Colombia2016
Inhoud blog
  • Vrijdag 8 april
  • Donderdag 7 april
  • Woensdag 6 april
  • Dinsdag 5 april
  • Zondag 3 april
    Zoeken in blog

    Beoordeel dit blog
      Zeer goed
      Goed
      Voldoende
      Nog wat bijwerken
      Nog veel werk aan
     
    29-02-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Zondag 28 februari

    28/02

    Goed uitgeslapen en lekker ontbijt genomen. Het vruchtensap is nu een naranja, maar het is een vrucht tussen limoen en appelsien in. Ze is half zo groot als een gewone appelsien zoals wij ze kennen en ze heeft een schil en de kleur van een limoen. Het sap is zalig. Een optimale mengeling van limoen met appelsiensap. Gewoon al voor de fruitsappen zou ik hier willen blijven wonen. De mensen zeggen me dat 80% van alle fruitsoorten op aarde in Colombia voorkomen. Ik kan het goed geloven. En dat wil zeggen dat ik er nog heel veel te proeven heb! Tijdens het ontbijt kennis gemaakt met een koppel van Essex. Wereldreizigers waarbij ik in het niet zink. Wreed interessante mensen. Ik heb hen o.m. het verhaal verteld dat de laatste reis met Nicole langs de zuidkust van Engeland waar er een ober op mijn vraag welke vis een ‘mullet’ was, flegmatiek antwoordde: its’ a fish, it has two eyes and it swims like this’ en hij maakt een golfbeweging met zijn hand. De Brit kwam niet meer bij van het lachen.

    Dan heb Mompox bezocht. Mooie straatgezichten. Niet voor niets dat in dit stadje veel Colombiaanse films gedraaid werden. Onder andere ook de verfilming van Marqués’ Kroniek van een aangekondigde dood. Daarnaast niet veel bijzonders. Uiteraard is Bolivar hier enkele malen gepasseerd. Uiteraard staat het vol met de obligate koloniale kerkjes, kloosters en hospitaalruimtes en dergelijke. Maar ook drie interessante dingen. De eerste plaats waar ik halt hou zijn de Portales de la Marquesa. Daar woonde , allicht eind 18de eeuw – maar ik weet het niet met zekerheid, ene Mijnheer Espalza Marqués de Santa Coa y de Torre de Hoyos (tiens, die Hoyos ben ik Cartagena ook tegen gekomen nietwaar), die onder meer zijn rijkdom haalde uit slavenhandel. Hij had bovendien de gewoonte om eens per jaar een slaaf de vrijheid te schenken, naar aanleiding van een loopwedstrijd. De uitverkorene was diegene die vertrekkende vanop het kerkplein als eerste aan het grote kruis aan de gevel van zijn huis aankwam. Dat kruis staat er nog. Na zijn dood bleef zijn echtgenote Doña Maria Josefa Isabel de Hoyos y Mier daar nog 50 jaar wonen. Met een andere man, een officier uit het leger van Don Pablo Morillo. Hier in het stadje wordt die Morillo ‘pacificador’ genoemd. In het scheepvaartmuseum had ie de titel ‘wrede dictator’ omdat hij begin 19de eeuw zoveel vrijheidsstrijders heeft laten terecht stellen. Morillo trachtte immers, in opdracht van de Spaanse Kroon, de onafhankelijkheid van Colombia af te weren. Tevergeefs zoals gebleken is. Maar ik heb intussen  opgemerkt dat ik af en toe politieke gevoeligheden en tegenstellingen begin te voelen. Ik begin me hier dus duidelijk thuis te voelen. Terwijl ik een foto neem van de gevel, vraagt een man mij of hij Engels met mij kan praten om te oefenen. Ik zeg van ja en er ontspint zich een heel interessant gesprek, waarbij hij de geschiedenis van het huis uiteenzet. Goed, want ik vind er niets over terug in de boekjes. Op het einde zegt ie dat hij wil proberen om binnen te raken in het huis. Dat is uiteindelijk niet gelukt. De eigenaars waren niet thuis. Pech.

    Uit de lessen geschiedenis die ik jullie gedebiteerd heb, hebben jullie vast ok onthouden dat sinds de onafhankelijkheidstrijd het land politiek in twee kampen verdeeld is: de conservatieven en de liberalen. Ahwel, die tegenstelling is doorgetrokken tot op in het kerkhof. De liberalen langs de ene kant en de conservatieven langs de andere kant. In het midden een breed gaanpad. Voor wie interesse heeft in de politieke verhoudingen:: beide kanten van de beschikbare begraafruimtes zijn helemaal volzet. Dan op zoek naar de botanische tuin. Een half uur heb ik gezocht en niet gevonden. Tot iemand me zegt dat ik een aftandse roestige metalen deur moet kloppen, weer in het midden van een lange witte muur. Er doet niemand open. Ik merk dat de deur eigenlijk op een kier staat. Ik stap dus binnen en ik zie in de tuin een oude man zitten. Lang verhaal kort. Ik ben op het juiste adres en die botanische tuin is zijn leven. Hij kent elke plant, boom en struik bij naam en de medicinale toepassingen enz. Het Wikipedia hoofdstuk over planten en struiken en bomen stroomt over mij, maar blijft niet kleven. De tuin is bovendien, zoals je wil kan vermoeden, een grote wildernis en bij geen enkele plant of struik of boom staat een identificatie. Als die man sterft gaat een schat aan natuurkennis in één vingerknip verloren. Het enige wat ik mij in de hele informatiestroom onthouden heb, is de stevia plant. Het is een miniscuul plantje dat laag bij de grond groeit. Bijna een bodembedekker. Terwijl hij staat te drammen, duiken er plots enkele roofvogels op die luidkeels van hun oren maken. Oei oei zegt hij, ik ben met al dat gepraat hun eten vergeten. Hij gaat het halen en die vogels vliegen er letterlijk op af. Heb er enkel schitterende foto’s van kunnen maken. De naam die hij gaf was tutu. Of zo iets, want noch de vogels noch hij hebben tanden.

    Vanavond inpakken geblazen. Morgen neer ik het vliegtuig naar Medellin en ik moet proberen gewicht te besparen. In de prijs van het ticket zit namelijk maar 15 kg. Dat wordt wat.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (1 Stemmen)
    29-02-2016, 00:42 geschreven door Mark  
    Reacties (0)
    28-02-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Zaterdag 27 februari

    27/02

    Ik ben een vroege vogel, maar 4 u vind ik toch wel erg vroeg. heb dan ook twee maal geverifieerd of ze het echt menen. Want zo vroeg opstaan om dan een uur op hen te moeten wachten, dat vind ik erover. Maar neen, ze pikken me op om 4:30  ’s morgens. Zelfs als ik alles ’s avonds heb ingepakt, betekent dit om vier uur opstaan. Ik ben gisteren dan ook maar heel vroeg in bed gekropen en gelukkig viel ik onmiddellijk in slaap.

    Niettegeloven: om 4:15 staat mijn auto klaar. En dan op weg naar Mompox (ze spreken het uit als ‘Mompos’). We zijn alle verkeer voor en ’s middags sta ik in de braadoven van Mopox. Zijzelf spreken ook van el horno. Het stadje ligt op de plaats waar de Rio Magdalena in tweeën splitst. Die stroom is vergelijkbaar met de Nijl. Nu het hier al in geen jaar (!) geregend heeft, heeft ie nog maar de breedte van zeg maar de Schelde bij laag tij. Maar in het regenseizoen kan die sterk aanzwellen. Ik zie een paal met de streepjes voor het hoogste waterstanden ooit gemeten. Die van 2010 spant de kroon: een meter boven de stoeprand, en die is pakweg 5m boven het waterpeil van vandaag. Dat betekent dat in die periode de Rio Magdalena enkele malen breder was dan de Schelde bij hoogtij.

    Mompox lag aan de oever van de breedste arm en gold als laatste stopplaats voor wie met de boot dieper het (toen onherbergzame) binnenland in trok. Het was dan ook een welvarende stad tot begin 20ste eeuw. Toen verzandde die arm van de stroom en viel de klok stil. In 1995 erkende de UNESCO het stadje als werelderfgoed en werd heel veel met respect voor het verleden gerestaureerd. De inwoners verdienen hun kost met het opkomend toerisme en met zilverbewerking. Dat laatste is geen toeval. Voor de inval en de volkerenmoord van de Spanjaarden was deze streek –en de indianenstammen die hier van oudsher woorden- gespecialiseerd in zilverbewerking. Tradities zijn ongelooflijk taai, nietwaar.

    In het hotel hangt er reclame voor een boottocht op de Rio Magdalena, waarbij er vogels te zien zijn. De start is om 3 uur. Ik boek onmiddellijk. Het is weer nooit wat het lijkt te zijn. De boottocht is slechts een overzet naar de andere oever van de rivier. Dan word ik, samen met de andere geïnteresseerden (gedupeerden was ik al aan het vrezen) op een laadbak achter een moto geladen/ gestapeld. Enkele kilometers hotsen en botsen we in een stofwolk (geen regen sinds een jaar nietwaar) over hobbelige zandwegen. Onderweg worden wij ingehaald en voorbij gestoken door een moto met tussen  de bestuurder en die achterop zit een hele buitenboord motor van zwaar kaliber. Ik schat dat het beest tussen de 50 en 70 kg weegt. Ze vliegen ermee over putten en bulten. Ik neem er een foto van omdat het zo een waaghalzerij is. En dan komen we aan een immens binnenmeer, een soort meander van de Rio Magdalena. We klauteren opnieuw in een boot en naar 100 m varen verandert plots alles: duizenden watervogels en roofvogels. Schitterende boottrip. In het begin duvel ik op mijn camera omdat ie te traag is. Zelfs op een duizendste van een seconde, zijn de meeste dieren hem te snel af. Ofwel omdat ie niet rap genoeg kan scherpstellen, of het gewoon vertikt om scherp te stellen, of omdat de tijd die verloopt tussen in het drukken van de ontspanknop en het neerklappen van de spiegel – in vogeltermen- een eeuwigheid is. Het aantal wazige foto’s of scherpe foto’s va een vogelstaart gaat naar de honderd. Tegen beter weten in blijf ik maar proberen. Na drie uur, komt een mede reiziger naar mij en vraagt welk toestel dat ik heb, want hij zou zijn Canon graag in het meer gooien, zo heeft hij zich geërgerd aan de problemen met de scherpstelling. Hij had maar enkele foto’s die min of meer door de beugel konden. Het verschil met mijn resultaat (ik heb er een 20 tal excellent) is verbluffend. Besluit: mijn camera is inderdaad stukken beter dan de vorige en veel beter dan een doorsnee Canon, alhoewel er nog steeds wat schort aan de scherpstelling. Topprestatie van mijn camera: een kingfisher  (ca 5 cm groot, staart inbegrepen) van 20-30 m haarscherp getrokken. Bij 6 x inzoomen is ie nog voldoende scherp. [voor Jan: herinner je je nog dat ik niet wist hoe het vierkantje voor de scherpstelling op één punt te kunnen verplaatsen? In het begin kon ik dat probleemloos verschuiven, dan soms wel en soms niet en sinds een week helemaal niet meer. Het blijft nu onveranderd op zijn zelfde plaats staan].

    Op de terugweg kom ik een boom tegen, bijna zonder bladeren en aan de naakte takken hangen grote groene vruchten. Niet vergeten: hier verliezen de bomen hun bladeren 5of toch een deel ervan) in de zomer, wegens de grote droogte. In het regenseizoen worden de bomen terug groen. De vrucht heet ‘totume’. Ze is zo niet te eten. Maar ze wordt gebruikt voor medicinale toepassingen (ontsmetting en ademhalingsproblemen) en in soepen (om aan te sterken na een griep). Tijdens de overzet van de Rio Magdalena hoor ik een afschuwelijk gekrijs. Een varken wordt heftig aangevallen door een vijftal honden. Het gaat er hevig aan toe. Op de duur springt het varken in de Rio. Eerst blijven de honden op de oever vervaarlijk staan blaffen, maar dan springen ze met z’n allen ook in het water en het gevecht gaat verder in het midden van de stroom. De eigenaar van het varken probeert tevergeefs de meute van elkaar te scheiden. Maar de lukt verplaatsen zich te snel en hij komt telkens net iets te laat aan. Terwijl het gekrijs van het varken blijft aanhouden, is de man op zoek naar een prauw of zo om zijn varken te redden. Ik weet niet wat vde uitslag geworden is.

    Het is donker als ik terug in mijn hotel aankom. Ondanks mijn 50+ protector en mijn hoed met brede randen voelt mijn aangezicht verhit aan en het ziet rood. Ik smeer er aftersun aan en hoop het beste. De rest heeft geen hinder ondervonden, want ik heb een hemd met lange mouwen aan gedaan. Lekker warm zeg! Ik ga naar de Italiaan op de hoek van de volgende blok. Schitterend restaurant. Goed voor een ster bij ons. Als ik terug naar mijn hotel ga loop ik weer door zo een typische donkere straat: een stofferige zandweg, een witgekalkte gevel met hier en daar een lantaarn met wat schaars licht. Net zoals het bij ons moet geweest zijn toen vader een kind was. Een toch heb ik geen gevoel van onveiligheid. Ik merk zelfs het fotogenieke van de straat op, ik stop en neem een foto. Mooi zeg!. En dan ga ik slapen.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    28-02-2016, 21:29 geschreven door Mark  
    Reacties (0)
    27-02-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Vrijdag 26 februari

    26/06

    Vandaag staat een bezoek aan Islas del Rosario op het programma. Dat is een reeks van eilanden ten Zuidwesten van Cartagena. Ze zijn bekend om hun koraal en de typische lage vegetatie. Te laat heb ik me gerealiseerd dat dit een georganiseerde dagtrip is, waarvoor ik me moet inchrijven en dat het hoe dan ook voor een stuk neer komt om te kankerbruinen op een hagelwit strand onder een gloeiende zon. Net iets te veel voor mij. Ik zoek en vind een oplossing. Ik schrijf me in voor zo een dagtour, laat het ontbijt voor wat het is ( het wordt namelijk pas vanaf 7:30 geserveerd  n ik ben dan al even onderweg). maar op het strand ga ik op zoek naar een transportmiddel omme naar een pas geopend aviario (een nieuw woord dat ik geleerd heb. Het is een equivalent van Burgers’ bush in de Veluwe). Op de heenrit ben ik een curiosum want ik ga NIET zonnebanken. Het was inderdaad schitterend. Ik hen zeer veel vogels gezien, ik heb er heel wat kunnen fotograferen. Het was weer een gok, ik was weer helemaal alleen, maar ik was volmaakt gelukkig. Zelfs al zag ik scheel van de honger. Op de terugweg ben ik weer een curiosum want ze willen allemaal de foto’s zien die ik gemaakt heb.

    Terug in de stad probeer ik voor de laatste maal om binnen te geraken in het huis van onze slavenmonopolist, Marqués de Valdehoyos. Met flink wat speeksel en overtuigingskracht is het me nu wél gelukt. Ik was te weten gekomen dat het gebouw nu tot de Kanselarij van de regionale regering behoort. Dus begin ik wat te emmeren over de Kanselarij van de Eerste Minister van België (ik was het woord Kanselaria gaan opzoeken in het woordenboek) en zie, de deuren gaan open! Het loonde de moeite om dagen vol te houden. Een pracht van een huis. En allemaal eerlijk verdiend door negerkens te vangen en daarna als slaaf te verkopen.

    Nog een laatste maal uitstekend gaan eten bij La Mulata (zeebaars met mosselen , inktvis en een langoust en rijst gegaard in cocosmelk). En naar goede gewoonte heb ik weer een beetje aguacate gegeten met veel limoensap erop. Weer geen pronbleem. Er is nog hoop op mijn oude dag.

    Het is half negen. Ik ga slapen want ik moet om 4:39 paraat staan staan.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    27-02-2016, 02:25 geschreven door Mark  
    Reacties (0)
    26-02-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Donderdag 25 februari

    25/02

    Piratendag!

    Ik ben nar het scheepvaartmuseum geweest en ik heb een antwoord gekregen op veel vragen die ik nooit heb durven stellen. De eerste piraat in de Caraïben, de naam waardig, was een Fransman Robert Ovallo. Hij was actief in de regio in de periode 1556. In 1559 verschijnt een tweede Franse piraat aan de horizo Martin Coté. Hij zag het groot en beschikte over een knokploeg van 1000 piraten. Daar kan je al wat mee aanvangen. Hij wilde de stad innemen, maar dat lukte niet zo best. Zijn broer Juan de Beautamps, die duidelijk uit hetzelfde hout gesneden was, deed ook graag  mee. Maar de lol was snel over. hij moest afhaken, wegens een Caraïbische pijl die hij gratis in zijn buik gekregen had. Nu, ik heb die pijlen gezien. Dat zijn staken van een meter lang en een pink dik. Niet te verwonderen dat onze Beautamps dat niet overleefde. Coté richtte al zijn kanonnen op de stad en dreigde alles plat de bombarderen als Cartago hem geen serieus losgeld betaalde. Wat ze dan ook deden. Daarmee waren op korte termijn de meubelen gered, maar daarmee was ook het hek van d dam.

    In 1568 komt de Engelsman John Hawkins dat nog eens overdoen.  Maar ditmaal weigerde de gouverneur Don Martín de las Alas het losgeld te betalen en bombardeerde de piratenvloot vanop de kust. Hawkins is dan maar gevlucht en wilde zijn geluk in Santa Marta beproeven. Maar de man had pech. Onderweg (en dat is nochtans niet zo ver) botst hij toch op de Spaanse Flotta de Tierra Firme. Heel zijn kapersvloot een diggelen geschoten. Hijzelf is ternauwernood kunnen ontkomen. Probeer  dan al eens piraat te spelen zeg!

    Heel mijn jeugd heb ik me afgevraagd hoe een piraat zijn schip in de Caraïben kon verbergen om dat plots als een deus ex machina tevoorschijn te komen. Nu weet ik het. De Spaanse galjoenen waren schepen met grote diepgang. Nogal wiedes, ze moesten liefst zoveel mogelijk in één keer de oceaan zien over te krijgen. De Caraîbische zee ligt bezaaid met kleine eilanden met veel inhammetjes en relatief lage begroeiïng. De kaperschepen waren relatief kleine vaartuigen, met kleine diepgang. Die konden daar wel varen en gezien hun kleine omvang goed verschuilen in de baaien en inhammen. Bovendien waren ze daardoor veel sneller en makkelijker wendbaar. Vandaar.

    Nu het verhaal van de San José. San Jos werd in Baskenland gebouwd in de periode 1696 1699. En uitgerust met 64 kanonnen en plaats voor 500 man. Het was 39 m lang en 11,5 m breed. Alhoewel het galjoen er niet voor geschikt was werd het in 1708 hals over kop ingeschakeld voor het transport van de fiscale inkomsten van Perú van de vorige 7 jaar (1 miljard dollar in geld van vandaag) asap naar Spanje te vervoeren. Dat was hoogdringend omdat de Spaanse kroon zonder geld zat. Dat kwam omdat Carlos II kinderloos overleden was en als troonopvolger José Fernando van Habsburg had aangewezen. Dat was niet naar de zin van de Franse koning Lodewijk XIV. Die wilde dat zijn neef Filips II van Bourbon, getrouwd met de Maria Teresia van Habsburg, de dochter van de overleden Carlos II. Zo een machtstrijd kost veel geld en de Spaanse Kroon had sinds 1700 geen cent meer goud meer ontvangen van Zuid Amerika. Vandaar. Maar de San José was gemaakt van minderwaardig hout en hij maakte constant water. Zo erg dat het buskruit, dat normaal onder in het schip, goed afgeschermd met loden platen, bewaard wordr niet meer droog kon blijven. Dat is een vrij essentiële voorwaarde, want anders is buskruit nutteloos. Dus werd het in afgeschermde bakken op het dek bewaard. Dit Britten krijgen lucht van de waardevolle vracht en overvallen de boel met de bedoeling het schip te veroveren. Ofwel door het te enteren ofwel door de kapitein tot overgave te dwingen. De Spaanse mariniers proberen het schip de haven van Carthago binnen te varen om dekking te zoeken, maar de Britten kunnen sneller en beter manoeuvren en blokkeren de vluchtweg. Ieder bereidt zich voor op de aanval, er wordt uiteraard met vuur en met buskruit gespeeld en dan volgt een enorme knal. De hele voorraad buskruit van de San José en de San José zelf vliegt de lucht in. De Britten schrijven in hun logboek dat het schip verging op de tijd nodig om het Credo te prevelen. En dat is het schip dat onlangs in het nieuws is gekomen.

    Het verhaal is bijlange nog iet gedaan, maar ik maak het kort. Onze Flup van Frankrijk was eigenlijk een heimelijk manneke. Hij kon het niet goed verkroppen dat de Spaanse kroon hem dreigde te ontsnappen. Hij begon met Europees diplomatiek overleg, maar het had een averechts effect. De standpunten in Europa polariseerden en verhardden. Dus zon hij op wraak. Hij stuurde een expeditie naar Cartagena de Indias om de stad te plunderen. Cartagena was op dat moment de rijkste stad niet alleen van het Spaanse Rijk, maar van gans de wereld. Cartagena was alom bekend voor zijn laag aflopende stranden en zijn zware vestigingswallen. Dat ging dus een mission impossible worden. Hij belastte dan ook zijn beste maritieme krijgsheren met die smerige taak: Juean Bernard Desjeans, baron de Pointis en Jean Baptiste Ducasse (ik schrijf hun namen zoals ze in het museum vermeld staan). Ik bespaar u het verhaal, want ik er een meerdere zeekaarten voor nodig om uit te leggen hoe ze erin gelukt zijn. Maar de verwoestingen waren buitensporig. Ik ga ook niet vertellen hoe Drake het gedaan heeft en nog minder de chaos rond de vermeende overwinning van Vernon tegen de eenogige, eenarmige en eenbenige Spaanse bevelhebber Don Blas de Lezo. Alleen dit: deze redder in nood heeft een anoniem graf gekregen. Sic transit gloria mundi.

    Dan nog eens gaan eten in mijn favoriet restaurant hier: La mulata. Zeeeer lekker zeefruit. Jumenas! Tot slot de adressen aangedaan waar ik de eerste maal voor een gesloten deur stond. En oeps, het lukt dit maal wel. Ik stap ongehinderd het stulpje van de Marqués de Premio Real (de vertegenwoordiger van de Spaanse kroon binnen). Indrukwekkend groot, met vele kamers. Maar eigenlijk niets speciaals. Ik ben wel blij dat ik in dit historisch gebouw uiteindelijk toch ben binnen geraakt. Ik schep moed en ga ok nog eens langs bij onze slavenmonopolist, Marqués de Valdehoyos. De deur staat open verdorie. Ik stap binnen maar wordt bij de kraag gevat. Er is een militaire top aan de gang ( ze gebruikten het woord ‘cumbre’ en dat herinner ik me nog van in Perú). Maar tegen 19u zou die wel afgelopen zijn en dan mag ik nog eens terg komen. Ik geloof er niet in, maar ik zal het toch wagen. Vervolgens naar het Convento San Agustin van 1580. In de bijbehorende kapel stond een 250 kg zware zilveren sarcofaag. Onze Pointis heeft die gepikt en naar Frankrijk gesleurd. Zijne baas, Louis, zat dat zo mee verveeld dat hij ze uit pure schaamde heeft terug gegeven. Het was maar uitstel van executie want tijdens de onafhankelijkheidstrijd hebben ze de sarcofaag gesmolten om de revolutionaire troepen te kunnen betalen. Het klooster is nu de Universiteit van de stad. Als ik er binnen stap, voelt het aan alsof ik ‘den Ignas’ binnen ga. Er hangt daar exact dezelfde sfeer. Tot slot nog even naar een van de grootste patriciërshuizen van de 16 eeuw: casa de los Condes de Pestagua. Een gigantisch complex met een voorgevel van ik schat 60-70 meter lang. Het is nog in originele staat, weliswaar opgesplitst in een poepchique hotel en een immobiliën kantoor. Wat een rijkdom.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    26-02-2016, 00:49 geschreven door Mark  
    Reacties (0)
    25-02-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Woensdag 24 februari

    24/04

    Wat hebben we vandaag allemaal op school geleerd? Ik zal het even opsommen.

    De verdedigingswallen zien er indrukwekkend uit maar zijn het niet. Ik heb in China stadswllen gezien die 3 x zo hoog en breed waren. Echt waar, ik heb ze met een huurfiets de hele stand helemaal afgereden. Dat valt dus wat tegen, maar eigenlijk kom dat omdat ik verwend ben. Dat is waar.

    De Plaza de los Coches (Koetsenplein) is een eufemisme om de ware geschiedenis van het plein te verdoezelen. Het plein ligt net achter de stadswallen en de slaven die uit de schepen gelost werden, kwamen hier letterlijk en figuurlijk op de markt. De cellen waar ze tot aan hun verkoop werden opgesloten (los bódevas) staan er nog, op het plein ernaast. Mooi opgekuist en fris geel geschilderd. De cellen zijn nu gevuld met toeristenrommel en…. POSTKAARTEN! De eerste in één maand. Terug ter zake: de man die de licentie bezat om slaven (en ook bloem)  in te voeren heette Marqués de Valdehoyos. Zijn imposant optrekje ben ik gaan bewonderen, maar ik mocht niet binnen. Privé bezit. Uit de boekjes heb ik wel geleerd dat de houten binnen afwerking subliem is.

    Dan langs het huisje van Marqués del Premio Real (want ik mocht ook niet binnen) naar het Palacio de la Inquisición en la ventana de la denuncia (de verklikraam). De truc om aan slachtoffers te geraken was simpel en efficiënt. In de zijmuur van het ‘Paleis’ was een raampje gemaakt langs waar men vanuit een passerende koets haast ongemerkt een op papier geschreven verdachtmaking kon ‘posten’. Het slachtoffer kwam heelhuids langs de grote poort binnen, werd ondervraagd en bekende of bekende niet. Eigenlijk maakte dat niet veel uit. Als hij/zij bekende, volgde de straf en die werd aan het publiek voor het ‘Paleis’ openbaar gemaakt. Bekende hij/zij niet, dan volgde de tortuur tot de bekentenis kwam en dan verliep het proces op dezelfde manier. De klassieke truckjes waren: benen en armen breken (radbraken dus), voetzolen verbranden, gewrichten uit elkaar rekken enz. De straffen waren niet van de poes: 200 zweepslagen was de standaard, met één hand door een spijker (dat was dikker en wat ruwer dan een nagel) aan een paal genageld worden, 10 jaar galeislaaf bestond ook. En dat allemaal op basis van anonieme aanklachten voor hekserij, joderij wat dat ook mogen inhouden) en dergelijke. De inquisitie werd in 1610 in Zuid Amerika ingesteld door de lieve, barmhartige Heilige Kerk. Ze heeft meer dan 800 mensen een vreselijke dood bezorgd. Ik versta nog altijd niet hoe zo iets mogelijk is binnen een dergelijke instelling.

    Het jezuiëtenklooster waar San Pedro Claver geleefd heeft . Hij was een jezuïeten monnik die zich het lot van de negerslaven aantrok en hier in 1653 overleden is. Zijn gebalsemd lichaam ligt er nog steeds tentoon gesteld. Groot was ie in elk geval niet. Eerder kort gedrongen.

    Voor een prachtig huis met een monumentale inkompoorts, twee verdiepingen hoog (terwijl het overgrote deel van de huizen alleen een gelijkvloers hebben) hou ik even halt voor een foto. Dan pas merk ik dat het huis een naam heeft: Casa de Drake. En ja. Dat is het optrekje van onze Britse zeerover Sir Francis Drake. Hij heeft er in 1586 gewoond. Die zeerovers waren wel erg welgestelde mensen zeg.

    Het voormalige huis van Gabriel Garcia Marqués staat ook in Carthagena de Indias, maar is ook niet te bezoeken. Er staat een groot hoge rode muur rond.

    Het goudmuseum is weer een topper. Ik heb een, door een Spaanse geschiedschrijver in 1552 neergepende getuigenis gelezen (dus van even na de inval van de Spanjaarden) :’ ze halen het goud vanuit gelijk welke rivier; soms vissen ze goudklompen op ter grootte van een ei’.  Nog zo een tekst: ‘De gouverneur Pedro de Heredia stuurt in 1533 een expeditie op de Sinú rivier (en Zuiden van Carthagena) om de graven van de Zenú te gaan plunderen. De buit was zo groot dat hij er meerdere jaren de werkingskosten van zijn regering mee kon financieren’. De stukken die in het museum tentoon gesteld worden zijn aan de verzamel- en smeltwoede van de Spanjaarden ontsnapt. De hoeveel gouden voorwerpen die hier aantroffen moet enorm geweest zijn.

    Vervolgens naar de Iglesia Santo Toribio de Mogrovejo. Tijdens de belegering door de Britse Admiraal Vernon in 1774 is, gedurende een misviering, een Britse kanonkogel van ca 5-6 cm diameter dwars door het dak van deze kerk gevlogen en op de kerkvloer beland. Zonder ook maar iemand te verwonden. De kogel valt nog steeds te bewonderen in de kerk, achter een dik, vettig en vuil glas;

    In de namiddag ben ik de Spaanse vesting Castillo de San Felipe de Barajas gaan bezoeken, het grootste fort dat de Spanjaarden in Zuid Amerika gebouwd hebben. Daar ligt ook een kopie van het schema van de scheepsmanoeuvers van de Britten om Carthagena in te nemen. Alhoewel Vernon er niet in gelukt is de stad in te nemen, is hij er wel in geslaagd zijn inval door het Britse Parlement als een overwinning te zien. Er staat in Carthegena een standbeeld waar, op de sokkel,  de spot met Vernon gedreven wordt. Bovenop de sokkel staat de echte winnaar. De Spaanse bevelhebber Don Blas de Lezo, die in de opeenvolgende gevechten telkens een onderdeel van zijn lichaam verloor maar bleef doorvechten (alsof hij in een komische  film speelde: een arm, een been, een oog). Hij staat dan ook woest met zijn zwaard zwaaiend afgebeeld met een houten been, met één arm en met een ooglapje.

    ’s Avonds doe ik nog even de obligate tour met de koets door de verlichte en bruisende stad. Mooi.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    25-02-2016, 13:09 geschreven door Mark  
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Dinsdag 23 februari

    23/02

    Ik heb de waanzinnige muggen van Santa Marta vaarwel gezegd en de bus genomen naar Carthagena de Indias. Voor sommige mensen een naam als een klok, voor anderen misschien nietszeggend.

    Voor deze laatsten, neem ik de draad van de geschiedenis terug op. De stad Santa Marta was wel goed gelegen, maar eigenlijk niet te verdedigen. Na een paar plunderingen voor de ons bekende zeerovers, kwamen de Spagnolen ook tot dat inzicht en ze voeren de kust verder zuidwaarts af op zoek naar een locatie die beter voldeed aan de criteria die ik enkele dagen gelden opgesomd heb. Na wat zoeken vinden ze op 13 januari 1533 die hier een baai van15 km lang en 5 km breed met een traag oplopend strand en flink wat zandheuvels. Een knoert van een baai dus met slechts twee nauwe toegangen (Bocagrande in het Noorden en Tierrabomba in het Zuiden) en een groter rivier (Rio Magdalena noemen ze hem) die in de baai uitmondt. Pedro de Heredia aarzelt geen moment en beslist hier een nieuwe stad te stichten die de ‘hub’ is geworden voor de meeste van de transporten tussen Spanje en Zuid Amerika. Ze noemden de stad Carthagena de Indias omdat ze nog steeds in de waan waren Indië bereikt te hebben. De rijkdom van de stad groeide enorm en daar kwamen de piraten uiteraard op af. Maar de verdediging van de stad was makkelijker. Vele Franse en Engelse piraten hebben het geprobeerd. De meesten (zoals Vernon) moesten afdruipen. Maar Franske De Draak lukte het in 1586 wel. Als reactie hierop bouwden de Spanjaarden vestigingswallen van 12 m hoog en 17 m dik, met om de 10 m een kanon van ca 3 m lang. Ondanks al die inspanningen is de stad in 1697 toch nog eens geplunderd. Door Franse piraten nog wel, onder leiding van Baron de Pointis en Jean Baptiste Ducasse. Het valt me op dat zowel Francis Drake als de Pointis een officiële eretitel droegen (Sir en Baron). Ze moeten de respectieve staatsfinanciën wel erg goed gespijsd hebben. Eigenlijk dus zoals The Beatles drie eeuwen later (ergens eind jaren 1960) die om dezelfde reden tot Sir werden benoemd door de Queen. In 1794 probeerde de Britse Admiraal Edward Vervon het ook nog eens. De belegering heeft erg lang geduurd, maar hij is moeten af druipen. Dan hebben de Spanjaarden de toegang Bocagrande afgesloten. Sindsdien heeft de stad nog maar één toegangsweg naar de zee meer. In 1811 verklaarde Carthagena de Indias zich onafhankelijk en begon de ambras die ik al verteld heb.

    Na vier uur bus kom ik in een oven terecht. Man zo heet. Dat moet hier voor de Spaanse soldaten in hun harnas een hel geweest zijn. Doe daar dan  nog een extra geut mosquitos bovenop en een normaal mens wordt helemaal krankjorum. De snelle rijkdom die ze voor ogen hadden moet dan ook buitensporig geweest zijn. Ik weet dat de binnenstad een kluwen van kleine straatjes is, dus neem ik een taxi. Die man doet alsof hij de straat niet vindt. Hij doet er een half uur over. Maar ik merk omdat we door straatjes komen waar we al geweest zijn. Dus zeg ik hem dat ik niet van plan ben om meer dan 5000 pesos te betalen. Plots vindt hij het juiste adres wel. Na enige discussie betaal ik 6000 pesos (iets minder dan 2 euro). Ik kom er nog goed vanaf, want de stad is berucht voor het afzetten van toeristen. Boekaniersbloed kruipt waar het niet gaan kan.

     


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    25-02-2016, 03:41 geschreven door Mark  
    Reacties (0)
    23-02-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Maandag 22 februari

    22/02

    Ik heb verdorie meer last van mosquitos in Santa Marta dan in het tropisch regenwoud. De verhouding van het aantal hits van de muggen is 1 tegen 20. Als er iemand is die met dat kan verklaren dat hij of zij recht sta en spreke. En ik weet intussen dat ik niet de enige ben die het onverdedigbare slachtoffer is van mosquitos locos.

    Tijdens het ontbijt word ik wat misselijk. Er ligt iets op mijn maag. Ik heb gisterenavond nochtans alleen een vers gemaakte pizza (met mijn eigen ogen gezien) gegeten met  2 biertjes erbij. Soit, ik neem een halve liter cola en de zaak is vergeten. Dan naar  Expotour, de mannen die de trip naar Ciudad Perdida organiseren. Ze luisteren naar mij en zeggen dan dat ze ook de mening willen horen van de gidsen die ik gehad heb. Dus moet ik terug komen. Ze speculeren er op dat ik geen tijd heb en intussen moet vertrekken. Quod non uiteraard, want door het ‘verlies’ van de 6de dag, heb ik een dag vrij. In afwachting wandel ik door de stad en passeer toevallig voorbij het Etnografisch Museum. Het museum was twee weken geleden gesloten wegens werken. En in heel Zuid Amerika kunnen die wreed lang aanslepen. Ook in Colombia. Groot is mijn verrassing dat de deur nu wagenwijd open staat en dat er iemand achter het loket zit. Ik stap binnen want als de deur van een museum open staat tijdens de openingsuren dan is het museum toegankelijk. Zo vind ik. Met de man aan het loket ontspint zich het klassieke gesprek. Neen het is niet open, maar ja omdat de deur open staat kan je wel binnen. Maar, alle zalen zijn leeg wegens schilderwerken. Ik stap binnen en zijn uitleg klopt volledig. Alle zalen zijn open maar leeg en er hangt een verfgeur. Werken zie ik niet maar dat is ook normaal. Maar… ergens staat er een bord van 2 bij 4 meter waar de vermoedelijke woongebieden lagen van de indianenstammen eind 16de eeuw. Dat is de eerste maal dat ik dat zie. Tot op heden wordt met talloze onuitspreekbare namen gegoocheld en met de handen wat gezwaaid om aan te duiden waar ze ongeveer woonden. Ik heb er een foto van genomen.

    Dan ga ik op zoek naar postkaarten, want ik heb er tot op heden nog geen enkel verstuurd. Ik zoek en vraag, maar nergens vind ik. Santa Marta is nochtans een iets meer toeristisch oord. En dan begrijp ik waarom ik nog geen kaartjes gekocht heb. Er zijn er begot geen! Morgen in Carthagena probeer ik opnieuw. Die stad is het Brugge van Colombia. Als ik er daar geen vind, awel dan zijn er geen.

    Terug naar Expotour. Iedereen is op post en in mijn beste Spaans begin ik aan de onderhandelingen. Eerst prijs ik de gidsen voor hun puik werk (zo krijgen ze een bonus - dat weet ik). Ik zie een nauwelijks verholen glimlach op hun gelaat. Dan som ik de punten op waar de organisatie in de fout is gegaan. Als compromis stel ik voor dat ze me de ‘gemiste’  nacht en de ‘gemiste’ 3 maaltijden terug betalen. Na wat gepalaver zijn ze akkoord en ik krijg mijn geld terug. Ik ben een beetje fier op mezelf dat ik dat in het Spaans tot het gewenste einde heb kunnen brengen. Opgelucht stap ik buiten en ik ga in Calle 1 ‘(de ‘zeedijk’) op zoek naar een restaurant waar ze chipichipi serveren. Dat is een typisch gerecht van de kuststreek rond Santa Marta met een soort mosselen/venusschelpen. Maar het lukt niet, het blijkt een lokaal gerecht te zijn dat alleen in één van de volgende baaien wordt klaar gemaakt. Maar daar kan ik niet meer naar toe. Erg om zeggen, maar te weinig tijd. Het zit namelijk zo: als ik er naar toe wil dan is het vanavond, maar dan moet ik door de nog steeds te mijden (wegens te gevaarlijk) havenbuurt. En dat risico zijn me die schelpen niet waard. Neen dus. Op zoek naar eten kom ik een Chinees restaurant tegen en ze serveren cazuela de mariscos. Een heerlijk visstoofpotje. De opdienster is Chinese, dus zeg ik haar shèshè. Dank in het Chinees. Ze bleef aan de grond genageld staan. Dan hebben we wat gebabbeld over China.

    Enkele uren later steekt de mottigheid terug de kop op. Ik schakel over op zwaarder geschut: twee tabletten Domperidone en een halve liter cola. Ben benieuwd. Maar ik heb vanavond geen honger. Ik laat mijn maag en de tabletten en de cola even hun werk doen.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    23-02-2016, 02:13 geschreven door Mark  
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Zondag 21 februari

    21/02

    Ik ben verdorie l een maand onderweg. Ik kan het weer niet geloven, maar het is zo. Mijn planning liegt niet.

    Als ik opsta heb ik de voor- en nadelen van de verschillende opties opgelijst. Hier in kamp 1 in primitieve omstandigheden nog een dag blijven is de meest voor de hand liggende optie: ik heb een bed en ik heb eten (althans daar heb ik voor betaald!). Maar hier niets te beleven en ik heb niets om handen, want mijn e-book, mijn tablet en mijn documenten zitten in mijn ‘paardenvalies’ in Santa Marta. En het regent. En de luttele kledij die ik heb stinkt uren boven de wind. Een dag vroeger naar Santa Marta terug gaan, is verleidelijk. Ik kan me eindelijk eens fatsoenlijk wassen in plaats van een vuile kattewas, ik kan mijn vuile kleren naar de wasserij doen en ik heb alles bij de hand wat ik nodig heb om mijn blog-achterstand op te halen. Eén nadeel: ik weet niet of ik in Casa Verde, mijn hotel, waar ik voor de 22ste een kamer geboekt heb, nog een hoekje vrij hebben. Ik kan niet bellen want er bestaat geen enkele communicatiemogelijkheid. Een kamer zoeken in Santa Marta met al mijn bagage achter mij aan is ook geen prettig vooruitzicht. Ik besluit de gok te wagen: ik vertrek een dag vroeger en ik zal mijn extra vrije dag in Santa Marta gebruik maken om te trachten een schadevergoeding los te weken van Expotour voor de gemiste 6e dag. Ik weet hoe ik het kan uitleggen dat die gemiste dag hun fout was. Ik denk dat het moet lukken. Nu nog te weten komen hoeveel een bed en 3 maaltijden in kamp 1 kosten. Dat weet ik over welke getallen ik kan/moet onderhandelen. Na een paar vraagjes aan verschillende mensen van Expotour weet ik het: 60.000 pesos in totaal. Dat lijkt me realistisch want één dag van de tour met gids en transport enz kost 100.000 pesos.

    Op hoop van zegen spring ik in zee, zonder te weten hoe en waar ik ga landen. Om 16u kom ik aan in Santa Marta. Een uur later dan voorzien, want de Landrover begaf het onderweg. In Casa Verde hebben ze geen kamer meer vrij. Ik laat mijn bagage in Casa Verde achter en ga op zoek. Adres nummer 5, recht over Casa Verde, heeft er nog één vrij. Bingo! Stap één is gelukt. Ik heb terug een uitvalbasis. Ik neem twee maal een lange douche achter elkaar. De eerste om te weken, de tweede om te wassen. Man, je hebt geen idee wat een wasbeurt met een mens kan doen. Met een gerust gemoed kruip ik in mijn bed met mijn, in Deet gedrenkte klamboo over mij. Het helpt niet, ik word levend opgegeten door dolgedraaide mini mugjes die joekels  muggenbeten veroorzaken.  Die indianen wisten verrekt goed wat ze deden met hun lijfstraffen!


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    23-02-2016, 00:59 geschreven door Mark  
    Reacties (0)
    22-02-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Zaterdag 20 februari

    20/02

    Ik heb vannacht blijkbaar weer diep geslapen. Ik heb niets gehoord van al het gebraak en de niet aflatende toiletgang van flink wat de deelnemers. Ik voel niets. Tiens, tiens, hoe zou dat nu komen.

    Als ik ut mijn brits kruip merk ik dat het regent, zoals een tropisch regenwoud eigenlijk hoort te doen. De bende, inclusief de zieken en de buiklopers, vertrekken. Na 10 meter stappen zijn ze kloddernat. Mijn mula daagt niet op. Zijn baas komt me zeggen dat als het zo blijft regen geen enkele mula het steile zal willen afstappen. Die beesten kunnen het gevaar overduidelijk beter inschatten dan vele mensen. Maar… het klaart op en een uur daarna staat mijn beest op hoge poten klaar. Het is verdorie bijna een paard. De eerste tien minuten zijn wat angstaanjagend: boven op een ezel zitten als die een keien pad met een hellingsgraad van pakweg 20% afdaalt, dat voelt raar aan. Maar het gaat snel over. Ik zet me over mijn schaamte heen om twintigers, die hijgend en puffend voortkruipen, voor te steken. Vanop zo een ezel kan ik de overweldigende natuur verdorie veel beter bewonderen dan wanneer ik te voet voortstrompel. Want heb ik meer oog voor de keien voor mijn voeten. Nu doet de ezel dat voor mij. Op een gegeven moment steek ik een groep van 5 Colombiaanse vrouwen uit Bogota voorbij. Eén ervan roept me na dat ik net Don Quichote ben. Waarop ik me omdraai en armzwaaiend roep: ‘vooruit vrouwen, ten aanval’. Tegen de middag kom ik in kamp 1 aan. Daar hebben ze iets meer uitrusting: er staat een mevrouw die bij verdient met die afschuwelijk stinkende verdufde rommel te wassen. Ik maak er gretig gebruik van, want de zon schijnt. Allicht krijg ik de spullen nog net op tijd droog . Het is duidelijk dat ik de erg precaire situatie mooi onder controle begin te krijgen. Alleen malariapillen lukt niet. De jeugd slikt die niet meer omdat hun generatie van dokters beweert dat de nadelen groter zijn dan de voordelen. Ik kan dus niet ‘lenen’ tot we terug in Santa Marta zijn.

    ’s Avonds kom ik te weten dat ik de volgende dag niet in kamp 1 kan blijven (om mijn zesde dag te benutten). Ik moet met de groep, die de trip op 5 dagen doen, mee verder trekken. Zo niet moet ik een extra nacht betalen plus drie maaltijden. Discussiëren dat ik voor die zesde dag alles al betaald heb, brengt geen zoden aan dijk. Mijn voorgevoel klopt dus: ze proberen me een dag in het zak te zetten. Ik zal vannacht eens nadenken over mijn strategie.

    Nog wat over de indianen. Het gebied waar la Ciudad Perdida in ligt is nu een natuur reservaat in handen van 3 indianenstammen: de Koguis, Aruhacos en de Arsarios (ook Wiwa genoemd). Diegene die ik onderweg ben tegen gekomen waren Koguis. Alhoewel het verschillende stammen zijn, lijken hun culturen zeer sterk bij elkaar. En daar heb ik intussen al wat van geleerd. Een familie heeft altijd twee ronde hutten. De wanden zijn van hout en twijgen en adobe. Het dak van palmbladeren. Er is één hut oor de mannen en één voor de vrouwen. Mannen en vouwen komen niet in elkaars hut, zij leven dus eigenlijk erg gescheiden, elk met hun specifieke taken. Vrouwen en kinderen lopen blootvoets voor een goed contact met moeder Aarde. Dat maakt hen sterk en gezond en vruchtbaar. In dezelfde logica gebeurt vrijen overdag en in de open natuur. De vrouw mag dan niet bewegen, want dat kan aardbevingen bij Pacha Mama veroorzaken. Zodra een jongen 18 wordt, is hij volwassen en krijgt hij van de sjamaan een poporo. Een kleine uitgeholde en gedroogde pumpkin. Daar doen ze gebakken en dan vermalen zeeschelpen in. Vanaf 18 beginnen ze cocabladeren te kauwen. Om het effect hiervan te vergroten halen ze met een likstok wat schelpengruis jt hun potje en kauwen op het geheel totdat het effect uitgewerkt id. Wat overblijft halen ze met hun likstok uit de mond en speren het aan de hals van de pumpkin. Met de jaren wordt die kraag groter en harder.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    22-02-2016, 22:53 geschreven door Mark  
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Vrijdag 19 februari

    19/02

    Om vijf uur opstaan wordt een gewoonte. Mijn darmstelsel heeft zich er ook al aangepast. Zonder al te ver in detail te treden: naar het toilet klimmen (want ook dat is bergop!)  en het nodige doen bij het schijnsel van mijn smartphone (want dat is het enige licht dat ik heb voor 6 dagen- ik moet er dus erg spaarzaam mee omspringen) is een evenement.

    Mijn wasgoed is nog even nat als gisterenavond, het stinkt nu als de pest. En ik moet het opnieuw inpakken. Het kan dus alleen maar erger worden. De plastic zakken waar ik die pestvodden in op berg, stinken op hun beurt intussen ook al zo sterk dat ik de geur ook al in mijn rugzak zelf ruik. Jakkes. Maar ik heb een tandenborstel kunnen kopen. Tandpasta hadden ze niet. Maar dat is minder erg: een dotje pasta kan ik altijd lenen, een tandenborstel niet. En gepoetste tanden maken psychologisch een groot verschil uit. Dat weet ik nu uit ondervinding.

    Vandaag doe ik een nieuwe, droge en propere gekregen T-shirt en boxer short aan. Allebei puur synthetisch, maar beter dan niets. De short degradeer ik tot onderbroek. Ik voel me al wat properder.

    Om 6 uur sta ik aan de voet van de berg waar Ciudad Perdida gelegen is en ik begin aan de riskante steile klimpartij over 1250 glibberige rotsstenen. Gelukkig heeft het de laatste weken niet geregend in het tropisch regenwoud. Anders had et nog riskanter geweest. Naar beneden kijken doe ik niet, dat is niet goed om het evenwicht te bewaren. En wonder boven wonder, mijn hart geeft geen krimp en ik raak op tijd boven. Het zicht is indrukwekkend, niet (of nog niet) zoals Macchu Picchu, maar toch.  Macchu Picchu heeft ook jaren als een onbeduidende ruïne slapend door gebracht. Totdat National Geographic Society miljoenen US dollars in de restauratie gepompt heeft. Hawel ik denk dat de geschiedenis zich zal herhalen. De stukjes ruïnes die ik zie zijn maar een fractie van wat er duidelijk nog allemaal onder die grüne Helle verborgen ligt. Net zoals bij Machhu Picchu: de berg recht tegenover ligt ook nog te wachten. En er zal nog veel inkt vloeien eer men een concensus zal hebben vat wat er precies allemaal aanwezig is. Zo is er ergens een put van 2m diep. De muren zijn met stenen recht gemaakt. Een zijde heeft een trap naar beneden. De vorm van de put lijkt zowat op een menselijke nier. Na enkele jaren speculatie (een ceremonieel bad, een voorraad kelder enz) komt er toch een geleerde anthropoloog op de idee aan de huidige Tayrona’s. Het antwoord komt onmiddellijk: dat is de gevangenis. Wij hebben er ook zo een in ons dorp hogerop in de bergen. De boosdoener wordt gestraft met 3 tot 30 dagen naakte opsluiting in zo een put. Hij/zij krijgt in die tijd eten noch drinken. Hij kan er niet it want drie wachters houden hem permanent in de gaten hoe hij door de mosquitos en andere kwelbeesten tot waanzin wordt gepest. De indianen vertelden hen ook dat de putstraf gewoon als afschrikking al een afdoend effect heeft.

    Daarmee heb ik het gezien en begin ik aan de gevaarlijke afdaling van de spekgladde 1250 stenen treden van hooguit 10 cm diep. Net genoeg voor de tip van mijn stapschoenen. Ik raak heelhuids beneden. Een dame niet. Ze is gevallen en kom uit de schouder. Gelukkig was in haar groep een dokteres en die heeft alle onderdelen in één beweging terug op hun plaats gezet. Ik heb haar gil gehoord. Eén maar, dan heeft ze het bewustzijn verloren van de pijn. Zo vertelde ze me de volgende dag.

    Dan vat ik de terugweg aan en realiseer ik me dat ze mij en mijn reisbureau in Bogota een beetje opgelicht hebben. De organisatie die de trip uitvoert laat toe om ‘volgens uw fysische mogelijkheden’ de klimpartij in 5 of 6 dagen te doen. Ik had gekozen voor 6 dagen om niet met die berggeiten met verstand op nul en blik op oneindig (ik heb er verschillenden zo gezien) het pad po en af te rennen. Nu blijkt dat voor iedereen de héén weg gelijk is (vandaar dat ik de tweede dag de man met de hamer tegen kwam) en dat het verschil tussen beide tours gewoon neerkomt op één laatste dag extra in kamp 1 om wat te bekomen. Toen ik het door had, kon ik niet anders dan lijdzaam ondergaan. Alle vorige dagen waren immers opgebruikt. Daar kan ik niet goed tegen. Ik moet een strategie uitdenken om een compensatie te krijgen voor de prestaties die ze niet geleverd hebben. Met de wetenschap van dag twee, ben ik niet van plan weer over de rode lijn te gaan. Ik zet me over mijn fierheid heen en huur voor die bewuste dag een muilezel. Ik benadruk dat het ene moet zijn met hoge poten, want het anders zal lijken op een mula met  6 poten.

    De douche is meer dan welkom. Maar als ik eruit wil komen, begint de ellende. Mijn gekregen handdoek is en blijft kloddernat en stinkt zo hard dat ik er allen mijn voeten mee durf afdrogen. De rest van mijn  lichaam laat ik gewoon drogen in de wind.

    Het avondeten bij kaarslicht is opnieuw best te doen. Een pasta met tomaat en flink wat gemalen kaas. Ik smikkel er twee borden van binnen en drink er 2 biertjes bij: Club Colombia dorada  (de rest lijkt verdacht veel op Heiniken). De rest blijft koppig van de zelfgemaakte limonade drinken. Dan kruip ik inmijn brits en denk eraan dat ik door men handvoorraad anti-malariapillen zit. Laat ons maar hopen dat ik geen besmette mug tegen het lijf loop. En muggen hebben ze hier in overvloed..


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    22-02-2016, 22:03 geschreven door Mark  
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Donderdag 18 februari

    18/02

    Ondanks de drukkende hitte en de hoge vochtigheid heb ik weer geslapen als een baby. De ontnuchtering komt snel: mijn hemd,  onderbroek en gekregen handdoek zijn nog even nat als gisterenavond. Het vergt even doorbijten om zo’n natte en onfris ruikende kleren aan te trekken. Maar ik heb geen alternatief.

    Iedereen drinkt zonder aarzelen liters van de zelf gemaakte frisdrank. Ik durf er niet aan denken en hou me gedeisd met water uit mijn flesjes. Eerst nog even checken of er geen vieze beestjes in mijn sokken (ook maar één paar), steunzolen (idem) of stapschoenen gekropen is. Niets gevonden, dus dan maar terug op stap. We klimmen (veel) en dalen (veel minder) weer onafgebroken. Iedereen, zowel jong als ouder zweet en hijgt alsof we slaven zijn. Het duurt echter ook niet lang of ik moet afhaken. Ik kan en wik niet zo snel klimmen, zeker niet in deze weersomstandigheden.  Ik klim dus op mijn eentje op mijn ritme langs het slingerpad door het regenwoud in plaats van te proberen het ‘loopritme’ van een stel mafkezen te willen volgen die geen zier om de natuur geven, maar alleen de kilometers zo rap als mogelijk willen afmalen. Ik weet dat er maar één pad is, dus ik heb geen schrik om ergens een verkeerde afslag te nemen. Ondanks de zware, niet aflatende inspanning probeer ik ook van de fauna en flora te genieten. Het woud is als en groene muur van meters hoog waaruit veel gezoem, gefluit en gewriemel komt. Maar op enkele hagedissen na, merk ik geen enkel beest het vernoemen waard, zo dicht is het bladerdak.  Alleen de grote fluo-blauwe vlinder, de zwart/rode en de ‘89’ (die heeft dat getal als tekening in zijn vleugels staan)  ben ik tegen gekomen. Ik herken ze van  in de Braziliaanse Amazone. Alleen de namen schieten me niet direct binnen. Dat zal voor later zijn.

    Op het heetst van de dag, zo tegen 13 uur, gaat mijn hart plots overstag. Ik krijg serieuze ritmestoornissen. Mijn bloeddruk zakt, ik zie zwarte plekjes zie en word duizelig. Ik mag zeker niet vallen, want op die rots hellingen zou ik met mijn 2 meter lengte gegarandeerd wat breken. Ik zoek rap een geschikte rots (dus van 50 cm hoog) om me neer te zetten. Niet op de grond, naast het pad, in het gras, want daar kunnen giftige slangen of andere relatief gevaarlijke beesten op mij wachten. De symptomen gaan na enkele minuten over en ik sta terug recht. Die beweging alleen al is voldoende om me terug te laten neerploffen. Enfin, tegen een ritme van 10 m klimmen en 10 minuten rust ben ik zo verder ‘gekropen’. Ik ben met twee uur vertraging –maar nog net voor het donker (dat was mijn enige echte vrees)- in kamp 2 aangekomen. Ze hadden zelfs nog niet in de gaten dat ik niet op het appel was. Wat een onverantwoorde bende!

    Het kamp is nog minder goed uitgerust dan het vorige. Maar gelukkig heb ik toch nog een brits mét muskietennet kunnen bemachtigen. Ik neem een douche, maar ik moet me in de lucht laten drogen. Mijn handdoek stinkt erg verduft. Mijn hemd en onderbroek idem. Ik voel me een landloper. Daarom heb ik het hemd en de onderbroek mee in de douche genomen en mezelf en die stinkende rommel gewassen met koud water en wat ‘head&shoulders’ shampoo die ik heb kunnen bemachtigen. Ik heb de natte boel opgehangen om te drogen, maar ik heb er geen goed oog in dat het tegen morgenvroeg droog zal zijn. Alles is hier verschrikkelijk vochtig en duf. Het zal me worst wezen, want mijn wasgoed stinkt bijna nog even hard als ervoor.

    Ik kruip in mijn bed en het laatste wat ik denk is: we zien wel.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    22-02-2016, 15:27 geschreven door Mark  
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Woensdag 17 februari

    17/02

    Zo ik terug na de radiostilte van een week. Je zal wel zien waarom.

    Vandaag begint de eerste van de drie hoogtepunten van de reis. Een bezoek aan La Ciudad Perdida (de verloren stad). De stad werd rond 700 na Chr. Gesticht door de Tayrona stam. Die mannen verbleven voordien aan de kust (vandaar het Parque Tayrona dat ik enkele dagen geleden bezocht heb), maar ze hadden blijkbaar nogal wat last van naburige stammen. Eerder dan te opteren voor oorlog, verkozen ze te verhuizen, liefst naar een plek waar de kuststammen niet graag komen: in de bergen. Zij noemden hun stad Teyuana (moeder Aarde –zoals de Inca’s spraken van Pacha Mama). De verhuis had nogal wat voeten in de aarde: ze trokken de Sierra Nevada en op de steile hellingen te midden van het tropisch regenwoud vonden ze op meer dan 1000m hoogte een geschikt plekje. Ze haalden even hun hartje op met steentje klop en bouwden daar een centrum van 400 ha groot met talloze terrassen, stenen muren tegen de erosie, tempels en noem maar op. Alles mooi geïrrigeerd en dat is wel fundamenteel in het tropisch regenwoud. Ze leefden daar lang en gelukkig. Zelfs de Spanjaarden lieten hen ongemoeid. Nogal wiedes: stel dat je weet wat je doel is dan moet je 2-3 dagen door het regenwoud worstelen om de 27,5 km te overbruggen (!). Alles dat allemaal zonder ongelukken lukt dan sta je aan de voet van de zoveelste dichtbeboste berg. Daar moet 1250 treden heel steil (ik schat 45 °) naar boven kletteren over spekgladde keien (regenwoud nietwaar) en dan ben je aan het juiste adres. Kortom, de Spanjaarden deden alsof hun neus bloedde. Ze waren tevreden met de ruilhandel die ze dreven met de kuststammen: gouden sierraden tegen metalen kookpotten en zo. Tot de Spanjaarden, eens terug thuis, hun voorraadje goud lieten smelten om dan vast te stellen dat die sierraden voor x percent uit koper bestonden. De indianen deden dat omdat de legering makkelijker te bewerken was dan zuiver goud. Maar los Españoles konden daar niet mee lachen. Zij  voelden zich opgelicht. Het resultaat liet niet lang op zich wachten. De indianen werden gepromoveerd tot slaaf om goud te zoeken. De volkorenmoord begon. De besmettelijke ziekten waartegen de indianen geen verhaal hadden, deden de rest van het werk. De indianen die konden vluchten, deden dat ook. Uiteraard naar het enige oord waarvan zij wisten dat de Spanjaarden er niet kwamen: Teyana. Wat de sukkelaars niet beseften was dat zij tevens de Europese ziektekiemen mee brachten. Rond 1600 was de hele stad ongeveer uitgestorven. De overgeblevenen vluchten nog verder de Sierra Nevada, waar hun afstammelingen nu nog wonen. De stad werd opgegeven en overwoekerd door het oeroud, tot ze in 1973 bij toeval ontdekt werd door grafrovers. Hun vondst kon niet lang onopgemerkt  blijven omdat er plots verdacht veel nieuwe gouden voorwerpen op de zwarte markt kwamen. Duitse (jawel weer zij) archeologen zijn dan naar de stad getrokken en noemden ze ‘die grüne Helle’ omdat de trektocht naar de plek een ware hel was geweest. Er bestond immers geen enkel pad: ze moesten zich letterlijk de weg bergop door het woud kappen bij een temperatuur van ca 35° graden en een luchtvochtigheid van boven de 80%. Slechts een fractie is nu opgegraven (de mensen en het materiaal worden met helikopters aangevoerd). Tot daar de geschiedenisles voor vandaag.

    Ik heb me goed voorbereid en alles mooi opgedeeld in stapeltjes en ingepakt. In mijn rugzakje alleen wat ik gedurende de trektocht overdag nodig heb, in mijn trolley wat ik ’s nachts nodig heb (en die wordt door een paard gedragen) en wat ik op de reis niet nodig heb (bij voorbeeld winterkleding) en dat pakje blijft in mijn hotel wachten op mijn terugkeer op 22 april.

    Bij de incheck merk ik dat ik de oudste blijk te zijn. Al de anderen (zeker een honderdtal) zijn jonge veulens van 25-30 jaar. We worden ingedeeld in groepen van 15 man en er zijn mensen die de tocht willen LOPEN in 2 dagen heen en 2 dagen terug en anderen die er 6 dagen willen over doen. Ik vraag me af hoe ze die bagage te paard gaan organiseren. Daarom vraag ik hen hoe zij nu weten welke bagage bij welke groep hoort en zij antwoorden mij dat dit geen probleem is want iedereen heeft dezelfde bestemming (kamp 1, kamp 2 en kamp 3). Ik voel me wat ongemakkelijk dat ik weer van de moeilijke vragen stel en zwijg dus maar.

    Eerst 50 km de stad Santa Marta uit richting zuidoost. Dan begint de klimpartij (want blijkt in geen opzicht op een trektocht) door mul zand, rotspartijen enz. Soms even afgewisseld met een vlakker stuk, maar meestal lange stroken met een stijgingspercentage van ik schat 15% . Bij 35° onder een brandende zon is dat verdorie erg zwaar. Het zweet loopt over mijn rug, door mijn onderbroek, langs mijn benen naar beneden. Dat gaat zo non stop door tot we rond 17u aankomen in kamp 1, Alojamiento de Adán. Ik vraag naar mijn bagage en dan komt de aap uit de mouw: die staat nog in Santa Marta. Want dat verhaal over paarden die met de bagage sleuren blijkt niet te kloppen. Maar ja, dat wil zeggen dat ik NIETS méér bezit dan wat ik aan heb, terwijl ik 6 dagen in het tropisch regenwoud moet overleven. Dus geen malariapillen, geen wasgerief, geen kledij, sokken, looplamp, tandpasta, zeep enz. Nada. Dat wordt even een uitdaging! Ik hoop dat mijn kloddernat hemd en onderbroek tegen morgenvroeg droog zijn. Anders zal ik ze nat moeten aantrekken. Ik troost me. Mocht het zo zijn, dan is dat gewoon even vervelend, want na een kwartier stappen wordt alles toch drijfnat van het zweet. Alles is relatief.

    Nu het kamp zelf. In één zin samengevat: een erg slecht georganiseerd scoutskamp met slaapbritsen die sterk lijken op de britsen die men kan zien op foto’s van de concentratiekampen. Het enige verschil is dat er rond elke brits een muskietennet hangt. Een eerste meevaller, want ook dat net zit in mijn ‘paardenbagage’ die in Santa Marta staat. De keuken en de eetplaats zijn afgedekt met een golfplaten constructie die elk moment kan inzakken. Koken doen ze op een houtvuur en de ezel zit te smikkelen uit de grote groenten afval container die ook in dezelfde ruimte staat. Stroom is er niet, dus ook geen licht, geen gsm en geen internet. Water halen ze uit de rivier en zeggen dat ze het zuiveren (!). Eten gebeurt bij kaarslicht en iedereen kruipt om 8u noodgedwongen in zijn bed. Niet alleen omdat het donker is, maar ook omdat nog vochtiger wordt (gelukkig zonder dat de temperatuur daalt). Dat komt bovendien goed uit want morgenvroeg moeten we om 5u opstaan. Maar één ding staat vast: ik drink hier alleen water uit flessen of bier (liefst het tweede).

     


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    22-02-2016, 03:17 geschreven door Mark  
    Reacties (0)
    17-02-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Dinsdag 16 februari

    16/02

    Gelukkig werd ik 5:45u wakker. Ik was uitgeslapen. Ik ga naar de middeleeuws aandoende douche. Dit wil zeggen een waterbuis die boven mijn hoofd eindigt met een opening. De wind waait loeihard door de verluchtingsgaten (alsof er nog niet voldoende luchtcirculatie zou zijn) heen. Mar haar staat recht overeind van de ochtendkou en het gaatje komt een fijn straaltje water. Als ik lang genoeg wacht, raak ik wel net en gewassen, denk ik. En effectief het lukt. Dat gebeurt allemaal in het duister want er is geen elektriciteit.  Als alles – in het donker, bij het schijnsel van mijn looplampje- is opgeruimd en ingepakt en dubbel gecheckt is ga ik ontbijten. De andere gasten zitten er nogal verlebberd en ongewassen bij. Ik had blijkbaar al het resterende water opgebruikt. Zij hadden niets meer. Ik wil beginnen over de parabel van de 7 wijze en de 7 domme maagden, maar ik begin er niet aan. Vooreerst ben ik geen maagd en bovendien vind ik mezelf niet zo wijs. Ik heb het dan maar bij ochtendstond heeft goud in de mond gehouden. Ze verstonden de spreuk niet en dan heb maar gezegd: hoeft ook niet maar weet dat ik met die spreuk gewassen ben en jullie niet.

    Dan in een gamel bootje de Bahia Hondita op, zo zeggen ze althans. In de praktijk varen ze resoluut de baai uit en de oceaan op. Want wat verder ligt een zandbank en dat is de geliefkoosde plaats verblijfplaats voor flamingo’s. Ik ben de grap van Lago Tota niet vergeten, waar ik enkele weken gelden bijna onderkoeld raakte ondanks het feit dat het op de oevers tegen de 30 graden was. Ik neem dus mijn dikke regenjas mee en de beschermhoes van mijn camera. Op volle zee is het inderdaad ijskoud en het water spat vrolijk alle kanten op. Maar ik en mijn camera blijven droog. Ne mens leert elke dag bij. Enne, de flamingo’s waren op afspraak. Rechtopstaand in zo een gamel ding deinend op oceaangolven en sterke wind is niet evident. Maar alles went. Ik trek wel 30 foto’s en enkele blijken goed gelukt te zijn.

    Eens op de andere oever van de baai begint de hobbel terugweg van enkele honderden kilometer door dat onherbergzaam onaards landschap.. We passeren weer alle variaties op het thema, inclusief het zandstormpje. Alleen dat de Landcruiser intussen als maar meer mankementen begint te vertonen. Geen airco meer (bij meer dn 40 graden is die anders wel welkom), en door het veel fijne stofzand blokkeert ook de elektrische motor van de raampjes. Dat wordt straks weer een douche met bruin water, want we zitten weer helemaal onder het ragfijne stofzand. Zelfs in mijn mond knarst het speeksel.. Plots doemt uit de zandnevel een vrachtwagen op met een open laadbak. Daarin zie ik een tiental mensen rechtop staan, twee koeien en iets wat lijkt op grote benzinevaten. In open lucht worden ze bij 40 graden gedurende 4 uur daar door elkaar geklutst en gezandstraald,. Jongens, jongens toch.

    Even later verdwijnt de storm zo snel als ie op kwam. We stoppen even om het ergste stofzand van onze kleren af te kloppen en dan hotsen dan verder. Halverwege zie ik een enorme waterplas. Ik vraag aan de chauffeur waar dat water vandaan komt. Ik kan me niet herinneren dat ik die plas op de heenrit gezien heb. Noppens antwoordt hij: dat is gewoon een luchtspiegeling. Effectief, even later verandert de lichtinval en verdwijnt het effect. Als je zo iets mee maakt als je al een paar dagen hier rond dwaalt, helemaal schor van de dorst, dan word je wel helemaal gek

    Later op de dag rijden we naast de enge nog operationele spoorlijn van Colombia. De lijn is nog steeds in gebruik voor het transport van steenkool van Guajira naar de haven. Het is in de realiteit één rechte spoorlijn van enkele honderden kilometer lang. De goederentrein die erop rijdt kan dan ook enorm lang gemaakt worden (omdat er geen bochten hoeven gemaakt te worden). Honderd vijftig bulkgoederen wagons. Elk van die bakken is toch wel 20 m lang van bumper tot bumper. Maar 150 geeft dat is een trein met een lengte van “ km!  Je moet dat zien: een sliert wagons van de ene horizon naar de andere, getrokken door twee zware locomotieven. Indrukwekkend.

    Om 4 uur kom ik aan bij de busterminal van Riohocha voor de lijnbus naar Santa Martha. Als ik uit de zandwagen stap, helemaal onder het stof en zweet zoals in een cowboy film, staan de ronselaars te gillen dat de bus naar Santa Martha vertrekt. En op zo een moment kunnen alle Zuid Amerikanen bliksemsnel zijn. Mijn chauffeur haalt mijn trolley uit zijn koffer en geeft die aan de klusjesman. Ik koop bij de ronselaar mijn ticket, intussen krijg ik mijn papiertje met de nummer van mijn trolley, ik check nog een seconde na of ik mijn rugzakje, mijn hoed, mijn regenjas, mijn geldbeugel, mijn portefeuille en mijn fototoestel mee heb, stap op de bus en hoop dat ik in die luttele seconden niets vergeten ben. De deur gaat achter ij dicht en weg zijn wij. Enne: ik heb alles bij . Oef.

    Om 18u kom ik aan in mijn hotel in Santa Martha. Dan de grote triage van wat moet gewassen worden tegen morgenvroeg, want tegen de 22ste, wat mee moet in mijn valies, wat in mijn rugzakje en wat hier in het hotel blijft tot de 22ste. Ja wadde!


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    17-02-2016, 03:45 geschreven door Mark  
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Maandag 15 februari

    15/02

    Aan de ontbijttafel, buiten in open lucht uiteraard, huppelt daar toch plots de Cardinal vogel voorbij zeker. Ik grijp naar mijn fototoestel, dat altijd naast mij klaar ligt, en die beweging is voor hem al voldoende om het vogelpad te kiezen. Ik geef niet op en een half uur later en een twintigtal mislukte foto’s verder, lukt het me toch. Ikebem!

    Dan naar het meest Noordelijke punt van Colombia én Zuid Amerika: Punta Gallinas. De natuur die we doorkruisen wisselt regelmatig, maar het blijft altijd extreem: soms een eindeloze vlakte met  rotsblokjes met zand ertussen maar zonder enige begroeiing, dan dicht struikgewas van 2m hoog met door de zon witgeblakerde takken,  zonder bladeren en met scherpe doornen (exact zoals Marquéz beschrijft in zijn boek over de revolutie in Brazilië), en ook velden vol cactussen in alle vormen en formaten. En maar hossen en botsen over zandwegen, keiwegen, met diepe putten en venijnige hellingen waar de Landcruiser naar alle richtingen –naar mijn mening-  net iets teveel overhelt. En dit alles overgoten met een brandende zon en een temperatuur die vlotjes over de 40 graden wipt. Plots stopt mijn gids en wijst naar het lichtbruine zand. Na wat getuur zie ik plots iets lichtbruins bewegen op wel 50 meter afstand. Blijkt een kleine steltloper (jaja, terwijl hier geen druppel water te zien of te vinden is) . een Karavan. Speciaal is dat hij klokvast om het uur zijn wijsje zingt. Hij beweert dat de indianen die vogel als uurwerkdier in huis hielden

    Punta Gallinas is een punt zoals een ander, maar met heeeel veeel wind. Wat de zaak wel een speciaal cachet geeft, is de gewoonte dat elke bezoeker hier een steen op een bestaand hoopje legt of een nieuwe hoopje begint. Er staat ze een heel bos van stenen hoopjes. Mooi om zien. Gek is wel dat men in Tibet exact hetzelfde doet. Er zijn duidelijk nog dingen in deze wereld die nog niet helemaal uitgeklaard zijn. Dit is er zo een. Een ander is dat ik zonder dat iemand het opmerkt foto’s van personen in traditionele klederdracht in Noord Vietnam/Zuid China kan omwisselen met analoge foto’s uit de Andes.  Toch raar, niet.

    Dan naar las Dunas de Taroa. Een kilometers lange duinenrij met toppen van meer dan 100 m hoog. Ik beklim er eentje en aan de andere zijde komt de zee-lijn tot aan de voet van de duinenrij. Ik blijf hier meer even want de zon brandt ongenadig hard. Ik voel het door de protectiefactor 50 door.

    Ik eindig de dag aan een wondermooie baai Bahia Honda. Alleen waait het hier veel te hard. Hoe dat kan versta ik niet. Want hier botsen geen twee oceanen tegen elkaar. Vanavond ga ik lekkere vis eten, vers gevangen in de baai: Lavranche. Met drie pintjes fluitjesbier van Venezuela: Polar bier in flesjes van 220 ml. Dan mijn bed in en hopen dat de huilende wind me niet wakker houdt.

     


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    17-02-2016, 02:57 geschreven door Mark  
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Zondag 14 februari

    14/02

    Gisterenavond vielen mijn ogen om 9 u al dicht. Ondanks de luide muziek vlak voor mijn rieten deur en muren,  slaap ik voor ik goed en wel neerlig. Om 2 u ’s nachts word ik half wakker door de muziek en het lawaai nog steeds lustig verder gaat. Ik val terug in slaap en als ik om 6u wakker word is het eindelijk stil. Al geluk dat ik zo een goede en diepe slaper ben. Anders was ik nu een wrak.

    Om 8 u de baan op, richting Nazareth. De letter t, laatst staan de h worden hier niet uitgesproken. Net zoals de letter s niet of maar half wordt geformuleerd. Paan i hier dan ook niet makkelijk te vertaan. Dat terzijde want we hebben nu vier uur rijden voor de boeg, door een onwaarschijnlijk droog en dor zand – en duinenlandschap. Hier kunnen ze zonder enige aanpassing een science fiction film maken over een of andere exo planeet. En de temperatuur gaat weer enthousiast boven de 40 ° Celcius. Een bakoven. De 4x4 Landcruiser 24 kleppen is hier echt wel nodig. Soms is het zand zo rul dat je de wagen voelt slippen en glijden. Javon (zeep) noemen ze dat hier.  En geen levende ziel te bespeuren. Alhoewel. Plots doemt er, over de ganse breedte van de strook zand, die tot rijweg is gepromoveerd, een dikke koord op. Die wordt bediend door kleine kinderen, die uit het niets (of het zand als je wil) lijken te kruipen. De ene moment zie je geen levende ziel en een seconde later staan ze daar. Ze eisen geld, of koekjes of snoep of water. Twintig meter verder de volgende tolbarrière. En dat gaat zo maar door. Mijn gids heeft een heel zak met koekjes mee. Na een uur is alles uitgedeeld. Ht valt me op dat de wind alsmaar feller waait.

    ’s Middags eet ik in het midden van die gloeiende zandbak sancocho. Ik geniet van de heerlijk warme soep met van alles een beetje: groenten bonen, wat stukjes geit, maîs enz. Verschijnt daar plots een koppel waarvan de vrouw mij voorkomt als een Colombiaanse. De man is duidelijk een Europeaan. Ik zeg hen, zoals iedereen hier doet, ‘buenas’. Het koppel verstijft alsof ze achterom gekeken hebben en daarom als straf in een zoutzuil veranderd worden. Oei oei, het zijn dus Fransen. Ik spreek hen dan maar aan in het Frans en ze ontdooien. Ze komen zelfs mee aan tafel zitten.  Het gesprek verloopt vlot zolang we Molière gedenken. De ober komt langs en ik vraag naar een extra bier in het Spaans. Dan vraagt de Fransman hoeveel talen ik spreek. Ik zeg hem vier en ik probeer er een vijfde bij te krijgen. Waarop de klassieke reactie komt ‘mm, pass mal’. Alsof hij er tien beheerst. Ik weet hoe ik met één zinnetje dat misplaatst meerderwaardigheidsgevoel onderuit kan halen. Ik vraag hem met heel veel blijk van interesse: ‘en hoeveel spreekt u er dan?’  Er valt een doodse stilte voor de rest van de maaltijd.

    Wij hossen en botsten voort. De wind is  veranderd in een stormwind. En toch blijft de hemel staalblauw. Erg verraderlijk. Als ik uit de auto stap om een foto te nemen, krijg ik de deur amper open en eens buiten is het moeilijk om stil te staan. Op een gegeven moment verandert de staalblauw hemel in enkele seconden in een licht bruine dikke wolk. Voor ik goed besef wat er gebeurt zitten we in een kleine zandstorm. Zelfs al duurt het maar enkele minuten, het is wel een indrukwekkende belevenis. Het voelt aan alsof ik in een wasmachine zit gevuld met fijn zandstof in plaats van water. Even later verandert het fenomeen van koers en rijden we zijlings langs een bewegende muur van stofzand. Het water van de douche vanavond zal bruin zien, want dat goedje kruipt overal  tussen en onder.

    In de namiddag komen we aan in Nazareth. Dat dorpje ligt midden in het natuurreservaat Macuira, genoemd naar de Makui indianen. Dat zijn de voorouders van de Wayùu indianen die hier vandaag nog leven. Het is een 25.000 ha groot nationaal park. De meest bekende vogel van het park is de Cardinal . Het is vuurrood vogeltje wat groter dan een ms, maar een imposante kuif op zijn hoofd. Met een lokale gids van het park maak in wandeling in een stukje van uitgestrekte gebied. In een hik en een klik heeft al drie vogels aangewezen en benoemd, nog voor ik mijn camera in aanslag heb. De tocht was wreed interessant, maar ik heb geen enkele vogel kunnen fotograferen. Ze zijn gewoon te snel.  Eén beest had wat meer geduld met mij: de langosta. Een sprinkhaan van ca 15 cm lang. Een monster nar onze normen. Op een bepaalde plek rijst in het woud een grote duinenpartij op met toppen van meer dan 300 meter.  De wind er erg fel en sculpteert letterlijk abstracte figuren in het zand.  Die verdwijnen op hun beurt even snel als ze gekomen zijn.

    De hut waar ik vannacht slaap, is nog minder als gisteren. Geen elektriciteit, een douche aan de andere kant van het zanderige binnenplein, geen toiletpapier, geen handdoek. Enfin, ik wist vooraf dat ik in het meest Noordelijke en ook het armste punt van Colombia zit.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    17-02-2016, 02:56 geschreven door Mark  
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Zaterdag 13 februari

    13/02

    Ik moet ten laatste om 10 uur aan de busterminal van Riohocha. Da ts ca 120 km van Palomino. Ik moet dat flikken op een zaterdag én in Guajira in Colombia. Dat is eigenlijk het noodlot tarten. In El Matuy bezweren ze me dat er om 8u een bus passeert en dat ze er 1,5 uur over doet. Ik neem voor alle zekerheid 30 minuten speling. En dan nog 15 minuten extra omdat een mototaxi mij van het hotel naar de bushalte moet voeren (normaal volstaan 5  minuten). Ik wil dus om 7:45u op de motortaxi stappen. Om dat doel te bereiken sta ik om 6 uur op, neem een frisse douche buiten en pak in. Ik heb geluk. Het heeft vannacht flink gewaaid en tegen alle verwachtingen in is mijn wasje voldoende gedroogd. Ondanks de gezellige 30 graden is drogen hier namelijk een probleem gezien de hoge luchtvochtigheid. Om zeven uur ben ik ingepakt en uitgecheckt. Pünktlich, want vanaf 7 uur heb ik ontbijt besteld. Maar de wuivende palmbomen rond de ontbijtplaats is geen levende ziel te bespeuren. Normaal maal ik er niet om, maar nu wel. Om 7:15u beginnen ze aan het ontbijt. Het gaat vooruit en om 7:40u sta ik te wachten op mijn mototaxi. Die komt eraan om 7:50u en wil een babbeltje met iemand van het personeel. Ik kom tussenbeide want mijn bus van ACHT uur nietwaar. Alles valt in de plooi en stipt 8:00u sta ik aan de bushalte. Een kwartier later nog steeds. Plots is er niemand meer die zich kan herinneren wanneer ’s zaterdags de bus komt. Ik voel de bui hangen en besluiten over te stappen naar plan B (ik heb nog een plan  C ook). Ik steek mijn duim bij de eerste pick-up die passeert. Ik heb geluk. Die man ziet plots de opportuniteit om op zijn traject naar Riohacha twee keer te verdienen: een keer voor zijn job en een tweede keer als informele taxi. Hij zet mij om 9:45u af aan de bushalte. Voor de helft van de prijs van de bus: 8.000 pesos (nog geen 3 euro). Oef.

     

    Daar staat een Toyota 4x4 op mij te wachten. Lijkt me wat overdreven. Maar neen zeg, na 15 minuten stoppen de geasfalteerde wegen en schakelen we over op platgereden duinenzand. Naarmate we verder opschuiven richting Noordoost loopt de temperatuur merkbaar op en wordt het landschap als maar meer dor. Eerste stop is in Manaure met de salinero’s, zoutpannen. Ik wist niet dat naarmate zeewater verdampt er ook chemische processen optreden, waardoor de kleur van het water van appel-blauw-zeegroen over gaat naar diepe roze, en tot slot naar bruin. Straf om zien. Vervolgens even gestopt in Uribia, de hoofdstad van de Indiaanse Colombianen. Er valt niks speciaals te zien of te beleven. Tot slot naar Cabo de Vela met de Pilón de Azúcar en el Ojo de Agua. Smoorheet ( we bereiken de 40 graden)) en het waait hier erg stevig. Niet aflatende rukwinden zoals ik ze me herinner aan Kaap de Goede Hoop. Logisch want we zitten hier ook aan een punt waar het continent van Zuid-Amerika een hoek van bij na 90° maakt naar het Westen.

    De slaapgelegenheden gaan alsmaar achteruit. Maar het lukt nog net. Het eten is wel interessant: vanmiddag kreeft en vanavond een schijf barracuda. Lekker stevige vis. Eigenlijk zo vast als vlees.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    17-02-2016, 02:55 geschreven door Mark  
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Vrijdag 12 februari

    12/02/16

    Om 6:30 uit de veren want ik ga op vogeltocht. Initieel was een bezoek aan een indianendorp voorzien, maar een week geleden heeft het stamhoofd beslist om voor onbepaalde tijd geen bezoekers meer toe te laten. Ik kan hem begrijpen. De vogeltocht is een succes. Ik heb wel 20 verschillende merken gezien. Van elks gemiddeld 5 foto’s genomen en per saldo hou ik er welgeteld 5 over. Al de rest is onscherp. Er hangt altijd wel een takje voor of achter dat volgens de camera net het punt is dat wil fotograferen. Ook al staat het scherpstelpunt op singel, in het midden van het diertje. Enfin vijf is beter dan niets. Vroeger was de score nog veel slechter. Na twee uren stappen door berg en dal, rijst een berg voor mij op. Het wegeltje is erg steil (15 % schat ik) en de klimpartij houdt nooit op. Na een uur klimmen in de brandende zon hangt mijn tong op mijn knieën. Het zweet loopt in  beekjes van mijn ribbenkast. Ik begin me zorgen te maken voor de 5daagse klimtocht naar Ciudad Perdida in het woud. Naar het schijnt is dat vijf dagen zo! Ik vraag me af of ik mezelf niet een beetje overschat heb. We zien wel, ik kan niet meer achteruit.

    Als ik terug in mijn hut ben, moet ik met kleren van mijn lijf trekken alsof ik in een rivier gevallen ben. Mijn T shirt weegt dubbel zo zwaar van het vocht. En het ‘broekdeel’ van mijn broek is drijfnat. Mijn lederen riem ziet zwart van het vocht en heeft een bruin spoor achter gelaten op mijn broek en onderbroek. Ik was de boel met de hand in lauw water, want er is geen wasserette in de buurt en de volgende dagen ook niet. Dan kruip ik in mijn hangmat en val in slaap. Een goede oefening want tijdens de tocht naar Ciudad Perdida zal ik een week in open lucht in een hangmat moeten slapen. Wat  oefening is dus welkom.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    17-02-2016, 02:54 geschreven door Mark  
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Donderdag 11 februari

    11/02

    Voor het ontbijt ben ik naar mijn fotoplekje getrokken. Ne mens moet zijn prioriteiten kennen nietwaar. Tien minuten stilletjes gewacht. Ik hoor veel vogels, maar ik zie er geen. Net als ik het wil opgeven, komt een kolibri met een extra lange snavel van de bovenste verdieping van het bladerdek naar beneden. Het is door zijn extra lange puntige snavel dat ik hem van ca 20- meter opmerk. Nu volgt het moeilijkste: tussen die wirrewar van takjes, twijgjes, takken en boomstammen aan mijn toestel duidelijk maken dat hij moet scherp stellen op het kleinste voorwerp. Zoals altijd  stelt ie scherp op de tak net voor of achter het vogeltje. Dus probeer ik door een beetje vals te spelen en meerdere foto’s achter elkaar te trekken met telkens enkele millimeter  zal meer naar voor of naar achter. Het lukt. Van de pakweg 20 foto’s zijn er 2 scherp. En dat noemt zich een ‘intelligente’ camera.

    Ik neem een uitgebreid ontbijt met een groot glas lulo sap en eieren en toast en fruit. Want de volgende 14 dagen zal ik het met veel minder moeten stellen. Alle comfort zal progressief wegvallen. We zien wel.

    Dan heel de trektocht van gisteren in omgekeerde volgorde terug naar Cañales met mijn bagage op een paard. De afstandse rammelbus nog en om 12 uur kom ik terug in de bewoonde wereld aan. Vervolgens de bus naar Palomino. Ik raak bij de juiste parada van de rammelkar en neem dan een motor taxi (een taxi die dienst doet als taxi) naar mijn hotel El Matuy. Het is een verzameling van rieten cabanas, mooi verspreid onder wuivende goudgele palmbomen en met direct zicht op de Atlantische Oceaan. Idyllisch is he juiste woord. Maar er hangt een prijskaartje aan.  In de hutten is geen elektriciteit, alleen twee kaarsen. De douche is buiten in open lucht en er is geen douchekop. Er is maar één knop voor lauw water. Maar het is hier doodstil. Onder mijn muskietennet val ik in slaap bij de muziek van de golven.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    17-02-2016, 02:53 geschreven door Mark  
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Woensdag 10/02

    10/02

    De volgende dagen zal je niet veel van mij horen. Eerst zit ik een Nationaal Natuurpark en daarna in Guajira. In beide gevallen is er geen internet. Eerst nog even mijn SIM kaart bijladen. Maar de winkel is nog maar half open. ’t Is te zeggen, de winkel is wel open, maar de uitbater is er effen niet. Vermits ik maandag het Museo del Oro  niet kon bezoeken, wegens gesloten op maandag, probeer ik het nu opnieuw. Bingo en gratis voor niks stap ik het gebouw binnen waar onze Moeder de Kerk, als eerste en  belangrijkste werk in Colombia, de Inquisitie installeerde. Ik kan er nog altijd niet bij dat de Kerk zo makkelijk is weg geraakt met zoveel moorden en martelingen. Ik heb er ook een originele akte gezien om de verkoop te bezegelen van een slavin.

    Dan de bus op naar El Parque de Tayrone. Het is een immens natuurpark waar slangen en croco’s vrij rond lopen. Er was nog een beest waarvoor ik moet opletten maar ik versta de naam niet, maar aan de intonatie te horen behoort dat duidelijk tot de familie van de dino’s. Ik lig er niet van wakker, die dieren jagen vooral ’s nacht en ik niet.

    Ik heb vernomen dat ik best wat bagage achter laat, want dat Park is nog echt natuurgebied.  Dus zonder wegen., Ik heb met mijn hotel een akkoord kunnen maken dat ik een zak met winterkledij,  woordenboeken ed bij hen in deposito laat tot ik op 16 februari terug kom. Mijn trolley weegt nu nog 15 kg. Aan de inkom van het park heb ik de keuze: ofwel ga ik de resterende 7 km te voet verder ofwel te paard. Ik opteer voor het paard. Maar dan komt de aap uit de mouw: mijn bagage en ikzelf wegen te zwaar voor 1 paard. Ik moet er twee huren. Onzin natuurlijk, maar onderhandelen helpt niet. Ze ruiken makkelijk geld. Compromis wordt: de bagage gaat in een grote jutte zak op het paard en ik wandel er naast. Goed zo. We zijn geen 5 meter ver en dan stopt het paard. De begeleider zegt me dat hij met het paard de paardenweg neemt en dat ik de trekkersweg moet nemen: gewoon 7 km rechtdoor door het oerwoud. Ik kan niet fout lopen want er is maar één paadje. En weg is ie met zijn paard en mijn bagage. Ik voel met net roodkapje. De trektocht valt goed mee en ik zie wel wat heel kleurrijke vogels, maar opnieuw krijg ik van die beestjes niet meer dan 1 seconde. Dat is te weinig.

    Na een dik uur stappen, klimmen en vooral zweten kom ik aan op een open plein in het woud, met prachtige luxueus ingerichte cabañas. Een heel houten huis met twee verdiepen voor mij alleen. Allemaal in mooi tropisch hout. Een zweettocht waard. En ja, mijn bagage ligt op mij te wachten. De ruiter ligt ernaast langs de ene kant en het paard staat ernaast langs de andere kant.

    Nu wat over DEET 50%. Vroeger was Deet een product dat mosquitos op afstand hield. Als ze het nog maar van ver roken, maakten ze zich uit de vleugels, verder dan ver. Ik weet niet wat ze met dat product aangevangen hebben, maar overduidelijk iets waardoor het nuttig effectief verwaarloosbaar klein is geworden. Even de jeukende feiten. Ik heb op twee dagen (48 u) al 1/2 van een busje van 100 ml leeg gespoten op mijn lichaam. Dat wil dus zeggen één maal per uur en niet meer zoals bij alle vorige reizen twee maal per dag. Eén ’s morgens na het ochtendgebed en één in de late namiddag. Ondanks 50 ml Deet staan mijn onderbenen vol met tientallen venijnig jeukende muggenbeten. De rest (bovenbenen en borstkas staan er beduidend minder, maar toch. En ’s morgens heb ik er ook enkele cadeau gekregen op mijn voeten. Vermits hoge trekkersschoenen draag en ik hen niet in staat acht door dat leder door te steken, kan hieruit enkel maar besIuiten dat ook mijn nieuw, met Deet geïmpregneerd, muskietennet niet bij machte is die beestjes op afstand te houden. Of die beten er zijn omwille van of ondanks Deet 50% , doet er voor mij niet toe. Ik word ongeveer gek van de niet aflatende jeuk. Mijn rechts onderbeen ziet eruit als een mini maanlandschap. Die beestjes hebben amper nog plaats  om op een mooi vlak ongeschonden stukje huid te steken. Waar heb ik dat begot aan te danken? De andere mensen zie ik in short of in bikini rondwandelen of ’s avonds laat aan tafel zitten, blijkbaar zonder noemenswaardige muggenaanvallen. Ik zit erbij voor piet snot in mijn alles verhullende boerka-outfit en toch word ik letterlijk leeg gezogen door die ettertjes. Ze prikken door mijn lange  broek en door mijn sokken heen! Wat voor zuigmondstuk hebben die zeg? Dit heb ik nog nooit mee gemaakt. Het straffe is dat  ik ze niet zie of hoor en dat ze dag én nacht actief zijn. Ik ben de schrik goed te pakken. Ik ben daarom al  eerder begonnen met malariapillen te slikken. Ik hoop dat die generische versie van de klassieke malarone ook geen flauw afkooksel is.

    Het enige nuttig effect dat ik tot op heden van Deet merk is dat, nadat de beestjes gestoken hebben en ik de boel heb open gekrabd, Deet de irritatie vermindert. Ik overweeg bij mijn terugkeer die kwibussen die Deet aan de man brengen als antimuggen product voor de tropen, hier in Colombia één week naakt aan een schandpaal te binden, helemaal ingesmeerd met hun vals product.  Ik geef het u op een papiertje: ze zullen vooraf wreed tegen spartelen om die test NIET te moeten ondergaan omdat ze verrekt goed weten dat hun Deet muggensiroop is. En nadien nog meer vanwege de onuitstaanbare jeuk van zovele beten van dolgedraaide mosquitos. Wie zo iets op de markt durft brengen, heeft het zelf nooit proefondervindelijk getest. Dat kan gewoon niet.

    Genoeg gezaagd. Het park is een schitterend natuurgebied. Ik heb er al enkele uren in rond gewandeld, want strand zitten is aan mij (niet meer) besteed. Morgenvroeg ga ik voor mijn ontbijt op een, naar ik hoop, geschikt plekje zitten wachten op vogels. We kunnen alleen maar proberen. Tijdens het heetst van de dag, verschuilen ze zich immers en ’s avonds komen ze terug tevoorschijn, maar in de kruinen van de bomen. Zo kunnen ze in alle rust de laatste zonnestralen opvangen. Ik kan hen wel horen maar niet zien, want ik kan niet door het bladerdek heen kijken. Een veilig is het hier wel. Ik kom hier elke dag zwaar bewapende militairen tegen.  Vermits dit de hele reis al zo is, leid ik hieruit af dat de strijd tegen de rebellen nog niet helemaal gestreden is.

    Vannacht bespuit ik ook mijn broekspijpen langs binnen met Deet. Dat maakt wel vlekken, maar ik ben al tot zulk een toestand van wanhoop afgedaald, dat die vlekken mij geen barst kunnen schelen, als die muggen maar weg blijven. Ik mag er niet aan denken dat ik binnen een week, vijf volle dagen continu (dus ook ’s nachts) in de Amazone zal verblijven. Slapen gebeurt dan in een hamaca en in open lucht. Dat belooft.  


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    17-02-2016, 02:51 geschreven door Mark  
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Dinsdag 9 februari

    09/02

    Vandaag een schitterende dag beleefd. Ik had een vrije dag want, in tegenstelling tot wat ik gevraagd had, heeft het bureau een dagje strand voorzien. Na wat geëmmer en door twee agentschappen tegen elkaar uit te spelen heb ik gisterenavond een alternatief programma kunnen uit werken. Eerst kostte het 200.000 pesos, op het einde nog 100.000 pesos. Het verschil zit hem erin dat de ene een privé tour voor mij organiseert en den andere mij doet aansluiten bij een groepstour.

    Eerst een mooi ontbijt met guanábaba fruitsap. Dan met enkele taxi’s naar het dorpje Minca in de buurt om daar een natuurwandeling te maken. Mooi, al zie ik geen enkele beest of plant noch bloem  het vermelden waard. Rond de middag moeten we een riviertje van niemendal oversteken. We doen dat op een plaats waar al flink wat rotsblokken liggen. Maar in het midden ontbreken er een paar rotsjes. Ik zie het gevaar aankomen en pak mijn camera en verrekijker al maar in. De rest van de groep, allemaal twintigers en –sters wippen gezwind over de ontbrekende rotsen heen. Als het mijn beurt is zijn de stenen al goed nat en dus spekglad. Ik waag het niet om te springen. Ik voel dat mijn schoenen onvoldoende grip hebben en ik vrees op het moment van de afzet uit te schuiven en in één grote plons mijn hele reis in 20 cm diep water zien vallen. Ik reik zover ik mijn beetjes toelaten, maar het lukt niet. Ik wil geen risico lopen en heb geen andere optie dan één voet in het water te zetten. Dan lukt het zonder probleem. Eens aan de overkant haal ik de steunzool uit die schoen want  anders is die tegen vanavond gewoon stuk gestapt. De rest van  dag heb ik dus met één natte voet in een natte schoen rondgestapt. Tegen 13u komen we aan bij een waterval. Aan de verleiding om in het koele water te duiken kan ik niet weerstaan, want door het onafgebroken klimmen ben ik druipnat en goed opgewarmd. Na wat geaarzel kleed ik me uit, trek mijn zwembroek aan en laat me voorzichtig langs de spekgladde rotsen in het verfrissende water glijden. Zalig. Ik raak zonder verstuikingen of breuken terug op het droge. Wat laten opdrogen in de zon en verder stappen.

    Tegen 15 u krijg ik een heerlijk middagmaal voorgeschoteld met enkele glazen fruitsap van mango met guanábaba. Zo lekker dat ik twee glazen heb gedronken. We zullen zien wat mijn ingewanden ervan denken. Aan de pijn te voelen hebben ze het al serieus te verduren gehad, maar ze blijven aan de winnende hand,  with a little help from my friend weliswaar (1 pilletje imodium per dag – de ‘onderhoudsbeurt noemen ze dat in de bijsluiter; wel een speciaal gevoel voor humor). Venceremos!

    In de namiddag (hier is dat van 16u tot 19u) naar een koffieplantage geweest en toch weer wat bij geleerd. De geur van koffie wordt gedragen door etherische oliën en vervliegen binnen enkele uren. Dan is de geur definitief weg. Om de geur langer vast te houden mengen ze de gemalen koffiebonen met dierenbloed omdat het vet in het bloed de etherische oliën langer kan vasthouden. Voor de export gebruiken ze uiteraard geen bloed, maar een of ander. En dat verklaart waarom je op het oppervlak van een tas koffie soms een vetlaagje ziet.  Eigenlijk is dat het bewaarmiddel. Als ik de uitleg in het Spaans goed verstaan heb, althans. Dan komt de josjoclotli (fonetisch geschreven. Het woord dat door de Spanjaarden verbasterd werd tot chocolate. De boontjes die binnen in de grote boon zitten (zoals ik er een thuis heb), worden gedroogd, gebraden en vermalen net zoals koffiebonen. Doe daar vervolgens warm water en allerlei ‘goede’ kruiden bij en je hebt de zeer bittere chocolade die de hoofden van nagenoeg alle indianenstammen in Midden- en Zuid-Amerika dronken. Cortez bijvoorbeeld heeft die drank ook aangeboden gekregen van Moctezuma. Hij smaakte bijna hetzelfde als wat ik in 1977 in Guatemala met Nicole gedronken. Alleen dat ze er nu een beetje panela (rietsuiker) hebben bijgedaan. Een heel klein beetje maar zeggen ze zelf.

    Daarna nog even kennis gemaakt met een familie Tayrona indianen. De idígenos worden hier veel beter behandeld dan in de rest van Zuid-Amerika. Sinds twee legislaturen krijgen ze elk jaar een groot stuk grondgebied terug. Daar kunnen en mogen ze leven naar hun eeuwenoude gewoontes. Ze dragen hun witte lange rokken, net zoals de Spanjaarden hen afbeelden. En ze gebruiken nog steeds coca. Ze versterken het effect van de coca door er vermalen, gebrande schelpen (calciumbicarbonaat) onder te mengen. Dat goedje sleuren ze me in een potje en met een likstok brengen ze wat naar hun mond. Na gebruik slikken ze de smurrie niet in, ze spuwen het niet uit. Ze smeren het uit rond de opening van hun potje zodat er na verloop van tijd een lichtbruine versteende heuveltje van enkele cm hoog op hun potje plakt. De gids vertelt ook dat het stamhoofd zodra hij 40 jaar is, een jongen van 6-7 jaar uitkiest als zijn opvolger. Hij moet dan de gemeenschappelijke kennis van de stam  van uiten leren. Dat proces neemt 7 jaar in beslag en al die tijd moet de jongen in het donker (dus zonder zonlicht) leven. Alleen als de maan schijnt mag ie naar buiten komen. Allemaal om zijn geheugen goed aan te scherpen. Na zeven jaar is hij volleerd en volgt hij het huidige opperhoofd als een schaduw. Om te leren hoe hij later moet doen. Het valt niet moeilijk te begrijpen dat de meeste opperhoofd ernstige oogproblemen hebben.

    Minimum één kind moet naar school gaan. Het blijken telkens uitstekende leerlingen te zijn met een fenomenaal geheugen. Nogal wiedes want zij kennen geen schrift. De hele cultuur- en technische – en natuur erfenis wordt mondeling overgeleverd. Die studenten blijken ook erg goede schakers te zijn. Allemaal eigenschappen die de Jezuïeten 400 jaar geleden al opgemerkt en genoteerd hadden.

    Terug in mijn uitvalbasis ga ik vandaag eens iets anders eten: Griek!  Het smaakt uitstekend.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    17-02-2016, 02:50 geschreven door Mark  
    Reacties (0)
    Archief per week
  • 11/04-17/04 2016
  • 04/04-10/04 2016
  • 28/03-03/04 2016
  • 21/03-27/03 2016
  • 14/03-20/03 2016
  • 07/03-13/03 2016
  • 29/02-06/03 2016
  • 22/02-28/02 2016
  • 15/02-21/02 2016
  • 08/02-14/02 2016
  • 01/02-07/02 2016
  • 25/01-31/01 2016
  • 18/01-24/01 2016
  • 29/11-05/12 -0001
    E-mail mij

    Druk op onderstaande knop om mij te e-mailen.

    Gastenboek

    Druk op onderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek

    Blog als favoriet !

    Blog tegen de wet? Klik hier.
    Gratis blog op https://www.bloggen.be - Meer blogs