleven heb. De nederzetting kreeg de titel van Stad in 1675 van Koningin Maria van Oostenrijk en ze werd genoemd naar Don Pedro Portocarrero y Luna, Count of Medellin. Pas in het begin van de 20ste eeuw kwam er vaart achter de explosieve groei van de stad. Eerst met de koffie, daarna met de textiel en dan de kindjes. Want immigratie komt hier nagenoeg niet voor. Allemaal noeste eigen arbeid.
Ik vind op tijd mijn bus. Als ik instap is het al een bakoven en er is geen airco. En ze vertrekt met een kwartier vertraging om 10:45u. Intussen wordt het binnen warmer en heter. Dat belooft voor een rit van 4 uur en een half (voor 150 km). Het is ook zo. Maar toch zie ik het positie fin. Ik ben erin gelukt om al die dagen niet bestolen, overvallen of beroofd te worden. Niet slecht voor een stad als Medellin!
Onderweg zie ik langs de baan rare verkeersborden. Zoals wij in Europa waarschuwingsborden hebben voor koeien op de baan, heb ik borden gezien met een tapir, een vos en ook een met eekhoorns! Als ik om 16 uur (let op de doorlooptijd!) in Manizales aankom, voel ik me gekookt en gebraden tegelijk. De stad is vrij jong (19de eeuw), ligt op 2150 m hoogte als een lange sliert tegen de erg steile bergenflanken aan. En de stad is in het verleden al meermaals geteisterd door serieuze aardbevingen. Van de oude stad is niets meer te zien en de verkeersinfrastructuur is hier een regelrechte ramp. De straten in de stad zijn enorm steil, sommigen hebben een stijgingspercentage van meer dan 20%, ik heb er zelfs een tegen gekomen, van 30 %. Dat is niet meer klimmen, dan is bijna kruipen!
In mijn hotel moet ik proberen om nog een reservering vast te krijgen voor een bezoek aan het Ecologisch Park van Rio Blanco. De doorlooptijd bedraagt 3 uur, maar rond 8 uur s avonds krijg een telefoon van de lokale gids. En hopla de afspraak is geregeld, transport incluis. En dat is essentieel. Want naar zo een afgelegen plek rijden vormt nooit een probleem. Maar terug geraken is wat anders, want daar zwermen de taxis niet rond als mosquitos. Dat is dus mijn eerst oplossing en reservatie die ik telefonisch in het Spaans voor mekaar heb gekregen. Ruth zal wel verstaan wat ik hiermee precies bedoel.
Intussen is hier een onweer gepasseerd en de temperatuur is voelbaar gezakt. Ik zit duidelijk in een andere klimaatzone: Armenia. Ik besef nu hoe sterk ik intussen geacclimatiseerd ben. De temperatuur is, zo schat ik, gezakt naar 25 graden. En ik heb mijn dikke winterflies aan gedaan (zo doet die ook nog eens dienst, want ik sleur daar nu al de hele reis mee). Ik ril van de kou. Alles is relatief.
07/03
Bij het ontbijt realiseer ik me dat ik gisteren meer dan 300 km Zuidoost heb gereisd en daarvoor taxi, metro en bus heb genomen zonder een stadsplan te raadplegen. Medellin is met zijn 12-13 miljoen inwoners toch niet van de kleinsten.
Ik ga dat vandaag nog eens over doen, maar dan Noordwest. Eerst 2 uur bus naar la Piedra del Peñol. Een granieten rotsblok van dik 200 meter hoog, die daar plomp verloren naast de Rionegro staat of ligt. In de rots is een barst, net breed genoeg om er een trapje van 649 treden in te bouwen. Als ik aan de voet van dat steentje naar boven kijk, zakt de moed in mijn schoenen. Is dit wel verantwoord? Maar als ik de Botero mensen in wording zie, begin ik er ook maar aan. Na 100 treden (ze zijn mooi per 50 genummerd) heb ik de indruk dat de mensen wel bewegen maar niet klimmen. Ze puffen en hijgen vooral. Ik klim ze op mijn gemak voorbij. Tegen dat ik aan trede 300 zit, ben ik (weer) helemaal alleen. Voor mij hoor ik niets of niemand, achter mij alleen gehijg. Als ik boven aan kom, ben ik duidelijk de eerste van de dag: ze zijn de vloer nog aan het vegen! Voor de lol, die ik ook het restant van de treden in de vuurtoren en inderdaad. Hier is geen levende ziel te bespeuren. Ik kijk op mijn uurwerk: 17 minuten heb ik nodig gehad om de 737 treden te nemen. In Footprints zeggen ze dat je er 30 minuten moet voor uit trekken. Blijkbaar heeft die dodentocht naar Ciudad Perdida mijn conditie nog wat aangescherpt!
Dan even naar het dorpje wat verderop: Guatapé. Bekend in Colombia omdat alle huizen hun zocalos mooi beschilderd hebben. In tegenstelling tot Mexico betekent zocalo hier niet Grote Markt, maar wel het 40-50 cm hoog stenen muurtje waarop de (houten) muren van de huizen werden opgetrokken. Sommigen zijn gewoon naïef, anderen zijn kleine kunstwerkjes. Daarna terug 2 uur bus, terug naar Medellin. In het enorme busstation moet ik snel het juiste loket vinden (want elk loket heeft zijn specifieke bestemmingen en er zijn meer dan 40 loketten). Het zit me mee en 10 minuten later zit ik met het juiste ticket op de juiste bus voor een rit van anderhalf uur naar Santa Fe de Antioquia. In 1541 gesticht als eerste goudstadje en het heeft zijn koloniale charmes goed weten te bewaren. Het loont de moeite. Een Colombiaans Brugge zowaar. Ik moet er wel bij vertellen dat het in een nauw dal licht. De temperatuur ligt hier dan ook weer boven de 40 graden. Zweten jongens, jongens toch. Om half zeven s avonds sta ik in Medellin in het metrostation dicht bij mijn hotel. En dan breekt er een regenwolk in twee. Voor de eerste maal maak ik het hier mee: een zondvloed. Gelukkig duurt zo een spektakel niet lang. Maar ik blijf er telkens verwonderd van opkijken dat na zo een onweer de temperatuur NIET zakt. Alles blijft zoals het was: heet.
Enne, het is me weer gelukt. Een hele dag ettelijke honderd kilometers rond gereisd met verschillende transportmiddelen en ik heb geen enkele maal mijn kaart hoeven te raadplegen.
06/03
Vandaag voor de verandering eens extra vroeg opgestaan. Om 5 uur. Want ik wil de bus van 6:30u halen aan de Noordkant van de stad. En dat is, zelfs op een zondagmorgen, makkelijk 40 minuten rijden. Alles klopt en m 9:30u stap ik van de bus aan het natuurreservaat van Rio Claro. Aan dit traject van 3uur rijden (voor 150 km) hangt weer een verhaal vast. Tot begin de jaren 1960 was dit gebied vrij onbekend terrein. In 1964 organiseert een jaguar een serieuze slachtpartij onder het vee van boer Eduardo Betancourt, kilometers hier vandaan. Onze Ward is zo kwaad dat hij die kater eens op zijn bakkes zal gaan slaan. Hij voegt daad bij het woord en gewapend met zijn zevenschot volgt hij het spoor van de jaguar. Zes weken aan een stuk jaagt hij dat beest op, zich een weg banend door onherbergzaam terrein. Tot hij plots aan een voor hem onbekende cañon komt die, naarmate hij erin vordert, steeds maar smaller wordt en waarvan de wanden alsmaar steiler en zelfs overhangend worden, met overal grote grotten. Plots realiseert onze Ward zich dat de jaguar leper is dan hij dacht. Dat beest ziet hem, maar hij ziet de jaguar niet en het dier lokt hem langzaam in de fuik van de cañon naar een plaats waar hij (het beest) hem (onze Ward) vanop een overhangende rots kan overvallen en doden. Met andere woorden, de man wordt bejaagd niet de jaguar! De boer komt tot inzicht zoals men dat pleegt te noemen en besluit dat een strategische terugtocht allicht de beste en zelfs de enige oplossing is om hier levend uit te geraken.
Terug in de bewoonde wereld vertelt de boer aan Juan Guillermo Garcés, zijn baas en grootgrondbezitter, over het bestaan van die cañon. De man vindt het interessant moet wil nadenken. Dat kan in Colombia soms wat tijd in beslag nemen. Ook zo hier. Hij schiet pas in actie na zeven (!) jaar als hij verneemt dat de overheid de bouw van een verbindingsweg plant tussen Medellin en Bogotá. De ingenieur die de infrastructuurwerken moet voorbereiden, overvliegt het gebied met een helikopter op zoek naar een geschikte plaats om de Rio Claro te overbruggen. Ook hij vindt de cañon. Samen met zijn broer en de boer Betancourt trekt hij erop uit om de cañon met eigen ogen te gaan bekijken. Twee dagen lang hakken ze zich een weg door het Tropisch Regenwoud en, zoals meestal in onontgonnen gebied, moeten ze een vlot bouwen om via de Rio Claro de Cañon te bereiken Ze verblijven er meerdere weken en Garcia raakt onder de indruk van de enorme biodiversiteit in de kloof. En als grootgrondbezitter beslist hij, om de rijkdom van de cañon te vrijwaren, er een natuurpark van te maken. Naar men beweert, het eerste in Colombia.
Nu wordt het helemaal schoon. 20 kilometer verder staat de hacienda Nápoles, één van de buitenhuisjes van onze vriend Pablo Escobar. Het was binnen heel Colombia bekend omwille van het wildpark dat hij er had aangelegd (naast een vliegveld met een landingsbaan groot genoeg om een 747 te laten landen en opstijgen). Zijn privé zoo met veel wilde dieren stelde onze Pablito gratis open voor het grote publiek. De wilde dieren werden per vliegtuig aangevoerd en de drugs werden in enorme hoeveelheden per vliegtuig uitgevoerd. Toen Pablos rijk uit was, lag het domein er verwaarloosd en verlaten bij. Sommige wilde dieren werden gedood of gestolen, anderen ontsnapten. Zo wordt beweerd dat de nijlpaarden momenteel vrij en wild rondlopen in de regio en de Rio Claro. Het domein is nu omgevormd tot een pretpark.
Daarom wil ik die cañon bezoeken en er een wandeling in maken. In het begin hebben de wanden van de kloof een erg lage hellingsgraad en is de cañon erg breed. Naarmate men verder gaat, wordt de hellingsgraad inderdaad steiler en wordt de kloof dus nauwer. Het gevolg is dat de temperatuur merkelijk stijgt. Ik wandel er twee uur in. Intussen is het menens geworden: de waden zijn bijna loodrecht, het wandelpad is een klim- en klauterpartij geworden en de temperatuur en de vochtigheidsgraad exploderen weer: boven de 40 graden en meer dan 90 %. Ik zweet als een natiepaard. De keien op de grond worden ook als maar vochtiger en glibberig. Ook al is de natuur fascinerend (een klein vogeltje maakt een lang gerekt geluid, vergelijkbaar met de stoomfluit van de vroegere lokomotieven (chucharra heef het beestje als ik me het nog goed herinner); ik zie toekans vliegen en zingen (een klokgeluid terwijl ze hun snavel loodrecht naar boven richten), kleine vogeltjes en kleurrijke vlinders) toch keer ik wijselijk terug. Ik wandel hier alleen en ik wil voor geen geld een been breken. Eet een hapje en neem dan de eerste bus terug naar Medellin. De terugweg duurt wat langer: 4 uur. En kost ook meer. Ik maak hierover een opmerking en krijg prompt een korting!
Daarmee is voor mij de eerste, de Noordelijke, cirkel van mijn reis rond. Ik ben in Bogotá gestart, naar het noorden gegaan, dan de noordkust oostwaarts afgereisd tot aan de Venezolaanse grens om vervolgens langs de westkust naar het zuiden af te zakken. Ter hoogte van de grens met Panama ben ik meer het binnenland ingetrokken om veiligheidsredenen (in het grensgebied is het FARC nog steeds actief). En sta ik op 300 km van mijn vertrekpunt. Vanaf overmorgen start de tweede cirkel, de Zuidelijke.
05/05
Vannacht weer een nachtmerrie gehad. Raar want ik ben al meerdere dagen (malaria) pil vrij. Ik probeer het zo snel mogelijk te vergeten. En dat zal wel lukken met de agenda voor vandaag.
Ik begin met de metrocable. Daar hangt een heel verhaal aan vast. Footprints vertelt me dat het de eerste kabelbaan in de wereld is die uitsluitend werd ontworpen als openbaar transportsysteem met een sociale bijbedoeling. Het vormt de verbinding tussen de metrolijn in de benedenstad en de slums die langs de berghellingen organisch (en dus chaotisch) gebricoleerd zijn. In de jaren 80 en 90 van de vorige eeuw was deze wijk de meest beruchte van heel Zuid Amerika. Het werkterrein van onze Pablo Escobar en zijn leger van moordenaars (sicarios genoemd).
Ingevolge die eindeloze en onontwarbare knoop van steegjes, achtersteegjes en tussendoortjes, kostte het de inwoners makkelijk 2 uur om de helling af te dalen naar het centrum om werk te zoeken. Bovendien was het hele gebied nog eens opgedeeld in sectoren die ook onderling oorlogje voerden. Samen met het einde van Escobars macht, nam het stadsbestuur de beslissing om over de krotten heen (er was en is immers geen doorkomen aan) een kabellift te bouwen. De tijd nodig om naar de benedenstad te gaan is hiermee gereduceerd tot 45 minuten en heel wat mensen hebben intussen werk in de benedenstad gevonden. Daarnaast heeft de stad ook sociale en culturele initiatieven in de wijk opgezet, zoals bibliotheken, computerlokalen, artistieke activiteiten enz. Het effect is volgens Footprints duidelijk merkbaar. Het aantal moorden is gedaald van 6500 in 1994 naar 350 in 2005. De gemiddelde leefruimte per persoon is gestegen van 0,5 m² naar 3 m³. Als bijkomend pluspunt is de kabelmetro ook nog een toeristisch attractiepunt geworden. Het maakt het Parque Avri veel toegankelijker. En naar dat park ga ik heen om een wandeling te maken en de stad eens van erg hoog te kunnen aanschouwen. Het weer zat mee, het zicht was dan ook prima en het overzichtsbeeld van een stad van 13 miljoen inwoners vergeet ik niet gauw. Het is bovenmenselijk.
Dan naar het kerkhof. El cementerio San Pedro. Berucht omdat hier de meeste van de drugdealers en guerrilleros en ander gewelddadig uitschot in alle rust over hun laatste gevecht kunnen mijmeren. Ik ben er even door gelopen en dan gauw weer vertrokken. Er hangt daar nog steeds een raar sfeertje. Ik heb dus niet gevraagd waar de grafmonumenten van die kwibussen staan. Het interesseert me eigenlijk ook niet. De geschiedenis rond Pablo des te meer. Hij is geboren in 1949 en hij begon zijn carrière als dief van grafstenen en monumenten om ze daarna te verzilveren. Na wat promoties werden het autodiefstallen en het serieuze werk begon met de drugshandel. Zijn tactiek met de overheid was steeds dezelfde: plata o plomo. Ofwel aanvaardde de rechter of een overheidsambtenaar geld (en zat ie vast in het web) ofwel werd ie vermoord. Zijn kartel groeide daardoor uit de het machtigste kartel ter wereld. Hij draaide een omzet van30 miljard dollar per jaar! In 1989 schatte Forbes hem de zevende rijkste mens ter wereld. In Medellin alleen al bezat hij 19 residenties met helihaven; hij had boten en vliegtuigen enz. Hij was wel zo leep om zich tegenover de gewone man voor te doen als een soort Robin Hood. Hij investeerde in elektriciteitsnetwerken, infrastructuur, speelpleinen en huizenbouw voor de armen. Hij raakte zelfs verkozen voor het Congres! Na de moord op de presidentskandidaat Luis Carlos Galán, was de maat voor de President vol. César Gaviria gaf het expliciete bevel hem aan te houden. Maar dat was rapper gezegd dan gedaan. Gedurende jaren vluchtte hij van het ene onderduikadres naar het andere tot hij zich tenslotte zelf over gaf in ruil voor een luxe gevangenisleven. Hij liet op een heuvel buiten de stad een gevangenis als een hotel bouwen. El catedral noemde hij het, met talloze suites, gigantische tv schermen, jacuzzis, sportinfrastructuur. Hij kwam en ging zoals hij wilde, gaf grote party feesten en ging regelmatig naar voetbalmatchen. Op de weg naar en van het stadion genoot hij van een speciale politie-escorte.. Niettegeloven. Maar aan alles komt een end en op een gegeven moment beslist de regering dat ie dan toch eens naar een echte gevangenis moet. Een heel legerbataljon werd uitgestuurd om hem te transporteren. Maar hij ontsnapt en gaat weer op de loop. Dan roept de regering de hulp in van een rivaliserende Cali-kartel. Meer dan 300 van zijn medewerkers worden vermoord. Hiermee droogden zijn financieringsbronnen en zijn ontsnappingsmogelijkheden serieus op en in december 1993 werd ie uiteindelijk gedood terwijl hij probeerde te vluchten over de daken. Wat een outlaw zeg!
Dan een oog gaan werpen op de Catedral Metropolitano. De grootste kerk ter wereld gebouwd met in de zon gedroogde bakstenen. Het zijn wel knoerten van 35 cm bij 10 cm. Ik vind de kerk maar niets. Vervolgens naar de Plaza de las Esculturas met beelden van Botero en El Palacio de la Cultura Rafael Uribe. Een heel raar gebouw van de Belgische architect Augustin Goovaerts van de jaren 1930. Nooit van die man gehoord. Als ik nog eens naar het gebouw kijk, het is me wel duidelijk waarom. Tot slot nog even naar het Parque San Antonio waar nog bronzen beelden van Botero staan. Eén ervan (een dikke vogel) is door een bomaanslag in 1996 vernield (met vele doden erbij). Botero heeft ernaast een nieuw beeld gezet: een enorme vredesvogel. Het Etnografsich museum was een losse flodder. Het museum is s zaterdags in de namiddag gesloten. Het zij zo.
04/03
Om 6:30 de modder- en puttenbaan op, terug naar de luchthaven van Bahia Solano. Of wat er voor moet door gaan. Het gebouw is een houten ranch zoals je dat ziet in oude cowboy filmen: verweerde en door de zon witgrijs geblakerde houten constructie, de houten afrastering van een halve meter hoog incluis. Ik check in en plots hoor ik tumult. Er loopt een koe over de landingsbaan. Het is me niet erg duidelijk waar ze zich nu het meest zorgen om maken: de koe of het naderende toestel. Ik denk eigenlijk het eerste.
Bij het inschepen merk ik dat de passagiersruimte nog kleiner is: een zetel langs elke kant en 8 zetels achter elkaar. Ik ben er in gelukt, zowel op de heen- als de terugvlucht mijn bagagegewicht te laten krimpen van 23 kg naar 12 kilo. Toveren bestaat niet, maar toch. Eerst heb ik alles wat ik in Bahia Solano niet nodig had opzij gelegd en achter gelaten in mijn hotel in Medellin. De rest heb ik verdeeld over mijn rugzakje en mijn trolley. De zwaarste dingen in mijn rugzakje, want dat wegen ze toch niet en de lichtste in mijn trolley. En zo weegt mijn trolley maar 12 kilo en hoef ik niets bij te betalen. Het zal leren verdorie. Ik vind alleen dat het vliegtuig tijdens de vlucht wat verdacht veel langs mijn kant overhelt. Maar dat zal wel mijn verbeelding zijn.
Eens uit de luchthaven moet ik een tai nemen om mijn spullen in het hotel in Medellin neer te gooien. De eerste taxi in de rij (want ze staan mooi gedisciplineerd aan te schuiven) is verdorie dezelfde man die me 5 dagen geleden naar mijn hotel gevoerd heeft. Het was een plezant gesprek en de rit duurde maar half zo lang. Hij wist nu de weg beter zei hij!
Van mijn spullen verlost wil ik asap beginnen met de stad te bezoeken. Want, oh ironie, ik heb niet veel tijd. Ik hou, in een stad van 13 miljoen inwoners, de eerste beste taxi tegen en het is weer prijs. Het is de man die me vier dagen geleden s morgens vroeg naar de luchthaven gevoerd heeft. Het wordt hier hoe langer hoe plezanter. Ik kom al bekend volk tegen!
Eerste bezoek is de botanische tuin. Wereldberoemd in Medellin en een stukje daarbuiten. Maar nu serieus. Mooi, heel mooi. Dan naar de zoo omdat er volgens mijn boek nogal wat dieren zitten die met uitsterven bedreigd zijn. Rommelig, maar ik heb wel een reeks mooie dierenfotos kunnen maken. Zoals bijvoorbeeld van een volledig witte pauw. En vogels die ik nog niet eerder gezien heb.
Terug in mijn hotel, vraag ik waar ik in de buurt het traditionele gerecht bandeja paisa kan eten. Een hele Colombiaanse uitleg dat het eigenlijk een middagmaal is, want te zwaar voor s avonds en dat dit gerecht wat uit de smaak aan het gaan is enz, enz. Ik haal mijn schouders op bij al die uitvluchten om toch maar niet te moeten zeggen kweetnie, wandel de straat een kwadro (één blok) af en op de hoek is er een restaurant met de naam 3 tipicos. Het laatste woord intrigeert me. Ik stap binnen en bekijk de menukaart. Wat ziet mijn lodderoog? Inderdaad: bandeja paisa. Het is wel degelijk stevige kost, met bonen, rijst, arepa (maïskoek zoals torilla), gemalen vlees, een gebakken ei, aguacate en spekjes. Ik heb alles opgesmikkeld en met twee pinten bier doorgespoeld. Een uitstekend avondmaal. Het zijn watjes die dat een zware maaltijd vinden!
03/03
Eerst even een beleefdheidsbezoekje gebracht aan de vlinders. Ditmaal waren ze wel op de afspraak. Dan een wandeling van 30 min. naar een kano voor een kanotochtje van enkele uren op de Tundo rivier. We zijn met zijn drieën (een Nederlands koppel en ik) en we beschikken over een lokale natuurgids. Eerst legt de gids met handen en voeten uit waarom we met een polyester kano varen en niet met een echte houten. Het antwoord is simpel: een houten kano vergt een boom van rond en om 1 meter diameter. Dat impliceert een boom van minstens 100 jaar oud. En een houten kano blijkt hier maar vijf jaar mee te gaan. Zijn agentschapje maakt gebruik van 3 kanos. Dat wil dus zeggen dat hij om de vijf jaar drie kanjers van minstens 100 jaar zou moeten vellen. Dat kan de omgeving onmogelijk produceren. Dus is de polyester boot milieuvriendelijker dan een houten kano. Want die gaat allicht een eeuw mee. Nu gij!. De groenen moesten het horen.
We maken kennis met (ik som even op voor mijn eigen documentatie)de ardea alba (die als knaap spierwit ziet en daarna een blauwe schijn krijgt), de chestnut-oropendula (psarocolius wagleri), de actitus macularius, de trogon chionurus , de butorides stratia , de chloroceryle aenea en de megaceryle trorquata. En ik maar vertalen van Spaans naar Nederlands. De Nederlandse man heeft een Nikon D7000, dus net wat minder recent dan de mijne Hij heeft een hele batterij lezen bij. Zelfs een lichtkanon van 500 mm. Ik hoef u niet te vertellen dat de meeste vogels al gaan vliegen zijn voor hij van lens verwisseld heeft. Maar als ie de juiste lens gemonteerd heeft, zijn de fotos weergaloos. Maar hij klaagt net als ik over die niet erg intelligente autofocus en de gedegradeerde faciliteit van de handmatige scherpstelling. Tiens ik ben dus niet de enige!
In de namiddag nog wat mooie vogeltjes gespot en gefotografeerd en dan beginnen inpakken. Morgenvroeg om 6uur moet ik klaar staan en ik probeer inpakken in het donker te vermijden.
02/03
Ik heb vannacht weer geslapen als een blok. Het heeft blijkbaar tonnen water gegoten. Mijn palmdaken dak heeft niet alle water kunnen tegen houden. Gelukkig zijn de essentiële spullen droog gebleven. Het is intussen gestopt met regenen, maar mijn plan om vanmorgen om 7 uur naar de vlinders te gaan kijken valt letterlijk en figuurlijk in het water: geen zon geen vlinders.
Dan een boot in naar Playa Blanca. Het strand ziet licht grijs: zwart zand van de vulkanische oorsprong en wit zand van het afgestorven koraal. Vandaar een wandeling door een enorm mangrove gebied van het reservaat Utria. Dat is met geen woorden te beschrijven: een heel woud van bomen met makkelijk een meter van hun wortelstelsel boven het wateroppervlak. Het water wemelt van allerlei vissen en kleurrijke krabbetjes; de lucht hangt vol met kleurrijke maar hyperkinetische vogeltjes. De kolibris zoemen me om het hoofd. De gids, Paul - een Amerikaan die vlot Spaans praat en zijn doctoraat over het leven van bepaalde vissoorten in de mangroves voorbereidt, vertelt over de heteropriacanthus cruentatus. Die begint als een klein visjes tussen de wortels van mangrove bomen, als hij daar te groot voor geworden is, verhuist hij naar de overhangende rotsen aan de kust. Als die behuizing ook niet meer volstaat, nestelt hij zich definitief in volle zee. Dan is hij intussen al 3 meter lang en weegt makkelijk 400 kg!. Dan doet hij niets meer dan wat rondzwemmen en als hij honger heeft legt hij neer en hapt naar alles wat voor zijn muil passeert. Hij heeft namelijk een enorm brede en grote schuurdeur. Als hij hem open spert, creeërt hij een klein vacuüm in zijn muil waardoor hij alle water en vissen in de buurt naar binnen zuigt. De gids vertelt dat zijn collega, een harpoenjager, ooit op zo een volwassen exemplaar gebotst was (waauw, zo een kanjer van een vis, die moet ik hebben, want anders gaat niemand mij geloven)en hem wilde doden. De vis had die snode bedoelingen snel door en opende zijn enorme muil. De gast werd tot zijn middel in de muil gezogen. Hij kon zich met veel moeite los wringen, maar de huid van zijn lichaam was door de tanden van de vis helemaal open gekrast en gescheurd. Een volwassen dier heeft blijkbaar vele scherpe tandjes. De revalidatie van de onfortuinlijke harpoenvisser heeft meer dan een jaar geduurd.
Hij wijst ons ook een baai een waarvan de verbinding met de oceaan (de Stille) erg smal en zelfs vrij ondiep is, voor een walvis toch. Maar meer landinwaarts wordt de baai flink wat wijder en vooral erg diep. Een ideale plaats voor walvismoeders om hun pasgeboren jongen fatsoenlijk te leren zwemmen. Hij zegt dat het bij momenten wondermooi is om te zien hoe die enorme beesten zo voorzichtig en attentvol met hun pasgeboren spruiten omspringen/omzwemmen.
Dan begint het te stortregenen, zoals dat alleen in het tropisch regenwoud kan. Kloddernat. Gelukkig dat ik mijn camera tijdig in een waterdicht zak heb kunnen opbergen. Als ik terug bij mijn hut aanland zit een Basilisco, een kleurrijke reuzenhagedis, mij op te wachten. Prachtig. Na het avondeten komt de gids Paul nog eens langs met zijn laptop en toont wat filmpjes die hij met een professionele camera onder water gemaakt heeft. Ik heb daar zo een beest zien passeren van ca 1m lengte. Ik zou me niet gerust voelen in het water.
Dan neemt hij ons mee naar het strand voor een speciaal natuurfenomeen. In deze periode van het jaar wordt hier veel water vanuit de diepere zee vermengd met de bovenste lagen. Het effect ervn is onder meer dat er relatief veel algen in de bovenste waterlaag komen te zitten. Telkens als een serieuze golf in de branding neerslaat, doen de hiermee gepaard gaande turbulenties. En dan geven de algen licht af. Bij de nacht is het een opmerkelijk fenomeen. De zee op zich is inktzwart en de overslaande golf geeft over de ganse lengte en hoogte van de golf een spookachtig licht af. Heel speciaal, een beetje spookachtig zelfs. Want zodra de golf is uitgerold verdwijnt het licht. Bioluminiscentie heet dat fenomeen. Fotograferen lukt niet. Het licht is té zwak voor de camera. Zelfs met een sluitertijd van 4 seconden trekt de camera niet. Een langere sluitingstijd heeft geen zin, want dan is de golf zeker geveegd.
01/03
Gisterenavond voor de eerste maal een lekkere steak gegeten. Met chimichurri saus, iets met veel groene kruiden en een zee van olie. Ik moet toegeven dat het ditmaal fijn vlees was. De vorige malen was dat eerder een minpuntje, om het zacht uit te drukken.
Ik moet om 8 uur in de luchthaven staan voor een lokale vlucht over de Serrania de Baudó, naar Bahia Solano. De toestellen waarmee ik vlieg worden alsmaar kleiner. Het vliegtuig van gisteren was nog een cityhopper, nu is het een mini dingetje met 17 stoelen. Ik word opgewacht door een chauffeur die mij, samen met een koppel uit Roosendaal, door het tropische regenwoud rijdt richting kust. Onderweg worden we twee maal tegen gehouden door een cel zwaar bewapende militairen. Als ik hen vraag naar de toestand hier (we zitten niet zo ver weg van de grens met Panama) antwoorden ze me dat alles nu rustig is. Wat dus betekent dat het daarvoor niet zo was. Slik.
De eco-lodge waar ik verblijf is weer een schot in de roos. Het draagt de naam El Almejal. Prachtig gelegen, aan het strand van de Stille Oceaan. Zoals je weet is dat is een eufemisme. Ik ken geen oceaan die grimmiger is dan de Stille. Whats in a name. Vanuit de raam aan de achterkant van mijn lodge kijk ik naar een muur van zwoel en vochtig groen, 250 meter hoog zegt mijn gids. Ik kom onder de indruk van de overweldigende macht van de natuur. Almejal is een schelpdier dat aan de kust van de Stillen Oceaan leeft, zoiets als een venusschelp of kleine mossel of zo.
Het programma ziet er als volgt uit: deze namiddag een wandeling door het terrein van de lodge met commentaar van de uitbater van de eco-lodge, morgen een dagtrip naar het Nationaal Natuurpark Ensenada de Utria en overmorgen een kanotrip door het tropisch regenwoud. Ne mens zou voor minder ook al in zijn nopjes zijn. Zelfs al zal ik geen walvissen kunnen bewonderen, want dan moet ik hier nog een paar maand blijven (september-oktober) en dat vind ik toch wat overdreven.
Eerst een middagmaal met guayanaba vruchtensap. Opmdat het nogal geconcentreerd sap is lengen ze het baan met water. De uitbater van de lodge zweert op zijn communiezieltje dat zijn bronwater perfect veilig is en legt met handen en voeten de zeven opeenvolgende cycli van zuivering uit. De verleiding is zeeeer groot, dus waag ik het toch voor een paar godzalige slokken. Binnen de 4 uur weet ik het resultaat van MIJN labo-onderzoek.
De wandeling door het domein van de eco-lodge is wreed interessant. De uitbater vertelt ronduit. Over de schildpadden die ze naar zee brengen (meer 100.000 al), over de bloemen (de voortplanting bij orchideeën; sommigen maken met hun nectar de bijen zo dronken dat ze omvallen en door de onderliggende bloemblaadjes mét de meeldraden worden opgevangen), de palma salcona, een boomsoort die zichzelf tot 3 meter ver kan verplaatsen (het begint met een noot , één wortel en één tak; de tak zoekt naar de standplaats om het zonlicht maximaal te kunnen capteren; dan maakt ie wat verder een nieuwe wortel en een nieuwe tak; en zo verder dat hij binnen een straal van 3 meter van de originele noot niet meer zonlicht blijkt te kunnen vangen. Dan stopt het wandelproces en begint hij voor echt te groeien. En een boom die in complete symbiose leeft met mieren. De boom is van binnen hol en daar leven de mieren veilig en voeden zich met de boomsappen. Als compensatie voor deze gratis kost en inwoon, vallen de inwonende mieren elke mogelijke vijand, indringer of aanvaller met zn allen aan. En beiden leven nog lang en gelukkig. Er is ook een Choibá boom waarvan het hout zo hard is dat bij het vellen ervan met een bijl of een kettingzaag de gensters weg springen, net alsof het ijzer is. We stoppen ook bij een Samia, een boomsoort die al 20 miljoen jaar bestaat. Hij groeide met andere woorden toen de dinos nog leefden. Een levend fossiel dus; Speciaal is dat ie de vorm heeft van een palmboom, maar met bladeren. Geen gewone, maar heel dikke en taaie. Zo erg dat geen enkel insect of mier er aan komt. Hij is ook de eerste plant in de geschiedenis van de aarde die zich niet voortplantte met sporen (zoals varens) maar met zaad. En nu sta ik er pal voor.
Onder het gebulder van de Stille Oceaan kruip ik, na een afkoelende douche, onder mijn muskietennet en val in slaap.
Nog een anekdote. Eergisterenavond en gisterenavond heb ik, gezeten
onder een aguacate boom vol avocadovruchten, lekker Italiaans gegeten. Op de
achtergrond speelde Weense walsmuziek. Dat bij 35 graden om 21 uur buiten, gewoon
zalig. De zaak wordt uitgebaat door een Oostenrijker Walter Gürth. Als jongen
gast thuis weggelopen, gaan varen, aangeland in de Caraïben en uiteindelijk tot
rust gekomen in Mompox, Colombia. Ik kom hier nogal wat exotisch volk tegen
hoor.
Tijdens de nacht heb ik mijn eerste nachtmerrie gehad. Ik
schonk er geen aandacht aan. Vannacht echter 2 nachtpaarden tegen gekomen. Na
al mijn reizen weet ik dat het een neveneffect kan zijn van malariapillen.
Gelukkig kan ik vandaag ermee stoppen. Pas als ik naar Laeticia in de Amazone trek, moet ik er opnieuw mee
beginnen.
A day in the life of a Colombian.
Het programma voor vandaag is simpel: ik moet naar de
luchthaven van Corozal om daar een vlucht naar Medellin te nemen. Tijd vereist
voor het transport wordt door Colombianen geschat op ca 1,5 uur. Dat is de
theorie, nu de Colombiaanse realiteit. Ik begin met de duurtijd wat te verhogen:
zes uur in plaats van anderhalf uur. Gisterenavond zet ik mijn wekker op 6 uur
en dan merk ik dat er in kleine lettertjes op mijn A4 vliegticket vermeld staat
dat ik 24u op voorhand mijn vlucht moet herbevestigen. Te laat gezien. De
kantoren van ADA sluiten s zondags om 18u. Het zij zo, we zien wel. No te
preocupes. Ik begin heel mijn bagage uit te laden en te herschikken om alle
zwaar stukken in mijn rugzakje te proppen, want ik moet betalen over
overgewicht (méér dan 15 kg zegt men mij overal). Ik luk er aardig in: mijn
rugzakje weegt naar schatting wel 5 kg. Beter gaat echt niet. Ik krijg de
ritsen nog amper dicht.
Dan ga ik slapen, want morgen vroeg zijn de kantoren van ADA
vanaf 6u terug open. Het is een kleine luchthaven (zoals Deurne), dus dat zit
wel snor. Na de nachtmerries sta ik om 6u op om te telefoneren en het laatste
in te pakken. Als ik met mijn smartphone bel, krijg ik als antwoord dat dit
nummer niet bestaat. Ik probeer meerdere malen, maar telkens hetzelfde
antwoord. Dus vraag ik aan de balie van Casa Amarillo, waar ik verblijf, of zij
voor mij kunnen bellen. Antwoord is ontnuchterend: we willen wel, maar we weten
niet hoe dat hier werkt. Je zal moeten wachten tot 8 uur. Ik moet er mij bij
neer leggen en besluit om dan maar eerst van
een lekker ontbijt te genieten. Het is intussen immers 7 uur voorbij. Aan
tafel doe ik luidop mijn verhaal en een Colombiaans koppel dat op reis is,
stelt me gerust. Het is niet omdat er 24 uur op dat ticket staat, dat je die 24
uur strict moet interpreteren. Je kan herbevestigen tot 2 uur vóór de vlucht
(tiens, tiens!). Maar, zegt de man, ik begrijp uw bezorgdheid, ik zal voor u
eens proberen. Ik zie dat hij maar een deel van het telefoonnummer dat op mijn ticket staat, intikt. Hij laat het eerste cijfer weg, cijfer twee en
drie vervangt hij door 03 en hopla hij heeft onmiddellijk een verbinding. Dat
probleempje is dan opgelost. Je moet het maar weten.
Volgende stap. Nu moet ik een taxi aan mijn hoteldeur
krijgen voor de trip naar Bodégas. Blijkt dat er geen taxis in het stadje
mogen rond rijden (had dat gisteren nochtans gevraagd) , alleen motos met een
aanhangbakje voor 2 of 3 passagiers. Dus moet ik eerst zo een aftands transportmiddel
zien vast te krijgen. Na 15 minuten passeert er dan toch zo een gedrocht en hij
rijdt me naar een soort terminal, maar voor taxis. Het is intussen 8 uur. Mijn
bagage wordt in een taxi geladen en dan gebeurt er niets. Na een kwartier
informeer ik discreet wat het probleem is. Er is geen probleem. De man wacht
gewoon tot zijn wagen vol zit. Eerder vertrekt ie niet. Na 45 minuten wachten
is het zover. Drie vrouwen en ik. Volgende stap: wie van de vrouwen gaat van
vooraan zitten. Mijn twee meter wordt compleet genegeerd. Ik besluit me niet te
mengen in zo een levensbelangrijke discussie tussen drie dames met een verlaagd
zwaartepunt. Maar ik zie wel het uur der waarheid naderen. Voilà, er komt een
compromis uit de bus: de minst dunne gaat van voor zitten. Als beleefde jongen
laat ik de twee andere sumas (wat zo
zien ze er een beetje uit) instappen en dan merken ze dat ik achteraan niet meer
in die sardienendoos raak. Na nog wat discussies onder hun drieën valt alles in
zijn plooi. Ik vooraan en de drie dames achterin. Ik heb de indruk dat ik de
achteras hoor kreunen. Maar het zal mijn verbeelding wel zijn. Zonder oponthoud
(zoals bijvoorbeeld een echt niet te voorziene tankbeurt) bereiken we na een
uur putjes en bultjes rijden de ferry plaats waar we de Rio Magdalena
oversteken. Halsbrekende toeren op een vervaarlijk doorbuigende loopplank, maar
mijn bagage en ik raken na een half uur droog op het gammele bootje. Zoals elke
boot hier, heeft ook dit exemplaar last heeft van fitten in de romp (beneden de
waterlijn hé). Tegen topsnelheid scheert dat gevaar voor de gemeenschap en de
volksgezondheid over het wateroppervlak in een wolk van opspattend water. Het
lijkt alsof ze een afgedankte straalmotor achter de boot gemonteerd hebben. Na
15 minuten watervliegen halen de boot en ik zonder ongelukken de overkant. Dan
een taxi naar de luchthaven Sincelejo in Corozal. Ik vind er één, maar het
verhaal is hetzelfde. Ik ben de eerste
klant en ik moet wachten tot zijn rijdende doodskist afgeladen vol zit
vooraleer hij vertrekt. Weer 30 minuten in de brandende zon wachten. We gaan weer
vrolijk boven de 40 graden Celcius. Zo zweten, man man. Als zijn bak vol zit
rijdt hij amper 100 meter , want daar moet hij allerlei paperassen invullen in
verband met zijn passagiers. Enfin, na 15 minuten is ook die klus geklaard en zijn
we weg voor een ritje van een kleine 2 uur.
Het is intussen al rond 11u. Halverwege blijkt dat zijn gastank ei zo na
leeg is. Hij hoopt dat we het enige tankstation met gas nog halen. Het lukt
hem. Daarna rijdt ie plots véééél sneller door. Op 10 km van Corozal zegt hij
mij dat de luchthaven Las Brujas heet en niet SIncelejo. Dat is de naam van het
stadje 25 km verderop. Nu begin ik stilaan zenuwachtig te worden. Ik wil niet
op het laatste moment in de verkeerde luchthaven staan (La Havana met zijn 5
luchthavens indachtig) en bel mijn reisagentschap op. Er volgt een uitleg die
verdacht lijkt op het grapje met de luchthaven van Brussels South, die niet in
Brussel ligt, ook niet in Chaleroi maar in Gosselies. Het is me nu duidelijk
waren onze Franstalige broeders hun chaosmosterd vandaan halen. Ik kom uiteindelijk
rond 13 uur aan in de Las Brujas van het stadje Corozal nabij Sincelejos.. Dertig
minuten vóór sluitingstijd van de check in!
Ik check in en mijn trolley weegt nog 18 kg (ik kom van 23
kg). Ik moet nog 21.000 pesos extra betalen. Ik probeer nog te argumenteren dat
iemand van 2 meter recht zou moeten hebben op een hoger plafond. Het helpt
niet. Bij de afrekening blijkt dat de limiet 10 kg bedraagt, en niet zoals
iedereen me wil doen geloven 15 kg. Eso es así: dat kost me 6-7 euro.
In de wachtzaal maakt een standje reclame dat ze middageten
serveren. Ik heb twee sneetjes brood met kaas en sla en een stuk chocoladetaart
met een koffietje kunnen bestellen. Dat was het enige waaruit ik kon kiezen. Ik was de enige klant en toch liep de
doorlooptijd van de bestelling op tot 20 minuten. De koffiezet was defect en
haar toastbroodjes waren op. Ik heb dit
verhaaltje eens helemaal uitgeschreven opdat je aan de lijve kan ondervinden
hoe het is om hier te leven en rond te reizen. Elke dag wreed spannend! Maar je
moet er tegen kunnen.
Goed uitgeslapen en lekker ontbijt genomen. Het vruchtensap
is nu een naranja, maar het is een vrucht tussen limoen en appelsien in. Ze is
half zo groot als een gewone appelsien zoals wij ze kennen en ze heeft een
schil en de kleur van een limoen. Het sap is zalig. Een optimale mengeling van
limoen met appelsiensap. Gewoon al voor de fruitsappen zou ik hier willen
blijven wonen. De mensen zeggen me dat 80% van alle fruitsoorten op aarde in
Colombia voorkomen. Ik kan het goed geloven. En dat wil zeggen dat ik er nog
heel veel te proeven heb! Tijdens het ontbijt kennis gemaakt met een koppel van
Essex. Wereldreizigers waarbij ik in het niet zink. Wreed interessante mensen.
Ik heb hen o.m. het verhaal verteld dat de laatste reis met Nicole langs de
zuidkust van Engeland waar er een ober op mijn vraag welke vis een mullet
was, flegmatiek antwoordde: its a fish, it has two eyes and it swims like
this en hij maakt een golfbeweging met zijn hand. De Brit kwam niet meer bij
van het lachen.
Dan heb Mompox bezocht. Mooie straatgezichten. Niet voor
niets dat in dit stadje veel Colombiaanse films gedraaid werden. Onder andere
ook de verfilming van Marqués Kroniek van een aangekondigde dood. Daarnaast niet
veel bijzonders. Uiteraard is Bolivar hier enkele malen gepasseerd. Uiteraard
staat het vol met de obligate koloniale kerkjes, kloosters en hospitaalruimtes
en dergelijke. Maar ook drie interessante dingen. De eerste plaats waar ik halt
hou zijn de Portales de la Marquesa. Daar woonde , allicht eind 18de
eeuw maar ik weet het niet met zekerheid, ene Mijnheer Espalza Marqués de
Santa Coa y de Torre de Hoyos (tiens, die Hoyos ben ik Cartagena ook tegen
gekomen nietwaar), die onder meer zijn rijkdom haalde uit slavenhandel. Hij had
bovendien de gewoonte om eens per jaar een slaaf de vrijheid te schenken, naar
aanleiding van een loopwedstrijd. De uitverkorene was diegene die vertrekkende vanop
het kerkplein als eerste aan het grote kruis aan de gevel van zijn huis
aankwam. Dat kruis staat er nog. Na zijn dood bleef zijn echtgenote Doña Maria
Josefa Isabel de Hoyos y Mier daar nog 50 jaar wonen. Met een andere man, een
officier uit het leger van Don Pablo Morillo. Hier in het stadje wordt die
Morillo pacificador genoemd. In het scheepvaartmuseum had ie de titel wrede
dictator omdat hij begin 19de eeuw zoveel vrijheidsstrijders heeft
laten terecht stellen. Morillo trachtte immers, in opdracht van de Spaanse
Kroon, de onafhankelijkheid van Colombia af te weren. Tevergeefs zoals gebleken
is. Maar ik heb intussen opgemerkt dat
ik af en toe politieke gevoeligheden en tegenstellingen begin te voelen. Ik
begin me hier dus duidelijk thuis te voelen. Terwijl ik een foto neem van de
gevel, vraagt een man mij of hij Engels met mij kan praten om te oefenen. Ik
zeg van ja en er ontspint zich een heel interessant gesprek, waarbij hij de
geschiedenis van het huis uiteenzet. Goed, want ik vind er niets over terug in
de boekjes. Op het einde zegt ie dat hij wil proberen om binnen te raken in het
huis. Dat is uiteindelijk niet gelukt. De eigenaars waren niet thuis. Pech.
Uit de lessen geschiedenis die ik jullie gedebiteerd heb,
hebben jullie vast ok onthouden dat sinds de onafhankelijkheidstrijd het land
politiek in twee kampen verdeeld is: de conservatieven en de liberalen. Ahwel,
die tegenstelling is doorgetrokken tot op in het kerkhof. De liberalen langs de
ene kant en de conservatieven langs de andere kant. In het midden een breed
gaanpad. Voor wie interesse heeft in de politieke verhoudingen:: beide kanten
van de beschikbare begraafruimtes zijn helemaal volzet. Dan op zoek naar de
botanische tuin. Een half uur heb ik gezocht en niet gevonden. Tot iemand me
zegt dat ik een aftandse roestige metalen deur moet kloppen, weer in het midden
van een lange witte muur. Er doet niemand open. Ik merk dat de deur eigenlijk
op een kier staat. Ik stap dus binnen en ik zie in de tuin een oude man zitten.
Lang verhaal kort. Ik ben op het juiste adres en die botanische tuin is zijn
leven. Hij kent elke plant, boom en struik bij naam en de medicinale
toepassingen enz. Het Wikipedia hoofdstuk over planten en struiken en bomen stroomt
over mij, maar blijft niet kleven. De tuin is bovendien, zoals je wil kan
vermoeden, een grote wildernis en bij geen enkele plant of struik of boom staat
een identificatie. Als die man sterft gaat een schat aan natuurkennis in één
vingerknip verloren. Het enige wat ik mij in de hele informatiestroom onthouden
heb, is de stevia plant. Het is een miniscuul plantje dat laag bij de grond
groeit. Bijna een bodembedekker. Terwijl hij staat te drammen, duiken er plots
enkele roofvogels op die luidkeels van hun oren maken. Oei oei zegt hij, ik ben
met al dat gepraat hun eten vergeten. Hij gaat het halen en die vogels vliegen
er letterlijk op af. Heb er enkel schitterende fotos van kunnen maken. De naam
die hij gaf was tutu. Of zo iets, want noch de vogels noch hij hebben tanden.
Vanavond inpakken geblazen. Morgen neer ik het vliegtuig naar
Medellin en ik moet proberen gewicht te besparen. In de prijs van het ticket
zit namelijk maar 15 kg. Dat wordt wat.
Ik ben een vroege vogel, maar 4 u vind ik toch wel erg
vroeg. heb dan ook twee maal geverifieerd of ze het echt menen. Want zo vroeg
opstaan om dan een uur op hen te moeten wachten, dat vind ik erover. Maar neen,
ze pikken me op om 4:30 s morgens.
Zelfs als ik alles s avonds heb ingepakt, betekent dit om vier uur opstaan. Ik
ben gisteren dan ook maar heel vroeg in bed gekropen en gelukkig viel ik
onmiddellijk in slaap.
Niettegeloven: om 4:15 staat mijn auto klaar. En dan op weg
naar Mompox (ze spreken het uit als Mompos). We zijn alle verkeer voor en s
middags sta ik in de braadoven van Mopox. Zijzelf spreken ook van el horno. Het
stadje ligt op de plaats waar de Rio Magdalena in tweeën splitst. Die stroom is
vergelijkbaar met de Nijl. Nu het hier al in geen jaar (!) geregend heeft,
heeft ie nog maar de breedte van zeg maar de Schelde bij laag tij. Maar in het
regenseizoen kan die sterk aanzwellen. Ik zie een paal met de streepjes voor
het hoogste waterstanden ooit gemeten. Die van 2010 spant de kroon: een meter
boven de stoeprand, en die is pakweg 5m boven het waterpeil van vandaag. Dat
betekent dat in die periode de Rio Magdalena enkele malen breder was dan de
Schelde bij hoogtij.
Mompox lag aan de oever van de breedste arm en gold als
laatste stopplaats voor wie met de boot dieper het (toen onherbergzame)
binnenland in trok. Het was dan ook een welvarende stad tot begin 20ste eeuw.
Toen verzandde die arm van de stroom en viel de klok stil. In 1995 erkende de
UNESCO het stadje als werelderfgoed en werd heel veel met respect voor het
verleden gerestaureerd. De inwoners verdienen hun kost met het opkomend
toerisme en met zilverbewerking. Dat laatste is geen toeval. Voor de inval en
de volkerenmoord van de Spanjaarden was deze streek en de indianenstammen die
hier van oudsher woorden- gespecialiseerd in zilverbewerking. Tradities zijn
ongelooflijk taai, nietwaar.
In het hotel hangt er reclame voor een boottocht op de Rio
Magdalena, waarbij er vogels te zien zijn. De start is om 3 uur. Ik boek onmiddellijk.
Het is weer nooit wat het lijkt te zijn. De boottocht is slechts een overzet
naar de andere oever van de rivier. Dan word ik, samen met de andere
geïnteresseerden (gedupeerden was ik al aan het vrezen) op een laadbak achter
een moto geladen/ gestapeld. Enkele kilometers hotsen en botsen we in een
stofwolk (geen regen sinds een jaar nietwaar) over hobbelige zandwegen.
Onderweg worden wij ingehaald en voorbij gestoken door een moto met tussen de bestuurder en die achterop zit een hele
buitenboord motor van zwaar kaliber. Ik schat dat het beest tussen de 50 en 70
kg weegt. Ze vliegen ermee over putten en bulten. Ik neem er een foto van omdat
het zo een waaghalzerij is. En dan komen we aan een immens binnenmeer, een
soort meander van de Rio Magdalena. We klauteren opnieuw in een boot en naar
100 m varen verandert plots alles: duizenden watervogels en roofvogels.
Schitterende boottrip. In het begin duvel ik op mijn camera omdat ie te traag
is. Zelfs op een duizendste van een seconde, zijn de meeste dieren hem te snel
af. Ofwel omdat ie niet rap genoeg kan scherpstellen, of het gewoon vertikt om
scherp te stellen, of omdat de tijd die verloopt tussen in het drukken van de
ontspanknop en het neerklappen van de spiegel in vogeltermen- een eeuwigheid
is. Het aantal wazige fotos of scherpe fotos va een vogelstaart gaat naar de
honderd. Tegen beter weten in blijf ik maar proberen. Na drie uur, komt een
mede reiziger naar mij en vraagt welk toestel dat ik heb, want hij zou zijn
Canon graag in het meer gooien, zo heeft hij zich geërgerd aan de problemen met
de scherpstelling. Hij had maar enkele fotos die min of meer door de beugel
konden. Het verschil met mijn resultaat (ik heb er een 20 tal excellent) is
verbluffend. Besluit: mijn camera is inderdaad stukken beter dan de vorige en
veel beter dan een doorsnee Canon, alhoewel er nog steeds wat schort aan de
scherpstelling. Topprestatie van mijn camera: een kingfisher (ca 5 cm groot, staart inbegrepen) van 20-30
m haarscherp getrokken. Bij 6 x inzoomen is ie nog voldoende scherp. [voor Jan:
herinner je je nog dat ik niet wist hoe het vierkantje voor de scherpstelling
op één punt te kunnen verplaatsen? In het begin kon ik dat probleemloos
verschuiven, dan soms wel en soms niet en sinds een week helemaal niet meer.
Het blijft nu onveranderd op zijn zelfde plaats staan].
Op de terugweg kom ik een boom tegen, bijna zonder bladeren
en aan de naakte takken hangen grote groene vruchten. Niet vergeten: hier
verliezen de bomen hun bladeren 5of toch een deel ervan) in de zomer, wegens de
grote droogte. In het regenseizoen worden de bomen terug groen. De vrucht heet
totume. Ze is zo niet te eten. Maar ze wordt gebruikt voor medicinale
toepassingen (ontsmetting en ademhalingsproblemen) en in soepen (om aan te
sterken na een griep). Tijdens de overzet van de Rio Magdalena hoor ik een
afschuwelijk gekrijs. Een varken wordt heftig aangevallen door een vijftal
honden. Het gaat er hevig aan toe. Op de duur springt het varken in de Rio.
Eerst blijven de honden op de oever vervaarlijk staan blaffen, maar dan
springen ze met zn allen ook in het water en het gevecht gaat verder in het
midden van de stroom. De eigenaar van het varken probeert tevergeefs de meute
van elkaar te scheiden. Maar de lukt verplaatsen zich te snel en hij komt telkens
net iets te laat aan. Terwijl het gekrijs van het varken blijft aanhouden, is
de man op zoek naar een prauw of zo om zijn varken te redden. Ik weet niet wat
vde uitslag geworden is.
Het is donker als ik terug in mijn hotel aankom. Ondanks
mijn 50+ protector en mijn hoed met brede randen voelt mijn aangezicht verhit
aan en het ziet rood. Ik smeer er aftersun aan en hoop het beste. De rest heeft
geen hinder ondervonden, want ik heb een hemd met lange mouwen aan gedaan.
Lekker warm zeg! Ik ga naar de Italiaan op de hoek van de volgende blok.
Schitterend restaurant. Goed voor een ster bij ons. Als ik terug naar mijn
hotel ga loop ik weer door zo een typische donkere straat: een stofferige
zandweg, een witgekalkte gevel met hier en daar een lantaarn met wat schaars
licht. Net zoals het bij ons moet geweest zijn toen vader een kind was. Een
toch heb ik geen gevoel van onveiligheid. Ik merk zelfs het fotogenieke van de
straat op, ik stop en neem een foto. Mooi zeg!. En dan ga ik slapen.
Vandaag staat een bezoek aan Islas del Rosario op het
programma. Dat is een reeks van eilanden ten Zuidwesten van Cartagena. Ze zijn
bekend om hun koraal en de typische lage vegetatie. Te laat heb ik me
gerealiseerd dat dit een georganiseerde dagtrip is, waarvoor ik me moet
inchrijven en dat het hoe dan ook voor een stuk neer komt om te kankerbruinen
op een hagelwit strand onder een gloeiende zon. Net iets te veel voor mij. Ik
zoek en vind een oplossing. Ik schrijf me in voor zo een dagtour, laat het
ontbijt voor wat het is ( het wordt namelijk pas vanaf 7:30 geserveerd n ik ben dan al even onderweg). maar op het
strand ga ik op zoek naar een transportmiddel omme naar een pas geopend aviario
(een nieuw woord dat ik geleerd heb. Het is een equivalent van Burgers bush in
de Veluwe). Op de heenrit ben ik een curiosum want ik ga NIET zonnebanken. Het
was inderdaad schitterend. Ik hen zeer veel vogels gezien, ik heb er heel wat
kunnen fotograferen. Het was weer een gok, ik was weer helemaal alleen, maar ik
was volmaakt gelukkig. Zelfs al zag ik scheel van de honger. Op de terugweg ben
ik weer een curiosum want ze willen allemaal de fotos zien die ik gemaakt heb.
Terug in de stad probeer ik voor de laatste maal om binnen
te geraken in het huis van onze slavenmonopolist, Marqués de Valdehoyos. Met
flink wat speeksel en overtuigingskracht is het me nu wél gelukt. Ik was te
weten gekomen dat het gebouw nu tot de Kanselarij van de regionale regering
behoort. Dus begin ik wat te emmeren over de Kanselarij van de Eerste Minister van
België (ik was het woord Kanselaria gaan opzoeken in het woordenboek) en zie,
de deuren gaan open! Het loonde de moeite om dagen vol te houden. Een pracht
van een huis. En allemaal eerlijk verdiend door negerkens te vangen en daarna
als slaaf te verkopen.
Nog een laatste maal uitstekend gaan eten bij La Mulata
(zeebaars met mosselen , inktvis en een langoust en rijst gegaard in
cocosmelk). En naar goede gewoonte heb ik weer een beetje aguacate gegeten met
veel limoensap erop. Weer geen pronbleem. Er is nog hoop op mijn oude dag.
Het is half negen. Ik ga slapen want ik moet om 4:39 paraat
staan staan.
Ik ben nar het scheepvaartmuseum geweest en ik heb een
antwoord gekregen op veel vragen die ik nooit heb durven stellen. De eerste
piraat in de Caraïben, de naam waardig, was een Fransman Robert Ovallo. Hij was
actief in de regio in de periode 1556. In 1559 verschijnt een tweede Franse
piraat aan de horizo Martin Coté. Hij zag het groot en beschikte over een
knokploeg van 1000 piraten. Daar kan je al wat mee aanvangen. Hij wilde de stad
innemen, maar dat lukte niet zo best. Zijn broer Juan de Beautamps, die
duidelijk uit hetzelfde hout gesneden was, deed ook graag mee. Maar de lol was snel over. hij moest
afhaken, wegens een Caraïbische pijl die hij gratis in zijn buik gekregen had.
Nu, ik heb die pijlen gezien. Dat zijn staken van een meter lang en een pink
dik. Niet te verwonderen dat onze Beautamps dat niet overleefde. Coté richtte
al zijn kanonnen op de stad en dreigde alles plat de bombarderen als Cartago
hem geen serieus losgeld betaalde. Wat ze dan ook deden. Daarmee waren op korte
termijn de meubelen gered, maar daarmee was ook het hek van d dam.
In 1568 komt de Engelsman John Hawkins dat nog eens
overdoen. Maar ditmaal weigerde de
gouverneur Don Martín de las Alas het losgeld te betalen en bombardeerde de
piratenvloot vanop de kust. Hawkins is dan maar gevlucht en wilde zijn geluk in
Santa Marta beproeven. Maar de man had pech. Onderweg (en dat is nochtans niet
zo ver) botst hij toch op de Spaanse Flotta de Tierra Firme. Heel zijn
kapersvloot een diggelen geschoten. Hijzelf is ternauwernood kunnen ontkomen.
Probeer dan al eens piraat te spelen
zeg!
Heel mijn jeugd heb ik me afgevraagd hoe een piraat zijn
schip in de Caraïben kon verbergen om dat plots als een deus ex machina
tevoorschijn te komen. Nu weet ik het. De Spaanse galjoenen waren schepen met
grote diepgang. Nogal wiedes, ze moesten liefst zoveel mogelijk in één keer de
oceaan zien over te krijgen. De Caraîbische zee ligt bezaaid met kleine
eilanden met veel inhammetjes en relatief lage begroeiïng. De kaperschepen
waren relatief kleine vaartuigen, met kleine diepgang. Die konden daar wel
varen en gezien hun kleine omvang goed verschuilen in de baaien en inhammen.
Bovendien waren ze daardoor veel sneller en makkelijker wendbaar. Vandaar.
Nu het verhaal van de San José. San Jos werd in Baskenland
gebouwd in de periode 1696 1699. En uitgerust met 64 kanonnen en plaats voor
500 man. Het was 39 m lang en 11,5 m breed. Alhoewel het galjoen er niet voor
geschikt was werd het in 1708 hals over kop ingeschakeld voor het transport van
de fiscale inkomsten van Perú van de vorige 7 jaar (1 miljard dollar in geld
van vandaag) asap naar Spanje te vervoeren. Dat was hoogdringend omdat de
Spaanse kroon zonder geld zat. Dat kwam omdat Carlos II kinderloos overleden
was en als troonopvolger José Fernando van Habsburg had aangewezen. Dat was
niet naar de zin van de Franse koning Lodewijk XIV. Die wilde dat zijn neef
Filips II van Bourbon, getrouwd met de Maria Teresia van Habsburg, de dochter
van de overleden Carlos II. Zo een machtstrijd kost veel geld en de Spaanse
Kroon had sinds 1700 geen cent meer goud meer ontvangen van Zuid Amerika.
Vandaar. Maar de San José was gemaakt van minderwaardig hout en hij maakte
constant water. Zo erg dat het buskruit, dat normaal onder in het schip, goed
afgeschermd met loden platen, bewaard wordr niet meer droog kon blijven. Dat is
een vrij essentiële voorwaarde, want anders is buskruit nutteloos. Dus werd het
in afgeschermde bakken op het dek bewaard. Dit Britten krijgen lucht van de
waardevolle vracht en overvallen de boel met de bedoeling het schip te
veroveren. Ofwel door het te enteren ofwel door de kapitein tot overgave te
dwingen. De Spaanse mariniers proberen het schip de haven van Carthago binnen
te varen om dekking te zoeken, maar de Britten kunnen sneller en beter
manoeuvren en blokkeren de vluchtweg. Ieder bereidt zich voor op de aanval, er
wordt uiteraard met vuur en met buskruit gespeeld en dan volgt een enorme knal.
De hele voorraad buskruit van de San José en de San José zelf vliegt de lucht
in. De Britten schrijven in hun logboek dat het schip verging op de tijd nodig
om het Credo te prevelen. En dat is het schip dat onlangs in het nieuws is
gekomen.
Het verhaal is bijlange nog iet gedaan, maar ik maak het
kort. Onze Flup van Frankrijk was eigenlijk een heimelijk manneke. Hij kon het
niet goed verkroppen dat de Spaanse kroon hem dreigde te ontsnappen. Hij begon
met Europees diplomatiek overleg, maar het had een averechts effect. De
standpunten in Europa polariseerden en verhardden. Dus zon hij op wraak. Hij
stuurde een expeditie naar Cartagena de Indias om de stad te plunderen.
Cartagena was op dat moment de rijkste stad niet alleen van het Spaanse Rijk,
maar van gans de wereld. Cartagena was alom bekend voor zijn laag aflopende
stranden en zijn zware vestigingswallen. Dat ging dus een mission impossible
worden. Hij belastte dan ook zijn beste maritieme krijgsheren met die smerige
taak: Juean Bernard Desjeans, baron de Pointis en Jean Baptiste Ducasse (ik
schrijf hun namen zoals ze in het museum vermeld staan). Ik bespaar u het
verhaal, want ik er een meerdere zeekaarten voor nodig om uit te leggen hoe ze
erin gelukt zijn. Maar de verwoestingen waren buitensporig. Ik ga ook niet
vertellen hoe Drake het gedaan heeft en nog minder de chaos rond de vermeende
overwinning van Vernon tegen de eenogige, eenarmige en eenbenige Spaanse bevelhebber
Don Blas de Lezo. Alleen dit: deze redder in nood heeft een anoniem graf
gekregen. Sic transit gloria mundi.
Dan nog eens gaan eten in mijn favoriet restaurant hier: La
mulata. Zeeeer lekker zeefruit. Jumenas! Tot slot de adressen aangedaan waar ik
de eerste maal voor een gesloten deur stond. En oeps, het lukt dit maal wel. Ik
stap ongehinderd het stulpje van de Marqués de Premio Real (de
vertegenwoordiger van de Spaanse kroon binnen). Indrukwekkend groot, met vele
kamers. Maar eigenlijk niets speciaals. Ik ben wel blij dat ik in dit
historisch gebouw uiteindelijk toch ben binnen geraakt. Ik schep moed en ga ok
nog eens langs bij onze slavenmonopolist, Marqués de Valdehoyos. De deur staat
open verdorie. Ik stap binnen maar wordt bij de kraag gevat. Er is een
militaire top aan de gang ( ze gebruikten het woord cumbre en dat herinner ik
me nog van in Perú). Maar tegen 19u zou die wel afgelopen zijn en dan mag ik
nog eens terg komen. Ik geloof er niet in, maar ik zal het toch wagen.
Vervolgens naar het Convento San Agustin van 1580. In de bijbehorende kapel
stond een 250 kg zware zilveren sarcofaag. Onze Pointis heeft die gepikt en
naar Frankrijk gesleurd. Zijne baas, Louis, zat dat zo mee verveeld dat hij ze
uit pure schaamde heeft terug gegeven. Het was maar uitstel van executie want
tijdens de onafhankelijkheidstrijd hebben ze de sarcofaag gesmolten om de
revolutionaire troepen te kunnen betalen. Het klooster is nu de Universiteit
van de stad. Als ik er binnen stap, voelt het aan alsof ik den Ignas binnen
ga. Er hangt daar exact dezelfde sfeer. Tot slot nog even naar een van de
grootste patriciërshuizen van de 16 eeuw: casa de los Condes de Pestagua. Een
gigantisch complex met een voorgevel van ik schat 60-70 meter lang. Het is nog
in originele staat, weliswaar opgesplitst in een poepchique hotel en een immobiliën
kantoor. Wat een rijkdom.
Wat hebben we vandaag allemaal op school geleerd? Ik zal het
even opsommen.
De verdedigingswallen zien er indrukwekkend uit maar zijn
het niet. Ik heb in China stadswllen gezien die 3 x zo hoog en breed waren.
Echt waar, ik heb ze met een huurfiets de hele stand helemaal afgereden. Dat
valt dus wat tegen, maar eigenlijk kom dat omdat ik verwend ben. Dat is waar.
De Plaza de los Coches (Koetsenplein) is een eufemisme om de
ware geschiedenis van het plein te verdoezelen. Het plein ligt net achter de
stadswallen en de slaven die uit de schepen gelost werden, kwamen hier
letterlijk en figuurlijk op de markt. De cellen waar ze tot aan hun verkoop
werden opgesloten (los bódevas) staan er nog, op het plein ernaast. Mooi
opgekuist en fris geel geschilderd. De cellen zijn nu gevuld met
toeristenrommel en . POSTKAARTEN! De eerste in één maand. Terug ter zake: de
man die de licentie bezat om slaven (en ook bloem) in te voeren heette Marqués de Valdehoyos.
Zijn imposant optrekje ben ik gaan bewonderen, maar ik mocht niet binnen. Privé
bezit. Uit de boekjes heb ik wel geleerd dat de houten binnen afwerking subliem
is.
Dan langs het huisje van Marqués del Premio Real (want ik
mocht ook niet binnen) naar het Palacio de la Inquisición en la ventana de la
denuncia (de verklikraam). De truc om aan slachtoffers te geraken was simpel en
efficiënt. In de zijmuur van het Paleis was een raampje gemaakt langs waar
men vanuit een passerende koets haast ongemerkt een op papier geschreven verdachtmaking
kon posten. Het slachtoffer kwam heelhuids langs de grote poort binnen, werd
ondervraagd en bekende of bekende niet. Eigenlijk maakte dat niet veel uit. Als
hij/zij bekende, volgde de straf en die werd aan het publiek voor het Paleis
openbaar gemaakt. Bekende hij/zij niet, dan volgde de tortuur tot de bekentenis
kwam en dan verliep het proces op dezelfde manier. De klassieke truckjes waren:
benen en armen breken (radbraken dus), voetzolen verbranden, gewrichten uit
elkaar rekken enz. De straffen waren niet van de poes: 200 zweepslagen was de
standaard, met één hand door een spijker (dat was dikker en wat ruwer dan een
nagel) aan een paal genageld worden, 10 jaar galeislaaf bestond ook. En dat
allemaal op basis van anonieme aanklachten voor hekserij, joderij wat dat ook
mogen inhouden) en dergelijke. De inquisitie werd in 1610 in Zuid Amerika
ingesteld door de lieve, barmhartige Heilige Kerk. Ze heeft meer dan 800 mensen
een vreselijke dood bezorgd. Ik versta nog altijd niet hoe zo iets mogelijk is
binnen een dergelijke instelling.
Het jezuiëtenklooster waar San Pedro Claver geleefd heeft . Hij
was een jezuïeten monnik die zich het lot van de negerslaven aantrok en hier in
1653 overleden is. Zijn gebalsemd lichaam ligt er nog steeds tentoon gesteld.
Groot was ie in elk geval niet. Eerder kort gedrongen.
Voor een prachtig huis met een monumentale inkompoorts, twee
verdiepingen hoog (terwijl het overgrote deel van de huizen alleen een
gelijkvloers hebben) hou ik even halt voor een foto. Dan pas merk ik dat het
huis een naam heeft: Casa de Drake. En ja. Dat is het optrekje van onze Britse
zeerover Sir Francis Drake. Hij heeft er in 1586 gewoond. Die zeerovers waren
wel erg welgestelde mensen zeg.
Het voormalige huis van Gabriel Garcia Marqués staat ook in
Carthagena de Indias, maar is ook niet te bezoeken. Er staat een groot hoge
rode muur rond.
Het goudmuseum is weer een topper. Ik heb een, door een
Spaanse geschiedschrijver in 1552 neergepende getuigenis gelezen (dus van even
na de inval van de Spanjaarden) : ze halen het goud vanuit gelijk welke
rivier; soms vissen ze goudklompen op ter grootte van een ei. Nog zo een tekst: De gouverneur Pedro de
Heredia stuurt in 1533 een expeditie op de Sinú rivier (en Zuiden van
Carthagena) om de graven van de Zenú te gaan plunderen. De buit was zo groot
dat hij er meerdere jaren de werkingskosten van zijn regering mee kon
financieren. De stukken die in het museum tentoon gesteld worden zijn aan de
verzamel- en smeltwoede van de Spanjaarden ontsnapt. De hoeveel gouden
voorwerpen die hier aantroffen moet enorm geweest zijn.
Vervolgens naar de Iglesia Santo Toribio de Mogrovejo.
Tijdens de belegering door de Britse Admiraal Vernon in 1774 is, gedurende een
misviering, een Britse kanonkogel van ca 5-6 cm diameter dwars door het dak van
deze kerk gevlogen en op de kerkvloer beland. Zonder ook maar iemand te
verwonden. De kogel valt nog steeds te bewonderen in de kerk, achter een dik,
vettig en vuil glas;
In de namiddag ben ik de Spaanse vesting Castillo de San
Felipe de Barajas gaan bezoeken, het grootste fort dat de Spanjaarden in Zuid
Amerika gebouwd hebben. Daar ligt ook een kopie van het schema van de scheepsmanoeuvers
van de Britten om Carthagena in te nemen. Alhoewel Vernon er niet in gelukt is
de stad in te nemen, is hij er wel in geslaagd zijn inval door het Britse
Parlement als een overwinning te zien. Er staat in Carthegena een standbeeld
waar, op de sokkel, de spot met Vernon
gedreven wordt. Bovenop de sokkel staat de echte winnaar. De Spaanse bevelhebber
Don Blas de Lezo, die in de opeenvolgende gevechten telkens een onderdeel van
zijn lichaam verloor maar bleef doorvechten (alsof hij in een komische film speelde: een arm, een been, een oog).
Hij staat dan ook woest met zijn zwaard zwaaiend afgebeeld met een houten been,
met één arm en met een ooglapje.
s Avonds doe ik nog even de obligate tour met de koets door
de verlichte en bruisende stad. Mooi.
Ik heb de waanzinnige muggen van Santa Marta vaarwel gezegd
en de bus genomen naar Carthagena de Indias. Voor sommige mensen een naam als
een klok, voor anderen misschien nietszeggend.
Voor deze laatsten, neem ik de draad van de geschiedenis
terug op. De stad Santa Marta was wel goed gelegen, maar eigenlijk niet te
verdedigen. Na een paar plunderingen voor de ons bekende zeerovers, kwamen de
Spagnolen ook tot dat inzicht en ze voeren de kust verder zuidwaarts af op zoek
naar een locatie die beter voldeed aan de criteria die ik enkele dagen gelden
opgesomd heb. Na wat zoeken vinden ze op 13 januari 1533 die hier een baai
van15 km lang en 5 km breed met een traag oplopend strand en flink wat
zandheuvels. Een knoert van een baai dus met slechts twee nauwe toegangen
(Bocagrande in het Noorden en Tierrabomba in het Zuiden) en een groter rivier (Rio
Magdalena noemen ze hem) die in de baai uitmondt. Pedro de Heredia aarzelt geen
moment en beslist hier een nieuwe stad te stichten die de hub is geworden
voor de meeste van de transporten tussen Spanje en Zuid Amerika. Ze noemden de
stad Carthagena de Indias omdat ze nog steeds in de waan waren Indië bereikt te
hebben. De rijkdom van de stad groeide enorm en daar kwamen de piraten
uiteraard op af. Maar de verdediging van de stad was makkelijker. Vele Franse
en Engelse piraten hebben het geprobeerd. De meesten (zoals Vernon) moesten
afdruipen. Maar Franske De Draak lukte het in 1586 wel. Als reactie hierop
bouwden de Spanjaarden vestigingswallen van 12 m hoog en 17 m dik, met om de 10
m een kanon van ca 3 m lang. Ondanks al die inspanningen is de stad in 1697
toch nog eens geplunderd. Door Franse piraten nog wel, onder leiding van Baron
de Pointis en Jean Baptiste Ducasse. Het valt me op dat zowel Francis Drake als
de Pointis een officiële eretitel droegen (Sir en Baron). Ze moeten de
respectieve staatsfinanciën wel erg goed gespijsd hebben. Eigenlijk dus zoals
The Beatles drie eeuwen later (ergens eind jaren 1960) die om dezelfde reden
tot Sir werden benoemd door de Queen. In 1794 probeerde de Britse Admiraal
Edward Vervon het ook nog eens. De belegering heeft erg lang geduurd, maar hij
is moeten af druipen. Dan hebben de Spanjaarden de toegang Bocagrande
afgesloten. Sindsdien heeft de stad nog maar één toegangsweg naar de zee meer.
In 1811 verklaarde Carthagena de Indias zich onafhankelijk en begon de ambras
die ik al verteld heb.
Na vier uur bus kom ik in een oven terecht. Man zo heet. Dat
moet hier voor de Spaanse soldaten in hun harnas een hel geweest zijn. Doe daar
dan nog een extra geut mosquitos bovenop
en een normaal mens wordt helemaal krankjorum. De snelle rijkdom die ze voor
ogen hadden moet dan ook buitensporig geweest zijn. Ik weet dat de binnenstad
een kluwen van kleine straatjes is, dus neem ik een taxi. Die man doet alsof
hij de straat niet vindt. Hij doet er een half uur over. Maar ik merk omdat we
door straatjes komen waar we al geweest zijn. Dus zeg ik hem dat ik niet van
plan ben om meer dan 5000 pesos te betalen. Plots vindt hij het juiste adres
wel. Na enige discussie betaal ik 6000 pesos (iets minder dan 2 euro). Ik kom
er nog goed vanaf, want de stad is berucht voor het afzetten van toeristen.
Boekaniersbloed kruipt waar het niet gaan kan.
Ik heb verdorie meer last van mosquitos in Santa Marta dan
in het tropisch regenwoud. De verhouding van het aantal hits van de muggen is 1
tegen 20. Als er iemand is die met dat kan verklaren dat hij of zij recht sta
en spreke. En ik weet intussen dat ik niet de enige ben die het onverdedigbare
slachtoffer is van mosquitos locos.
Tijdens het ontbijt word ik wat misselijk. Er ligt iets op
mijn maag. Ik heb gisterenavond nochtans alleen een vers gemaakte pizza (met
mijn eigen ogen gezien) gegeten met 2 biertjes
erbij. Soit, ik neem een halve liter cola en de zaak is vergeten. Dan naar Expotour, de mannen die de trip naar Ciudad
Perdida organiseren. Ze luisteren naar mij en zeggen dan dat ze ook de mening
willen horen van de gidsen die ik gehad heb. Dus moet ik terug komen. Ze
speculeren er op dat ik geen tijd heb en intussen moet vertrekken. Quod non
uiteraard, want door het verlies van de 6de dag, heb ik een dag
vrij. In afwachting wandel ik door de stad en passeer toevallig voorbij het
Etnografisch Museum. Het museum was twee weken geleden gesloten wegens werken.
En in heel Zuid Amerika kunnen die wreed lang aanslepen. Ook in Colombia. Groot
is mijn verrassing dat de deur nu wagenwijd open staat en dat er iemand achter
het loket zit. Ik stap binnen want als de deur van een museum open staat
tijdens de openingsuren dan is het museum toegankelijk. Zo vind ik. Met de man
aan het loket ontspint zich het klassieke gesprek. Neen het is niet open, maar
ja omdat de deur open staat kan je wel binnen. Maar, alle zalen zijn leeg
wegens schilderwerken. Ik stap binnen en zijn uitleg klopt volledig. Alle zalen
zijn open maar leeg en er hangt een verfgeur. Werken zie ik niet maar dat is
ook normaal. Maar ergens staat er een bord van 2 bij 4 meter waar de
vermoedelijke woongebieden lagen van de indianenstammen eind 16de
eeuw. Dat is de eerste maal dat ik dat zie. Tot op heden wordt met talloze
onuitspreekbare namen gegoocheld en met de handen wat gezwaaid om aan te duiden
waar ze ongeveer woonden. Ik heb er een foto van genomen.
Dan ga ik op zoek naar postkaarten, want ik heb er tot op
heden nog geen enkel verstuurd. Ik zoek en vraag, maar nergens vind ik. Santa
Marta is nochtans een iets meer toeristisch oord. En dan begrijp ik waarom ik
nog geen kaartjes gekocht heb. Er zijn er begot geen! Morgen in Carthagena
probeer ik opnieuw. Die stad is het Brugge van Colombia. Als ik er daar geen
vind, awel dan zijn er geen.
Terug naar Expotour. Iedereen is op post en in mijn beste
Spaans begin ik aan de onderhandelingen. Eerst prijs ik de gidsen voor hun puik
werk (zo krijgen ze een bonus - dat weet ik). Ik zie een nauwelijks verholen
glimlach op hun gelaat. Dan som ik de punten op waar de organisatie in de fout
is gegaan. Als compromis stel ik voor dat ze me de gemiste nacht en de gemiste 3 maaltijden terug betalen.
Na wat gepalaver zijn ze akkoord en ik krijg mijn geld terug. Ik ben een beetje
fier op mezelf dat ik dat in het Spaans tot het gewenste einde heb kunnen
brengen. Opgelucht stap ik buiten en ik ga in Calle 1 (de zeedijk) op zoek
naar een restaurant waar ze chipichipi serveren. Dat is een typisch gerecht van
de kuststreek rond Santa Marta met een soort mosselen/venusschelpen. Maar het
lukt niet, het blijkt een lokaal gerecht te zijn dat alleen in één van de
volgende baaien wordt klaar gemaakt. Maar daar kan ik niet meer naar toe. Erg
om zeggen, maar te weinig tijd. Het zit namelijk zo: als ik er naar toe wil dan
is het vanavond, maar dan moet ik door de nog steeds te mijden (wegens te
gevaarlijk) havenbuurt. En dat risico zijn me die schelpen niet waard. Neen
dus. Op zoek naar eten kom ik een Chinees restaurant tegen en ze serveren
cazuela de mariscos. Een heerlijk visstoofpotje. De opdienster is Chinese, dus
zeg ik haar shèshè. Dank in het Chinees. Ze bleef aan de grond genageld staan.
Dan hebben we wat gebabbeld over China.
Enkele uren later steekt de mottigheid terug de kop op. Ik
schakel over op zwaarder geschut: twee tabletten Domperidone en een halve liter
cola. Ben benieuwd. Maar ik heb vanavond geen honger. Ik laat mijn maag en de
tabletten en de cola even hun werk doen.
Ik ben verdorie l een maand onderweg. Ik kan het weer niet
geloven, maar het is zo. Mijn planning liegt niet.
Als ik opsta heb ik de voor- en nadelen van de verschillende
opties opgelijst. Hier in kamp 1 in primitieve omstandigheden nog een dag
blijven is de meest voor de hand liggende optie: ik heb een bed en ik heb eten
(althans daar heb ik voor betaald!). Maar hier niets te beleven en ik heb niets
om handen, want mijn e-book, mijn tablet en mijn documenten zitten in mijn paardenvalies
in Santa Marta. En het regent. En de luttele kledij die ik heb stinkt uren
boven de wind. Een dag vroeger naar Santa Marta terug gaan, is verleidelijk. Ik
kan me eindelijk eens fatsoenlijk wassen in plaats van een vuile kattewas, ik
kan mijn vuile kleren naar de wasserij doen en ik heb alles bij de hand wat ik
nodig heb om mijn blog-achterstand op te halen. Eén nadeel: ik weet niet of ik
in Casa Verde, mijn hotel, waar ik voor de 22ste een kamer geboekt
heb, nog een hoekje vrij hebben. Ik kan niet bellen want er bestaat geen enkele
communicatiemogelijkheid. Een kamer zoeken in Santa Marta met al mijn bagage
achter mij aan is ook geen prettig vooruitzicht. Ik besluit de gok te wagen: ik
vertrek een dag vroeger en ik zal mijn extra vrije dag in Santa Marta gebruik
maken om te trachten een schadevergoeding los te weken van Expotour voor de
gemiste 6e dag. Ik weet hoe ik het kan uitleggen dat die gemiste dag
hun fout was. Ik denk dat het moet lukken. Nu nog te weten komen hoeveel een
bed en 3 maaltijden in kamp 1 kosten. Dat weet ik over welke getallen ik
kan/moet onderhandelen. Na een paar vraagjes aan verschillende mensen van
Expotour weet ik het: 60.000 pesos in totaal. Dat lijkt me realistisch want één
dag van de tour met gids en transport enz kost 100.000 pesos.
Op hoop van zegen spring ik in zee, zonder te weten hoe en
waar ik ga landen. Om 16u kom ik aan in Santa Marta. Een uur later dan
voorzien, want de Landrover begaf het onderweg. In Casa Verde hebben ze geen
kamer meer vrij. Ik laat mijn bagage in Casa Verde achter en ga op zoek. Adres
nummer 5, recht over Casa Verde, heeft er nog één vrij. Bingo! Stap één is
gelukt. Ik heb terug een uitvalbasis. Ik neem twee maal een lange douche achter
elkaar. De eerste om te weken, de tweede om te wassen. Man, je hebt geen idee
wat een wasbeurt met een mens kan doen. Met een gerust gemoed kruip ik in mijn
bed met mijn, in Deet gedrenkte klamboo over mij. Het helpt niet, ik word levend
opgegeten door dolgedraaide mini mugjes die joekels muggenbeten veroorzaken. Die indianen wisten verrekt goed wat ze deden
met hun lijfstraffen!
Ik heb vannacht blijkbaar weer diep geslapen. Ik heb niets
gehoord van al het gebraak en de niet aflatende toiletgang van flink wat de
deelnemers. Ik voel niets. Tiens, tiens, hoe zou dat nu komen.
Als ik ut mijn brits kruip merk ik dat het regent, zoals een
tropisch regenwoud eigenlijk hoort te doen. De bende, inclusief de zieken en de
buiklopers, vertrekken. Na 10 meter stappen zijn ze kloddernat. Mijn mula daagt
niet op. Zijn baas komt me zeggen dat als het zo blijft regen geen enkele mula het
steile zal willen afstappen. Die beesten kunnen het gevaar overduidelijk beter
inschatten dan vele mensen. Maar het klaart op en een uur daarna staat mijn
beest op hoge poten klaar. Het is verdorie bijna een paard. De eerste tien
minuten zijn wat angstaanjagend: boven op een ezel zitten als die een keien pad
met een hellingsgraad van pakweg 20% afdaalt, dat voelt raar aan. Maar het gaat
snel over. Ik zet me over mijn schaamte heen om twintigers, die hijgend en
puffend voortkruipen, voor te steken. Vanop zo een ezel kan ik de overweldigende
natuur verdorie veel beter bewonderen dan wanneer ik te voet voortstrompel.
Want heb ik meer oog voor de keien voor mijn voeten. Nu doet de ezel dat voor
mij. Op een gegeven moment steek ik een groep van 5 Colombiaanse vrouwen uit
Bogota voorbij. Eén ervan roept me na dat ik net Don Quichote ben. Waarop ik me
omdraai en armzwaaiend roep: vooruit vrouwen, ten aanval. Tegen de middag kom
ik in kamp 1 aan. Daar hebben ze iets meer uitrusting: er staat een mevrouw die
bij verdient met die afschuwelijk stinkende verdufde rommel te wassen. Ik maak
er gretig gebruik van, want de zon schijnt. Allicht krijg ik de spullen nog net
op tijd droog . Het is duidelijk dat ik de erg precaire situatie mooi onder
controle begin te krijgen. Alleen malariapillen lukt niet. De jeugd slikt die
niet meer omdat hun generatie van dokters beweert dat de nadelen groter zijn
dan de voordelen. Ik kan dus niet lenen tot we terug in Santa Marta zijn.
s Avonds kom ik te weten dat ik de volgende dag niet in
kamp 1 kan blijven (om mijn zesde dag te benutten). Ik moet met de groep, die
de trip op 5 dagen doen, mee verder trekken. Zo niet moet ik een extra nacht
betalen plus drie maaltijden. Discussiëren dat ik voor die zesde dag alles al
betaald heb, brengt geen zoden aan dijk. Mijn voorgevoel klopt dus: ze proberen
me een dag in het zak te zetten. Ik zal vannacht eens nadenken over mijn
strategie.
Nog wat over de indianen. Het gebied waar la Ciudad Perdida
in ligt is nu een natuur reservaat in handen van 3 indianenstammen: de Koguis,
Aruhacos en de Arsarios (ook Wiwa genoemd). Diegene die ik onderweg ben tegen
gekomen waren Koguis. Alhoewel het verschillende stammen zijn, lijken hun culturen
zeer sterk bij elkaar. En daar heb ik intussen al wat van geleerd. Een familie
heeft altijd twee ronde hutten. De wanden zijn van hout en twijgen en adobe.
Het dak van palmbladeren. Er is één hut oor de mannen en één voor de vrouwen.
Mannen en vouwen komen niet in elkaars hut, zij leven dus eigenlijk erg
gescheiden, elk met hun specifieke taken. Vrouwen en kinderen lopen blootvoets
voor een goed contact met moeder Aarde. Dat maakt hen sterk en gezond en
vruchtbaar. In dezelfde logica gebeurt vrijen overdag en in de open natuur. De
vrouw mag dan niet bewegen, want dat kan aardbevingen bij Pacha Mama
veroorzaken. Zodra een jongen 18 wordt, is hij volwassen en krijgt hij van de
sjamaan een poporo. Een kleine uitgeholde en gedroogde pumpkin. Daar doen ze gebakken
en dan vermalen zeeschelpen in. Vanaf 18 beginnen ze cocabladeren te kauwen. Om
het effect hiervan te vergroten halen ze met een likstok wat schelpengruis jt hun
potje en kauwen op het geheel totdat het effect uitgewerkt id. Wat overblijft
halen ze met hun likstok uit de mond en speren het aan de hals van de pumpkin.
Met de jaren wordt die kraag groter en harder.