Ze ligt in bed als water op een spiegel: bleek en zonder woorden, hard opeengeknepen lippen. Ze droomt, zweeft verder, het lijkt alsof ze woorden op de muren schrijft met het bloed dat in al haar verdriet uit haar ogen stroomt. "Ik wou dat ik je kon zeggen wat je wilt horen maar ook ik heb geen woorden meer voor de wonde die mijn hart bedekt.."vloekt ze, en krast ze in haar armen.
(...)
"Hoe weet je na een paar minuten dat je iemand mag? Waarom was ik tot hem aangetrokken en niet pakweg op de jongen een meter links van hem? Want het was niet alleen zijn gezicht, of de prachtige vorm van zijn lichaam of zelfs niet de manier waarop hij zich voorbewoog dat hem aantrekkelijk maakte. Het was iets waarop je geen vat had, waarop je geen vinger kunt leggen zoals op een stofje. Je weet alleen dat het toen gebeurde, op dat moment, ergens in mei op een mooie dag. Hoe je voelt dat zijn ogen je taxeren, zich in hem opnemen. Hoe je schuchter lacht en dichterbij tracht te komen. Hoe je dicht tegen hem aanleunt en hij met één vinger je arm streelt."
Op de avond dat ik weer voor het eerst wolken uitademde, zocht ik je. Je was er niet, maar hoe hard m'n hart ook klopte, het had geen haast, zoals dit nooit haast zal hebben. De kleuren aan de horizon zingen een slaapliedje, zonsondergangen als geduldige woorden, langgerekte zinnen, oneindige verhalen. Cirkels in geruststellende pasteltinten, de warmte in de nacht en de volgende dag. Wanneer de sneeuw valt zal ik alles op het grasveld schrijven, en wanneer de zomerzon de woorden weg smelt zullen onze woorden misschien meesmelten.