|
Advies en standpunt van
NICM over Wetsvoorstel 52K2129 aan de Kamercommissie voor de Justitie
Naar aanleiding van de start van de besprekingen in de Commissie voor de
Justitie aangaande het wetsvoorstel 53K2129 heeft het NICM uit eigen beweging
een advies uitgebracht en overgemaakt aan zowel de Minister van Justitie,
Mevrouw Annemie Turtelboom als aan de Voorzitster van de Kamercommissie voor de
Justitie.
Dit wetsvoorstel strekt ertoe de mede-eigenaars te beschermen in het
kader van fouten of andere malversaties van bepaalde syndici; daartoe wordt
voorzien in een verder doorgedreven controle van de rekeningen en een betere
voorlichting van de mede-eigenaars over alle financiële en boekhoudkundige
handelingen in de mede-eigendom. U vindt het wetsvoorstel hier.
Mevrouw Kristien Van Vaerenbergh
Voorzitter van de Commissie voor de Justitie
Kamer van Volksvertegenwoordigers
Natieplein
1008 BRUSSEL
Vilvoorde, 4 februari 2013
Standpunt van het Nationaal Informatie Centrum voor Mede-eigenaars
(NICM) met betrekking tot het wetsvoorstel tot wijziging van het Burgerlijk
Wetboek, wat de mede-eigendom betreft (53K2129)
Geachte mevrouw Van Vaerenbergh,
Naar aanleiding van de start van de besprekingen in de Commissie voor de
Justitie van dit wetsvoorstel wenst het NICM uit eigen beweging een advies uit
te brengen.
Het NICM benadrukt dat zij zéér verheugd is om vast te stellen dat het
parlement actief stappen onderneemt om de individuele mede-eigenaar en de
vereniging van mede-eigenaars beter te bescherming ten opzichte van een
bepaalde minderheid van syndici (professioneel dan wel occasioneel) die hun
vertrouwenspositie misbruiken.
De juridische dienst van het NICM is na grondige analyse van het
wetsvoorstel en de ingediende amendementen van oordeel dat de wijziging met
betrekking tot verbetering van de financiële controle op de syndicus (art. 2,
1° en 4° van het wetsvoorstel), de commissaris van de rekeningen (art. 3 van
het wetsvoorstel) en het vermogen van de vereniging van mede-eigenaars (art. 2,
3° van het wetsvoorstel en amendement nr. 1) om verschillende redenen indruisen
tegen de belangen van de verenigingen van mede-eigenaars. Het NICM meent dat de
bepalingen beter op een andere manier ingevuld kunnen worden zoals hierna wordt
toegelicht.
A. Financiële controle op de syndicus
Het in het 4° opgenomen voorstel in art. 2 van het wetsvoorstel stelt
dat een bedrijfsrevisor moet vaststellen dat "Het verslag van de
commissarissen stelt dat zij geen kennis hebben gehad van overeengekomen
verrichtingen, genomen beslissingen en/of van rekeningen van verenigingen van
mede-eigenaars opgesteld door de syndicus in schending van deze paragraaf en/of
van de basisakte en/of van het reglement van mede-eigendom van een vereniging
van mede-eigenaars waarvan hij syndicus is.".
Het NICM juicht toe dat er controle is op de vennootschap van de
syndicus, maar de bovenstaande zin ondergraaft volledig de werking van de
toezichtsorganen die in een vereniging van mede-eigenaars aanwezig zijn. Zowel
de raad van mede-eigendom (die verplicht is bij gebouwen met meer dan 20 kavels
en optioneel bij de andere gebouwen) en de commissaris van de rekeningen (die
altijd verplicht is) hebben tot taak om respectievelijk na te gaan of dat de
syndicus zowel de wet, de basisakte, het reglement van mede-eigendom en de
beslissingen van de algemene vergadering van de vereniging van mede-eigenaars
respecteert. De doelstelling van de wet van 2 juni 2010 namelijk meer
verantwoordelijkheidszin leggen bij de individuele mede-eigenaar wordt zo
teniet gedaan.
Eveneens kan niet verwacht worden van een bedrijfsrevisor dat hij van
alle gebouwen die de syndicus beheert een controle uitoefent op al deze
aspecten zoals in voornoemd artikel wordt opgesomd. Mede-eigenaars kennen
normaal gezien de situatie binnen hun vereniging van mede-eigenaars beter dan
eender wie. Deze bepaling kan ook conflicten veroorzaken tussen een
bedrijfsrevisor, de toezichtsorganen en een eventuele individuele mede-eigenaar
wanneer de bedrijfsrevisor zou verklaren dat alles wettelijk in orde is en de
toezichtsorganen in hun verslag verklaren dat er schendingen zijn geweest dan
wel van de wet, de basisakte, het reglement van mede-eigendom of de
beslissingen van de algemene vergadering van de vereniging van mede-eigenaars.
Het NICM is van mening dat de bedrijfsrevisor zich strikt moet houden
aan de voorziene wettelijke controle van de vennootschap van de syndicus en
zich beter niet inmengt in de controle door de wettelijke toezichtsorganen van
de vereniging van mede-eigenaars.
B. Commissaris van de rekeningen
Het NICM wenst ook te benadrukken dat het Burgerlijk Wetboek geen
handleiding is, maar een wettelijk raam omschrijft waarbinnen de vereniging van
mede-eigenaars soeverein kan evolueren. Hierbij kan de algemene vergadering van
mede-eigenaars ook kiezen op welke wijze zij de bovenstaande soevereiniteit
uitoefent en zal de syndicus als uitvoerend orgaan van de vereniging van
mede-eigenaars belast worden met de uitvoering van de beslissingen van de
algemene vergadering van de vereniging van mede-eigenaars.
De wijziging van art. 577-8/2 van het Burgerlijk Wetboek is geen goede
zaak voor de vereniging van mede-eigenaars. In de actuele stand van de
wetgeving mag de vereniging van mede-eigenaars zelf kiezen via het reglement
van mede-eigendom welke verplichtingen en bevoegdheden een commissaris van de
rekeningen heeft. De verplichtingen en bevoegdheden die het NICM voorschrijft
voor de commissaris van de rekeningen gaan ook veel verder en zijn veel
duidelijker voor de mede-eigenaars. Als bijlage vindt u daartoe een voorbeeld
van de tekst die het NICM voorstelt. Wanneer de bepaling wordt gewijzigd, wordt
afbreuk gedaan aan de vrijheid die een vereniging van mede-eigenaars heeft.
Het NICM is helemaal geen voorstander van een wettelijke inmenging van
een bedrijfsrevisor of een externe accountant in de financiële controle van de
vereniging van mede-eigenaars. Zoals terecht reeds gesteld door het
Grondwettelijk Hof in haar arrest van 15 december 2011: "Meer in het
algemeen streefde de wetgever met de aanwijzing van een « commissaris van de
rekeningen » een ruimere verantwoordingsplicht en een betere bescherming van de
mede-eigenaars (Parl. St., Kamer, 2007-2008, DOC 52-1334/001, pp. 7 en 15), een
betere controle van de rekeningen (ibid., p. 25), en de versterking van de
transparantie van het financieel beleid (Parl. St., Senaat, 2009-2010, nr.
4-1409/10, p. 3) na.
De wetgever vermocht ervan uit te gaan dat het past de functie van «
commissaris van de rekeningen » tevens open te stellen voor mede-eigenaars die
niet noodzakelijk bedrijfsrevisor of externe accountant zijn, opdat die functie
kan bijdragen tot de betere betrokkenheid van de mede-eigenaars bij het
toezicht op de rekeningen van de mede-eigendom. De wetgever kon daarenboven
ervan uitgaan dat de boekhouding van de mede-eigendom in de regel niet dezelfde
kenmerken vertoont als de in B.7.1[1] bedoelde wettelijke bepalingen, waarin
hij het optreden van een bedrijfsrevisor noodzakelijk heeft geacht.
Met de creatie van de functie van de commissaris van de rekeningen heeft
de wetgever niet op onevenredige wijze afbreuk gedaan aan de rechten van de
bedrijfsrevisoren en externe accountants, gelet op het beperkte karakter ervan.
Zij heeft immers alleen betrekking op de verenigingen van mede-eigenaars en zij
verbiedt die verenigingen niet om de functie van « commissaris van de
rekeningen » aan een bedrijfsrevisor of een externe accountant toe te wijzen."
Het lijkt het NICM normaal dat het al dan niet aanwijzen van een
bedrijfsrevisor of een externe accountant valt onder de residuaire bevoegdheden
van de algemene vergadering van de vereniging van mede-eigenaars en hiervoor
geen speciale rechtsgrond voor opgesteld moet worden. Het is bovendien ook
onlogisch dat de syndicus, de commissaris van de rekeningen en de raad van
mede-eigendom worden verkozen met een volstrekte meerderheid en een externe
bedrijfsrevisor of een externe accountant plots met 75% moet worden verkozen.
Het NICM is van mening dat de bedrijfsrevisor zich strikt moet houden
aan de voorziene wettelijke controle van de vennootschap van de syndicus zoals
beschreven onder punt A en zich beter niet inmengt in de controle door de
wettelijke toezichtsorganen van de vereniging van mede-eigenaars.
Het NICM pleit er dan ook voor om geen wijziging aan te brengen aan art.
577-8/2 van het Burgerlijk Wetboek met uitzondering van de benaming van de
functie omdat deze inderdaad aanleiding kan geven tot verwarring als de
controle op de vennootschap van de syndicus wordt goedgekeurd. Het NICM pleit
evenwel voor een betere Nederlandstalige term zoals financieel opzichter' of
inspecteur van de rekeningen'.
C. Vermogen van de vereniging van
mede-eigenaars
Art. 2, 3° van het wetsvoorstel en amendement nr. 1 wensen enerzijds
art. 577-8, §4, 17°/1 van het Burgerlijk Wetboek in te voegen en anderzijds
art. 577-8, §4, 5° van het Burgerlijk Wetboek te vervangen.
Voor beide bepalingen meent het NICM dat door de invoeging van deze
bepaling de wetgever laat uitschijnen dat syndici eigenlijk niet weten waarmee
ze bezig zijn en in een wet(!) moet omschreven worden wat syndici moeten doen
tot in het detail. Volgens het NICM is dit overbodig en ongewenst. Het is enkel
een bijkomende verplichting die de facto logisch is doordat een
vereniging van mede-eigenaars een afzonderlijke rechtspersoon is en de gelden
van de rechtspersoon enkel kunnen gebruikt worden voor het wettelijk doel van
de rechtspersoon zoals wordt omgeschreven in art. 577-5, §3 van het Burgerlijk
Wetboek. Deze paragraaf stelt dat "De vereniging van mede-eigenaars kan
geen ander vermogen hebben dan de roerende goederen nodig voor de
verwezenlijking van haar doel, dat uitsluitend bestaat in het behoud en het
beheer van het gebouw of de groep van gebouwen.".
Beide bepalingen bevatten ook de zinsnede "Er mag geen beslag
worden gelegd op de rekeningsaldi ten voordele van de schuldeisers van de
syndicus.". Niettegenstaande de memorie van toelichting geen uitleg
verschaft, vermoedt het NICM dat het hier gaat om een mogelijk beslag (zowel
bewarend als uitvoerend) door een derde voor schulden die een syndicus heeft
bij deze derde.
Het NICM is evenwel van mening dat als er iets aan misbruiken moet
gedaan worden dit beter wordt bereikt via een gelijkaardige bepaling zoals
voorzien in art. 61, §2 van het Wetboek van vennootschappen (zie punt D) en een
aanpassing van art. 492bis van het Strafwetboek.
Een vereniging van mede-eigenaars beschikt over een eigen vermogen
waarbij afzonderlijke kapitalen zijn voor het werkkapitaal als het
reservekapitaal. Zij mogen niet met elkaar vermengd worden, noch mogen zij
tezamen op één rekening terecht komen. Deze gelden mogen in geen enkele
situatie terecht komen op enige rekening van de syndicus, noch mogen deze
rekeningen op naam van de syndicus zijn. De syndicus verkrijgt enkel toegang
tot de rekeningen via een volmacht op de bankrekeningen.
Bovendien wordt het doel van zowel het werkkapitaal als het
reservekapitaal omschreven. Het werkkapitaal is overeenkomstig art. 577-11, §5,
tweede lid van het Burgerlijk Wetboek "de som van de voorschotten die
zijn betaald door de mede-eigenaars als voorziening voor het betalen van de
periodieke uitgaven, zoals de verwarmings- en verlichtingskosten van de
gemeenschappelijke delen, de beheerskosten en de uitgaven voor de huisbewaarder".
Het reservekapitaal is overeenkomstig art. 577-11, §5, derde lid van het
Burgerlijk Wetboek "de som van de periodiek ingebrachte bedragen die
zijn bestemd voor het dekken van niet-periodieke uitgaven, zoals de uitgaven
voor de vernieuwing van het verwarmingssysteem, de herstelling of de
vernieuwing van een lift, of het leggen van een nieuwe dakbedekking".
De opsommingen zijn in beide gevallen niet exhaustief.
Het is de vereniging van mede-eigenaars toegestaan om nog andere
kapitalen in te richten in uitzonderlijke situaties.
Wanneer de syndicus overgaat tot misbruik van de kapitalen stelt zich de
vraag of dit het misdrijf misbruik van vertrouwen inhoudt.
Art. 491 van het Strafwetboek is hierbij van belang. Dit artikel bepaalt
dat "Hij die ten nadele van een ander goederen, gelden, koopwaren,
biljetten, kwijtingen, geschriften van om het even welke aard, die een
verbintenis of een schuldbevrijding inhouden of teweegbrengen en die hem
overhandigd zijn onder verplichting om ze terug te geven of ze voor een bepaald
doel te gebruiken of aan te wenden, bedrieglijk verduistert of verspilt [...]".
Zo stelde het Hof van Cassatie (Cass. 1 maart 2000, Arr.Cass.
2000, 504.) in het verleden dat "het misdrijf misbruik van vertrouwen
voltrokken is op het ogenblik dat degene aan wie onroerende zaken worden
toevertrouwd onder de verplichting om ze terug te geven of ze voor een bepaald
doel te gebruiken of aan te wenden, niet meer in de mogelijkheid verkeert ze
terug te geven of ze tot de overeengekomen overeenstemming te gebruiken of aan
te wenden".
Op het eerste zicht lijkt het misdrijf van misbruik van vertrouwen
toepasselijk te zijn, maar schijn bedriegt. Het moreel bestanddeel, namelijk
het bedrieglijk opzet ontbreekt. Zo stelde het Hof van Cassatie (Cass. 28
januari 1999, Arr.Cass. 1999, 101.) dat "het moreel bestanddeel
van het in artikel 491 van het Strafwetboek omschreven wanbedrijf bestaat in de
bedoeling van de dader om zich de hem toevertrouwde zaak toe te eigenen of ze
aan de eigenaar te ontnemen en aldus als eigenaar erover te beschikken; dat het
enkel misbruik van de gehuurde zaak niet de bedoeling om zich als zodanig te
gedragen insluit".
Wanneer de syndicus niet de bedoeling heeft om er als eigenaar over te
beschikken pleegt hij niet het misdrijf misbruik van vertrouwen. Hij
misbruikt enkel zijn bevoegdheid. Het gaat om de situatie wanneer de syndicus
tegen de belangen van de vereniging van mede-eigenaars handelt en een
bedrieglijk gebruik maakt van goederen of gelden van de vereniging van
mede-eigenaars, zonder een verduistering of verspilling te plegen zoals
voorzien in art. 491 van het Strafwetboek. Hierbij komt art. 492bis van het
Strafwetboek op de proppen. Dit artikel handelt over misbruik van
vennootschapsgoederen.
Artikel 492bis van het Strafwetboek bepaalt dat "[...] de
bestuurders, in feite of in rechte, van burgerlijke en handelsvennootschappen,
alsook van verenigingen zonder winstoogmerk, die met bedrieglijk opzet en voor
persoonlijke rechtstreekse of indirecte doeleinden gebruik hebben gemaakt van
de goederen of van het krediet van de rechtspersoon, hoewel zij wisten dat
zulks op betekenisvolle wijze in het nadeel was van de vermogensbelangen van de
rechtspersoon en van die van zijn schuldeisers of vennoten".
Opdat misbruik van de kapitalen in het nadeel van de vereniging van
mede-eigenaars door een syndicus zou kunnen bestraft worden, is het
noodzakelijk om tot een aanpassing van art. 492bis van het Strafwetboek
over te gaan.
Gelet op het specifieke karakter van een vereniging van mede-eigenaars
lijkt het opportuun om dit te vragen. Volgens het NICM mag verwacht worden dat
een vereniging van mede-eigenaars minstens dezelfde bescherming krijgt als een
vennootschap. Het bedrieglijk wanbeheer van syndici bestraffen die met misbruik
van de rechten aan hun mandaat verbonden niet het doel van de vereniging van
mede-eigenaars doch persoonlijk voordeel nastreven, is noodzakelijk.
Het NICM vraagt dan ook uitdrukkelijk om de invoering van zowel bepaling
17°/1 als de wijziging van bepaling 5° van art. 577-8, §4 van het Burgerlijk
Wetboek te beperken tot "Er mag geen beslag worden gelegd op de
rekeningsaldi ten voordele van de schuldeisers van de syndicus.".
Daarnaast vraagt het NICM ook om art. 492bis van het Strafwetboek aan te
passen.
D. Aansprakelijkheid van de syndicus
Niettemin het wetsvoorstel gericht is op een verder doorgedreven
controle van het financieel beheer opdat meer transparantie en informatie wordt
gebracht over alle in de mede-eigendom uitgevoerde financiële en
boekhoudkundige handelingen, is het aspect van de aansprakelijkheid van de
syndicus verbonden aan de drie voorgaande onderwerpen.
De syndicus treedt op als orgaan van de vereniging van mede-eigenaars
ten opzichte van derden. Volgens de klassieke orgaantheorie kan een
onrechtmatige daad van de syndicus enkel toegerekend worden aan de vereniging
van mede-eigenaars wanneer hij deze heeft gesteld in de uitoefening van zijn
bevoegdheden. Een orgaan identificeert zich beter met de rechtspersoon ten
opzichte van een lasthebber waardoor via de orgaantheorie een onrechtmatige
daad wordt toegerekend aan die van de rechtspersoon. De rechtspraak heeft deze
toerekenbaarheid verder uitgewerkt en gesteld dat het ook om de onrechtmatige
daden gaat waarvan ieder redelijk en zorgvuldig persoon kan aannemen dat die
bevoegdheid tot het orgaan behoort. Dit houdt in wanneer ieder redelijk
en zorgvuldig persoon uitgaat dat het orgaan handelt binnen de grenzen van zijn
formele bevoegdheid de onrechtmatige daad toerekenbaar is aan de rechtspersoon.
De verwachtingen van de betrokken personen gaan dus boven het belang van de
rechtspersoon. Het voorgaande doet geen afbreuk aan de persoonlijke
aansprakelijkheid van het orgaan wanneer deze een onrechtmatige daad begaat.
Anders gesteld, niet elke fout van het orgaan zal opgeslorpt worden door de
rechtspersoon via de orgaantheorie. Het orgaan kan via een buitencontractuele
vordering aansprakelijk gesteld worden. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer
de syndicus een misdrijf pleegt.
De bovenstaande redenering gaat perfect op wanneer de syndicus een
natuurlijk persoon is. De vraag stelt zich of de aansprakelijkheid van de
syndicus (rechtspersoon) op eenzelfde wijze in het gedrang kan komen, dan wel
dat er hierbij bijkomende hinderpalen zijn.
Zoals voor de vereniging van mede-eigenaar geldt, geldt ook voor de
vennootschap die als syndicus functioneert dat zij enkel kan optreden door
middel van haar organen. De personen die als orgaan van de vennootschap van de
syndicus optreden hebben geen enkele band met de vereniging van mede-eigenaars.
Met andere woorden deze is helemaal niet verantwoordelijk voor de wijze waarop
de rechtspersoon zijn mandaat vervult in de vereniging van
mede-eigenaars. De persoon die te werk is gesteld achter de rechtspersoon
is alleen verantwoordelijk voor de goede uitoefening van zijn functie binnen de
rechtspersoon en niet binnen de vereniging van mede-eigenaars.
Dit heeft vergaande gevolgen. Wanneer het orgaan van de syndicus
(rechtspersoon) een fout maakt die verwijtbaar is aan de syndicus (rechtspersoon)
dan heeft de vereniging van mede-eigenaars nog altijd geen rechtstreekse band
met het orgaan waardoor zij geen vordering kan instellen tegen dit orgaan, maar
enkel ten opzichte van de syndicus (rechtspersoon). Vervolgens kan de
vereniging van mede-eigenaars ook bijna niet het orgaan aanspreken omwille van
de theorie van de quasi-immuniteit van het orgaan. Ook voor derden is het veel
moeilijker om de persoon achter de syndicus (rechtspersoon) aansprakelijk te
stellen. Zij moeten enerzijds de buitencontractuele aansprakelijkheid van de
persoon bewijzen en anderzijds dat het om een persoonlijke fout gaat in de
uitoefening van zijn functie binnen de rechtspersoon-syndicus.
Er is dus een groot verschil in de rechtspositie van de syndicus
(natuurlijk persoon) en de syndicus (rechtspersoon).
De vraag kan gesteld worden of er geen nood is aan een vaste
vertegenwoordiger zoals voorzien in art. 61, §2 van het Wetboek van
vennootschappen[2] wanneer er een syndicus (rechtspersoon)
wordt benoemd. Zeker wanneer de doelstelling van de wetgever is dat de
aansprakelijkheid zoveel mogelijk persoonlijk moet worden uitgeoefend. De
vereniging van mede-eigenaars heeft evenwel geen invloed op welke persoon
binnen de syndicus (rechtspersoon) het beheer zal waarnemen.
Het NICM wijst ter zijde dat een vereniging van mede-eigenaars onder de
strafrechtelijke verantwoordelijkheid valt van art. 5 van het Strafwetboek.
Hierbij is het wederom een verschil of de syndicus al dan niet optreedt als
natuurlijk persoon.
Er is geen band met het orgaan of aangestelde van de syndicus
(rechtspersoon) en de vereniging van mede-eigenaars. Hieruit volgt niet dat de
vereniging van mede-eigenaars niet strafrechtelijk aansprakelijk kan gesteld
worden voor een misdrijf van een orgaan of aanstelde van de syndicus
(rechtspersoon).
De wetgever heeft niet geoordeeld om categorieën te specifiëren waarvoor
de rechtspersoon strafrechtelijk aansprakelijk kan zijn omdat dit leidt tot een
beperking van de aansprakelijkheid. Daaruit volgt dat ook de vereniging van
mede-eigenaars aansprakelijk kan gesteld worden wanneer er voldaan wordt aan de
voorwaarden van art. 5 Sw.. Zelfs in het geval de aangestelde of het orgaan van
de syndicus (rechtspersoon) geen rechtstreekse band heeft met de vereniging van
mede-eigenaars. Een gepleegd feit door een orgaan dan wel werknemer van de
syndicus (rechtspersoon) geeft dus ook niet automatisch aanleiding tot de
betrokkenheid van de syndicus (rechtspersoon).
Dit kan leiden tot de situatie waarbij zowel de syndicus
(rechtspersoon), als de vereniging van mede-eigenaars als het orgaan of de
aangestelde van de syndicus (rechtspersoon) strafrechtelijk vervolgd worden
voor een misdrijf. In welke mate dit leidt tot de aansprakelijkheid van alle
drie dan wel een of twee, is een feitenkwestie waarover de rechter oordeelt.
Het NICM heeft hier geen problemen mee. Maar verwacht toch enigszins een
evenwicht ten opzichte van de zijde van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid
van de syndicus.
Het NICM pleit dan ook voor de invoering van een gelijkaardige regeling
zoals voorzien in art. 61, §2 van het Wetboek van vennootschappen. Het NICM
vermoedt dat dergelijke regeling tezamen met een aanpassing van art. 492bis
van het Strafwetboek meer indruk zal maken op syndici die het niet goed menen
met de vereniging van mede-eigenaars.
Tot slot is het NICM altijd bereid om haar standpunten via een
hoorzitting in de Commissie voor de Justitie verder toe te lichten.
Met vriendelijke groet,
Marc André
Voorzitter vzw NICM
[1] GwH 15 december
2011, nr. 187/2011: "B.7.1. De verzoekende partijen verwijzen naar de
artikelen 4, 9, 10 en 17 van de wet van 27 juni 1921 betreffende de
verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder
winstoogmerk en de stichtingen, naar artikel 10 van de wet van 11 januari 1993
tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen
van geld en de financiering van terrorisme, naar artikel 25 van de wet van 21
maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische
overheidsbedrijven, naar de artikelen 130 tot 143 en 526ter van het Wetboek van
vennootschappen, naar boek III van het koninklijk besluit van 30 januari 2001
tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen, en naar artikel 45 van het
decreet van de Franse Gemeenschap van 9 januari 2003 betreffende de doorzichtigheid,
de autonomie en de controle in verband met de overheidsinstellingen, de
maatschappijen voor schoolgebouwen en de maatschappijen voor vermogensbeheer
die onder de Franse Gemeenschap ressorteren, teneinde te staven dat de wetgever
sedert 21 februari 1985 de titel « commissaris van de rekeningen » steeds heeft
voorbehouden aan het beroep van bedrijfsrevisor."
[2] Art. 61, §2
W.Venn: "Wanneer een rechtspersoon aangewezen wordt tot bestuurder,
zaakvoerder of lid van het directiecomité, van de directieraad of van de raad
van toezicht, benoemt deze onder zijn vennoten, zaakvoerders, bestuurders,
leden van de directieraad, of werknemers een vaste vertegenwoordiger die belast
wordt met de uitvoering van de opdracht in naam en voor rekening van de
rechtspersoon. Deze vertegenwoordiger moet aan dezelfde voorwaarden voldoen en
is burgerrechtelijk en strafrechtelijk aansprakelijk alsof hij zelf de
betrokken opdracht in eigen naam en voor eigen rekening zou volbrengen,
onverminderd de hoofdelijke aansprakelijkheid van de rechtspersoon die hij
vertegenwoordigt. Deze laatste mag zijn vertegenwoordiger niet ontslaan zonder
tegelijk een opvolger te benoemen.
Voor de benoeming en beëindiging van de opdracht van de vaste
vertegenwoordiger gelden dezelfde regels van openbaarmaking alsof hij deze
opdracht in eigen naam en voor eigen rekening zou vervullen.
De vaste vertegenwoordiger van de
rechtspersoon die bestuurder of zaakvoerder en vennoot is in een vennootschap
onder firma, een commanditaire vennootschap, een coöperatieve vennootschap met
onbeperkte aansprakelijkheid of in een commanditaire vennootschap op aandelen
is evenwel niet persoonlijk verbonden voor de verbintenissen van de vennootschap
waarin de rechtspersoon bestuurder of zaakvoerder en vennoot is."
20-02-2014 om 09:22
geschreven door danny 
Categorie:JURIDISCH FORUM
|