Slaap apneu syndroom
Samenvatting Epidemiologie Pathofysiologie Gevolgen Anamnese Slaaponderzoek Therapie Doorverwijzing
Bij een patiënt die komt met snurkklachten moet middels een (hetero-) anamnese nagegaan worden of er sprake is van enkel snurken of dat er sprake kan zijn van een bijkomend slaapapneu syndroom. In de anamnese behoren vragen naar het voorkomen van apneus, slaperigheid overdag, onrustige slaap, nycturie en persoonlijkheidsstoornissen. Bij lichamelijk onderzoek zijn het gewicht, de bloeddruk, de neuspassage en keelinspectie van belang.
Indien er louter sprake lijkt van snurken, is de eerste stap nagaan of er predisponerende omstandigheden zijn zoals gewichtstoename, alcoliolgebruik, slaaphouding of medicijngebruik. Behandeling bestaat dan uit leefregels (gewichtsreductie, geforceerde zijligging, geen sedativa, geen alcohol en oordopjes voor de partner) en neusdoorgankelijkheidsbevorderende maatregelen (neusspray, neusvleugels). Indien dit onvoldoende helpt kan een operatie van de KNO arts op neus-of keelgebied helpen. Geïnventariseerd moeten worden of de patiënt de klacht dusdanig hinderlijk vindt dat hij er een operatie voor over heeft. Verder is een mandibulair repositie-apparaat, aangemeten door een gespecialiseerde tandarts, een mogelijkheid. Indien er sprake kan zijn van een bijkomend slaap-apneusyndroom dan moet een slaaponderzoek angevraagd worden. Afhankelijk van de ernst van de nachtelijke desaturatie, de co-morbiditeit en de klachten van patiënt wordt de therapie bepaald. Deze bestaat in eerste instantie uit bovengenoemde leefregels en neusdoorgankelijkheids-bevorderende maatregelen. In sommige gevallen is een operatie op keelgebied of een tongrepositie -apparaat een mogelijkheid. Daarnaast is het mogelijk de internationaal meest toegepaste behandeling voor een slaapapneusyndroom is CPAP(continuous positive airway pressure) te kiezen.
Snurken is ademgeluid tijdens de slaap ten gevolge van een nauwere bovenste luchtweg dan de luchtweg bij mensen die niet snurken. Er treedt een turbulentie van de luchtstroom op en weke delen vibreren. Een persoon die vrijwel elke nacht snurkt wordt een habitueel snurker genoemd. Habitueel snurken komt voor bij 20% van de volwassen mannen en 10% van de vrouwen. Een slaap-apneu syndroom (OSAS) is gedefinieerd als het voorkomen van meer dan 10-15 apneus / hypopneus per uur (apneu hypopneu-index) tijdens de slaap. Ongeveer 15% van de snurkers voldoet aan deze definitie. Dit betekent een prevalentie van het OSASvan 1-4% in de volwassenen bevolking.
Een apneu is gedefinieerd als het stoppen van de luchtstroom aan neus en mond voor meer dan 10 seconden. Bij een obstructieve apneu gaat daarbij de adembeweging van borst en buik door, ten teken dat de oorzaak gelegen is in een obstructie op bovenste luchtwegniveau. Dit in tegenstelling tot een centrale apneu waarbij zowel de luchtstroom als de adembeweging afwezig is, wat betekent dat er sprake is van een centrale oorzaak. Een hypopnoe wordt gedefinieerd als een vermindering van de luchtstroom ten gevolge van een gedeeltelijke obstructie van de bovenste luchtweg. In de meeste patiënten zullen zowel apneus als hypopneus optreden en het is dan ook de gewoonte deze bij elkaar op te tellen (apneuhypopneu index).
Tijdens de slaap is de activiteit van de pharynxmusculatuur gereduceerd t.o.V. de wakkere toestand. Dit betekent dat de weerstand in de bovenste luchtweg tijdens de slaap hoger is. In combinatie met andere factoren kan tijdens de inademing 's nachts de negatieve intra-thoracale druk een -gedeeltelijke-collaps veroorzaken in de bovenste luchtweg. Bij een slechts geringe vernauwing heeft dit enkel snurkgeluiden tot gevolg, bij een wat ernstigere vernauwing is er sprake van een hypopnoe en bij een totale obstructie is het gevolg een apneu. Deze genoemde andere factoren bestaan in de eerste plaats uit de individuele anatomie van de pharynx zoals bijvoorbeeld retro-en micrognathie, grote tonsillen, brede tong basis, gestoorde neuspassage, myxoedeem, tumoren. In de tweede plaats speelt overgewicht en met name vetweefsel in de halsregio een rol in de ruimte van de bovenste luchtweg. In de derde plaats kunnen alcohol en sedativa de activiteit van de pharynxmusculatuur verder doen afnemen fen daardoor ook de ruimte in de bovenste luchtweg waardoor eerder snurken, hypopnoes en apneus optreden.
Uit het bovenstaande mag duidelijk zijn dat snurken, hypopnoes en apneus in wezen een zelfde pathofysiologische oorzaak hebben, echter in ernst verschillen en onder bepaalde omstandigheden in elkaar over kunnen gaan.
Snurken kan psychosociale gevolgen hebben. De partner slaap slecht of elders, de snurker krijgt klachten op de camping enzovoort. Een gedeelte van de snurkers kan ook slaperig zijn overdag ten gevolge van arousals tijdens de nachtelijke slaap. Deze arousals zijn het gevolg van toenemende bovenste luchtwegweerstand die overwonnen moet worden. Deze snurkers lijden aan het zogenaamd upper airway resistance syndroom.
Obstructieve apneus en in wat mindere mate hypopnoes hebben nachtelijke zuurstofdesaturaties tot gevolg en een stijging van de koolzuurspanning. Bij een lage zuurstofspanning kunnen ritmestoornissen optreden en cerebrovasculaire accidenten. Ook kan hypoxie tot secundaire polyglobulie en pulmonale hypertensie leiden. De asfyxie leidt tot een verhoogde afgifte van catecholamines en dientengevolge tot een verhoging van de tensie.
Tijdens de obstructies in de bovenste luchtweg zal de patiënt een zeer negatieve druk opbouwen in de thorax samengaand met scfhommelingen in de bloeddruk. De hypoxie, hypercapnie, de verhoogde poging tot ademen tegen een verhoogde luchtwegweerstand heeft tesamen tot gevolg dat arousals optreden. Arousals betekent slaapfragmentatie en dus slaperigheid overdag.
Bij een patiënt die komt met snurkklachten moet middels een (hetero-) anamnese nagegaan worden of er sprake is van enkel snurken of dat er sprake kan zijn van een bijkomend slaapapneu syndroom. Bij 60% van de mensen met een OSAS komen apneus, slaperigheid overdag, onrustige slaap, nycturie en persoonlijkheidsstoornissen voor. 10-60% van de OSAS patiënten heeft symptomen van kortademigheidaanvallen 's nachts, wordt 's nachts wakker met het gevoel te stikken, verminderde libido, nachtelijke transpireren en ochtendhoofdpijn. Zelden worden symptomen als enuresis, nachtelijke oesophageale reflux en slapeloosheid (insomnia) gemeld. Eén van de belangrijkste symptomen, overdreven slaperigheid overdag (hypersomnolentie), kan weergegeven worden met een vragenlijst, de zogenaamde Epworth Sleepiness Scale. Een score >10 betekent slaperigheid. Uiteraard sluit een lagere score een OSAS niet uit. Slaperigheid op zichzelf kan overigens vele oorzaken hebben. Slaperigheid door een gestoorde slaap kan, behoudens door OSAS,ook veroorzaakt worden door rusteloze benen of door pijn. Andere oorzaken van slaperigheid zijn chronisch te korte nachtrust, verstoord slaap-waak ritme (bv door ploegendienst), narcolepsie, psychiatrische ziekten en sedativa.
Bij lichamelijk onderzoek zijn het gewicht, de tensie, de neuspassage en keelinspectie van belang.
(bron: http://www.umcn.nl/ www.snurken.org)