For this blog to translate into language of your choice? Select your language below.
2 prachtige pps-jes hierboven van Godelieve en ook Mama rechts heeft ze gemaakt Klik op de banner en bekijk nog veel meer moois op haar blog
Klik op de banner hier beneden en ga eens langs bij Lenie voor nog meer moois Alle Ave Maria pps-jes hierboven zijn van haar
Gastenboek
Druk oponderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek
Wonder
12-10-2010
The Miracle of Damascus: Part 3.
The Miracle of Damascus: Part 3.
GEBED VAN EEN HERDER.
GEBED VAN EEN HERDER.
Heer Jezus , ik zit hier in mijn werkkamer. Heel mijn tuin baadt in de zon. Door het open raam zie ik een weelde van bloemen. Ontelbare vogels hoor ik tjilpen en fluiten. En toch ben ik met mijn gedachten elders. Ik denk aan de vele mensen die moeten leven onder grauwe en loodzware wolken ; mensen die gebukt gaan onder lichamelijk lijden of gekweld worden door angst en verdriet. Ik denk aan de mensen met honger en pijn. Gevangenen en verdrukten. Mensen ook met sombere vooruitzichten. Verlies ik mijn baan ? Vind ik nog werk ? Gaat mijn zaak ten onder ? Wordt het zwarte armoede ? Velen voelen zich alleen met hun kwellingen. Oudere mensen en ook jonge mensen ; onbegrepen door hun ouders. Teleurgesteld door hun partner. Verlaten door eigen kinderen. Onschuldig en toch ellendig. Eenzame mensen , ontroostbaar om het verlies van een beminde. Zieke mensen , krachteloos , misschien bedreigd door een ongeneeslijke kwaal. Of geestelijk ondermijnd. Ze kijken naar de toekomst met angst in de ogen. Heeft het leven nog betekenis ? Ben ik de speelbal van het noodlot ? De pechvogel ? Die mensen met tegenspoed zijn mijn medemensen. De meesten onder hen zijn mijn broeders en zusters in het christelijk geloof. Vooral in mijn gebed. Gij weet het Heer , maar ik zou vandaag heel lang met U over hen willen spreken. Heel persoonlijk over die mensen die het kruis zwaar op hun schouders voelen wegen. Over die mensen met kommer en verdriet. Goede Meester , ik ben voor hen geen vreemde. Ze hebben een grote plaats in mijn hart. Gij hebt mij naar hen gezonden want ik ben een van de herders in uw Kerk. Ik mag bij U komen uit naam van hen aan wie Gij beloofd hebt dat Gij verkwikking zult brengen als ze belast en overladen zijn. Velen onder hen zijn doorgaans zeer moedig. Als je hun medevoelen betuigt , krijg je vaak als spontane reactie ; zo beladen en belast ben ik toch ook wel niet. Gij hoort graag dat antwoord. Heel wat bedroefde mensen hebben van U geleerd met hun lijden te leven. Ze hebben hun moeilijke uren , maar ze komen die weer te boven. Ze trachten hun lijden 'voorlopig' te dragen. Ze kennen uren van tegenslag en teleurstelling maar ze leren leven met wat onvolkomen is. Ze wachten niet tot alle zwarte wolken weg zijn. Nu reeds doen ze wat ze kunnen ; ze werken wat , ze rusten wat , ze bidden wat. Ze scheppen een zekere orde in hun dag. Dat geeft hun genezende kracht. Geordende bezigheid voert hen naar gezond levensritme. Velen weten dat hun pijn een diepere ondergrond heeft. Ze voelen angst , een dof geknaag , een soort zelfverwijt ; had ik dit maar niet gedaan , had ik daar maar gezwegen , had ik dat maar aangepakt. Die mensen fluistert Gij in het oor ; 'Til niet te zwaar aan dat onrustig gevoel. Je moet niet steeds aan jezelf de schuld geven van wat in je leven mislukt. Soms ligt de schuld bij anderen. Vaak is het een samenloop van omstandigheden. Je kunt niet alles. Je krachten zijn beperkt. Iedereen kan zich vergissen. Bij iedereen loopt de toestand al eens uit de hand , zonder dat je daarvoor verantwoordelijk bent'. Sommigen slaan zich weliswaar niet zonder reden op de borst ; 'Door mijn schuld , door mijn grote schuld' , maar Gij zegt hun ; 'Je hoeft daarom niet te wanhopen. Dank zij mijn kruisdood is vergeving altijd mogelijk. God vraagt u aan anderen vergiffenis te geven , maar Hij doet dat ook zelf. Op jouw berouw volgt steeds zijn helend woord ; 'Je zonden zijn je vergeven'. En de barmhartige God is daarbij oprecht. Met goddelijke kracht heeft Hij je dan werkelijk gereinigd. Je bent opnieuw bij Hem aanvaard. Zoals voordien. Meer dan voordien want de ervaring van mijn barmhartigheid geeft Je een stut in de rug ! Gij hebt gezegd ; 'Ik ben de verrijzenis en het leven'. Dank zij U heeft een christen nooit een geldige reden om in de grond van zijn hart angstig te blijven of wanhopig te worden. Uw Vader , onze Vader zorgt immers voor zijn mensen. Meer dan voor zijn bloemen in de velden en zijn vogels in de lucht. Zelfs als de orkaan raast , horen ze nog uw stem ; 'Waarom zijn jullie bang , kleingelovigen ? ( Mt. 8 , 26 ). Gij schenkt de mensen moed. Uw Geest wil ze vindingrijkheid geven om een uitkomst te ontdekken. Hij biedt kracht om te volharden. Gij zijt altijd van goede wil , overvloeiend van goedwillendheid. Daarom kan een christen met vertrouwen bidden ; 'Uw wil geschiede op aarde als in de hemel ! Goede Meester , vele mensen zeggen met beklemd gemoed ; 'Bidden ? Ik bid zo weinig. Ik ben zo ver van God en van de godsdienst gaan leven. Soms ben ik kwaad op God. Help ze om hierdoor niet ontmoedigd te worden. Leer ze geloven dat de Vader iedere dag op de uitkijk staat. Steeds gereed om te vergeven en alles weer goed te maken. Zoals ouders dat zouden doen voor hun eigen kind. Voor iedereen is er redding. Toon hun de wonden in uw handen en uw voeten. Voor hen zijt Gij gestorven en verrezen. Zeg ook vandaag aan uw ontstelde leerlingen ; Je Vader kan begrijpen dat je inzinkingen hebt , dat je soms schreeuwt ; 'Laat die bittere kelk aan mij voorbijgaan'. Ze mogen gerust huilen ; 'Mijn God , mijn God , waarom hebt Gij mij verlaten' ? Deze woorden zijn geen vloekwoorden. Het zijn Uw eigen woorden als Zoon van God. Gij hebt het uitgeschreeuwd van menselijke ellende. Maar uw liefde en uw vertrouwen haalden de bovenhand ; 'Maar niet mijn wil , maar uw wil geschiede. 'En in volle overgave hebt Gij op het kruis gezegd ; 'Vader , in uw handen beveel ik mijn Geest'. Lijdende mensen vergeten soms dat zij niet alleen staan met het lijden en dat anderen nog meer lijden dan zijzelf. Ze denken er niet aan dat ze voor anderen een troost kunnen zijn. Leer hun een opbeurend woord tot hen te spreken en hun lijden te offeren voor de redding van anderen , zoals Gij gedaan hebt. Gij zult hun medewerking niet onbeloond laten. De vrouwen aan het graf legden hun eigen smart het zwijgen op om eerst uw dode lichaam te balsemen. Aan hen verschijnt Gij als Verrezene het eerst. Wat gij ontvangt aan zorgen voor uw ledematen , geeft Gij terug als troost voor de harten. Wie voor de anderen lijdt , ervaart een mysterieuze vreugde. Paulus die wist wat lijden was , schreef ; 'Op dit ogenblik verheug ik mij dat ik voor U lijden mag'. Ik mag aanvullen wat aan kwellingen van de Christus in mijn vlees ontbreekt , ten bate van zijn lichaam dat de Kerk is' ( Kolos. 1 , 24 ). Geen mens begrijpt het lijden ten volle. Waarom ? Waarom ik ? Waarom opnieuw ? Waarom zo dikwijls ? Waarom nu ? Het lijden is en blijft een afgrond in het menselijk bestaan. Een duistere mysterie. Licht en verlichting vindt hij slechts in een ander mysterie ; het mysterie van Uw kruis en verrijzenis. Leer deze mens zijn lot toevertrouwen aan U , zijn gekruisigde Meester. Laat hem niet eenzaam worstelen met zijn vragen en problemen. Laat hun geloven dat Gij bereid zijt met hen door het mysterie te stappen en hun hart brandend te maken. Grijp hen bij de hand en zeg hun ; 'Ik ben de verrijzenis en het leven. Wie in mij gelooft , zal leven , ook al is hij gestorven. En iedereen die leeft in geloof aan Mij , zal in eeuwigheid niet sterven' ( Joh. 11 , 25 - 26 ). Na lijden komt verblijden. Eeuwig verblijden in Gods onuitsprekelijke vreugde voor hen die in U hun vertrouwen hebben gesteld. Jezus Christus , Zoon van God , en mijn gekruisigde Medemens , ontferm U over alle lijdende en angstige mensen. Ik bid U om hen op te beuren en hen te troosten. Zorg voor hen vanuit de hemel. Geef hun vertrouwen en moed. En komt er soms een dag dat ze aan de hemel nergens meer een licht kunnen ontwaren , leer hun dan met gesloten ogen voor de Vader staan en bidden ; Mijn God , ik ben zo bang. Ik vrees voor deze avond en voor morgen. Wat zal het weer worden ? Ik voel me hulpeloos en klein , onzeker en onveilig. Mijn God , ik heb veel verdriet. Uit de diepte roep ik , Heer , luister naar mijn stem. Laat uw kind niet eenzaam achter. Leg uw handen zacht op mijn hoofd en zeg het nogmaals ; 'Ik ben toch Uw Vader waarom ben je dan zo bang' ?
Gods Zegen.
Maria, teken van de Apocalyps (2)
Tranen over Jerusalem
Zo is Maria werkelijk de grote profetes van het Nieuwe Verbond, die op de beslissende keerpunten van de geschiedenis zelf tot ons komt om ons te waarschuwen en te vermanen zoals de eerbiedwaardige profetengestalten dat in het Oude Verbond hebben gedaan. Het lijkt echter wel of Maria ook hun tragisch lot moet delen. Geldt Gods aanklacht in het Oude Verbond niet evenzeer nu: «Van de dag af, dat hun vaders uit het land van Egypte zijn getrokken, tot heden toe, heb Ik hun al de profeten, mijn dienaars, gezonden, iedere dag opnieuw, s morgens vroeg en s avonds laat. Maar ze hebben niet naar Mij willen horen, niet willen luisteren. Ze bleven hardnekkig, erger nog dan hun vaders» (Jer. 7, 25-26). En zoals Jeremias tranen stortte over de ondergang van de heilige stad Jerusalem en haar tempel (Jer. 9, 1), zo weende Maria ook te La Salette en Syracuse over het gebrek aan boetvaardigheid en de verstoktheid van het Avondland.
Het Rijk Gods ontnomen?
Het Rijk Gods werd aan het oude Israël ontnomen en aan het Avondland gegeven, opdat het vrucht zou voortbrengen. Thans staat het Avondland zelf voor de beslissing of het Rijk Gods zal worden weggenomen en aan andere volkeren zal worden gegeven, die beter vrucht voort zullen brengen. Dit Woord van de Heer is het slot van de gelijkenis van de slechte wijngaardeniers (Matt. 21, 39-46). Ook deze gelijkenis geeft de mogelijkheid voor een mariale verwijding.
In de gelijkenis heeft een huisvader een wijngaard aangeplant. Op de tijd van de oogst stuurde hij zijn knechten uit om de opbrengst in ontvangst te nemen. Maar de wijngaardeniers mishandelden zijn afgezanten: « de een sloegen zij, de ander doodden, een derde stenigden ze». Een tweede maal gebeurde hetzelfde. Uiteindelijk zond hij zijn zoon tot hen en zei: «Voor mijn zoon zullen ze wel respect hebben». Het slot is bekend: de wijngaardeniers brachten ook de zoon om het leven. In korte trekken heeft Christus hier de hele heilsgeschiedenis van het Oude Testament getekend: de Vader had de ene profeet na de andere gestuurd. Zij werden vervolgd en gedood en toen Hij tenslotte zijn eigen Zoon zond, overkwam Hem hetzelfde: Hij werd aan het kruis geslagen.
Nu zendt Hij echter zijn Moeder tot ons en zegt: Voor mijn Moeder zullen ze toch wel ontzag hebben?! Maar wat gebeurt er? De wereld gaat onverschillig aan de tranen van de Moeder voorbij, de Moeder in wie het Avondland ook nu nog zijn vernieuwing en wedergeboorte zou kunnen vinden. Want het woord dat de Kerk de Moeder Gods in de mond legt: «Wie mij vindt heeft het leven gevonden en welbehagen verkregen van Jahweh» (Spr. 8, 35), is niet alleen van kracht voor de afzonderlijke mens, maar ook voor volkeren en culturen.
De waarschuwing in de boodschap van Fatima
In het 33ste hoofdstuk van het boek Ezechiël zegt God: «Gesteld, Ik laat het zwaard los op een land, en de burgers kiezen iemand uit hun midden en stellen hem aan als wachter. Wanneer deze nu het zwaard op het land ziet af komen, alarm blaast en de bevolking waarschuwt, maar hij die het hoorngeschal verneemt, zich niet laat waarschuwen, zodat het zwaard komt en hem treft: dan komt zijn bloed op zijn eigen hoofd neer. Hoewel hij het hoorngeschal vernam heeft hij zich niet laten waarschuwen; zijn bloed komt dus neer op hemzelf. Maar de ander heeft gewaarschuwd, en daardoor zijn leven gered. Maar gesteld de wachter ziet het zwaard aankomen en hij blaast geen alarm, zodat het volk niet wordt gewaarschuwd: komt het zwaard en treft het iemand van hen, dan wordt die wel getroffen om zijn eigen schuld, maar van zijn bloed zal Ik de wachter rekenschap vragen».
U hebt zeker wel begrepen waarom wij deze diepzinnige tekst van de profeet citeren. De door God aangestelde wachters zien het zwaard op het land af komen, zij hebben de bazuin gestoken.
De eerste bazuin
Het eerste hoorngeschal kwam uit Portugal. De bisschop van Fatima heeft op 17 mei 1960 een brief tot alle bisschoppen van de wereld gericht om hen uit te nodigen zich op 12 en 13 oktober met hem en de pelgrims te Fatima te verenigen. Hiervoor bestonden twee redenen: eerstens te bidden voor de bekering van Rusland, en tweeden te bidden voor de vrede in de wereld, die zo ernstig gevaar loopt.
De bisschop van Fatima heeft nog meer gedaan. Hij is naar Amerika gegaan en in Europa op de eerste plaats naar Duitsland, in het hart van Europa, dat het meeste gevaar loopt. Hij heeft bisschoppen en gelovigen gesmeekt de Rozenkrans te bidden en boete te doen. Hij heeft mij persoonlijk gezegd, dat deze wereldgebeds- en boetedag «maxime necessarium», uiterst noodzakelijk, is. Hij heeft zijn taak als wachter ernstig genomen. Geloof u dat hij voor zijn plezier van Freiburg via Dillingen naar ons is gekomen en van hier naar Klingenbrunn en Schardenberg bij het IJzeren Gordijn is gegaan, om vandaar weer naar het Saargebied, het Rijnland en het Roergebied te reizen om overal de boodschap van Onze Lieve Vrouw te verkondigen, als hij er niet van overtuigd was: ik moet de bazuin laten schallen opdat, wanneer het zwaard komt, zijn bloed niet op mijn hoofd komt?
De tweede bazuin
De tweede bazuinstoot kwam uit Rome, van de bisschop der bisschoppen zelf. Op 28 september 1960 schreef paus Johannes XXIII een brief aan de kardinaal-vicaris van Rome; de opperste wachter van de Kerk sprak hierin over de vele berichten van rampen en catastrofen die in deze jaren niet aflaten en ging dan verder: «Wat echter de gehele mensheid de adem beneemt is het droevige voortduren van de onzekerheid van de toekomst, dat veelal onrustig maakt en verwarring sticht». Hij schreef voorts dat «het uur dat de wereld moet doormaken zeer ernstig is, ernstig en vol gevaren». Hij zegt zelfs: «De historische roeping van de volkeren, de eeuwige bestemming van ieder naar Gods beeld geschapen mens staat op het spel». Vervolgens roept de paus ook op de Rozenkrans te bidden. Paus Johannes XXIII vervulde zijn taak als wachter; hij heeft Gods volk gewaarschuwd. Wanneer het zwaard werkelijk zou komen, zal het bloed niet over zijn hoofd komen.
Profiteurs reageren niet
De profeet spreekt ook over hen die zich niet laten waarschuwen, die het dus aan zichzelf te wijten hebben als het bloed op hun eigen hoofd neerkomt. Christus heeft al een eerste groep gekenschetst: «Zoals het was in de dagen van Noë, zo zal ook de komst van de Mensenzoon zijn. Zoals men toch in de dagen vòòr de zondvloed at en dronk, huwde en uithuwde, tot op de dag waarop Noë de ark binnen ging: en zoals men er geen acht op sloeg, totdat de zondvloed kwam en allen verzwolg, zo zal ook de komst van de Mensenzoon zijn» (Matt. 24, 37-39). Dat zijn de mensen met een hoge levensstandaard, de profiteurs van de economische welvaart. Hun oren blijven gesloten voor het bazuingeschal van de profeten; zij reageren uitsluitend op het lawaai van machines en motoren. Deze mensen lachen om Fatima. Maar wanneer het zwaard komt en hen wegmaait, komt het bloed over hun eigen hoofd. Zij dragen zelf de schuld.
Maar zijn we niet allen een beetje besmet met de bedwelming van het aardse? Steeds meer verdienen, steeds hogere salarissen, steeds meer vrije tijd, steeds meer comfort. Moet het zwaard ook ons treffen wegens ons materialisme, zoals de zondvloed de tijdgenoten van Noë liet verdrinken en zoals het vuur van de jongste dag de in het aardse verzonken mensen zal verbranden?
Een tweede groep doven
Er is nog een groep die zich niet laat waarschuwen. Deze mensen hebben een theologisch toverwoord ter beschikking, dat zij op alle Mariaverschijningen plaatsen om ze oninteressant te maken. Dit toverwoord luidt: particuliere openbaring. Nu heeft men het gevonden! Een privé openbaring verplicht tot niets: ik houd me aan de grote openbaring van God, die met Christus en de apostelen is afgesloten. Waarom al dat lawaai over Fatima? Inderdaad, zij hebben gelijk: de algemeen verplichtende openbaring is met Christus en de apostelen afgesloten. Maar dat wil nog niet zeggen dat God daarna niet meer tot ons zou kunnen spreken, of zelfs niet zou mògen spreken. Ieder spreken van God is iets groots en iets heiligs, of het nu gericht is tot Isaïas of tot een analfabetisch boerenmeisje. Wat zouden we allen overgelukkig zijn als wij, al was het maar één keer in ons leven in een toestand van vertwijfeling, wanneer we geen uitweg meer weten, de stem van God zouden mogen horen! Op Pinksteren werd de H. Geest uitgestort over alle vlees, «Zonen en dochters zullen profeteren en grijsaards zullen dromen ontvangen, zelfs over slaven en slavinnen wordt de Geest uitgestort», zo spreekt Petrus met Joël. Jeremias zegt: «Ik zal een eeuwig verbond met hen sluiten: dat Ik nooit zal ophouden hun goed te doen» (Jer. 32, 40). Wie zich niet laat waarschuwen heeft het aan zichzelf te wijten als het zwaard komt en hem wegmaait. Het bloed komt over zijn eigen hoofd.
Fatimas boodschap tot de wereld: totale ommekeer door boete en gebed
Hoe luidt de boodschap van God te Fatima tot de wereld? De mens is behept met de neiging het meest belangrijke en beslissende links te laten liggen en zich vol overgave op het sensationele te werpen. Bij Fatima ligt deze sensatie in het derde geheim. U weet waar het over gaat.
Op 13 juli 1917 heeft de Moeder Gods gezegd: «Wanneer men aan mijn verlangen voldoet zal Rusland zich bekeren en zal er vrede heersen; doet men het echter niet, dan zal het zijn dwaalleer over de gehele wereld verbreiden en oorlogen ontketenen; vele goeden zullen gemarteld worden; de H. Vader zal veel te lijden hebben en vele naties zullen vernietigd worden » Dan volgt een uitlating waarachter velen het derde geheim vermoeden. De slotzin echter luidt: «Tenslotte zal mijn Onbevlekt Hart zegevieren». Op deze uitlating nu concentreert zich de hele belangstelling: Zal het geheim geopenbaard worden? Wanneer? Waarom gebeurt het niet? Woedende brieven fladderen rond: Het zwijgen van de bisschop van Fatima is tegen de beginselen van de verdraagzaamheid, vrijheid en democratie. Erger kan het al niet! En daarbij kan ieder die maar een klein beetje begrip heeft, nagaan wat dit zogenaamde geheim behelst. Vooral waar gezegd wordt, dat verscheidene naties vernietigd zullen worden, gelooft u dan dat er iets in staat over een loonsverhoging van 10%? Wanneer de bescheiden bisschop van Fatima zich tot alle bisschoppen van de wereld wendt en ze uitnodigt voor een wereldgebeds- en boetedag en wanneer de paus tot een storm van gebed oproept, dan kan alleen maar een idioot geloven dat in die uitlating sprake is van gouden appelen en een heerlijke toekomst. Is het voor ons niet voldoende: verscheidene naties zullen van het aangezicht van de aarde verdwijnen! Waar wachten we dan nog op? Voelen we hier niet duidelijk de list van de hel, hoe deze ons met zachte drang tracht af te keren van wat wezenlijk en alleen beslissend is, en de sensatie als lokmiddel gebruikt om de nieuwsgierigheid te prikkelen?
Het belangrijkste van de boodschap, dat waarom het gaat, is de gedachte van boete en verzoening. Al bij de eerste verschijning vroeg Maria aan de kinderen: «Willen jullie God offers brengen en alle lijden aannemen dat Hij jullie zal opleggen tot uitboeting van de talloze zonden die zijn Goddelijke Majesteit beledigen?» En bij de laatste verschijning zei de Moeder Gods: «De mensen moeten zich beteren, zij moeten smeken om vergeving voor hun zonden!» Dìt is het beslissende punt en niet de speculatie op de toekomst. Meer nog, deze beangstigende toekomst vol gevaren kan juist worden afgewend door de verlangens van Maria na te komen: bidden en boete doen voor onze zonden en voor die van de wereld.
Met deze boodschap van een totale ommekeer van de mensen staat Fatima eigenlijk geheel in het teken van de grote heilsopenbaring van God. Boven het begin van het Nieuwe Verbond en daarmee tot de voltooiing van de openbaring staan de woorden van Jezus, waarmee Hij zijn openbare prediking begint: «Doe boete, want het Rijk Gods is nabij!»
Het credo van de moderne wereld
Met dezelfde woorden begint het leven van het Mystieke Lichaam van Christus, wanneer Petrus op Pinksteren zegt: «Bekeer u!» Met de boete staat en valt het christendom. De moderne technische, materialistische wereld heeft in plaats van dit categorische bevel een ander omhelsd: verdien geld, stapel zo veel mogelijk bezit op ten koste van alles en iedereen, produceer steeds meer, consumeer steeds meer, tijd is geld enz.! Daarom legt de Moeder Gods sinds 1830, sedert haar verschijning in de Parijse Rue du Bac, steeds weer de nadruk op dit woord: «Doe boete, verander uw leven, bekeer u!» De wereld heeft niet naar haar geluisterd en luistert ook vandaag niet. Twee wereldoorlogen, een aantal minder omvangrijke oorlogen en een hele reeks bloedige revoluties zijn hiervan het gevolg. De wereld heeft de waarschuwing van Maria in de wind geslagen.
Op het ogenblik krijgen wij misschien wel de allerlaatste vermaning. Ik ben bang dat ook hierop geen acht wordt geslagen. In plaats van tot aanbidding en boete roepen de media op tot dansen en vermaak, en opnieuw klaagt de Heer als in de nacht voor het begin van zijn lijden op de Olijfberg: «Kunt ge dan niet één uur met Mij waken?» (Matt. 26, 40)
De wapens van Maria
Fatima ligt met zijn oproep tot boete en bekering diep verankerd in de heilsgeschiedenis, maar is tegelijk geworteld in de tijdelijke geschiedenis. Precies in de maanden tussen april en november, waarin de bolsjewisten in Rusland hun bloedige revolutie voorbereidden, greep de hemel in. Zesmaal verscheen de Moeder Gods in het uiterste westen van Europa, in Portugal, om de strijd op te nemen tegen de vijand in het oosten. Twee wapens geeft Maria ons in de hand: gebed en boete. Waar men nu in het Oosten, in China op de eerste plaats, maar ook in Korea, de arme mens geheel in beslag neemt en hem onbarmhartig met zijn hele lichaam en ziel tot dienstbaarheid dwingt, antwoordt Maria daarop met de toewijding aan haar Onbevlekt Hart.
Toewijding is vrijwillige en totale overgave aan God door de handen van Maria en biedt verzoening voor de totale slavernij van de mens in het Oosten. Het is een bewijs van onbegrip voor de betekenis van deze tijd, wanneer men spreekt over een primitieve vroomheid die zich optrekt aan een kitscherig Mariabeeld. Het gaat ons als de mensen op het Pinksterfeest, die Pe- trus vroegen: Wat zullen we doen? We kennen inmiddels de verlangens van Maria: op de eerste plaats bidden. We hebben de pausen en de bisschoppen horen oproepen tot het bidden van de Rozenkrans.
Al eerder in de geschiedenis heeft het Rozenkransgebed een vijand uit het Oosten teruggeslagen. Dat was toen de Turken voor de poorten van Wenen stonden en denk eens aan de zeeslag bij Lepanto. Maar bidden we nog wel? Bidden we nog gemeenschappelijk in het gezin?
Op de tweede plaats is het boete doen. Het is niet nodig daarbij aan grote dingen te denken, maar moeten we nu echt iedere film hebben gezien? Moeten we iedere paar maanden met vakantie? Moeten wij zo dikwijls in dure restaurants gaan eten? Is het noodzakelijk alle genoegens mee te maken? Brengt iedere dag niet genoeg onaangenaams, dat we als offer kunnen aanvaarden? Waarom ons opwinden, waarom dwaas en liefdeloos zijn waar we de mooiste gelegenheid hebben naar het voorbeeld van de twee overleden kinderen van Fatima, deze onaangename dingen als verzoening en boete voor de zonden van de wereld te dragen?
Op de derde plaats is het de toewijding aan het Onbevlekt Hart van Maria: de totale toewijding aan God door Maria, niet alleen met de lippen, maar van de gehele mens, die ook in het dagelijks leven tot uitdrukking komt. Dus in feite alleen maar datgene doen wat wij eigenlijk al lang bij het doopsel hebben beloofd, maar nooit ernstig hebben genomen: de duivel verzaken en al zijn werken en ijdelheden. Dàt is de redding van deze tijd.
Wat zal men later van ons zeggen? Hetzelfde als de vluchteling die bij Ezechiël kwam? Ezechiël zegt in hoofdstuk 33, 21: «In het twaalfde jaar van onze verbanning, op de vijfde van de tiende maand, kwam de vluchteling uit Jerusalem naar mij toe met de tijding: de stad is gevallen!»
Trouw en ijverig de Rozenkrans bidden
Wij hebben als maar weinig geslachten gevaren doorstaan, maar niemand kan ons zeggen dat de verschrikkingen alleen maar een voorspel waren. De mogelijkheid staat wijd open voor alle gevaren van vernietiging, dood en verschrikkingen die ons voorstellingsvermogen geheel te boven gaan. In deze tijd heeft de wereld het alles omvattende gebed nodig, uit welks kracht het ik overgaat in de gehele smekende mensheid. Als wij er over spreken dat de Rozenkrans moet worden teruggevonden, denken wij allereerst aan hen die hem in hun eenzaamheid die tegelijk een genadenrijke verbondenheid was reeds hebben teruggevonden. Zij kunnen ons zeggen wat de Rozenkrans eigenlijk is. Echt gebed kan men niet uitleggen en heeft ook geen uitleg nodig.
Wij moeten inzien dat alle bezwaren tegen de Rozenkrans voortkomen uit het feit, dat hij niet gebeden wordt. Zij komen van hen die hem niet bidden. Een gebed wordt alleen maar in het bidden onthuld, zoals de waarheid zich onthult aan hem die haar nakomt, zoals het sacrament hem verandert en verlicht die het waardig ontvangt, zoals het Mystieke Lichaam van Christus alleen door de levende lidmaten van dit lichaam wordt ervaren.
Fatima grijpt terug op het geweldige woord van Mozes in zijn afscheidsrede: «Zie, ik heb u heden leven en geluk, dood en ongeluk voorgehouden Ik roep heden plechtig hemel en aarde tegen u tot getuigen, dat ik u leven en dood, zegen en vloek heb voorgehouden! Kies dus het leven, opdat gij en uw kroost het leven moogt hebben Want daarvan hangt uw leven af en de duur van uw verblijf in het land » (Deut. 30, 15; 19, 20). Dàt is Fatima!
Naast de ernstige vermaning tot boete en bekering en de aansporing tot verering van het Onbevlekt Hart van Maria is Fatima een ernstige vermaning tot het ijverig en trouw bidden van de Rozenkrans. Maria zegt in twee verschijningen tot de kinderen: «Bid dagelijks de Rozenkrans en vergeet het niet» (13 juni) en zij herhaalt het een maand later nog eens: «Bid dagelijks de Rozenkrans en vergeet het niet!» (13 juli).
Bij haar laatste verschijning in oktober 1917 stelde de Moeder Gods zich aan de kinderen voor met de woorden: «Ik ben Onze Lieve Vrouw van de Rozenkrans».
Maria, ook Koningin van de vrede
In 1917 heeft er zich nog een mariale gebeurtenis voorgedaan. Op 5 mei 1917 heeft paus Benedictus XV in een brief aan kardinaalstaatssecretaris Pietro Gasparri bepaald, dat in het vervolg in de litanie van de H. Maagd de aanroeping Koningin van de vrede, bid voor ons moest worden ingevoegd. Vele jaren zijn er sindsdien verlopen en nog steeds vrezen wij mensen de vrede te verliezen. Daarom is het goed dat wij ons ernstig op deze historische datum bezinnen.
Als we de kalender van Mariafeesten in de wereld doorbladeren vinden we vele feestdagen ter ere van Maria van de vrede en ook de titel Koningin van de vrede is al van zeer oude datum. Pater Franziskus Maria Stratmann O.P. vermeldt in zijn boek Regina Pacis (Berlijn, 1927) dat in een oeroude, Oud-Ierse litanie Maria als Voorbode van de vrede wordt gehuldigd en hij haalt ook een gebed aan uit de 30-jarige oorlog waarin Maria wordt begroet als «doorluchtige Koningin van de Vrede». Verder spreekt hij over een feest Regina Pacis, dat op vele plaatsen wordt of werd gevierd op 9 juli. Dit feest bestond werkelijk en werd op 7 september 1658 toegestaan voor de door de H. Eudes gestichte Congregatie van de HH. Harten van Jezus en Maria. Het door F. G. Holweck uitgegeven Calendarium liturgicum festorum Dei et Dei Matris Mariae (Philadelphia, 1925) noemt nog andere feest ter ere van de Koningin van de Vrede.
Belangrijker echter dan deze historische aantekeningen is voor ons het feit dat kort na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog een aantal bisschoppen de H. Stoel toestemming verzocht na de aanroeping Koningin van de allerheiligste Rozenkrans in de litanie van de H. Maagd Koningin van de Vrede in te lassen. Paus Benedictuis XV gaf op 16 november 1915 de bisschoppen zijn toestemming, echter alleen voor de duur van de oorlog. Anderhalf jaar later stelde hij deze aanroeping voor altijd verplicht.
De Moeder Gods en de pausen roepen op tot boete
De openbaringen van de Moeder Gods van de laatste tijd en de woorden van de pausen grijpen duidelijk in elkaar. Wat de Kerk verkondigt, bevestigt Maria en wat Maria mededeelt aanvaardt de Kerk. Er bestaat een innerlijke samenhang tussen de openbaringen van de Moeder Gods te Parijs in 1830 (wonderdadige medaille), La Salette in 1846, Lourdes in 1858, Fatima in 1917 en Syracuse in 1953, om alleen de voornaamsten te noemen. Wat in het begin nog niet duidelijk was, komt steeds meer in het volle licht te staan. Het duidelijkst heeft Maria te Fatima gesproken. Al haar mededelingen worden beheerst door drie grondgedachten:
Om Gods strafgericht af te wenden roept Maria op tot boete; het door een zwaard doorboorde Hart van Maria op de wonderdadige medaille en ten derde de randtekst op de keerzijde: O Maria, zonder zonde ontvangen, bid voor ons, die onze toevlucht tot u nemen.
De wenende Moeder Gods zegt te La Salette: «De arm van mijn Zoon is zo zwaar en drukt zozeer, dat ik hem niet langer tegen kan houden». De dringende woorden van Maria tot Bernadette Soubirous te Lourdes: boete, boete, boete! De hartroerende aansporing van de Moeder Gods op 18 augustus 1917 te Fatima: «Bid, bid en breng veel offers voor de zondaars, want er komen er velen in de hel omdat niemand voor hen offert en voor hen bidt». Tenslotte zijn er de tranen van de beeltenis van het Heilig Hart van Maria te Syracuse.
Hetzelfde zeggen de pausen
Paus Leo XIII, die niet minder dan 12 mariale encyclieken tot de wereld heeft gericht, schreef met profetische blik in zijn Adjutricem populi van 1895: «Laten we dus met het grootste vertrouwen tot Maria gaan! Met haar gehele kracht zal zij zich er voor inzetten, dat ons heilig geloof in nieuwe glans zal stralen; zij zal het vervullen van deze wens bespoedigen, zodat de volkeren zich eensgezind aaneen zullen sluiten in het belijden van het ene geloof en een band van volmaakte liefde ook de harten zal verbinden »
In zijn Ad diem illum laetissimum van 1904, verklaart paus Pius X: «Hebben wij niet met recht kunnen zeggen dat Maria, nadat zij Jezus zo trouw ter zijde heeft gestaan vanaf het huis te Nazareth tot op de berg van Calvarië, en als niemand anders vertrouwd is met de geheimen van zijn Hart, nu ook de schat van zijn verdiensten rechtens beheert, zoals het een moeder toekomt?»
Paus Pius XI in Over gebeden en werken van boete tot hulp aan de mensheid op 3 mei 1932: «De volkeren worden zelf voor de beslissende keuze gesteld: ofwel zij vertrouwen zich toe aan de welwillende en weldoende machten (gebed en boete, R.G.) en richten zich in nederigheid en berouw tot hun Heer en Vader vol barmhartigheid, ofwel zij geven zichzelf en de laatste rest van hun aardse geluk prijs aan de vijand van God, de geest van wraak en vernietiging».
Paus Pius XII schreef in zijn encycliek over het Mystieke Lichaam van Christus op 29 juni 1943: «Een werkelijk huiveringwekkend mysterie dat men niet genoeg kan overwegen: dat namelijk het heil van velen afhankelijk is van de gebeden en vrijwillige boetedoening die ledematen van het Mystieke Lichaam van Jezus Christus hiertoe op zich nemen».
Paus Johannes XXIII zei in zijn radiotoespraak van 27 april 1959: «De Moeder Gods maakt in deze tijd op heel bijzondere manier haar behulpzame tegenwoordigheid kenbaar. Hoe meer de liefde verkilt, des te meer spoort zij haar kinderen aan tot vroomheid, tot deugd en tot boete voor de zonden. Terwijl aan alle kanten het dreigende onheil voortdurend toeneemt, ervaren wij haar als onze goede voorspreekster die de goddelijke barmhartigheid over ons afsmeekt Wij hebben een Moeder die met tedere liefde alle lijden van haar kinderen meevoelt. Daarom brengt eenieder die, in de stormen van deze tijd heen en weer geslingerd, weigert haar helpende hand te grijpen, zijn eigen heil in gevaar».
Paus Paulus VI op 2 februari 1966: «De verering van Maria is zowel een karakteristiek kenmerk van de katholieke religiositeit als een kern- en hoogtepunt van de geestelijke opvoeding, waarop alle herderlijke zorg van de bisschop van Rome en de apostolische zorg van de stadhouder van Christus in de wereldkerk met altijd durende waakzaamheid en vermanende oplettendheid gericht moet zijn».
Er is derhalve geen betere en veiliger weg naar de kennis en de liefde van Christus dan Maria. Zijn niet jammer genoeg zij, die verleid zijn door de listen van de boze, of zij die, misleid door verkeerde vooroordelen, menen te kunnen afraden de hulp van de H. Maagd te zoeken, het beste bewijs van deze waarheid?! Deze armen en ongelukkigen verbeelden zich Maria te moeten passeren om zogenaamd Christus de eer te geven, maar zij zien niet in dat het dat het Kind nergens anders te vinden is dan bij zijn Moeder, Maria.
Aansporing tot de verering van het Onbevlekt Hart van Maria
Al op de wonderdadige medaille komt het doorboorde Hart van Maria voor; te La Salette wijzen de tranen van Maria op de bedroefdheid van het Hart van Maria; te Lourdes wordt de nadruk gelegd op de onbevlektheid van dit Hart: «Ik ben de Onbevlekte Ontvangenis»; te Syracuse is het een beeltenis van het Hart van Maria dat weent. Maar verreweg het duidelijkst spoort Fatima aan tot de verering van het Onbevlekt Hart.
Maria zei tegen de kinderen van Fatima: «Jullie hebben de hel gezien waarheen de arme zondaars op weg zijn. Om hen te redden wil de Heer de verering van mijn Onbevlekt Hart ingang doen vinden in de wereld. Wanneer men dit doet, zeg ik jullie, zullen vele zielen gered worden en zal er vrede komen» En bij dezelfde verschijning op 13 juli 1917: «Offer je op voor de zondaars en zeg dikwijls, in het bijzonder wanneer je een offer brengt: O Jezus, uit liefde voor U en voor de bekering van de zondaars, als genoegdoening voor de beledigingen die het Onbevlekt Hart van Maria worden aangedaan».
De pausen aarzelden niet gevolg te geven aan deze uitnodiging, want 25 jaar na de verschijningen van Fatima, in 1942, wijdde paus Pius XII de Kerk en de gehele mensheid toe aan het Onbevlekt Hart van Maria. Het deed het wegens de plaats die Maria inneemt in het verlossingswerk en met het oog op de nood van de tijd; hij verwachtte van de verering van dit Hart de vrede onder de volkeren, de vrijheid van de Kerk, de bekering van de zondaars en het opnieuw opbloeien van de christelijke deugden. (Decreet over het Feest van het Hart van Maria, 4 mei 1944).
We moeten hier nog vermelden, dat paus Pius IX op 8 december 1854 plechtig het dogma van de Onbevlekte Ontvangenis van Maria heeft afgekondigd, zoals Maria dit bij de wonderdadige medaille heeft verlangd en in de verschijningen te Lourdes heeft bevestigd.
Paus Pius XII, de grote Maria-paus, begint zijn brief Ingruentium malorum van 1951 met de woorden: «Bij het zien van het dóórbreken van het kwaad hebben Wij, sedert Wij door het raadsbesluit van de Goddelijke Voorzienigheid tot de hoogte van de Stoel van Petrus zijn geroepen, nooit nagelaten het lot van de mensenfamilie aan de machtige bescherming van de Moeder Gods toe te vertrouwen».
De Rozenkrans
De aansporing tot het ijverig bidden van de Rozenkrans begint niet in Fatima, maar wordt al in Lourdes ingeleid, weliswaar niet met zoveel woorden, maar wel zeer nadrukkelijk met gebaren. Maria verschijnt met de Rozenkrans aan de arm, maakt zelf bij het begin het kruisteken, laat de kralen door de vingers glijden en verdwijnt wanneer Bernadette de Rozenkrans heeft gebeden.
Te Fatima is het de kern van de boodschap van Maria: «Bid dagelijks de Rozenkrans en vergeet het niet!» (13 juli). Al bij de eerste verschijning op 13 mei belooft zij bij de laatste, in oktober, haar naam te zullen noemen: «Ik ben Onze Lieve Vrouw van de Rozenkrans!». De gedachte van de Rozenkrans loopt als een gouden draad door alle openbaringen van de Moeder Gods te Fatima. Maria laat er ook geen twijfel aan bestaan dat de Rozenkrans de beste manier is om haar Onbevlekt Hart te vereren, voor zich te winnen en te verzoenen.
Voor paus Leo XIII is «de Rozenkrans hèt gebed van de Kerk in kritieke tijden (Octobri mense, 1891); onder vele gebedsoefeningen van de katholieke Kerk heel bijzonder aan te bevelen (Salutaris ille, 1883); als gemaakt voor het juiste bidden (Jucunda semper, 1894); in ieder opzicht uitstekend en als gemaakt om het eeuwig heil te verkrijgen (Fidentem piumque, 1896); een gebed dat voor onze voorouders het beste kenmerk voor hun vrome christelijke gezindheid betekende (Supremi apostolatus, 1883) ons door Maria zelf geleerd (Laetitiae sanctae, 1893) en door haar zo geliefd (Adjutricem populi, 1895)». «De eretitel van Koningin van de Allerheiligste Rozenkrans is», volgens Leo XIII, «voor het katholieke volk gelijk aan het kenmerk van het geloof en de samenvatting van de verering die Maria toekomt» (Octobri mense, 1891).
Behalve door zijn brieven heeft Leo XIII nog meer gedaan voor het bevorderen van het bidden van de Rozenkrans:«Wat Ons betreft hebben Wij voor het voortdurende gebed bevolen, dat dit feest (nl. dat van de Rozenkrans) met zijn officie in de gehele Kerk als feest tweede klasse zal worden gevierd. Wij hebben bepaald dat de gehele maand oktober aan deze heilige oefening gewijd zal zijn en tenslotte hebben Wij vastgesteld dat in de litanie van de H. Maagd de aanroeping Koningin van de Allerheiligste Rozenkrans wordt ingevoegd. Deze aanroeping moet tevens een lichtend voorteken zijn van de overwinning, die Wij na alle strijd in deze tijd verwachten» (Diuturni temporis, 1898).
Dat de Moeder Gods en de Kerk in de hemel en op aarde in elkaar grijpen wordt bij de Onbevlekte Ontvangenis evenals bij de Rozenkrans zichtbaar. Leo XIII kan niet genoeg doen om dit gebed aan te bevelen; Maria verschijnt te Fatima als Onze Lieve Vrouw van de Rozenkrans.
Wanneer wij het geheel overzien moeten we zeggen: de les van de verschijningen van de Moeder Gods en de leer van de Kerk zijn hetzelfde, zodat de Kerk niet aarzelt om ze als bovennatuurlijk te erkennen. Ook laat zij zich klaarblijkelijk door deze les in haar houding beïnvloeden en bevruchten; zij heeft immers zelf het meisje van Lourdes heiligverklaard. Zo straalt het licht van de Kerk terug op de boodschappen van de Moeder Gods, die door haar zijn onderzocht en worden erkend, zodat zij een heel andere betekenis krijgen en wij doen goed met eerbied naar deze boodschappen te luisteren. De persoonlijke aanwezigheid van onze Heilige Vader, Paulus VI, bij de jubileumplechtigheden te Fatima ter gelegenheid van de viering van de 50ste verjaardag van de eerste verschijning op 13 mei 1917 is wel het bewijs hiervoor.
Maria, Koningin van de hemel en van de aarde, bid voor ons!
VERVOLG OPENBARINGEN VAN DE H. BRIGITTA VAN ZWEDEN.
Over hoe de bruid de liefdevolle Maagd Maria bekleed zag met een kroon en de versieringen van kostbare schoonheid, en hoe de heilige Johannes de Doper de bruid de betekenis van de kroon en andere dingen uitlegde.
BOEK 1 HOOFDSTUK 31
Gods bruid zag de Konigin van de Hemel, de Moeder van God, met een kostbare kroon op het hoofd en het haar loshangend over de schouders, schitterend van wonderbare en onbegrijpelijke schoonheid. Gehuld in een gouden kleed, glinsterend van onuitsprekelijke glans, in een hemelblauwe mantel, even helder van kleur als de hemel zelf.
Toen Gods bruid zich zeer verbaasde over zon schoon gezicht en verrukt stond van bewondering, verscheen plotseling de Heilige Johannes de Doper tot haar en zei: Luister nauwkeurig naar wat dit allemaal betekent: De Kroon betekent, dat zij Koningin en Heerseres is, en Moeder van de Koning der engelen. Haar loshangend haar betekent, dat zij onbevlekt is en een reine maagd. De mantel, die blauw schijnt als de hemel, betekent, dat alle wereldse dingen als dood voor haar waren (in haar hart en wil.) Het gouden kleed betekent dat zij inwendig en uitwendig gloeide van goddelijke liefde.
En Jezus Christus, haar Zoon, plaatste in haar kroon zeven lelies, en tussen de lelies zette Hij zeven kostbare stenen. De eerste lelie is haar ootmoed, de tweede is haar vreeze Gods, de derde is haar gehoorzaamheid, de vierde haar geduld, de vijfde haar standvastigheid, de zeste haar mildheid, want zij geeft mild aan allen die haar erom vragen. De zevende is haar barmhartigheid in nood, want in welke nood de mens ook is, indien hij haar met geheel zijn hart aanroept, zal hij barmhartigheid door haar verkrijgen en gered worden. Tussen deze schitterende lelies heeft haar Zoon zeven kostbare stenen gezet. De eerste steen is haar onovertreffelijke deugd, want er is geen deugd in enig geestelijk of lichamelijk wezen, die zij niet in hogere mate bezit. De tweede steen is de volmaaktste reinheid, want de Koningin van de Hemel was zo rein, dat geen enkele vlek of zonde bij haar te vinden was, van af haar eerste intrede in de wereld tot aan haar laatste dag. En al de geesten uit de afgrond konden bij haar geen smet vinden zo groot als de punt van een naald. Zij was waarlijk de allerreinste en het betaamde de Koning van de engelen tegenover alle engelen en mensen in niets anders te vertoeven dan in het reinste en heerlijkste lichaam. De derde steen was haar schoonheid, want God wordt voortdurend door Zijn engelen voor de schoonheid van Zijn moeder geëerd, en de vreugde van alle heilige engelen en heilige zielen wordt door haar schoonheid verhoogd.
De vierde kostbare steen van de kroon is de wijsheid van de Maagd Maria, want zij is vervuld van alle wijsheid Gods en alle wijsheid wordt door haar volmaakt. De vijfde steen is haar kracht en macht, want zij is zo sterk en machtig door God, dat zij al wat geschapen is omver kan werpen. De zesde steen is haar helderheid, want zij schijnt zo helder, dat de engelen, wier ogen helderder zijn dan het licht, door haar bestraald worden en de duivels het niet wagen naar haar glans op te zien. De zevende steen is de volkomenheid van alle lieflijke vreugde en alle geestelijke zoetheid, die in haar zo volmaakt zijn, dat er geen vreugde is, die door haar niet vergroot wordt, en geen genot, dat door haar niet inniger wordt en volmaakter door haar heilig aangezicht. Want zij is vervuld van genade en barmhartigheid boven alle heiligen. Zij is het vat der reinheid, waarin het Brood der engelen lag en waarin alle lieflijkheid en alle schoonheid zijn.
Haar Zoon zette deze zeven stenen tussen de zeven lelies die in haar kroon waren. Daarom zul je, haar Zoons bruid, haar eren en loven met geheel je hart, want voorwaar, zij is alle lof en eer waardig.
Wordt vervolgd.
HERINNERINGEN VAN ZUSTER LUCIA.
BIJVOEGSEL II
INLEIDING
De tekst van dit bijvoegsel is geen eigenhandig geschreven
document van zuster Lucia, maar bezit alle waarborgen voor de echtheid
ervan, gezien het feit dat haar eigen geestelijk leidsman, toentertijd de
eerw. pater José Bernardo Gonçalves s.j. hem letterlijk heeft overgeschreven
van de aantekeningen van de zieneres.
De verschijning waar de tekst over spreekt, had zuster Lucia op
13 juni 1929 in de kapel in Tuy, Spanje.
Zij begint met te spreken over het visioen van de Allerheiligste
Drieëenheid, die de verschijning van de Maagd Maria begeleidt, waarin
deze haar Hart toont zoals bij de verschijningen van juni en juli 1917. De
belofte die zij bij die gelegenheid deed, wordt nu werkelijkheid. En zuster
Lucia hoort de Maagd Maria vragen om de toewijding van Rusland aan
het Onbevlekt Hart, in duidelijk omschreven omstandig-heden.
TEKST VAN HET VERZOEK
OM DE TOEWIJDING VAN RUSLAND
Pater Gonçalves kwam een paar keer biechthoren in onze
kapel. Ik biechtte ook bij de eerwaarde en omdat we elkaar goed
begrepen ging hij daarmee door gedurende de drie jaar dat hij
daar assistent was.
Het was in die periode dat Onze Lieve Vrouw mij meedeelde
dat de tijd gekomen was waarop ze wilde dat ik aan de Kerk
kenbaar maakte dat zij wenste dat Rusland aan haar werd toegewijd
evenals haar belofte het te zullen bekeren De mededeling ging
als volgt:
13 juni 1929. Ik had aan mijn superieuren en biechtvader
toestemming gevraagd en gekregen om mijn heilig uur te houden
van elf tot twaalf uur s avonds, van donderdag op vrijdag. Toen ik
op zekere avond rond middernacht alleen was, knielde ik in het
midden van de kapel tussen de communiebanken om er voorovergebogen
de gebeden van de engel te bidden. Toen mij dat te
vermoeiend werd, ging ik staan en vervolgde ik mijn gebed met
uitgestrekte armen. Het enige licht dat er was kwam van de
godslamp. Opeens was de hele kapel verlicht met een bovennatuurlijk
licht en op het altaar verscheen een lichtend kruis dat
reikte tot aan het plafond. In het helderste licht, aan het boveneind
van het kruis, zag ik het gelaat van een man met zijn lichaam tot
aan het middel en een duif op de borst, eveneens van licht; en
aan het kruis genageld, het lichaam van een andere man. Een
stukje onder de taille zag ik, in de lucht zwevend, een kelk en een
grote hostie waar enkele druppels bloed op vielen, die dropen van
het gelaat van de gekruisigde en uit een wond in de borst. Die
druppels gleden over de hostie heen en vielen in de kelk. Onder
de rechterarm van het kruis stond Onze Lieve Vrouw (het was
Onze Lieve Vrouw van Fatima met haar Onbevlekt Hart in haar
linkerhand, zonder zwaard of rozen, maar met een doornenkroon
en vlammen ) met haar Onbevlekt Hart in haar hand Onder de
linkerarm vormden grote letters, als van kristalhelder water dat op
het altaar stroomde, deze woorden: Genade en Barmhartigheid.
Ik begreep dat mij het geheim van de Allerheiligste
Drieëenheid was getoond en over dit mysterie ontving ik licht dat
ik niet bekend mag maken.
Daarna zei Onze Lieve Vrouw tegen mij:
Het uur is aangebroken waarop God aan de H.Vader vraagt
om, in vereniging met alle bisschoppen van de wereld, de
toewijding van Rusland aan mijn Onbevlekt Hart te doen en ik
beloof het door dit middel te redden. De zielen die door de
goddelijke Gerechtigheid worden veroordeeld wegens zonden die
zij tegen mij hebben bedreven zijn zo talrijk, dat ik eerherstel kom
vragen: offer je op voor deze intentie en bid.
Ik deed hierover verslag aan mijn biechtvader, die mij vroeg
op te schrijven wat Onze Lieve Vrouw wilde dat er gedaan werd.
Later zei Onze Lieve Vrouw tegen me, als klacht in een
persoonlijke mededeling:
Er is niet aan mijn verzoek voldaan!...
Zoals de koning van Frankrijk
1, zullen ze er later spijt van
krijgen en het alsnog doen, maar dan is het te laat. Rusland zal
zijn dwalingen al over de wereld hebben verspreid, wat oorlogen
en vervolgingen voor de Kerk tot gevolg heeft. De H.Vader zal
veel te lijden hebben.
1
In 1689, een jaar voor haar dood, probeerde de heilige Margaretha Maria op
diverse manieren en langs verschillende wegen de Zonnekoning, Lodewijk XIV
van Frankrijk, een bericht te doen toekomen met een boodschap van het H.Hart
van Jezus waarin vier verzoeken gedaan worden: Het Heilig Hart van Jezus op
de koninklijke vlaggen afdrukken; een tempel bouwen te zijner ere, waar hij het
eerbetoon van het hof zou ontvangen; de koning moest hem aan zijn Heilig Hart
toewijden; en de koning moest zijn autoriteit inzetten bij de H.Stoel om een H.Mis
te laten opdragen ter ere van het Heilig Hart van Jezus.
Maar er werd niets bereikt. Het schijnt zelfs dat de boodschap nooit bij de koning
is aangekomen.
Pas een eeuw later zou de koninklijke familie die boodschap beantwoorden,
voor zover dat mogelijk was. In 1792 kwam Lodewijk XVI op het idee van zijn
eed aan het Hart van Jezus, maar dat kon hij pas doen in de gevangenis van de
tempel, waarbij hij beloofde dat hij, wanneer hij vrij zou zijn, alle verzoeken van
de H.Margaretha Maria zou inwilligen.
Voor de Goddelijke Voorzienigheid was dat echter te laat: op 21 januari 1793
werd Lodewijk XVI onder de guillotine gedood.
Wordt vervolgd.
ALLE EER EN GLORIE.
Alle eer en alle glorie geldt de luisterrijke Naam! Viert de vrede die Hij heden uitroept over ons bestaan. Aangezicht vol van licht, zie ons met ontferming aan!
Alle eer en alle glorie geldt de Zoon, de erfgenaam! Als de genade die ons toekomt is Hij onze nieuwe naam. Licht uit licht, vergezicht, steek ons met uw stralen aan!
Alle eer en alle glorie geldt de Geest, die leven doet, die de eenheid in ons ademt, vlam die ons vertrouwen voedt! Levens zon, liefdesbron, maak de tongen los voorgoed!
VERGEVING.
Niet Gods arm is te kort om ons te redden, niet zijn oor is te doof om ons te horen. Maar onze misdaden verduisteren het licht. Wij plegen geweld, wij zaaien verwoesting, de weg van de vrede kennen wij niet. Wij wachten op licht, maar het blijft donker, op het licht van de zon, maar wij dolen in duisternis. Als blinden tasten wij langs de wand, als mensen die geen ogen hebben. Wij struikelen op klaarlichte dag, in de bloei van ons leven zijn wij als doden. Scheur dan de wolken uiteen en kom, zoals de morgenlicht het duister verdrijft. Maak ons open voor U, de komende en wees ons genadig. Amen.
GOD GROET U ZUIVERE BLOEME.
God Groet U, zuivere bloeme, Maria maged fijn Gedoog dat ik U roeme, lof moet U altijd zijn ! Als gij niet waart geboren, o reine maged vrij, Wij waren allen verloren, aan U beveel ik mij!
O roosken zonder doren, o violette zoet. O bloemken blauw in't koren, weest mij, uw kinde goed! Vol liefde en gestadig, ootmoedig zo zijt Gij: Och, weest mij toch genadig; aan U beveel ik mij!
Maria, lelie reine, Gij zijt mijn toeverlaat, zoals een klaar fonteiene, die nimmer stille staat, Zo geeft Gij ons genade en staat uw dienaars bij: Och, sta mij toch te stade; aan U beveel ik mij.
DICHTBIJ IS GOD.
Waarachtig en waar is al wat Hij zegt, God is vol iefde in al wat Hij doet. God is dichtbij voor wie dreigen te vallen, die in verdrukking zijn, richt Hij weer op.
De ogen van allen zien uit naar U, en Gij geeft ieder zijn eten op tijd. Gij opent met liefde uw hart en hand, de wensen van ieder die leeft, vervult Gij.
Dichtbij is God voor wie Hem roepen, voor hen die van harte bidden tot Hem. Wensen vervult Gij van die Hem vrezen, Hij hoort hen roepen en verlost hen.
GEBED VAN OVERGAVE AAN MARIA, MOEDER VAN ALLE MENSEN.
H.Maagd, Maria, Onbevlekt Ontvangen wij stellen ons onder Uw bescherming. Door het dragen van Uw medaille willen wij U ons vertrouwen tonen. Help ons toch zien wat wij moeten doen om de wil van God te volbrengen, - en vraag voor ons de kracht daarnaar te handelen. Bewaar ons in de liefde van Uw Zoon. Houd ons dicht bij U, ieder ogenlik van ons leven.
Machtige Maagd verkrijg voor allen die in Uw Zoon geloven,- dat zij met vertrouwen blijven streven naar een grotere eenheid onder elkaar. Moge de onderlinge liefde van alle christenen de wereld de weg wijzen naar het ware geluk,- dat alleen te vinden is in Uw Zoon, jezus christus, Onze Heer.
Amen.
Een berg de zee in bidden?
"Des morgens vroeg, bij Zijn terugkeer naar de stad, werd Hij hongerig. En daar Hij een vijgenboom aan de weg zag staan, ging Hij erheen, doch Hij vond niets daaraan, dan alleen bladeren. En Hij zeide tot hem: Nooit groeie aan u enige vrucht meer, in eeuwigheid! En terstond verdorde de vijgenboom. En toen de discipelen dat zagen, verwonderden zij zich en zeiden: Hoe is de vijgenboom zo terstond verdord? Maar Jezus antwoordde en zeide tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, indien gij geloof hebt en niet twijfelt, zult gij niet alleen doen wat met de vijgenboom is gebeurd, maar zelfs indien gij tot deze berg zegt: Hef u op en werp u in de zee, het zal geschieden. En al wat gij in het gebed gelovig vragen zult, zult gij ontvangen." (Mattheüs 21:18-22)
Wie leest wat de Here Jezus hier over het gebed zegt en kijkt, wat hij hier zelf vanaf brengt, loopt een groot risico gefrustreerd te raken bij deze woorden. Als je gelooft zonder te twijfelen, zo lijkt deze tekst te zeggen, kan iedereen niet alleen een vijgenboom laten verdorren, maar ook een berg in zee laten verdwijnen. Bedoelde de Here Jezus dit?
De vijgenboom
Twee bomen komen wij regelmatig tegen in de Bijbel: de vijgenboom en de wijnstok. Ze worden meerdere keren samen genoemd in de Bijbel. Er is zelfs een gelijkenis die vertelt van een vijgenboom, die in een wijngaard geplant was (Lucas 13:6). De vijgenboom heeft een zeer dik bladerdak, waardoor het heerlijk zitten is onder deze boom. Uit de zon, in de schaduw en als er dan een beetje wind is, is het er heerlijk toeven. Hier zat je beter dan onder een afdak aan je huis of onder een tent. Om die reden zaten rabbijnen vaak onder een vijgenboom de Bijbel te bestuderen en met elkaar te praten over God en Zijn Woord. Hier had je ook een prachtige plek om te bidden. Bidden en Bijbelstudie onder de vijgenboom.
De vijgenboom spreekt van rust, vrede en zegen van God. "... zodat Juda en Israël gerust woonden, ieder onder zijn wijnstok en onder zijn vijgenboom, van Dan tot Berseba, gedurende het gehele leven van Salomo." (1 Koningen 4:25) "Maar zij zullen zitten, een ieder onder zijn wijnstok en onder zijn vijgenboom, zonder dat iemand hen opschrikt; want de mond van de HERE der heerscharen heeft het gesproken." (Micha 4:4; zie ook Zacharia 3:10) De vijgenboom wordt hier gebruikt in verband met een tijd van vrede en rust in het verleden, maar ook als beeld van de vrede, die er zal zijn in het komende Messiaanse vrederijk.
Als oordeel aangekondigd wordt, wordt vaak ook de vijgenboom genoemd. "Verslinden zal het uw oogst en uw brood, verslinden zal het uw zonen en uw dochters, verslinden zal het uw schapen en uw runderen, verslinden zal het uw wijnstok en uw vijgenboom; vergruizelen zal het uw versterkte steden, waarop gij uw vertrouwen stelt, door het zwaard." (Jeremia 5:17; zie ook 8:13 en Hosea 2:12)
Jezus sprak tot Joden - niet tot de Kerk!
Wat bedoelt de Bijbel met deze geschiedenis over de vervloeking van de vijgenboom? Om het antwoord op deze vraag te krijgen, moeten wij eerst bedenken, dat wij de boodschap van het evangelie van Mattheüs niet moeten zien als een boodschap aan de christenen. Er waren op het moment dat deze woorden gesproken werden nog geen christenen. Het was een boodschap aan het Joodse volk, zoals het hele evangelie van Mattheüs gericht is tot het volk Israël.
De boodschap van de Here Jezus, zoals Hij Zelf die tijdens Zijn leven op aarde verkondigde, was steeds uitsluitend gericht op het Joodse volk. Natuurlijk mogen wij als christenen toepassen wat Hij zei, maar wij moeten bij de directe uitleg niet lezen, alsof Hij tot de Kerk sprak. Hij sprak tot Joden over een tijd, waarin Hij Zelf als Koning zou regeren over het Joodse volk. Hoewel Hij een enkele keer heel duidelijk over Zijn komend lijden en sterven sprak, stond Zijn leven hoofdzakelijk in het teken van het komende Messiaanse rijk. In gelijkenissen vertelde Hij van dit rijk en hield Hij de Joden voor, dat als zij zich niet bekeerden, zij dit rijk niet zouden binnengaan.
Het is een grote fout van de Kerk geweest, dat zij zichzelf gezien heeft als de plaatsvervanger van Israël, waardoor de Kerk leerde, dat wat Jezus zei, in feite niet voor de Joden bedoeld was, maar voor de kerk bedoeld was. Daardoor kwamen er allerlei onjuiste leerstellingen in de Kerk en werd het Woord van God geweld aangedaan.
Waarom zijn er vier verschillende evangeliën? Niet, omdat de ene evangelist vond dat de andere het niet goed gedaan had en hij het wilde verbeteren! Er zijn vier verschillende evangeliën, omdat de vier evangelisten allen een ander doel hadden. Mattheüs schreef speciaal voor de Joden om te laten zien, dat Jezus de Joodse Messias was, die voor het Joodse volk gekomen was. Zijn boodschap was speciaal voor de Joden. De wonderen waren op de Joden gericht om te bewijzen, dat Hij de Messias was. Johannes echter richtte zich tot heel andere mensen met een heel ander doel. Hij wilde juist laten zien, dat de Here Jezus ook voor niet-Joden gekomen was en dat Hij de Redder, de Heiland van de mensen uit de gehele wereld wilde zijn. Hij vertelt dan ook helemaal niet over bepaalde spectaculaire wonderen en zegt dus ook niet, dat wij ze ook moeten doen. Hij vertelt wel, hoe wij als niet-Joden, de Here Jezus kunnen leren kennen als onze Heiland en hoe ook wij kinderen van God kunnen worden.
De geschiedenis van de vijgenboom en de berg die in zee geworpen mag worden, komt niet voor in het evangelie van Johannes, maar in dat van Mattheüs. Het is opgeschreven met een boodschap voor het Joodse volk. Joden moeten weten, dat het Messiaanse rijk voor de deur staat. De tekenen van dit rijk geschieden daarom in hun midden. Het is niet opgeschreven als een boodschap voor de Gemeente van Jezus Christus, die pas op de Pinksterdag van Handelingen 2 is ontstaan. Wie dat niet ziet, meent door gelijkenissen in het evangelie van Mattheüs, dat als je eenmaal in de hemel bent, je er weer uitgeworpen kunt worden. Of je denkt, dat je zelf moet zorgen voor je eigen behoudenis, omdat je het moet volhouden tot het eind om behouden te worden (Mattheüs 24:13¬). Terwijl dit een boodschap is voor het Joodse volk in verband met de komende tijd van de grote verdrukking, wordt het dan toegepast op de Gemeenteleden en hun eeuwige zaligheid.
Vaak wordt vergeten, dat Jezus alleen tot de Joden gepredikt heeft en Zich nooit richtte tot de heidenen. Nooit ging Hij naar andere landen om er te prediken. Zelfs Zijn genezingen wilde Hij alleen voor de Joden doen. Het was de heidense Kananese vrouw die, hoewel door Hem afgewezen omdat ze geen Jodin was, toch zo wist vol te houden, dat de Heer voor haar een uitzondering maakte. Het was, zo vertelt het evangelie van Johannes, die ene vrouw uit Samaria die bij de put kennis maakte met de Heer, omdat Hij Zijn reis door Samaria moest maken. Dergelijke mensen waren de uitzondering, die de regel bevestigden.
"En Hij riep Zijn twaalf discipelen tot Zich en gaf hun macht over onreine geesten om die uit te drijven en om alle ziekte en alle kwaal te genezen. En dit zijn de namen van de twaalf apostelen... Deze twaalf heeft Jezus uitgezonden en Hij gebood hun, zeggende: Wijkt niet af op een weg naar heidenen, gaat geen stad van Samaritanen binnen; begeeft u liever tot de verloren schapen van het huis Israëls. Gaat en predikt en zegt: Het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen. Geneest zieken, wekt doden op, reinigt melaatsen, drijft boze geesten uit. Om niet hebt gij het ontvangen, geeft het om niet." (Mattheüs 10:1,2,5-8)
Het woord "liever" in vers 6 wekt de indruk, dat de discipelen mogen kiezen of zij wel of niet naar de heidenen of naar de Joden mogen gaan. Dat is echter een onjuiste conclusie. Het Griekse woord mallon, betekent: meer, in hogere mate, meer en meer, liever, eerder, veeleer, met meer kracht, met groter spanning. Het heeft dus verschillende betekenissen. In deze tekst betekent het: "Begeeft u juist tot de verloren schapen van het huis Israëls."
De wonderen die de discipelen moesten verrichten waren nadrukkelijk aan de twaalf Joodse discipelen opgedragen om in Israël voor het Joodse volk te verrichten. Zij waren niet bedoeld voor de Kerk. Het waren de tekenen, dat Jezus de Messias was. De Messiaanse tekenen vergezelden Hem! In hetzelfde vlak lagen de woorden over het bidden en de berg die in zee moest verdwijnen. Het was geen opdracht en teken voor de Kerk, maar een Messiaans teken voor de discipelen in verband met het Joodse volk!
Zoals de Heer in woorden in gelijkenissen sprak, zo sprak Hij soms ook bij bepaalde gebeurtenissen met weinig woorden in gelijkenissen. Hier gaat het over een vijgenboom die geen vrucht draagt, die hiervoor gestraft wordt en nu een boodschap uitdraagt. Natuurlijk is de Heer niet iemand die iedere boom die geen vrucht draagt laat verdorren. Het ging erom, dat de Joden een les leerden.
Een les voor Israël
De vijgenboom is in deze beeldende gelijkenis een beeld van het volk Israël. Hiermee bedoelen wij niet, dat wat hier over de vijgenboom verteld wordt, niet echt gebeurd zou zijn. Natuurlijk is het echt gebeurd. Het was echter meer dan zo maar een gebeurtenis. Er zat een les, een boodschap in de gebeurtenissen. Zo ook lezen wij iets verder in Mattheüs 21 over een wijngaard, die ook het beeld is van het volk Israël. De les die de Here Jezus Zelf daarna uitsprak was deze: "Daarom, Ik zeg u, dat het Koninkrijk Gods van u zal weggenomen worden en het zal gegeven worden aan een volk, dat de vruchten daarvan opbrengt." (Mattheüs 21:43) Deze uitspraak geldt zowel de gelijkenis van de wijngaard als de gelijkenis van de vijgenboom.
De berg in de zee laten verdwijnen
Aan de gebeurtenissen van de vijgenboom is een conclusie verbonden: een berg in de zee laten verdwijnen. De logische gedachte is, dat hier gezegd wordt, dat als wij in geloof een gebed uitspreken, wij een berg in de zee kunnen laten verdwijnen. Is dat de bedoeling van deze woorden?
De vraag kan gesteld worden: hoe zit het met gebed en geloof? De Here Jezus zei immers eens: "Voorwaar, Ik zeg u, indien gij geloof hebt en niet twijfelt, zult gij niet alleen doen wat met de vijgenboom is gebeurd, maar zelfs indien gij tot deze berg zegt: hef u op en werp u in de zee, het zal geschieden. En al wat gij in het gebed gelovig vragen zult, zult gij ontvangen." (Mattheüs 21:20,21) De vraag is: "Heeft de Heer dit letterlijk bedoeld, of was dit beeldspraak?"
a) Meestal wordt gedacht, dat het letterlijk bedoeld is voor de christenen. Men heeft geen idee, dat het voor Israël bedoeld zou kunnen zijn en te maken zou kunnen hebben met de komst van het aardse koninkrijk, waarin de Here Jezus als Koning over Israël zal regeren. Men denkt, dat dit tot de christenen gezegd is. Een probleem is dan echter, dat er tot op heden niemand onder de gelovigen geweest is, ook bijvoorbeeld Petrus en Paulus niet, die dit ooit hebben kunnen doen. Ja, zelfs de Heer zelf heeft nooit een berg in de zee geworpen. Als het echt de bedoeling geweest is, dat dit letterlijk uitgevoerd zou worden, waarom is het dan nooit gebeurd?
Als dit letterlijk bedoeld zou zijn, hoe valt het dan te rijmen met de heilige ernst van de Here Jezus? Wat heeft het voor zin om een berg te verplaatsen of om hem in de zee te laten verdwijnen? Wat heeft het voor zin om een boom naar de zee te verplaatsen? Als dat echt zo belangrijk zou zijn, waarom hebben de apostelen dit dan niet gedaan? Als de Heer dit als voorbeeld bedoelde van andere belangrijke zaken, die als antwoord op ons gebed kunnen plaats vinden, waarom heeft hij die andere belangrijke zaken dan niet als voorbeeld genomen?
b) Het kan ook beeldspraak geweest zijn. Het was namelijk de gewoonte onder de Joden in vroeger dagen om van grote leraren, die allerlei problemen oplosten, te zeggen, dat zij bergen verplaatsten. Trouwens wij spreken soms ook over het verzetten van "bergen" werk. Zo bezien ligt het voor de hand om hier te denken aan beeldspraak of een gelijkenis.
De berg die hier bedoeld wordt, zo wordt algemeen aangenomen, is de Olijfberg en de zee is de Dode Zee. De Dode Zee is namelijk dichterbij Jeruzalem dan de Middellandse Zee. Gezien het feit, wat in de profetie over de Olijfberg gezegd wordt i.v.m. de periode van de grote verdrukking, namelijk dat hij middendoor zal splijten (Zacharia 14:4), lijkt het niet voor de hand te liggen, dat het de bedoeling van de Heer is, dat hij ook nog in de Dode Zee verplaatst moet worden. Wat de Heer hier zei over het verplaatsen van de berg is niet letterlijk bedoeld, maar is een beeld van wat er allemaal zou kunnen gebeuren, als je met zon groot geloof zou bidden.
Wij hebben hier een uitdrukking, die later ook door de apostel Paulus gebruikt zal worden: "Al ware het, dat ik profetische gaven had, en alle geheimenissen en alles, wat te weten is, wist, en al het geloof had, zodat ik bergen verzette, maar ik had de liefde niet, ik ware niets." (1 Corinthe 13:2) Wat bedoelt Paulus, als hij het heeft over "bergen verzetten"? De rabbijnen spraken over "oker hariem", een berg van zijn plaats verzetten. Het was een spreekwoord, dat betekende, dat je het bijna onmogelijke deed of wilde doen. Zo ook spraken de rabbijnen over het verplaatsen van een boom, zoals Lucas 17:6 vertelt, dat de Here Jezus dit ook deed. "De Here zei: Indien gij een geloof hadt als een mosterdzaad, gij zoudt tot deze moerbeiboom zeggen: Word ontworteld en in de zee geplant, en hij zou u gehoorzamen.
De boodschap van de Heer is, dat als je gelooft, je mag weten, dat voor God niets onmogelijk is en dat je zelf bergen kunt verzetten, omdat Hij je kracht geeft. Het is dezelfde uitdrukking als wat wij soms zeggen: "Ik kan bergen verzetten." In vertrouwen op God, kunnen wij het bijna onmogelijke aan. De apostel Paulus schrijft: "Ik vermag alle dingen in Hem, die mij kracht geeft." (Philippenzen 4:13) Dat heeft de Heer hier met andere woorden ons willen leren. Wij zijn geen arme onkundige gelovigen. Wij mogen leven met Christus kracht. In onze zwakheid wordt Zijn kracht openbaar.
We moeten heilig zijn .
"Leid een leven dat in alle opzichten heilig is, zoals Hij die u geroepen heeft heilig is. Er staat immers geschreven: 'Wees heilig, want Ik ben heilig.'" (1 Petrus 1:15,16)
Deze woorden betekenen dat God tegen ons zegt, dat wij moeten zijn zoals Hij is; wij moeten net zo heilig zijn als Hij is, wij moeten op dezelfde manier heilig zijn als Hij is. Wij mogen niet minder heilig zijn dan Hij is en wij moeten niet proberen op een andere manier heilig te zijn dan Hij is.
Wat is heiligheid? De betekenis van het woord "heilig"
Velen denken, dat met heilig bedoeld wordt dat je zonder zonden bent. Dat is ook een vorm van heilig zijn, maar dat wordt hier niet bedoeld. Natuurlijk is God zonder zonden. Er wordt hier echter niet gedacht aan het feit dat God zonder zonden is. Het gaat om iets geheel anders. Om te begrijpen wat met deze woorden bedoeld wordt, moeten wij weten, aan wie deze woorden in eerste instantie geschreven waren. In het eerste vers van dit hoofdstuk lezen wij, dat de brief geschreven is aan mensen die als vreemdelingen in Pontus, Galatië, Kappadocië, Asia en Bitynië verblijven. Dit zijn dezelfde landen als de landen die in Handelingen 2 genoemd worden. Hier woonden veel Joden als vreemdelingen. Het Griekse woord vertelt, dat ze in de diaspora verbleven. Tevens worden zij "uitverkorenen" genoemd, wat duidelijk maakt, dat de brief niet geschreven is aan christenen uit de heidenen, maar aan christenen uit de Joden. De brief is geschreven aan mensen die goed op de hoogte zijn van de Joodse leer. Zij kennen de opdracht om heilig te zijn vanuit het Oude Testament (o.a. Leviticus 19:2) en weten wat dit betekent.
Het woord heilig is in het Hebreeuws kadosh. Het betekent heilig in de zin van apart gesteld, afgezonderd van het een en toegewijd aan het ander en daardoor op een bijzonder niveau: het niveau van heilig.
Van oudsher hebben de rabbijnen nagedacht over de vraag hoe een mens heilig kan leven. Zij meenden, dat kadosh (heilig) te maken had met peroesjim (afzondering). Het Hebreeuwse woord voor afzondering betekent echter niet, dat je gescheiden van de wereld, van de andere mensen, moet gaan leven. Het gaat erom, dat je het verschil weet tussen dat wat van God is en aan God toegewijd is en dat wat bij het gewone menselijke leven behoort. De rabbijnen zagen dit al in de schepping.
Alleen de mens kan heilig zijn
De mens is iets bijzonders in de schepping. Hij heeft bij Zijn schepping iets heel bijzonders van God meegekregen. Bij de wedergeboorte heeft de mens dit opnieuw ontvangen, zoals 2 Petrus 1:4 ons laat weten: de Goddelijke natuur.
Toen God de mens schiep, maakte Hij hem tot iets bijzonders. In vijf dagen schiep God allerlei wezens en zaken, die geen van alle Zijn beeld en gelijkenis waren en die geen van alle het niveau van de Goddelijke heiligheid konden bereiken. De aarde, de zon en de maan waren geroepen en bestemd om hun rondjes te draaien en zij konden daarvan niet afwijken. De bomen, de planten en de bloemen waren bestemd om op een vaste plaats te groeien en te bloeien en zij konden niet als aarde, zon en maan een rondje draaien. Het water kan stromen, tot ijs worden of verdampen, maar het kan zich niet vermenigvuldigen zoals de planten, de bloemen en de dieren. Vervolgens schiep God de dieren. Zij kunnen zich verplaatsen, zij kunnen zich vermenigvuldigen, maar ze kunnen zich niet ontwikkelen. Terwijl de mens steeds meer kennis kan vergaren, kan een dier dit niet. De vogel bouwt zijn nest op dezelfde manier zoals hij dit duizenden jaren geleden deed.
Op de zesde dag schiep God de mens, een heel uniek wezen. Het meest wonderlijke is, dat hij geschapen is naar het beeld en de gelijkenis van God. Er is geen plant of dier opgeroepen om zichzelf te heiligen, want dat kan hij niet. Maar de mens kan zichzelf heiligen. Hij kan zijn eigen leven onder controle houden en over zichzelf heersen, net zoals God over de wereld heerst.
Zo kan de mens met de andere mensen een koninkrijk van priesters vormen, priesters voor God. Deze opdracht kregen eerst de Israëlieten (Exodus 19:5,6) en later de volgelingen van de Here Jezus (1 Petrus 2:9).
God is heilig
God is almachtig en absoluut heilig. Toch houdt Hij contact met de wereld die in het boze ligt. God is niet vermengd met de wereld. Hij laat de wereld echter niet los. Zo dienen ook wij als heiligen te leven in de wereld, terwijl wij weten, dat wij niet van de wereld zijn. Het is nog opmerkelijker: God vult met Zijn heerlijkheid in zekere zin het ganse heelal, de wereld dus, terwijl Hij toch geen deel uit maakt van de wereld. Hij is heilig, Hij is afgezonderd. Zo moeten ook wij de wereld vullen met Gods heerlijkheid, terwijl wij tevens ons niet moeten vermengen met de wereld. Wij mogen ons niet los maken van de wereld, ons niet isoleren, ons niet verheffen boven de wereld. Wij mogen de wereld niet links laten liggen. Nee, wij krijgen juist opdracht om onze naaste lief te hebben als onszelf. Wij mogen niet als kluizenaars leven. Wij mogen ons niet in kloosters van de wereld afzonderen.
Abraham leefde als een heilige
Het grote voorbeeld van een heilig leven vinden wij bij Abraham. Hij leefde in een heidense wereld. Hij sprak met de mensen van de wereld. Hij had contact met hen en deed zaken met hen. En toch liet hij juist in zijn levenswandel zien, dat hij anders was, dat hij een andere God liefhad en diende dan zij deden. Hij zonderde zich echter niet af van de mensen om hem heen, maar had hen lief en zorgde voor hen. Zo sterk zelfs, dat hij voor hen oorlog voerde (Genesis 14).
De volgende tekst laat zien, dat heiliging verkregen wordt door gehoorzaam te zijn aan Gods opdrachten. "Heiligt u dan, en weest heilig, want Ik ben de HERE, uw God. Zo zult gij mijn inzettingen nauwgezet in acht nemen; Ik ben de HERE, die u heilig." (Leviticus 20:7,8) "Zorg ervoor dat jullie heilig zijn, en blijf heilig, want ik ben de HEER, jullie God. Houd je aan mijn bepalingen en leef ze na; ik ben de HEER, ik heilig jullie." (NBV) Het gaat hierbij om het feit, dat wij God moeten liefhebben boven alles en onze naaste als onszelf.
God heiligen naar je naaste
Wat betekent het dat je je naaste liefhebt? Het betekent dat je hem al zijn bezittingen gunt, dat je niet jaloers op hem bent en dat je probeert het leven fijn en aangenaam voor hem te maken. Een bijzonder voorbeeld zien wij bij Jonathan. Hij wist, dat David zijn plaats als koning over Israël zou innemen (zie 1 Samuel 23:17). Toch was hij niet jaloers op David en bleef hij zijn vriend! Ja, hij had hem lief als zijn eigen ziel, zoals het in het Hebreeuws staat in 1 Samuel 20:17).
Het is droevig om te moeten constateren, dat de meeste Joden veel en veel meer ernst maken met de uitwerking van deze heiliging, dan de meeste christenen doen. De heiliging moet gebracht worden op het niveau van Gods heiligheid, want Hij zei: "Weest heilig, want Ik ben heilig."
Hoe toonde God, dat Hij "de naaste onder de mensen" liefhad? De rabbijnen wijzen op enkele belangrijke zaken: Toen Adam en Eva in het paradijs geen kleding hadden, schonk God hun kleding. Hij zorgde voor de behoeftigen. Toen Abraham (na de besnijdenis) ziek was, zocht God hem op. God deed aan ziekenbezoek. Toen Izaak treurde vanwege de dood van zijn moeder, kwam God en troostte hem. God zorgde zelfs voor een vrouw voor Izaak. Toen Mozes dood was, werd hij door God begraven.
Leef als een heilige!
Dit zijn zaken, die wij ook moeten doen. Wilt u heilig zijn? Bezoek dan eens een zieke! Help mensen die hulp nodig hebben. Zorg dat u er bij bent als mensen blij of bedroefd zijn. Kom door uw aanwezigheid troost brengen als er gelegenheid is om te condoleren. Probeer aanwezig te zijn in de dienst die gehouden wordt voorafgaande aan de begrafenis. Probeer mee te gaan naar het graf. Kom in een huwelijksdienst als dit mogelijk is. Ga naar de receptie om het bruidspaar te feliciteren. Doe wat de Bijbel zegt: Heb je naaste lief als je zelf. Wees blij met hen die blij zijn en toon je verbondenheid met hen die bedroefd zijn. Vraag uzelf af hoe u het zou vinden, als u een geliefde moest begraven, en uw vrienden u niet kwamen troosten op het condoleancebezoek. Vraag uzelf af hoe u het zou vinden, als u een blij moment had en uw vrienden u niet kwamen feliciteren, terwijl u hen toch uitgenodigd had.
Het is meer. Roddel niet over anderen. Roddelen is niet alleen praten over iets dat niet waar is, het is ook praten over iets dat wel waar is. Hoe zou u het vinden als er over u gepraat zou worden, zoals u misschien over anderen praat? Heb anderen lief, zoals u zo graag wilt, dat zij u liefhebben.
Bekritiseer anderen niet. Het is zo makkelijk om van een ander te zeggen dat hij fout is en waarin hij fout is. Wij weten echter nooit alle achtergronden en redenen. Lever geen kritiek. Laat zien, dat de Here Jezus de Koning van uw hart is!
Een bijzondere tekst en uitleg
Psalm 121:5 zegt heel mooi: "De HERE is uw Bewaarder, de HERE is uw schaduw aan uw rechterhand." "De HEER is je wachter, de HEER is de schaduw aan je rechterhand." (NBV) Dit is een regel uit een Hebreeuws "gedicht". In een Hebreeuws gedicht heeft de tweede regel te maken met de eerste regel. Hij kan de eerste regel verduidelijken, aanvullen, het tegenovergestelde zeggen. Hier wil het zeggen, dat in de tweede regel duidelijk gemaakt wordt hoe de HEER ons bewaart. Hij doet dit door onze schaduw te zijn.
Dit betekent het volgende. Het betekent, dat de Heer altijd met je meegaat, net zoals je schaduw altijd bij je is. De rabbijnen wijzen erop, dat zoals een schaduw precies hetzelfde doet als wat wij doen, zo God ook precies hetzelfde doet als wat wij doen. Zoals wij met anderen omgaan, zo gaat God met ons om. Zoals wij anderen behandelen, zo behandelt God ons. Als u liefde uitdeelt aan anderen, kan God u vullen met Zijn liefde. Als u op de een of andere manier liefdeloos bent tegen anderen, kan God u Zijn liefde niet schenken.
Enkele teksten
1. De heiliging heeft te maken met het feit, dat de geheiligden God toebehoren. "Weest Mij heilig, want heilig ben Ik, de HERE, en Ik heb u afgezonderd van de volken, opdat gij Mij zoudt toebehoren." (Leviticus 20:26) Dit geldt zowel Israël als de Gemeente. "U bent een uitverkoren geslacht, een koninkrijk van priesters, een heilige natie, een volk dat God zich verworven heeft om de grote daden te verkondigen van Hem die u uit de duisternis heeft geroepen naar zijn wonderbaarlijke licht." (1 Petrus 2:9)
Juist in het gedeelte van 1 Petrus waar over de heiliging gesproken wordt, gaat het ook over onze redding. Wij moeten onze redding zichtbaar maken in een leven van heiliging. Zo begint in het Oude Testament ook het spreken over heiliging: "Want Ik ben de HERE, die u uit het land Egypte heb doen trekken, om u tot een God te zijn; weest heilig, want Ik ben heilig." (Leviticus 11:45) In het 44e vers wordt zelfs gezegd, dat je jezelf niet moet verontreinigen, dat is ontheiligen, door allerlei kleine zaken!
2. De heiliging heeft te maken met het feit, dat God bij Zijn volk woont. In verband met de tempel in het komende Messiaanse rijk: "Ik zal met hen een verbond des vredes sluiten, een eeuwig verbond met hen zal het zijn; Ik zal hun een plaats geven, hen vermeerderen en mijn heiligdom voor eeuwig te midden van hen stellen. Mijn woning zal bij hen zijn; Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn. En de volken zullen weten, dat Ik, de HERE, het ben die Israël heilig, doordat mijn heiligdom voor eeuwig te midden van hen staat." (Ezechiel 37:26-28) "Ik sluit met hen een vredesverbond, een verbond dat eeuwig zal duren. Ik zal hun een vaste woonplaats geven en hen talrijk maken; mijn heiligdom zal voor altijd in hun midden staan. Bij hen zal ik wonen; ik zal hun God zijn en zij zullen mijn volk zijn. En de volken zullen beseffen dat ik, de HEER, Israël heilig doordat mijn heiligdom voor altijd in hun midden is." (NBV)
Zo woonde God eerst door middel van de tabernakel bij het volk Israël in de woestijn. Later door middel van de tempel. Nu woont Hij door middel van de Heilige Geest die ons als Zijn tempel verkozen heeft, ook in ons midden.
3. De heiliging behoort bij het normale christenleven. "Daar wij nu deze beloften bezitten, geliefden, laten wij ons reinigen van alle bezoedeling des vlezes en des geestes, en zo onze heiligheid volmaken in de vreze Gods." (2 Corinthe 7:1) "Omdat ons deze beloften zijn gegeven, geliefde broeders en zusters, moeten we onszelf reinigen van alle lichamelijke en geestelijke smetten en vol ontzag voor God ons hele leven heiligen." (NBV)
4. Zonder heiliging zul je eens "schade lijden". "Jaagt naar vrede met allen en naar de heiliging, zonder welke niemand de Here zal zien." (Hebreeën 12:14) "Streef ernaar in vrede te leven met allen en leid een heilig leven; wie dat niet doet zal de Heer niet zien."
Hier kan de vraag gesteld worden wanneer mensen die geen geheiligd leven hebben de Heer niet zullen zien. Wordt er bedoeld dat zij in het leven op aarde het zicht op de Heer kwijt zijn, of wordt bedoeld, dat zij straks in de hemel Hem niet zullen zien? Wordt bedoeld, dat zij wel behouden zullen zijn, maar Hem in de hemel niet zullen ontmoeten? Wordt hier verwezen naar het schade lijden in de hemel, terwijl men toch behouden is, zoals Paulus dit schrijft in 1 Corinthe 3:14,15?
Het antwoord op deze vraag wordt niet gegeven. Dat kan ons een verkeerd gevoel van gerustheid geven. Het kan ons ook aansporen om met meer gerichtheid ons te werpen op een geheiligd leven. Moge dit laatste bij ons allen het geval zijn!
Ruth ontmoet Boaz op de dorsvloer.
Wanneer? Aan het eind van de gerstenoogst. Drie maanden na het begin van het aren lezen en van het begin van hoofdstuk 2.
Het werk op de dorsvloer Het werk op het land ging als volgt: Eerst ploegen, dan zaaien, vervolgens als de oogst rijp was: maaien. Dit werk werd door de knechten gedaan.
Hierna: dorsen (slaan van de halmen) en wannen (in de wind omhoog werpen) werd door de eigenaar gedaan. Bij het wannen werd alles wat na het dorsen op de dorsvloer lag omhoog geworpen, waarbij het lichte kaf met de wind weggeblazen werd en de zwaardere korrels terugvielen op de dorsvloer en daar op een hoop bleven liggen. Dit werk werd aangevangen in de namiddag rond 4-5 uur, als de wind ging waaien. Hierna bleef de eigenaar op de dorsvloer liggen bij zijn opbrengst om die te bewaken tegen dieven. Ook in het heilige land leefden dieven!
N.B. De dorsvloer lag natuurlijk niet in de stad, maar op het land waar gezaaid en gemaaid was. Terwijl de stad Bethlehem trapsgewijs op en tegen twee heuvels gebouwd was, lag het land in de laagte en moesten Boaz en Ruth dus afdalen om op het veld en bij de dorsvloer te komen.
Boaz is losser Het Hebreeuwse woord voor losser is goël, afgeleid vn het werkwoord gaäl, dat terugkopen, bevrijden betekent. De taak van een losser was tweevoudig:
1. De losser kon een stuk land van een familielid terugkopen, als dit familielid in tijden van armoede zijn land verkocht had. (Leviticus 25:23-28; :25)
De gedachte achter deze regel was, dat het land in feite van God Zelf was (Leviticus 25:23) en dat Hij het aan bepaalde mensen in bruikleen had afgestaan. Het bleef van God en moest in handen blijven van hen die Hij uitgekozen had. Deze regel geldt in feite niet alleen een deel van het land dat in handen van een eigenaar is; het geldt ook voor het land in zijn geheel. Land mocht daarom niet aan niet-Joden verkocht worden. Dat zullen we ons ook in onze tijd moeten realiseren!
2. De losser kon een familielid die zich uit armoede als slaaf verkocht had, terugkopen en dus vrij kopen. (Leviticus 25:47-49)
3. De losser fungeerde als bloedwreker als iemand uit de familie vermoord was.
In de taak van de losser zien wij later de betekenis van de Here Jezus terug.
Verschil tussen losser en leviraatshuwelijk Er is verschil tussen een losser en de man die een leviraatshuwelijk (het zwagerhuwelijk) sluit.
Een losser is een man die land dat uit de familie verkocht is, terugkoopt in de familie, of een familielid die zichzelf als slaaf verkocht heeft, vrijkoopt.
Een man die een zwagerhuwelijk sluit, is de broer van de overledene, die als zijn schoonzus geen kinderen heeft, ook met zijn schoonzus trouwt, waarna het eerste kind op naam komt van de overleden eerste man van die vrouw. In onze geschiedenis zou het dus gekund hebben, dat bijvoorbeeld Machlon als eerste gestorven was, waarna Kiljon met Ruth getrouwd zou zijn. Of die twee ook echt met elkaar getrouwd geweest zijn, vertelt de Bijbel niet. Maar die situatie schetst het beeld van het verplichte zwagerhuwelijk. Zie hiervoor Deuteronomium 25:5-10.
Boaz is echter geen broer van Machlon en Kiljon en hij komt dus niet in aanmerking voor het zwagerhuwelijk. Hij is wel een familielid en hij komt dus in aanmerking om het vroegere land van Elimelech te kopen en het aan Naomi terug te geven.
Terwijl Boaz verplicht is het land terug te kopen, is hij niet verplicht Ruth te trouwen. Mogelijk was het in Israël in die tijd de gewoonte, dat als je het land lostte, je ook de weduwe-zonder-kinderen tot vrouw erbij nam. Mogelijk ook stuurden Naomi en Ruth er gewoon op aan dat Boaz dit zou doen. Het vreemde is, dat ze Boaz niet vragen om het land te lossen, maar dat ze het meteen op een huwelijk uit sturen.
We zien: God is aan het werk en Hij bewandelt ongebruikelijke paden. Maar Naomi, Ruth en Boaz zien het klaarblijkelijk allemaal als de hand van de Heer en ze werken mee!
Een probleem voor Naomi De drie maanden waarin Ruth niet met een Jood mocht trouwen waren voorbij en nu werd het tijd dat Boaz als familielid Ruth ten huwelijk zou vragen. Maar Boaz vroeg niets! Komt nu het einde van het contact met Boaz en moet Ruth nu ergens gaan bedelen en moet ze volgend jaar naar het veld van Boaz terugkeren?
Naomi komt met een plan. Als Boaz geen aanstalten maakt, dan moeten zij en Ruth dit maar doen. Is het niet langs de ene weg, dan maar langs de andere, als Boaz en Ruth maar trouwen!
Naomi wil een thuis zoeken voor Ruth. Het is de vertaling van het Hebreeuwse woord menoech, dat ook rust betekent. Het komt van manoach, dat rustplaats, tot rust komen, rust, zekerheid betekent. Rabbi Shmuel Yerushalmi wijst erop, dat het woord manoach hier ook wijst op de vrucht van dit huwelijk: Menachem, Trooster, één van de namen van de Messias. Het is ook één van de namen die de Here Jezus op Zichzelf toepaste, toen Hij zei, dat Hij een andere Trooster zou zenden. Hijzelf was de eerste Trooster, de Heilige Geest zou de andere Trooster zijn.
Opdrachten voor Ruth (:2,3) 1. Baad je Was het oude leven van je af. Breek nu voor het laatst en volkomen met het verleden. Er wordt niet een gewoon bad bedoeld, maar een ritueel bad; een onderdompeling in het mikwe, het reinigingswater.
2. Zalf je Dat is: heilig je.
3. Kleed je aan, d.w.z. Doe je overkleed aan Doe je weduwenkleed uit en doe je werkkleed uit, doe je gewone kleren uit en doe je feestkleding aan. Laat zien, dat je de bruid wilt zijn. Maak je gereed voor het feest.
Rabbijnen wijzen erop, dat Ruth haar sabbatskleed moest aantrekken.
N.B. Naomi zegt (:4) Hij zal je vertellen wat je moet doen. Wie is die hij? Het lijkt logisch, dat hiermee Boaz bedoeld wordt. Besuras Eliyahu meent echter, dat hiermee God Zelf bedoeld wordt. Als Ruth niet weet wat ze moet doen of moet zeggen, zo laat Naomi haar weten, dan zal God wel in haar nood voorzien en haar vertellen wat ze doen moet.
Het feest gaat beginnen. Boaz weet nog van niets, maar voor Naomi en Ruth is het feest al begonnen. Dat is geloof! Dat is leven uit je geloof!
Boaz schrok (:8) Boaz at en dronk, voelde zich voldaan, en legde zich te slapen tegen een hoop gerst. (:7) NBG: Toen nu Boaz gegeten en gedronken had en zijn hart vrolijk was, kwam hij om zich neer te leggen aan het uiteinde van de korenhoop. NB: Boaz eet en drinkt en doet zijn hart tegoed. Letterlijk: Zijn hart voelde goed. Dat wil zeggen: Hij was blij in zijn hart. Dit verwijst naar de volgende woorden: Wanneer u daar in overvloed leeft, dank de HEER, uw God, dan voor het goede land dat hij u gegeven heeft. NBG: Gij zult eten en verzadigd worden en de HERE, uw God, prijzen om het goede land dat Hij u gaf. (Deuteronomium 8:10) Deze tekst zegt, dat als je gegeten en gedronken hebt, je na de maaltijd de Heer moet danken. Dat is precies wat Boaz hier op de dorsvloer deed.
Midden in de nacht schrok hij wakker (:8). Drie keer in het OT lezen wij, dat er iets midden in de nacht, om middernacht, plaats vond. 1. De Here doodde alle eerstgeborenen van Egypte (Exodus 12:29),
2. Simsom stond op en nam de poortdeuren op zijn schouders (Richteren 16:3) en
3. Boaz schrok wakker. Hij werd wakker en hij schrok. Het is niet wat wij in onze taal zeggen: Wakker schrikken, maar wakker worden en hevig schrikken. Luther vertaalt terecht, dat de man beefde. NB: Het geschiedt halverwege de nacht dat de man begint te rillen en om zich heen grijpt.
Om de schrik van Boaz goed te kunnen begrijpen, moet u zich in gedachten even verplaatsen in het leven van de mensen in oude tijden. In de nacht is het er aardedonker. Je kunt geen hand voor ogen zien. Waarvoor waren zij bang? Voor boze geesten en nachtspoken. Dat ziet u ook in de geschiedenis als de Here Jezus over het water wandelt, dan denken de discipelen dat zij een spook zien. En na de opstanding van de Heer Jezus moest Hij nadrukkelijk zeggen, dat Hij geen geest was.
Zeer waarschijnlijk heeft Boaz gedacht dat er een nachtspook bij zijn voeten zat. (Ibn Ezra)
Ruth op de dorsvloer Aan het eind van de dag, als Boaz het werk gereed heeft, gegeten en gedronken heeft, als het dus donker is, komt Ruth op de dorsvloer. Omstreeks 18.00 uur wordt het in Israël nl. donker. De schemer duurt ongeveer een half uur, zodat het binnen een halfuur donker is.
1. Onder de deken van Boaz. Dit heeft symbolische betekenis: ik wil je vrouw worden.
2. Aan het voeteneind van Boaz. Ook dit heeft symbolische betekenis: al wil ik je vrouw zijn, ik ben het nog niet. Zo maakt zij Boaz duidelijk, dat hij handelend moet optreden. Er moet getrouwd worden.
3. Ruth vraagt: Wilt u mij bij u nemen, letterlijk: Spreid uw vleugel... (:9) Dit is een beeld uit de wereld van de vogels.
1. Zoals een vogel die uit het nest gevallen is, hulp nodig heeft, zo komt Ruth als een buiten het nest gevallen vogeltje bij Boaz om hulp.
2. Zoals het kuiken onder de kip schuilt en de ene vogel bij het paren zijn vleugels uitspreidt over de andere vogel, zo vraagt Ruth hier of Boaz dit bij haar ook wil doen. Het is een symbool van het huwelijk (Malbim).
3. Het kan ook betekenen, zoals anderen denken (o.a. Rashi), dat zij vraagt of Boaz de hoek van zijn kleed over haar wil spreiden, als teken van het huwelijk.
Dat is: Maak mij tot uw vrouw, neem mij onder uw bescherming. N.B. Boaz ervaart wat Ruth doet niet als oneerbaar.
Wat Boaz verder doet 1. Boaz geeft Ruth een compliment. Ze is niet achter de jonge mannen aangegaan. Ze is niet gewoon uit op een huwelijk. Ze wil speciaal in de familie trouwen.
2. Pak je omslagdoek... (:15) Door deze opmerking maakt hij duidelijk, dat hij ermee instemt Ruth te trouwen. Het is nog steeds bij Arabieren de gewoonte om de hoek van een kleed over een meisje te houden als teken van het huwelijk.
Dat was geen huwelijk gebaseerd op liefde! Het was een huwelijk dat gearrangeerd was door Naomi. Boaz en Ruth beiden accepteren dit plan van Naomi.
3. Er is een losser die dichter bij de familie staat. Er is nog een broer van Elimelech. Ik ben slechts een neef. Het kan zijn dat hij bereid is om te lossen en jou te trouwen, dan kan ik er verder niets aan doen.
Ruth brengt verslag uit aan Naomi Naomi vraagt: Wie ben je, mijn dochter? (:16)
Ze kan twee dingen bedoelen: 1. Het is donker en ze kan echt niet zien wie er voor haar staat.
2. Ze weet dat het Ruth is en bedoet: Hoe staan de zaken ervoor? Ben je de bruid of is er niets veranderd? Hoe kom je terug? Wat heb je bereikt? Word je mevrouw Boaz?
Hierop vertelde de gelukkige bruid alles aan Naomi (:16).
Geloof is vertrouwen hebben Daarop zei Noömi: Blijf hier dan maar rustig wachten tot je weet hoe het afloopt, mijn dochter, want ik weet zeker dat deze man niet zal rusten voordat hij de zaak geregeld heeft. (:18)
S.V.: Toen zeide zij: Zit! (stil), mijn dochter, totdat gij weet, hoe de zaak zal vallen; want die man zal niet rusten, tenzij dat hij heden deze zaak voleind hebbe.
Geloven is: zitten en wachten! Wie dat doet, toont vertrouwen.
Profetische betekenis Naomi is beeld van Israël. Na de verstrooiing is Israël weer terug in het land.
Ruth is de toekomstige bruid van Boaz. De zegen voor Ruth komt via Naomi. Ook wij moeten weten, dat het heil uit de Joden is en dat wij alleen echte zegen via Israël kunnen ontvangen.
Spoedig zal de nacht van het wannen aanbreken. Zie: Ik doop jullie met water ten teken van jullie nieuwe leven, maar na mij komt iemand die meer vermag dan ik; ik ben zelfs niet goed genoeg om zijn sandalen voor hem te dragen. Hij zal jullie dopen met de heilige Geest en met vuur; hij houdt de wan in zijn hand, hij zal zijn dorsvloer reinigen en zijn graan in de schuur bijeenbrengen, maar het kaf zal hij verbranden in onblusbaar vuur. (Mattheus 3:11,12)
Terwijl in het Grieks staat: Ik doop u in water.... en Hij zal het kaf verbranden in het vuur, hebben bijna alle vertalingen - om de doop als besprenkeling te kunnen bevestigen: ik doop u met water ... en Hij met vuur.
Ik vond slechts één eerlijke vertaling: Ik doop u in water met het oog op bekering. Maar Hij die na mij komt, is krachtiger dan ik. Ik ben te min om Hem zijn sandalen te brengen. Hij zal u dopen in heilige Geest en vuur. De wan heeft Hij al in zijn hand, en Hij zal zijn dorsvloer opruimen; zijn graan zal Hij verzamelen in zijn schuur, maar het kaf verbranden in onblusbaar vuur. (Willibrord 95)
Het Griekse voorzetsel en komt ook voor bij de wan die hij in zijn hand heeft. Dan vertaalt men toch ook niet, dat de wan met zijn hand is.
Dan zullen de volken geoordeeld worden over hun houding die zij tegenover Israël aangenomen hebben. Kaf en koren zullen gescheiden worden. Denk hierbij ook aan Mattheus 25:31-34,41.
(Uitspraak van Jezus - Joh 14:6)
Ik ben de Weg,
de Waarheid
en het Leven.
Niemand komt bij de Vader
dan door Mij.
(Uitspraak van Jezus - Joh 14:6)
Over nu en de toekomst.
[Jezus verscheen in visioenen aan Johannes, één van Zijn leerlingen, die vanwege zijn geloof naar het Griekse eiland Patmos verbannen was.]
Ik ben de A en de Z (Grieks: Alfa en Omega), die was en is en komen zal, de Almachtige. Schrijf op wat je ziet en zend het aan de zeven gemeenten: Efeze, Smyrna, Pergamus, Thyatire, Sardis, Filadelfia en Laodicea.
(Opb.1:8-11)
[Hij zag de verheerlijkte Jezus tussen zeven gouden kandelaren met zeven sterren in zijn rechterhand en zijn gezicht straalde als de zon. Johannes viel als dood voor zijn voeten en Jezus legde Zijn hand op hem en zei:]
Wees niet bang, Ik ben de Eerste en de Laatste. Ik ben de Levende; Ik was dood en kijk, Ik leef nu voor altijd en eeuwig! En Ik heb de sleutels van de dood en het dodenrijk in Mijn bezit. Schrijf dus op wat je hebt gezien, wat nu is en wat na deze dingen nog zal gebeuren. Het geheim van de zeven sterren die je zag in Mijn rechterhand en van de zeven gouden kandelaren is dit: de zeven sterren zijn de boodschappers (engelen) van de zeven gemeenten en de zeven kandelaren zijn de zeven gemeenten zelf.
(Opb.1:12-20)
Schrijf aan de boodschapper van de gemeente in Efeze:
Dit zijn de woorden van Hem die de zeven sterren in zijn rechterhand houdt en die wandelt tussen de zeven gouden kandelaren: Ik weet wat jullie allemaal doen, het harde werken en jullie volharding. Ik weet dat jullie slechte mensen niet kunnen verdragen; dat jullie hen, die beweerden apostelen te zijn, op hun betrouwbaarheid hebben onderzocht; en ontdekt hebben dat ze oplichters zijn. Jullie hebben volgehouden en hebben veel moeilijke dingen doorstaan vanwege Mijn naam en jullie zijn niet bij de pakken neer gaan zitten. Maar Ik heb dit tegen jullie: jullie hebben je eerste liefde (voor Mij) verloren. Bedenk eens van welke hoogte jullie teruggevallen zijn. Bekeer je en doe de dingen die jullie eerst deden. Als jullie niet anders gaan leven, zal Ik komen en jullie kandelaar van zijn plaats verwijderen. Maar dit is in jullie voordeel: jullie hebben een hekel aan de praktijken van de Nicolaiten (hoogst waarschijnlijk een groep gnostici), waar Ik ook een hekel aan heb. Laat hij die oren heeft, luisteren naar wat de Geest tot de gemeenten zegt. Aan hem die overwint, zal Ik het recht geven om te eten van de boom van het Leven, die in de tuin van God staat.
(Opb.2:1-7)
Schrijf aan de boodschapper van de gemeente in Smyrna:
Dit zijn de woorden van Hem die de Eerste en de Laatste is, die dood was en weer tot leven gekomen is. Ik weet van jullie grote moeilijkheden en armoede, maar jullie zijn rijk! Ik weet van de laster van hen die beweren Joden te zijn, maar het niet zijn. Zij zijn van de synagoge van satan (de aanklager). Wees niet bang voor het lijden dat je binnenkort door gaat maken. Ik zal je zeggen: de aanklager (satan) zal sommigen van jullie in de gevangenis zetten om jullie te beproeven, en jullie zullen tien dagen van vervolging doormaken. Wees trouw, zelfs tot in de dood; en Ik zal jullie de kroon van het Leven geven. Laat hij die oren heeft, luisteren naar wat de Geest tot de gemeenten zegt. Hij die overwint zal geen schade ondervinden van de tweede dood. (De eerste dood is die van het lichaam, de tweede dood is die van de ziel.)
(Opb.2:8-11)
Schrijf aan de boodschapper van de gemeente in Pergamus:
Dit zijn de woorden van Hem die het scherpe, tweesnijdende zwaard heeft. Ik weet waar jullie wonen waar satan zijn troon heeft. Maar jullie blijven trouw aan Mij (Mijn naam). Jullie hebben het geloof in Mij niet afgezworen, zelfs niet in de dagen van Antipas, die ter dood gebracht werd in jullie stad waar satan woont. Toch heb Ik een paar dingen tegen jullie: er zijn mensen onder jullie die de leer van Biliam aanhangen, die Balak vertelde dat hij de kinderen van Israël moest verleiden met het eten van voedsel dat aan afgoden geofferd was en door het plegen van seksuele immoraliteit. En er zijn bij jullie ook mensen die de leer van de Nicolaiten aanhangen. Bekeer je dus! Anders zal Ik snel komen en tegen ze vechten met het zwaard dat in Mijn mond is. Laat hij die oren heeft, luisteren naar wat de Geest tot de gemeenten zegt. Hij die overwint, zal Ik iets van het verborgen manna geven. Ik zal hem ook een witte steen geven met een nieuwe naam erop die alleen bekend is bij degene die hem ontvangt.
(Opb.2:12-17)
Schrijf aan de boodschapper van de gemeente in Thyatire:
Dit zijn de woorden van de Zoon van God, die ogen heeft als een fel oplaaiend vuur en die voeten heeft als gepolijst brons. Ik weet wat jullie allemaal doen, jullie liefde en geloof (vertrouwen), jullie hulpvaardigheid en volharding; en dat jullie nu meer doen dan eerst. Toch heb Ik dit tegen jullie: die vrouw Izebel wordt bij jullie toegelaten; zij noemt zichzelf een profetes. Door haar onderwijs verleidt ze Mijn dienaren tot immoreel seksueel gedrag en het eten van voedsel dat aan afgoden geofferd is. Ik heb haar de tijd gegeven om zich te bekeren van haar immoraliteit, maar ze wil niet. Dus zal Ik haar op een lijdensbed gooien en Ik zal hen die overspel met haar plegen intens laten lijden, tenzij ze zich bekeren van haar wegen. Ik zal haar kinderen doodslaan. Dan zullen alle gemeenten weten dat Ik Degene ben die de harten en gedachten onderzoekt; en Ik zal elk van jullie belonen voor wat je gedaan hebt. Nu zeg Ik tegen de rest van jullie in Thyatire, aan jullie die niet vasthouden aan haar onderwijs en niet de zogenaamde diepe geheimen van satan hebben leren kennen. Ik zal jullie geen andere last opleggen dan deze: houd enkel vast aan wat je hebt, totdat Ik kom. Aan hem die overwint en Mijn wil doet, tot het einde, zal Ik autoriteit geven over de volken Hij zal over ze heersen met een ijzeren scepter; hij zal ze in stukken slaan als aardewerk. (Psalm 2:9) net zoals Ik autoriteit gekregen heb van Mijn Vader. Ik zal hem ook de morgenster geven. Laat hij die oren heeft, luisteren naar wat de Geest tot de gemeenten zegt.
(Opb.2:18-29)
Schrijf aan de boodschapper van de gemeente in Sardis:
Dit zijn de woorden van Hem die de zeven geesten (of zevenvoudige Geest) van God en de zeven sterren vasthoudt. Ik weet wat jullie allemaal doen; jullie hebben de reputatie dat je leeft, maar jullie zijn dood. Word wakker! Versterk wat nog over is en op het punt staat te sterven, want Ik heb ontdekt dat jullie daden niet volmaakt/compleet zijn in de ogen van Mijn God. Herinner je daarom het onderwijs dat jullie ontvangen en gehoord hebben; wees er gehoorzaam aan en bekeer je. Maar als jullie niet wakker worden, zal Ik komen als een dief en je zult niet weten wanneer Ik bij jullie kom. Maar er zijn een paar mensen in Sardis die hun kleren niet bevuild hebben. Zij zullen met Mij wandelen, gekleed in het wit, want zij zijn het waard. Hij die overwint zal, net als zij, in het wit gekleed worden. Ik zal zijn naam nooit uit het boek van het leven wissen, maar Ik zal zijn naam voor Mijn Vader en Zijn engelen erkennen. Laat hij die oren heeft, luisteren naar wat de Geest tot de gemeenten zegt.
(Opb.3:1-6)
Schrijf aan de boodschapper van de gemeente in Filadelfia:
Dit zijn de woorden van Hem die Heilig en waarachtig is, Die de sleutel van David heeft. Wat Hij opent kan niemand meer sluiten en wat Hij sluit kan niemand meer openen. Ik weet wat jullie allemaal doen. Ik heb voor jullie een open deur geplaatst, die niemand kan sluiten. Ik weet dat jullie weinig kracht hebben, maar jullie hebben je aan Mijn woord gehouden en hebben Mijn naam niet verloochend. Ik zal hen die van de synagoge van satan zijn, die beweren Joden te zijn en het niet zijn, maar leugenaars zijn. Ik zal ze laten komen en op hun gezicht laten vallen voor jullie voeten, en hen laten erkennen dat Ik van jullie gehouden heb. Omdat jullie je aan Mijn opdracht om geduldig te volharden gehouden hebben, zal Ik jullie bewaren voor het uur van beproeving dat over de hele wereld zal komen, om hen die op aarde leven te beproeven. Ik kom spoedig, Houdt vast aan wat je hebt, zodat niemand je kroon af zal nemen. Hij die overwint zal Ik een zuil maken in de tempel van Mijn God. Hij zal daar nooit meer weg gaan. Ik zal de naam van Mijn God op hem schrijven en de naam van de stad van Mijn God, het nieuwe Jeruzalem dat uit de hemel neerdaalt van Mijn God; en Ik zal ook Mijn nieuwe naam op hem schrijven. Laat hij die oren heeft, luisteren naar wat de Geest tot de gemeenten zegt.
(Opb.3:7-13)
Schrijf aan de boodschapper van de gemeente in Laodicea:
Dit zijn de woorden van de Waarachtige, de betrouwbare getuige, de heerser van Gods schepping. Ik weet wat jullie allemaal doen en dat jullie heet noch koud zijn. Ik zou willen dat jullie heet of koud waren! Maar omdat jullie lauw zijn niet heet en niet koud sta Ik op het punt om jullie uit te braken. Jullie zeggen: Ik ben rijk. Ik heb rijkdom en ik heb verder niets nodig. Maar jullie beseffen niet dat jullie ellendig, zielig, arm, blind en naakt zijn. Ik geef jullie de goede raad om (geestelijk) goud van Mij te kopen, gelouterd in het vuur, zodat jullie rijk kunnen worden. En witte kleren om te dragen, zodat jullie je schandelijke naaktheid kunnen bedekken; en zalf om op je ogen te doen, zodat je kunt zien. Hen die Ik liefheb, bestraf Ik en disciplineer Ik. Dus wees eerlijk en bekeer je. Hier ben Ik! Ik sta aan de deur en Ik klop. Als iemand Mijn stem hoort en de deur open doet, zal Ik binnen komen en met hem eten en hij met Mij. Aan hem die overwint, zal Ik het recht geven om bij Mij te zitten op Mijn troon, net zoals Ik overwon en bij Mijn Vader op Zijn troon ging zitten. Laat hij die oren heeft, luisteren naar wat de Geest tot de gemeenten zegt.
(Opb.3:14-22)
Let op, Ik kom spoedig! Ik neem beloningen mee die Ik aan iedereen zal geven, in overeenstemming met wat hij gedaan heeft. Ik ben de A en de Z, de Eerste en de Laatste, het Begin en het Einde. Ik ben de Wortel en de Nakomeling van David en de heldere Morgenster. Ja, Ik kom spoedig.
(Opb.22:12,13,16,20)
11-10-2010
AAN ALLE LEZERS VAN DIT BLOG EEN GEZEGENDE MAANDAG.
Nelly. ( M ).
Laughing Baby.
Laughing Baby
The Miracle of Damascus: Part 2
Laat dit niet gebeuren.
Laatditnietgebeuren.
Heer , laatmealtijdweeropnieuwgeloven
datpijnenonmachtniethetlaatstewoord
hebbeninditleven.
Neembitterheidenonverdraagzaamheidvanmeweg.
Geefmeweervertrouwenindedokters.
Laatmeproberenelkedaghoopvoltegemoettezien.
Aanvaardmijnbeperkingenenmijnongeloof.
Ikbenarm , bewustvanmijnzondigheidenmijn
onmacht , maarrijkaanU.
IkweetzekerdatGijmetmijmeelijdt.
AlleswatmeoverkomtdraagikopaanU.
AlsikUwliefdenietvoelde , tastbaarvoelde ,
zouiknietkunnenleveninditleven.
Blijfmenabij , Heer.
LaatmeditlevenleidenenlijdengelijkGij
hetwilt.
Uwwilgeschiede.
Heer , wezijnmekaarheelnabij.
Ikvoelme , ondanksalles , geborgeninU.
Inogenblikkenvanpijnenellendekanik
alleenmaarvragendatditallesaanmij
voorbijzougaan.
IkdraagmijnpijnaanUoptijdenspijnlijke
onderzoeken.
Heer , waaromvoelikUinpijnlijkeen
langeurentochzonabij ?
Heer , Gijzijtdekernvanmijnwezen.
Waaromismijnlevenzomoeilijk ?
Laatmenogwatgoedejarenvoorde
opvoedingvandekinderen.
Laatmeauthentiekzijninmijnleven.
Iklegmijnleven , mijnellendeinUwhand.
Ikbenbangvoordeaftakelingvanmijnlichaam.
Laatditnietgebeuren.
ErkannietsmijnhunkernaarUstillen.
Schenkmedanrustinmoeilijkeogenblikken.
WaarkanikandersrustendaninU ?
Laatmijngeesttotrustkomenennietbezig
zijnmetdingendiemebeangstigenennog
komenmoeten.
Heer , waaromweegthetkruistochzozwaar ?
Heer , ikwilstervenmetdewoordenvan
Elisabeth : 'IkganaarhetLicht , naarhetLeven ,
naardeLiefde.'
Amen.
GodsZegen.
De Vrouwe van alle Volkeren, de Vrouw van Genesis en de Apocalyps.
De Vrouwe van alle Volkeren,
de Vrouw van Genesis en de Apocalyps
************************************************
I. Vijandschap tussen de Vrouw en de Slang
In zijn diepgaande mariale encycliek Redemptoris Mater van 25 maart 1987 stelde de Dienaar van God, paus Johannes Paulus II:
In het heilsplan van de Allerheiligste Drie-eenheid vormt het mysterie van de menswording de overvloedige vervulling van de belofte die God aan de mensen gedaan heeft na de erfzonde, na die eerste zonde waarvan de uitwerking op heel de geschiedenis van de mens op aarde drukt (vgl. Gen. 3:15). Zie, een Zoon komt ter wereld, het kroost van de vrouw dat het kwaad van de zonde in de wortel zal verslaan: Hij zal de kop van de slang verpletteren. Zoals uit de woorden van het proto-evangelie blijkt, zal de overwinning van de Zoon van de vrouw niet behaald worden zonder een zware strijd die heel de geschiedenis van de mens op aarde zal vullen. De vijandschap die in het begin is aangekondigd wordt bevestigd in de Apocalyps, het boek van de laatste gebeurtenissen van de Kerk en de wereld, waarin opnieuw het teken verschijnt van de vrouw ditmaal bekleed met de zon (Apoc. 12:1).
Maria, de Moeder van het Woord, wordt geplaatst in het centrum van die vijandschap, van die strijd waarmee de mensengeschiedenis op aarde en de heilsgeschiedenis zelf vergezeld gaan. Op die plaats draagt zij die bij de nederigen en armen van de Heer hoort, als geen andere mens de heerlijkheid van de genade in zich waarmee de Vader ons begiftigd heeft in de Geliefde, en deze genade bepaalt de buitengewone grootheid en schoonheid van heel haar wezen. Zo blijft Maria voor God en ook voor de gehele mensheid als het onveranderlijke en onschendbare teken van de uitverkiezing door God waarover Paulus in zijn Efesebrief spreekt: In Christus . . . heeft Hij ons uitverkoren vóór de grondlegging van de wereld . . . en ons voorbestemd zijn kinderen te worden (Ef. 1:4). Deze uitverkiezing is machtiger dan iedere ervaring van het kwaad en van de zonde, dan heel die vijandschap waardoor de geschiedenis van de mens getekend wordt. In deze geschiedenis blijft Maria een teken van vaste hoop.
Dank zij deze speciale band die de Moeder van Christus met de Kerk verbindt, wordt het mysterie duidelijker van de vrouw die vanaf de eerste hoofdstukken van het boek Genesis tot aan de Apocalyps de openbaring van Gods heilsplan ten opzichte van de mensheid vergezelt. Maria die als Moeder van de Verlosser aanwezig is in de Kerk, neemt inderdaad op moederlijke wijze deel aan de kolossale strijd tegen de machten van de duisternis die zich ontwikkelt gedurende heel de geschiedenis van de mensheid.
Het schijnt mij toe dat de woorden die Ida Peerdeman van 25 maart 1945 tot 31 mei 1959 ontving, gelezen en begrepen moeten worden binnen deze door de paus geschetste context. Ik geloof in feite dat alle belangrijke Mariaverschijningen die de Kerk als gelovenswaard heeft erkend sinds die van Guadalupe in 1531 de strijd weerspiegelen tussen de Vrouw en de Slang.
Laten we beginnen met Guadalupe. De bijzondere afbeelding van de Maagd, niet door mensenhanden gemaakt, toont haar staande op een zwarte maansikkel, waarin sommige geleerden de slangengod zien van de Azteken, Quetzalcoatl, aan wie jaarlijks miljoenen mensenoffers werden gebracht. Helen Behrens2, een beroemde Guadalupe-expert, geeft aan de afbeelding en aan de naam Guadalupe de volgende uitleg:
Noch bisschop Zumárraga noch enige andere Spaanse prelaat heeft kunnen uitleggen waarom [Maria] wilde dat haar beeltenis de Guadalupe was. De reden hiervan moet zijn dat ze deze term helemaal niet heeft gebruikt. Ze sprak in de lokale taal, en de combinatie van woorden die ze gebruikte moet in de oren van de Spanjaarden hebben geklonken als de Guadalupe. Het Azteekse te coatlaxopeuh heeft een vergelijkbare klank. Te betekent steen; coa betekent slang, tla is de uitgang van een zelfstandig naamwoord die als de kan worden geïnterpreteerd, en xopeuh betekent verpletteren of uitroeien. Haar kostbare afbeelding zal dus bekend worden (onder de naam van) de Volkomen Volmaakte Maagd, de Heilige Maria, en deze zal de stenen slang verpletteren, uitroeien, er een eind maken aan of vernietigen.
De Vrouw die de stenen slang verplettert heeft aantoonbaar de grootste evangelisatiebeweging in de geschiedenis van de Kerk bewerkt. Binnen zeven jaar na de verschijning aan de H. Juan Diego vroegen acht miljoen oorspronkelijke bewoners om het doopsel, waarmee een van de meest wrede en duivelse culten die de wereld heeft gekend vrijwel werd uitgeroeid.
Een andere zeer belangrijke uitbeelding van de Vrouw die de slang verplettert werd aan de H. Catherine Labouré getoond in een visioen op 27 november 1830 in de kapel van de Dochters van Liefde van de H. Vincent de Paul in de Rue du Bac in Parijs. Zij zag daar Maria zoals wij haar vandaag kennen als O.L.Vrouw van Genade of van de wonderdadige medaille, met haar voet op de kop van de slang. Vreemd genoeg wordt in geen van de geschriften van Catherine de slang vermeld, maar zoals pater Joseph I. Dirvin, C.M. schrijft:
Het is zo goed als zeker dat Catherine de details over de slang en de sterren in elk geval mondeling aan haar leidsman heeft overgebracht, want ze keurde de medaille goed waarop in het begin deze beide details waren afgebeeld. Bovendien beschreef ze in 1836, toen de kunstenaar LeCerf schilderijen aan het maken was van de verschijningen, de slang aan haar leidsman als groen met gele vlekken een nogal afschrikwekkende slang die de gevoelens van een kunstenaar beslist kon kwetsen!
Deze afbeelding van Maria, die letterlijk miljoenen malen is gereproduceerd op medailles en in de vorm van beelden en schilderijen stond bij generaties katholieken in hun ziel gegrift, en roept onmiddellijk de profetie in herinnering uit Genesis 3:15 en het beeld van de Vrouw bekleed met de zon uit hoofdstuk 12 van de Apocalyps.
Bij de verschijning van Maria in Fatima in juli 1917 zien de herderskinderen geen beeld van een slang of draak, maar een angstaanjagend visioen van het koninkrijk van de vorst der duisternis. Laten we luisteren naar Lúcias verhaal over het gebeuren:
Offer jezelf op voor de zondaars, en zeg vaak tot Jezus, vooral steeds wanneer jullie een offer brengen:
O Jezus, het is uit liefde voor U, voor de bekering van zondaars, en om de zonden tegen het Onbevlekte Hart van Maria goed te maken.
Terwijl Maria deze laatste woorden sprak, opende ze nogmaals haar handen, zoals ze dat ook de twee voorafgaande maanden had gedaan. De lichtstralen leken de aarde te doordringen en we zagen als het ware een zee van vuur. In dit vuur waren demonen geworpen en zielen in menselijke vorm, als doorzichtige brandende sintels, helemaal zwart of bronskleurig gloeiend, ronddrijvend in de vuurzee, nu eens omhoog gedreven door vlammen die samen met grote rookwolken uit henzelf naar buiten kwamen, dan weer overal in het rond als vonken in het vuur terugvallend, zonder gewicht of evenwicht, onder kreten en gekerm van pijn of wanhoop, zodat wij ontzet waren en beefden van angst. (De mensen zeiden dat ik het uit had geschreeuwd, dat moet door dit beeld zijn gekomen). De demonen waren te herkennen aan hun afschrikwekkende en afstotelijke gelijkenis met enge en onbekende dieren, zwart en transparant als brandende kolen. Doodsbang, en als om hulp te smeken, keken we op naar O.L.Vrouw, die tegen ons zei, zo vriendelijk en zo bedroefd:
Jullie hebben de hel gezien waar de zielen van de arme zondaars naar toe gaan. Om ze te redden wil God in de wereld de devotie tot mijn Onbevlekt Hart vestigen. Wanneer hetgeen ik tot jullie zeg is volvoerd, zullen veel zielen worden gered en zal er vrede zijn.
Let wel dat het middels Marias handen is dat de kinderen het visioen zien; zij heeft de macht om de verschrikkingen van de hel te laten zien omdat de hel aan haar onderworpen is.
De boodschappen aan Ida Peerdeman zijn apocalyptisch, maar van een ander genre, meer zoals het derde geheim van Fatima. Bij alle taferelen, vooral die tussen 1945 en 1950, vormt de geestelijke strijd een soort constante achtergrond. De Vrouwe zegt tot Ida: Dat is de geestelijke strijd, die over de wereld rondgaat. Die is nog erger dan de andere en ze [de wereld] wordt ondermijnd.Een andere keer ziet Ida hoe de Vrouwe haar hand boven de St. Pieter houdt en zegt: Dat zal en moet beschermd worden. Die andere geest dringt zo ontzettend door.Ook zegt ze: Gij zult dit zeggen: Christenheid, gij kent uw groot gevaar niet. Er is een geest om u te ondermijnen. Maar en zij maakt met de hand een teken van zegenen de zege is aan Ons.Er is een duidelijke toespeling op het koninkrijk der duisternis in het gebed dat de Vrouwe geeft: Laat de Heilige Geest wonen in de harten van alle volkeren, opdat zij bewaard mogen blijven voor verwording, rampen en oorlog.
De geestelijke strijd die Ida ziet is veel verraderlijker dan materiële oorlogvoering. De Vrouwe gaat daar op 28 maart 1951 nader op in:
Weet gij, kind, wat voor een tijdperk dit is? Dit tijdperk heeft de wereld in de eeuwen nog niet doorgemaakt, zon verval van geloof! ... in deze moderne tijd, in deze moderne wereld, die zo vlug en snel in het materiële weet te handelen, moet ook in het geestelijke snel, vlug en modern gehandeld worden. ...
Rome denkt nog steeds dat het sterk staat, maar het weet niet hoe het ondermijnd wordt. ... Weet gij wel dat theologie moet wijken voor de zaak van mijn Zoon?
Rome moet zijn taak kennen in deze tijd. Weet Rome wel welke vijand loert en als een slang tussen de wereld kruipt? En dan spreek ik niet alleen over het communisme; er komen nog andere profeten, valse profeten!
Wat steeds meer naar voren komt naarmate de beelden zich ontvouwen, is dat in deze geestelijke strijd een speciale rol is weggelegd voor de theologen, want het tijdperk van ware vrede in Kerk en wereld hangt af van de erkenning van de unieke rol die God aan Maria heeft gegeven. Nu de Kerk de belangrijkste waarheden over haar persoon haar Onbevlekte Ontvangenis, haar Goddelijk Moederschap, haar Eeuwige Maagdelijkheid en haar Glorieuze Tenhemelopneming heeft uitgesproken, wordt het tijd de volkomen unieke rol te erkennen die Maria speelde en speelt als Medeverlosseres, Middelares van alle Genaden en Voorspreekster. Zo zegt de Vrouwe tot Ida:
Mijn bedoeling en opdracht aan jou is niets anders dan de Kerk, de theologen, aan te zetten tot deze strijd. Immers, de Vader, de Zoon, de Geest wil de Vrouwe, die uitverkoren was om de Verlosser te brengen, als Medeverlosseres en Voorspreekster in deze wereld brengen. Ik heb gezegd: deze tijd is onze tijd. Daarmee bedoel ik het volgende. De wereld is in verwording en vervlakking, weet niet welke kant heen. Daarom zendt de Vader mij om Voorspreekster te zijn dat de Heilige Geest zal komen.
De pijnen, geestelijk en lichamelijk, heeft de Vrouwe, de Moeder, meegeleden. Voorafgegaan is zij immer. Toen de Vader haar uitverkoren had, was zij reeds de Medeverlosseres met de Verlosser, die in de wereld kwam als Mens-God. Zeg dat uw theologen.
Ik weet wel, de strijd zal zwaar en groot zijn en dan glimlacht de Vrouwe voor zich heen en het is alsof zij in de verte tuurt, maar het is reeds voorbestemd.
Laten we nu luisteren naar de woorden die de Vrouwe tot Ida sprak op 15 augustus 1951: Ik heb met mijn voet de slang verpletterd. Ik ben verenigd geworden met de Zoon, zoals ik altijd verenigd was met Hem. Dit, het dogma, is voorafgegaan in de kerkgeschiedenis.De Vrouwe heeft inderdaad de slang verpletterd; de genade van de Verlossing is uitgestort, maar moet nog toegeëigend worden. De zege staat inderdaad vast, maar het tijdstip ervan hangt af van wat u en ik doen en ik kan geen andere verklaring vinden voor de ongelofelijke tegenstand en zelfs vijandigheid ten opzichte van het voorgestelde dogma dan dat de slang op deze manier probeert de zaak verder te obstrueren. De tegenstand stamt al van voor het Tweede Vaticaans Concilie en hiervan getuigden de debatten tijdens de zittingen en achter de schermen. Zoals de Dienaar van God Johannes Paulus II het zeer fijngevoelig en diplomatiek verwoordde in zijn mariale catechese van 13 december 1995:
Tijdens de zittingen van het Concilie wilden veel vaders de mariale leer verder verrijken met andere verklaringen over Marias rol in het heilswerk. De specifieke context van het mariologische debat van Vaticanum II liet niet toe dat aan deze wensen tegemoet werd gekomen, hoewel die talrijk waren en bij velen leefden, maar de hele discussie over Maria op het Concilie blijft krachtig en evenwichtig, en de kwesties zelf, hoewel niet volledig gedefinieerd, kregen voldoende aandacht bij de algehele behandeling.
Het punt is dat het Concilie de deur naar verdere preciseringen van Marias rol in het verlossingswerk niet dichtgooide en niet kón dichtgooien, ook al willen in onze tijd veel commentatoren ons dat doen geloven. De aanhoudende controverse hierover waar Ida vaak door de Vrouwe op wordt gewezen, lijkt door te klinken in wat Maria op 13 oktober 1973 tot zuster Agnes Sasagawa zei: Het werk van de duivel zal zelfs de Kerk infiltreren op zodanige wijze dat men kardinalen zal zien opstaan tegen kardinalen, bisschoppen tegen andere bisschoppen. De priesters die mij vereren zullen door hun confraters beschimpt en tegengewerkt worden.
Wat ik eenvoudigweg wil zeggen is dat in de Kerk de mariale leer nooit marginaal is, of franje. Aan de erkenning van de rol die de Heer aan Maria heeft gegeven zit ongetwijfeld veel vast. Hoe passend is het wat Ida de Vrouwe met zo veel nadruk hoorde zeggen op het feest van de Tenhemelopneming in 1951:
Weet gij wel, Rome, hoe alles ondermijnd wordt? Jaren zullen vervliegen, jaren zullen daar overheen gaan. Maar hoe meer jaren, hoe minder geloof; hoe meer jaren, hoe meer afval.
II. Middelares van alle Genaden
In de loop van het tweede millennium is de Katholieke Kerk tot een steeds duidelijker begrip gekomen van Marias rol als uitdeelster van alle genaden van de verlossing, waarin zij een actieve rol had. Dit is bevestigd door alle pausen van de moderne tijd, ook al weigerde het Tweede Vaticaans Concilie vanwege complex gemanoeuvreer achter de schermen en op de vergadervloer hier een feitelijke uitspraak over te doen. Het concilie erkende dat Maria terecht Middelares genoemd kan worden, maar zag ervan af te stellen dat zij door de uitdrukkelijke wil van God Middelares van alle Genaden is.Vandaar dat de volgende woorden van paus Benedictus XVI in zijn homilie van 11 mei 2007, bij de heiligverklaring van Frei Antônio de SantAna Galvão in Campo de Marte, São Paulo, Brazilië, aanvullen en completeren wat het Concilie leert, en gerust als representatief beschouwd kunnen worden voor wat zijn voorgangers de afgelopen 150 jaar hebben geleerd:
Maria, Moeder van God en onze Moeder, is ons op dit moment bijzonder nabij. Frei Galvão bevestigde op profetische wijze de waarheid van de Onbevlekte Ontvangenis. Zij, de Tota Pulchra, de allerzuiverste Maagd, die in haar schoot de Verlosser van de mensheid ontving en bewaard werd voor elke smet van de erfzonde, wil de definitieve bezegeling zijn van onze ontmoeting met God onze Redder. Er is in de heilsgeschiedenis geen vrucht van de genade die niet als noodzakelijk instrument de bemiddeling van de Moeder Gods heeft.
Beste vrienden, vergun mij te eindigen met te herinneren aan de Gebedswake in Marienfeld in Duitsland: in aanwezigheid van een menigte jongeren sprak ik over de heiligen van onze tijd als ware hervormers. En ik voegde eraan toe: Alleen van de heiligen, alleen van God komt de ware revolutie, de definitieve manier om de wereld te veranderen (homilie, 20 augustus 2005). Dit is de uitnodiging die ik vandaag wil doen aan u allen, niemand uitgezonderd, in deze Eucharistie zonder grenzen. God zei: Wees heilig zoals Ik heilig ben (Lev. 11:44). Laten we God de Vader, God de Zoon en God de Heilige Geest dankzeggen, van wie wij op voorspraak van Maria alle zegeningen van de hemel ontvangen; van wie wij deze gift ontvangen die, samen met het geloof, de grootste genade is die een schepsel kan krijgen: de vurige wens om tot volheid in de liefde te komen, in de overtuiging dat heiligheid niet alleen mogelijk maar ook noodzakelijk is voor iedereen in zijn of haar eigen levenssituatie, teneinde de wereld het ware gelaat van Christus, onze vriend, te laten zien! Amen!
Deze katholieke overtuiging vinden we waarschijnlijk het treffendst uitgebeeld in O.L. Vrouw van de wonderdadige medaille, zoals zij aan de H. Catherine Labouré verscheen op 27 november 1830.
Aan elk van haar vingers zaten drie edelstenen van verschillende grootte en daar kwamen lichtstralen vanaf die op de bol onder haar voeten vielen. Maar van sommige stenen kwam geen enkele straal.
Net toen ik hierover zat te denken zo vervolgt Catherine wendde de Heilige Maagd haar blik naar mij, en binnen in mij sprak een Stem: De bol die je ziet is de wereld; daar is Frankrijk en iedere aardbewoner bij inbegrepen. De lichtstralen die van mijn handen komen zijn de genaden die ik uitstort over hen die daar om vragen.
De Heilige Maagd liet me begrijpen met welk een gulheid en vreugde ze genaden uitreikte. Maar, zei ze, er zijn ook genaden waar men mij niet om vraagt, en daarom zie je uit sommige stenen geen lichtstralen komen.
In het derde deel van haar herinneringen, dat ze op 31 augustus 1941 afmaakte, geeft Lúcia ons het volgende, diepgaande inzicht in de bemiddeling van het Onbevlekte Hart van Maria:
Zoals ik al in het tweede deel heb geschreven, vertelde de H. Maagd me op 13 juni 1917 dat ze me niet in de steek zou laten en dat haar Onbevlekt Hart mijn toevlucht zou zijn en de weg die me naar God zou leiden. Terwijl Ze die woorden sprak, opende ze haar handen, en daaruit stroomde een licht dat tot in het diepst van ons hart doordrong. Ik denk dat op die dag (van de tweede verschijning) het licht in de eerste plaats bedoeld was om ons te vervullen van een speciale kennis van en liefde voor het Onbevlekte Hart van Maria, zoals dat naar mijn idee bij de twee andere gelegenheden het geval was met betrekking tot God en het mysterie van de Allerheiligste Drie-eenheid.
Sinds die dag waren onze harten vervuld van een vuriger liefde voor het Onbevlekte Hart van Maria. Van tijd tot tijd zei Jacinta tegen me: De Dame zei dat haar Onbevlekte Hart je toevlucht zal zijn, en de weg die je naar God zal leiden. Vind je dat niet geweldig? Haar hart is zo goed! Ik houd er zo veel van!
Hier zijn de beelden van de bemiddeling van de H. Maagd bijzonder treffend. Haar hart zal Lúcias toevlucht zijn en de weg die haar naar God zal leiden. Ten tweede is er het beeld van Marias handen die opengaan en het licht dat eruit stroomt. Dit doet denken aan het visioen van de H. Catherine Labouré, maar hier begrijpen we dat men door Marias bemiddeling speciale inzichten kan verwerven in de Allerheiligste Drie-eenheid en in haar Onbevlekt Hart.
Lúcia bericht ons vervolgens een paar bijzondere inzichten van haar kleine nichtje Jacinta:
Jij zult hier blijven om bekend te maken dat God de devotie tot het Onbevlekt Hart van Maria in de wereld wil vestigen. Als je dit moet zeggen, kruip dan niet weg. Zeg tot iedereen dat God ons genaden schenkt door het Onbevlekt Hart van Maria; dat de mensen erom moeten vragen; en dat het Hart van Jezus wil dat het Onbevlekt Hart van Maria aan zijn zijde word vereerd. Zeg ze ook te bidden tot het Onbevlekt Hart van Maria om vrede, want die heeft God aan haar toevertrouwd. Kon ik maar in ieders hart het vuur leggen dat in mijn eigen hart brandt, en waardoor ik zo veel van de Harten van Jezus en Maria houdt!
Hier zien we dat de Zalige Jacinta vast overtuigd is van de bemiddeling van het Onbevlekt Hart van Maria bij God en dat het Hart van Jezus wil dat het Onbevlekt Hart van Maria aan zijn zijde wordt vereerd, waarmee bevestigd wordt dat erkenning van Marias unieke medeverlossende en bemiddelende rol de wil van Jezus is.
Nu is het zeer interessant dat de houding van de Vrouwe op de beeltenis die Ida van haar moest laten schilderen en die Ida zelf op 31 mei 1951 had gezien, een sterke gelijkenis vertoont met die van de beeltenis op de wonderdadige medaille. Toch zijn er ook een aantal verschillen. Een verschil is dat de Vrouwe voor het kruis staat, hetgeen duidt op haar medewerking aan het verlossingswerk voor ons. Een ander verschil is dat de aardbol omgeven wordt door kudden schapen. Laten we horen hoe Ida dit beschrijft:
Dan zegt de Vrouwe tegen mij: Kind, prent deze voorstelling goed in je geheugen en geef het goed weer. Deze voorstelling van de kudde schapen betekent de volkeren van heel de wereld, die niet eerder rust zullen vinden dan als ze zich neerleggen en in rust opzien tot het kruis, het middelpunt dezer wereld.
Kijk nu naar mijn handen en vertel wat gij ziet.
Nu is het alsof er in het midden van haar handen een wond geweest is en daaruit komen, uit elke hand, drie stralen, welke schijnen op de schapen.
De Vrouwe glimlacht en zegt: Dit zijn drie stralen, de stralen van Genade, Verlossing en Vrede. Door de Genade van mijn Heer en Meester zond de Vader, uit liefde voor de mensheid, zijn enige Zoon als Verlosser op de wereld. Zij beiden willen nu de Heilige, de ware Geest zenden, die alleen Vrede kan zijn. Dus: Genade, Verlossing, Vrede.
De Vader en de Zoon willen Maria, de Vrouwe van alle Volkeren, als Medeverlosseres, Middelares en Voorspreekster zenden in deze tijd. Hier heb ik je een duidelijke en klare uitleg gegeven van deze beeltenis. Daarmede is deze beeltenis af.
Bijzonder treffend is hier dat Marias handen de stigmata vertonen. Ik geloof dat dit iets totaal nieuws is in de mariale iconografie, maar picturaal geheel verantwoord. Na Jezus, de God-mens, heeft geen menselijk schepsel inclusief alle gestigmatiseerden uit de geschiedenis meer in het verlossende lijden van Jezus gedeeld dan zijn Moeder. Laten we luisteren naar de woorden van de Dienaar Gods paus Johannes Paulus II in zijn mariale catechese van 9 april 1997, die een getrouwe weerklank vormt van hetgeen zijn voorgangers over deze belangrijke kwestie leerden:
Toegepast op Maria krijgt de term medewerker een specifieke betekenis. De medewerking van de christenen in de verlossing vindt plaats na het gebeuren op Calvarië, waarvan zij de vruchten gaan verspreiden door gebed en offers. Maria echter werkte mee tijdens het gebeuren zelf en in de rol van moeder; aldus omvat haar medewerking geheel Christus verlossingswerk. Zij alleen was op deze wijze verbonden met het verlossingsoffer dat het heil verwierf voor de hele mensheid. In vereniging met Christus en in onderwerping aan Hem, werkte zij mee in het verwerven van de heilsgenade voor de hele mensheid.
De afbeelding van de Vrouwe laat dus op opmerkelijke wijze zien dat Marias bemiddeling van genade, verlossing en vrede voortvloeit uit haar rol van Medeverlosseres: juist uit haar gewonde handen stromen de genaden van de Verlossing. Zij zou deze boodschap nogmaals tegenover Ida herhalen op 2 juli 1951 met nadere uitleg:
Kijk nu goed naar mijn handen. Daaruit komen de stralen van Genade, Verlossing en Vrede. De stralen schijnen op al de volkeren, op alle schapen. Onder deze mensen zijn er velen van goede wil. Van goede wil zijn, wil zeggen: het eerste en voornaamste gebod onderhouden. Het eerste en voornaamste gebod is Liefde. Wie liefde bezit, zal zijn Heer en Schepper vereren in zijn schepping. Wie liefde bezit, zal niets oneerbaars doen tegenover de naasten. Dat is hetgeen in deze wereld ontbreekt: Godsliefde, Naastenliefde.
De Vrouwe geeft aan dat de stralen schijnen op al de volkeren, op alle schapen. Onder deze mensen zijn er velen van goede wil. Heel duidelijk zegt zij hier dat de genaden die zij bemiddelt er niet alleen zijn voor de katholieken, zelfs niet alleen voor de christenen, maar voor alle mensen van goede wil. Alle volkeren moeten weten dat de genade van de Verlossing komt van Jezus door Maria. Hoe explicieter deze kennis is, des te meer kunnen alle volkeren er profijt van hebben. De roep om het dogma is ook een roep om de nieuwe evangelisatie.
III. De Voorspreekster voor de hele mensheid met Jezus en de Heilige Geest
In de ongelofelijk rijke homilie van onze heilige Vader in Guayaquil, Ecuador op 31 januari 1985, die ik hiervoor heb geciteerd, zei hij dat de rol van Maria als Medeverlosseres niet eindigde bij de verheerlijking van haar Zoon en vervolgens legde hij uit:
De Kerk gelooft dat de ten hemel opgenomen Allerheiligste Maagd voor altijd bij Christus is en daar voor ons ten beste spreekt (vgl. Heb. 7:25), en dat bij het goddelijke middelaarschap van haar Zoon zich de aanhoudende smeekbeden van zijn Moeder voegen ter wille van de mensen, haar zonen en dochters.
Maria is de dageraad en de dageraad kondigt altijd de komst van de zon aan. Daarom zou ik niets liever willen, broeders en zusters van Ecuador, dat jullie met diepe liefde de Moeder van Christus en de Kerk eren en dat jullie tot haar, de smekende almacht (omnipotentia supplex), jullie toevlucht nemen, opdat zij jullie steeds dichter bij Christus, haar Zoon en onze Middelaar, zal brengen.
Er zijn minstens twee punten die in deze leerstellig zo rijke uiteenzetting naar voren komen. Ten eerste heeft Maria deel aan de priesterlijke voorspraak van de verheerlijkte Christus, die nu aan de rechterhand van de Vader zit, waar Hij onophoudelijk onze Voorspreker is. In vereniging met Jezus (vgl. Heb. 7:25; 1 Joh. 2:1) en de Heilige Geest (vgl. Joh. 14:16, 26; 15:26; 16:7)is zij ook onze Voorspreekster. En ten tweede wordt Marias bemiddelende rol nader gepreciseerd: zij is de omnipotentia supplex, de smekende almacht, dat wil zeggen dat ze zowel smeekt als almachtig is. Met deze paradoxale term omschreef paus Johannes Paulus II bij een aantal gelegenheden de voorspraak van de H. Maagd.Misschien is een van de beste verklaringen van deze term die van de heilige Alphonsus Maria de Liguori:
Opdat de Moeder dezelfde macht zou hebben als de Zoon, heeft Jezus, die almachtig is, ook Maria almachtig gemaakt; al is het natuurlijk zo dat Jezus van nature almachtig is, en Maria slechts door genade. Maar dat zij dit is blijkt uit het feit dat wat de Moeder ook vraagt, de Zoon haar nooit weigert. Maria wordt daarom almachtig genoemd in zoverre een dergelijke term kan worden toegepast op een schepsel waaraan geen goddelijke eigenschappen kunnen worden toegeschreven; dat wil zeggen, zij is almachtig omdat ze door haar gebeden alles verkrijgt waar ze om vraagt.
Omdat Maria Medeverlosseres en Middelares van alle Genaden is, is zij ook de meeste perfecte menselijke Voorspreekster bij de heilige Drie-eenheid. Deze titel heeft diepe wortels in de katholieke traditie en is al terug te vinden bij de heilige Irenaeus in de tweede eeuw. De titel komt voor in het Salve Regina ( Wees gegroet, o Koningin), waarin we bidden: Onze Voorspreekster, sla op ons uw barmhartige ogen. In het pauselijk magisterium wordt het woord Voorspreekster letterlijk honderden keren voor Maria gebruikt en steeds weer naar haar voorspreeksterschap verwezen. Het grote mariale document van het Tweede Vaticaans Concilie erkende zelfs volmondig dat Maria terecht wordt aangeroepen als Voorspreekster.In zijn grote mariale encycliek Redemptoris Mater heeft Johannes Paulus een briljante analyse gegeven van de nauwe relatie tussen Marias rol van Voorspreekster en haar rol van Middelares:
Te Kana in Galilea toont zich slechts een concreet, schijnbaar klein en onbeduidend aspect van de menselijke behoeftigheid (Zij hebben geen wijn meer). Maar het heeft symbolische waarde. Dat tegemoetkomen aan de noden van de mensen betekent tegelijk dat zij hen binnenleidt in de straal van de messiaanse zending en van de heilbrengende macht van Christus. Er is dus een bemiddeling: Maria plaatst zich tussen haar Zoon en de mensen in de werkelijkheid van hun ontberingen, armoede en lijden. Zij plaatst zich midden tussen, d.w.z. zij wordt middelares, niet als een vreemdelinge maar in haar positie van moeder, zich ervan bewust dat zij als zodanig in staat is zelfs het recht heeft - om de noden van de mensen aan de Zoon voor te leggen. Haar middelaarschap heeft dus het karakter van tussenkomst: Maria komt tussenbeide voor de mensen. En dat is niet alles. Als moeder verlangt zij ook dat de messiaanse macht van de Zoon zich openbaart ofwel zijn heilsmacht die erop gericht is de mens te hulp te komen in zijn ongeluk, hem te bevrijden van het kwaad dat in verschillende vormen en graden zijn leven bezwaart.
Op 31 mei 1955 gaf de Vrouwe aan Ida de duidelijkste beschrijving van haar rol van Voorspreekster:
Gij zult nog veel meemaken in deze eeuw. Gij, volkeren van deze tijd, weet toch dat gij staat onder de bescherming van de Vrouwe van alle Volkeren. Roept haar aan als Voorspreekster, vraagt haar om alle rampen af te wenden. Vraagt haar, de verwording uit deze wereld te verbannen.
Van verwording komen rampen, van verwording komen oorlogen. Gij zult door mijn gebed vragen dit van deze wereld af te wenden. Gij weet niet hoe groot en hoe voornaam dit gebed is bij God. Hij zal zijn Moeder verhoren als zij wil zijn uw Voorspreekster.
IV. Conclusie
Zijn belangrijke, maar helaas grotendeels vergeten encycliek van 8 mei 1928, Miserentissimus Redemptor, sloot paus Pius XI met dit gebed af:
Moge de meest genadige Moeder van God, die ons Jezus als Verlosser gaf, die Hem grootbracht en aan de voet van het Kruis als slachtoffer voor ons offerde, die door haar mysterievolle vereniging met Christus en door haar ongeëvenaarde genade terecht de naam van Eerherstelster verdient, moge zij welwillend neerzien op onze wensen en onze ondernemingen. Vertrouwend op haar voorspraak bij Christus onze Heer, die, hoewel enige Middelaar tussen God en mens (1 Tim. 2:5), zijn Moeder de Voorspreekster voor de zondaars wilde maken en de Verleenster en Middelares van zijn genade, verlenen wij uit de grond van ons hart als een teken van hemelse gunst en van onze vaderlijke bezorgdheid aan u en aan alle gelovigen die aan uw zorg zijn toevertrouwd onze apostolische zegen.
Als men de tekst zorgvuldig leest, zal men ontdekken dat Pius XI in feite de Moeder Gods als Medeverlosseres, Middelares en Voorspreekster ziet. Daarvoor is het onder andere nodig te begrijpen dat het Latijnse woord Reparatrix dat de paus gebruikte een equivalent is van het woord Medeverlosseres. Door het offer van zijn dood voor ons aan het kruis, repareerde, herstelde Jezus onze relatie met de Vader; Hij gaf Hem genoegdoening. Als de nieuwe Eva aan de zijde van de nieuwe Adam was Maria verenigd met Hem in deze daad van genoegdoening op een secondaire, ondergeschikte en van Hem afhankelijke manier, maar tegelijkertijd op heel unieke wijze. Vandaar dat zij terecht kan worden genoemd Reparatrix of Medeverlosseres.Ten tweede wees de paus erop dat Jezus, de God-mens, weliswaar de enige Middelaar is tussen de Schepper en zijn schepselen, maar zijn Moeder de Verleenster en Middelares van zijn genade wenste te maken. Ten derde stelde de paus tevens dat de Heer zijn moeder de Voorspreekster voor de zondaars wilde maken.
Als we de titels Medeverlosseres, Middelares en Voorspreekster met elkaar verbinden, kunnen we op een logische en coherente manier Marias rol in onze verlossing begrijpen: het is juist vanwege de unieke en intieme deelname van de H. Maagd aan het verlossingswerk als Medeverlosseres dat zij de Uitdeelster (Middelares) van alle genaden en de grote Voorspreekster voor haar kinderen kan zijn na Jezus zelf en de Heilige Geest. Ja, elk van deze termen brengt een ander facet naar voren van de ongeëvenaarde wijze waarop Maria deel heeft aan de unieke priesterlijke bemiddeling van Jezus: zij neemt deel aan het werk van onze verlossing; zij verdeelt de genaden van de verlossing; haar leven bestaat eruit voor ons ten beste te spreken.
Deze drie titels vertegenwoordigen het steeds diepere inzicht van de Kerk in de unieke rol die de Moeder van God speelt in het verlossingswerk, niet alleen in het verleden, maar ook hier en nu. De titels zijn niet nieuw, en nog veel minder is hun inhoud nieuw. De rol van Maria in het werk van onze verlossing is in de afgelopen eeuwen de centrale vraag in de mariologie geweest en zoals de vaders van het Tweede Vaticaans Concilie terecht hebben opgemerkt: Maria, die zo diepgaand heeft deelgenomen aan de heilsgeschiedenis, verenigt in zich en weerspiegelt in zekere zin de grootste leerstukken van het geloof.Daarom is deze kwestie naar mijn oordeel bepaald niet van ondergeschikt belang maar de belangrijkste kwestie waar de theologie vandaag voor staat. Tot dusver heeft de grote meerderheid van de katholieke theologen geweigerd duidelijk te bevestigen wat de Heilige Geest de Kerk het afgelopen millennium heeft geleerd over Maria en in plaats daarvan de voorkeur gegeven aan het compromis en minimalisme. Men hoeft alleen maar de overeengekomen verklaringen te raadplegen zoals Mary in the New Testament, The One Mediator, The Saints, and Mary, de veelgeprezen verklaring van de Groupe des Dombesen de overeengekomen verklaring van de ARCIC over Maria van 2005. Katholieke pastores hebben, een enkele uitzondering daargelaten, bijna volstrekte stilte betracht over dit onderwerp en het is op dit moment inderdaad zo dat velen echt onwetend zijn over de duizendjarige traditie van de Kerk.
Maar zoals de Vrouwe herhaaldelijk tegenover Ida heeft benadrukt: nu is het de tijd om te handelen. Als God Maria het grootste en meest volmaakte schepsel heeft gemaakt en haar een volstrekt unieke rol in het verlossingswerk heeft gegeven, altijd ondergeschikt aan de God-mens en afhankelijk van Hem hebben we dan enig recht dit te ontkennen of hierover te zwijgen? Jezus vormt het centrum van ons geloof en Maria staat naast Hem. Nee, zij is niet het centrum van ons geloof, maar ze staat naast het centrum. Ze is onafscheidelijk van Jezus, door een onlosmakelijke band met Hem verenigd en evenzeer door een onlosmakelijke band verenigd met de Kerk. Dat is wat de boodschappen van de Vrouwe van alle Volkeren benadrukken, maar dit is geen nieuwe leer: het is de eeuwige leer van de Kerk, nu helaas maar al te vaak onbekend, verkeerd begrepen of verduisterd. Wij moeten deze doctrine bekendmaken, nederig, maar vol vreugde. We moeten bidden en offeren, zodat de dogmaverklaring waar de Vrouwe om vraagt plaatsvindt. Ik denk dat we haar woorden aan Rome ook voor onszelf moeten laten gelden:
Weet gij wel, Rome, hoe alles ondermijnd wordt? Jaren zullen vervliegen, jaren zullen daar overheen gaan. Maar hoe meer jaren, hoe minder geloof; hoe meer jaren, hoe meer afval.
De Heer vraag onze medewerking, net als Hij die van Maria heeft gevraagd. Daar hangt de Triomf van haar Onbevlekt Hart van af, zoals die door de H. Maagd in Fatima is voorspeld, en de Heer wil deze triomf tot de sleutel maken voor de Heerschappij van het Allerheiligste Hart van zijn Zoon.