Omtrent Michel de Montaigne (1533-1592), zijn Essays en zijn Tijd
Foto

Inhoud blog
  • Montaigne's droomboek (2)
  • Montaigne's droomboek (1)
  • Montaige geciteerd en toegelicht
  • Montaigne over kledinggewoonten
  • Jong gedaan is oud geleerd


    Zoeken in blog


    Mijn favorieten
  • Mijn dichters: een wandeling door mijn poëtisch geheugenpaleis
  • Spinoza Kring Lier

  • Deze blog richt zich tot Montaigne-lezers en tot iedereen die hem nog niet gelezen hebben.
    Alle Montaigne-teksten werden door mij vertaald, tenzij anders vermeld. Alle teksten op deze blog kunnen vrij gebruikt worden, mits vermelding van blog en auteur. Alle mails worden beantwoord.
    23-03-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Montaige geciteerd en toegelicht

    L’ utilité de vivre n’est pas en l’ espace, elle est en l’usage (…)

    Het is niet belangrijk hoelang je leeft, maar wel wat je met de toegemeten tijd doet!

    Essay 20

    Niet de lengte van het leven maar wat je ermee aanvangt is van belang, leert ons Montaigne in navolging van Lucretius. Lang leven hebben we niet in de hand, daadkracht wel. Geen mens kan qua duur zijn genetische aanleg overstijgen, alle mensen beschikken wel over de mogelijkheid om de toegemeten levenstijd waardevol te vullen.

    Montaigne stelt in dit citaat impliciet dat tijd op twee manieren kan worden gemeten: op de wijze van de natuurkundige, met de klok in de hand en op de wijze van de filosoof die niet let opgeleefde tijdsduur maar levensvervulling en kwaliteit..: zo kunnen levens van korte duur zo goed gevuld zijn dat ze daardoor toch ook lang zijn.

    23-03-2017, 21:45 geschreven door Willy Schuermans

    Reageer (0)

    Categorie:4 Montaigne geciteerd en toegelicht
    20-03-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Montaigne over kledinggewoonten
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Het is een tijdje geleden. Maar nu kan ik niet meer weerstaan: ik moet Montaigne weer eens beet pakken. Zo geschiedde op een donkergrijze voorjaarsdag. Linea recta naar mijn bibliotheek. Ik neem Claude Pinganaud uit het rek. De eerste, mooie, gebonden editie van deze uiterst verdienstelijke Montaigne hertaler. Ik sla het boek willekeurig open en kom terecht op blz.174  bij essay 36: ‘De l’usage de se vêtir’. Een stuk slechts enkele bladzijden lang. Zal ik de aanhef vertalen?

    Over de gewoonte om zich te kleden

    ‘Ik wil ergens naartoe: ik kan dat niet zonder het doorbreken van een of andere gewoonte die mij doeltreffend de pas afsnijdt. In deze koude dagen overwoog ik bij mezelf of de gewoonte van al die volkeren, nog niet zolang geleden ontdekt, om er spiernaakt bij te lopen, een gewoonte is die een gevolg is van het warme klimaat, zoals we dat aannemen bij Indiërs en Moren, of dat het eerder een natuurlijke toestand is van de mens.

    Gezien volgens de heilige Schrift alles onder de hemel onderworpen is aan dezelfde wetten, hebben geleerde koppen de gewoonte om in gelijkaardig beschouwingen, die een onderscheid vergen tussen natuurwetten en menselijke wetten, zich te beroepen op de kosmische orde waartegen niets kan indruisen. Welnu daar is alles van naaldje tot draadje gericht op handhaving van het leven. Daarom is het des te meer ongelofelijk dat alleen wij in gebrekkige en hulpbehoevende staat geschapen zijn, een staat die niet kan worden gehandhaafd zonder een beroep te doen op hulpmiddelen van buitenaf. Daarom beweer ik dat, net als planten, bomen, dieren en al wat leeft door de natuur voldoende zijn toegerust om zich te verdedigen tegen de ongemakken van het weer, wij dat evenzeer zijn.

    Daarom zijn bijna alle dingen of met huid

    of met haar of met schelpen of met eelt of met bast bedekt.

    Lucretius IV, 936-937. (1)

    Maar net als zij die door kunstlicht daglicht doven, zo hebben wij onze eigen mogelijkheden gedoofd door hulpmiddelen die ons vreemd zijn. Het is duidelijk dat de gewoonte ons onmogelijk maakt wat het helemaal niet is (…).’

    ___________

    (1) Proptereaque fere res omnes aut corio sunt

    aut seta, aut conchis aut callo, aut cortice tectae.

    Titus Lucretius Carus (99 -55 v.C.) was een Romeinse dichter en aanhanger van het Epicurisme. Hij was een hemelbestormer, vergelijkbaar met Spinoza en Nietzsche, die flink aanschopte tegen heilige huizen, bijgeloof en irrationaliteit. Ik kan de lectuur van De rerum naturae van ten zeerste aanbevelen in de tweetalige vertaling van Piet Schrijvers, De natuur van de dingen, Groningen, 2008, uitgegeven door de Historische uitgeverij en nog  steeds in de handel. Zijn Latijnse tekst geeft voor regel 937 een andere lezing: aut etiam conchis aut callo aut cortice tectae .


    ‘En cette saison frileuse’ , in die koude dagen:  aan de wieg van dit essay ligt een banale ervaring. Het is alweer een kille dag en Michel heeft het in zijn toren niet al te warm. Ik stel mij voor dat hij daar zijn  oude knoken koestert aan een knetterend en vast ook wat walmend haardvuur. De kou mag dan wel zijn lichaam lomen, zijn hersenen werken in goede orde. Hij grijpt naar een veer, aangeleverd door een gans van zijn erf, en zie: daar vloeit deze tekst van zijn zesendertigste essay op papier:

    ‘Il me faut forcer quelque barrière de la coutume’.

    Toegegeven Michel: gewoonten blokkeren! Wie heeft die ervaring zelf ook niet een keertje gehad? Maar, beste, je toont ons in je essay slechts één kant van de medaille. Gewoonten zijn, zoals je schrijft ‘barrières,  maar (goede) gewoontes kunnen geruststellen en zekerheid geven in de samenleving. Als juridisch geschoolde moet je toch het bestaan kennen van ‘costuymen’, het ongeschreven gewoonterecht, en de pacificerende rol van dat ongeschreven recht in de maatschappij van je tijd? In het persoonlijk leven kunnen (goede) gewoonten bijdragen tot een meer evenwichtig leven en zo tot meer geestelijke gezondheid, toch?

    Montaigne badineeert dus in dit essay  over menselijke gewoonten, meer bepaald over kledinggewoonten, die hem, we kennen Michel, al vlug in nevenbanen doen belanden. Hij weet dat zelf ook wel: net voor het einde van zijn stuk dwingt hij zichzelf weer op het juiste kledingspoor:

    ‘Sur le sujet de vêtir,…’  wat de kleding betreft,

    en hop, in de vier slotregels van zijn essay is hij  weer even bij de les: dit maal over een kledinghebbelijkheid van de koning van Mexico: Montaigne en de die Nieuwe Wereld! De Grote Aardrijkskundige ontdekkingen van de 15-16de eeuw en de wonderbaarlijke verhalen die van mond tot mond werden doorverteld, hebben hem, net als talloze andere tijdgenoten, diep getroffen. Ook  in het begin van zijn opstel Aan de kop van zijn tekst  zet een nieuw exotisch gegeven van die nieuwe wereld zijn denken in gang.

    Daar leven mensen, hele stammen zelfs, die in hun blootje lopen. Niet alleen omdat ze het daar te warm hebben, ze doen dat net zo in streken die een klimaat kennen dat met het Franse kan vergeleken worden. Michel piekert: is dat nou louter een gewoonte of is de mensheid in oorsprong spiernaakt aan zijn historische pelgrimstocht begonnen? Zijn mening kan al vermoed: het zijn gewoonten, en geeneens goede!

    Zijn overtuiging steunt hij op de Heilige Schrift en op de visie van ‘verstandige lui’. Die aanvaarden, in navolging van Aristoteles en de hele middeleeuwse scholastieke zwik, dat het Al een Kosmos is, een stevig en goed geordend geheel, bestierd door wetten waaraan niet te tornen valt, tenzij God en passant een mirakeltje uit zijn smalle mouw schudt. Dus: mensen in Frankrijk verschillen naar aard en wezen niet van mensen in de Nieuwe Wereld. De moraal van het verhaal: wij, mensen, kleden ons uit gewoonte. Maar die gewoonte om het lichaam te omhullen gaat in tegen de natuur en heeft de menselijke mogelijkheden verzwakt.

    In het vervolg van zijn essay spit Montaigne naar goede humanistische gewoonte uit zijn bibliotheek voorbeelden op uit de geschiedenis, bij voorkeur uit de Oude Geschiedenis. Montaigne, dat merkt de lezer al gauw, is hét voorbeeld van de omgevallen bibliotheek, altoos op zoek in Latijnse (overwegend) en Griekse (soms) naar verhalen en argumenten om zijn gelijk te halen.

    Geen erg diepzinnig essay, dit Essay 36. Over zichzelf deelt hij ons mee dat hij niet houdt van kleurige kledij: net als zijn vader kleedt hij zich nog het liefst in het zwart en het wit. Dat is de dracht van de ernst, de spiritualiteit, de Calvinistische pisse-vinaigre. Een azijnzeiker was Michel niet: het zou zijn plaskwaal nog erger hebben gemaakt…

    20-03-2017, 00:00 geschreven door Willy Schuermans

    Reageer (0)

    Categorie:3 Excerpta: kriskras door de Essays
    Foto

    Categorieën
  • 1 Montaigne lezen...? (1)
  • 2 Levensbeelden (0)
  • 3 Excerpta: kriskras door de Essays (5)
  • 4 Montaigne geciteerd en toegelicht (1)
  • 5 Boeken over Michel de Montaigne, oud & nieuw (0)

  • Archief per maand
  • 09-2017
  • 03-2017
  • 02-2016

    E-mail mij

    Druk op onderstaande knop om mij te e-mailen.


    Blog als favoriet !


    Blog tegen de wet? Klik hier.
    Gratis blog op https://www.bloggen.be - Bloggen.be, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!