Toen Mozes herder was over de kudde van Jetro, ver weg van zijn volk in Egypte, verscheen hem een engel van God. Droomde hij? De engel was als een vlam, middenin een braamstruik. Mozes keek, en zie, wat vreemd: het braambos stond in brand, maar het verbrandde niet. De schapen zagen alleen een vuur, maar Mozes niet, Mozes zag méér. Het was alsof hijzelf in brand stond. Hij knielde neer. Het was alsof God tegen hem zei: Mozes, zoals die braamstruik mijn vuur en warmte uitstraalt, zo zal jij dat ook doen!
Mozes wist niet wat hem overkwam, hij wilde die vlammen van dichtbij bekijken. Toen riep God hem vanuit de braamstruik: Mozes, Mozes!
Hier ben ik Heer
Kom niet dichterbij. Doe je schoenen uit, want de plaats waarop ge staat is heilige grond.
Mozes deed zijn schoenen uit en verborg zijn gezicht.
Mozes zei God ik heb de ellende gezien van mijn volk dat in Egypte is. Ik heb hun jammerklacht gehoord, wanneer zij tot bloedens toe worden geslagen. Daarom zal ik hen uit de macht van de farao bevrijden, ik breng hen terug naar huis, terug naar Kanaän, en jij moet mij daarbij helpen. Ik wil dat jij naar de farao gaat om mijn volk uit de slavernij te leiden, jij zult voortaan herder van Israël zijn.
Ik Heer, in mijn eentje?
Ik ben toch met je?
Mozes aarzelde. Heer God, mag ik u wat vragen? Wanneer ik tot de Israëlieten kom en ik zeg: de God van Abraham, Isaak en Jakob heeft mij tot jullie gezonden, en ze vragen mij: hoe is zijn naam, wat moet ik dan antwoorden? Wie kan ik zeggen dat er is?
Nu was het God die aarzelde. Je kunt de naam van de Eeuwige nu eenmaal niet kennen zoals je de naam van een mens kent.
Ik ben die ik ben, Mozes. Zeg maar aan de Israëlieten: Ik ben heeft mij tot jullie gezonden. Zoals ik de God van Abraham, Isaak en Jakob ben geweest, zal ik ook jullie God zijn. Ik ben die ik ben. Als je gaat leer je vanzelf mijn naam kennen.
Maar ik ben geen man van het woord, Heer. Ik weet nooit zo goed wat ik moet zeggen, ik ben geen prater, nooit geweest.
Pak je herdersstaf, Mozes, en ga. Ik zal je de woorden ingeven die je zeggen moet.
Nog één keer stribbelde Mozes tegen: U kunt echt beter iemand anders sturen Heer.
Nee, Mozes, ik wil dat jij gaat. Maar je mag Aäron meenemen, je oudere broer. Die kan voor jou het woord doen. Hij is al naar je onderweg.
Mozes zweeg. Hij zag er als een berg tegenop, maar hij zou gaan. God wilde dat hij ging. Zijn volk had hem nodig.
Sippora zag hem komen. Toen Mozes zijn verhaal verteld had, begreep ze waarom hij zo anders uitzag. Als God je roept moet je gaan zei ze. En ik ga met je mee.
Vader Jetro deed hen uitgeleide: God zegene jullie zei hij.
Tekst: naar Nico ter Linden: Het land onder de regenboog
Illustratie: Carme Solé Vendrell uit De bijbel en zijn verhalen.
10-01-2008 om 11:06
geschreven door Denise
|