Uitleg KARMA
In zowel het hindoeïsme als het boeddhisme omvat karma de fysieke en mentale acties van een individu die gevolgen hebben voor opeenvolgende levens door middel van reïncarnatie. In het dagelijks gebruik bedoelt men er vaak mee dat alles wat we doen, denken of zeggen weer bij ons terugkomt. Karma gaat dan over zowel de daad als over het gevolg dat uit die daad voortkomt. Strikt genomen echter, verwijst karma alleen maar naar het verrichten van daden, niet naar de gevolgen van die daden. Het gevolg van een daad wordt 'vipāka' genoemd.
Karma en haar gevolg wordt gezien als een natuurlijk principe, een wet van "actie en reactie". Er is dus geen God aan het werk die straft of beloont. Een goede daad heeft van nature gunstige gevolgen voor degene die de handeling verricht, en slechte daden hebben van nature slechte en onplezierige gevolgen.
In de religies die van reïncarnatie uitgaan (boeddhisme, hindoeïsme, jainisme) strekt het begrip karma zich uit over het huidige en alle vroegere en latere levens. Het resultaat van de daden die men nú doet, kan in dít leven óf in een volgend leven terugkomen. Hetgeen ons overkomt is het resultaat van een actie die we in het huidige of een vorig leven uitgevoerd hebben, en we zijn in staat om nieuwe daden te verrichten die het resultaat van oude daden beïnvloedt. Ieder individu is door zijn daden zelf verantwoordelijk voor zijn eigen leven, vreugde en pijn. Slechte daden (slecht karma) houden de cyclus van geboorte, ouderdom en dood in stand. Het doel van religie is bevrijding (nirvana) uit die gevaarlijke cyclus
TIBETAANS BOEDDHISME
Het Tibetaans boeddhisme, ook wel lamaïsme genoemd, is de verzameling boeddhistische scholen die hun oorsprong in Tibet hebben en de landen in de Himalaya. De belangrijkste scholen zijn nyingma, kagyu, sakya en gelug. De veelgebruikte term lama is in feite een vertaling van het Indiase goeroe of spiritueel leraar.
Het Tibetaans boeddhisme is esoterisch en tantrisch. Soms wordt dit ook wel occult-magisch genoemd, waarbij de overdracht via geschriften en lezingen slechts een gedeelte van de overdracht is; een ander gedeelte vindt op mystieke wijze plaats tussen leraar en leerling. De tantra wordt beoefend, om het pad naar verlichting te versnellen. De technieken die gebruikt worden zijn krachtig en zouden bij onjuist gebruik schadelijke gevolgen kunnen hebben. Dit is de hoofdreden dat de boeddhistische tantra geheimgehouden wordt, zodat de meditatietechnieken uitsluitend onder begeleiding van een leraar worden beoefend.
Met name mantra's (herhalingen van zinnen, meestal in het Sanskriet) zijn een belangrijk onderdeel van de tantrische scholen. Het meest bekende voorbeeld van een mantra is Om mani padme hum.
Er zijn binnen het Tibetaans boeddhisme verschillende vormen van beoefening: er zijn monniken en nonnen in kloosters, yogi's ofwel mannen en vrouwen die in de bossen en grotten de leer perfectioneren (al dan niet leek), en de gewone leken. In het Westen zijn de volgelingen vooral yogi's en leken.
ONTSTAANSGESCHIEDENIS
Voor de oudst bekende religie in Tibet is nooit een naam gevonden. Aurel Stein gebruikt hiervoor de term the nameless religion. De bön en het boeddhisme zouden in dezelfde periode in Tibet zijn geïntroduceerd.
In 174 kwam tijdens het bewind van Totori Nyantsen, de toenmalige koning van Tibet, het zuiden het eerst in aanraking met boeddhisme vanuit India. Gedurende de 3e eeuw verspreidde het zich naar het noorden van Tibet. De invloed van deze eerste stroming was beperkt en het ging om een beperkt aantal geschriften.
Rond 760 nodigde koning Trisong Detsen de boeddhistische meesters Shantarakshita en Padmasambhava uit om het boeddhisme in Tibet te verspreiden en alle bekende geschriften te vertalen. Padmasambhava bracht vooral het tantrisch boeddhisme naar Tibet. Deze school van de oude vertalingen wordt de nyingma genoemd.
Tijdens het bewind van koning Langdarma (836 - 842) werd volgens traditionele bronnen het boeddhisme onderdrukt. Aan deze visie wordt sinds de bestudering van de manuscripten van Dunhuang echter getwijfeld.
Atisha
Rond 1040-42 kreeg de beoefening van het boeddhisme opnieuw een impuls, toen Atisha door de zoon van de koning Guge werd uitgenodigd om het boeddhisme in zijn rijk te verspreiden. De komst van Atisha betekende de inluiding van de periode van de nieuwe vertalingen en de stichting van de kadamschool door zijn voornaamste leerling Dromtön.
Vervolgens ontwikkelden zich twee belangrijke nieuwe scholen, de kagyu en sakya, en werd de kadampa door Tsongkhapa hervormd tot de gelugschool; dit is de school waartoe ook de dalai en pänchen lama behoren. Belangrijke spirituele leiders van de kagyu zijn de gyalwa karmapa en de shamarpa en van de sakya is dat de sakya trizin.
Na invasie van Tibet 1950-51 door het Chinese Volksbevrijdingsleger werd het boeddhisme opnieuw onderdrukt met als climax de Culturele Revolutie (1966-76). Tijdens Deng Xiaoping verlichtte de situatie enigszins, hoewel de meeste belangrijke Tibetaanse geestelijken tijdens de Tibetaanse diaspora naar India, Nepal en het Westen waren gevlucht.
Deze exodus had als gevolg dat het Tibetaans boeddhisme zich in de tweede helft van de 20e eeuw verspreidde over de rest van de wereld. In België werd het Tibetaans Instituut gevestigd met twee vestigingen in Brussel, een in Hoei en een vestiging in Zeeuws-Vlaanderen. In Nederland bevindt zich het Maitreya Instituut en is er in Noord-Friesland het Tibetaanse klooster Wene Karmae Chö Ling.
Vormen van boeddhisme
De bodhisattva Chenrezig,
Guge, 11e eeuw
In het Tibetaans boeddhisme zijn alle andere vormen van boeddhisme terug te vinden:
Het hinayana of het fundamentele voertuig: met name de vinaya en de patimokkha, het beoefenen van samatha (éénpuntige concentratie) en vipassana (penetrerend inzicht).
Het mahayana of soetrayana en het bodhisattva-ideaal: de beoefening van mededogen en altruïsme gekoppeld aan wijsheid en de beoefening van de zes perfecties: vrijgevigheid, ethiek, geduld, inzet, concentratie en wijsheid.
Het vajrayana, of mantrayana; de beoefening van boeddhistische tantra. Binnen het mantrayana wordt vooral nadruk gelegd op de tantra's van de anattura yogaklasse.
Zen is
een Japanse vorm van het boeddhisme. De zen is een vorm van het boeddhisme die
nadruk legt op za-zen: meditatie als middel tot verlichting. Bij deze
meditatievorm zijn onder andere beheersing, wijsheid en een goed gevoel voor
humor van belang. In bijna ieder boek of artikel over zen wordt al in een vroeg
stadium vermeld, dat het eigenlijk onmogelijk is zen te beschrijven of uit een
boek te leren.
De
overlevering vertelt dat rond het jaar 500 de legendarische monnik Bodhidharma
(afbeelding) naar China trekt. Hij brengt de meditatieve kern van het
Mahayana-boeddhisme naar dit land en daar komt het in contact met het Chinese
taoïsme. De vrucht van deze ontmoeting wordt later Ch'an genoemd en Bodhidharma
de eerste Zen-patriarch. In de naam ligt de kern van de leer verankerd:
meditatie is in het Sanskriet 'dhyana' en dit verbastert in het Chinees tot
'Ch'an'. Later zal het in het Japans tot 'Zen' worden. In het feit dat we vanaf
Bodhidharma namen kennen van opeenvolgende Zen-patriarchen zien we al een
typisch Chinese invloed. De voorouderverering staat namelijk in hoog aanzien in
China en weerspiegelt zich dan ook in de verering van de opeenvolgende
zenmeesters die de leer van eeuw tot eeuw hebben doorgegeven. Dit staat haaks
op de Indische gewoonte om personen totaal ondergeschikt te maken aan de leer
waardoor we slechts heel weinig namen uit de oude hindoeïstische en
boeddhistische traditie kennen om van jaartallen nog maar te zwijgen.
De
belangrijkste invloed van het taoïsme is de praktische benadering van het
boeddhistische erfgoed. Het naturalisme, het eenvoudige intuïtieve 'zijn' wordt
het handelsmerk van Zen: 'Doen wat je doet'. Zen is een wijze van in het leven
staan.
Een
leerling vroeg aan zijn Zen-meester: 'Spant u zich voortdurend in om de
waarheid te beoefenen?'
De
meester antwoordde: 'Jazeker.'
De
leerling vroeg: 'Hoe doet u dat?'
De
meester antwoordde: 'Als ik honger heb, eet ik en als ik moe ben, ga ik
slapen.'
De
leerling: 'Maar dat doet iedereen. Kan je dan van iedereen zeggen dat hij doet
wat u doet?'
De
meester: 'Nee!'
De
leerling: 'Waarom niet?'
De
meester antwoordde: 'Omdat anderen niet eten als ze eten, maar tijdens het eten
aan allerlei dingen denken, waardoor hun aandacht verstoord wordt. Als ze
slapen, slapen ze niet, maar dromen over duizend en één dingen. Daarom zijn ze
niet zoals ik ben.'
Verder
erft Zen van het taoïsme de afwijzing van alle verering, de sterke relativering
van leerstellingen en de humor waarmee het denken onderuit wordt gehaald (zie
Zen is humor).
Bovenal
belichaamt Zen een terugkeer naar de oude boeddhistische bronnen: geen
filosofie, geen metafysica, alleen de verlossing staat centraal. Zen is
daardoor een heel zuivere vorm van boeddhisme. Zelfkennis vervult daarin een
centrale rol (zie Zen is zelfkennis). De beroemde latere Zenmeester Dogen vat
de weg van Zen als volgt samen:
Het pad
van de Boeddha gaan is jezelf leren kennen.
Jezelf
leren kennen is jezelf vergeten.
Jezelf
vergeten is verlicht worden door alle dingen.
Wanneer
je je eigen leven nader onder de loep neemt, zie je hoe je ingesponnen bent in
een web van relaties en vaste afspraken die cultureel en maatschappelijk
bepaald zijn. Dit web kan zo benauwend zijn, dat je bij tijd en wijle naar adem
moet happen om enigszins bij jezelf te kunnen blijven. Je dagelijkse bezigheden
worden voor een groot deel voorgeschreven doordat dingen van je worden
verwacht, je 'moet' wel. Maar je kunt je afvragen hoe groot die dwang is, of zou
mogen zijn. Het gevaar is groot dat je geen recht doet aan wie je in diepste
wezen bent. Je kunt er geen recht aan doen omdat je de tijd niet neemt om naar
je hart te luisteren. Wil je je bevrijden uit dat keurslijf, dan worden een
aantal zaken onzeker. Wellicht zul je de goedkeuring en waardering van mensen
om je heen verspelen, je voldoet immers niet meer aan de verwachtingspatronen
zoals ze jarenlang gegroeid en misschien zelfs vastgeroest zijn. Je doet niet
meer wat je 'moet' doen in de ogen van je omgeving. Dat misprijzen doet pijn,
maar opent de weg naar een nieuwe ontmoeting met je leefwereld, met de mensen
om je heen, en vooral met jezelf. Zo leidt ont-moeten tot ontmoeten.
Zen
vraagt van je dat je authentiek bent. Dat betekent dat je al je keuzes en
bezigheden tegen het licht houdt en je afvraagt of ze zinnig zijn in het
samenspel tussen jou en de wereld om je heen. En dat proces kun je niet alleen
met je verstand sturen. Je denken weet vaak niet wat je hart wél voelt. Hierin
zou je dus je intuïtie de ruimte moeten geven. Dat vraagt in ieder geval om
tijd en ruimte om je spontaniteit de nodige vrijheid te kunnen geven.
Ont-moeting gebeurt niet door de ene keuze
door een
schijnbaar weloverwogen andere keuze te vervangen. Dan houd je jezelf voor de gek
door het ene 'moeten' te vervangen door het andere. Als je van jezelf je werk
moet onderbreken omdat je een half uurtje moet wandelen, kan dat misschien goed
zijn voor je fysieke welzijn, maar het schept geen echte vrijheid, je leeft
daardoor niet intuïtiever. Je raakt alleen maar verstrikt in een nieuw, door
jezelf geweven web.
Ont-moeten
heeft dus niet zozeer met 'anders plannen' te maken. Wel heeft het te maken met
het bewustzijn en de aandacht waarmee je een keuze maakt op een bepaald moment.
Je baseert haar niet meer alleen op wat de omgeving van je verwacht, maar
vooral op wat dat moment jou aan mogelijkheden biedt. Het vraagt om een open
oor, een open oog, een open hart van ogenblik tot ogenblik door de dag heen.
Dan komt de sturing niet alleen van een schema, een werkafspraak of een
deadline, maar ook vanuit je hart, een toevallige ontmoeting of een spontane
inval. Dat kan nooit als je als een machine, zuiver op routine, je
werkzaamheden verricht. Dat kan alleen als je met aandacht en een open geest
door de dag gaat. Dan kan zelfs de weg die je 'moet' afleggen van huis naar je
werk, omgetoverd worden tot een ontdekkingsreis. De ont-moeting van iedere stap
die je zet, leidt onherroepelijk tot een ontmoeting met een nieuwe wereld om je
heen en in jezelf.
Hoe
ontwikkel je een houding van alertheid en aandacht, hoe kun je je dagelijkse
patronen doorbreken en zo je leven ont-moeten? De volgende overwegingen zouden
kunnen helpen. Besef in de eerste plaats dat het benauwende web van
verwachtingspatronen, meestal vooral door jezelf geweven, je creativiteit doodt
en je levensgeluk in de weg staat. Realiseer je dat van te voren uitgestippelde
lijnen vaak niet voorzien in de behoeften van dit moment. Dat ondermijnt het
dwingende karakter van projectplannen, beleidslijnen en tijdspaden die je doen
en laten dirigeren.
En dan is
er dat bevrijdende perspectief dat het doorbreken van verwachtingspatronen
enerzijds soms leidt tot botsingen met anderen, maar daarnaast vrijwel steevast
tot een openbreken van vastgeroeste relaties waardoor deze kunnen vernieuwen en
verdiepen. Het is in ieder geval wijs om meer te luisteren dan te praten en om
met open ogen om je heen te kijken, waar je ook bent of waarheen je ook op weg
bent, losgeweekt uit dwingende patronen van plannen en schema's die je blind
maken voor het hier en nu.
Een heel
concrete manier om de macht van de dwingende agenda te breken is de afspraak
met jezelf om momenten te reserveren voor gewoon niets-doen, plekken in je
agenda te creëren die leeg zijn, zodat er ruimte ontstaat voor het onverwachte,
het scheppende, het vernieuwende